Voorwoord
Simone Weil, Zwaartekracht en genade, Tielt 1954 (Lannoo)
oorspronkelijke titel: La Pesanteur et la grace 1947 – uit het Frans vertaald door Louis Thijssen – uitgekozen en geclassificeerd uit de nagelaten werken uit de periode voor mei 1942 door Gustave Thibon – Simone Weil: Parijs 1909- Londen 1943

INLEIDING
Het valt mij moeilijk, dit merkwaardige werk van Simone Weil aan het lezend publiek uit te leveren. Tot nu toe deelde ik slechts met enkele vrienden de vreugde, haar persoon en haar gedachtenwereld te kennen en thans heb ik de bittere indruk, een familiegeheim prijs te geven. Mijn enige troost is de gedachte, dat langs de onvermijdelijke profanatie, die publicatie meebrengt, haar getuigenis enkele, aan de hare verwante zusterzielen zal bereiken. Nog harder ondervind ik de noodzaak om ter «inleiding» van dit werk, al is het in het voorbijgaan, over mijzelf te moeten spreken. Secretum meum mihi: het gebrek aan schaamtegevoel bij zovele moderne schrijvers, de lust tot autobiographieën en bekentenissen, en de gewoonte om het publiek tot in de uithoeken van een ontmantelde intimiteit te leiden, waren voor mij steeds aanleiding tot verbazing en ergernis. Maar, al ware het slechts ter rechtvaardiging van mijn naam onder deze inleiding, ik ben aan mijzelf verschuldigd de uitzonderlijke omstandigheden te onthullen, waarin ik met de ware persoon van Simone Weil kennis heb gemaakt; en die mij thans de onverdiende eer geven, haar gedachten aan de wereld voor te stellen.
In Juni 1941 ontving ik van een vriend, de Pater Dominicaan Perrin, die op dat tijdstip in Marseille woonde, een brief, die ik niet bewaard heb, maar die in hoofdzaak alsvolgt luidde: «Ik ken hier een israelitisch meisje, doctor in de philosophie en militante van de uiterst-linkse vleugel. De nieuwe wetten hebben haar van de Universiteit uitgesloten en nu zou zij gedurende enige tijd op het land willen werken, als hulp op een boerderij. Ik ben van mening, dat een dergelijk experiment van zeer nabij gecontroleerd moet worden en het zou mij verheugen, als u dit meisje bij u thuis zoudt kunnen op- nemen.» Ik heb wat zitten nadenken over die brief. Gode zij dank, ben ik geenszins aangetast door antisemitisme a priori, maar wat ik door eigen ervaring van de kwaliteiten en gebreken van het joodse temperament ken, stemt weinig overeen met mijn eigen karakter en vooral niet met de eisen, die een leven in gemeenschap stelt. Ook zijn mijn elementaire reacties geheel verschillend van die bij een militante van de uiterst-linkse hoek. En bovendien heb ik het niet bepaald op doctors in de philosophie begrepen. Wat intellectuelen betreft, aangetast door de behoefte van «terug-naar-het-platteland», — die ken ik voldoende om te weten, dat zij, op zeer enkele uitzonderingen na, behoren tot die categorie van hersenschimmige naturen, wier ondernemingen in het algemeen zeer slecht aflopen. Mijn eerste reactie was dus negatief. Ik ben echter teruggekomen op deze eerste opwelling; ten eerste : om het voorstel van een vriend niet zonder meer af te slaan; voorts om een ziel, die het lot op mijn weg voerde, niet van mij af te stoten, alsook onder invloed van de halo van sympathie, die op dat tijdstip de Joden omgaf en die te danken was aan de vervolging, waaraan zij begonnen blootgesteld te worden. Al die redenen werden tenslotte overkoepeld door een zekere nieuwsgierigheid.
Een paar dagen later belandde Simone Weil bij mij thuis. Ofschoon hartelijk, was ons eerste contact wat stroef. Op concreet terrein waren wij het bijna over geen enkel punt met elkaar eens. Zij discussieerde tot in den treure, altijd met diezelfde eentonige, buiging-loze stem, en aan het eind van die gesprekken, die tot geen enkele conclusie voerden, was ik letterlijk afgeknapt. Om haar aanwezigheid uit te houden, heb ik mij toen met geduld en wellevendheid gewapend. En dank zij het voorrecht van het leven in gemeenschap, begon ik langzaamaan te ontdekken, dat die onmogelijke kant van haar karakter, verre van uitdrukking te zijn van haar diepste wezen, niet anders dan haar uiterlijk en sociaal ik weerspiegelde. Bij haar waren de gebruikelijke posities van schijn en wezen omgekeerd: in tegenstelling tot de meeste mensen, won zij enorm bij nadere kennismaking in een sfeer van intimiteit ; met een geduchte spontaneïteit bracht zij de onprettige kant van haar wezen aan het daglicht, maar zij had veel tijd, veel genegenheid en overwonnen schaamtegevoel nodig om het beste dat in haar was te tonen. Zij begon toen haar hele ziel open te stellen voor het christendom; een mysticisme zonder enige onechtheid of gemaaktheid stroomde uit haar: nog nooit heb ik in een menselijk wezen een zo natuurlijke omgang met de mysteriën van de godsdienst ontmoet, en nog nooit heeft het woord bovennatuurlijk mij met meer werkelijkheid geladen in de oren geklonken dan in mijn persoonlijk contact met haar.
