Ziel, goden en God, verlossing

Watson, P., Ideeën. De geschiedenis van het menselijk denken, Utrecht 2005 (Spectrum), pag. 135-161

OFFER, ZIEL, VERLOSSER:

DE DOORBRAAK VAN DE GEEST

In 1975 groef de Britse archeoloog Peter Warren een gebouwtje op dat deel uitmaakte van het paleis van Knossos op Kreta. Knossos was het centrum van de Minoïsche beschaving uit ca. 2000 v.C. waarin de stier werd vereerd en die in 1900 door Sir Arthur Evans was blootgelegd. Het gebouw dat Warren opgroef, was ooit door een aardbeving vernietigd, waardoor het nog moeilijker was dan anders om het puin te ‘lezen’. Maar al gauw stuitte hij op de verspreide botten van vier kinderen van acht tot twaalf jaar oud. Veel stukken bot vertoonden de kenmerkende sporen van het afsnijden van het vlees. In een aangrenzende ruimte werden nog meer kinderbotten aangetroffen, ‘met op één daarvan, een nekwervel, een groef van een mes die pathologen in verband brengen met het doorsnijden van de keel1. Warren concludeerde dat dit de resten waren van kinderen die waren geofferd om een grotere ramp te voorkomen – misschien wel de aardbeving die direct hierna plaatsvond

Van alle overtuigingen en gebruiken in oude religies is het offeren van dieren en mensen, en zelfs van koningen, wel het opmerkelijkst, zeker vanuit ons moderne gezichtspunt. Bij onze verkenning van de oorsprong van religie – de beschilderde grotten en de Venusbeeldjes van het Paleolithicum, en de verering van de Grote Godin en de Stier in een latere periode – hebben we geen spoor van offers gezien. Maar in de tijd van de eerste grote beschavingen (in Soemerië, Egypte, Mohenjo-Daro en China) was het gebruik algemeen en duurzaam: in delen van India kwam er pas in de 19e eeuw een einde aan het mensenoffer.2 Bestudering van oude teksten, van versieringen op tempel- en paleismuren en aardewerk, en van mozaïeken op vloeren hebben, samen met wereldwijd antropologisch onderzoek in de 19e en 20e eeuw, laten zien hoe gevarieerd de offerpraktijken waren. (Het verschil tussen offers vanwege religie en offers vanwege magie wordt in de noten besproken.) In Mexico werden kinderen geofferd zodat hun tranen regen zouden opwekken.3 Een niet ongewone vorm is het slachten van een varken. Dit is een boodschap aan de goden die direct beantwoord wordt: het antwoord is af te lezen aan de varkenslever. (De lever is het bloedigste orgaan, en bloed werd vaak geïdentificeerd met levenskracht.)

Zoals we hebben gezien, behoorden ideeën van een Grote Godin, de Stier en heilige stenen tot de vroegste ideeën van veel religies. Ze werden gevolgd door een tweede set van geloofsvoorstellingen die al lang waren ingeburgerd toen de grote hedendaagse godsdiensten verschenen. Van deze tweede groep ideeën was het offeren het opmerkelijkst.

Een offer bestaat in wezen uit twee dingen: het is een geschenk en het is een verband tussen de mens en de spirituele wereld. Het is een poging om de goden te dwingen om zich te gedragen zoals de mensen willen dat zij zich gedragen, of om hen gunstig te stemmen, hun boosheid te bezweren, iets te verkrijgen of juist kwijt te raken, of om ergens voor te boeten. Dit is makkelijk in te zien, maar wat meer uitleg vereist is de vorm waarin wordt en werd geofferd. Waarom zouden dieren en mensen gedood moeten worden? Waarom moet er bloed vloeien? Hoe kon zo’n duidelijk wrede praktijk aanslaan en ook nog verspreid raken? Beschouwden de mensen van vroeger een offer wel als wreed?

Het offer ontstond in een tijd waarin de mens alles wat hij ervoer als een vorm van leven beschouwde – ook de levenloze natuur als stenen, rivieren en bergen. In India was het haar heilig omdat het nog even doorgroeit nadat de drager dood is; haar had dus een eigen leven.4 De vedische Indo-Ariërs beschouwden het vuur als iets levends wat offers verslindt.5 Het belangrijkste is misschien wel dat offeren uit een tijd stamt waarin de ritmes van de wereld wel bemerkt worden, maar nog niet begrepen. Het waren deze ritmes, de notie van periodiciteit, van geregelde terugkeer, die aan de basis stonden van religie en we kunnen ook inzien waarom: dergelijke patronen waren de uiting van mysterieuze krachten.

Toen de eerste grote beschavingen in verschillende delen van de wereld – Soemerië, Egypte, India en elders – tot ontwikkeling kwamen, ontwikkelde de kernsymboliek zich verder in allerlei verschillende vormen.6 Van de vroege Indiase goden bijvoorbeeld, werd Indra gelijkgesteld aan de stier. In Iran werden vaak stieren geofferd.7 Ook in delen van Afrika en elders in Azië werden stierengoden vereerd. In de Akkadische religie in Mesopotamië was de stier het symbool van macht en in Tel Khafaje, niet ver van het huidige Bagdad, werd een afbeelding van een stier naast die van de ‘Godin Moeder’ vonden.8 De hoofdgod van de vroege Fenicische religie was bekend als Shor (‘stier’) of El (‘Genadige Stier’). Volgens Mircea Eliade vormden ‘de stier en de Grote Godin samen één van de elementen die alle protohistorische religies van Europa, Afrika en Azië met elkaar verbind’.9 Onder de Dravidische volkeren in Midden-India ontwikkelde zich een gebruik waarbij de erfgenaam van een man binnen vier dagen na diens dood een steen van wel tweeënhalf tot drie meter lang rechtop moest zetten. De steen was bedoeld om de ziel van de man ‘vast te pinnen’.10 In veel culturen van Oceanië vertegenwoordigen stenen goden, helden of ‘de versteende geesten van de voorouders’. De Khasis van Assam geloofden dat een cromlech, de cirkelvormige opstelling van stenen, uit ‘vrouwelijke’ stenen bestond en de Grote Moeder van de clan vertegenwoordigde, en dat de menhirs, de rechtopstaande stenen, de ‘mannelijke’ tegenhangers waren.

Het offeren kan op een minder wrede wijze zijn begonnen, in een tijd waarin graan het hoofdvoedsel vormde en er naar verhouding zelden vlees werd gegeten. Mogelijk werden toen dieren vereerd en was het opeten ervan een manier om de krachten van de goden in zich op te nemen. Dat kan worden afgeleid van het Griekse woord thusia dat drie, deels overeenkomende betekenissen heeft: wilde, opgewonden beweging, rook en offer.11 Maar zaaien en oogsten zijn de activiteiten waarop een landbouwmaatschappij is gericht, en ook deze gaan zonder uitzondering gepaard met ritueel.12 Zo worden in veel culturen de eerste zaden niet in de voor gezaaid maar ernaast, als offer aan de goden.13 De laatste vruchten werden niet geplukt, enkele bosjes wol werden niet van het schaap geschoren, en als een boer water uit een put haalde, gooide hij altijd enkele druppels terug zodat de bron niet uit zou drogen’.14

Hier zien we al het concept van zelfontzegging, van het offeren van iets om de goden te voeden of te verzoenen. Elders, van Noorwegen tot de Balkan, werden de laatste korenaren tot een figuurtje van een mens gemaakt; soms werd dit op de volgende akker gegooid die nog geoogst moest worden, of bewaard tot de volgende lente en dan verbrand, waarna de as over de grond gestrooid werd om zich zo van vruchtbaarheid te verzekeren.15 Uit oude verslagen blijkt dat sommige volkeren van Midden- en Noord-Amerika, Afrika en Oceanië, en enkele Dravidische volkeren van Midden-India, voor de oogst mensen offerden.16 Naast dat van de Khond was het offer van de Azteken in Mexico erg duidelijk wat de bedoeling betreft: een jong meisje werd voor de tempel van de maïsgod onthoofd als de maïs net rijp was. Alleen als deze ceremonie was uitgevoerd, kon de maïs worden geoogst en gegeten – daarvoor was die heilig en mocht niet geplukt worden. Men kan zich voorstellen waarom het offeren, dat begon met het achterhouden van enkele maïsaren, zo ingewikkeld werd en zo wreed. ledere keer als de oogst mislukte en er honger geleden werd, werd gedacht dat de goden ontstemd waren en dat de mensen hun pogingen hen te verzoenen moesten verdubbelen; hierdoor ontstonden nieuwe gebruiken en ging men zichzelf steeds meer ontzeggen om het evenwicht terug te brengen.17

De belangrijkste uitbreiding van de vroegste overtuigingen en het wijdst verbreide nieuwe idee dat sinds het Neolithicum verschenen was na het offeren, was het concept van een ‘god van het uitspansel’, een ‘hemelgod”. Ook dit is niet moeilijk te begrijpen, ook al bagatelliseren veel hedendaagse wetenschappers dit aspect. De beweging van de zon langs de hemel is een constant ‘sterven’ en ‘herboren worden’, en de rol van de zon in het ontstaan van de seizoenen en de groei van planten en dieren was net zo duidelijk als mysterieus. De grote hoeveelheid sterren’s nachts en het merkwaardige gedrag van de maan die groeit en afneemt, verdwijnt en verschijnt, het verband met de getijden en met de menstruatiecyclus, dit alles was nog mysterieuzer. In Mesopotamië (waar 3300 namen van goden werden gebruikt), betekende het Soemerische woord van goddelijkheid, dingir, ‘helder, schijnend’, en hetzelfde gold voor het Akkadisch. Dieus, de god van de lichte hemel, was bij alle Arische stammen dezelfde.18 De Indiase god Dyaus, de Romeinse Jupiter en de Griekse Zeus kwamen allemaal voort uit een primitieve hemelgod, en in verscheidene talen was het woord voor licht hetzelfde als dat voor godheid. In de vedische tijd was de belangrijkste hemelgod Varuna, en in Griekenland was Uranus de hemel.19 Zijn plaats werd later ingenomen door Zeus, vermoedelijk hetzelfde woord als Deus en Dyaus, die beide oorspronkelijk ‘helderheid’, ‘schijnend’ en ‘dag betekenen. Het bestaan van hemelgoden is verantwoordelijk voor het concept van de ‘opstijging’. In sommige oude talen hield het woord voor ‘sterven’ verband met het beklimmen van bergen of het nemen van een weg de heuvels in.20 Antropologisch onderzoek laat zien dat over de hele wereld de hemel een plaats ‘boven’ is die bereikt kan worden door een touw, boom of ladder in te klimmen, en er zijn talloze opstijgingsriten in bijvoorbeeld de oude vedische en Thracische religies en de Mithra-verering.21 De opstijging (de ‘hemelvaart’) speelt ook een belangrijke rol in het christendom.

De maan schijnt ook al vroeg met het begrip tijd in verband te zijn gebracht (zie Genesis 1:14-19).22 In de vorm van de halvemaan die de maan in de loop van de maand twee keer aanneemt, zag men de hoorns van de stier en soms werd de maan, net als de zon, met deze goddelijkheid geassocieerd. En ten slotte betekende de ‘dood’ en wedergeboorte’ van de maan dat ook hij met vruchtbaarheid in verband werd gebracht. De overeenkomst in duur met de menstruatiecyclus bracht sommige vroege volkeren tot de constatering dar de maan “de meester van vrouwen’ was, en in enkele gevallen zelfs ‘de eerste partner’.23

De hemelgoden speelden ook een rol in een ander fundamenteel idee: het leven na de dood of het hiernamaals. We weten dat de vroege mens vanaf het Paleolithicum enige notie had van het hiernamaals omdat toen al mensen begraven werden met grafgiften, die nodig zouden zijn in de volgende wereld. De mens zag om zich heen ook voldoende aanwijzingen voor een leven na de dood, of voor dood en wedergeboorte. De zon en de maan sterven en worden herboren, ieder in hun eigen ritme. Veel bomen verliezen ieder jaar hun bladeren maar krijgen ieder voorjaar nieuwe. Een hiernamaals betekent een of ander bestaan na de dood, en daarmee is een ander fundamenteel idee geïntroduceerd, namelijk dat wat de historicus S.G. Brandon ooit ‘het fundamenteelste concept van de mensheid’ genoemd heeft: de ziel. Het is volgens hem, vergeleken met het hiernamaals, een relatief nieuw idee en lang niet universeel (hoewel de antropoloog E.B. Tylor het de kern van iedere godsdienst noemde).24 Het geloof dat alleen speciale mensen een ziel hebben, komt veel voor. Volgens sommige primitieve volkeren hebben alleen mannen een ziel en vrouwen niet, volgens andere is het net andersom. In Groenland werd geloofd dat alleen vrouwen die tijdens het baren overleden, een ziel hadden en van een leven na de dood genoten. De ziel kan in verschillende lichaamsdelen zijn gesitueerd, zoals het oog, het haar, de buik, het bloed of de lever, of erbuiten zoals in de schaduw of de adem, maar toch vooral in het hart. Volgens sommige volkeren verlaat de ziel het lichaam via het hoofd; vandaar dat schedelboren een algemeen religieus gebruik was.25 Volgens de hindoes is de ziel niet het hart, maar omdat ‘hij de “omvang van een duim” heeft (bij de dood)’, leeft hij in het hart. Volgens de Rigveda is de ziel ‘een licht in het harr’. Volgens de gnostieken en de oude Grieken was de ziel een ‘vonk’ of ‘vuurtje’ van het leven.26

Er bestaat echter ook een algemeen idee dat de ziel een alternatieve versie van het Zelf is.27 Antropologen als Tylor verklaren dit uit het dromen, omdat de mens ‘in zijn slaap in staat leek te zijn, zijn lichaam te verlaten en op reis te gaan, en soms de doden te zien’.’28 Hierover peinzend zou de vroege mens natuurlijk tot de conclusie kunnen zijn gekomen dat er in zijn lichaam tijdens zijn leven een soort innerlijk Zelf of ziel huist die het gedurende de slaap tijdelijk verlaat, en bij de dood voorgoed.29

