Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –
want, o mateloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterre waaie’ in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder de wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in de wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –
En laten wij omdat wij eenzaam zijn,
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same’in ’t oude zwaaien zwijgen
binnen één laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
“Hoort gij de zee achter mijn hart?
Dan zal ik heen zijn
en gij zult met de zee alleen zijn.
De golven breken in uw hart”.
Adriaan Roland Holst

WEDERGEBOORTE
Toen, in een mist aan een oever,
dit lichaam leeg lag, brak
den grond der ziel een vuur uit
dat de wereld in vlammen stak.
Afgronden braken open,
hemelen sloten dicht;
van grond tot wolken sloeg er
een roode orkaan van licht.
Ik vluchtte, mijn handen geslagen
tegen mijn aangezicht…
Ik weet niet hoe ik weervond
een weg, die verloren was;
ik kwam aan een glinsterend water
en bloemen en zacht gras;
daar speelde God met een kind, dat
nog niet geboren was.
Ik dacht een tijding te staamlen:
‘De wereld is vergaan’…
God sprak: ‘Wat mijn stem niet doen kon
dat heeft mijn vuur gedaan:
gij kwaamt. Ga naar het water;
uw hoofd is nog zwart van roet,
en wasch er van uw handen
die vegen asch en bloed.’
Toen vroeg het kind: ‘wat is dat:
de wereld?’ en God zei:
blij na bedroefd herdenken:
‘De wereld is voorbij.’
En toen tot zichzelven: ‘nu blijven
zij beiden weer bij mij.’
Ik wiesch mij in ’t glinstrende water;
God speelde met het wicht…
ik legde mij in de bloemen;
mijn oogen vielen dicht.
Toen ik ontwaakte lag ik
in licht en bloemen alleen;
vreemd en verzaligd zag ik
over een water heen.
A. Roland-Holst
EINDE
De zon scheen als weleer. Zijn dagen
waren geteld, de zon bescheen
zijn handen die gevouwen waren
in zijn schoot en de zon bescheen
het vergezicht dat stil en open
lag tot in alle verten heen.
Hij keek tot hij met open ogen
en voorgoed in zichzelf verdween.
A. Roland Holst
Aan de Kust
De Verborgene spreekt:
Hier is geen bloem meer dan uw bloed,
noch vogelen dan uwer droomen meeuwen;
de leege voortijd aller eeuwen
breekt hier in eb en vloed.
Nog niet voor goed heb ik u hier gebracht,
doch om u mijn gelofte te doen weten:
voortaan kunt gij in lief noch leed vergeten
waar ik u wacht.
Want ik gaf aan uw bloed
het ebben van der wereld scheemrende eeuwen,
maar in uw hart de kreet der meeuwen
boven de laatste vloed.
Wedergeboorte
Toen, in een mist aan een oever,
dit lichaam leeg lag, brak
den grond der ziel een vuur uit
dat de wereld in vlammen stak.
Afgronden braken open,
hemelen sloten dicht;
van grond tot wolken sloeg er
een roode orkaan van licht.
Ik vluchtte, mijn handen geslagen
tegen mijn aangezicht…
Ik weet niet hoe ik weervond
een weg, die verloren was;
ik kwam aan een glinsterend water
en bloemen en zacht gras;
daar speelde God met een kind, dat
nog niet geboren was.
Ik dacht een tijding te staamlen:
‘De wereld is vergaan’…
God sprak: ‘Wat mijn stem niet doen kon
dat heeft mijn vuur gedaan:
gij kwaamt. Ga naar het water;
uw hoofd is nog zwart van roet,
en wasch er van uw handen
die vegen asch en bloed.’
Toen vroeg het kind: ‘wat is dat:
de wereld?’ en God zei
blij na bedroef herdenken:
‘De wereld is voorbij.’
En toen tot zichzelven: ‘nu blijven
zij beiden weer bij mij.’
Ik wiesch mij in ’t glinstrende water;
God speelde met het wicht…
ik legde mij in de bloemen;
mijn oogen vielen dicht.
Toen ik ontwaakte lag ik
in licht en bloemen alleen;
vreemd en verzaligd zag ik
over een water heen.
Een Winteravondval
Gouden stille kusten en de zee nog blauw,
en de blijde vele golven, die er spelen,
en die witte vlucht van vooglen – o, de vele
meeuwen zwevend door de zuiverende kou,
zwermend als een bui, als een gevleugeld sneeuwen,
en hun kreten af en aan over mijn hoofd;
heb ik ooit wel in een ander lied geloofd
hier op aard dan de verloren kreet der meeuwen?
En zij zwenken en verdwijnen, en het is
nu weer stiller, en het gouden uur wordt later,
en ik loop verloren verder langs het water
van der eeuwen eenzame geheimenis.
En de kust wordt grijzer, en de schemeringen
komen nu, en ook de groote zee wordt grijs,
en de golven zingen – o, de vreemde wijs
van die andre wereld, die de golven zingen –
En zij zingen nader en mijn hart bevangt
een onmetelijk vervreemden uit dit leven,
en ik loop als in een bijna overzweven
naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.
Spiegelende ligt het uit de zee verschenen
ver en in het westen en den dood voorbij –
die daar leven zingen, en zij roepen mij,
maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.
Eeuwig eiland – o, der zaligen domein,
waarheen onder zeilen hunner laatste droomen
slechts de stervende vervoerden overkomen –
waar de menschen eenzamer en schooner zijn.
En ik weet niet, is het heimwee of verlangen,
een herinnering of al een voorgevoel?
Houdt het leven met een ongeweten doel
mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen?
O, waarom dan die herinnering, waarom
geen geheel onterven en een niet meer weten?
Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten
waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om,
om, zonder een dak, zonder een doel, geboren
aan de droeve zijde van den vreemden dood,
en ik werp mij uit der menschen oude nood
altijd weer in mijnen droom terugverloren…
Toen… een antwoord toch?… neen, een voorbijgaand mensch
en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen;
‘k zag hem na tot hij in donker was verdwenen,
toch misschien zijn broeder aan der wereld grens?
’t Was een visscher uit het oude dorp, daarginter
waar de duinen lager worden, en hij ging
bukkend onder wrakhout door de schemering,
denkend aan de lange nooden van den winter.