Een dergelijk mysticisme heeft niets gemeen met dat soort godsdienstige speculaties, die de persoon nooit binden en die maar al te dikwijls het enige getuigenis zijn van intellectuelen, die zich naar de dingen van God gekeerd hebben. Zij kende en beleefde de wanhopige afstand tussen het «weten» en het «weten-met-geheel-zijn-ziel» en het doel van heel haar leven was geen ander dan het overbruggen van die afstand. Ik heb te zeer geleefd in de afwikkeling van haar dagelijks bestaan, om ook maar de geringste twijfel te koesteren over de échtheid van haar geestelijke roeping: haar geloof en haar onthechting waren vleesgeworden in elk van haar daden, soms gepaard met een gemis aan werkelijkheidszin, dat iemand van zijn stuk kon brengen, maar steeds volkomen oprecht. Haar ascetisme kon overdreven lijken in onze eeuw van halve maatregelen, waarin, naar een uitdrukking van Léon Bloy, « de christenen met een gematigd gangetje het martelaarschap tegemoet galopperen» (inderdaad : welke ergernis zouden heden ten dage sommige excentrieke boetedoeningen van heiligen uit de Middeleeuwen verwekken !); maar het was los van iedere gevoelsexaltatie, en er viel geen wanverhouding te ontdekken tussen het niveau van haar verstervingen en dat van haar innerlijk leven. Daar zij mijn woning te comfortabel vond, had zij het besluit genomen om aan de oevers van de Rhône, op een half tot ruïne vervallen boerderij te gaan wonen, die bezit is van mijn schoonouders. Iedere dag kwam zij werken en àls zij zich verwaardigde om te eten, de maaltijd bij ons gebruiken. Zij was zwak van gestel, en ziek – haar leven lang leed zij aan ondraaglijke hoofdpijn en een pleuritis, enige jaren tevoren opgelopen, had diepe sporen in haar nagelaten, — maar zij bewerkte het land met een onbuigzame energie en stelde zich veelal tevreden met wat langs de weg geplukte bramen. Iedere maand stuurde zij de helft van haar voedselbonnen aan politieke gevangenen. Maar haar geestelijke rijkdommen verdeelde zij met nog groter milddadigheid. Iedere avond legde zij mij na het eten de grote teksten van Plato uit (ik heb nooit tijd gehad om Grieks te leren) en dat deed zij met een natuurlijke pedagogische aanleg, die haar onderricht tot een herschepping vol leven maakte. Met eenzelfde ijver en liefde bracht zij een of andere achterlijke dorpsjongen de eerste beginselen van de rekenkunde bij. Uit die honger naar kennis om zich heen te zaaien sproten soms vermakelijke vergissingen voort. Een soort hogere gelijkheidszin zorgde ervoor, dat zij haar eigen hoog ontwikkelingsniveau als algemeen geldend uitgangspunt nam; volgens haar mening bestonden er geen geesten, die niet in staat waren, om ook de hoogste kennis in zich te laten doordringen. Ik herinner mij het geval van een jonge arbeidster, uit Lotharingen, in wie zij een intellectuele roeping ontdekt meende te hebben; en die zij overstelpte met de prachtigste commentaren op de Upanishads. Het arme kind verveelde zich dodelijk, maar hield haar mond, uit verlegenheid en wellevendheid…
In de omgang betoonde zij zich een charmante en geestige gezellin : haar grappen getuigden van goede smaak en aan haar ironie ontbrak iedere boosaardigheid. Haar buitengewone en diep in haar wezen opgezogen eruditie, zo, dat deze bijna niet te onderscheiden was van de uitdrukking van haar innerlijk leven, schonk aan haar gesprekken iets onvergetelijks. Zij bezat echter een ernstig gebrek (of een zeldzame hoedanigheid ; dat hangt af van het niveau, waarop men zich plaatst): zij weigerde, kort en goed, iedere concessie aan wat, in het maatschappelijk leven, noodzakelijk of behoorlijk geacht wordt. Zij vertelde aan iedereen en in elke omstandigheid, wat zij dacht; en dat zonder enige restrictie. Deze oprechtheid, die vooral uit een diep respect voor de zielen voortsproot, bezorgde haar heel wat onaangenaamheden, voor het grootste deel van amusante aard, maar soms ook liepen dezen gevaar, een tragische wending te nemen, in een tijd waarin het beter was, niet iedere waarheid van de daken te verkondigen.
Het is niet mijn bedoeling, een balans op te stellen van de historische bronnen, waaruit zij putte, of van de invloeden, die zij heeft ondergaan en die aan haar denken ten grondslag liggen. Buiten het Evangelie, aan de bron waarvan zij dagelijks dronk, bezat zij een diepe eerbied voor de grote hindoese en taoïstische teksten, de Griekse treurspelen, Homerus, en vooral voor Plato, die zij op een wezenlijk christelijke manier interpreteerde. Daarentegen had zij een diepe afkeer van Aristoteles, in wie zij de eerste belangrijke doodgraver van de grote traditie der mystieken zag. Op godsdienstig terrein richtte de H. Johannes van Het Kruis haar geest, op het gebied der litteratuur beïnvloedden haar Shakespeare, sommige Engelse mystici-dichters en Racine. Onder de tijdgenoten zie ik slechts Valéry; en Koestler, in zijn « Spaans Testament», waarover zij mij met onvermengde bewondering sprak. Haar voorkeur en haar wijze van verwerpen waren even abrupt en onherroepelijk. Zij geloofde vast, dat een werkelijk geniale schepping een hoger geestelijk niveau voorop stelde en dat het niet mogelijk was om een volmaakte wijze van uitdrukking te bereiken zonder zeer strenge innerlijke loutering. Deze bekommernis om de zuiverheid en waarachtigheid maakte haar hard en onverbiddelijk voor alle schrijvers, bij wie zij ook maar het geringste effectbejag meende te bespeuren, of zelfs de kleinste aanduiding van onoprechtheid of gezwollenheid: zo Corneille, Hugo, en Nietzsche. De enige stijl, die genade in haar ogen vond, was die, welke zonder franje de vertaling en uitdrukking gaf van de naakte ziel. «De poging om de juiste uitdrukking te vinden,» zo schreef zij mij, «dient niet slechts de vorm te raken, maar vooral gericht te zijn op het denken en op heel het innerlijk wezen. Zolang deze naakte, ongekunstelde uitdrukking niet geslaagd is, heeft het denken niet de ware grootheid bereikt, ja, is het er zelfs niet in de buurt van gekomen… De ware wijze van schrijven is die, waarop men vertaalt. Als een tekst uit een vreemde taal vertaald wordt, tracht men niet, er iets aan toe te voegen; integendeel, met een bijna religieuze angstvalligheid, vermijdt men, iets toe te voegen. Op deze wijze dient men te proberen, een niet-geschreven tekst te vertalen.»
Toen zij enige weken bij mij had doorgebracht, vond zij, dat zij met teveel omzichtigheid behandeld werd en zij besloot op een andere boerderij te gaan werken, om daar, als onbekende temidden van onbekenden, het lot van echte landarbeiders te delen. Ik zorgde ervoor, dat zij bij een groep wijnplukkers opgenomen werd, die voor een groot eigenaar, in een naburig dorp werkten. Meer dan een maand werkte zij er met heldhaftige volharding; zij weigerde, ook maar een uur korter aan de arbeid te blijven dan de robuuste boeren naast haar, ondanks haar zwakte en ongewoon-zijn aan dat soort werk. Haar hoofdpijn bereikte soms een punt, waarop zij de indruk had, in een soort nachtmerrie te werken.« Op zekere dag vroeg ik mij af, of ik niet dood was en in de hel gevallen, zonder dat ik het gemerkt had. Misschien bestond de hel wel in eeuwig druivenplukken…» bekende zij mij.