Voor de oude Egyptenaren bestonden er naast het lichaam twee verschijningen, de ka en de ba. ‘De eerste werd beschouwd als een soort dubbelganger van de levende en diende als beschermgeest; hij werd uitgebeeld met een hieroglief van twee armen die in een gebaar van bescherming naar boven gestrekt waren. Er moesten voor de ka voorzieningen worden getroffen bij de dood, en de tombe werd de het ka genoemd, het ‘huis van de dood’.30 Van welke substantie hij gemaakt zou zijn, is onbekend.31 De ba, de tweede verschijning, wordt in moderne werken over de oude Egyptische cultuur gewoonlijk beschreven als de ‘ziel’. In de kunst werd hij uitgebeeld als een vogel met mensenhoofd. Dit was hoogst waarschijnlijk bedoeld om uit te beelden dat hij zich vrij beweegt en niet gehinderd wordt door de fysieke beperkingen van het lichaam. In de illustraties in het Dodenboek, dat uit ca. 1450 v.C. dateert, wordt de ba vaak afgebeeld terwijl hij op de toegang van de tombe rust of het wegen van het hart door de goden aanschouwt. ‘Maar het concept bleef wat vaag en de ba schijnt niet te zijn beschouwd als het essentiële zelf of het levengevende principe.32

De Egyptenaren beschouwden individuen als psycho-fysieke organismen waarvan ‘geen onderdeel essentiëler was dan een ander’. De uitvoerige begrafenisgebruiken die drie millennia lang in Egypte zijn gepraktiseerd, weerspiegelden allemaal de verwachting dat een persoon na zijn dood opnieuw werd ‘samengesteld’. Dit verklaart he langdurige proces van het balsemen om het vergaan van het lichaam te voorkomen, en de ceremonie van het ‘Openen van de Mond’, dat bedoeld was om het lichaam weer eten te kunnen laten innemen. ‘Het hiernamaals is in de Egyptisch voorstellingswereld nooit etherisch gemaakt zoals elders wel gebeurde, maar wat we zien is dat zo gauw de mens zijn gedachten op papier kan zetten, het idee bestaat dat de mens meer is dan vlees en bloed.’33

De Mesopotamische religie was heel anders. Daar dacht men dat de goden de onsterfelijkheid aan de mens hadden onthouden – dat maakte hen menselijk – maar ook hier werd de mens als een psycho-fysiek organisme gezien. In tegenstelling tot de Egyptenaren beschouwden ze het fysieke deel echter als een geheel. Dit heette de napistu, een woord dat oorspronkelijk ‘keel’ betekende, maar waarmee later ook ‘adem’, ‘leven’ en ‘ziel’ werden aangeduid. Deze napistu werd echter niet gezien als het innerlijke, essentiële Zelf, maar als het levengevende principe; wat er na de dood met de napistu gebeurde, is niet duidelijk. Hoewel zij niet in de onsterfelijkheid van de mens geloofden, geloofden de oude Mesopotamiërs wel in een soort overleving na de dood, in zekere zin een contradictio in terminis.35 De dood zou een enorme verandering in de mens teweegbrengen – hij werd getransformeerd tot een etimmu. ‘De etimmu moest worden gevoed met grafgiften en had de kracht mensen te martelen als hij verwaarloosd werd… Onder de meest gevreesde Mesopotamische demonen bevonden zich de etimmu’s van hen die als onbekenden gestorven waren en niet de juiste begrafenisrituelen hadden gekregen. Maar het hiernamaals was altijd luguber, ook als de verzorging na de dood juist was volbracht. De doden bevonden zich in kur-nu-gi-a, het land zonder terugkeer, waar stof hun voedsel was en klei de substantie waarvan ze waren gemaakt… waar ze geen licht zien en in de duisternis verblijven.’35

De oorsprong van de hindoeïstische religie is moeilijker te bepalen dan die van de andere grote godsdiensten. Nadat Sir William Jones, een Britse rechter die aan het einde van de 18e eeuw in India woonde en werkte, als eerste de grote overeenkomsten opmerkte tussen het Sanskriet en verscheidene Europese talen, hebben geleerden bedacht dat er een Proto-Europese taal moet zijn geweest waaruit alle andere zijn voortgekomen, en een Proto-Indo-Arisch volk dat deze prototaal sprak en verspreidde. Een van de hypothesen luidt dat de leden van dit volk als eersten het paard hebben getemd, waardoor ze machtiger werden dan de andere volkeren.

Vanwege hun band met het paard zijn verschillende steppegebieden genoemd als land van oorsprong, zoals dat tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee, dat tussen de Kaspische Zee en het Aralmeer en allerlei andere gebieden in Centraal-Azië. Volgens het meest recente onderzoek was dit het volk van de Abashevo-cultuur aan de benedenloop van de Wolga, en in de Sintashta-Arkaim-cultuur in de zuidelijke Oeral, beide op de enorme Kirgizsteppe. Volgens Asko Parpola, een Finse hoogleraar Indologie, ‘lijken het gedomesticeerde paard en de Indo-Arische taal rond 1600 v.C. Zuid-Azië te zijn binnengedrongen in de vorm van de Gandhara-grafcultuur van Noord-Pakistan’. De belangrijkste aanwijzing voor hun migratie is te vinden in het noordwesten van India in het Indusdal, waar de grote, vroege beschavingen van Harappa en Mohenjo-Daro in het ze millennium v.C. ineens een mysterieuze terugslag doormaken; hiervoor worden de migrerende Indo-Ariërs verantwoordelijk gehouden. De Indo-Ariërs zouden ook de Rigveda hebben samengesteld. Hun land van oorsprong en hun migratie zouden worden weerspiegeld in het gegeven dat het Fins-Oegrisch een aantal woorden heeft dat is ontleend aan wat Sanskriet zou worden, dat de Andronovo-volkeren van de steppe een cultuur hebben die lijkt op die welke in de Rigveda beschreven wordt, en dat zij een heel reeks namen, vooral van rivieren (woorden die weinig veranderen), hebben nagelaten tijdens hun migratie door Centraal-Azië. Ook introduceerden zij de strijdwagen (en dus het paard) in India, en ijzer – zaken die in de Rigveda genoemd worden.36 En ten slotte speelt de Rigveda zich af op het platteland, niet in een urbane omgeving, wat betekent dat het werk geschreven is voordat de Indo-Ariërs in de stedelijke wereld van het Indusdal aankwamen.

De laatste tijd wordt deze visie echter zwaar bekritiseerd, niet in het minst door Indische geleerden die beweren dat deze migratietheorie racistisch is en door westerse wetenschappers is verzonnen omdat die niet kunnen geloven dat India zelf de Rigveda heeft voortgebracht. Volgens hen is er geen enkel bewijs dat de Indo-Ariërs van elders kwamen en ze wijzen erop dat het land waarin de Rigveda zich afspeelt, min of meer overeenkomt met de huidige Punjab. Traditioneel ligt hier een probleem, aangezien de naam Punjab, gebaseerd op het Sanskriet panca-ap, ‘vijf rivieren’ betekent terwijl er in de Rigveda verwezen wordt naar een streek van ‘zeven rivieren’ waarvan de Sarasvati de meest majestueuze is.37 Van alle rivieren heeft niemand echter ooit de Sarasvati kunnen aanwijzen, en de rivier werd dan ook door sommigen beschouwd als een ‘hemelse rivier’. Maar in 1989 ontdekten archeologen de bedding van een eens machtige, maar nu opgedroogde stroom die op sommige plaatsen bijna 10 km breed was, een vondst die later door satellietfoto’s bevestigd is.38 Langs de oever van deze bedding (en een eveneens opgedroogde zijrivier, zodat er in totaal zeven rivieren door de Punjab hebben gestroomd) liggen niet minder dan driehonderd archeologische vindplaatsen. Dit bevestigt, voor de Indische indologen tenminste, niet alleen dat het land van de Rigveda in India ligt, maar dat het opdrogen van de rivier verantwoordelijk is geweest voor de ondergang van de Indusdalbeschaving.39 Ook wijzen ze op recent onderzoek aan de astronomische gebeurtenissen in de Rigveda, die volgens hen aantonen dat het werk uit een veel eerdere periode stamt dan de traditionele 1900-1200 v.C. Zij beweren dat de astronomie en de daarmee samenhangende rekenkunde laten zien dat de Indo-Ariërs van oorsprong in het noordwesten van India wonen, dat dat het gebied is waar het Proto-Indo-Europees is ontstaan, en dat de rekenkunde in India veel verder ontwikkeld was dan elders. Hoewel dit debat nog geen winnaars heeft (er zijn in beide theorieën, zowel die van de migratie als die van inheems-Indiaas, nogal wat witte plekken), valt niet te ontkennen dat de Indiase rekenkunde historisch erg sterk was en dat er in de Indusdalbeschaving, zoals we in het vorige hoofdstuk hebben aangestipt, een zeer oud schrift gevonden is, dat echter nog niet is ontcijferd.

Volgens het vedische denken kende een mensenleven twee fasen. Zijn aardse leven werd als het aantrekkelijkst beschouwd. In de hymnen van de Rigveda is sprake van een volk dat van het leven geniet – met het op waarde kunnen schatten van een goede gezondheid, eten en drinken, materiële luxe, kinderen.40 De kwaliteit van de fase na de dood was in zekere mate afhankelijk van iemands vroomheid in de eerste fase. De twee fasen waren echter strikt gescheiden: er was geen enkel benul dat de ziel na de dood zou kunnen terugkeren naar de aarde – dat was een later idee. In de vroege tijd werden de doden begraven en dacht men dat ze voortleefden in een onderwereld waarover Yama, de doodsgod, heerste.41 Overledenen werden begraven met enkele persoonlijke voorwerpen en zelfs met wat voedsel, maar niet duidelijk is welk deel van de persoon zou voortleven. De Indo -Ariërs geloofden dat een individu uit drie delen bestond – het lichaam, de asu en de manas. De asu was eigenlijk het levensprincipe, dat wat de Grieken psyche noemden, terwijl de manas de zetel was van de geest, de wil en de emoties, gelijk aan de Griekse thymos. Er lijkt geen woord – en geen idee- te zijn geweest voor de ziel als Essentieel Zelf. Waarom ooit de verandering heeft plaatsgevonden van begraving naar crematie is overigens niet duidelijk.

Indien men het bestaan van de ziel erkent, moet er ook een plaats zijn waar die na de dood naartoe kan gaan. En hieruit volgt de vraag waar dat hele stelsel van met elkaar verbonden ideeën – hiernamaals, opstijging, en hemel en hel – vandaan kwam. 

Allereerst moeten we hier opmerken dat hemel, hel en de onsterfelijke ziel relatief laat verschenen zijn.43 Het moderne concept van de onsterfelijke ziel is een Grieks idee dat grotendeels op Pythagoras is gebaseerd. Vóór die tijd werd in de meeste oude beschavingen gedacht dat de mens twee soorten ziel had. Men had een ‘vrije ziel’ van de individuele persoonlijkheid, en een ‘lichaamsziel’ die het lichaam leven en bewustzijn gaf.44 Zo bestond de mens volgens de Grieken uit drie eenheden: het lichaam, de psyche (het levensprincipe dat in het hoofd gesitueerd was, de vrije ziel) en de thymos, de ‘geest’ of het “bewustzijn’ dat in de prenes of longen zat (de lichaamsziel).45 De thymos was tijdens het leven het belangrijkst, maar verdween bij de dood terwijl de psyche eidolon werd, een schaduwvorm van het lichaam.

Dit onderscheid kwam na de 6e eeuw v.C. echter niet meer voor; vanaf dat moment werd de psyche zowel het Essentiële Zelf, de zetel van het bewustzijn als het levensprincipe. Volgens Pindarus was de psyche van goddelijke oorsprong en daarom onsterfelijk.46 In de ontwikkeling van het idee van de onsterfelijke ziel kreeg Pythagoras steun van Parmenides en Empedocles, Griekse wijsgeren uit dezelfde periode (6e eeuw v.C.) in Zuid- Italië en op Sicilië. Zij werden geassocieerd met een mystieke en puriteinse religieuze beweging, het orfisme, waarvan de aanhangers bij vlagen ‘fanatieke vegetariërs’ waren; dit schijnt te hebben samengehangen met een opstand over het offeren. De leden gebruikten geestverruimende middelen van Cannabis sativa – marihuana en hasjiesj -, maar de wetenschap hierover is zeer omstreden. Gedacht wordt wel dat de ideeën en praktijken van de orfici van de Scythen zijn overgenomen, een volk dat ten noorden van de Zwarte Zee woonde (en door Homerus bezocht werd). Zij hadden een merkwaardige cultus rond een aantal individuen die aan een chronische lichamelijke ziekte leden, mogelijk hemochromatose die werd veroorzaakt door de rijke ijzerafzettingen in zee voor de kust. De ziekte heeft totale impotentie tot gevolg. Er bestaan verhalen over travestie uit het gebied, en mogelijk waren het deze mensen die de begrafenisceremonies in Scythië leidden waarbij hallucinogene middelen werden gebruikt.47 Was deze cultus de basis van het orfisme en waren de trances en hallucinaties die door de drugs werden veroorzaakt, het mechanisme waardoor de Grieken het idee kregen dat er een ziel bestond, en daarmee verbonden reïncarnatie? Pythagoras, Empedocles en Plato geloofden in reïncarnatie en in metempsychose – het concept dat zielen in dieren en zelfs in planten konden terugkeren. De orfici geloofden dat de vorm waarin de ziel terugkeerde bij de reïncarnatie, een straf was voor een of andere ‘oorspronkelijke zonde’. Zowel Socrates als Plato deelden het idee van Pindarus over de goddelijke oorsprong van de ziel, en het was hier dat de visie ontstond dat de ziel feitelijk kostbaarder was dan het lichaam. Hierbij moet worden aangetekend dat dit niet de visie van de meerderheid van de Atheners was, die zielen alleen maar onprettige dingen vonden die vijandig waren ten aanzien van de levenden. Veel Grieken geloofden niet in een leven na de dood. (Het Nederlandse woord ‘ziel’ is afgeleid van het Germaanse saiwalo, ‘onstuimige geest’ of beweeglijke adem’.)

