AANDACHT

Herman Berger

https://www.dbnl.org/tekst/_roe003195501_01/_roe003195501_01_0043.php

Simone Weil en de methode van de aandacht

SIMONE Weil werd de derde Februari 1909 te Parijs uit joodse ouders geboren. Van 1925 tot 1928 was zij leerlinge van het lyceum Henri IV, waar zij de invloed van Alain diepgaand onderging. Op negentienjarige leeftijd werd zij na een vergelijkend examen toegelaten tot de Ecole Normale Supérieure, welke zij in 1931 als ‘agrégée de philosophie’ verliet. In deze tijd nam zij contact op met de arbeidersbeweging en werkte mee aan het links georienteerde tijdschrift ‘La Révolution prolétarienne’. Na een jaar lang wijsbegeerte gedoceerd te hebben te Le Puy, besloot zij als anonieme arbeidster te gaan werken in een grote fabriek ten einde de toestand van de werkende klasse van meer nabij te leren kennen. Gebroken naar lichaam en geest zoekt zij daarna enige verademing in een klein portugees dorpje. Daar gaat het christendom, dat zij bij voorkeur als de godsdienst der slaven ziet, spreken in haar ziel. Spijts deze prille religieuze ervaring gaat zij in de zomer van 1936 aan de zijde van de Roden deelnemen aan de burgeroorlog.
De Goede Week van 1938, die zij te Solesmes doorbrengt, betekent een ommekeer in haar leven. Ondanks zware hoofdpijnen, ten gevolge waarvan het minste geluid haar kwelt, put zij een onuitsprekelijke vreugde uit de schoonheid van de plechtigheden. Zij leert in deze dagen een jonge engelsman kennen en samen met hem leest zij gedichten van de z.g. metaphysici. Vooral een gedicht van Herbert over de liefde tussen Christus en de ziel boeide haar zodanig, dat zij ook later niet kon nalaten het telkens weer te lezen. Toen zij het wéér eens las, zo verhaalt zij, ‘is Christus zelf neergedaald om mij geheel te omvangen’.
De aanvankelijk agnostische Simone Weil is een overtuigd gelovige geworden. Nooit echter is zij door het doopsel lid geworden van de Katholieke Kerk, ondanks het contact dat zij tijdens haar verblijf in Marseille opnam met de Dominicaan Perrin en met de katholieke philosooph Gustave Thibon. Te veel vooroordelen belemmerden haar het zuivere zicht op de Kerk.
In Mei 1942 verlaat Simone Weil haar vaderland, nu het voor joden meer en meer onmogelijk wordt om in Frankrijk te leven. Bijna een jaar verblijft zij in de Verenigde Staten, daarna vertrekt zij naar Londen om aan de uitgeweken franse regering haar diensten aan te bieden. Korte tijd na aankomst wordt zij ziek. De 24ste Augustus 1943 is zij in het sanatorium te Ashford overleden.
S. Weil is slechts vier en dertig jaar oud geworden maar in de korte tijd van haar leven heeft zij vele bundels aantekeningen en meerdere artikelen opgesteld, welke na haar dood een grote belangstelling trokken. Het onderhavige artikel wil de methode van S. Weil nader beschouwen.

Dit artikel vormt het tweede hoofdstuk van een becommentarieerde bloemlezing, die onder de titel De wereld van Simone Weil in October 1955 bij Uitgeverij Paul Brand (Bussum) zal verschijnen.
 
*
 


In een van Simone’s brieven aan Perrin lezen we het volgende:
 
Toen ik veertien jaar oud was, verviel ik in een van die bodemloze wanhoopstoestanden, die de puberteit kenmerken. Ik wenste niets anders dan spoedig te sterven, want ik kon mijn eigen middelmatigheid niet langer aanzien. De buitengewone begaafdheid van mijn broer, wiens jeugd als het ware een herhaling was van die van Pascal, dwong mij voortdurend om mij daarvan rekenschap te geven. Ik treurde niet om uiterlijk succes, maar omdat ik de hoop moest opgeven ooit toegang te krijgen tot dat bovenaardse rijk waar alleen de waarachtig groten kunnen binnentreden.
Na maanden van innerlijke duisternis had ik plotseling en voor altijd de zekerheid dat iedereen, onverschillig hoe gering zijn gaven zijn, binnendringt in het rijk van de waarheid, waar het genie van nature thuis is, wanneer hij naar de waarheid verlangt en voortdurend geheel zijn aandacht erop richt haar te bereiken. Zo wordt ook hij een genie, al kan hij door de zwakte van zijn vermogens als zodanig niet door anderen worden gekend. Later, toen mijn voortdurende hoofdpijnen mijn geringe mogelijkheden lamlegden en ik spoedig inzag dat deze toestand definitief zou zijn, heeft deze zelfde zekerheid mij in staat gesteld tien jaar lang mijn aandacht gespannen te houden zonder dat de geringste hoop op resultaat mij daarbij ondersteunde.
(Attente de Dieu (A.D.), La Combe, Paris, 1952, blz. 34. Behalve uit dit werk worden uit de volgende werken citaten opgenomen: La pesanteur et la Grâce (PG), Plon, Paris, 1952 – Cahiers, tome II (C II), Plon, Paris, 1953 – L’enracinement (E), Gallimard, Paris, 1952 – La Connaissance Surnaturelle (CS), Gallimard, Paris, 1950)
 
Simone Weil verklaart in bovenstaande regels uitdrukkelijk dat zij uit de wanhoopscrisis van haar jeugd gered werd door de ontdekking dat ieder, die in de aandachtige houding weet te volharden, het rijk van de waarheid zal binnentreden. Wat verstaat zij echter onder de aandacht en hoe kan de aandacht een methode, ja de grondslag van geheel haar denken betekenen?