En ik ga hem na, maar langzamer dan hij,
bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden –
o, verzuimde smart – o, wroeging, waar de tijden
nu geen redding meer uit geven, en de zee
zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen
op dit klein bestek van weedom en berouw,
en de winteravond valt, en door de kou
wankel ik – en toch, ik voel, er is genezen
in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer
hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen,
mij – waarom dan ook – het zingende vermogen
schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer
tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken,
minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin
in de lage herberg waar de visschers zijn
wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.
Sneeuwliedje
De sneeuw daalt dwarrelend en zacht
door de avond neer in de oude straat,
en ’t is of tijd als een dwaze klacht
verstilt, en mij in mijm’ring laat.
’t Is of een wonder komen kan
gewoon, als in een mijmering;
als ’t naadren van een oude man
met een lachend kind door de schemering…
of om de hoek van de avondstraat
waar de muurlantaarn door ’t sneeuwen licht,
jij komen zal of te wachten staat,
een kalme lach op je gezicht.
Door de avond die sneeuw, die droomenval…
o, ‘k dwaal nu door een wonderrijk –
wellicht dat je niet komen zal,
maar juist dat is zoo wonderlijk.
Ik weet wel dat je niet wachten zal
waar de muurlantaarn in ’t sneeuwen brandt,
en toch, in der vlokken zachte val
zal ik je zoeken, even, want
’t lijkt zoo of een wonder komen kan
gewoon, als in een mijmering,
gewoon, als een oude loome man
met een lachend kind door de schemering.
Voor Later
‘k Geef nu aan jou mijn vreugd, mijn leed en
mijn schemergouden droomenschat,
opdat je later nog zal weten
hoe ik je eens heb liefgehad.
Later, als al dit schoon voorbij is,
want tijd neemt liefde, vreugde, smart –
als elk van ons weer droef en blij is
dicht aan een nieuwgevonden hart,
dan zal ineens alles vervagen
bij ’t zien van dit vergeten blad;
je zal weer droomen van de dagen
toen we in elkanders oogen zagen,
toen ik je zoo heb liefgehad.
Schemering
Starend verlangen
in schemering
dooft nu mijn heden
tot mijmering
aan wat verging.
En al mijn denken
dolende zweeft
heen naar de schemer
waar droomen weeft
slaap om wat leeft.
En wakende uren
dwalen tot aan
de zoom van droomen…
ik zie haar gaan,
maar wijkend gaan.
[Wees altijd zacht voor hen die eenzaam staan]
Wees altijd zacht voor hen die eenzaam staan
omdat zij grooter zijn dan die hen tarten.
O, laat de dorst dier onbegrepen harten
niet zonder laving langs uw leven gaan.
En zien zij al uw vreugden donker aan,
en breekt hun zwijgen soms een woord dat hard en
wreed klinkt – bedenk dan hun gespannen smarten,
zij zelven weten van hun trots de waan.
Diep woelt in hen ’t onzegbare verlangen
naar zachtheid, warm omhelzen en de lange
streelingen van een vrouw die spraakloos mint…
en zij die de eenzame dit heeft gegeven
verbrandt zijn duister in haar warme leven,
en in zijn vreugde voelt zij zich weer kind.
https://www.dbnl.org/tekst/rola001verz06_01/index.php

Een Lied van den Dood
De wijde zee en de gouden wind
hebben den tijd verloren.
Ik weet van een eenzelvig kind,
dat der zaligen zingen kon hooren.
Vanachter den wind, door den leegen tijd
zong het tot in zijn herte –
een ijle, verloren blijmoedigheid,
een vreemde, vlijmende smerte –
zij zongen zijn oogen leeg en wijd,
de zaligen van de verte.
Zij zongen in ’t vuur: een eenzaam geluid
ving aan om de muren te loopen;
zij zongen aan ’t venster, zij zongen luid
zijn deur op den donker open;
een regen de wolk van zijn leven uit
zongen zij al zijn hopen.
Hem bleef geen ding meer: de groote maan
scheen in zijn leege oogen.
In blauw, koud licht is hij uitgegaan
door een duistre verrukking bewogen –
Zij zongen hem uit de wereld vandaan,
zij zongen zonder meedoogen.
Luider en luider zongen zij,
ijle, duizele vlagen –
zij zongen, zij jubelden zoo nabij,
dat het was of hun oogen hem zagen –
luider en luider jubelden zij
dat lied van den dood in zijn dagen.
Tusschen aarde en maan, vervreemd, verblind,
-een wolk op een storm van droomen –
door sombre vreugden vervoerd, ontzind,
is hij luidzingend gekomen:
de machtige zee, de donkere wind
hebben hem genomen…
Twee Dooden
De stormwind bracht in het westergloren
den dag ten onder en brandend om;
zij, in de woeste duinen verloren,
zongen een lied van Elysium.
Waar is het lied en de weg, dien zij traden?
De wind deed hun stem en hun spoor vergaan;
zij hebben elkanders droom verraden,
zij lieten elkander de wrok van een waan;
de leege duinen zijn zonder paden:
zij kwamen nooit bij de golven aan.
Hoevele jaren bloeiden en dorden
over dit eenzaam kustgebied?
Zij zijn een oud verhaal geworden
van mij aan mijzelven en anders niet:
een val van den wind in de bladerenhorden,
en langs de golven een somber lied.
Ik kwam alleen aan het strand en de golven –
het westergloren is voorbij;
de nacht waait duister, ik ga en luister
naar het eenzame tij,
en denk aan een graf in mijn hart gedolven
en aan twee dooden, zij aan zij.
Twee Menschen
‘Omdat de golven moeten breken
-de schoonen, de hoogen –
o, laat mij nu geen waan gedogen,
en, aan mijn hart uw hoofd, de waarheid spreken…
Maar sluit uw oogen…
Hoort gij de zee achter mijn hart?
Eens zal ik heen zijn,
en zal alleen de wind nog zijn gebleven;
en gij zult voor de zee alleen zijn,
misschien te moe om nog te streven…
O, het is hard,
maar omdat alle schoone golven moeten breken
wil ik dit spreken
tot aan het laatste woord.
Wat is de liefde dan één roep gehoord
in deze ontzetbre stilte van verlangen?
dan één gelaat gezien, gelijkelijk bevangen
van vrees in deze leegten van het licht?
