Gedicht…poëzie…

Wind van eenzaamheid

Welke sluwe en vreemde wind van eenzaamheid
waait er zo wild door deze avond?
Waarom komt hij ononderbroken galopperend
en geselt hij zo woest de eenzame bladeren van het hart?

En deze stralende en lieve volle maan,
die haar goud overal verspreidt,
waarom stuurt ze geen beetje licht naar alle zielen
die alleen wandelen vannacht?

En de nacht die vreemd aan de vensters verscheen,
waarom bedekt ze die met doodse stilte
en biedt ze in plaats van zeldzame, heilige balsem,
overvolle bekers met gif aan tegen de pijn?

Ach wind van eenzaamheid, volle maan,
en jij, oeroude Nacht, dochter van de Chaos,
komt, troost de eenzame zielen,
stuur hun een beetje vergetelheid, en een beetje hoop.

Panagiota P. Lambri, Griekenland

Vertaling Germain Droogenbroodt


Het zaadje van de poëzie 


Een gedicht is een klein zaadje, 
een leven dat ademt terwijl het op licht wacht.
Waar de ogen en de geest rusten
ontkiemt het in vreugde, in liefde, in tijd en ruimte.
Waar zal het worden geplant? Waar zal het groeien?
Op het moment dat je kiest, zullen zijn wortels zich uitspreiden.
Net zoals een cactus bloeit, zelfs in de woestijn,
leeft een gedicht overal.
Het zweeft als een lichte pluim 
en drijft mee op een zacht briesje.
Zelfs in een klein zandkorreltje
schiet het stevig wortel op die plek.
Sluit je ogen en probeer te ademen,
het gefluister van de poëzie zal binnensijpelen.
In de tuin van je ziel,
zul je het schitterend zien bloeien.
De kracht zit in jou, de keuze is duidelijk,
als je het zaadje gewoon plant, zal het gedicht bloeien.

Yang Geum-hee, Korea

Vertaling Germain Droogenbroodt 
Yang Geu-hee, Korea


Met de ogen van een kind

Ik wil de wereld zien met de ogen van een kind,
amandelvormig, helder, zuiver en onschuldig:
een weiland waar mensen, bloemen en de glimlach gedijen,
waar de honger, de armoede en het kwaad afwezig zijn.

Ik wil de wereld zien met de ogen van een kind,
mij gestreeld voelen door de betovering der dromen,
met behulp van een ladder de sterren vervoegen
om met mijn arm de einders aan te kunnen raken.

Nee, ik wil de wereld niet met mijn ogen zien,
ach, zij hebben te veel gezien, ze voelen zich
ondergedompeld in tranen die nooit opdrogen 
en achter een waas het universum aanschouwen.
 
IRMA KURTI, Albanië-Italië

Vertaling Germain Droogenbroodt



Zomernacht

Onder de Archipel der sterren
lig ik op de allene heuvel,
lig ik bij de allene woning.
Ik woon alleen, ver van de mensen.
Waar denk ik aan? — dat ik moet sterven,
want alle schepselen moeten sterven,
en dat die éne ik zó liefheb
dat deze liefde niet zal sterven,
maar wordt gesteld onder de sterren.

Ida Gerhardt


Les Astres

Astres en feu peuplant la nuit les cieux lointains,
Astres muets tournant sans voir toujours glacés,
Vous arrachez hors de nos cœurs les jours d’hier,
Vous nous jetez aux lendemains sans notre aveu,
Et nous pleurons et tous nos cris vers vous sont vains.
Puisqu’il le faut, nous vous suivrons, les bras liés,
Les yeux tournés vers votre éclat pur mais amer.
A votre aspect toute douleur importe peu.
Nous nous taisons, nous chancelons sur nos chemins.
Il est là dans le cœur soudain, leur feu divin.

Simone Weil


Die Gestirne

Feurige Gestirne, nachts die fernen Himmel bevölkernd,
Stumme Gestirne, ohne Blick kreisend, ewig zu Eis erstarrt,
Ihr reißt aus unseren Herzen die Tage des Gestern,
Ihr stoßt uns ins Morgen, kein Einverständnis erwartend,
Und wir weinen, und all unsre Schreie zu euch sind umsonst.
Da es sein muß, folgen wir euch mit gebundenen Händen,
Die Augen gerichtet auf euren reinen, doch bitteren Glanz.
Bei eurem Anblick zählt aller Schmerz nur noch wenig.
Wir schweigen, wir gehen unsere Wege unsicheren Schritts.
Jäh ist es da, im Herzen, das göttliche Feuer.