Wat de aandacht is, vinden wij uiteengezet in een opmerkelijke samenhang. Toen J. Perrin van Marseille naar Montpellier was verplaatst om daar de geestelijke zorg op zich te nemen van de lyceïsten, zond Simone Weil hem in April 1942 enkele ‘overwegingen om de studie dienstbaar te maken aan de liefde tot God’, welke beginnen met de woorden: ‘De sleutel tot een christelijke opvatting van de studie is deze gedachte: het gebed is een vorm van aandacht. Want gebed is de oriëntatie op God van alle aandacht, waartoe de ziel in staat is.(AD 71)
Iedere oefening in aandacht, en bij uitstek de studie, is uitermate belangrijk. Want de grotere mogelijkheid om aandachtig te zijn is niet beperkt tot een bepaald terrein maar strekt zich uit over het geheel van de menselijke vermogens en is met name op godsdienstig gebied vruchtbaar. Dat de aandacht noodzakelijk vruchtbaar is, meent Simone Weil o.a. uit het Evangelie te kunnen aantonen:
 
De beste steun voor het geloof is de garantie dat de Vader geen stenen zal geven, wanneer men Hem om brood vraagt. Zelfs buiten elk uitdrukkelijk Gods-geloof om is het zeker, dat men slechts een werkelijk verlangen om een bepaalde waarheid beter te begrijpen en daartoe een werkelijke aandacht hoeft op te brengen om die grotere geschiktheid voor de waarheid inderdaad te verkrijgen, zelfs al zou de inspanning geen zichtbare vruchten dragen. Een verhaal, dat onder de Eskimo’s leeft, verklaart de oorsprong van het licht als volgt: ‘de raaf, die in de eeuwige nacht geen voedsel kon vinden, verlangde naar het licht en het licht was er’. Als er een werkelijk verlangen is en als dat verlangen werkelijk uitgaat naar het licht, brengt het verlangen naar het licht het licht voort. Een werkelijk verlangen is daar aanwezig waar de aandacht gespannen is. En het verlangen gaat werkelijk uit naar het licht, als elke andere drijfveer ontbreekt. Wanneer de inspanningen van de aandacht schijnbaar jaren lang zonder resultaat blijven, mag men toch niet de zekerheid in twijfel trekken dat de ziel op zekere dag vervuld zal worden door een licht, dat nauwkeurig in verhouding zal staan tot de inspanningen, die men zich getroost heeft. Iedere inspanning voegt een weinig goud toe aan een schat, die niemand ter wereld U kan ontroven. De vruchteloze inspanningen die de Pastoor van Ars zich in lange, droevige jaren getroost had om latijn te leren, hebben vrucht gedragen in het wonderlijke onderscheidingsvermogen, waardoor hij de ziel van zijn biechtelingen kende achter hun woorden en zelfs in hun zwijgen…..(AD 73)

Wat de aandacht is naar haar eigen wezen en hoe men de aandacht kan onderscheiden van alwat er naar de uiterlijke schijn of naar de mening van vele mensen mee overeenkomt, legt de volgende tekst bloot:
 
Vaak verwart men de aandacht met een soort spier-spanning. Wie tot zijn leerlingen zegt: ‘nu moeten jullie eens goed opletten’, constateert dat zij hun wenkbrauwen fronsen, hun adem inhouden en hun spieren spannen. Als men hun na twee minuten vraagt wááraan zij hun aandacht geschonken hebben, blijven zij het antwoord schuldig. Zij hebben aan niets hun aandacht geschonken. Zij zijn in het geheel niet aandachtig geweest. Zij hebben slechts hun spieren gespannen.
Dit soort van inspanning verbruikt men vaak bij het studeren. Daar men er moe van wordt, heeft men de indruk goed gestudeerd te hebben. Dat is een illusie. De vermoeienis staat in geen enkele verhouding tot het werk. Het werk is de nuttige inspanning, of deze vermoeiend is of niet. De spanning van de spieren is in de studie totaal onvruchtbaar, hoe goed men het ook bedoelt. Een dergelijke goede bedoeling plaveit de weg naar de hel. Een dergelijke studie kan in schools opzicht wellicht goed zijn, zodat men goede cijfers krijgt en mooie examens doet, maar dat is dan ondanks de inspanning en dank zij de natuurlijke begaafdheid; maar een dergelijke studie is altijd nutteloos.
De wil, die bij tijden de tanden op elkaar doet klemmen en die ons het lijden doet verdragen, is het voornaamste wapen van de leerjongen, die een ambacht oefent. Maar wat men er ook gewoonlijk van moge denken, hij is in de studie nauwelijks op zijn plaats. Het verstand kan slechts worden geleid door het verlangen. En het verlangen kan slechts worden gewekt door vreugde en genot. Het verstand groeit slechts en draagt slechts vrucht in de vreugde. Vreugde is voor de studie even onmisbaar als de ademhaling-contrôle voor hardlopers. Waar deze vreugde ontbreekt, vindt men geen studenten maar arme caricaturen van leerjongens, die uiteindelijk zelfs geen ambacht geleerd zullen hebben.
Door de rol die het verlangen in de studie speelt, kan deze laatste een voorbereiding worden tot het geestelijk leven. Want het op God gerichte verlangen is de enige kracht, waardoor de ziel kan opstijgen. Zeker: God alleen kan de ziel tot Zich verheffen maar alleen het verlangen verplicht God om neer te dalen. God komt slechts naar hen, die Hem vragen te komen en God kan Zichzelf niet verhinderen te komen bij degenen, die vaak, lang en vurig om Hem smeken.
De aandacht is een inspanning – de zwaarste inspanning wellicht – maar het is een negatieve inspanning. Uit haarzelf wekt zij geen vermoeienis op. Wanneer de vermoeidheid zich doet gevoelen, is de aandacht bijna niet meer mogelijk, tenzij men reeds uitzonderlijk geoefend is; dan moet men zijn gedachten de vrije loop laten en ontspanning zoeken om even later opnieuw te beginnen; men moet zich laten gaan en zich hernemen zoals men in- en uit- ademt.
Twintig minuten sterke en onvermoeide aandacht zijn oneindig meer waard dan drie uur van die inspanning-met-gefronste-wenkbrauwen waarvan men voldaan zegt: ik heb goed gewerkt.
Maar al schijnt het niet zo, het is veel moeilijker. Iets in onze ziel biedt heviger weerstand aan de werkelijke aandacht dan het vlees zich verzet tegen de vermoeidheid. Dat ‘iets’ staat veel dichter bij het kwaad dan het vlees. Daarom betekent iedere werkelijke aandacht een gedeeltelijke vernietiging van het kwaad. Wie met deze bedoeling een kwartier lang aandachtig weet te zijn heeft veel goede werken verricht.
Hierin nu bestaat de aandacht: dat men zijn zoekend denken opheft om zich ter beschikking te houden, leeg en open voor de dingen, en om in zichzelf de verschillende reeds verworven zekerheden weliswaar in de nabijheid te houden van het denken, maar op een lager niveau en zonder contact. Het denken moet zich tot alle bijzondere en reeds eerder gevormde gedachten verhouden zoals een man, die op een berg voor zich uitziet, zich verhoudt tot de bossen en vlakten onder hem, die hij overziet zonder elk afzonderlijk op te merken. En vooral moet het denken leeg zijn, ‘in verwachting’. Het mag niets zoeken maar moet bereid zijn om in onverhulde waarheid het voorwerp te ontvangen, dat erin gaat binnendringen.
Alle nonsens in vertalingen, alle absurditeiten bij de oplossing van wiskundige problemen, alle stijlfouten en alle gebrekkige uiteenzettingen in opstellen zijn hieraan te wijten: dat het denken zich overhaast heeft tevreden gesteld en zodoende te vroeg gevuld werd om nog voor de waarheid ter beschikking te zijn. De oorzaak is altijd, dat men zelf werkzaam heeft willen zijn; men heeft willen zoeken. Men kan dit bij elke fout nagaan, als men tot de oorsprong ervan teruggaat. Een betere oefening dan deze contrôle is er niet. Want men is pas van deze waarheid overtuigd na een duizendvoudige ondervinding. Dat geldt trouwens voor alle wezenlijke waarheden.
De kostbaarste waarden moeten niet worden gezocht, maar afgewacht. Want de mens kan hen niet uit eigen kracht vinden. Wanneer hij naar hen op zoek gaat, zal hij op valse waarden stoten, die hij niet als vals zal weten te herkennen.
De oplossing van een wiskundig probleem is opzichzelf geen kostbaar goed maar dezelfde wet is erop van toepassing, want zo’n oplossing is een beeld van een kostbaar goed. Inzover het een deeltje is van een particuliere waarheid is het een zuiver beeld van de enige, eeuwige en levende Waarheid, die eens met menselijke stem de woorden uitsprak: ‘Ik ben de Waarheid’.