En dan de zegen van den droom, die zwicht
naar het nabije en het tezamen dooven
van de begeerten, en het goed gelooven
dat alles hierheen leidde…
O, laatste schuilhoek die de tijd bereidde –
O, hoop, dat hier de stem ons niet zou vinden
die van den aanvang riep –
O, hoop, o, blinde –
want eenmaal komt de groote wind weer vrij,
en eenmaal gaat verlangen de beminde
voorbij –
Hoort gij de zee achter mijn hart?
Dan zal ik heen zijn,
en gij zult met de zee alleen zijn;
de golven zullen breken in uw hart.
En aan uw lippen zal de pijn,
en aan uw oogen zal de blindheid zijn
van het bittere schuim.’
Toen sprak zij, die haar oogen niet ontsloot:
‘Ik weet het àl; maar zwijg nu stil.
Wat kan mij deren, die de liefde wil
tot in den dood…’
Minne en Dood
Er is in alle minne groot
het donker zingen van den dood
en elk die voor een mensch of voor
een droom zijn lichter lust verloor,
omdat hij maar één ding belijdt,
weet dat dit waar is ten allen tijd.
Want die de minne krijgt, hij vindt
zijn dak op aard, maar voor wie mint
werd niet gebouwd, en zoo hij al
met vreugd een woon betrekken zal
en zingen in de deur, en rozen
strooien rondom, en roode rozen
doen om zijn hoofd, of – zoo hij is
van stiller hart en ongewis
in vreugd en peinzend van nature –
de wijn zal drinken van zijn uren
aandachtig, en de rozen nemen
in strakker handen, omdat hij
achter hun vuren geur en gloed
de sombre treurnis al vermoedt
van zware, bronzen chrusanthemen…
’t is al gelijk en eenderlei –
eens heeft dit uit en wordt het tij
duister en koud, en om zijn oord
komen de dooden, en hij hoort
den wind achter het vuur, en ziet
buiten zijn raam dat oud verdriet
van regen door de schemering –
en allen die het zoo verging
in moede donkere eeuwigheid
worden zijn broeders, en de tijd
valt weg en om zijn muren komen
zij, en zij zingen duistre droomen
over zijn bloed, allen tezaam
zingen zij uit zijn hart een naam
teloor, en een gelooven gaat
ten onder, en de hoop verlaat
zijn hart, en hij wordt een van dezen,
een schim, een windverloren wezen
tusschen twee werelden, vergaan
voorbij de woningen, vandaan
van wegen, wijkende verdwenen
in ledige eeuwen, een meeuw, alleene
teloor, verstervende kreet van wee
vanuit den regen, van boven de zee…
O, dat dit zoo moet zijn, en toch
overal weer dat zoet bedrog
van licht en bloemen, en bijwijlen
het komen en verheugend verwijlen
bij een, die zingend werkt en lacht
of hij in licht vertrouwen wacht
de wereld van het open leven:
zijn raam staat wijd naar buiten, even
legt hij zijn arbeid neer en kijkt
uit in het koele licht: het lijkt
of in den stillen uchtenddag
ergens gezongen wordt; een lach
komt in zijn oogen en die schijn
of hier het rijk zou kunnen zijn
voorbij den tijd en zonder duur
of doel en tusschen droom en vuur
een lichte waak en een ijl spel
van liefde bij de schemerwel
der wijsheid, en een varen later
jubelend tusschen maan en water
voorbij de kusten van den tijd
in doellooze blij moedigheid
onder de zeilen – o, het leven
waarin de wezens overzweven
naar aanverwanten in een huiver-
zalige duizeling en zuiver
als melodiën elk in de ander,
en waarin ziel en bloed elkander
vinden als wind en zee in hooge
geboorten en de schoon bewogen
golven, en geen kan overleven
de schoonheid, en het aangeheven
lied is het zegevierend teeken
van de vervulling, en het breken
der vreugde, die zichzelf niet wist
te vieren, in een sneeuwen mist
van schuim dat in het licht vergaat,
een laatste fonkelende daad
van wateren, een overgeven
grootelijk- o, te kunnen leven
als golven- o, te kunnen sterven
als golven-
maar hier is het sterven
traag èn verlaat, en schuw met schaamte,
sluipt hier de ziel uit het geraamte
van deze woning, waar haar staat
onthemeld werd en met de smaad
en listen van het bloed besmet,
en onderworpen aan de wet
der schuwe lusten, want hier is
tweespalt en het alom gemis
der vrije schoonheid, en hier wordt
de droom verraden en gestort
in kuilen, en de liefde zwijgt;
hier is de twijfel en hier dreigt
tegen het argeloos gezicht
der ziel alom in wind en licht
een ijl gevaar, een vreemd verraad,
dat met de vreugde binnengaat
in lachende oogen en de mond
die zingt, en waar zij eenmaal stond,
de blanke, de droomende, de beminde,
onder de bloesemende linde
blij en verbeidend, daar is nu
alles voorbij, en stil en schuw
vallen de blaren, en er is
een ritselende treurenis
onder het lage doodendak
der lucht en op een naakten tak
zit oud en zwart een raaf, en krast
spottend de vraag der minne en krast
het antwoord spottend: nimmer, nergens –
Dan is het stil, alleen is ergens
een klacht die ritselt: wee, wie mint
binnen de blaren, binnen den wind –
hij zal vergaan als een blad op den wind,
kleumende, zwervende, onbemind…
Te loor, voorbij…
Wat is die stem, dat duister tij,
dat hem die mint drijft en doet gaan
voorbij de wegen en vandaan
van de verblijven waar de beminden
bloeien en welken, en de winden
tegen der eenzaamheid – wat is
de donkere geheimenis
die de aarde dwingt tot achterlaten
der bloemen en der hooge staten
van wouden en den avondgloed
van stille meren, en haar doet
zwichten in leege eentonigheden
van heuvelen naar onbetreden
kusten en stranden en een mist
van schuim en regen – o, wat is ‘t
dat uit den jubelenden toover,
den zomerdroom van licht en loover
ruischende woningen en de vele
levende bloeiende prieelen
der vogelen, er een doet zwerven
voorbij het zingen en het sterven
voorbij der bloemen, een meeuw, een alleene,
een witte vogel, een ziel, verdwenen
over de heuvelen, verloren
en zonder lied, en alleen te hooren
voorbij het einde uit mist en kilte
een kreet…
O, branding, waar de stilte
tegen de kusten van dit rijk
in breekt – o, ondoorgrondelijk
gezang van wateren, waarmee
’t geheim, dat allen hier omsluit,
wordt ingeluid –
Het is de groote dood, de zee, de zee…

De geheime zee
De storm verging, en liet mij achter
een doodvermoeide, een hurkend wachter,
die in de zwarte stilte belijdt
eigen uitgeworpenheid.