(1941-1942)

Zum Schlußvers liegen folgende Varianten vor:
Jäh sind sie da, im Herzen, die göttlichen Feuer.
Ihr erhebt die Seele zu euch ohne Mühe, göttliche Gestirne.
Ihr erhebt uns zu euch ohne Mühecgöttliche Gestirne.

Vertaling Elisabeth Edl und Wolfgang Matz


La Mer

Mer docile au frein, mer soumise en silence,
Mer éparse, aux flots enchainés pour toujours,
Masse offerte au ciel, miroir d’obéissance;
Pour y tisser chaque nuit des plis nouveaux,
Les astres au loin sans effort ont puissance.

Lorsque le matin vient combler tout l’espace,
Elle accueille et rend le don de la clarté.
Un éclat léger se pose à la surface.
Elle s’étend dans l’attente et sans désir,
Sous le jour qui croît, resplendit et s’efface.

Les reflets du soir feront luire soudaine
L’aile suspendue entre le ciel et l’eau.
Les flots oscillants et fixés à la plaine,
Où chaque goutte à son tour monte et descend,
Demeurent en bas par la loi souveraine.

La balance aux bras secrets d’eau transparente
Se pèse elle-même, et l’écume, et le fer,
Juste sans témoin pour chaque barque errante.
Sur le navire un fil bleu trace un rapport,
Sans aucune erreur dans sa ligne apparente.

Mer vaste, aux mortels malheureux sois propice,
Pressés sur tes bords, perdus sur ton désert.
A qui va sombrer parle avant qu’il périsse.
Entre jusqu’à l’âme, ô notre sœur la mer;
Daigne la laver dans tes eaux de justice.

Simone Weil


Das Meer

Meer, gefügig am Zügel, Meer, unterworfen in Schweigen.
Meer, aufgelöst, mit auf ewig gefesselten Wogen,
Dem Himmel dargebotene Masse, Spiegel des Gehorsams;
Um jede Nacht neue Falten hineinzuweben,
Üben die fernen Gestirne ohne Gewalt ihre Macht.

Wenn der Morgen anbricht, den Raum zu erfüllen,
Empfängt und schenkt es die Gabe des Lichts.
Ein zarter Schein legt sich über die Weite.
Es entfaltet sich wartend und ohne Verlangen
Unter dem Tag, der aufsteigt, glänzt und erlischt.

Das Schimmern des Abends läßt plötzlich erleuchten
Den schwebenden Flügel zwischen Himmel und Wasser.
Die rollenden Wogen, der Fläche verhaftet,
Wo jeder Tropfen für sich ansteigt und sinkt,
hält das höchste Gesetz in der Tiefe.

Die Waage mit ihren verborgenen Armen aus lichtem Wasser
Wiegt sich selbst und die Gischt und das Eisen,
Gerecht, ohne Zeugen, für jedes treibende Boot.
Auf das Schiff zeichnet ein blauer Strich das Verhältnis,
ganz ohne Fehler in seiner klar aufscheinenden Linie.?

Endloses Meer, sei gnädig den unseligen Sterblichen,
An deine Küsten gedrängt, auf deiner einsamen Weite verloren.
Zu dem, der untergeht, sprich, ehe er umkommt.
Dring bis in die Seele, du unsere Schwester, das Meer;
Hilf sie zu waschen in den Wassern deiner Gerechtigkeit.

Vertaling Elisabeth Edl und Wolfgang Matz


De pruimenboom

Er staan jasmijnen in al deze tuinen.
Ik herinner me die pruimenboom die bloeide
in iedere winderige, heldere lente.
De pruimenboom die vogels onderdak bood.
Dezelfde boom onder wiens zachte schaduw
 we als kleine kinderen speelden.
De jasmijnen staan er nog steeds.
Maar de pruimenboom is er niet meer, hij is verdord
al zoveel, zoveel jaren geleden.
Maar in onze herinnering die aanwezigheden herbergt 
die afwezig zijn, leeft hij nog steeds.