Na dit laatste experiment keerde zij terug naar haar ouders, die voorlopig in Marseille woonden, na bij de Duitse inval uit Parijs verjaagd te zijn. Een paar keer ben ik haar gaan bezoeken in haar kleine appartement, vanwaaruit men een prachtig gezicht op de zee had. Intussen maakten haar ouders voorbereidingen voor het vertrek naar de Verenigde Staten. Haar gehechtheid aan haar vaderland, dat zo ongelukkig was; en haar verlangen, het lot van haar vervolgde vrienden te delen, deden haar lange tijd aarzelen om haar ouders te volgen. Tenslotte besloot zij er toch toe, in de hoop, aan de overkant gelegenheid te vinden, naar Rusland of Engeland te kunnen gaan. Ik zag haar voor het laatst begin Mei 1942. Op het station gaf zij mij een actentas, boordevol papieren, en zij verzocht mij die te lezen en er gedurende haar verbanning zorg voor te dragen. Toen ik haar verliet, zei ik, op een gemaakt-luchthartige toon, die mijn ontroering moest verbergen : «Tot ziens, is het niet in deze, dan in de andere wereld!» Plotseling werd zij ernstig en antwoordde: «In de andere kan men elkaar niet weerzien. » Zij wilde daarmee zeggen, dat ons «empirisch ik» grenzen heeft, die wegvallen in de eenheid van het eeuwig leven. Ik keek haar een poosje aan, terwijl zij zich verwijderde in de straat. Wij zouden elkaar niet meer terugzien: de contacten van het eeuwige in de tijd zijn afschuwelijk kortstondig…
Thuisgekomen, liep ik de manuscripten van Simone Weil door: een tiental dikke schriften, waaraan zij dag na dag haar gedachten toevertrouwde, en waartussen citaten uit alle talen en strikt persoonlijke aantekeningen verspreid waren. Tot dan had ik van haar hand niet anders gelezen dan enkele verzen en studies over Homerus, die in de Cahiers du Sud, onder het anagram Emile Novis als pseudoniem, verschenen waren. Alle teksten, die hier opgenomen zijn, werden uit die schriften bijeengezocht. Ik vond de tijd, om nog een keer aan Simone Weil te schrijven en haar mijn ontroering kenbaar te maken, die de lezing van die bladzijden in mij veroorzaakt had. Uit Oran schreef zij mij navolgende brief, die ik mij veroorloof, in zijn geheel over te nemen, ondanks het persoonlijk karakter ervan, omdat deze brief als een verklaring en een rechtvaardiging voor het publiceren van dit boek mag gelden.
«Beste vriend. Het ogenblik lijkt nu wel aangebroken om elkander vaarwel te zeggen. Het zal wel niet gemakkelijk zijn om nog ooit iets van u te horen. Ik hoop, dat het lot het huis te Saint-Marcel zal sparen èn de drie mensen, die er wonen en elkander liefhebben. Dat is immers zo iets kostbaars. Het menselijk bestaan is zo broos en zo blootgesteld aan allerlei wisselvalligheden, dat ik niet lief kan hebben zonder beven. Ik heb mij er nooit echt bij kunnen neerleggen, dat andere menselijke wezens buiten mij niet geheel gevrijwaard zijn voor iedere mógelijkheid zelfs tot ongeluk. En dat is een ernstig gebrek aan onderworpenheid aan de wil van God.
«U zegt me, dat u in mijn schriften, behalve vele dingen, die u zelf gedacht hebt, er andere gevonden hebt, die u nièt gedacht heeft, maar waarop u wachtte : zij behoren u dus toe en ik hoop dat zij, na in u een omzetting te hebben ondergaan, eens in een van uw werken te voorschijn zullen komen. Voor een gedachte lijkt het me verkieselijker, haar lot te verbinden aan het uwe, dan aan het mijne. Ik heb het gevoel, dat mijn lot hier op aarde nooit buitengewoon goed zal zijn (hetgeen niet zeggen wil, dat ik hoop op een beter lot ergens anders : daaraan kan ik niet geloven). Ik ben niet iemand met wie het goed is zijn lot te verenigen. De mensen hebben dat altijd min of meer aangevoeld; maar gedachten schijnen, ik weet niet door welk mysterie, over minder onderscheidingsvermogen te beschikken. Ik kan de ideeën, die in mij geboren zijn, niets beters toewensen, dan een stevige basis en ik zou het erg prettig vinden, als zij huisvesting vonden in uw pen om er van vorm te veranderen, zodat zij uw beeld weerspiegelen. Dat zou voor mij een vermindering van mijn verantwoordelijkheid ervoor meebrengen, en van het drukkend gevoel, dat ik door verschillende tekortkomingen niet bij machte ben de waarheid te dienen ; ofschoon zij zich, naar het mij dunkt, soms in mij laat waarnemen; wat alleen maar een onbegrijpelijke gunst van barmhartigheid is. Ik hoop, dat u dit alles met dezelfde eenvoud zult aanvaarden, als waarmee ik het u zeg.
Voor wie de waarheid liefheeft, in de functie van het schrijven, voor die zijn de hand, die de pen vasthoudt, en het lichaam en de ziel, die er aan vastzitten, met heel hun sociale omhulsel, dingen van oneindig weinig waarde. Oneindig kleine dingen van de x-te orde. Dat tenminste is de graad van belang, die ik hecht — met betrekking tot die functie — niet alleen aan mijn eigen persoon, maar ook aan de uwe en aan die van iedere schrijver, voor wie ik achting heb. Alleen de persoon van hen voor wie ik in zekere mate minachting koester, telt voor mij, op dit gebied.
«Ik weet niet of ik u gezegd heb, in verband met die schriften, dat u er bladzijden uit kunt voorlezen, aan wie u maar wilt, maar dat u ze aan niemand in handen moet geven… Als u over drie of vier jaar niets meer van mij hoort, dan kunt u ze als uw eigendom beschouwen.
«Ik zeg u dit alles, om meer bevrijd van geest te kunnen vertrekken. Ik betreur het alleen, dat ik u niet alles kan toevertrouwen, wat ik in mij draag en wat nog niet tot ontwikkeling gekomen is. Gelukkig echter is datgene wat ik in mij draag, ofwel van geen waarde, of het woont ergens buiten mij, in een zuiver oord en in een volmaakte vorm, waar het aan geen gevaar blootgesteld is en vanwaar het steeds naar beneden kan komen. Daar dit zo is, kan verder niets, wat mij betreft, van enig belang zijn. « Ik hoop eveneens, dat, na de lichte schok van onze scheiding, u, wat er ook met mij gebeuren moge, nooit enig verdriet daarover zult ondervinden ; en, als het u soms mocht overkomen aan mij te denken, dat het dan zal zijn zoals men aan een boek terugdenkt, dat men in zijn jeugd gelezen heeft. Ik zou in het hart van geen enkel wezen, dat ik liefheb, ooit een grotere plaats willen innemen ; om zeker te zijn, dat ik hun nooit enig verdriet zal veroorzaken.
«Ik zal nooit de goedheid vergeten, die u ertoe gebracht heeft, mij enkele van die woorden te zeggen of te schrijven, die het hart verwarmen, zelfs als men er niet aan kan geloven, zoals met mij het geval is. Zij zijn niettemin een steun. Teveel misschien. Ik weet niet, of wij nog lang de gelegenheid zullen hebben elkander wederzijds op de hoogte te houden. Maar ook daarbij dienen wij te overwegen, dat dit zonder enig belang is…»
Als ik een heilige was geweest, zou ik het aanbod, vervat in deze brief, kunnen aannemen. Ik zou het ook hebben kunnen aanvaarden, als ik een zeer egoïstisch iemand was. Want in het eerste geval zou mijn ik niet tellen, en in het tweede zou het allèèn tellen. Aangezien ik het een noch het ander ben, komt daarmee de kwestie te vervallen.