De storm dier eeuwen was vergaan:
de zee zong eenzaam; een dag brak aan
stil, dood. Gelijk een oude wrok,
die op vergelding zon, voltrok
de vloek zich van het koude licht.
Van aangezicht tot aangezicht
stond ik toen met mijzelf; de tijd
was ledig, en verlatenheid
alom en een onnoembaar wee.
Ik zag mijzelf aan, en ik zweeg – de zee
zong eenzaam en noodlottig tegen
de rotsen, en de rotsen zwegen.
Dit is het uiterst land; dit is
de grens van droom en duisternis;
kust, die dit leven overliet
aan ouder machten; norsch gebied
der zee in komst en keer van tij
en onbevochten heerschappij:
Dit is de drempel van den dood
der werelden; hier vangt met groot
breken van wateren en luid
gezang, dat luidt de wereld uit,
het duister zwijgen aan dier zee,
dier nooitbevaarne, de geheime zee,
de duistre zee, die is de ziel…
dit zijn de kusten van de ziel…
Geen, die een eigen droom bemint
boven den droom, die geen ooit vindt,
zal hier verblijvend zijn: de stem
der zee zal groot zijn tusschen hem
en het beminde en hij zal staan
wankelend en ten onder gaan
-een zeer uiteengeslagen ding –
in de ouden droom waarin zijn droom verging.
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den leegen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
en zeer verloorne, een vluchtig mensch,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan –
een droomenovervleugeld man
in de oude schemering te loor
tusschen de werelden, en door
sombre verrukkingen ontzind –
een ritselend blad op den duistren wind
der eeuwen, een sneeuwvlaag door den nacht
vreemd en voorbij – de schuwe tocht
over donkere dalen en heuvelrug
van een meeuw naar de roepende zee terug.
Dit is mijn uiterst lied, dit is
mijn eenige belijdenis.
Ik zing alleen omdat ik hoor
de stem dier zee, en mij verloor
daarin, daarin…
het is mijn einde en mijn begin –
Hoe ook mijn lust mijn hart beklemm’
die stem zal altijd weer mijn stem
uit kuilen van den dood verhoogen –
Mijn ooren gonzen, en mijn oogen
zijn starend, en mijn handen zijn
leeg in den wind, en lust en pijn
zijn op den ouden tijd verstreken.
De zeeën der geheimen breken
duister en dreunende beneê –
o, zee – o, vreemde zee…
Aan den Eeuwige
Gij nadert: de verraste wereld staat
in een windstilte van het licht verschenen.
Gij spreekt, het slecht geraas der wereld slaat
over en uit tot jubelen en weenen.
Gij ziet mij aan: al dit te vele gaat
verdwenen.
Het Gebed van den Harpspeler I
Geen aanhang dezer duistren, noch ’t vermetel
streven ten zetel,
dien zij met onderworpen ruggen schoren…
Geen aanhang, want dan kan ik u niet hooren.
Maar geef- o, gij, die altijd weer mij vindt,
en tot mij spreekt van achter licht en wind –
dat ik mijzelf alleen van u mag weten,
en doe mij nimmermeer vergeten
dat ik op deze harp, die is uw leen,
geen liefde spelen mag, dan die in u verdween –
en dat ik luistren moet opdat ik spele…
En zoo mij bijval dezer velen
ten deel komt, waai uw schemer tusschen mij en hen,
dat ik in uw geheim onvindbaar ben,
en peinzend weggedoken –
En als mijn felst begeeren is ontloken
en weggeritseld op uw duistren wind,
zoo geef dan, dat mijn vreugd de wijsheid vindt
afstand te doen, en ten behoeve
van rust; en – als gij ’t wilt – een afgelegen groeve
voor mijnen liefsten droom, die trouw bleef tot den ende…
En dàn geen pracht meer voor mijn oogen,
en voor mijn lust geen macht meer en geen rijk,
maar den van alle deze dingen afgewenden
aandacht, en het vermogen
tot inkeer, onherroepelijk.
II
Geen uitkomst wil ik dan door uw genade,
Verborgene, noch ooit verzaden
dorst van dit hart aan de gespilde drank
dezer verloornen en hun luiden dank
van stemmen en gehevene bokalen –
Niets dan een vensternis in deze zalen
vraag ik van hen…
zetel waar ik alleen en peinzend ben
en afgewend, en in den droom gedoken,
die – sinds gij tot mij hebt gesproken
van achter licht en wind – mijn leven is.
Niets dan een vensternis…
En van hun walmende flambouwen geen
schijnsel, dan maar alleen
voor deze snaren bijna stervend licht.
Maar laat er zijn over dit aangezicht
schaduw; dat geen, die voor een wijl dien kring verliet
-wellicht terwijl gij tot mij spreekt – mijn oogen ziet
en zich verbaast en het den andren zegt.
Is niet uw eenzaamheid mijn eenig recht?
Zijn niet uw schaduw die mijn naaktheid dooft,
uw glimlach boven dit genegen hoofd,
van smetteloozer licht en dieper toon
dan flonker van een kroon
en purpren overmoed?
En als – een wind van licht – over dit donker bloed
uw adem komt, en aanhoudt, en ontwart
alle vertwijfelingen, en dit hart
ontzet, en in zijn macht
herstelt, dat het zijn ongebroken kracht
weer uitzendt en weer varen doet
tot in mijn handen beî…
als ik de snaren grijp zooals gij mij,
spaar mij dan niet!
laat er niets in mij zijn dat gij ontziet,
en dat – bijzij het zingende verzaâm
van de verrukkingen die in uw naam
uitstroomen – klinken zou als ijdle toon.