 Antonio Las Heras, Argentinië

Vertaling Germain Droogenbroodt


Hoe kunnen we het roer omgooien

een ijsschots drijft stroomopwaarts de Schelde-
monding in, een grote, wortelloze, afgebroken

tand die zich afstoot tegen het slib, beukende
golfslagen vormen er eilanden van waarheid

de zon komt ongezien dichterbij, bovenop wit
glazuur ligt zwarte sneeuw, de walvis ademt

nog, hoor de noodkreet van het kalf, het klieft
de containerschepen moeiteloos in twee, hier

staan minimensjes op en neer te springen
het is moeilijk te zeggen of het van vreugde

is of uit paniek, de klip spoelt weg, beetje bij
beetje blaast de blauwgrijze rug zichzelf en

de beschaving op, voel plaatsvervangende
schaamte voor deze tere onderwaterballon

Geert Viaene (1963)

uit: Remedies tegen onverschilligheid (Uitgeverij P, 2026)


Lang geleden

Ik zweep de straten tot de regen valt
en het water opspat waar ik stap.
De wind barst en het water ligt er

gebroken bij. De rivier is brak
en ik dwaal in dromen van een ver verleden.
De diepte valt achter me dicht

en de bodem zakt onder mijn voeten weg,
bij elke stap, telkens weer. De haven
verlaten, boten in winterstalling,

desolate aanlegsteiger. De dag is wit
en de rivier stroomt beide kanten op.
Wie neemt me nu, verloren, bij de hand?

Joris Iven


Een Pools meisje staande op een stoel

voor dr. Hans Joseph Maria Globke,
13 jaar medewerker van Hitler,
14 jaar medewerker van Adenauer.

Stel U voor een meisje uit Polen:
zij is naakt en zij staat op een stoel,
daar staat zij al bijna een uur.

En die stoel staat voor de appèlplaats
en op de appèlplaats aangetreden
staan de gevangenen van Neuengamme.

Voor het front van de stinkende
voor de hel opgeschreven mannen
uit alle delen van Europa

loopt een krachtiggevoede officier
op en neer als een god
met glimmend gepoetste laarzen.

Nou stel u dus voor: één keer dat hij langs
de stoel komt mikt hij een knipoog
naar het meisje dat naakt op de stoel staat

en het ongelooflijke gebeurt:
het meisje, de polsen gebonden op de rug,
spuugt de officier in zijn gezicht!

En deze, razend, trapt de kruk
onder het kind weg en het koord spant;
zij hangt; en duizenden zien haar sterven.

En nu komt het. Deze officier is vandaag
rechter in Bielefeld, Würzburg,
Aken, Mannheim of Münster.

‘Dit is infaam!’ roept hier iemand,
‘die SS-officier was een ander! Die heeft
nu in Bremen een net restaurant.

De rechtsgeleerde die jij bedoelt
heeft alleen de wetjes gemaakt
of de vonnissen getekend!’

‘Verontschuldig dan mijn fout; maar
dan spuwde ook het meisje op de stoel
de verkeerde duitse meneer in zijn gezicht’.

J.B. Charles (1910-1983


Bezieling

Onmiskenbaar woedt de groei,
vandaar het streven naar de oorsprong.
Is de verbazing belangrijk?
De toewijding?

Nee,
bezieling heeft een masker nodig,
benadert de harde kalmte.

Armando


in jouw gedichten gebeurt niets, zei iemand eens

en ik dacht aan de talloze velden die ik beschreef
en aan de anatomie van de grassen
die in vele soorten als één lichaam tegen de wind.
Die ene weide die ik voor mezelf houd en in haar de dieren.
De staat van de wereld vind je in die weide.
Ze bouwt aan de verte en spiegelt klein te blijven voor.
En de mens schuift op.
Nooit zoals de weegbree in de breedte of zoals in de breedte
de wolken boven die weide opschuiven.
Al is het ook nietsvermoedend.
En nooit zal de mens applaudisseren en de armen reiken
op de manier zoals de aalscholver dat doet. En een wolk
gesponnen aan damp en lucht vaart voorbij. Een signaal
klinkt over de weide en de mens schuift op.
Het donkert boven de velden. Het donkert
en ik bescherm de weide.