Simone Weil schreef mij nog eens uit Casablanca,. en voor het laatst uit New-York. Toen de Duitsers de vrije zone eveneens bezetten, kwam er een einde aan iedere correspondentie. In November 1944, toen ik haar terugkeer in Frankrijk verwachtte, hoorde ik van gemeenschappelijke vrienden, dat zij een jaar tevoren in Londen gestorven was.

*
Simone Weil was een tè zuivere natuur om veel geheimen te hebben : zij sprak met evenveel eenvoud over zichzelf als over ieder ander ding. Het zou mij helemaal niet moeilijk vallen, door mij alleen aan mijn herinneringen en aan onze gesprekken te houden, een portret van haar te geven, dat aan de oppervlakte een sprekende gelijkenis zou vertonen en dat door zijn originaliteit alle liefhebbers van het detail en van de anecdote in verrukking zou brengen. Maar daarvoor heb ik te veel van haar gehouden : een broer kan niet over zijn zuster spreken, op de wijze waarop de ene schrijver dat over de andere kan doen. Het zou ook van weinig goede smaak getuigen, een geestelijk voedsel van zo hoog gehalte met pittoreske details te kruiden. Ik zal mij er dus toe beperken, de voornaamste trekken van haar leven, vóór en na onze ontmoeting, weer te geven.
Zij werd geboren te Parijs in 1909; en was oud leerlinge van Alain. Zeer jong, deed zij haar intrede in de « Ecole normale supérieure » en legde daar op briljante wijze haar doctoraal-examen in de philosophie af. Zij gaf daarna onderricht in verschillende lycea en mengde zich al zeer vroeg in het politieke leven. Het behoeft niet gezegd te worden, dat haar revolutionaire overtuigingen, die zij trouwens zonder de geringste bekommernis om beroepsconventies en maatschappelijke overwegingen, uitsprak, haar enkele administratieve onaangenaamheden berokkenden, die zij met een verheven minachting over zich liet komen. Glimlachend antwoordde zij aan een inspecteur, die haar met sancties bedreigde, die zelfs haar afzetting konden meebrengen: «Meneer de inspecteur, ik heb het ontslag steeds beschouwd als de normale bekroning van mijn carrière.» Zij streed in de rangen van de uiterst-linkse vleugel, maar zij was nooit lid van een of andere politieke partij. Zij beperkte zich ertoe, de zwakken te verdedigen en de verdrukten te steunen, wat ook hun politieke kleur of hun ras was. Daar zij het lot van de armen volkomen wilde delen, vroeg zij vacantie aan en werkte gedurende een jaar aan de fraismachine in de Renault-fabrieken, zonder aan iemand haar eigenlijke situatie te onthullen. Zij had een kamertje in een arbeiderswijk gehuurd en leefde van het magere loon van haar werk. Maar een longontsteking maakte een eind aan dit experiment.
Tijdens de Spaanse oorlog, trad zij in de rijen van de Roden, maar zij hoedde zich ervoor, ooit van haar wapens gebruik te maken en was derhalve meer aanvuurster dan werkelijk actief strijdster. Een lichamelijk ongeluk (door onoplettendheid had zij haar voeten in kokend vocht verbrand) bracht haar naar Frankrijk terug. In deze tragische omstandigheden, zoals trouwens in haar hele leven, omringden haar ouders haar met voortdurende zorg. Zij voelde een sterke band van liefde met haar ouders, maar dezen leefden, tengevolge van haar heldhaftige dwaasheden, in een toestand van voortdurende marteling. Die zorgen hebben inderdaad de ontknoping van dit bestaan, dat geen onzuivere band aan de aarde vasthield, vertraagd. Op zeer uitzonderlijke wijze ontbrak haar « de kracht, die de Karamazows uit de laagheid van hun natuurlijke aard putten, » en de mens doen vastkleven aan deze aarde…
Alvorens over te gaan tot een beschrijving van de houding van Simone Weil tijdens de gebeurtenissen, die een zo diepe scheuring veroorzaakten bij de Fransen, tussen de jaren 1940 en 1944, acht ik het noodzakelijk, de nadruk er op te leggen, dat het een schending van haar nagedachtenis zou zijn, de eeuwige en transcendente inhoud van haar boodschap in de zin van politieke actualiteit en vermengd met partijpolitieke twisten te interpreteren. Geen enkele sociale richting of ideologie heeft het recht, zich op haar te beroepen. Haar liefde voor het volk noch haar afkeer voor iedere vorm van onderdrukking zijn voldoende reden, om haar onder te brengen bij de linkse partijen; maar evenmin rechtvaardigen haar ontkenning van de vooruitgang en haar eerbied voor de traditie het, haar bij de rechtse in te delen. Zij legde in haar politieke bindingen dezelfde hartstocht aan de dag, die zij bij alles toonde, maar, wel verre van zich een afgod te maken uit een idee, een natie of een klasse, begreep zij, dat het sociale bij uitstek het domein van het betrekkelijke en van het kwaad is; (zij schreef: de beschouwing van het sociale vormt een even effectieve zelfloutering, als het zich uit deze wereld terugtrekken, en daarom had ik geen ongelijk, door mij gedurende zo lange tijd met politiek af te geven); en dat dus, in dit opzicht, de plicht van de bovennatuurlijke ziel niet bestaat in op fanatieke wijze een partij aan te hangen, maar in voortdurend te trachten, het evenwicht te herstellen, door aan de zijde van de overwonnenen en de onderdrukten te staan. Zo is het dus verklaarbaar, dat zij, ondanks haar afkeer voor het communisme, naar Rusland wilde vertrekken, toen dit land doodbloedde onder de Duitse laars. Dit begrip van «tegenwicht» is essentieel in haar opvatting over politieke en sociale activiteit: «Als men weet, wààr in de maatschappij het evenwicht verbroken is; dan dient men alles in het werk te stellen, om gewicht toe te voegen in die schaal van de balans, die te licht is. Zelfs als dit gewicht uit het kwaad zou bestaan, is het mogelijk, dat men zichzelf niet bezoedelt, door het met dèze bedoeling ter hand te nemen. Maar dan dient men zich wel zeer scherp bewust te zijn, van wàt en wààr het evenwicht is, en voortdurend bereid te zijn om van kamp te veranderen, precies als het recht, die overloper uit het kamp der overwinnaars.»