Volgens de Grieken die wel in een hiernamaals geloofden, gingen de zielen van de doden rechtstreeks naar de onderwereld die volgens de Ilias bewaakt werd door de helIehond Cerberus. De ziel kon deze ‘vreugdeloze’ plaats alleen bereiken door de rivier de Styx over te steken. De onderwereld heette Hades, wat afgeleid is van een woord dat ‘onzichtbaar, ongezien’ betekent.49 De dood werd als onafwendbaar beschouwd. Athene vertelt Telemachus, zoon van Odysseus, dat ‘de dood behoort bij alle mensen, en zelfs de goden kunnen hem niet van een man vandaan houden die ze liefhebben…’50 In het laatste deel van de Odyssee vindt echter een verandering plaats. Zo vertelt Proteus aan Menelaos dat hij gezonden zal worden ‘naar de Elyzeese velden aan het einde van de aarde’. De naam Elysion is ouder dan het Grieks, en het idee kan dus ook ouder zijn. In zijn Werken en dagen (eind 8e eeuw v.C.) schreef Hesiodus over de Eilanden van de Gezegenden, waar helden naartoe gestuurd worden als hun leven op aarde voorbij is. In epische werken uit dezelfde tijd lezen we voor het eerst over Charon, de veerman van de doden. In de se eeuw kwam in Griekenland het gebruik in zwang om de doden te begraven met een obol, een muntje om Charon te betalen Op een officieel oorlogsmonument uit ca. 432 v.C. staat dat de zielen van dode Atheners ontvangen worden door de aither, ‘de opperlucht’, terwijl hun lichamen op aarde blijven. Van Plato en uit Griekse tragedies weten we dat de Atheners niet geloofden in beloning en straf na de dood. ‘Feitelijk lijken ze helemaal niet zoveel te hebben verwacht. “Mijn kind, neen, dood met leven is geen vergelijk: want hij is niets, doch in het leven leeft de hoop” (volgens Hecabe in Euripides’ tragedie De Trojaansen): In Phaedo van Plato verraadt Simmias zijn bezorgdheid dat zijn ziel bij zijn dood verspreid zal worden ‘en dat is het einde’.52

Het paradijs – het woord tenminste – is veel beter gedocumenteerd. Het concept is gebaseerd op een Medisch woord, pari, ‘rond’, en daeza, ‘muur’. De beschaving van de Meden was in de 6e eeuw v.C. in het huidige Iran gevestigd. De samenstelling paridaeza, ‘binnen een ronde muur’, ging wijngaard of dadelpalmbosje betekenen, een plaats waar bakstenen werden gemaakt of duidde volgens één verwijzing zelfs de hoerenbuurt van Samos aan. Maar de meest waarschijnlijke associatie is die met koninklijke jachtwouden of met de weelderige, schaduwrijke tuinen die het voorrecht van de aristocratie waren. Hier ligt vermoedelijk een verband met het idee dat alleen koningen en andere aristocraten naar het paradijs gingen, en alle andere mensen naar de hel. In de werken van Pythagoras staan enkele verwijzingen waaruit blijkt dat volgens hem het hiernamaals en de onsterfelijke ziel waren voorbehouden aan de aristocratie; dit idee kan dus zijn ontstaan om voorrechten van de adel te bewaren in een tijd dat klasse minder belangrijk werd door de opkomst van steden en burgerlijke handelaren.

De Israëlieten maakten van de ziel geen uitgebreid idee. De god van Israël vormde Adam uit ‘adamah, ‘klei’, en blies ‘de adem des levens’ in hem zodat hij een nephesh werd, een ‘levende ziel’.53 Dit woord is verwant aan het Akkadische napistu en werd geassocieerd met bloed, de ‘levensstof die bij de dood wegstroomt.54 De Joden hadden helemaal geen woord voor het Essentiële Zelf dat de dood overleefde. Het hele bijbelboek Job handelt nu juist over het probleem van geloof en lijden, en ongelijkheid in een leven zonder hiernamaals: alle beloningen die God de Joden belooft, zijn werelds. Zelfs met de opkomst van het messianisme in het judaïsme is er nog steeds geen concept van een ziel. Wel was er het concept sheol, maar dit houdt nauwer verband met ons woord ‘graf’ dan met Hades, zoals het vaak vertaald werd. ‘Maar zij die mijn sheol zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde’ (Psalmen 63:10), vol maden en wormen (Jesaja 14:11), en wie in zijn graf afdaalt, zal nooit meer terugkeren (Job 7:9). Pas na de ballingschap in Babylon kreeg de sheol goede en slechte kanten en werd hij geassocieerd met Gehenna, een vallei ten zuiden van Jeruzalem waar bij het Laatste Oordeel de straffen zouden worden uitgedeeld. Kort . daarna werd het de naam voor de brandende hel.55

Het laatste – en mogelijk belangrijkste – aspect van dit stelsel van kernovertuigingen is het simpele feit dat ten tijde van de opkomst van de eerste grote beschavingen de plaats van de grote godheden in de rangorde. Veranderde: de Grote Godin, of een heleboel kleinere godinnen, werden gepasseerd door mannelijke goden. Ook hier is het niet moeilijk in te zien waarom deze transformatie plaatsvond. Overwegend agrarische samenlevingen waar het leven zich rond het boerenbedrijf afspeelde, waren egalitair en vermoedelijk matriarchaal, en hierin was de moeder het middelpunt van de meeste activiteiten. Het stadsleven was echter, zoals we in het vorige hoofdstuk zagen, veel meer op de man gericht. De behoefte aan een beroepsleger van mannen die hun huis konden verlaten, was in hun voordeel. Ook de arbeidsspecialisatie – pottenbakkers, smeden, soldaten, schrijvers, en niet op de laatste plaats priesters – werkte in het voordeel van mannen, omdat vrouwen werden thuisgelaten om op de kinderen te passen. En aangezien de mannen nu verschillende beroepen hadden, zouden ze een groter eigenbelang hebben gehad dan huisvrouwen, en zich, om dat te verdedigen, zijn gaan bemoeien met politiek. Tegen een dergelijke achtergrond is het niet verwonderlijk dar de aanvoerders mannen waren en koningen dus belangrijker werden dan koninginnen. Mannelijke priesters bestuurden de tempels, en in sommige gevallen kenden ze hun koning een goddelijke status toe. De gevolgen die dit voor de geschiedenis heeft gehad, zijn ontelbaar. De eerste die hierop wees, was de Zwitserse rechtshistoricus en etnoloog Johann Jakob Bachofen in zijn Das Mutterrecht; eine Untersuchung über die Gynaikokratie der alten Welt nach ihrer religiösen und rechtlichen Natur (1861). 

Het analyseren van oude religies lijkt wel eens op numerologie: er zijn er zo veel, en ze zijn zo gevarieerd, dat iedere theorie wel bewezen kan worden. Maar als de godsdiensten van de wereld tot hun kernelementen kunnen worden teruggebracht, dan zijn dat een Grote Godin, de Stier, de grote hemelgoden (zon en maan), heilige stenen, de werkzaamheid van het offeren, het hiernamaals, en een ziel die de dood overleeft en op een heilige plek verblijft. Deze elementen vormen samen een redelijk complete beschrijving van veel van de huidige godsdiensten in enkele uithoeken van de wereld. Voor die van enkele grote beschavingen geldt dit beeld echter niet langer, en de oorzaak daarvan is één van de grootste mysteries in de geschiedenis van ideeën. Want in de periode 750-350 v.C. onderging de wereld een grote intellectuele ommekeer: in die relatief korte periode ontstonden de meeste van de hedendaagse wereldgodsdiensten.

Het was de Duitse filosoof Karl Jaspers die hier als eerste aandacht aan schonk in zijn Vom Ursprung und Ziel der Geschichte (1949). Hij noemde deze periode de ‘Axiale Tijd’ of “Tijd van Ommekeer’, een tijd waarin we tegen de diepste scheidslijn in de geschiedenis oplopen. De mens zoals we hem nu kennen, ontstond toen… De meest bijzondere gebeurtenissen vinden plaats in deze periode. In China leefden Confucius en Lao-tse en ontstonden alle scholen van Chinese filosofie zoals die van Mo-ti, Chuang-tse, Leh-tsu en een heleboel andere; in India ontstonden de Upanishads (wijsgerige geschriften) en leefde Boeddha, en net als in China ontstond het hele scala aan filosofieën tot scepticisme, materialisme, sofisme en nihilisme aan toe; in Iran onderwees Zarathoestra een wereldbeeld als een strijd tussen goed en kwaad; in Palestina stonden de grote profeten op, van Elia via Jesaja tot Jeremia; in Griekenland verschenen Homerus, de filosofen – Parmenides, Heraclitus en Plato – en de tragedieschrijvers, de geschiedschrijver Thucydides en de natuurkundige Archimedes. Alles waar deze namen voor staan, kwam binnen een paar eeuwen tot ontwikkeling in China, India en het Westen zonder dat één van deze regio’s wist van het bestaan van de andere.56

Volgens Jaspers werd de mens in deze periode op een of andere manier ‘menselijker. Reflectie en filosofie verschenen, er was een ‘spirituele doorbraak’ en de Chinezen, Indiërs, Iraniërs, Joden en Grieken schiepen de moderne psychologie waarin de relatie van de mens tot God een individuele zoektocht is naar een “innerlijk’ doel in plaats van een relatie met een heleboel goden ‘daarbuiten’, in de hemel, in het landschap of onder onze voorouders. Niet alle geloven die toen ontstonden, waren strikt gesproken monotheistisch, maar alle waren wel gericht op één individu, of die man (altijd een man) nu een god was of iemand via wie die god sprak, of anders wel iemand met een bepaalde visie op of benadering van het leven die veel mensen aansprak. Dit is zonder meer de grootste verandering in de hele ideeëngeschiedenis geweest.

Laten we hier beginnen met de godsdienst van Israël, niet omdat die als eerste ontstond (dat was niet zo, zoals we nog zullen zien), maar omdat, zoals Grant Allen het uitdrukt, ‘Israël de merkwaardige eer toekomt God ontwikkeld te hebben’.57 En die ontwikkeling is in Israël juist erg duidelijk te volgen. 

De naam van de Joodse God zoals die aan Mozes werd onthuld, Jahweh, schijnt in het noorden van Mesopotamië te zijn ontstaan. Dat is al sinds de jaren 1930 bekend toen in Nuzu, een archeologische vindplaats in Irak russen Bagdad en Nimrud, een serie kleitabletten gevonden werd uit de 15e en 14e eeuw v.C. In de teksten wordt geen enkele bijbelse figuur met name genoemd, maar er staan verwijzingen in naar een wetsstelsel en er komt een samenleving uit naar voren die herkenbaar is als die waarin Jakob, zoon van Izaäk, vluchtte (volgens de bijbel in Mesopotamië) nadat hij zijn vader door list zover had gekregen om hem te zegenen in plaats van zijn broer Ezau. Zo krijgt Izaäk bijvoorbeeld in de bijbel het ‘geboorterecht’ dat Ezau toebehoort, dat wil zeggen, de positie van eerstgeborene. Uit de tabletten van Nuzu blijkt dat over de vooruitzichten op vererving onderhandeld kan worden. Jakobs grootvader, Abraham, was geboren in Ur en kwam later in Haran terecht, dat eveneens in het noorden van Mesopotamië ligt. Deze streek was een smeltkroes van volkeren, vooral van Amorieten, Arameeërs en Hoerrieten. De goddelijke naam Jahweh komt geregeld in Amoritische persoonsnamen voor. 58

Tot een naar verhouding late periode in de joodse geschiedenis hadden de Joden een ‘aanmerkelijk’ aantal godheden. In de 6e eeuw v.C. schrijft de profeet Jeremia (2:28): ‘Naar het getal uwer steden zijn uw goden, o Juda!’59 Bij de opkomst van de Hebreeuwse religie vinden we niet minder dan drie vormen van eredienst. Er is de verering van teraphim of familiegoden, de verering van heilige stenen en de verering van bepaalde grote goden die deels inheems zijn en mogelijk deels overgenomen. Sommige van deze goden verschijnen als dieren, andere als hemelgoden, met name als de zon. In de bijbel staan talloze verwijzingen naar deze godheden. Als Jakob van Laban vlucht, lezen we hoc Rachel de teraphim van haar vader stal: als het ziedende familiehoofd de vluchtelingen eindelijk te pakken heeft kunnen krijgen, is een van zijn eerste vragen waarom ze zijn goden gestolen hebben (Genesis 31:30).60 Hosea verwijst naar de teraphim als ‘houten stokken’, terwijl Zacharia ze afdoet als ‘afgoden die leugens aan het volk vertellen’.61 Het is bekend dat de familiegoden in ieder huishouden eerbiedig behandeld werden, dat de familie er geregeld offers aan bracht, en dat ze bij twijfel of moeilijkheden werden geraadpleegd door een huispriester ‘gekleed in een efod (priestergewaad)’. Hierin verschilden de Israëlieten niet van hun buurvolkeren.62

Verering van stenen speelde eveneens een belangrijke rol in de vroege joodse religie. Voor de Hebreeërs was een heilige steen een ‘Beth-el, een verblijfplaats van goden.63 In het verhaal van de droom van Jakob wordt een voorbeeld gegeven van een heilige steen die wordt geolied en waaraan Jakob belooft dat een tiende van wat hij verkrijgt, aan de steen zal worden geofferd. Op andere plaatsen richten vrouwen een gebed aan een fallusvormige steen, zodat ze met kinderen gezegend zullen worden.64 In Deuteronomium en in het tweede boek van Samuel wordt naar Jahweh verwezen als naar een steen. Ook staan er talloze verwijzingen in de bijbel naar andere goden. De namen Baäl en Molech komen veel voor en verwijzen naar lokale goden in de regio, en ook wel naar heilige stenen. In Dan en Bethel werd een god in de vorm van een jonge stier vereerd toen de Joden in de woestijn een ‘gouden kalf’ maakten tijdens de uittocht uit Egypte.65 Grant Allen beweert ronduit dat Jahweh oorspronkelijk de vorm had van een jonge stier. De religie van de Hebreeërs was duidelijk lange tijd polytheistisch, en Baäl, Molech, de stier en de slang werden samen met Jahweh vereerd ‘zonder bewuste rivaliteit. Maar toen trad een verandering op die voor de hele mensheid verstrekkende gevolgen zou hebben.66

Deze verandering heeft twee aspecten. Het eerste is dat de vroege Jahweh een god was van vermeerdering, productiviteit en vruchtbaarheid. In de bijbel belooft Jahweh aan Abraham dat hij de stamvader van een groot en machtig volk zou worden, en tegen Izaäk zegt hij later hetzelfde.67 Een van de bekendste gebruiken van het judaïsme is de besnijdenis, een duidelijke vruchtbaarheidsrite die met het mannelijke principe samenhangt en de dominantie van mannelijke goden boven vrouwelijke bevestigt.