Tijs van Bragt (1985)

uit: anatomie van de grassen (Ezo Wolf, 2026)


Afscheid van Holland

Twintig jaar vrijheid, twintig jaar verraad
aan het edelste. Ik hard u, Holland, niet
met dit gelaat, waarop geschreven staat:
ziehier die zich voor geld aan ieder biedt.

Het valt mij zwaar dat ik mijn land verlaat.
’t Ware té zwaar als ik het niet verliet:
gelijk een mens die van een mens weggaat,
niet hardend dat hij hem ontluisterd ziet.

Ik had u lief en leerde u verachten,
Holland. Ik groeide op onder uw stem:
het water dat als kind mij wakker riep

wanneer het stormde onder Woudrichem.
Nóg gaan de wolken over het Hollands Diep.
Gij zijt mijn land, gij blijft in mijn gedachten.

Ida Gerhardt


Moeder

Zo lang zij rustig leeft kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg noch geld, ze doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar, misschien, gaan wij nog bij haar eten
en lachen als ze zegt: Het is de laatste keer.

Maar één kort spoedbericht maakt ons opnieuw tot zonen,
wat ons gewichtig werd valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw en in ons werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg haar kleine huis betreên.

Ze heeft op ons gewacht. Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was, het arm gezicht
waarin veel eenzaamheid berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst in reeds vervreemdend licht.

Dat wij voorgoed alleen zijn thans, dat alle bronnen
vervloeien in de tijd, bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid, dit wordt ons taaist verdriet.   

Karel Jonckheere


Een tijdperk

Strenge stemmen verlaten de aarde,
bezingen de razernij der dingen
en het geween van bloeiende bloemen:
de oogst van een roekeloos tijdperk.

Was het een offer op verlaten altaren?
Het bleek een halsstarrig ademen.

Armando


Tristis imago

Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?
Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht?
Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden,
dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?

Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde?
Ik wíl niet wakker worden, als gij naast mij staat.
Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden
het schrikkelijk verwijt op uw geblust gelaat.

Ida Gerhardt


Gedicht voor het mensdom

Men wordt geboren en krijgt daardoor een naam
Men doet wat in het leven: spelen eerst met liefde
en bespelen later tot men oud wordt, schuw en eenzaam.

Dan met dikke longen vol stenen, men stikt op de peluw
of ergens in een werelddeel ver van de moedertaal
Men verdwijnt achter de kiezen van de kannibalen.

Vrienden, mag ik het vertellen? Luistert,
wij zullen niet meer sneuvelen als helden.
Wij zullen doodgaan bij gebrek aan vrijheid.

Want zie, hoe vette spinnen slapen in het hart
van rechters en profeten. Zij zuigen bloed en
beroven ons van onze goede vingers en vleugels.

Er komt een tijd dat er geen tijd meer komt.
Vrienden, mocht ik het vertellen? Wordt niet boos,
want wie gedichten schrijft is stapelgek.
De dichters leven onder water van de liefde.
Ze gokken op de zuurstof van de eeuwigheid.

Paul Snoek (1933-1981)

uit: Welkom in mijn onderwereld (1978)


Geen woorden

Ik kon geen woorden vinden voor de wereld.
Starend naar het mes van de maan, mijn handen bleek
en onherkenbaar in het licht, begon ik zacht te zingen:
er zijn landerijen die ik nog niet heb bezocht,
door water aangevreten valleien waar zonlicht
druppelt of in robuuste winters uitblijft, er zijn
woestijnen die eens in een mensenleven tot bloei komen,
ideeën die zich blijven voortzetten, als je maar zoekt
onder elke steen op het pad, achter elke blik
die aan je struikelt. Zo rust ik, suizen we samen
soezend door het heelal, alle vreemds is ons deel
en de woorden willen niet mee.

Daniël Franck


Naar achteren

Op de heenweg,
verscholen achter heggen,
hijgend,
maar geen stap naar voren.

Gewend aan hard gedrag,
hardnekkig land bemachtigen.

En weer een stap naar achteren.