Gun mij geen schoon
dat ook kon zijn van wie u nooit beminde,
opdat ik nimmer vinde
bijval, die u vervreemden zou.
Maar laat mij aan uw armoe trouw
en onvoorwaardelijk indachtig zijn.
Mij zij het schoonst door dit gebied geen schijn
van macht te dragen,
maar alles, jaar en dag, voor uwen gunst te wagen –
Doch hiertoe is
-o, vaak en al te derelijk gemis –
des harten wetenschap van noode,
dat gij mij uwer eenzame geboden
waardig erkent…
O, als dit hart versaagt en wankelt, zendt
het dan een teeken
-een weerlicht in zijn leed –
dat gij niet heen zijt, dat gij mij nog weet
schelp van uw zee, zelf nietig wel en broos,
maar staag doorzongen van het eeuwig breken
voorbij dit leven, in een leegen tijd,
uwer geheimen zonder duur of rust
tegen die laatste kust…
een al bedwelmender eentonigheid
wereldvergeten, eindeloos…
De Zwerver en de Ziel
Alleen als gij haar neemt – o, dood –
zal ik haar altijd bij mij weten.
Wij hebben nooit elkaar bezeten
dan in uw avondrood.
Want wij zijn hier van wind en licht
als van een ijl verraad omgeven;
zij zingen tot het gouden leven
naar eigen schaduw zwicht.
Van wat op aarde bloeit en straalt
is niets zoo waar na lang ervaren
als – naar de ritselende blaren –
het blad, dat daalt.
Het wordt zoo donker in mijn droom;
over de landen waait de regen…
Een mensch, die ging voorbij de wegen,
ligt aan de laatste zoom.
En naast hem zij, die ziet hem aan –
-is dit het einde en alles logen? –
Nog zingt de wind tusschen hun oogen
zijn ijle waan.
Elkander altijd vreemd – o, dood –
konden wij toch elkander niet vergeten;
maar ik zal haar in alle leven weten,
als gij haar neemt – o, dood.

De Ploeger
Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,
ik sta in uwen dienst zonder bezit.
Maar ik ben rijk in dit:
dat ik den ploeg van uw woord mag besturen,
en dat gij mij hebt toegewezen
dit afgelegen land en deze
hooge landouwen, waar – als in het uur
der schafte bij de paarden van mijn wil
ik leun vermoeid en stil –
de zee mij zichtbaar is zoover ik tuur.
Ik vraag maar een ding: kracht
te dulden dit besef, dat ik geboren ben
in ’t najaar van een wereld
en daarin sterven moet.
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
weemoed mij talmen doet
tot ik welhaast voor u verloren ben.
Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst gelooven
waarvoor ik dien…
Opdat, nog in de laatste voor,
ik weten mag dat mij uw doel verkoor
te zijn een ernstig ploeger op de landen
van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
der eigen liefde dalend avondrood –
die ziet beneden aan den sprong der wegen
de hoeve van zijn deemoed, en het branden
der zachte lamp van een gelaten dood.
In Zomer
In zomer, in de stille zomerzon
-en een lied uit een tuin nabij –
o, hart, dat niet gelooven kon,
hoe kwellen de bloemen mij…
O, voor verbolgen overhand
van storm, en norsch bestier
boven de leegten van dit land
van een zwarte banier –
O, voor de droomen duister en oud
en vlagenden overmoed
van wind, en de zwarte regen koud
over dit eenzaam bloed –
Het feest van de ziel met de duisternis
ingewijd, en de kracht
van die sombere vreugd, die ik eenmaal wist,
mijn hart, dat hier versmacht –
o, voor de kreet van een meeuw uit de mist
en de stem van het schuim in de nacht!
Maar mijn vorst zag de zon, en liet mij, en ging…
en er kwam in een tuin nabij
een vreemde, droomende vrouw, die zingt
tusschen de dood en mij.
Het Vreemde Leed
De zon schijnt op het lichte gras
en een stem jubelt in de verte;
maar blaren van herfsten voor ik was
ritselen door mijn herte.
Hoor, ergens is een mensch die zingt,
de wereld ingezworven;
maar een die zingend voor mij ging
ligt in mijn herte gestorven.
O, liefste, die hem zingen deed –
o, bloeiend geheim van de zoden –
mij dwingt een leed, dat ik niet weet,
met vreemde geboden,
en ik heb geen lied, dan de bloemen, die
bloeien uit graven der dooden.
De Ontkomen Zwerver
Ik weet niet meer wie achter is gebleven
sinds ik mijzelf de poorten opende.
Het is mij voortaan om het even;
mij lokt alleen het vreemde leven
loopende, loopende…
Eerst hulden alom neevlen nog de verte,
en mij hun walmende benauwenis –
maar dit verwoei: weer slaat –
een koele vlam – mijn herte
uit naar het licht dat goud en open is.
De stad waar zij mij vingen is verdwenen.
O, weemoed, uw verrukking neemt geen end –
ver zie ik in het licht verschenen
de dorpen waar mij niemand kent.
Daar zal ik zingen, daar zal ik u wreken
op hen die u verraden in het klein
o, droom – ik zal uw naam niet spreken,
maar waar ik zing zult gij gewroken zijn.
Ik zal hun diersten zoon, dien zij omringen
met gierge liefde opdat hij u nooit ziet,
van hen vervreemden en naar buiten zingen,
naar buiten met een ijl, eentonig lied.
Wat zouden stulpen, woningen en zalen,
wat zouden hun omheiningen van steen?
Gelijk de blauwe, koude manestralen
schijnen door glazen, zing ik er door heen.
En zingen zal ik tot zijn oogen staren –
al heeft hij zich een ander toevertrouwd,
mij zal hij hooren, tot zijn oogen staren
onder den lagen schemer van heur haren,
en niet meer weten wie zijn handen houdt.
En als het lied hem alles heeft ontnomen,
zal hij de klink lichten en buiten gaan:
starende zal hij naar mijn zingen komen,
alleen de maan zal in zijn oogen staan.
Hij zal mij volgen, maar hij zal alleen gaan.