Wie in deze gedachtengang is doorgedrongen, bemerkt dat iedere schooloefening gelijkenis vertoont met een sacrament.
Elk vak bezit zijn eigen wijze van de waarheid te verwachten met intens verlangen en zonder dat men zichzelf toestaat de waarheid te zoeken. Een wijze om aandacht te schenken aan de gegevens van een wiskundig probleem zonder de oplossing te zoeken; aan de woorden van een latijnse of griekse tekst zonder de zin ervan na te gaan; of om te wachten totdat onder het schrijven het juiste woord vanzelf uit de pen vloeit zonder dat men een andere activiteit aan de dag heeft gelegd dan de onjuiste woorden terug te dringen.
Het is tegenover scholieren en studenten onze eerste plicht hun deze methode bij te brengen, niet slechts in het algemeen maar ook voor elk vak afzonderlijk. Niet alleen de docenten maar ook de geestelijke leidslieden moesten zich dit tot hun plicht rekenen. De laatst genoemden moeten de volle nadruk leggen op de overeenkomst, die het verstand bij het uitoefenen van zijn taak vertoont, met de ziel, die haar lamp met olie gevuld heeft en die haar bruidegom verwacht met vertrouwen en verlangen. Iedere opgroeiende jongeman, die een latijnse vertaling maakt, moge vervuld zijn van de wens om door deze vertaling het ogenblik een weinig te bespoedigen waarop hij werkelijk de slaaf uit het Evangelie zal zijn: wanneer zijn meester naar een feest is, waakt hij en luistert hij bij de deur om terstond te openen, zodra er geklopt wordt. Dan zal de meester de slaaf doen aanzitten aan tafel en hem bedienen.
Het is alleen de verwachting, alleen de aandacht die de meester kan verplichten tot zo’n overdaad van tederheid. Wanneer de slaaf uitgeput van het veld terugkeert, zegt de meester hem: maak mijn maaltijd klaar en bedien mij. En hij behandelt hem als een onnutte dienstknecht, die slechts doet wat hem bevolen is. Zeker, wij moeten alles doen wat ons bevolen is, hoeveel inspanning, vermoeienis of leed het ons ook koste, want wie ongehoorzaam is heeft geen liefde. Maar na dit alles is men toch slechts een onnutte knecht. Het is een voorwaarde voor de liefde, maar het is op zich niet voldoende. Wat de meester dwingt om zich tot de slaaf van zijn slaaf te maken is van geheel andere aard; al zou de slaaf uit eigen initiatief een zware taak op zich nemen, het zou hem niet baten; alleen het waken, de verwachting, de aandacht heeft deze kracht.
 
Gelukkig degenen, die hun jeugd en hun jonge mannelijkheid besteden om hun vermogen tot aandacht te vormen. Zeker, zij staan niet dichter bij het goede dan hun broers, die op de fabriek werken. Maar zij zijn op een andere wijze dichtbij het goede. De boeren en de arbeiders bezitten de onvergetelijke God-nabijheid, die in de armoede, in de sociale onbelangrijkheid en in het langdurige en langzame lijden ligt opgesloten. Maar, in zichzelf beschouwd, staat de studie dichter bij God omwille van de aandacht, die er het hartstuk van is. Wie jarenlang studeert zonder de aandacht in zich te ontwikkelen, heeft een grote schat verloren.
Niet alleen de liefde tot God heeft de aandacht tot kern. De naastenliefde, waarvan wij weten dat zij één is met de liefde tot God, heeft dezelfde kern. De ongelukkigen hebben in deze wereld aan niets zo’n behoefte als aan mensen, die in staat zijn aandacht aan hen te schenken. Het vermogen om aandacht te hebben voor een ongelukkige is zeer zeldzaam; het is bijna een wonder; het is een wonder. Bijna al degenen, die dit vermogen denken te bezitten, bezitten het niet. Het is niet genoeg een warm gemoed, een edelmoedig hart of een sterk gevoel van medelijden te bezitten.
In de eerste legende van de Graal wordt verhaald dat de Graal, de wonderbare steen die in kracht van de geconcentreerde Hostie alle honger stilt, ten deel zal vallen aan hem, die als eerste aan de bewaker van de steen – een koning die bijna geheel verlamd is en aan de smartelijkste wonden lijdt – de vraag zal stellen: ‘waaraan lijdt U’?
De volheid van de naastenliefde is eenvoudig het vermogen om deze vraag te stellen. Want de vraag zelf besluit in zich dat men weet dat de ongelukkige bestaat, niet als één uit de velen, niet als een exemplaar van de sociale categorie die het etiket ‘ongelukkigen’ dragen, maar als een mens, gelijk aan onszelf, die op zekere dag het onuitwisbaar kenmerk van het ongeluk ontving. Daartoe is voldoende – maar vereist – dat men een blik op hem weet te werpen.
Een blik vol aandacht, waardoor de ziel zich ontledigt van elke inhoud om in zich het wezen, waarop haar blik rust, te ontvangen zoals het is, in heel zijn waarheid. Alleen hij is daartoe in staat, die in staat is tot de aandacht.(AD 75-80)