Armando (1929-2018)

uit: Stemmen (Atlas Contact, 2013)


Zomerscher overhoofds verbruiloften kruinen.

’t Gebaardhaard aartsvader-seringenhout dringt
met bronshartig blad in het blonde geblaarte
der esch waar de eschdoorn door wast
bekropen door hedera en hooge kornoelje
gepaard aan liguster en vlier.

Zoo rondt zich het rijgsel:
de blanke bevende berken gegrepen
door allesvervlechtende bruidssluierranken
om goudenregen, hangend, omvangend
het vedereschloover, de milde kastanje,
den wilden wingerd en woekerende rozen,
met bloemige trossen.

De peer is gedoornd, het vlienderscherm siert
de kroon der robinia vol rozenkransen.

De patriarchale ter aarde gekromde seringenboom reikt
eindelijk de armen ter essche
geschaard aan den eschdoorn, met vlier en liguster
en blaren der berken in bruidssluiertressen,
kastanjebloeisel en vedereschvlerken
door rozen omstrengeld
door rozen omstrengeld robinia en vlier.

Christine D’haen (1923-2009)

uit: Onyx (1983)


Nulpunt

Ik lig in mijn taal als in een naakt lichaam.
Alle scherven van de wereld horen mij toe,
straaljagers verrassen mij dagelijks en ik feest
omdat het zo werd voorgezegd voor tijden
van overdaad en overmoed, de veelheden
die ik niet kreeg verwerkt. Krachteloos
lig ik in mijn rudimentaire ritmiek, een hand
die zich plots terugtrekt, vingers die
naar het ijle verwijzen. Dit is niet zomaar
mijn hoofd, maar de bewustmaking van
een hopeloze positie. Dit is niet mijn taal.

Daniël Franck


Mocht dat wat om me heen leeft kneedbaar zijn dan liet ik
mijn handen dag en nacht vochtig boven een emmertje druipen

Boetseerde ik met gipsverband in slaapkoorts wegen in
onnavolgbare vormen waar we over glijden, in plaats van–
Zouden mensen uit kleurrijke vormen bestaan
Sommige uit meerdere

Niemand dezelfde grootte of kleur net als mensen
Maar dan anders

Geen borrels met glazen vol lucht
Zou ik iedere bij, elke ventilatorrand, iedere wenkbrauw
aandachtig omvormen, inkleuren zonder een of meerdere
zwart- of grijstinten te gebruiken

Weilanden blijven, op hun kleuren na
Wist je dat groen voor veel schilders een ingewikkelde kleur is?
Dan toch liever lavendelpaars, felroze, romig oranje
De slootjes uiteraard lichtgeel

Mocht ik enigszins zeggenschap hebben, dan stopte ik met
schrijven, met het blijven wekken van grote behaarde spinnen
die alleen in de nachten via het plafond mijn hoofd in kruipen

Sytske Frederika van Koeveringe (1988)

uit: Bewegingsmogelijkheden (Atlas Contact, 2026)


De Christusdoorn

In mijn toren van vergaan ivoor
Staat een oude Christusdoorn; hij bouwt
Met zijn stekels bars een wenteltrap
Naar de hemel; daaglijks, voet voor voet,
Volg ik hem, soms met het blote oog
Bijna rakend aan zijn pantsertuig:
Zwaarden worden dan zijn stekeldoornen,
Zwaardviszwaarden, lemmeten van wilden,
Messen van nomaden, Moorse dolken;
Maar naarmate, hoger in de hemel,
Klimmend, kleiner wordend, klauterende
Ik hem volg, verschraalt geheel, verschrompelt
’t Wapenarsenaal en ‘k zie de bloem
Als een spijker in de top geslagen,
Als een rode spijker die hij kleurt
Met zijn bloed: o raadsel der genade.

Bertus Aafjes


Uit de maat

De rozen bloeien dit jaar voor de vierde keer,
elke kelk geurt weer naar de lente. Een duif draagt
takjes aan voor een nieuw nest, een spitsmuis

zoekt overwoekerde paden. Ganzen steken niet meer
over naar een ander continent, in het gezoem van bijen
schalt de zomer. Zal de winter straks vallen

of kantelt de zon richting een langgerekt seizoen
tussen neergang en ontluiken? Het zou morgen
kunnen sneeuwen, nieuw leven bevroren in een nacht,

of de hitte zou ons naar adem kunnen doen happen, tot niets meer overblijft
behalve het geel van ontreddering. Misschien

ligt het antwoord wel op de vleugels van de vlinder die opstijgt
uit het struikelende ritme van de kelk van de roos in de tuin:

een tekening van de zomer, gebarsten in winterse schutkleuren.