Het tweede aspect is dat de vroege Jahweh ook een god van licht en vuur was. Het verhaal van het brandende braambos is bekend, maar Zacharia zegt dat Jahweh de bliksem maakt terwijl Jesaja hem als volgt beschrijft: ‘Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam. (10:17).68 Het is maar een kleine stap naar Jahweh als ‘een verterend vuur, een jaloerse god’.69 In het vroege judaïsme zijn ook sporen te vinden van maanverering. Zo was de sabbat (van shabbatum, de ‘volle-maandag’ in Babylon) oorspronkelijk een ongelukkige dag gewijd aan de kwaadaardige god Kewan of Saturnus en was het onwenselijk om op die dag werk te verrichten. De verdeling van de maan-maand in vier weken van zeven dagen die ieder aan een planeet zijn gewijd, spreekt wat de verwijzingen naar godheden betreft voor zichzelf.

Als je erop let, dan zijn de verzen in de bijbel die het vroege judaïsme verbinden met oudere religies, makkelijk te vinden en ze tonen allemaal de kernovertuigingen die we hierboven hebben geïdentificeerd. In plaats van hemels, almachtig en overal aanwezig, bevond de god uit de vroege geschriften van de Hebreeërs zich in een ark, een kist. Waarom was die ark anders zo heilig, en vanwaar de wanhoop toen de Filistijnen hem veroverd hadden? Nu moeten we echter nog wel verklaren hoe Jahweh de. enige god van Israël werd

De Israëlieten leefden in Palestina onder zeer bijzondere omstandigheden.70 Ze waren maar een klein volk dat omringd was door machtige vijanden. Altijd moesten ze vechten en hun aantal werd steeds bedreigd. De stad Silo, waar de Ark des Verbonds (kist én draagbaar altaar) stond, lijkt een broeinest te zijn geweest van Hebreeuws patriottisme. De ark met daarin het gouden kalf (dat wil zeggen de jonge stier), werd altijd voor het leger uit gedragen. In de ark bevond zich slechts één god, en hoewel Salomon (10e eeuw v.C.) tempels bouwde die aan andere goden van de Hebreeërs waren gewijd en die enkele eeuwen in gebruik bleven, werd Jahweh op deze wijze de voornaamste godheid.71 Generaties lang konden de twee joodse koninkrijkjes, Judea in het zuiden en Israël in het noorden, zich staande houden tussen de grote rijken van Egypte en Mesopotamië. In het begin van de 8e eeuw v.C. werd het evenwicht echter verbroken en werden ze verslagen, eerst door de Assyriërs, en daarna nog eens door de Babyloniërs. Het bestaan van het joodse rijk liep gevaar, en in reactie hierop ‘brak een extase van enthousiasme uit’ voor Jahweh. Dat was het begin van het Tijdperk der Profeten dat de eerste meesterwerken van Hebreeuwse literatuur zou opleveren, werken die de zondige Israëlieten moesten dwingen de wil van hun god Jahweh uit te voeren, de god die aan het einde van deze periode de oppergod geworden was. ‘Profeet’ is een Grieks woord om iemand aan te duiden die voor de heilige grot van een orakel spreekt.72

We hebben hier te maken met twee zaken waarvan we er één nu zullen behandelen en de andere in een later hoofdstuk. Dat zijn de boodschap en de invloed van de profeten, en de compilatie van de Hebreeuwse geschriften die net als alle andere heilige geschriften, niet door de heiligheid van God geïnspireerde woorden zijn, maar een reeks met een speciaal menselijk doel geschreven documenten.73

De Hebreeuwse profeten vervulden een rol die wel uniek in de geschiedenis van de mensheid wordt genoemd, maar het was niet zozeer hun voorspellingen op zich waardoor zij opvielen, maar hun harde en herhaalde hekeling van een slecht en hypocriet volk, en hun bittere voorspellingen van het noodlot dat wel moest volgen toen het volk tegen de wil van God inging. De profeten waren tegen het offeren en tegen het aanbidden van andere goden, en tegen de traditionele priesters, niet zozeer uit principe maar vanwege het feit dat ‘mensen zich de inspanning getroostten van het formeel eren van God, terwijl hun dagelijkse bezigheden lieten zien dat zij God niet liefhadden, terwijl dát alleen betekenis geeft aan het offer’.74 De grootste zorg van de profeten was de innerlijke spiritualiteit van het volk. Zij wilden de verering van Jahweh losma-ken van die van het beeld (in de ark), zodat de gelovigen zich in plaats daarvan op hun eigen gedrag, gevoelens en tekortkomingen zouden concentreren. Die concentratie op het innerlijk leven suggereert dat de profeten zich bekommerden om de stedelijke religie, dat zij zich gesteld zagen tegenover het probleem van heel dicht bij elkaar leven. Dat kan verklaren waarom zij, in hun pogingen om de Israëlieten te choqueren zodat die hun moreel gedrag zouden verbeteren, het idee van de openbaring ontwikkelden.75

30×41 juni 2025

Wanneer precies de extatische profetie in Israël is begonnen, is niet zeker.-Mozes praatte niet alleen met God en verrichtte niet alleen wonderen, maar hij voerde ook magie uit – zo veranderden bijvoorbeeld stokken in slangen. De eerste profeten droegen mantels van magiërs – Elia (‘de grootste verrichter van wonderen sinds Mozes’) zou ‘charismatische mantels hebben gedragen die door Elisa werden geërfd.76 Volgens het bijbelboek I Koningen (18:19e.v.) was profetie heel gebruikelijk onder Kanaänieten, en mogelijk hebben de Israëlieten het gebruik van hen overgenomen.77 De centrale-d.w.z. overheersende – rol in de Israëlitische profetie was de nadruk op de ‘innerlijke geest’ van religie. ‘Wat de Israëlitische profetie vanaf het allereerste begin, of althans bijna vanaf het begin, zijn onderscheidende morele toon gaf, was de onderscheidende morele aard van de Israëlitische religie. De profeten vallen op in de geschiedenis omdat Israël opvalt in de geschiedenis… Religie is van aard alleen moreel als de goden moreel geacht worden, en dat was onder de oude volkeren nauwelijks het geval. Het verschil werd in Israël gemaakt door de morele aard van de God die zichzelf geopenbaard had.78 De profeten brachten ook een zekere mate van rationaliteit in de religie. Als er een bovennatuurlijk wezen is, zoals Paul Johnson heeft opgemerkt, waarom zou die zich dan beperken tot bepaalde heilige stenen, rivieren, planeten of dieren? Waarom zou die kracht alleen worden geuit in een beperkt scala van goden? Is het idee van een god met beperkte macht eigenlijk niet een contradictio in terminis? ‘God is niet zomaar groter, hij is oneindig groter en daarom is het idee om hem af te beelden absurd, en proberen een beeld van hem te maken beledigend.’79

De profeten verschilden erg van elkaar wat betreft karakter en achtergrond, maar wat hen met elkaar verbond was hun vervloeking van wat zij beschouwden als de morele verwording van de bevolking van Israël zoals zich dat van Jahweh afkeerde, en de overdreven aandacht voor het volgens hen zinloze offeren, vooral van de kant van de priesters. Allen waren het erover eens dat een tijd van bestraffing naderde door die wijdverbreide verwording, maar dat het volk uiteindelijk zou blijven bestaan dankzij enkelen die zouden overleven. Het zou in ieder geval een tijd zijn van grote sociale en politieke onrust terwijl Israël zou transformeren van een tribale samenleving naar een staat met een machtige koning en hofhouding, waarbij de priesters in dienst waren en dus afhankelijk waren van het koninklijk huis, en waar een nieuwe klasse van welvarende kooplieden aan het ontstaan was die voorrechten kon kopen voor zichzelf en hun nakomelingen en voor wie, naar alle waarschijnlijkheid, religie op de tweede plaats kwam. En dit alles vond plaats terwijl de dreiging van buitenaf groot was.

De eerste profeten, Elia en Elisa, introduceerden het idee van het individuele bewustzijn. Elia bekritiseerde de houding aan het hof omdat sommige leden immoreel waren en Baäl vereerden.80 God had zacht tot hem gesproken, zei hij. Amoz was (volgens Jesaja) verbijsterd door de afgoderij die hij om zich heen zag, en door de tempelprostitutie, een restant van oude vruchtbaarheidsriten.81 Hij was het die het concept van ‘uitverkoren zijn’ ontwikkelde: het volk van Israël zou door Jahweh zijn ‘uitverkoren’ (uitgekozen) als zijn volk, en hij zou hen beschermen als ze zich maar zouden houden aan hun overeenkomst met hem, dat wil zeggen dat ze hem en hem alleen mochten aanbidden. Volgens Amoz zou Jahweh de loop van de geschiedenis veranderen en rekeningen vereffenen als Israël zich niet aan het heilige verbond met hem zou houden.82 Hosea verfijnde dit verbond. Hij geloofde in een Jahweh die meester was over de geschiedenis, die onontkoombare plannen had voor heel de wereld. Ook hij verzette zich tegen het verdorven koningschap en de cultus van de rempel, waarbij hij met name de afgoderij noemt van gouden stieren, die in de koninklijke heiligdommen was ingesteld (1 Koningen 12:25-30); hij was ook degene die met het idee kwam van een messias die Israël zou verlossen.83 Het was Hosea die een religie van het hart introduceerde, onafhankelijk van een bepaalde plek. Dit concept werd versterkt toen Jeruzalem een belegering van de Assyrische koning Sennacherib in 701 v.C. wist te doorstaan. De Israëlieten wonnen dankzij de pest die door muizen werd overgedragen, maar voor hen bevestigde dit alleen maar dat hun lot verbonden was met Jahweh en met hun eigen morele gedrag.84

Jesaja, zonder meer de beste woordkunstenaar en ontroerendste schrijver van de profeten (en van de hele Hebreeuwse canon), begon zijn missie volgens zijn eigen verslag in het jaar dat koning Uzzia stierf – rond 740 v.C. Hij was, zegt de traditie, een neef van koning Amazia van Judea en had goede contacten met politici.85 Maar hij mengde zich onder het volk en kreeg daar een aanmerkelijke aanhang – een blijvende populariteit, zoals kan worden afgeleid uit het feit dat zich onder de Dode-Zeerollen die na de Tweede Wereldoorlog zijn gevonden, een leren rol bevond van zeven meter lang met het hele boek Jesaja in vijftig kolommen Hebreeuws. Na druk van zijn kant op koning Hizkia werd de tempel weer gewijd aan Jahweh, werden de heiligdommen buiten de stad gesloten en werd de openbare eredienst in de stad geconcentreerd.86 Jesaja veroordeelde Judea als een land van ongebreidelde, onverantwoorde luxe, een genotzieke samenleving zonder aandacht voor het geestelijke, goddelijk noch menselijk.87 In het bijzonder vervloekte hij het landeigendom dat alleen ‘slechte vruchten in Judea voort kan brengen’.88 Jesaja dwong de religie van de Israëlieten naar een nieuwe spiritualiteit en een nieuwe verinnerlijking, nog meer gescheiden van plaats en tijd dan Hosea zich had kunnen voorstellen; de religie werd meer en meer een religie van geweten waarin de mens op zichzelf wordt teruggeworpen als de enige manier om sociale rechtvaardigheid te bereiken. Mannen en vrouwen, zei hij, moeten zich afwenden van het streven naar rijkdom als voornaamste doel van het leven. ‘Wee degenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geene plaats meer zij…’ (Jeremia 5:8).89

Jesaja had echter nog een andere, even belangrijke kant. In zijn religie is offeren alleen niet genoeg, maar is berouw altijd mogelijk, vergeeft de Heer altijd, en als maar voldoende mensen berouw hebben zal er een tijd van vrede komen waarin zij ‘hun zwaarden (zullen) slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkels; het (ene) volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer kennen (Jesaja 2:4). Zoals zoveel geleerden al hebben opgemerkt, wordt de geschiedenis hier voor de eerste keer lineair voorgesteld. God geeft de geschiedenis richting, en hier introduceert Jesaja een zelfs nog radicaler idee: “Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en zijn naam Immanuel heten’ (Jesaja 7:14). Deze bijzondere zoon zal aan de tijd van vrede voorafgaan: ‘En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok neerliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een jongetje zal ze drijven’ (Jesaja 11:6). Maar hij zal ook een groot heerser zijn: ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder; en men noemt Zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst’ (Jesaja 9:5). Christenen hechten meer waarde aan deze passage dan Joden. Mattheüs beschouwde haar als een aankondiging van Jezus, maar Joden interpreteren Jesaja niet als messianistisch90. Het boek Jesaja handelt vooral over de individuele ziel — hoewel dat eigenlijk niet het juiste woord is. Volgens Jesaja hebben wij allemaal een ‘stem’ van het geweten in ons, en dat kenmerkt het judaïsme. De Joden geloofden niet in een hiernamaals, en wat het meest op een ziel leek, was het geweten.

In de dagen voordat Jeruzalem ten slotte viel, werd Jesaja opgevolgd door Jeremia, en er kon geen groter verschil bestaan dan tussen die twee. Jeremia was net zo kritisch ten aanzien van de gevestigde orde, net zo bars en misschien nog wel bijtender, maar hij werd een verstotene die de tempel niet binnen mocht, er zelfs niet bij in de buurt mocht komen. Hij was vermoedelijk net zo labiel als onpopulair: zijn familie keerde zich tegen hem en geen vrouw wilde met hem huwen.91 Zijn geschriften zijn bewaard gebleven, en zijn profetie over de ondergang kwam uit. In 597 v.C. en nogmaals in 586 v.C. belegerden de Babyloniërs Jeruzalem; na de tweede keer werden de tempel en de stadsmuren omvergehaald en werd de stad in brand gestoken. Jeremia behoorde tot de vluchtelingen, maar duizenden werden in ballingschap naar Babylon afgevoerd. De ballingschap, hoe traumatisch ook, zou inspirerend blijken te zijn voor de transformatie van het judaïsme.

De ballingschap van de Israëlieten in Babylon duurde 47 jaar, van 586 tot 539 v.C. Daar zagen ze dat de Babyloniërs het zoroastrisme of mazdeisme beleden, de Oud-Perzische godsdienst die in het Midden-Oosten heerste voordat de islam zijn intrede deed. De oorsprong van deze religie is duister. Volgens de eigen traditie (in de vorm van het parsisme wordt de religie in India nog beleden) predikte grondlegger Zarathoestra voor de eerste keer ‘258 jaar vóór Alexander’, wat 588 v.C. zou zijn geweest en dus middenin de Axiale Tijd. Dit kan echter niet juist zijn. Een van de redenen hiervoor is dat de taal van de zoroastrische geschriften, de Gathas – gezangen die deel uitmaken van de Avesta, het heilige bock van het mazdeïsme – sterk lijkt op de oudste bekende vorm van Sanskriet, de taal die in de veda’s – de heilige schrift van de hindoes – wordt gebruikt (zie onder). De twee talen lijken zo sterk op elkaar dat ze ‘nauwelijks méér zijn dan dialecten van één taal’, en er waren nog niet veel eeuwen verlopen sinds hun gezamenlijke oorsprong.92 Aangezien de vedas dateren uit 1900-1200 v.C., kunnen de Gathas niet veel jonger zijn.