Wanneer wij ons nogmaals een ogenblik indenken in de wanhoopscrisis van de jonge Simone Weil, begrijpen we wat de ontdekking van haar methode op dat ogenblik voor haar betekend heeft: de ontdekking, dat het niet de inspanningen van de wil noch de natuurlijke begaafdheden zijn, die ons tot de waarheid brengen, maar het liefdevolle verlangen en de openheid des harten. Zeker, deze aandacht is geen gemakkelijke taak en weinigen blijken ertoe in staat te zijn, maar ieder die doorzien heeft wat de aandacht is kan er zich in oefenen en zal dus te eniger tijd tot de aandacht in staat zijn. En de aandacht is noodzakelijk vruchtbaar. Waar de aandacht gespannen en bijgevolg een werkelijk verlangen aanwezig is, is de vervulling van het verlangen verzekerd. De Vader zal immers geen stenen geven aan hen die Hem smeken om brood. Ieder – ook de Simone Weil die zo leed onder het gevoel van haar ‘insuffisance’ – kan dus toegang verwerven tot het rijk van de waarheid.

Elke waarheid, hoe infinitesimaal ook, is echter een deelhebbing aan de levende Waarheid, die eens met menselijke stem de woorden sprak: ‘Ik ben de Waarheid’. Hieruit is te verklaren dat voor Simone Weil de methode van de aandacht op het gehele terrein van de waarheid toepasbaar is. In ons komt echter de vraag op: heeft zij wel doorzien dat de verschillende waarden-gebieden, de verschillenden terreinen van wetenschap en kunst, tussenmenselijke verhoudingen en bovennatuurlijk geloof eigen eisen stellen; dat de methode van de aandacht op elk van deze gebieden vruchtbaar is maar steeds op andere wijze?
Terecht heeft Simone Weil gewaarschuwd tegen een overmatig aanwenden van energie en wilskracht op het gebied van kunst en wetenschap. De persoonlijke inspanning is ongetwijfeld een voorwaarde voor het inzicht of voor de inspiratie, maar zij is niet voldoende. Iedere werkelijke verrijking en elke persoonlijke visie berusten op wat men ‘intuïtie’ noemt en wat wezenlijk bestaat in de stuwende kracht van het verstand [of van het gehele gemoedsleven], dat vooraf aan de serie der redeneringen reeds voorvoelt en vermoedt wat in de praemissen slechts impliciet ligt vervat. Tot een dergelijke intuïtie is de persoonlijke activiteit weliswaar vereist maar toch valt zij slechts ten deel aan hem, die afstand weet te nemen van de ‘bijzondere en reeds tevoren gevormde gedachten’ en die in een verlangende blik weet te schouwen naar de gezochte waarheid. ‘De uiterste aandacht is wat men het scheppende vermogen van de mens noemt’.(PG 135)

Ook in het tussenmenselijke verkeer is de aandacht het enige, dat waardevol is. Alleen hij die zich geheel voor de ander ter beschikking kan stellen, is in staat aan het innerlijk leven van de mede-mens deel te nemen. Iedere overwoekering van de activiteit belemmert de uitstroming van het eigen gevoel en verhindert dat men de ander aanziet met een ‘blik’, die openheid en toewijding verraadt. ‘Blik’ [regard] is juist de term die S. Weil graag gebruikt, wanneer zij de aandacht bedoelt die op personen gericht is.
Eerst tegenover God en de genade krijgt de aandacht de betekenis, waarheen Simone Weil voortdurend op weg is wanneer zij over de aandacht spreekt. Maar juist in dit opzicht is het nuttig meerdere aspecten te bezien. Dat onze houding tegenover de orde van het bovennatuurlijke en van de genade als zodanig geen andere dan die van de aandacht kan zijn, mag toegegeven worden. De mens kan slechts opzien naar God, zoals de joden opzagen naar de koperen slang, om van God uit te verkrijgen wat ons niet om eigen verdienste geschonken wordt. De aandacht past de mens, die smeekt om Gods niet afdwingbaar neerdalen. Wanneer Simone Weil zegt dat de aandacht God dwingt, dan bedoelt zij de toestand weer te geven welke in kracht van Gods vrij besluit nu feitelijk bestaat.
Vervolgens: wie reeds in de genade gevestigd is, kan ook alleen van God uit vermeerdering van genade verkrijgen. Ook hier is de aandacht op haar plaats. Naar de katholieke leer is ons echter in de genade een beginsel gegeven, waardoor onze eigen wilskracht ingeschakeld en bovennatuurlijk-vruchtbaar gemaakt wordt. Simone Weil nu legt te weinig nadruk op deze ons door God verleende kracht van ons willen. Zeker, zij schakelt de menselijke activiteit niet uit, maar zij ziet deze toch te uitsluitend als voorwaarde. Zo schrijft zij:

Onze fouten trachten te herstellen door de aandacht, niet door de wil. De wil heeft slechts vat op spier-bewegingen. Ik kan mijn hand plat op tafel willen leggen. Als de innerlijke zuiverheid of de inspiratie of de waarheid van de gedachte noodzakelijk verbonden waren met dergelijke handelingen, konden ze voorwerp van het willen zijn. Daar dit niet zo is, kunnen we hen slechts afsmeken. Hen afsmeken wil zeggen: geloven dat wij een Vader in de Hemel hebben.(PG 134)

Herhaaldelijk verklaart Simone Weil hoe het mogelijk is fouten door de aandacht te verbeteren:

We moeten onverschillig staan tegenover het goed en het kwaad; wanneer wij echter onverschillig zijn d.i. wanneer wij het licht van onze aandacht gelijkelijk schenken aan het goed en aan het kwaad, zal het goed het vanzelf winnen. Dat is het wezen van de genade. En het is de bepaling, het onderscheidend beginsel van het goede. Een goddelijke ingeving werkt onfeilbaar, onweerstaanbaar, als men zijn aandacht aan haar blijft wijden en haar niet weigert. We hoeven geen keuze te doen te haren gunste; het is voldoende dat wij niet weigeren te erkennen dat zij is.(PG 137)

Het gebed echter is bij uitstek het terrein van de aandacht. Welk gebed kan zuiverder zijn dan de vraag-loze blik die vol liefde tot God is gericht en die woorden-loos schreit om hulp Smeken wil zeggen: van buiten af het leven of de dood verwachten. Geknield, het hoofd gebogen, in een houding die het de overwinnaar zo eenvoudig mogelijk maakt om het slachtoffer met één slag te onthoofden, de handen aan zijn knieën [oorspronkelijk, waarschijnlijk, omhoog geheven] om van zijn medelijden, als van het zaad van een vader, de gave van het leven te ontvangen. In stilte verlopen enkele ogenblikken van verwachting. Het hart wordt ontledigd van elke gehechtheid, bevroren als het is door het naderend contact met de dood. Men ontvangt een nieuw leven uit zuivere barmhartigheid.
Zo moet men bidden tot God.
De verwachting is de basis van het geestelijk leven.
De kinderlijke genegenheid is slechts een beeld van de houding tot God.
Als de ziel haar honger naar het levensbrood zonder onderbreking en onvermoeibaar, uitschreit tot God, zoals een pasgeborene schreit, die door zijn moeder vergeten wordt…
Mogen de kreten, die ik als kind van één of twee weken uitstiet, zonder ophouden in mij weerklinken als een vraag naar de melk, die is: het zaad van de Vader.
De melk van de Maagd, het zaad van de Vader – ik zal hen ontvangen als ik er om schrei. De kreet is de eerste techniek, die aan het menselijk leven gegeven is. Wat het werk nooit zou kunnen geven, daarom schreit men. Het eerste voedsel vloeit uit de moeder en wordt gegeven aan het krijtende kind; geen werk heeft daaraan deel gehad.(CS 46)

Dat het gebed een liefdevolle blik impliceert, een aandachtig opzien naar God, is – dunkt me – een te zeer miskende waarheid in onze tijd, waarin de zakelijkheid overmatig wordt gewaardeerd. Voor hoevelen is zelfs de meditatie een drukke bezigheid geworden, waarin men zich inspant om deze of gene methode in al zijn mogelijkheden te beproeven, vergetende dat juist het warme, menselijke gevoel, dat aan het liefdevol samen-zijn ontspruit, de bron is van een zedelijk juist handelen. In het hedendaags christendom vergeet men, aldus Simone Weil, dat niet de mens krampachtig op zoek is naar God, maar dat God zelf op zoek is naar de mens:

Het christendom van vandaag heeft zich op dit punt, zoals op zovele, laten besmetten door zijn tegenstanders. De beeldspraak van de mens, die op zoek naar God, roept een wilsactiviteit op van het soort, waardoor men zijn spieren spant. Het is waar dat Pascal veel heeft bijgedragen tot het succes van deze beeldspraak. Hij heeft dan ook enkele dwalingen op zijn naam staan en met name de dwaling dat hij in zekere mate geloof en auto-suggestie verwart.
In de grote beelden van de mythologie en van de folklore, in de gelijkenissen van het Evangelie ook, is het God die de mens zoekt. ‘Quaerens me sedisti lassus’. Nergens is er in het Evangelie sprake van dat de mens op zoek is naar God. De mens zet geen stap, tenzij hij ertoe gedwongen wordt of uitdrukkelijk geroepen. Het past de toekomstige bruid te wachten. De slaaf wacht en waakt, terwijl zijn meester naar een feest is. De voorbijganger nodigt zichzelf niet op het bruiloftsmaal uit, hij vraagt niet eens uitgenodigd te worden; hij wordt er als bij verrassing heen geleid. Zijn enige taak is hel te zorgen voor een passend bruiloftskleed. De man, die in het veld een parel gevonden heeft, verkoopt al zijn bezittingen en koopt het veld. Hij hoeft het veld niet om te spitten; het is genoeg dat hij al zijn bezittingen verkoopt. Naar God verlangen en afzien van al het andere, dat is het enige middel tot het heil.(AD 150)

Toch wordt ook de wilsactiviteit in dit licht opnieuw gewaardeerd. Zoals het spartelen van het kind verhoring vindt, omdat er een moeder is die het liefdevol opmerkt, zo is ook ons menselijk geploeter waardevol:
De wilsinspanning heeft waarde voor het bereiken van de deugd, niet echter om zichzelf, maar als een woorden-loos gebed, als een gebed uitgedrukt in gebaren.
Het kind van enkele maanden, dat een mooi voorwerp ziet, kan huilen om zich het voorwerp te laten geven. Het kan zijn handje uitstrekken en het dan weer machteloos laten zakken, het nogmaals uitstrekken, uren lang. Uiteindelijk zal zijn moeder het zien en het voorwerp geven.
Een mier klimt langs een glad, verticaal vlak; komt enkele centimeters vooruit en valt, klimt weer en valt. Een kind kan dat tien minuten lang geamuseerd aanzien, maar niet langer: het zal de mier op een strootje zetten en hem óp het verticale vlak plaatsen.
Zó moeten wij God vermoeien door onze aandacht en zó Hem dwingen de tijd in eeuwigheid veranderen.(CS 46)