Pim Cornelussen


West-Vlaanderen

Dun lied donkere draad
land als een laken
dat zinkt.

Lenteland van hoeven en melk
en kinderen van wilgehout.

Koorts en zomerland wanneer de zon
haar jongen in het koren maakt.

Blonde omheining
met de doofstomme boeren bij de dode haarden
die bidden ‘Dat God ons vergeve voor
wat hij ons heeft aangedaan’.

Met de vissers die op hun boten branden
met de gevlekte dieren de schuimbekkende vrouwen
die zinken.

Land, gij breekt mij aan. Mijn ogen zijn scherven.
Ik in Ithaka met gaten in mijn vel,
ik leen uw lucht in mijn woorden.
Uw struiken uw linden schuilen in mijn taal.

Mijn letters zijn: West-Vlaanderen duin en polder.

Ik verdrink in u,
land. gij wordt een gong in mijn schedel en soms
later in de havens
een kinkhoorn: mei en kever. duistere lichte
aarde.

Hugo Claus (1929-2008)

uit: Tancredo infrasonic (1952)


We liepen achter de waarheid aan en bleven lopen.
We draaiden cirkels met onze fietsen
en kwamen er niet uit. We keken hem aan,

vragend.

Nog doet de idioot niet mee. Hij volgt
de aannames niet die wij accepteren.
Het gezag doet de stemmen verstommen.

De idioot blijft vragen: wat als het waar is?
Wat als zij het toch waren? Men blijft bezig.

We blijven om elkaar heen bewegen.
De idioot klopt op onze rug. Niet stikken.
die je tekent, maar er zal altijd ruimte overblijven.

Paul Demets (1966)

uit: De lotdagen (Vleugels, 2025)


De steenlossers

Ze vormden keten in het dok
van schip naar land
en wierpen elken steenklomp voort
van hand tot hand.

’t Etherisch morgenlicht speelde om hun
blauwen kiel,
leefde ook dezelfde klaarte en blijheid
in hun ziel?

Hun lijven wiegden immer, rhythmisch,
heen en terug
ze werkten moedig, onverpoosd, niet
traag, niet vlug.

Er wachtte hun geen roem of eer,
hun loon was poover …

Pak aan, o mensch! En werp uw broer
den bouwsteen over.

Herman De Cat (1914-1992)

uit: Echo’s (1933)


Niets is voorstelbaar

Het eiland in de verte is bewoond, zegt men
bij zonsondergang zitten er mensen te wachten,
neem je de boot, nadert de kade vol stoeltjes.
Aan het eind van het pad is een dorp, zegt men
het ligt wit tegen een heuvel, heeft een plein
loop je drie uur hoor je geluiden van stemmen.
Een vrouw roept haar man, iemand zingt, onderweg
zagen cicades, brullen kikkers in een bron.
Een man zweet onder zijn hoed, hij hijgt
als hij klimt, snakt naar zee voor een duik
in het peilloze blauw. Dat alles is nu, zegt men.

Woorden, waar is die wereld, hier is het nu.
Adem ruist door de kamer, zoekt leven en
hangt aan de lakens, een hand tast naar warmte.
Misschien droomt iemand een stenig pad, ezels
beladen met hooi, schitterend zonlicht
op diepblauw water, misschien bestaat dat,
een man zwemt, een golf spoelt naar zee terug.

Niets is voorstelbaar, het daar niet, het straks
niet en zeker het nu niet omdat het voorbij is.
Een leeg huis in de zomer. Je moet het geloven
het staat op die schim daar, dat is het eiland.
Geef al je woorden, je kunt er niet heen.