Maar terwijl de veda’s zich afspelen in een heldentijd met veel goden die vaak ‘met dezelfde aard als mensen’ handelen en erg wreed kunnen zijn, paste dat totaal niet bij het zoroastrisme.93 De oorsprong van het zoroastrisme ligt in het ze millennium v.C. toen de volkeren die bij archeologen, prehistorici en filologen bekendstaan als de Indo-Ariërs, migreerden. Zoals hierboven gezegd, is er veel onenigheid over de oorsprong van deze volkeren: was het de streek tussen de Zwarte en de Kaspische Zee, die tussen de Kaspische Zee en het Aralmeer, het land rond de rivier de Oxus in het noorden van Perzië (het huidige Iran), of het zogenoemde BMAC (het Bactria-Margiana Archeologisch Complex, voornamelijk in het noorden van Afghanistan)? Het lijkt echter wel zeker dat zij zich in twee groepen splitsten, één die oostwaarts trok en waarbinnen de vedische religie ontstond waaruit zich het hindoeïsme ontwikkelde, en de ander die naar het westen ging en waarin het zoroastrisme ontstond.

Bepaalde aspecten van het zoroastrisme lijken te zijn ontleend aan de cultus van Mithra, de god die uit een steen geboren werd en vaak geassocieerd wordt met het stierenoffer. Hij verschijnt het eerst in geschreven bronnen van de 14e eeuw v.C. in een inscriptie uit Bogazköy in Anatolie. In de inscriptie wordt een verdrag aangehaald russen de Hettieten (die we hiervoor al tegenkwamen) en Mitanni, een rijk met Arische hoofdmannen in Noord-Mesopotamië, maar ook worden er goden in genoemd die in de latere Rigveda, een van de bocken van de hindoes, voorkomen. Dat zijn onder andere Mithra, Varuna en Indra.94 Hierbij moet opgemerkt worden dat mithra het Oud-Perzische woord voor ‘contract’ is, en dat is om minstens drie redenen interessant. Ten eerste, en dit is speculatief, doet een god van het contract denken aan het Israelitische idee van het verbond, dat feitelijk een contract met God is – is dit dan de herkomst van dat verbondsidee? Ten tweede suggereert een god van het contract een stedelijke, of verstedelijkende cultuur, met een opkomende klasse van kooplieden. Maar ten derde, en dat is de belangrijkste reden, stond het contract voor eerlijkheid en dus voor gerechtigheid.95 Hier hebben we een abstract concept als godheid – dat was wat Zarathoestra bereikt heeft: hij brak met de traditie van een heel pantheon van goden.

De geboorteplaats van Zarathoestra was volgens de traditie Rhages (de oude stad Rayy, nu een buitenwijk van Teheran), of een stad in Afghanistan of zelfs in Kazachstan. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was, verscheen hij aan het hof van koning Gushtasp, heerser van een volk in het noorden van het oude Perzië, mogelijk de oude stad Balkh ten noordwesten van Kabul in het huidige Afghanistan. Daar bekeerde hij de koning en daarna het volk, en zijn geloof werd de staatsreligie.

Het grote belang – en raadsel – van het zoroastrisme ligt deels in de introductie van abstracte concepten als goden, en deels in zijn andere kenmerken; sommige daarvan vinden we ook in het boeddhisme en het confucianisme, maar enkele andere lijken juist het judaïsme, en dus ook het christendom en de islam, vormgegeven te hebben.

Volgens Friedrich Nietzsche was Zarathoestra de bron van ‘de grootste vergissing in de geschiedenis van de mens – namelijk de uitvinding van de moraliteit.96 Zarathoestra leerde dat er drie soorten ziel waren: de urvany, dat deel van het individu dat de dood van het lichaam overleeft; de fravashi die ‘op aarde leven sinds het moment van hun dood’; en de daeva, het geweten.97 Het zoroastrisme kan de fundamentele set van ideeën zijn geweest die grote invloed heeft gehad op de vorming van de wereldgodsdiensten van vandaag.

In de samenleving waarin Zarathoestra zijn ideeën tot uiting bracht, werd vuur aanbeden en werden de bekende goden van aarde en hemel vereerd, plus nog een heleboel daevas, geesten en demonen.98 Aanhangers van het zoroastrisme geloven dat Zarathoestra een openbaring kreeg van de enige echte god, Ahura Mazda (vandaar de andere naam voor deze religie, mazdeisme). Door de onthulling te aanvaarden, deed hij de oerkeuze van God na – hij koos het goede. Dit is een cruciaal aspect van het zoroastrisme: de mens wordt uirgenodigd om het pad van de Heer te volgen, maar in die keuze is hij vrij – hij is geen slaaf of bediende.99 Ahura Mazda was de vader van de tweelingen Spenta Mainyu, de Goede Geest, en Angra Maihyu, de Verwoestende Geest. Zij kozen voor respectievelijk Asha, gerechtigheid, en Druj, misleiding.100

Zarathoestra heeft herhaaldelijk naar zichzelf verwezen als een ‘verlosser’, en dat heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het idee van hemel en ziel. In de religie waarin Zarathoestra zelf geboren was, zouden alleen priesters en edelen een onsterfelijke ziel gehad hebben en konden alleen zij naar de hemel, terwijl alle andere mensen naar de hel gingen.101 Hij bracht daar verandering in. Hij veroordeelde het offeren van runderen als wreed en verwierp de priestercultus van Haoma, vermoedelijk een hallucinogene plant die verwant was aan de Soma van de hindoeïstische geschriften; het was mogelijk zelfs cannabis of hennep waarvan Herodotus vermeldt dat het door de steppevolkeren bij rituelen werd gebruikt.102 Er zijn echter ook aanwijzingen dat het zoroastrisme zelf een extatische religie was en dat Zarathoestra zelf bhang (hennep) gebruikte.103 De naam van het paradijs in de nieuwe religie was garo demana, het ‘Huis der Liederen’, en er zijn oude verslagen van sjamanen die in extase raakten doordat zij lange tijd achtereen zongen. Het Huis der Liederen staat in theorie open voor alle gelovigen van het zoroastrisme, maar alleen de rechtschapenen komen er terecht. De weg naar het hiernamaals voert over de Cinvatbrug, waar de goeden worden gescheiden van de slechten; de zondaars blijven voor altijd in het Huis van het Kwaad.104 Het idee dat een rivier deze wereld van de volgende scheidt, komt in veel religies voor, terwijl het concept van een oordeel een belangrijk kenmerk werd van judaïsme, christendom en islam. Een leven na de dood, opstanding, oordeel, hemel en paradijs waren allemaal oorspronkelijk zoroastrische ideeën, net als de hel en de duivel.105 Volgens een vers uit de Gathas blijft de ziel dicht bij het lichaam van de overledene, maar trekt na drie dagen de wind aan. Voor de goeden is het een welriekende wind die de ziel snel naar de lichten zonder begin’ brengt; anders is het een koude noordenwind die de zondaar naar de duisternis vervoert.106 Let op de periode van drie dagen.

De Israëlieten zijn in 586 v.C. gevangengenomen door de Babyloniërs onder Nebukadnezar. Maar in 539 werd Babylon ingenomen door Cyrus II de Grote, de koning der Perzen die ook de Meden en de Lydiërs versloeg. Hij en zijn opvolgers verspreidden het zoroastrisme over het Midden-Oosten. Cyrus bevrijdde de Joden en liet hen naar hun land terugkeren. Het is daarom niet toevallig dat hij een van de slechts twee koningen van een ander land is die in de Hebreeuwse geschriften met eerbied worden genoemd (de andere is Abimelech, Genesis 21). Het is evenmin toevallig dat het judaïsme, en dus ook het christendom en de islam, zoveel kenmerken met het zoroastrisme gemeen heeft.

De Boeddha was geen god en eigenlijk ook geen profeet. De manier van leven die hij propageerde kwam voort uit zijn ontevredenheid met de ontwikkeling van de koopliedenklasse in de steden vanwege hun materialisme en inhaligheid, en met de priesterklasse vanwege hun obsessie met offeren en traditie. Zijn reactie was dat hij van de mensen vroeg bij zichzelf te rade te gaan om een hoger doel in het leven te vinden. Hierin waren de omstandigheden in India in de Ge-se eeuw v.C. en die in Israël vergelijkbaar.

Siddharta Gautama, de Boeddha, was hoe dan ook een pessimistisch mens die de neiging had de onaangename kanten van het leven te benadrukken. In de periode waarin hij leefde, waren de sociale en religieuze ideeën in India diepgaand aan het veranderen. ‘Hindoeïsme’ is een woord dat moslims gebruikten voor de traditionele religie in India en dat dateert uit ca. 1200 n.C., toen de islamitische invallers het Indiase Ideeën geloof in één woord moesten onderscheiden van hun eigen religie. (Hindoe is uiteindelijk het Perzische woord voor Indiaas – zie hoofdstuk 33.) Van het traditionele hindoeïsme wordt wel gezegd dat het eerder een manier van leven is dan een manier van denken.107 Er is geen stichter, geen profeet, geen eenduidige geloofsovertuiging en geen kerkelijke structuur. Hindoes spreken in plaats daarvan van de ‘eeuwige leer’ of ‘eeuwige wet’. De oudste aanwijzingen voor deze religie zijn aangetroffen in Harappa en Mohenjo-Daro, de twee hoofdsteden van de Indusdalbeschaving die zo’n 650 km van elkaar aan de rivier de Indus liggen, en dateren van ca. 2300-1750 v.C. Rituele reinheid schijnt erg belangrijk te zijn geweest (net als nu nog), met een prominente plaats voor de ceremoniële wassing of reiniging.108 Bovendien zijn er talloze beeldjes gevonden van de moedergodin die óf zwanger is uitgebeeld, of met heel grote borsten. Ieder dorp had zijn eigen godin, de belichaming van het vrouwelijke principe, maar er was ook een mannelijke god die hoorns droeg, drie gezichten had en Trimurti genoemd werd, naar de latere drie-eenheid Brahma, Visjnoe en Sjiva. Ook zijn er vruchtbaarheidssymbolen aangetroffen, vooral in de vorm van lingam en yoni, uitbeeldingen van respectievelijk het mannelijke en het vrouwelijke geslachtsdeel. Naast de reiniging beoefenden de heilige mannen van Harappa en de Indusdalbeschaving yoga en verloochenden ze de wereld.

De eerste fase van verandering waar het hindoeïsme doorheen ging, vond rond 1700 v.C. plaats, toen Arische volkeren India binnenvielen. Deze Ariërs kwamen, zoals uit hun naam is af te leiden, uit Iran, maar hun precieze plaats van herkomst is een van de grote raadsels in de archeologie. Hun invloed op India was overweldigend. Nu nog zijn Noord-Indiërs langer en bleker dan hun Dravidische landgenoten van het zuidelijk deel van het subcontinent. De Arische taal ontwikkelde zich in India tot Sanskriet, dat verwant is aan Grieks, Latijn en de andere Indo-Europese talen, zoals we in hoofdstuk 2 hebben gezien. Hun religie kan verwant zijn geweest aan die welke door Homerus beschreven is voor zover het de overeenkomsten betreft tussen hun goden, die vooral natuurkrachten representeren. Ze praktiseerden het offeren en voerden hun ceremonies uit rond het vuur, waar ze boter, graan en kruiden in wierpen. Bekend is ook dat zij een drug gebruikten, soma, die een trance veroorzaakte tijdens welke de vedas, de heilige geschriften, aan de gebruikers werden ‘onthuld’. Het feit dat het vuur in hun godsdienst zo belangrijk was, lijkt erop te duiden dat zij oorspronkelijk uit een noordelijke (koude) omgeving kwamen. In tegenstelling tot de proto-hindoes hadden de Ariërs een heilige tekst. Deze is rond 800 v.C. op schrift gesteld en is bekend onder de naam Rigveda ( Liederen van Kennis’; rg of rig is “loven’ of ‘eer’, vid betekent weten’, ‘kennis’ of ‘wijsheid). Veel van deze religieuze gezangen kunnen zijn ontstaan voordat de Ariërs in India aankwamen; later pas zijn ze beschouwd als openbaringen van Brahma, de bron van alles. De Rigveda bestaat uit meer dan duizend liederen (20.000 verzen) die aan talloze verschillende goden gericht zijn. De belangrijkste goden zijn Indra, die wordt beschouwd als een strijder die het kwaad overwint en de schepping door Brahma mogelijk gemaakt heeft, Agni, die het heilige vuur belichaamt (vergelijk het Latijnse ignis, ‘vuur’ en het Engelse ignite, ‘ontbranden’ of ‘aansteken’) en hemel en aarde met elkaar verbindt door offers naar de hemel te brengen, en Varuna (de Griekse god Uranus), een hemelgod maar ook het hoofd van alle goden en bewaker van de kosmische orde.

In de Vedanta, de wereldbeschouwing van de hindoes, komt de wereldziel naar voren. Dit is een mystiek iets, het universum, dat op niets anders lijkt; het wordt voorgesteld als zowel offer als lichaamsvorm die de wereld ordent. De schepper schiep de wereld door te offeren – en de goden en hun hele bestaan hangen dan ook af van het continu offeren. De mond van de wereldziel bestaat uit de priesters (brahmanen genaamd, waaruit hun relatie met de bron van alles, brahman, blijkt: voordat de veda’s opgeschreven waren, was het de verantwoordelijkheid van de brahmanen om ze te onthouden en van vader op zoon door te geven), de armen zijn de heersers, de dijen de middenstandsklassen – landeigenaren, boeren, geldschieters en kooplieden – en de voeten zijn de kunstenaars en de landarbeiders. In het begin was lidmaatschap van deze vier klassen van mensen niet erfelijk, maar dat zijn ze in de loop van de tijd geworden, vermoedelijk onder invloed van de brahmanen die hun zoons de vedas konden leren als ze maar vroeg begonnen als de jongens nog jong waren. Ook waren het de brahmanen die wisten hoe de ingewikkelde offerriten moesten worden uitgevoerd waardoor de hele wereldorde bleef bestaan.110 Koningen en adel financierden de offers en de landeigenaren fokten de runderen die werden gedood. Drie van de vier klassen hadden er dus belang bij om de status-quo te handhaven.