Een dergelijke geestesinstelling bracht haar al dadelijk na de wapenstilstand in contact met de beweging, die uit zozeer verschillende beginpunten ontstaan is en tevens zo afwijkende doeleinden had, en die samengevat wordt onder de naam « Résistance» of Verzet. Vóór haar vertrek naar Amerika, gelukte het haar slechts met grote moeite, uit de handen te blijven van de Franse staats-politie, en er zou geen twijfel over haar lot hebben bestaan, als zij in Frankrijk gebleven was, in de tijd van de grote razzia’s door de Gestapo. Dadelijk na haar aankomst in de Verenigde Staten, stelde zij alles in het werk om ingeschakeld te worden in de Résistance. Zij werkte gedurende enige tijd in de diensten van Maurice Schumann, na haar aankomst in Londen, in November 1942. Zij drong er krachtig op aan om naar Frankrijk uitgezonden te worden, maar haar té gemakkelijk te herkennen volkstype, verhinderde, haar daartoe een kans te geven. Omdat het haar derhalve onmogelijk was direct de gevaren te delen waaraan de Fransen onderworpen waren, besloot zij tenminste hun voedselbeperking te delen en zij hield zich er streng aan, zelf niet meer te gebruiken dan de hoeveelheid levensmiddelen, die in Frankrijk op bonnen te verkrijgen was. Haar reeds zeer wankele gezondheid werd door dit strenge dieet al spoedig volledig geknakt. Uitgeput door honger en verteerd door een longziekte, moest zij zich in een ziekenhuis laten opnemen. Zij leed daar zeer onder de voorkeursbehandeling, waaraan zij onderworpen was. Die trek van haar karakter had ik reeds opgemerkt, toen zij bij mij woonde : zij verafschuwde iedere uitzonderingstoestand en hartstochtelijk ver-zette zij zich tegen elke poging om haar boven het doorsnee-niveau te plaatsen. Zij voelde zich slechts op haar gemak op de laagste trede van de maatschappelijke ladder, niet te onderscheiden van de massa der armsten, één met de onterfden van deze wereld. Later werd zij naar het platteland vervoerd, maar om er te sterven; na niettemin haar vreugde erover geuit te hebben dat zij de natuur zou weerzien. Zij zeide: «De doodstrijd is de nacht van de diepste duisternis, die ook de volmaakten nodig hebben, om tot de volstrekte zuiverheid te komen. En om die reden is het ook maar beter, dat de doodstrijd bitter is.» Ik waag de veronderstelling te uiten, dat haar leven hard genoeg is geweest, om haar het geluk van een vredige dood te hebben doen kennen.
De teksten van Simone Weil behoren tot die categorie van grote werken, die door commentaar alleen maar verzwakt en zelfs vervalst kunnen worden. Mijn vriendschap voor de schrijfster en de lange gesprekken, die wij voerden, vergemakkelijkten mij de toegang tot haar denken en geven mij het recht, deze teksten in te leiden. Zij stellen mij tevens in staat, ze in het juiste licht te plaatsen of sommige te abrupte en te weinig uitgewerkte formuleringen in hun organische structuur in te voegen. Niet vergeten mag worden, dat hier, precies als bij Pascal, sprake is van voor de latere bouw gereedgelegde stenen, dag aan dag en soms haastig verzameld. Die latere bouw kwam, helaas, nooit tot stand.’ Deze teksten zijn even naakt en simpel als de geestelijke ervaring, waarvan zij de vertaling zijn. Nergens stoot men op «vulsel» tussen het leven en het woord : ziel, gedachte en uitdrukking vormen één enkel ongespleten blok. Zelfs als ik Simone Weil niet persoonlijk gekend zou hebben, dan zou alleen reeds haar stijl voor mij een waarborg geweest zijn voor de echtheid van haar getuigenis. Wat vooral in haar gedachten opvalt, is de veelzijdigheid in de mogelijkheden van hun toepassing; hun simpelheid vereenvoudigt alles, wat zij raken. Zij voeren ons mee naar de toppen van het zijn, waar het oog, met één enkele blik, cen oneindig aantal boven elkaar geplaatste horizonten kan overzien. «Alle meningen dient men in zich op te nemen, maar ze dan verticaal boven elkaar te plaatsen en ze op de hun passende hoogte onder te brengen,» zeide zij. Of ook: «Alles wat voldoende werkelijk is om boven elkaar geplaatste interpretaties te kunnen omvatten, is onschuldig of goed.» Dit kenteken van grootheid en van zuiverheid wordt op iedere bladzijde van haar werk gevonden.
Als voorbeeld diene de gedachte, waarmee de eeuwige kwestie van optimisme en pessimisme weggevaagd wordt en die Leibniz niet heeft weten op te lossen: «Alle soorten van afstanden bestaan er tussen het schepsel en God. Er is een afstand, waarop de liefde tot God onmogelijk is. Materie, planten, dieren. Het kwaad is daar zo volledig, dat het zichzelf vernietigt: spiegel van de goddelijke onschuld. Wij bevinden ons op het punt, waarop de liefde net precies mogelijk is. Dat is een groot voorrecht, want de liefde, die verenigt, is evenredig aan de afstand. God heeft een wereld geschapen, die niet de best-mogelijke is, maar die alle graden van goed en kwaad bevat. Wij bevinden ons op het punt, waar zij het slechtst is. Want iets verder ligt het punt, waar het kwaad onschuld wordt.»
Of ook deze gedachte, die het probleem van het kwaad belicht tot in de geheimen van de goddelijke liefde : « Alle geschapen dingen verzetten zich ertegen, voor mij doel te zijn. Dat is God’s onuitsprekelijke barmhartigheid te mijnen opzichte. En dat is op zichzelf het kwaad. Het boze is in deze wereld de vorm, die God’s barmhartigheid aanneemt. » Vervolgens nog deze radicale en krachtige afwijzing van alle denkers, die als Schopenhauer of Sartre, uit de aanwezigheid van het boze in de wereld tot een totaal pessimistische levensbeschouwing geraken: «Beweren, dat deze wereld niet deugt, dat het leven waardeloos is en als bewijs daarvoor geven, dat het kwaad absurd is, is dwaas. Want als dit alles inderdaad waardeloos is, van wàt berooft ons het kwaad dan?»
Of verder nog deze wet van inschuiving van het hogere in het lagere, die zij aldus formuleert: «Iedere orde, die boven een andere uitstijgt, kan in deze laatste slechts ingevoegd worden in de vorm van iets oneindig kleins, » hetgeen een completering en verdieping is van de wet der drie orden van Pascal. De wereld van het leven doet zich in de boezem van de stoffelijke wereld inderdaad voor als iets oneindig kleins: wat betekenen immers de levende wezens, vergeleken met de massa van de Planeet of die van de Kosmos? Hetzelfde geldt voor de geest ten opzichte van de wereld van het leven : op aarde bestaan minstens 500.000 soorten van levende wezens, waarvan er slechts een enkele il ben dell’intelletto bezit. En wat de wereld van de genade betreft, op haar beurt vertegenwoordigt zij slechts iets oneindig-kleins in onze profane gedachten en genegenheden: de gelijkenissen van de zuurdesem en het mosterdzaadje in het Evangelie leggen voldoende getuigenis af van het « karakter van het oneindig-kleine, dat het zuivere goed ken- merkt.»