Marjoleine de Vos


’t Was een woud zonder wegen of sporen,
Waar een bedelmeisje in verdwaalde.
Ze schreide, en de duisternis daalde,
Ze meende een voetstap te horen.
Een duizling van angst beving haar;
Nu school ze achter tak en doren;
Hier werd het bos ondoordringbaar.
Ook dit geluid ging verloren,
Geen vogels der nacht zelfs roerden;
Een klamme mist kwam gestegen.
Ze hoorde een stem die haar noodde
Tot rusten in stilte en vrede.
Weer hoorde ze een trage schrede;
Toen wist ze: dit was de bode
Van ’t oud Geheim, steeds verzwegen,
Waarheen alle wegen voerden.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: Toovertuin (1946)


Avond, zo moet het zijn

Dat er een hond blaft in de verte, op
een verre boerderij

De grond is rul, de zon
gezakt achter de heuvels
en in de stilte die nu valt
het zachte antwoordgrommen van
jouw hond

Dof wordt het licht, maar steeds
intenser in zijn krimpen
een laatste glimp blijft hangen
in de nabije, leeggeschudde halmen
zo sierlijk gepunt

En alle adem van de wind
wordt ingehouden om de blauwe
verten aan te blazen, glazen
heuvels in een steeds ander
doorschijnend, donkerder wordend
melk van blauw

Elly de Waard


Hooien

Zeis kapte de wortel, achterwaarts de tijd in gerold
de oppers, ronde hutten vierkant verankerd onder doek,
als mutsdragende, gezichtloze vrouwen.
Doddegras en dravik gemaaid op het laatst,
voor rijkere oogst, geruiterd, in zonlicht gespreid, gekeerd.
En hier, op bevroren grond, grote balen hooi
losgehakt, luzerne, haver verweven met klaver, gestoken
uit het ingekuild voer voor de paarden.
Al die jaren keken we hoe ze graasden.
Hartbrekend nu, zo’n symmetrie
als ons aardse huis bewaarde, –
dat jij of ik ooit de windwal zou overgaan
van een veld rijp voor het hooien, een van ons zoekgeraakt,
reikend uitkijkend tot ten slotte op het leeggeharkte veld
niets was te zien dan de korrels, cirkelende kraaien,
stoppels en stenen, zo’n schrille mist de menigte schimmen
die sleepten met manden van rijshout –
snoerden, tot hun vingers bloedden – het hoofd gebogen
naar de lege hulzen, als doornen gevoeld onder de voet.
Ik wil de dood passen om je te vinden, een lang hemd gemaakt van grassen
in de oogsttijd, vroeg, de losse halmen drogend in de schelf,
of gebreid van bergen rolklaver, hoe groener gesneden hoe lichter geperst,
opgetast in de windbesnaarde zolders van winterschuren,
of hier verstrooid in bijna-voorjaar,
het laatste ervan, mijn handschoen geklemd om wat buiten de heining valt,
onder latten door geschopt om de fokmerries te voeden.
Ik heb gelegen dwars over het kropaargras op je graf,
de diepte ruikend die jou bewaart, proevend sneeuw,
iets uit mij was weggegaan, verboden, verder weg dan vogelzang
of blikveld, mantel, alledaags, die de levenden dragen,
akkerviooltjes heb ik er geschampt, vuurgroen mos gestreeld
dat heel de winter gloeit, zich vastklampt aan de steen,
en daar geslapen boven op je, zoals we vroeger zeiden,
stervensleugen, waar je ook heengaat, ik ga met je mee.
Ik heb je ijskorst opgelikt, je dooi,
seizoen van wilde bloemen, seizoen van bladval,
zo nabij als ik je komen kan hier op een bed van stro.

Deborah Digges

Vertaling Anne Brassinga


Bezem

Meer dan mijn zestien gehuurde huizen en hun zowat tachtig kamers,
gesteund door funderingen van steen of schuimbeton,
meestal op het noorden, met onbruikbare kelders,
smeedijzeren hekken aan het trottoir,
aftandse zwarte brievenbussen –
adelaars door de borst gespietst, aan het gebouw vast –
of staand als vuurtorens
een eindje van het bordes, duizend mijl landinwaarts

of zo dicht aan zee dat de zeemeeuwen
’s ochtends de sportvelden bezetten waar ik langskwam
in dit of een ander werelddeel
als ik mijn zoons naar hun school of trein bracht –