Dit is het traditionele beeld van de oude situatie. Maar ten tijde van Gautama waren in India grote sociale en spirituele veranderingen aan de gang. Steden groeiden en de machtsrelatie russen koning en tempel werd steeds zwakker onder invloed van rijke kooplieden en de groeiende markteconomie. Er ontstond een nieuwe klasse van stedelingen die ambitieus waren en de oude levenswijze wilden veranderen. De nieuwe technologie van de ijzertijd speelde hier ook een rol doordat dichte wouden gekapt werden waardoor er meer land voor de boeren vrijkwam.111 Nu vond ook een verandering plaats van het fokken van vee naar de verbouw van voedselgewassen. Dit kwam de groeiende bevolking ten goede, maar veranderde ook de houding ten aanzien van het offeren, dat steeds minder juist gevonden werd.

Kapilavastu, de residentie van Magadha in het noordoosten van India waar Siddharta Gautama zijn jeugd doorbracht, was kenmerkend voor deze ontwikkeling. Kort voor zijn geboorte vond in India een religieuze opstand plaats. De wijzen van die tijd, ontevreden met het oude vedische geloof (dat wil zeggen dat van de veda’s), begonnen aan het opstellen van nieuwe teksten die ze in het geheim onderling doorgaven. Deze teksten werden bekend als de Upanishads, een woord dat is afgeleid van het Sanskriet apa-ni-sad, ‘het vertrouwelijke zitten’ (bij een leraar), dat de onorthodoxe manier waarop deze nieuwe teksten verspreid werden, weerspiegelt. In zekere zin zijn er parallellen te trekken met de preken van de Israëlische profeten: ze maakten de oude veda’s spiritueler en verleenden hun een verinnerlijkt aspect.112 Door de leer van de Upanishads ontdekte de volgeling dat brahman in de kern van zijn eigen wezen, van zichzelf, aanwezig was. Verlossing zit niet in het offer, maar in het besef dat absolute, eeuwige werkelijkheid die zelfs hoger is dan de goden, identiek was aan het eigen, diepste Zelf (atman).’ In de Upanishads is verlossing niet alleen de verlossing van zonde maar van het menszijn zelf.113 Dit was het werkelijke begin van de godsdienst die we nu hindoeïsme noemen, en de parallellen met het judaïsme van de profeten liggen voor de hand.

Waar het idee van de reïncarnatie vandaan gekomen is, is onduidelijk. In een van de sutra’s, voorschriften, van de vedas wordt het concept aangehaald: ‘Het oog moet de zon binnengaan, de ziel de wind; betreedt de hemel en betreedt de aarde naar het lot; of ga het water in als dat aan u is toegewezen, of betreedt met uw ledematen de planten.’ De vorm is primitief, maar deze passage verkondigt op verschillende manieren het idee uit de Upanishads dat de doden na de crematie naar hun levenswijze op aarde ‘de weg van God’ (devayana) zullen gaan die naar brahman voert, of ‘de weg van de vaders’ (pitrayana) die door donker en duisternis naar de verblijfplaats van de voorouders loopt en van daar terug naar de aarde voor een nieuwe levenscyclus. Pas in de Upanishads verschijnt de tweelingleer van samsara en karma. Samsara is de wedergeboorte, karma de levenskracht, en de aard daarvan bepaalt de vorm waarin iemand reïncarneert. Bij het tweelingproces ging het om de atman, de ziel, een woord dat is afgeleid van an, ‘ademen’, wat betekent dat voor de hindoes de ziel gelijkstaat aan het levengevende principe.116 Om één te worden met brahman en moksa (de bevrijding uit de eeuwige cycli van het aardse leven) te ontvangen, dus de weg van God af te gaan, moet de atman de avidya overwinnen, de diepe onwetendheid waarvan maya – de schijnwereld waarin we leven en die we voor de echte wereld houden terwijl we het Zelf beschouwen als een onafhankelijk iets – het belangrijkste aspect is. De overeenkomst tussen het hindoeïsme enerzijds, en Plato anderzijds, blijkt hieruit en zal nog duidelijker worden. 

Dit was dan de situatie waarin Siddharta Gautama – de latere Boeddha – ver-scheen. Zijn leven is lang niet zo goed gedocumenteerd als dat van de profeten of van Jezus. Er zijn wel biografieën geschreven, maar de oudste dateert uit de ze eeuw n.C.

Die is vermoedelijk gebaseerd op een verhaal dat zo’n honderd jaar na zijn dood in 483 v.C. is opgeschreven, maar die tekst is verloren gegaan, en we hebben geen idee van het waarheidsgehalte van de uitgebreide levensbeschrijvingen. Het schijnt echter dat Gautama toen hij 29 jaar oud was, ca. 538 v.C., plotseling vrouw, kind en zeer gegoede familie verliet om op zoek te gaan naar de Verlichting. Verteld wordt dat hij nog een keer naar boven sloop om een laatste blik te werpen op zijn vrouw en kind, maar toen wegging zonder afscheid te nemen. Hij was niet onverdeeld treurig om te vertrekken: hij had zijn zoon de bijnaam Rahula gegeven, ‘Keten’, en de baby symboliseerde zon- der twijfel dat Gautama zich geketend voelde aan een levenswijze die hij verafschuwde. Hij verlangde naar wat hij beschouwde als een zuiverder, spiritueler leven, en dus deed hij wat wel meer heilige mannen in India deden en doen: hij keerde zijn familie en bezittingen de rug toe, deed de gele mantel om van een rondreizende monnik en leefde van bedelen, toen (en nu) een geaccepteerde levenswijze in India. 

Zes jaar lang luisterde hij naar wat wijzen hem te zeggen hadden, maar pas toen hij zichzelf in een nacht in trance had gebracht, veranderde zijn wereld. ‘De hele kosmos was blij, de aarde schudde, bloemen regenden uit de hemel, geurende winden waaiden en de goden in hun afzonderlijke hemels verheugden zich… Er was nieuwe hoop op bevrijding van het lijden en het bereiken van het nirwana, het einde van de pijn. Gautama was de Boeddha geworden, de Verlichte.117 Boeddha ‘geloofde’ in de goden die hij kende, maar net als de Israëlische profeten dacht hij dat de echte werkelijkheid nog voorbij deze goden lag. Voor zover hij ze kende of begreep, waren de hindoeistische goden te veel betrokken bij de wisselvalligheden van pijn en verandering in de cyclus van geboorte en wedergeboorte. Boeddha geloofde echter dat al het leven dukkha was – lijden, veranderen – en dat dharma, ‘de waarheid over het juiste leven’, iemand naar het nirwana zou voeren, de uiteindelijke werkelijkheid, de bevrijding van pijn.118 Het inzicht dat Boeddha had, was dat deze toestand van bevrijding in feite niets meer van doen had met goden – het ‘ging hen voorbij. De staat van nirwana behoorde bij de mens, als mensen maar wisten waar ze moesten zoeken. Volgens Boeddha had hij zijn benadering niet ‘verzonnen’ maar ‘ontdekt’, en daarom konden anderen dat ook als zij maar in zichzelf zochten. Net als de profeten tegen de Israëlieten zeiden, zat de waarheid vanbinnen. En de eerste stap van de mens was, volgens Boeddha, dat hij moest beseffen dat er iets verkeerd was. In de heidense wereld had dit besef geleid tot ideeën van hemel en paradijs, maar het was Boeddha’s idee dat we op deze aarde van dukkha bevrijd kunnen raken door ‘een leven te lijden van mededogen met alle levende wezens, rustig te praten en zich zo te gedragen, vriendelijk en nauwgezet, en door zich te onthouden van zaken als drugs of andere vergiften die de geest kunnen verduisteren’.119 Boeddha had geen voorstelling van een hemel. Vragen naar dat soort zaken vond hij ‘misplaatst’. Naar zijn idee was taal niet voldoende toegerust om dergelijke ideeën in te bespreken, ze konden alleen ervaren worden.

Maar het boeddhisme ontwikkelde een begrip over verlossing dat sterk lijkt op dat van het vroege christendom, zoals we nog zullen zien. De gelijkenis was zo groot dat vroege missionarissen dachten dat het boeddhisme een vals geloof was dat door de duivel geschapen was. In het boeddhisme werd een concept ontwikkeld (en benoemd: parimucyeran) voor de verlossing van alle problemen van het leven, en drie woorden voor de verlosser: de bodhisatıva Avalokitesvara, zijn metgezellin Tara en Amida of Amitabha, de Kosmische Boeddha.

De Grieken staan algemeen bekend vanwege hun rationaliteit, maar hierdoor raakt op de achtergrond dat Plato (427-346 v.C.), een van de grote denkers, ook een mysticus was. Hij was het sterkst beïnvloed door Socrates, die de oude mythen en feesten van de traditionele religie openlijk in twijfel trok, en Pythagoras, die, zoals we zagen, zeer besliste ideeën had over de ziel, en die bovendien via Perzië en Egypte beïnvloed kan zijn geweest door India.

Pythagoras dacht dat zielen gevallen en verstoten goden waren die nu gevangenzaten in het lichaam ‘als in een graf en veroordeeld tot een eeuwigdurende cyclus van wedergeboorte.120 Pythagoras, en met hem de orfici, geloofde dat de ziel alleen bevrijd kon worden door rituele zuivering, maar Plato ging verder. Voor hem bestond er nog een ander niveau van werkelijkheid, een onveranderlijke werkelijkheid van het goddelijke die buiten de zintuigen lag. Hij accepteerde dat de ziel een gevallen godheid was, maar hij geloofde dat die bevrijd kon worden en zelfs weer de goddelijke status kon krijgen door zijn eigen vorm van zuivering – de rede. Hij dacht dat op dit hogere, onveranderlijke vlak eeuwige werkelijkheden heersten – vormen of ideeën, zoals hij het uitdrukte – die completer waren, permanenter en effectiever dan wat we ook op aarde zouden aantreffen, en dat ze alleen volledig begrepen of bevat konden worden in de geest. Volgens Plato was er een ideale vorm die overeenkwam met ieder abstract algemeen idee dat we hebben – rechtvaardigheid bijvoorbeeld, of liefde. De belangrijkste vormen waren schoonheid en juistheid. Hij hield zich niet lang op met God of de aard van God. De wereld der vormen was onveranderlijk en statisch en de vormen waren niet ‘daar ergens’, zoals de traditionele goden, maar konden alleen binnen het Zelf worden gevonden.121

Zijn eigen ideeën, zoals hij die in zijn Symposium en andere werken heeft neergelegd, moesten laten zien hoe liefde voor bijvoorbeeld een bijzonder mooi lichaam kon worden ‘gezuiverd en getransformeerd’ tot een extatische overdenking (theoria) van ideale schoonheid. Volgens Plato bevonden ideale vormen zich ergens verborgen in de geest en was het de taak van het denken om deze vormen te ontdekken en bloot te leggen; men moest ze voor de geest kunnen halen en kunnen aanvoelen als men er maar lang genoeg over nadacht. Menselijke wezens waren door hun zielen immers gevallen godheden (een idee dat door het christendom in de Middeleeuwen nieuw leven werd ingeblazen), en het goddelijke was dus op een of andere manier in hen aanwezig; alleen moest het worden ‘aangeraakt’ door de rede, als men onder rede tenminste een intuïtief begrijpen van de eeuwige werkelijkheid in zichzelf verstaat. Plato heeft het woord nirwana natuurlijk nooit gebruikt, maar zijn geloofsovertuiging lijkt op die van de Boeddha: de mens dient in zichzelf te kijken. En net als bij Zarathoestra was voor Plato het object van het spirituele leven de concentratie op abstracte zaken. Sommigen hebben dit wel de geboorte van het idee van abstractie genoemd. 

De ideeën van Aristoteles (384-322 v.C.) waren niet minder esoterisch, ook al was hij veel meer een rechtlijnige geleerde en  natuurfilosoof, aspecten van zijn denken die in het volgende hoofdstuk aan de orde komen. Hij besefte heel goed dat er een emotionele basis was voor religieuze overtuigingen, ook al zag hij zichzelf als een echte rationalist. Precies hierom maakte bijvoorbeeld het Griekse theater, en dan vooral de tragedies, deel uit van religieuze feesten: de tragedie was voor Aristoteles een vorm van zuivering (zelf noemde hij dit katharsis) waarin de emoties van angst en medelijden ervaren en beheerst werden. Terwijl Plato zich een enkel goddelijk domein voorstelde waar we via overdenking toegang toe hebben, dacht Aristoteles dat er een hiërarchie van domeinen was met bovenaan de Onbewogen Beweger – onsterfelijk, onbeweeglijk, in wezen zuiver denken, terwijl Hij zowel denker als gedachte was.122 Hij veroorzaakte alle verandering en beweging in het universum dat allemaal uit dezelfde bron afkomstig is. In dit schema was de mens bevoorrecht omdat de menselijke ziel de gave van het intellect bezit, een goddelijk iets waardoor de mens boven dieren en planten staat. Het onderwerp van het denken was, volgens Aristoteles, de onsterfelijkheid, een soort verlossing. Net als bij Plato was het denken zelf een vorm van zuivering, maar ook hier bestond theoria, overdenking, niet alleen uit logisch redeneren maar ook uit ‘gedisciplineerde intuïtie die in extatische zelf-overstijging resulteert.123

Confucius (Kongfuzi, 551-479 v.C.) was de minst mystieke van alle profeten/religieuze leermeesters/moraalfilosofen in de Axiale Tijd. Hij was in traditionele zin zeer religieus en toonde eerbied voor de hemel en de overal aanwezige geestenwereld, maar hij stond afstandelijk tegenover het bovennatuurlijke en heeft waarschijnlijk niet geloofd in een persoonlijke god of het hiernamaals. Het geloof dat hij ontwikkelde, was eigenlijk een aangepaste leer van traditionele ideeën en praktijken, zeer werelds en gericht op de problemen van zijn tijd. Toch zijn er buitengewone parallellen te trekken tussen de dogmas van Confucius, Boeddha, Plato en de profeten van Israël.