Simone Weil past de methode van de aandacht nog op andere wijze toe. Ook voor de richtlijnen van het dagelijks leven, voor de beslissingen groot of klein, in ogenblikken van twijfel of onzekerheid is het voldoende, meent zij, op te zien tot God. Wanneer wij in deze ogenblikken eerlijk onze aandacht gespannen houden, zal God ons doen weten wát ons te doen staat. Aan onze ‘attention’ zal Gods ‘poussée’ beantwoorden.
De geschiedenis der heiligen vertelt ons inderdaad van goddelijke ingevingen, waardoor aan een pijnlijke onzekerheid een einde kwam; en wellicht heeft ook ieder van ons wel eens ervaren dat God soms tot ons spreken wil. Maar het is ongetwijfeld vermetel en het betekent een verwarring van het uitzonderlijke met het normale zich voor alle beslissingen op de goddelijke stem te willen verlaten. God spreekt reeds tot ons in de wetten van onze natuur en in de Openbaring d.i. door de Kerk. Een christelijk gevormd en door de deugd van voorzichtigheid geleid mens weet op grond van deze wetten zelf te beslissen en hij beschouwt dit niet als een pretentie zijnerzijds, maar als een taak, die hem door God zelf is opgelegd. God heeft nooit beloofd dat het gebed ons zou ontslaan van de verplichting om ons mens-zijn te beoefenen ook in de oplossing van de problemen, die het leven stelt. De in de kern van haar wezen soms nog agnostische Simone Weil kent echter geen natuurwet in strikte zin en de leiding van de Kerk heeft zij nooit aanvaard. God heeft bovendien zo vaak ingegrepen in haar leven. Schrijft zij niet aan Perrin dat God de enige leidsman is van haar ziel?
Op enkele plaatsen stelt Simone Weil haar mening over de goddelijke ‘poussée’ niet zo scherp en daardoor meer aanvaardbaar voor. Zij wil dan drie domeinen onderscheiden: wat niet van ons afhangt, moet door ons zonder beperking worden bemind en gewild; wat van ons afhangt, maar als een plicht verschijnt, moet worden gewild; in wat ook nog van ons afhangt zonder echter een plicht te zijn moeten we opzien naar God en Hij zal ons zeggen wat wij moeten doen:
Men moet drie domeinen onderscheiden. Allereerst wat volstrekt niet van ons afhangt; dat omvat alles wat er waar ook ter wereld op dit moment gebeurt, alles wat aan het gebeuren is of bestemd is later buiten ons bereik te gebeuren. In dit domein is alles wat gebeurt zonder enige uitzondering Gods Wil.(Zou men hier niet moeten lezen: ‘is alles wat gebeurt door God gewild óf toegelaten’?)

In dit gebied moeten wij dus alles absoluut zonder enige uitzondering beminnen, in zijn geheel en in elk detail, ook het kwaad in al zijn vormen; met name de eigen verleden zonden, voorzover zij verleden zijn [want men moet hen haten voorzover de wortel ervan nog in ons aanwezig is], het eigen lijden zowel heden als verleden en toekomstig, en ook – wat wellicht het moeilijkst is – het lijden van de anderen voorzover men niet geroepen is het te verlichten. Anders gezegd: men moet Gods werkelijke aanwezigheid aanvoelen door alle uiterlijke dingen zonder uitzondering heen, even duidelijk als de hand de hardheid van het papier ervaart door de penhouder en de pen heen.
Het tweede domein is datgene wat onder de heerschappij van de wil is geplaatst; dat omvat de zuiver natuurlijke dingen, die onder ons bereik vallen en die door verstand en verbeelding gemakkelijk tegenwoordig te stellen zijn; de dingen tussen welke wij kiezen en welke wij naar eigen beschikking kunnen aanwenden als middelen voor de bereiking van bepaalde eindige doelstellingen. In dit domein moeten wij niet in gebreke blijven maar zonder uitstel alles uitvoeren wat als een klaarblijkelijke plicht verschijnt. Wanneer de plicht niet klaarblijkelijk is, moeten we nu eens willekeurig gekozen, maar eens voor altijd aanvaarde regels volgen, dan weer in beperkte mate onze neiging involgen. Want een van de meest gevaarlijke vormen van zonde, wellicht de meest gevaarlijke, bestaat hierin dat men oneindigheid poneert in een wezenlijk eindig domein.
Het derde domein is dat van de dingen die zonder onder de heerschappij van de wil te vallen en zonder in betrekking te staan tot de natuurlijke plichten toch niet geheel en al onafhankelijk van ons zijn. In dit domein ondergaan wij een drang van God op voorwaarde dat wij verdienen hem te ondergaan; wij ondergaan hem in dezelfde mate waarin wij hem verdienen. God beloont de ziel die met aandacht en liefde aan Hem denkt door op haar een drang uit te oefenen die nauwkeurig, ja mathematisch in verhouding staat tot die aandacht en die liefde. We moeten ons aan die aandrang overgeven, daarheen gaan waarheen hij ons leidt en geen pas méér zetten, zelfs niet in de richting van het goede. Tegelijkertijd moeten we aan God blijven denken, met steeds meer liefde en aandacht, om daardoor te verkrijgen steeds verder gestuwd te worden en het voorwerp te zijn van een drang, die zich van een steeds groter deel van de ziel meester maakt. Wanneer de drang zich van geheel de ziel heeft meester gemaakt, is men in de toestand van volmaaktheid. Maar tot welke graad men ook is gekomen, men moet niets méér doen dan waartoe men onweerstaanbaar wordt voortgestuwd, zelfs niet in de richting van het goed. (AD 13-15)

Op andere plaatsen vinden we b.v. de volgende formule:
Als mijn eeuwig geluk op die tafel lag, in de vorm van een voorwerp, en als ik slechts mijn hand behoefde uit te strekken om het te grijpen, zou ik het niet doen zonder er een bevel toe ontvangen te hebben. (C II 206-207)