Heel het werk van Simone Weil wordt gedreven en doordrenkt door een immens verlangen naar innerlijke zuivering, dat tot in haar metaphysiek en haar theologie opspringt. Met heel haar wezen richt zij zich naar een zuiver en absoluut goed, waarvan niets op deze aarde het bestaan bewijst, maar dat zij in zichzelf als een werkelijkheid speurt, dieper dan alles wat in haar en om haar bestaat. Zij wil het geloof in dat volmaakte wezen op een grondslag plaatsen, waar geen enkele slag van het noodlot of van het ongeluk, geen enkel roersel van de stof of van de geest het kunnen schokken. Om dit te bereiken, is het in de eerste plaats van belang uit het innerlijk leven alles te verwijderen, wat een vorm is van illusie of van compensatie (godsvrucht, gebaseerd op de verbeelding, godsdienstige «vertroostingen», een geloof, dat niet gegoten is in de onsterfelijkheid van het «ik», enz.), die maar al te vaak de naam van God usurperen en die in werkelijkheid niet anders zijn dan een toevluchtsoord voor onze zwakheden en onze hoogmoed: «Wij dienen op het niveau te letten, waarop wij het oneindige plaatsen. Als wij het dààr plaatsen, waar alleen ruimte is voor het eindige, dan komt het er weinig op aan, welke naam men er aan geeft.»
De schepping weerspiegelt God, door haar schoonheid en haar harmonie, maar door het boze en door de dood, die in haar wonen en de blinde noodzaak, die haar regeert, bewijst zij eveneens de afwezigheid van God. Wij zijn uit God voortgekomen: dat betekent, dat wij zijn stempel dragen, maar tevens, dat wij van hem gescheiden zijn. De etymologie van het woord «existeren» («buiten-staan», bestaan) is wat dat betreft, zeer welsprekend : wij bestaan (existeren), maar wij zijn niet. God, het Absolute Zijn, heeft zich in zekere zin uitgevlakt, opdat wij konden bestaan ; hij heeft er zich bij neergelegd om niet alles te zijn, opdat wij iéts konden zijn. Hij heeft zich ontdaan van zijn noodzakelijk zijn, dat samenvalt met het goed, om een andere noodzakelijkheid, die vreemd is en onverschillig aan het goed, te laten heersen. De grondwet van deze wereld, waaruit God zich door zijn scheppingsdaad zelf teruggetrokken heeft, is de wet van de zwaartekracht, die op analoge wijze op ieder niveau van het bestaan aangetroffen wordt. De zwaartekracht is de «God-vliedende » kracht bij uitstek. Zij drijft ieder schepsel tot zelfbehoud en groei en, volgens het woord van Thucydides, tot uitoefening van de kracht, waartoe het in staat is. Op psychologisch terrein drukt die kracht zich uit in alle middelen tot bevestiging en herstel van het ik, door middel van alle ondergrondse listigheden (de innerlijke leugen, de vlucht in de droom en in valse idealen, ingebeelde toeëigening van dingen uit verleden of toekomst, enz.), die wij aanwenden om innerlijk ons geschokt bestaan te consolideren, hetgeen zeggen wil, om buiten en tegenover God te kunnen blijven.
Simone Weil stelt het probleem van ons heil in de volgende termen: «Hoe kan men ontkomen aan datgene, wat in ons op de zwaartekracht gelijkt?» Uitsluitend door de genade. Om tot ons te komen, legt God de afstand van tijd en ruimte af ; zijn genade verandert niets aan het blinde spel van noodzaak en toeval, dat deze wereld regeert : zij dringt in onze zielen door als de waterdroppel, die de geologische aardlagen binnendringt zonder iets aan hun structuur te veranderen. Daar wacht zij stil tot wij er eindelijk in toestemmen om weer God te worden. Daar de zwaartekracht de wet van de schepping is, bestaat het werk van de genade erin om ons te «ontscheppen». God heeft uit liefde er in toegestemd om niet langer àlles te zijn, opdat wij iets konden zijn: wij moeten, uit liefde, erin toestemmen om niets meer te zijn, opdat God weer alles worde. Daartoe moeten wij in ons het «ik» vernietigen, het ik, «dat een slagschaduw is van de zonde en de fout, en die het licht van God tegenhoudt, waarbij wij het bovendien nog voor een zijn houden.» Buiten deze totale nederigheid, deze toestemming zonder enige restrictie om niets te zijn, blijven alle vormen van heldhaftigheid en opoffering onderworpen aan de wet van de zwaartekracht en de leugen: «Wij kunnen slechts ons eigen «ik» aanbieden. Zo niet, dan is ieder zogenaamd offer niets anders dan een etiket, geplakt op een revanche van het ik.» Om dat ik te doden, dient men zich, naakt en zonder verdediging, bloot te stellen aan alle beten van het leven, het niets aanvaarden, het onevenwichtige; nooit een compensatie voor het ongeluk na te streven en vooral het werk van de verbeelding in zich te onderdrukken, de verbeelding, die «eeuwig tracht de spleten dicht te stoppen, waarlangs de genade zou kunnen binnendringen. » Alle zonden zijn pogingen om het niets te ontvluchten. Ook moet het verleden en de toekomst opgegeven worden, want het ik is niet anders dan een concretisering van het verleden en de toekomst rondom een steeds wankel heden. De herinnering en de verwachting heffen het heilzame effect van het ongeluk op, door onbeperkte ruimte aan ingebeelde verheffingen open te laten (ik was, ik zal zijn…), maar de getrouwheid aan het huidige nù reduceert de mens inderdaad tot niets en opent op die manier voor hem de poorten van de eeuwigheid.
Het ik moet van binnenuit door de liefde gedood worden. Het kan ook gedood worden van buiten, door de uiterste mate van lijden en verworpenheid. Er bestaan zwervers en prostituées, die niet meer eigenliefde bezitten dan heiligen en wier ganse leven zich beperkt tot het nu. Daar ligt heel het drama van de verworpenheid : wat haar onherstelbaar maakt is niet, dat het te vernietigen ik iets kostbaars is — want het is bestemd om vernietigd te worden → maar dat zij God verhindert om het zèlf te vernietigen; zij ontrukt aan de liefde, die eeuwig maakt, haar prooi.
Simone Weil maakt een streng onderscheid tussen deze bovennatuurlijke slachtoffering en alle vormen van menselijke grootheid en heldhaftigheid. God is hier op aarde het zwakste en meest van alles beroofde wezen ; zijn liefde vult niet, zoals de idolen dat doen, het vleselijk deel van de ziel ; om tot hem te gaan, moet men zich in het niets, het lege aftobben, en alle dronkenschap van hartstocht en hoogmoed afwijzen, die het afschuwelijk mysterie van de dood omsluieren ; verder zich alleen maar laten leiden door het « briesje» waarover de Schrift spreekt, dat het vlees en het ik niet bemerken. «Het was al een verloochening van Petrus, toen hij tot Christus zei : ik zal u trouw blijven, want dit kwam neer op de veronderstelling, dat de bron van de trouw in hemzélf te vinden was en niet in de genade. Daar hij een uitverkorene was, is die verloochening zichtbaar geworden voor iedereen en voor hemzelf. Maar bij hoevele anderen wordt deze hovaardij voltrokken, terwijl zij er zelf geen begrip van hebben.»