In de tijd van Confucius’ geboorte waren de Chinezen allang tot een volk verenigd. Vanaf het midden van het ze millennium v.C. was de Shang-dynastie stevig aan de macht en moet, getuige de opgravingen, de koning erg machtig zijn geweest. Er was een heersersklasse van aan de dynastie verwante familieleden, en een klasse van gewone mensen die als horigen aan het land gebonden waren. Her was een zeer gewelddadige samenleving die volgens één historicus werd gekenmerkt door ‘offeren, oorlog voeren en jagen’. Net als bij het Indiase hindoeïsme lag in het oude China het offeren aan de basis van het geloof. ‘De jacht leverde offerdieren, de oorlog offergevangenen.124 Oorlog op zich werd als een religieuze bezigheid beschouwd en voordat slag werd geleverd, vond een uitgebreid ritueel plaats van waarzeggerij, gebed en eedaflegging.

Er waren twee soorten goden in het oude China – vooroudergoden en hemelgoden. Iedereen vereerde zijn voorouders; hun zielen zouden de mensen het leven geven. Maar de aristocratie vereerde ook Sjang-ti, de oppergod die samen met de goden van zon, maan, sterren, regen en bliksem vanuit de hemel heerste. Sjang-ti werd geidentificeerd met de stichter-voorvader van het volk, en alle adellijke families rekenden hun afstamming op hem terug.125 Kenmerkend was dat zij vlees aten. Er waren drie soorten religieuze functionarissen: de sjih of priester-schrijvers die opmerkelijke gebeurtenissen, die beschouwd werden als voortekenen voor het landsbestuur, moesten vastleggen en interpreteren, de tsjoe of ‘bidders’, geleerden die de gebeden maakten die bij de offerceremonies werden gebruikt – zij werden de ‘ritmeesters’ die ervoor moesten zorgen dat de correcte vorm van offeren bewaard bleef (net als de brahmanen in India), en de wu, die tot taak hadden om met de vooroudergeesten te communiceren, gewoonlijk aan de hand van zogenoemde orakelbotten.126 Dit laatste gebruik – scapulimantie of ‘schouderbladlezen’ – werd pas een het einde van de 19e eeuw door westerse geleerden opgemerkt, maar inmiddels zijn er zo’ n 100.000 botten van schouderbladen gevonden die daarvoor zijn gebruikt. Daarbij hielden de wu een hete metalen punt tegen een schouderblad van allerlei verschillende dieren, waarna barsten ontstonden die ze interpreteerden als raadgevingen van de voorouders. De ziel werd op deze botten voorgesteld als óf kuei, een man met een groot hoofd, óf een cicade, en dat werd een van de symbolen van onsterfelijkheid en wedergeboorte. In de tijd van Confucius ontstond de idee dat alles wat bestaat het gevolg is van de werking van twee eeuwige, tegengestelde en elkaar aanvullende principes, yin en yang, en dat iedere persoon twee zielen heeft, een yin-ziel die van de aarde komt, en een yang-ziel van de hemel.127 De yin werd geïdentificeerd met de kuei, met het lichaam; de yang was het levensprincipe en de persoonlijkheid. Het doel van de Chinese filosofie was om deze twee met elkaar in evenwicht te brengen.

Confucius is geboren in de buurt van het huidige Shantung in een tijd van oorlogvoering en grote sociale veranderingen die hem sterk beïnvloed hebben. Steden groeiden (volgens sommige bronnen tot wel 100.000 inwoners), er werd een muntstelsel ingevoerd en de ontwikkeling van de handel verliep zo snel dat al in die tijd bepaalde streken bekendstonden om hun producten, zoals Shantung om zijn zilver en lakwerk, en Szechuan om zijn ijzer. Kenmerkend voor China was de sociale klasse van de sjih (niet te verwarren met de hierboven genoemde sjih, de priester-schrijvers), families van adellijke afstamming die financieel echter waren afgezakt tot gewone mensen. Zij werden geen kooplieden maar geleerden, en hadden niet de allure die bij de adel hoorde. Confucius behoorde tot deze klasse.

Hij was intelligent en kreeg onderwijs op een school voor de aristocratie; zijn eerste baan was die van klerk in een graanopslagplaats van de staat. Hij trouwde toen hij negentien jaar oud was, maar van zijn vrouw en gezin is nauwelijks iets bekend.128 Hij werd sterk beïnvloed door Zi Zhaan, eerste minister van Cheng, die in 522 v.C., toen Confucius 29 jaar was, overleed. Zi Zhaan had het eerste wetboek in China samengesteld en opdracht gegeven de tekst in bronzen platen te graveren en die in het openbaar op te hangen zodat iedereen wist aan welke regels hij of zij zich te houden had.129 Eveneens van grote invloed op Confucius was de scepsis die de Chinezen in die periode hadden ten aanzien van godsdienst. Er was zoveel oorlog gevoerd dat niemand meer geloofde in de kracht van de goden om koningen te helpen, met als gevolg dat veel tempels – historisch de belangrijkste bouwwerken in de steden – verwoest werden. Doordat offer en gebed zo jammerlijk hadden gefaald, waren de omstandigheden ontstaan waarin het rationalisme op kon bloeien, en Confucius was daarvan de beste representant.

Hij en zijn belangrijkste volgelingen, Motzu (ca. 480-390 v.C.) en Mengtzu (Mencius, 372-289 v.C.), behoorden tot een belangrijke groep denkers, die van de zogenoemde ‘honderd scholen’ (dat wil zeggen, veel). Geleidelijk aan groeide Confucius’ reputatie door zijn leer en kreeg hij met verscheidene van zijn leerlingen een nieuwe betrekking van de staat aangeboden. Maar hij weigerde en reisde tien jaar lang door het land voordat hij een school stichtte – de eerste in de geschiedenis van China – waar leerlingen uit alle klassen van de samenleving welkom waren en waar hij zijn ideeën beter kon verspreiden. Hij benadrukte het leiden van een ethisch leven, het fatsoenlijk samenleven van mensen. Dit weerspiegelt China’s overgang naar de stedelijke samenleving. Net als de Boeddha, Plato en Aristoteles keek hij voorbij de goden en onderwees dat het antwoord op de vraag hoe een ethisch leven te leiden, binnen in de mens zelf gelegen is, dat universele orde en harmonie alleen maar bereikt kunnen worden als mensen gemeenschapszin en verplichtingen ten aanzien van de gemeenschap voelen, en niet alleen aan zichzelf en hun familie denken.130 Geleerdheid en kennisvergaring, dacht hij, waren de beste manier om orde en harmonie te bereiken, en de natuurlijke aristocraten in de maatschappij zoals hij die voor zich zag, waren de wijzen.

Zijn denken wordt gekenmerkt door drie sleutelconcepten. De eerste was tao, De Weg. Dit concept heeft hij echter nooit nauw gedefinieerd. Net als Plato geloofde hij dat de intuïtie hier een rol speelde. Maar het Chinese karakter tao betekende oorspronkelijk ‘pad’ of ‘weg’, de weg naar een bestemming. Confucius wilde benadrukken dat er een weg is die men in het leven zou moeten volgen om te komen tot wijsheid, harmonie en ‘juist gedrag’. Hij bedoelde dat we intuïtief wel weten wat dit is maar dat we vaak, om egoïstische redenen, doen alsof we het niet weten. Het tweede concept was jen. Dit is een vorm van goedheid (en ook hier een echo van Plato’s ideale vormen), de hoogste vorm van volmaaktheid die gewoonlijk alleen door mythische helden kan worden bereikt. Confucius geloofde dat de aard van een individu van tevoren was vastgelegd door de hemel (een woord dat hij vaak gebruikte in plaats van dat voor één of andere vermenselijkte god), maar hij dacht dat de mens aan zijn aard kon werken om zichzelf te verbeteren: hij kan zedelijk leven, hard werken en anderen liefhebben ontwikkelen, hij kan altijd proberen goed te zijn.131 Men moet, zoals ook Boeddha al zei, vriendelijk en beleefd zijn, altijd rekening houden met anderen, in overeenstemming met li leven, de mores van de beleefde samenleving. Deze innerlijke harmonie van de geest zou mede bereikt kunnen worden door te leren musiceren. Het derde concept was I, rechtschapenheid of rechtvaardigheid. Ook dit idee heeft Confucius nier al te nauwkeurig gedefinieerd, maar hij zegt wel dat de mens rechtvaardigheid kan herkennen in het dagelijks leven (net als Plato zei dat we schoonheid en goedheid konden herkennen), en dat die altijd zijn leidraad moet zijn. 

Het eveneens Chinese taoïsme is op allerlei wijzen tegengesteld aan het confucianisme, ook al zijn er veel overeenkomsten aan te wijzen met de leer van Aristoteles en die van Boeddha. Volgens sommigen was de stichter van het taoïsme, Lao-tse, een oudere tijdgenoot van Confucius, maar volgens anderen heeft hij nooit bestaan: de woorden lao tzu betekenen ‘oude man’ en de Lao tzu, het boek – en het meest vertaalde werk uit het Chinees – is eigenlijk een bloemlezing van werk van verschillende schrijvers. Terwijl het confucianisme probeert mannen en vrouwen in deze wereld te verbeteren, keert het taoïsme zich juist van de wereld af met als doel de benauwde toestand van het menselijk bestaan te overstijgen om zo de onsterfelijkheid, de verlossing, de eeuwige eenwording van verschillende zielselementen te bereiken. Het taoïsme is gebaseerd op het zoeken naar vrijheid – van de wereld, van het lichaam, van de geest, van de natuur. Het bevordert de zogenoemde ‘mystieke kunsten’: alchemie, yoga, drugsgebruik en zelfs levitatie. Alles speelt zich af op de tao, de weg, al is die naam niet goed toepasbaar omdat taal niet voldoende is om de weg te beschrijven (net als het nirwana in het boeddhisme). De tao wordt verantwoordelijk gehouden voor zowel de schepping van het universum als het continu onderhouden ervan (zoals bij het oeroffer in de veda’s). De weg kan echter alleen door intuïtie worden bevat. Liever onderdanigheid dan verzet, liever onwetendheid dan kennis. Tao is het totaal van alles wat verandert, en deze onophoudelijke stroom van het leven is het verenigende idee. Taoïsme verzet zich tegen het idee van beschaving; God was, zoals de Grieken ook zeiden, in essentie onkenbaar, ‘behalve door de via negativa, door te weten wat hij niet is.132 Denken dat men de natuur kan veranderen, is godslastering. Verlangen (naar meer, beter, enzovoort) is hel.133 God kan niet begrepen worden, alleen ervaren. ‘Het doel is net zo te zijn als een druppel in de oceaan, compleet en één met het grotere geheel.’ Lao-tse schrijft over wijzen die de onsterfelijkheid bereikt hebben en, net als bij de Grieken, nu op de Eilanden van de Gezegenden wonen. Deze ideeën werden later door Zhuangtzu, een groot rationalist, als belachelijk aangemerkt.134

In alle bovenstaande gevallen hadden we in de 6e eeuw v.C., met 150 jaar ervoor en erna, de situatie dat men zich afkeerde van een pantheon van vele ‘kleine’ goden om zich Ideeën op zichzelf te richten, op de mens, zijn psychologie, zijn moreel gevoel of geweten, zijn intuïtie en zijn individualiteit. Nu grote steden een feit waren, moesten mannen en vrouwen leren hoe ze dicht bij elkaar moesten leven; tevens beseften ze dat de traditionele goden uit de landbouwmaatschappij hiervoor niet voldeden. Niet alleen was dit een grote ommekeer, een splitsing tussen de ‘vroege’ Oudheid en de ‘late’ Oudheid, maar ook een splitsing tussen het Oosten en her Westen die in de daaropvolgende eeuwen tot uitdrukking zou komen. Van alle nieuwe ethische systemen die in deze Axiale Tijd ontstonden, vallen de ideeën van de Israëlieten op. Zij ontwikkelden, zoals we nog zullen zien, het idee van één ware god, en het idee dat geschiedenis een richting heeft, terwijl de goden al bij de Grieken, maar vooral in het boeddhisme, confucianisme en taoïsme, in een heel andere relatie met de mens stonden dan in het Westen. In het Oosten kwamen het goddelijke en het menselijke steeds dichter bij elkaar, en de oosterse godsdiensten zijn meer geneigd naar mystiek dan de westerse. Maar in het Westen is het verlangen om goddelijk te worden heiligschennis.

Noten:

Hoofdstuk 5 OFFER, ZIEL, VERLOSSER: DE DOORBRAAK VAN DE GEEST

1. Brian Fagan, From Black Land to Fifth Sun: The Science of Sacred Sites, Reading, Massachusetts: Helix/Perseus Books, 1998, pp. 244-245.

2. De Khonds, een Dravidisch volk in Bengalen, brachten mensenoffers aan de aardgodin. Het slachtoffer, dat de meriah genoemd werd, werd gekocht van ouders of geboren uit ouders die zelf nog geofferd zouden gaan worden. Meriahs leidden jarenlang een gelukkig leven en werden als gewijd beschouwd. Ze huwden met andere toekomstige ‘offers’ en kregen een stuk land als bruidsschat. Ongeveer twee weken voordat het offer plaatsvond, werd het haar van het slachtoffer afgeknipt tijdens een ceremonie waarbij iedereen mocht helpen. Hierna volgde een orgie en werd de meriah naar een deel van het oerwoud gebracht ‘dat nog niet door de bijl was onteerd’. Hij of zij werd met gesmolten boter en allerlei soorten olie geolied, met bloemen omhangen en met opium gedrogeerd. Dan werd de meriah gedood door de hersens in te slaan, hem of haar te wurgen, of hem of haar langzaam boven een vuur te roosteren. Daarna werd hij of zij in stukken gesneden en kreeg iedere aanwezige een stuk van het lichaam. Deze resten werden naar de nabijgelegen dorpen gebracht, waar ze werden begraven om een goede oogst te verkrijgen.

Mircea Eliade, Patterns in Comparative Religion, Londen: Sheed & Ward, 1958, pp. 344-345.

3. Als tranen vergoten worden om bij de god regen af te smeken, dan wordt dit door antropologen als J.G. Frazer als religie beschouwd. Als tranen

vergoten worden om het vallen van de regen te imiteren, dan wordt sympatische magie vermengd met religie: mensen doen wat ze van de goden vragen te doen. Zie ook Eliade, Patterns, op. cit., p. 345. Miranda Aldhouse Green, Dying for the Gods: Human Sacrifice in Iron Age and Roman Europe, Londen: Tempus, 2001.

