beginselverklaring
1
zij
op een novemberochtend
kijk ik in de ogen d’une face feminine dat het mijne is geworden
heb je jezelf ooit van bovenaf gezien
de patronen die je achterlaat terwijl je voortbeweegt op aarde
dress toujours like je naar een veldhospitaal gaat
la parole heeft een prijs
dans toutes mes langues
اللي ما فهمكش خسرك
het gezicht in de spiegel zal een geschiedenis schrijven
bruin en vrouwelijk
2
we
elk woord heeft naast een prijs een schaduw
in die schaduw herkennen we elkaar
zelfverklaarde overwinnaars tekenen in rechte lijnen de geschiedenis op
we are the results van het Europese schier-continent
we zijn generaties flinterdun rookvlees
drones en draken doen het veldwerk
legers ontginnen grillig mensen
de geschiedenis is voedzaam en warm
in de snelkookpan van de beschaving
Andalusië is nog altijd taai
en schaamte is de schitterende vrouw van de duivel
3
jij en ik
we bogen voor gewelven in rotsen en vergaten
deinsden op zoute golven en herinnerden ons
we adjusted our feathers lightly above the ocean
we ontstaken ooit vuur en lieten zeeschuim trillen
in ons gehemelte werd het universum gelezen
jij de jongen die ik als kind in mijn dromen zag
vertelt over de hibiscusheggen uit onze jeugd
we trokken tegelijk de stampers uit de bloemen zogen de nectar eruit
ieder aan zijn kant van de heg
zonder elkaar ooit te zien
4
wij
the tones of my ancestors تنبض في دمي
ouders keren naar hun geboortegrond en lachen als kinderen
while I attend board meetings
om uiteindelijk waardig mijn taken neer te leggen
het woord kleeft bijt kwijlt claimt en eist
ik leef tussen landtongen
het zorgvuldige weefsel van zes talen
zout van water dat droogde op onze huid
de zachte bladeren van de hibiscus waar we in elkaar verdwenen
cette face zal een geschiedenis schrijven
het wintergezicht dat we geworden zijn
Nisrine Mbarki Ben Ayad

Wat kon volgens Plato τὰ φαινόμενα σῴξειν betekenen? Met het oog waarop werd de schijn gered? En waarvoor?
De dwalende schijn is dankzij de hypothese begrijpelijk gemaakt en bevrijd van iedere behoefte aan een laatste wetenschappelijke verklaring, van elk ‘waarom?’ – een behoefte die door de hypothese is bevredigd. De hypothese, die zich daar rekenschap van geeft, laat de dwaling van de schijn als schijn van de dwaling zien. Dat betekent niet dat de hypothese waar is of aan de schijn ten grondslag kan worden gelegd, en dat de kennis zich daar dan naar zou moeten richten. De schone schijn, door hypothesen niet verder verklaarbaar, wordt gekoesterd, bewaard en ‘gered’ voor een ander begrip dat haar nu zoals ze op zichzelf is, anhypothetisch, in haar glans begrijpt. Weliswaar wordt ook hier nog iets zintuiglijks beoogd (vandaar de term ‘idee’, die naar een zien, een ἰδεῑν verwijst), zij het niet iets zintuiglijks dat door de taal en kennis voorondersteld wordt, maar eerder in hen volkomen staat blootgesteld. De schijn die niet meer op een hypothese, maar op zichzelf berust, het ding dat niet meer gescheiden is van zijn begrijpelijkheid, maar in haar midden rust, is de idee, het ding zelf.
Agamben, Giorgo, Idee van het proza. Vertaald door Ineke van der Burg, Amsterdam 2019, (Boom), pag 124-125 (Idee van de schijn)
Ethics cannot be based on human nature because, as evolutionary biology tells us, there is no such thing. (…)
What biology teaches us about human nature is that, in a very real sense, there is no such thing as human nature. The only coherent attitude to that fact is that of the existentialist: if there is any guidance to be found in nature, it is that there is nothing there to follow. Instead, we should aspire to create it.
Ronnie de Sousais,
https://aeon.co/essays/how-evolutionary-biology-makes-everyone-an-existentialist?

‘Het echte gevaar is niet dat machines op ons gaan lijken, maar dat wij op machines gaan lijken’, zegt MIT-onderzoeker Otto Scharmer
INTERVIEW
Wouter van Noord
Kunstmatige intelligentie Bedrijven en overheden zouden net zoveel moeten investeren in de ‘sociale bodem’ waarin AI landt als in de techniek zélf, vindt MIT-onderzoeker Otto Scharmer. „Als de sociale bodem is uitgeput, falen uiteindelijk alle samenwerking en creativiteit die nu nodig zijn.