Een hunner vrouwen zal met wit gelaat
ten stillen brink mijn zingen hooren heengaan,
’t ijle verdwijnen van mijn blijden haat…
Wij zullen gaan, gescheiden en tezamen –
O, droom, geef mij dat ik – ’t is om uw wraak –
uit dat praalgraf van hun vereend beramen
dit kind van u naar de onherberregzame
verrukkingen van wind en maanlicht slaak.
Het graf waar zij mij vingen is verdwenen.
Ik ga vrij uit, naar mijn verlangen is,
maar ik zie in het verre licht verschenen
de dorpen waar uw kind gevangen is.
Wat raakt het doel mij van hun samenhorden?
Zij bouwen, maar het leven sloopende.
Wat zou – als ik uw kind een uitweg opende –
het mij hoevelen hunner daar verdorden?
Ik voel mij weer gelukkig worden
loopende, loopende…
Aan den Zoom van Wind en Wereld
Aan den zoom van wind en wereld
woont een schoone vrouwe –
Waar geen paden henenleiden,
waar zij in de lichte, wijde
verten al de zee kan speuren,
waar alleen de zwervers komen,
en de dingen àl gebeuren
in het licht van ijle droomen –
in der aarde heemlenwijd vertrouwen
woont een schoone vrouwe
doelloos, aan den zoom van wind en wereld.
Allen ben ik door den wind ontnomen
maar haar heeft hij mij gegeven,
en wij zijn elkaar als wind en golven
immer weer verrijzend en bedolven
in dit leven, en onzegbaar eigen;
en wij zwerven veilig en getweeën
door het zingen en het hooge zwijgen
van de ruimten boven aarde en zeeën,
wij die naar elkander overzweven,
want zij is mij door den wind gegeven
die mij zingend allen had ontnomen.
Oud als wind en wereld, als de goden
jong en zonder doel en overmachtig
hooren wij de waatren van het einde dreunen,
waar wij in elkanders armen leunen
voor den nacht, en waar de schuimen waaien
zijn wij onder schemering bedolven –
en wij gaan, en als het overzwaaien
van een zeemeeuw boven donkre golven
is haar loop, zoo onbewust en prachtig –
en wij gaan, jong, zonder doel en overmachtig
langs de wereld met den wind en als de goden.
Aan den zoom van wind en wereld,
aan de grens van droom en leven
zijn wij samen –
Waar geen paden henenleiden,
waar het einde van de tijden
zingt, en waar de stem der zeeën
machtig is over de landen,
zijn wij zwervend en getweeën,
en met saamgevlochten handen
staan wij, zonder woorden, zonder namen,
voor dit wonder onuitspreeklijk samen –
aan de grens van droom en leven,
aan den zoom van wind en wereld.
In den Regen
De grijze regen, de grijze regen
daalt er eentonig nu allerwegen
over dit stil gehucht, verloren
in oude vlakten, en doet zich hooren
als niet meer zingen en bijna weenen
aan lage vensters, waar mijmering
nog staart om wie van hier verdwenen
en lang geleden verloren ging
naar de steden en over de zee…
velen riepen de begeerte mee,
weinigen bracht verlangen weer –
en ben ik wellicht hierheen gedreven
verloren in dit grijze weer
door het heimwee, dat uit hun leven
in de verten werd uitgedreven
met het zwoegen van de daad?
De regen is aan mijn gelaat
stil en eentonig en zonder ende…
Wat is het dat ik zwerven moet –
doe ik dit zelve wel, of doet
verloren weemoed van nooitgekenden
mij in den grijzen ouden wind
naar afgelegen oorden komen
waar ik nooit was, maar met de droomen
van een teruggekomen kind,
dat alles weenende herkend…?
wat is het dat mij komen doet –
wat is het dat mij henen zendt –
wat is de wijze wreed en zoet
die ik nog nooit geheel kon hooren –
wat is de wijze van den wind?
Ik weet niet meer waar ik ben geboren,
want ik ga overal verloren
her en der, zonder doel of wegen
in een bevreemdend toebehooren
aan alle dingen, gelijk de regen,
die daalt nu verloren wel allerwegen,
de grijze regen, de grijze regen…
Oud Lied
Een oud lied in de zon
en de wind aan zijn leege handen…
hij liep over de landen,
die niets dan droomen won.
En laat in den zomer kwam
weemoed… eenzaam en verder
ging hij, en zonder herder
dan de wind die hem alles nam.
Maar met de duisternis
werd de stem van de zee in de verte
hoorbaar, en in zijn herte
de stem die van sterven is.
En wankelend trad hij voor
het einde aan de kust der eeuwen…
over hem vlogen twee meeuwen
uit naar zee en te loor
over de zee en de nacht
in en als zielen ontvloden…
liefde geslaakt uit de dooden
en alle tweespalt volbracht.
Maar o, hart op de vreemde zee –
golf, die niet kan breken…
O, droomen, meeuwen die weken
heen over zee, over zee…

[Nog zie ik niet wie gij zijt]
Nog zie ik niet wie gij zijt,
die in de lichtende verte
nadert; maar zekerheid
zingt door mijn herte.
Zekerheid, dat gij zijt
de geborene van de droomen
van eenmaal, en zekerheid
dat gij mijn nood hebt vernomen.
Dat gij de blijvende zijt
en de zeer goedertieren,
door mijn verscheidenheid
henen de zilvren riviere,
die immer aanwezig is,
maar immer vliedend en komend,
de blijde geheimenis
lichtende stroomend
door heel mijn weze’ en voorbij
al het mijn wezen aanhankelijke –
o, gij, die altijd in mij
waart het aanvankelijke,
maar nimmer gevonden werd
dan stervend en als een verloorne –
hoe zingt gij nu door mijn hart
als een geboorne!
O, gij, die nadert, en die
de verten beheerscht met uw komen –
gij, die ik zingende zie:
de geboorne der droomen,
verheven in rust, en verblijd,
overmachtig en zeer goedertieren –
gij, aan wier voeten de tijd
glijdt als een lichte riviere –
Nog zie ik niet wie gij zijt,
gij, de heerschende van de verte –
Maar de wind van uw zekerheid
zingt door mijn herte.
De Vagebond
Zij wikken en wegen
hun geld en hun god,
en kanten zich tegen
mijn vluchtiger lot,
omdat ik mijn handen
en oogen leeg
door hunne landen
omdroeg, en zweeg
in hun geschillen,
en ging als blind
om der eenzame wille
van sterren en wind.