meer dan de keukendeurposten waarin gekerfd staat hoe
ze groeiden, eerst de een dan de ander op hun verjaardag
met de rug tegen een muur, bijna op de tenen –

en meer dan de liniaal
die ik over hun schedeldak hield
waar het haar van de oudste, bruin als het mijne,
of dat van de jongste, blond als zijn vader, een welig dek
had gelegd over wat ooit het plekje hoofdhuid was
waar ik voelde, als ze sliepen, of hun hart nog klopte –

meer dan de hoogte waar, hier in dit huis,
de merktekens stopten als een trap naar de begane grand,
en zij de wereld in liepen,
getergd, ongetwijfeld, door de geest van de man, hun vader,
en de mannen die probeerden hun vader te zijn,
te vaderen over hun verwildering –

en meer zelfs dan de hoge schuiframen
en de zijwaarts opengaande ramen
waardoorheen ik naar hen uitkeek, de ogen soms toegeknepen,
en soms turend door mijn handen, tegen het koude glas gerond,
of ik in het donker mijn mannen aan zag komen,
terwijl mijn adem me het zicht benam,
de eerstgeborene, zeker de man met wie ik zou zijn getrouwd,
de ander ikzelf, in zijn mannenlichaam –

meer dan de opengelaten deuren en de krakende treden,
de opengeslagen boeken, als spiegels op de vloer,
en de gootsteen waar we ons gezicht wasten
en de bedden waarboven onze drievuldige dromen botsten,

heb ik de bezem liefgehad, die ik ter hand nam
als ik de drempel overging en weer begon;
waar ik de twijgen van versleet,
waar ik de stok van kon gebruiken om een boom te rechten, of hem brak
over de knie, om er het eerste wintervuur mee te stoken,
of het vuur op te porren,

de bezem, met een steel van vurenhout of bitternoot,
met een rokje van berkenrijs en heide,
dat zich opoffert als nestmateriaal,
de boog volgt van de evenaar
in de hoek, als onze blik zover zou reiken,
of een scheiding opzij heeft, zoals mijn haar.

Ooit heb ik me afgevraagd: wanneer was ik gelukkig?
Ik stand te kijken naar een februarilucht.
Wanneer omhelsde me het licht, verzette ik me niet?
Er kwam toen een beeld
van mijzelf in een deuropening, bezem in de hand,
zeezand naar buiten vegend, zout, roet,
stuifmeel en dennennaalden, restant van decemberblad,
en metselwespen, nachtvlinders, vliegen tot wafels geplet,
en van de lente de eerste zaadhulzen,
en dan de laatste pluimen als dons, en rode kiemblaadjes
als herfstlover – zoveel blaadjes –

de aarde naar buiten vegend die de jongens inliepen
na het begraven van weer een dier in de nieuwe achtertuin –

de bezem die de spinnenwebben heel liet,
voorzichtig eromheen ging,
en voorzichtig als ik met de bezem danste,
opdat niemand het zou zien,
en als ik op de vloer inhakte
met de bezem als een bijl, de steel door glas heen ramde
alsof het huis in brand stand en ik van board moest,
huilend om de ontrouw van een man of om mijn eigen ontrouw –

en zo werd de bezem een roeiriem
die wateren kliefde, kiel en mast, of een werveling,
rond en rond op het achtergazon,
een soort kompas terwijl in het waas van de tegenbeweging
de bossen bezems werden, bijeengekomen
als toeschouwers, of voorouders.

Ik dacht dat ik hier oud kon warden,
veilig te midden van de geesten, elk verwelkomd,
ja, voorgoed terugverwelkomd, in dit huis, deze kamers

waar ik op handen en knieën zonk en met mijn haren heb geveegd
over de brede gebruinde ruggen van mijn twee zoons,
en mijn haren over jou heen heb geveegd, zwaaiend mijn hoofd,
verloren in de beweging,
verloren deinend op en neer over de voile lengte van je lichaam,
mijn haren verstrengeld in jouw haren,
onze haren samengeklit van zweet en vocht en zaad,
verloren deinend, ruikend jou,
ruikend jouw gonzen,
verdwenen in de beweging, heen en weer, vegend.

Deborah Digges

Vertaling Anne Brassinga


Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.