Gepubliceerd NRC 28 juli 2026
Dat zeurende gevoel dat alles steeds sneller verandert. Dat het vrijwel onmogelijk wordt om mondiale ontwikkelingen echt te begrijpen, laat staan bij te benen. Otto Scharmer heeft er een term voor: ‘planetaire overweldiging’. Zo beschrijft hij het sentiment dat hij overal ter wereld bij zijn colleges, presentaties en advieswerk aantreft, van Amerikaanse universiteitscampussen en Chinese fabrieken tot Europese steden. „De machine draait harder dan mensen kunnen verwerken, sneller dan mensen kunnen denken.”
Volgens Scharmer is het gevoel van overweldiging geen persoonlijk falen: het is een waarschuwingssignaal dat er maatschappelijk iets wezenlijks aan het afbrokkelen is, precies op het moment dat we dat het meest nodig hebben. De Duitser, docent aan de Amerikaanse topuniversiteit MIT, werd bekend met Theory U, een theorie over hoe managers grote veranderingen kunnen begeleiden door eerst grondig te luisteren voordat ze in de actiestand schieten. Hij adviseert al decennia leiders bij de Verenigde Naties, overheden en bedrijven. Maar wat er nú allemaal tegelijk op mensen en organisaties afkomt, overweldigt hemzelf de laatste tijd ook weleens, vertelt hij tijdens een videogesprek vanuit de Zwitserse Alpen, waar hij even vakantie houdt na een werkbezoek aan China. Zijn analyse werkte hij onlangs uit in essays voor Noema Magazine en de MIT Sloan Management Review.
Onder dat breed gedeelde gevoel van overweldiging ziet Scharmer drie diepere processen. Ten eerste: ons gedeelde morele kompas erodeert; de waarden en normen die samenlevingen bijeenhouden, brokkelen af. Tweede: tegelijk vallen sociale verbanden uiteen, in eenzaamheid en polarisatie. En derde, het minst zichtbaar, maar volgens Scharmer het meest verraderlijk: „We verleren langzaam essentiële menselijke vermogens, doordat we ons denken en onze creativiteit steeds verder uitbesteden aan machines. Juist nu we die creatieve vermogens het hardst nodig hebben.”
Wie zijn denkwerk uitbesteedt aan een chatbot, betaalt daar een verborgen – en hoge – prijs voor. Scharmer wijst op een MIT-studie naar het gebruik van ChatGPT voor creatieve taken, waarin onderzoekers spreken van ‘cognitieve schuld’: door AI creatief werk te laten overnemen, neem je een hypotheek op je eigen creativiteit op de lange termijn. „Wie AI gedachteloos gebruikt, ziet de kwaliteit van zijn creatieve vermogens aantoonbaar afnemen. Dat is zelfs terug te zien aan de neurale connectiviteit in het brein.”
Al die ontwikkelingen samen roepen volgens Scharmer existentiële vragen op: „Wat betekent het om te denken? En wat betekent het om mens te zijn?”
Drie intelligenties
Om die vragen te beantwoorden, onderscheidt Scharmer drie vormen van intelligentie. Die laten volgens hem zien hoe AI verschilt van mensen, en wat we wel en niet kunnen uitbesteden aan computers om uit deze crises te komen.
De eerste is AI zelf, de kunstmatige intelligentie. Aan de ene kant kijkt hij met bewondering naar de snelle voortgang daarvan. „Maar de taalmodellen achter chatbots als ChatGPT zijn getraind op enorme hoeveelheden bestaande teksten en data, en kijken daardoor per definitie achteruit: ze kunnen alleen putten uit wat er al is.” Binnen die grens presteren ze indrukwekkend, vindt hij: ze zijn briljant in het samenvatten en combineren van alle kennis die de mensheid heeft voortgebracht. Maar echt iets níéuws laten ontstaan, dat kunnen taalmodellen niet. „Daarvoor is menselijke handelingskracht nodig die een computer niet heeft.”
Voor die handelingskracht is volgens Scharmer ook een andere vorm van intelligentie nodig: organische intelligentie (OI). AI hoort bij het hoofd, bij data-abstracties van de werkelijkheid. OI ontstaat juist in het lijf, in lichamelijk contact met de echte, fysieke wereld en echte, fysieke mensen: relaties bouwen, aandachtig luisteren, je verplaatsen in een ander. „Empathie hoort daar onlosmakelijk bij, en daar loopt de machine vast: een AI-model kan empathie simuleren, maar heeft niet het werkelijke vermogen om zich op dat niveau tot een ander te verhouden.”