Men doorziet de achtergrond van deze gedachten: Simone Weil wil slechts handelen uit gehoorzaamheid en gehoorzaamheid veronderstelt een bevel. Maar zij vergeet dat het aan de mens als mens reeds is opgelegd zó te leven dat hij God bemint, zichzelf verwerkelijkt en bijgevolg gelukkig wordt. Het is ijdel van God te verwachten dat Hij ons nogmaals uitdrukkelijk zal aansporen. De goddelijke ingevingen zijn genade; en al kan, binnen de bovenaangegeven beperkingen, de uitdrukking getolereerd worden dat God door de liefdevolle aandacht tot het verlenen van zijn genade gedrongen wordt, dan is daarmee niet toegegeven dat God Zijn genade in de vorm van ingevingen verlenen moet, te meer omdat Hij in het merendeel van de door Simone Weil bedoelde gevallen reeds gesproken heeft. Voor de individualiste, die Simone Weil is, bestaan er echter geen geboden vóóraf aan de goddelijke aandrang, – en dit is de volstrekt onaanvaardbare zin die de leer van de ‘poussée’ doorgaans bezit:
De uitdrukking van de goddelijke geboden in de Heilige Boeken is slechts gegeven als voorwerp van onze aandacht. Het zijn pas waarlijk geboden vanaf het ogenblik waarop zij in ons hart beantwoord worden door een echo, door een impuls.(C II 187)

Om alle dubbelzinnigheid in deze toegespitste tekst te vermijden erkennen wij allereerst het waarheidselement, dat erin ligt opgesloten. Een gebod is inderdaad pas een gebod voor mij, wanneer het op zekere wijze in mij resoneert. Dit wil echter slechts zeggen, dat ik ééns de zin van de geboden in het geheel van het op God gerichte menselijke liefdeleven moet hebben verstaan, dat ik voorts dit speciale gebod als gebod moet kennen én dat ik in staat moet zijn het gebod te vervullen: een gebod dat door mijn psychische onvolkomenheid boven mijn niveau ligt, zodat het door mij in absolute zin niet kan worden vervuld, is geen gebod voor mij: de enige plicht, die ik tegenover dit gebod heb, is het te beminnen en te wensen, dat ik het spoedig zal kunnen vervullen. Dat een gebod in mij moet resoneren, betekent echter volstrekt niet dat het van mijn beslissing afhangt of ik dit gebod aanvaarden zal of niet. Wie het zo verstaat of wie meent – en doet Simone Weil dit niet – dat God in mij op deze wijze van het ervaarbare moet spreken om het gebod te bevestigen, zet de deur open enerzijds voor auto-suggestie en zelfmisleiding, anderzijds voor een subjectivistische moraal.
 
Simone Weil is er niet voldoende in geslaagd aan te geven hoe de aandacht op de verschillende terreinen des levens kan worden toegepast. Voegen we hieraan toe, dat zij waarschijnlijk ook geenszins behoefte gevoeld heeft om de aandacht begripsmatig te preciseren. Zij spreekt vanuit haar ervaringen, vanuit Gods voortdurend ervaarbare greep op haar ziel. Zodoende lag haar de eenheid van het aandachtsbegrip nader dan het onderscheid. Maar vanaf het moment dat zij haar gedachten uit, veralgemeent zij hen en vanaf dat moment is het ons recht te preciseren wat algemeen-geldig is en wat slechts gold voor haar individueel, heel bijzonder met God verbonden leven.

*
 
De methode van de aandacht heeft een diepe invloed uitgeoefend ook op de inhoud zelf van Simone’s denken, met name op de leer over de daad. Dat is niet verwonderlijk voor wie de bronnen nagaat waaruit Simone Weil haar leer over de aandacht heeft geput. Dat was allereerst haar eigen inspiratie. Deze is echter later ontwikkeld onder invloed van het bijbelse denken, van de Tao te King en van de Baghavad-Gita. Wat de eerste beïnvloeding aangaat:
Het griekse woord, dat de aandacht uitdrukt, is ὑπομοτη, hetwelk men zeer slecht vertaald met patientia [geduld]. Het is de verwachting, de aandachtige en trouwe onbeweeglijkheid die uit zichzelf geen einde neemt en die door geen enkele schok kan worden teniet gedaan. De slaaf die bij de deur luistert om voor de meester te openen, zodra hij klopt, is er het beste beeld van. De slaaf moet bereid zijn liever van honger en uitputting te sterven dan van houding te veranderen. Hij moet zijn hoofd zelfs niet afwenden, als zijn vrienden hem roepen, ja al spreken ze hem toe of slaan zij hem. Zelfs als men hem zegt dat zijn meester gestorven is en zelfs als hij dit gelooft, zal hij zich niet verroeren. Al zou de meester vertoornd op hem zijn en hem bij zijn terugkomst slaan, nog mag hij zich niet bewegen.(AD 150-151)

Het zijn echter vooral Oosterse invloeden, die diep hebben ingewerkt. Dit is zo waar, dat het moeilijk met teksten te staven valt, want Simone Weil voelde geen behoefte meer zich op haar oorsprongen te beroepen. Toch verraadt zelfs de uitdrukking ‘passieve activiteit’ en ‘niet-handelende daad’ de oosterse oriëntatie:
Tao. Techniek van de aandacht. Om de cidaden in volle vlucht te treffen, is het voldoende dat men in het gehele uitspansel niets anders meer ziet dan de bedoelde cicade: men kan haar niet meer missen. Om boogschutter te worden moet men twee jaar blijven liggen onder een weefstoel en zelfs niet met de ogen knipperen, wanneer de spoel voorbijschiet. Drie jaar lang een luis tegen een zijden draad laten opklimmen, recht tegen de zon in. Wanneer hij U groter zal lijken dan een rad, groter dan een berg, wanneer hij voor U de zon zal verduisteren, wanneer U zijn hart kunt zien, dan kunt U schieten: U zult hem raken in het hart.(C 45-46, nota.)