Elven Zingen bij een Alleengelaten Kind
Blaas het maanlicht in zijn oogen,
ritsel wilgenblaren bij zijn ooren…
Laten zij hem nu maar houden,
altijd zal hij ons behooren,
en zij zullen niet vermogen
binnen muren die zij bouwden,
binnen liefde van hun oogen
hem te houden…
o, wat zouden
-als ons zingen door zijn jaren
rust en duur hem heeft ontnomen –
al hun klagen en ervaren
tusschen hem en onze droomen,
hij zal komen, hij zal komen,
en zijn oogen zullen staren…
ritsel, ritsel wilgenblaren,
blaas het maanlicht in zijn oogen.
Het Kindje
Waar het kindje slaapt
is het àl weer goed:
samen toegedekt
liggen ziel en bloed;
alle duistre daden in het huis bedreven
vonden in een wiegelied vergeven.
Pop en blokken staan
stil en maneblank
in het open raam
op de vensterbank;
blij dat God weer zonder wrevel kan beminnen
kijkt de vriendelijke maan naar binnen.
De Verlorene I
Leed en verlangen zijn heen,
met zijn weedom alleen is mijn hart:
zonder vuur, zonder water, wel zwart
zoudt gij zijn in den wind alleen,
o, Aarde, en den hemel een smaad
en te midden der sterren een logen:
ik ga en verberg mijn gelaat
voor der menschen oogen.
II
Elke zeldener keer
sterft vervoering dronkener;
elke nieuwe keer
neemt de wanhoop donkerder
overhand,
en hij plant
op het hart verloren
de zwarte vlag,
waar de tijd nacht en dag
nog in wappert, eenzaam om te hooren.
Vergankelijkheid I
Waar ’t najaar ritselt door de schemering
daar vonden zij elkaar, en mijmrend stonden
zij hart aan hart, tot hij zijn hoofd neerhing
naar haar geheven weemoed – en toen vonden
de roode droefenissen van hun monden
elkaar, bedwelmend, in één duizeling…
Eindelijk weken uit die duizeling
langzaam de droefenissen van hun monden;
hij hief zijn hoofd, haar weemoed neeg, elk ging
eenzaam weer heen, en waar ze elkander vonden,
en waar zij, hart aan hart, mond aan mond, stonden,
ritselt het najaar door de schemering.
II
En vormen kwijnen en de kleuren dooven
en gaan in aarde’s donkere stilten onder;
en waar zij dalen stijgt het nieuwe wonder
van kleure’ en vorme’ in onderling gelooven.
En eens zal uit de rust der sombre puinen
een toekomst huizen van verlangen wekken;
en handen, die zich nu in wanhoop strekken,
zullen eens bloemen zijn in stille tuinen.
Maar zijn van hen die stierven niet de zangen
altijd in ’t waaien van de schemeringen?
en hoort gij niet hun oude stemmen zingen
het woordenlooze bed van ons verlangen?
En hoor: diep in den nacht het dreunend breken
der golven waar de duistre wacht der rotsen
staat; luister: ’t is hun heerschzucht en hun trots en
hun droom, gebroken tot een uiterst smeeken.
Luister, en neig uw hoofd, en sluit uw oogen,
en laat de scheemring waaien om uw luistren,
en laat de wereld om uw neigen duistren,
en spreek geen woord, en luister onbewogen.
Geen woord, want alle woorden zijn gesproken
en allen zijn verzonken in het zwijgen;
alleen de wind bleef waaien, en het eigen
verlangen hoort gij in zijn zang, gebroken.
III
Ik weet de dagen niet van hen die leven
in windgesloten huize’ en samen sterven,
maar laten allen die hierbuiten zwerven
elkaar, voorbijgaand, milde laafnis geven.
’t Was soms zoo zoet een wijl niet meer te voelen
het waaien langs mijn lippe’ en door mijn haren,
omdat mijn lippen diep in haren waren
en in mijn haren handen bleven woelen.
En wie zoo stonde’ en later zich verloren
omdat hun harten als verdoolde dingen
waren van waaien en van schemeringen,
zullen elkanders adem niet meer hooren,
dan in den wind, want wie naar hem leert luistren
hoort de geheimen van het duister zwijgen;
uit de asch der tijden hoort hij tot zijn neigen
gloeiende lippen de oude lusten fluistren.
O, laten wij die zwerve’ elkander laven
en dan voorbijgaan en ons niet meer wenden,
en sparen wij elkaar de dwaze ellenden
van hen die vrage’ om onverwelkbre gaven.
Want eens moet elk van ons, verlaten, stijgen
die laatste steilte, tot hij diep beneden
de donkre waatren ziet, en hoort den breeden
dreunenden aanvang van dat maatloos zwijgen.
IV
Ik sliep tot ik ontwaakte in dezen droom:
Het was een tuin aan een stil eind der aarde.
Een avond was er vroeger in het dalen
gebleve’ en ’t was of in die oude stralen
eindlijk de stilte haar geheim verklaarde.
En er was ook een vijver waar de laatste
rimpeling lang geleden was verdwenen;
en er was een gevoel of lang al henen
het water een bemind gelaat weerkaatste.
En geen verlangen was daar meer, wel even
een weemoed, die alleen was te verklaren
omdat zooveel dingen verloren waren
ergens en ver in een vergeten leven.
Want eeuwen stierven daar en werden droomen
sinds ik en zij die ik bezong bestonden –
waar was de laatste kus van onze monden?
waar is het blad van langgevelde boomen?
Waar was haar lachen en waar was mijn zingen
dier lentedagen toen wij samen waren?
twee van de ontelbaar wervelende blaren
in verre ritselende schemeringen?
Verloren, weggewaaid, heen en vergeten
ver in de luide wereld waar wij zwierven
en lang geleden elkaar minde’ en dierven…
En in dien avond groeide dit vreemd weten:
Dat – toen zij wit en roerloos is geworden
en zonder adem, en men haar in de aarde
verborg, en al de bladeren der gaarde
over haar laatste stilte woeie’ en dorden –
haar lichaam niet zooals alle andre golven
van ’t leven is gebroken in het leven,
maar van de wereldkust is heengedreven
over de zeeën en niet is bedolven,
maar uitvloeide als een langzame en vermoeide
golf aan een verre kust en is gedronken
door ’t warme zand en er diep is verzonken,
wijl ’t ander water in de zee weervloeide.