Het is gemakkelijk om te sterven voor wat krachtig en sterk is, want de deelneming aan de kracht schenkt een bedwelmende dronkenschap. Bovennatuurlijk is het, te sterven voor wat zwak is : ontelbare mannen wisten heldhaftig de dood in te gaan voor Napoleon, terwijl Christus in zijn doodstrijd in de steek gelaten werd door zijn leerlingen (voor de martelaren was later de dood gemakkelijker; zij werden gesteund door de sociale kracht van de Kerk). «Er is geen enkel contact tussen de bovennatuurlijke liefde en het geweld, maar daardoor kan zij de ziel ook niet beschermen tegen het kille geweld of de koude van het zwaard. Alleen een aardse gehechtheid, als zij voldoende sterk is, kan tegen de koude van het zwaard beschermen. Een wapenrusting is, evenals een zwaard, van metaal gemaakt. Als wij een liefde verlangen, die onze ziel tegen verwondingen beschermt, moeten we iets anders dan God liefhebben.»
De held draagt een wapenrusting, de heilige is naakt. Een wapenrusting beschermt ons wel tegen slagen, maar tegelijkertijd verhindert zij het directe contact met de werkelijkheid en vooral de toegang tot de derde dimensie, welke die van de bovennatuurlijke liefde is. Als dingen wérkelijk voor ons willen bestaan, moeten zij in ons doordringen. Vandaar de noodzaak om naakt te zijn: niets kan in ons binnendringen, als de wapenrusting ons tegen verwondingen beschermt, maar tevens verhindert, hun diepte te ervaren. Iedere zonde is een aanslag op de derde dimensie, een proberen om, wat ons in de diepte zou willen doordringen, terug te brengen in het vlak van het onwerkelijke, het pijnloze. Dit is een onwrikbare wet: naar de mate waarin men in zichzelf de intieme en directe vereniging met het werkelijke wegdrukt, vermindert men zijn eigen lijden. In zijn uiterste vorm, spant het leven zich nog slechts in twee dimensies uit en is nog alleen oppervlakte : men lijdt niet méér dan in een droom, want, teruggebracht tot twee dimensies, wordt het bestaan zo vlak en plat als een droom. Hetzelfde geldt voor vertroostingen, illusies, hoogmoedige praat en alle compenserende reacties, waarmee wij trachten de leegten op te vullen, die de beet van de werkelijkheid in ons uitholt. Iedere leegte, iedere holte sluit inderdaad het aanwezig zijn van de derde dimensie in ; in een oppervlakte kan men niet binnen gaan en het dichtstoppen van een gat komt neer op het zoeken van een toevlucht en een afzondering aan de oppervlakte. Het adagium van de oude natuurkunde: «De natuur verafschuwt het vacuüm,» is even streng toepasselijk op de psychologie. De genade heeft echter juist behoefte aan dit vacuüm om in ons te kunnen binnen- dringen.
Dit proces van «ont-schepping» — de énige weg naar het heil — is het werk van de genade en niet dat van de wil. De mens kan zich niet ten hemel verheffen, door zich aan zijn eigen haar op te hijsen. De wil is alleen goed voor slaafse taken : zij zorgt voor de correcte beoefening van de natuurlijke deugden, die vooraf verworven dienen te worden, vóór de genade haar werk beginnen kan, precies zoals de arbeid van de boer aan het zaaien vooraf- gaat. Het goddelijke zaad komt van elders… Evenals Plato en Malebranche, hecht Simone Weil veel meer belang aan de waakzame aandacht, dan aan de wil. «Wij dienen onverschillig te zijn tegenover het goede en het kwaad, maar dan werkelijk onverschillig of in andere woorden, wij moeten het licht van de aandacht gelijkmatig over het een en het ander laten vallen. Dan behaalt het goede de overwinning tengevolge van een automatisch fenomeen.» Dit hogere soort van automatisme moet geschapen worden en men verkrijgt het niet door het ik te forceren en op gewelddadige wijze zijn aanleg te dwingen, het goede te doen (er be- staat niets, dat meer vernederend is, dan een acte van hogere orde te verrichten in een zielestaat van lagere orde), maar door die staat van volkomen voegzaamheid ten opzichte van de genade te bereiken — met behulp van zelfverloochening en liefde —, waaruit het goede spontaan voortvloeit. «De daad is de naald van de weegschaal. De naald dient niet aangeraakt te worden, maar de gewichten.» Maar het is helaas eenvoudiger, de naald te verstoren, dan zijn eigen gewicht te wijzigen in deze « goud-balans van Zeus ».
De godsdienstige waakzaamheid verheft ons derhalve boven de « dwaling der tegenstellingen » en boven de keuze tussen goed en kwaad. «De keuze is een begrip van lage orde.» Zolang ik slinger tussen niet of wél verrichten van een boze daad (bijvoorbeeld, al dan niet bezitnemen van de vrouw, die zich mij aanbiedt, wel of niet die vriend verraden), verhef ik mij nauwelijks boven het kwaad, dat ik van mij afstoot; zelfs als ik het goede kies.
Wil mijn «goede» daad werkelijk zuiver zijn; dan moet ik de ellendige slingering beheersen en moet het goede, dat ik naar buiten verricht, de precieze uitdrukking zijn van mijn innerlijke noodzaak. In dit opzicht gelijkt de heiligheid op de verworpenheid: evenmin als een veil mens geen ogenblik aarzelt bezit te nemen van een vrouw, zodra zijn hartstocht aan het woord is of een vriend te verraden, wanneer zijn belang dit eist, zomin heeft een heilige te kiezen om trouw en zuiver te blijven : hij kàn eenvoudig niet anders en hij gaat recht op het goede af, zoals een bij naar de bloem.
Het goede, dat men kiest door het op de weegschaal met het kwaad te leggen, heeft alleen maar sociale waarde ; in de ogen van Hem, die in het verborgene ziet, spruit het uit dezelfde motieven voort en is het bekleed met dezelfde vulgariteit als het kwaad. Vandaar de zo dikwijls opgemerkte verwantschap tussen zekere vormen van de « deugd » en de tegenover haar staande zonde : diefstal en eerbied voor eigendom, overspel en «fatsoenlijke vrouw », spaarbank en verkwisting, enz. Het ware goed vormt geen tegenstelling met het kwaad (om iets rechtstreeks tegenover iets anders te stellen, dienen beide zich op hetzelfde plan te bevinden : het stijgt erboven uit en wist het weg). «Wat het kwaad schendt, is niet het goede, want het goede is onschendbaar ; slechts het goede van lagere orde kan geschonden worden.»