De aandacht als passieve activiteit ‘is op volmaakte wijze beschreven in de Baghavad en in Lao-Tse’.(AD 149)
De passieve activiteit wordt ook wel ‘action non-agissante’, niet-handelende daad genoemd. De kern ervan wordt als volgt weergegeven: ‘Handelen niet om een voorwerp, maar voortgedreven door een noodzaak. Ik kan niet anders handelen. Dat is geen daad, maar een soort passiviteit. Niet-handelende daad’.(C II 195) 

Wie de aandacht tot zijn levenshouding neemt, zal slechts handelen in kracht van een inspiratie of van een ingeving. Hij zal dus niet zozeer handelen uit zichzelf als wel gedreven door die inspiratie of door die ingeving. Elk handelen zal op de ‘gehoorzaamheid’ aan inspiratie of ingeving berusten.
Ik had honger en gij kwaamt mij te hulp. Wanneer dan, Heer? Zij wisten het niet. We moeten het niet weten.
We moeten de naaste niet te hulp komen óm Christus maar dóór Christus. Ons ik moet zodanig verdwijnen dat Christus door bemiddeling van onze ziel en van ons lichaam de naaste te hulp komt. De slaaf zijn die door zijn meester wordt uitgestuurd om aan deze of gene ongelukkige hulp te brengen. De hulp komt van de meester, maar richt zich tot de ongelukkige. Christus heeft niet geleden voor de Vader. Hij heeft geleden voor de mensen door de Wil van de Vader.
Men kan van de slaaf, die hulp gaat brengen, niet zeggen dat hij dit doet voor zijn meester. Hij doet niets. Zelfs wanneer hij met blote voeten over spijkers moest lopen om bij de ongelukkige te komen, zou hij slechts lijden, maar niets doen. Want hij is een slaaf.
‘Wij zijn onnutte slaven’, dat is: wij hebben niets gedaan.
In het algemeen; ‘voor’ God is een slechte uitdrukking. God mag niet in de derde naamval staan.
Niet tot de naaste gaan óm God maar dóór God, zoals de pijl naar het doel gestuwd door de schutter.(PG 52)

We merken op dat de gehoorzaamheid dan ook volmaakte daden voortbrengt:
Antwoord van de bretonse scheepsjongen aan de journalist, die hem vroeg hoe hij dat had durven doen: ‘Het moest wel’. Zuiverste heldendom. Men vindt deze houding meer bij het volk dan waar ook. De gehoorzaamheid is de enige zuivere beweegreden, de enige die in geen enkele graad de beloning van de daad insluit en die geheel de zorg om de beloning overlaat aan de Vader, Die in het verborgene is, Die in het verborgene ziet. Op voorwaarde dat het de gehoorzaamheid is aan een [innerlijke] noodzaak, niet aan een [uiterlijke] dwang [verschrikkelijke leegte bij de slaven].(PG, (innerlijke), (uiterlijke) toegvoegd door ondergetekende)

Het feit dat men niet handelt óm een voorwerp maar voortgedreven dóór een noodzaak bevat in zich een belangrijk gevolg. Men zal uiteindelijk on verschillig zijn of de daad het voorwerp bereikt of niet, want men handelde niet óm het voorwerp te bereiken. Men komt los te staan van een eventueel bereiken van zijn doel. Een term gebruikend, die aan de Baghavad-Gita is ontleend, zegt Simone Weil dat men zich onthecht aan de vruchten van zijn daad ofwel dat men verlangt zonder object. Het goed, dat men op deze wijze verricht, staat los van elke persoonlijke voorkeur en is daarom zuiver:
Iedere daad beschouwen onder het aspect niet van het voorwerp, maar van de aandrift. Niet: waartoe? Maar: vanwaar? ‘Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed’. Een dergelijke gave is het leken van de gesteldheid van hen die barmhartigheid bewezen. Hun gesteldheid was zodanig dat ze degenen, die hongerden, niet niet konden voeden, en de naakten niet niet konden kleden, Zij deden het niet óm Christus, maar zij konden ’t niet nalaten omdat het medelijden van Christus in hen was. Zo ook kon de H. Nicolaas, die met de H. Cassianus naar een rendez-vous met God ging, niet nalaten het uur van de afspraak te missen om een moejik te helpen, wiens wagen was vastgelopen. Het goed dat men zo bijna ondanks zichzelf verricht, bijna met schaamte en berouw, is zuiver. Ieder volkomen zuiver goed ontsnapt geheel aan de wil. Het goed overstijgt alle categorieën. God is het Goed.(PG 51-52)

*
 
Men kan spreken van een zekere ethiek van de aandacht. ‘De minachting is het tegendeel van de aandacht’.(AD 113) 

De minachting heeft immers al positie ingenomen, is geen openheid meer en vooral geen liefde. In het algemeen geldt dat de kwade daden het vermogen tot aandacht verminderen. ‘De kwade daden verlagen de mens, niet uit eigen kracht, maar omdat zij een obstakel vormen voor het vermogen tot aandacht.(C II 71) 

Het berouw is dan ook wezenlijk een kwestie van aandacht. ‘Diepe waarheid in de katholieke biecht: dat niet het voornemen noch het feit dat men zich innerlijk schrap zet of zijn energie aanwendt de zonde uitwist, maar het berouw d.i. het licht van de aandacht en deze aandacht in voortdurende herhaling en gezien in een lang tijdsbestek. Ieder ogenblik licht wist een deel van de zonde uit totdat zij verdwenen is – op voorwaarde dat men zich niet vrijwillig opnieuw in de zonde werpt.(C II 213)

De zonde, gezien als de zieke plek, de verkeerde gehechtheid van onze ziel, verdwijnt slechts geleidelijk door het licht van de aandacht. Daarmee ontkent Simone Weil de onmiddellijkheid van de zondevergeving niet. Evenmin wil zij ontkennen dat de kwade daden in zichzelve slecht zijn, maar zij wenst te benadrukken dat de verwoestende werking van de zonde hierin bestaat, dat zij ons afsluit van de naaste, van de waarheid en van God om ons steeds verder op te sluiten in onszelf, in de leugen en in de duivel. Een ieder, die niet door kwade daden beletselen oproept, is bijgevolg tot de aandacht in staat. Want de aandacht is uiteindelijk niets anders dan “de deugd van nederigheid in het domein van het verstand”.(C II 161) 

Daarom “zal ieder die niet tot een dergelijke aandacht in staat is, op zekere dag ertoe in staat gesteld worden, als hij volhardt in nederigheid en geduld, en als hij gedreven wordt door een niet aflatend en hevig verlangen”.(E 185) Wat de jeugd betreft:’ de aandacht moest het enige voorwerp van de opvoeding zijn. Ook bij het leren van een vak.(C II 169)


Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.