De derde vorm van intelligentie die Scharmer in zijn onderzoek identificeert, is de meest ongrijpbare: SI, ofwel source intelligence, bronintelligentie. Hij bedoelt daarmee de intelligentie die nodig is om aan te voelen wat er wíl ontstaan, hoe je eSI
en toekomst laat ontstaan die er nog niet is. Ja, dat kan wat zweverig klinken, erkent hij. Maar Scharmer stuitte erop in zijn onderzoek aan MIT, waarvoor hij honderdvijftig ondernemers en vernieuwers interviewde die hun vakgebied wezenlijk hadden veranderd. Hoe keken zij naar hun eigen creatieve proces? „Het verhaal dat ik keer op keer van hen hoorde: de toekomst is een mogelijkheid die naar míj kijkt, omdat ze van mij afhangt om werkelijkheid te worden.”
Scharmer voegt toe dat deze vorm van intelligentie collectief is, hij maakt een vergelijking met schimmelnetwerken in de bosbodem. Zulke onzichtbare netwerken bestaan volgens hem ook tussen mensen. Wie gebruik wil maken van de gemeenschappelijke intelligentie van die netwerken, kan dat doen „door dieper, menselijker, te luisteren naar wat er om je heen gebeurt”. Je zou het kunnen zien als een vorm van spirituele intelligentie, zegt hij. Scharmer haalt in zijn werk vaker concepten aan uit daoïstische en boeddhistische wijsheidstradities en uit onderzoek naar mindfulness.
De blinde vlek van AI
Waarom is juist die bronintelligentie nu zo belangrijk om een antwoord te vinden op dat gevoel van overweldiging dat veel mensen ervaren? Omdat ze precies de blinde vlek van AI is, zegt Scharmer. „Het is het soort intelligentie waarmee kunstenaars, ondernemers en goede leiders iets wezenlijk nieuws kunnen laten ontstaan, iets wat er voorheen echt nog niet was.” Voor scholen en universiteiten is de vraag daarom niet hoe studenten kunnen wedijveren met de computer, maar hoe ze ontwikkelen wat de computer mist, vindt hij: „Niet nadoen wat AI al beter kan dan wij, maar aanvullen waar AI blind is. Dat zou onze focus moeten zijn.
„Het grootste gevaar is niet dat machines op ons gaan lijken, maar dat wij steeds meer op machines gaan lijken. Dat we leren alleen maar zien als dataverwerking, creativiteit als het herschikken van wat er al is, de mens bekijken als een soort algoritme.” Kortom: wie te veel met AI bezig is, verliest die andere twee intelligenties, en raakt daarmee een stukje menselijkheid kwijt, op een moment dat we die maximaal nodig hebben om uitwegen te vinden uit de grote crises van dit moment.
Klinkt dit alles niet te abstract? Vooral voor mensen in grote, traditionele organisaties is dit soort taal over „toekomsten laten ontstaan” en de „intelligentie van het sociale veld” behoorlijk ver van hun bed. Scharmer herkent die kritiek deels. „Maar wat mij altijd verrast is hoeveel mensen bronintelligentie uit eigen ervaring kennen; ze praten er alleen zelden over.” Tegelijkertijd geeft hij toe: „Voor mensen die vooral in de PowerPoint-wereld leven, klinkt dit soort denken niet alleen onbekend, maar misschien zelfs wereldvreemd.”
Hoe zorg je ervoor dat die bronintelligentie meer ruimte krijgt in organisaties, en in de samenleving? Door het te zien als een investeringsafweging, zegt Scharmer. „Bedrijven en overheden zouden net zoveel geld en aandacht moeten steken in het klaarmaken en gezond maken van het sociale weefsel als nu naar AI zélf gaat. Wat nu volledig ontbreekt in de discussie over AI, is het belang van investeren in de sociale en maatschappelijke bodem waarin die AI landt.” Hij vergelijkt het zelf met de groeiende aandacht voor zogeheten regeneratieve landbouw, die de grond gezonder maakt in plaats van uitput. Scharmer groeide zelf op zo’n boerderij op.
Sociale bodem uitgeput
„Als de sociale bodem gezond is, vertrouwen mensen elkaar meer, is er een gedeelde realiteit, communiceren mensen beter en zijn ze dus ook beter in staat gezamenlijk te reageren op de nieuwe uitdagingen die AI brengt”, stelt hij. „Als de sociale bodem is uitgeput, kun je nog zoveel mooie nieuwe technieken uitvinden, maar falen uiteindelijk de samenwerking en creativiteit die nodig zijn.”