4. E. Washburn Hopkins, Origin and Evolution of Religion, Newhaven en New York: Yale University Press, 1924, p. 116. Royden Keith Yerkes, Sacrifice in Greek and Roman Religions and Early Judaism, Londen: Adam & Charles Black, 1953, p. 3I.

5. Hopkins, op. cit., p. so.

6. Eliade, op. cit., p. 86.

7. Ibid., p. 88.

8. Ibid., p. 90.

9. Ibid., p. 91.

10. Ibid., p. 217. Voor de geschiedenis van de Dravidiërs, zie A.C. Bouquet, Comparative Religion, Londen: Cassell, 1961, pp. 116 e.v.

11. Eliade, Patterns, op. cit., p. 219. Yerkes, op. cit., p.92.

12. Eliade, Patterns, op. cit., p. 332.

13. Ibid., p.334.

14. Zie Michael Jordan, Gods of the Earth, Londen: Bantam, 1992, p. 106, voor ceremonies van allegorische bevruchting in Egypte.

15. Eliade, op. cit., p. 342.

16. Ibid., p. 343.

17. Voor de geschiedenis van maïs in Midden-Amerika, zie Barry Cunliffe, Wendy Davies en Colin Renfrew (red.), Archaeology: The Widening Debate, Oxford: Oxford University Press, 2002.

Voor de maïsmoeder, zie Frank B. Jevons, An Introduction to the History of Religions, Londen: Methuen, 1896/1904, pp. 257-258.

18. C. Jouco Bleeker en Geo Widengren (red.), Historia Religionum, Volume I, Religions of the Past, Leiden: E.J. Brill, 1969/1988, p. 116.

19. Eliade, op. cit., p. 75.

20. Ibid., p. 102.

21. Ibid., p. 104.

22. De oudste Indo-Arische wortel die verband houdt met een hemellichaam is het woord voor ‘maan’ (me), dat in het Sanskriet is veranderd in een woord dar ‘Ik meer’ betekent. Woorden met dezelfde wortel en dezelfde betekenis komen voor in het Oud-Pruisisch, Gotisch, Grieks (mene) en Latijn (mensis). Eliade, op. cit., p. 154.

23. Ibid., p. 165 zie ook jevons, op.cit. pp228-229 en Zehren, op. cit., pp. 94-95 voor de maan-stier.

24. Hopkins, op. cit., p. 10g. E.B. Tylor, Primitive Culture: Development of Mythology, Religion, Art, Astronomy etc., Londen: John Murray, 1871.

25. Ibid., pp. 124-126.

26. Ibid., p. 130.

27. S.G.F. Brandon, Religion in Ancient History, Londen: Allen & Unwin, 1973, pp. 147 e.v.

28. Ibid., p. 69.

29. Ibid., p. 70.

30. Bleeker en Widengren (red.), op. cit., pp. 96-99.

31. Brandon, op. cit., p. 71.

32. Ibid., p. 7.

33. Ibid., p. 72. Zie Zehren, op. cit., PP. 283-284 voor een discussie over de halvemaan als een ‘zonneschip’ dat voor de ochtendschemering wegvaart naar de zon en het hiernamaals (de halo van de zon).

34. Brandon, op. cit., P. 72.

35. Ibid., p. 73.

36. Edwin Bryant, The Quest for the Origins of Vedic Culture, Oxford en New York: Oxford University Press, 2001, pp. 298-299. George Cordana en Dhanesh Jain (red.), The Indo-Aryan Languages, Londen: Routledge, 2003. Asko Parpolo, “Tongues that tie a billion souls’, Times Higher Education Supplement, 8 oktober 2004, pp. 26-27.

37. Bryant, op. cit., p. 165.

38. Ibid.,. p. 166.

39. Ibid 

40. Brandon, op. cit., p. 87.

41. Ibid.

42. Ibid., p. 86.

43. Jan N. Bremmer, The Rise and Fall of the Afterlife, Londen en New York: Routledge, 2002, p. I.

44. Ibid., p. 2

45. Brandon, op. cit., p. 74.

46. Ibid., p. 75.

47. Ibid., pp. 31-32.

48. Ibid., p. 76.

49. Bremmer, op. cit., p. 4.

50. Ibid., p. s en noten. Zie Jevons, op. cit., hoofdstuk 21, ‘The next life’, voor een discussie over Hades.

51. Dat een gids nodig was op weg naar Hades betekende volgens sommige wetenschappers dat er een groeiende angst heerste over iemands lot na zijn dood, misschien door de oorlogen die toen heersten. De uitvoerigste vermelding van de Elyzeese velden is te vinden in de Aeneïs als Aeneas de velden bezoekt om zijn vader Anchises te zien.

52. Bremmer, op. cit., p. 7.

53. Brandon, op. cit., P. 79.

54. Nephesh betekent nooit de ziel van de doden en wordt niet tegenover het lichaam gezet. De Israëlieten hadden een woord ’ruach’, dat gewoonlijk met ;geest’ vertaald wordt maar ook ‘charisma’ kan betekenen. Bedoeld werd de lichamelijke en geestelijke energie van opmerkelijke mensen als EIias. Bremmer, op.cit. p. 8

55. Ibid., pp. 8-9

56. Karl Jaspers, The Origin and Goal of History, Londen: Routledge, 1953, p. 2 (oorspronkelijke uitgave: Vom Ursprung und Ziel der Geschichte, Zürich: Artemis, 1949). Voor een meer sociologische versie van deze theorie, zie Robert Bellah, ‘Religious evolution‘, herdrukt in zijn Beyond Belief: Essays on Religion in a Post-Traditional World, Berkeley, Los Angeles en Londen: University of California Press, 1970/1991.

57. Grant Allen, The Evolution of the Idea of God, Londen: Grant Richards, 1904, p. 180.

58. Cyrus H. Gordon en Gary A. Rensburg, The Bible in the Ancient Near East, New York: Norton, 1997, pp. 109-113.

59. Allen, op. cit., p. 181.

60. Ibid., p. 182.

61. Ibid.

62. Ibid., p. 184.

63. Ibid., pp. 185-186. Zie John Murphy, The Origins and History of Religions, Manchester: Manchester University Press, 1949, pp. 176 e.v., voor andere vroege Hebreeuwse tradities.

64. Menhirs en dolmens, zij het niet zo indrukwekkend als in West-Europa, worden ook aangetroffen in het oude Fenicië, Kanaän, Galilea en Syrië. Herodotus beschrijft een stèle die hij in Syrië zag en die gedecoreerd was met een vrouwelijk geslachtsorgaan. Allen, op. cit., pp. 186-187.

65. Allen, op. cit., p. 190.

66. Ibid., p. 192.

67. Als Israël Jahweh gehoorzaamt, dan zal hij’u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uw most, en uw olie, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven’ (Deuteronomium 7:13). Maar als Israël de jaloerse god negeert, dan zal dit alles vervloekt zijn. Allen, op. cit., p. 194. En ten slotte eist Jahweh, in de context als de god van vruchtbaarheid, dat de eerstgeborene wordt geofferd. In de heidense wereld werd het eerstgeboren kind vaak als een nakomeling van een god beschouwd ‘die de moeder bevrucht had als een daad volgens het droit de seigneur. Karen Armstrong, A History of God, Londen: Vintage, 1999, p. 26 (vertaling: Een geschiedenis van God: vierduizend jaar christendom, jodendom en islam, Baarn: Anthos, 1995).

68. Allen, op. cit., p. 212.

69. Ibid., p. 213.

70. Ibid., p. 215.

71. Ibid., pp. 216-217.

72. Ibid., p. 219. Zie Bourquet, op. cit, hoofdstuk 6, “The golden age of religious creativity, pp. 95-111. Yerkes, op. cit., p. 32.

73. Allen, op. cit., p. 22, over het vervalsen van Deuteronomium.

74. Bruce Vawter, The Conscience of Israel, Londen: Sheed & Ward, 1961, p. 15.

75. Ibid., p. 18.

76. Paul Johnson, A History of the Jews, Londen: Weidenfeld & Nicolson, 1987, p. 38. Zie ook Norman Podhoretz, The Prophets, New York: The Free Press, 2002, p. 92.

77. Het gebruik ontstond in de tijd van de oorlogen tegen de Filistijnen, en dit verbindt de profeten met de nazireeërs die extatische dansen uitvoerden en zo vaak achter elkaar bepaalde bewegingen maakten, dat zij ten slotte in een soort trance raakten en enkele uren bewusteloos bleven. Vawter, op. cit., pp. 22-23. Extase was echter weer verdwenen toen de grote profeten van de 8e eeuw v.C. verschenen. De Israëliërs praktiseerden eerder, net als hun buurvolkeren, waarzeggerij, zoals kijken in dierenlevers, maar ook dit was in onbruik geraakt. Vawter, op. cit., p. 24 en 31.

78. Vawter, op. cit., pp. 39-40.

79. Johnson, op. cit., p. 36-38. De profeten waren overigens tegen afbeeldingen van God, omdat daardoor de koning dergelijke afbeeldingen – en de daarmee verbonden goddelijke kracht – niet meer van zichzelf kon laten maken en omdat een ‘niet-zichtbare’, innerlijke god mensen dwong in zichzelf te kijken. Johnson, op. cit., p. 124.

80. Vawter, op. cit., p. 66. Zie ook Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman, The Bible Unearthed, New York: The Free Press, 2001, pp. 172-173.

81. Vawter, op. cit., p. 82.

82. Ibid., p. gs. Podhoretz, op. cit., pp. 119 e.v.

83. Vawter, op. cit., p. III.

84. Ibid., p. 72.

85. Micha, de volgende profeet, richtte zich op wat historicus Bruce Vawter ‘Judaïsch kapitalisme’ noemt: de groei van landgoederen (archeologisch bevestigd) en de concentratie van rijkdom in de handen van enkelen waardoor de rest van de bevolking de status kreeg van ‘hulpeloze afhankelijken’. Maar vooral viel hij de priesters aan vanwege hun persoonlijke gewin en omdat zij zich, in samenwerking met de Syriërs, afkeerden van Jahweh en andere goden gingen aanbidden. Micha was russen 750 en 686 v.C. actief, en blijkbaar was de Jahweh-verering in Israël toen nog niet vast gevestigd. Vawter, op. cit., p. 154. 

86. Podhoretz, op. cit., p. 183. Vawter, op. cit., pp. 165-166.

87. Thomas L. Thompson, The Bible In History, Londen: Cape, 1999, p. 56. Vawter, op. cit., p. 170.

88. Vawter, op. cit., p. 175.

89. Ibid., p. 75.

90. Podhoretz, op. cit., p. 187 en 191. Cyrus H. Gordon en Gary A. Rendsburg, op. cit., p. 253. Vawter, op. cit., p. 75.

91. Podhoretz, op. cit., pp. 219 c.v. Finkelstein en Silberman, op. cit., p. 297.

92. Paul Kriwaczek, In Search of Zarathustra, Londen: Weidenfeld & Nicolson, 2002, p. 206.

93. Ibid., p. 222.

94. Ibid., p. 119.

95. Ibid., p. 120.

96. Ibid., p. 49. Zie ook A Nietzsche Reader, geselecteerd en vertaald, en met een inleiding van R.J. Hollingdale, Londen: Penguin, 1977, vooral pp. 71-124, over moreel gedrag (vertaling: De draagbare Nietzsche, Amsterdam: Prometheus, 1991).

97. Brandon, op. cit., p. 96.

98. Kriwaczek, op. cit., p. 210.

99. Eliade, op. cit., p. 309.

100. Aangezien de primitieve daeva’s allemaal op zeker moment bedriegen, eist Zarathoestra dat zijn volgelingen hen niet langer vereren. In het verbeelden van het ‘pad van de heer’ (de rechtvaardigheid) loopt het zoroastrisme voor op zowel Plato (in diens gerichtheid op het Goede), als op het boeddhisme en confucianisme. Zijn eis dat zijn volgelingen niet langer de daevas vereren, kan de Joden hebben geholpen bij hun beslissing van het henotheïsme (het geloof dat slechts één god van vele, de moeite van verering waard is) over te gaan op het echte monotheïsme (het geloof dat er slechts één god bestaat). Kriwaczek, op. cit., p. 183.

101. Ibid., p. 210.

102. Ibid.

103. Eliade, op. cit., p. 308.

104. Ibid., p. 312.

105. Kriwaczek, op. cit., p. 195.

106. Eliade, op. cit., p. 330.

107. Pat Alexander (red.), The World’s Religions, Oxford: Lion Publishing, 1994, p. 170.

108. Ibid., p. 173.

109. Ibid., p. 174

110. Karen Armstrong, Buddha, Londen: Weidenfeld & Nicolson, 2000, p. 15 (vertaling: Boeddha, Amsterdam: Balans, 2001).

111. Armstrong, op. cit., p. 19.

112. Ibid., p. 23,

113. S.G.F. Brandon (red.), The Saviour God, Manchester: Manchester University Press, 1963, p. 218.

114. Ibid., p. 86.

115. Ibid., p. 89.

116. Ibid., p. 90.

117. Armstrong, A History of God, op. cit., p. 41.

118. Ibid., p. 42.

119. Ibid.

120. R.M. Cook, The Greeks till Alexander, Londen en New York: Thames & Hudson, 1962, p. 86. Zie ook Armstrong, The History of God, op. cit., p. 45.

121. Ibid., p. 46. Zie Cook, op. cit., p. 41, voor de manier waarop Plato zijn theorieën aanpaste.

122. Armstrong, History of God, op. cit., p. 48.

123. Ibid., p. 49.

124. D. Howard Smith, Confucius, Londen: Temple Smith, 1973. John D. Fairbank, China, Cambridge, Massachusetts: The Belknap Press of Harvard University Press, 1992, PP. 50-51.

125. Fairbank, op. cit., p. 25.

126. Ibid., pp. 33-34

127. Brandon, op. cit., p. 98.

128. Armstrong, A History of God, op. cit., p. 43.

130. Fairbank, op. сіr., p. 63.

131. Ibid., p. 66. Zie ook Bouquet, op. cit., p. 180.

132. Benjamin I. Schwarz, The World of Thought in Ancient China, Cambridge, Massachusetts: The Belknap Press of Harvard University Press, 1985, p. 193. Brandon (red.), op. cit., p. 179.

D.C. Lau, Introduction to Lao Tzu, Tao te ching, Londen: Penguin, 1963, pp. xv-xix.

134. Schwarz, op. cit., p. 202. Brandon (red.), op. cit., p. 180.