En later, niet ver van de zanden waar de
vloei van haar leven zonk, gebeurde ’t wonder:
langzaam en stil en dag aan dag ontstond er
die vreemde tuin aan dat stil eind der aarde.
Haar lichaam werd die tuin, ’t licht van haar oogen
glanst in den vijver, en de late weelde
van zongloed is heur haar dat ik eens streelde –
en zon en vijver blijven onbewogen.
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later –
want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mensch zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven –
het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als ’t eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
En zelve zal hij nooit ten volle weten
waarom hij daar komt en er staat te wachten,
want onze liefde en ons verzworven smachten
zijn in zijn wereld dan al lang vergeten.
Maar soms zal hem de vreemde, nooit verklaarde
stem van den wind roepen, en hij zal komen,
tot hij blijft staan waar ik stond in mijn droomen,
daar in die tuin aan een stil eind der aarde.
In Memoriam P.v.E.
Voor zijne Moeder
Wat weten wij van nu tot aan dit sterven
dan dat de bloemen welken in de gaarde –
dan dat we elkander in de donkere aarde
neerleggen, eenzaam – en weer verder zwerven?
Wat weten wij dan dat hij witte bloemen
gevraagd heeft toen hij wit en stil ging worden –
omdat de rozen van zijn bloed verdorden?
omdat geen stem zijn vrede meer kon noemen?
O, vreemd vermoeden, dit: te zijn vergeten
het wonder dat zijn sterven kwam behoeden –
wat weten wij dan dat ons schoonst vermoeden
schoon is omdat wij nimmer kunnen weten.
En is dit verward zien, en dit gebroken
tumult van stemmen in het luide, leege,
iets bij het lied waarvan zijn lippen zwegen?
iets bij het licht waarvoor zijn oogen loken?
En toen de lelie van zijn witte zwijgen
door stilte’s handen is omhoog genomen,
wisten wij hem voorbij ons verste droomen
voorgoed, en hoog boven ons duister zwijgen.
Achter zijn rusten stond het venster open
naar stille dennen en een ijlen hemel,
en er was geen geluid meer, geen gewemel
van kleuren, en geen leed meer, en geen hopen –
Neen, niets meer dan zijn stilte waar wij zwegen
en hand in hand naar de ijle hemel zagen,
tot wij nog eenmaal uit het licht der dagen
ons naar de schemer van zijn stilte negen.
De Bevlogene I
Als een oud ver lied was de dag
toen zij kwam tusschen mij en de zee
met haar roode stille lach –
toen ik haar naderen zag
vergat ik de wind en de zee…
O, hij weet zijn leven niet,
hij die is van de zee en de wind;
hij weet alleen het lied,
dat sterft als de stem begint.
Ik leefde toen binnen de stilt
en de zwoele geur van heur zwaar
over mij neerhangend haar.
Ikzelf heb het toen gewild,
dat mijn leven binnen heur haar
tot de droom van een geur werd verstild –
ik had het voor altijd gewild…
Maar hij weet zijn leven niet,
die is van de zee en de wind;
in hem, als zijn hart zich bezint,
wordt het stil als na een oud lied,
tot hij de roep van den wind
hoort, en de wateren ziet –
Mijn hart heeft zich daar bezint
bij haar mond en binnen heur haar;
toen hoorde ik en wist dat de wind
tot mij sprak van achter heur haar –
ik herkende zijn wijs oud woord
en de zachte spot van zijn lach –
toen zag ik haar aan, en zij zag
dat ik den wind had gehoord,
en zij deinsde en heur haar vloog uiteen,
haar handen woeien omhoog
-schuim dat de zee uitvloog –
en zij brak in een storm van geween,
en zij riep dat mijn leven loog…
maar de wind woei haar stem uiteen.
En zijn wil wierp neer uit het ruim
eeuwen tusschen ons bei –
ik zag, dat zij brak als het schuim
tusschen de zee en mij.
En waar zij eens had gestaan
voor de wind haar ten onder bracht,
joeg de regen tegen mij aan
uit de luid aanwaaiende nacht,
joeg de regen vlaag op vlaag
somber en oud en zwart
door mijn oogen binnen en laag
over mijn bloed naar mijn hart…
De dag stierf als een wild gezang
uit een ouden donkeren tijd –
O, de steile sombere drang
tusschen mensch en eeuwigheid –
O, het oude bittere wee,
dat achter de menschen is…
ver in de duisternis
luidde de nood van de zee.
II
Wind van het najaar, niets is
tusschen mij en uw eenzame kou
gebleven; vreugd noch gemis,
noch de roode mond van een vrouw.
Gij hebt in mijn schemer gestaard,
en wat stond in mijn schemering
viel, en verwoei over de aard,
een ritselende werveling.
Uw stem was in ’t zwerk tot het wee
van de waaiende regen me omvloog,
gij dwong uit de donkrende zee
het bittere schuim omhoog
naar mijn handen, die bleek en leeg
en naakt van daden zijn –
ik stond en staarde en neeg;
ik wist geen ding meer mijn.
En der eeuwen mateloos wee
brak aan de rotsen der kust;
uit de sombere hartstocht der zee
rezen de schuimen der lust,
en mijn regenomwaaid gelaat
hief ik – o, uiterste beê
van wie aan het steil einde staat
en hoort de waatren beneê,
en hoort hoe die laatste stem
zonder einde of oorsprong is –
uit de diepten roepen hem
de monden der duisternis.
O, wind, het wee van den tijd
waait ge om wie argeloos zaait;
maar ik weet u – o, wind – gij zijt
door mijn oogen binnengewaaid
tot mijn nietig leed verward
afdreef en verging in uw vloed,
tot de ontstelde zon van mijn hart
onderzonk aan de kim van mijn bloed,
en ik zelf verging voor uw hand,
en nu ben ik van u, en gij zijt
groot over water en land
tot de sterre’ en het eind van den tijd,
o, wind der eeuwen. Er staat
geen ding meer omhoog uit uw vloed:
uw donker is aan mijn gelaat,
uw storm is over mijn bloed.