Scharmer ziet de laatste tijd wel plekken waar meer geld en aandacht naar die maatschappelijke en sociale inbedding van AI gaat. Zo zegt hij positief verrast te zijn over wat hij bij zijn laatste bezoek aan China aantrof, waar AI-bedrijven meer gericht zijn op zogeheten open weight-modellen, een variant van opensource-modellen die mensen (deels) zélf kunnen beheren en aanpassen. Dat maakt AI weer wat menselijker, vindt hij, doordat mensen samen kunnen werken om de AI vorm te geven. Dat staat in contrast met de gesloten modellen van de meeste Amerikaanse makers: „De VS, als zogenaamd open samenleving, produceren juist vooral gesloten modellen.”
Scharmer wijst erop dat een hoge Chinese rechter onlangs oordeelde dat bedrijven hun medewerkers niet mogen ontslaan om ze door AI te vervangen, en dat de opbrengsten van de technologie er niet in handen komen van een handvol miljardairs, maar veel breder gedeeld worden in de samenleving. Hij zag in China „praktischer” toepassingen van AI: in zorg, onderwijs, dagelijks leven, fabrieken en de landbouw bijvoorbeeld, in plaats van de wedloop om dominantie van westerse AI-bedrijven in zogeheten superintelligentie: „Wat superintelligentie is, en of dat werkelijk mogelijk is, weet niemand. Het is een narratief dat ons verkocht wordt.”
En de censuur en surveillance dan, die AI toch ook versterkt? Natuurlijk heeft de Chinese, niet in democratische instituties ingebedde aanpak grote nadelen en risico’s, zegt Scharmer. „Maar opvallend veel Chinezen zijn blij met AI, vertelden ze me. Dat terwijl in het Westen de weerstand juist zichtbaar groeit.”
Optimistisch is hij dan ook over die groeiende protesten tegen de aanpak van veel grote Amerikaanse AI-bedrijven. „Zelfs in de Verenigde Staten, niet bepaald een technologie-kritisch land, protesteren steeds meer jongeren tegen AI die banen overneemt en tegen datacenters die land, energie en water opslokken.” Twee weken geleden waren er demonstraties tegen datacenters op 142 plekken in de VS, telde persbureau Reuters.
Al die bewegingen samen brengen de belangrijkste vragen van dit moment naar de oppervlakte, zegt hij: „Is AI een werktuig of onze baas? Zijn we straks slechts huiskatten van onze AI-overlords? En, misschien wel de belangrijkste: hoe gebruiken we AI zo dat het onze creatieve vermogens niet uitholt, maar juist versterkt?” Gelukkig stellen steeds meer mensen wereldwijd die vragen, signaleert Scharmer. „En we staan nog maar aan het prille begin.”
Otto Scharmer (1961) is onderzoeker en docent aan de Amerikaanse MIT Sloan School of Management. Hij is de grondlegger van managementtheorie Theory U, en het Presencing Institute, een mondiaal netwerk gericht op maatschappelijke vernieuwing en leiderschapsontwikkeling. Hij is schrijver van diverse managementboeken waaronder
Theory U (2007) en Presence: Human Purpose and the Field of the Future (2013, samen met Peter Senge, Joseph Jaworski en Betty Sue Flowers). De laatste tijd richt zijn onderzoek zich met name op het gebruik van kunstmatige intelligentie.
https://www.nrc.nl/nieuws/2026/07

Le ciel se penche sur la Terre et ne la reconnaît plus
Comme une mère dont on aurait changé l’enfant durant
la nuit.
La route vous dit: «Non», en pleine figure comme elle
vous cracherait dessus
Et s’en va rejoindre sous terre les autres routes qui n’en
sont plus.
Je suis si seul que je ne reconnais plus la forme exacte de
mes mains
Et je sens mon cœur en moi comme une douleur étrangère.
Silence ! On ne peut pas offrir l’oreille à ces voix-là.
On ne peut même pas y penser tout bas
Car l’on pense beaucoup trop haut et cela fait un vacarme
terrible.
Jules Supervieille
De hemel buigt zich over de aarde en herkent haar niet meer.
Als een moeder wiens kind ’s nachts is verwisseld.
De weg zegt je: “Nee,” recht in je gezicht, alsof hij je bespuugt.
En verdwijnt ondergronds bij de andere wegen die geen wegen meer zijn.
Ik ben zo alleen dat ik de precieze vorm van mijn handen niet meer herken.
En ik voel mijn hart in me als een vreemde pijn.
Stilte! Men kan niet luisteren naar die stemmen.
Men kan er zelfs niet in stilte aan denken.
Want men denkt veel te hard en dat maakt een vreselijk lawaai.
Jules Supervielle
Google translate