De ziel, die op aarde het goede nastreeft, stoot op niet op te heffen tegenstellingen. De tegenspraak is het criterium voor de werkelijkheid. « Ons leven is onmogelijk en absurd. Alles wat wij willen is in tegenspraak met de voorwaarden of de consequenties, die eraan vastkleven. Reden daarvan is, dat wij zelf tegenspraak zijn, omdat wij tegelijk schepsel zijn, God en oneindig anders dan God. »Wie kinderen zonder tal heeft, begunstigt overbevolking en oorlog (in dit opzicht is het voorbeeld van Japan typerend) : verbeter het lot van het volk en men loopt het risico de volksziel te bederven ; wijd je met hart en ziel aan iemand en je houdt weldra op, voor hem te bestaan, enz. Alleen het imaginaire goed draagt geen tegenspraak in zich : het meisje, dat een talrijk nageslacht wenst, de sociale hervormer, die over het geluk van zijn volk droomt… zij allen stoten op geen enkele hinderpaal, zolang zij niet tot de daad overgaan : met volle zeilen varen zij in een zuiver, maar fictief goed ; de schok tegen de klip is het teken om wakker te worden. Wij moeten deze tegenspraak, het kenteken van onze ellende en van onze grootheid, aanvaarden in al haar bitterheid. Door deze absurditeit, die wij, als zodanig, moeten beleven en doorlijden, tot de grond toe, in deze wereld van dooreengestrengeld goed en kwaad, moeten wij het pure goed bereiken, waarvan het rijk niet van deze aarde is. « Zuiver is die daad, welke wij verrichten kunnen door onze intentie geheel te richten op het zuivere, onmogelijke goed en zonder ons te hullen in welke leugen dan ook, die zowel de aantrekking als de onmogelijkheid van het pure goed onzichtbaar maakt.» In plaats van met dromerijen de afgrond tussen het onafwendbare en het goed te vullen (geloof in God, opgevat als een vader in het tijdelijke, in de wetenschap of in de vooruitgang…) moeten de twee polen van de tegenspraak als zodanig aanvaard worden; en moet men zich door de afstand ertussen uiteen laten scheuren. In die uiteenrijting, die een weerspiegeling is in de mens van de scheppingsakt, die God uiteenrijt, vindt men dan de oorspronkelijke identiteit van de noodzaak en het goede weer : « In zoverre zij geheel leeg van God is, is deze wereld God-zelf. In zoverre de noodzaak absoluut anders is dan het goede, is zij het goede-zelf. Daarom schept iedere troost in het ongeluk een verwijdering tussen ons en de liefde en de waarheid. Dit is het grootste mysterie van alle mysteries. Raakt men het, dan is men in zekerheid.» Wie zich verzet tegen deze samenvloeiing, is veroordeeld tot het lijden. Sinds Antigone, die de bewaker van de aardse stad uitnodigt, om haar liefde aan de doden te wijden, tot aan Simone Weil zelf, die door de menselijke onrechtvaardigheid gekruisigd werd totterdood, is het ongeluk het lot van al degenen, die het absolute liefhebben, maar verdwaald zijn in het betrekkelijke : « Als men het goede alleen maar verlangt, dan bevindt men zich in tegenspraak met de wet, die het goede aan het kwaad verbindt, zoals het verlichte voorwerp aan zijn schaduw vastzit. En, omdat men in tegenspraak is met de universele wet van de wereld, is het onvermijdelijk, dat men in het ongeluk valt. » Zolang de ziel niet volkomen leeg van zichzelf is, brengt deze dorst naar het volmaakte goed uitboetende smart voort ; in een volmaakt onschuldige ziel brengt zij de verlossende smart voort: «Onschuldig zijn, betekent het gewicht van de hele aarde dragen. Het komt neer op het uitwerpen van het tegenwicht.» Zuiverheid neemt dus de smart niet weg; zij boort de smart integendeel uit tot in het oneindige, maar geeft er een eeuwigheids-zin aan: «De uitzonderlijke grootheid van het christendom bestaat daarin, dat het niet zoekt naar een bovennatuurlijk geneesmiddel tegen het lijden, maar naar een bovennatuurlijk gebruik ervan.»

Het mysterie van het lijden, dat de mens « ont- schept» en hem aan God teruggeeft, vindt zijn zwaartepunt in het mysterie van de Menswording. Als God niet mens geworden was, dan zou de mens, die lijdt en sterft, in zekere zin groter zijn dan God. Maar God is mens geworden en hij is gestorven op het kruis. « God heeft God in de steek gelaten. God heeft zichzelf leeggemaakt en deze woorden omvatten de Schepping, de Menswording en het Lijden, alles tegelijk… Om ons te leren dat wij niet-zijn, heeft God het niet-zijn aangenomen.» Met andere woorden: God is schepsel geworden om ons te leren ons te ontdoen van het schepsel in ons, en de liefdedaad, waardoor hij zich van zichzelf gescheiden heeft, brengt ons naar hem terug. In het aannemen van de menselijke toestand, en wel in zijn meest miserabele vorm, zijn meest tragische uitdrukking, ziet Simone Weil het wezenlijke van Jezus Christus’ bemiddelende functie; de uiterlijke tekenen en de wonderen vormen het menselijke, zo men wil, làgere deel van zijn zending; het bovennatuurlijke deel bestaat uit zijn doodsstrijd, zijn bloedzweten, zijn kruis en zijn vergeefse kreten naar de zwijgende hemel. Het woord van de Verlosser: «Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?» dat alle benauwenissen van het schepsel vertolkt, geslingerd in de tijd en in het kwaad, en waarop de Vader antwoordt met volledig zwijgen, dat woord is voldoende om de goddelijkheid van het christendom te bewijzen.
De mens kan zijn heil slechts bereiken, door in dit naakte ogenblik te leven, en verleden en toekomst op te geven. En dit sluit tegelijk de mythe van de al maar voortdurende vooruitgang van de mensheid uit, zelfs als die ons in de vorm van een goddelijke pedagogie voorgesteld wordt. Er bestaan maar weinige zo goddeloze ideeën als dit, want het tracht ons in de toekomst te laten vinden wat alleen de eeuwigheid schenken kan, hetgeen erop neer komt, dat het ons van God afkeert. «Niets kan tot bestemming hebben, wat het niet als oorsprong heeft. Een idee met zichzelf in tegenspraak, dat idee van de vooruitgang, een gif.» Dat wil ook weer niet zeggen, dat het mensdom in de tijd geen nieuwe verworvenheden kan krijgen, maar deze kunnen nooit onbepaald zijn, daar zij aan de tijd gebonden zijn. En de tijd verslindt tenslotte altijd, wat zij gebaard heeft. Als onherleidbaar iets anders dan de eeuwigheid, is de tijd voor ons de toegang naar de eeuwigheid. Wij mogen er geen Ersatz van de eeuwigheid van maken.
Uit deze voor onze redding absoluut noodzakelijke voorwaarde : te leven op het loutere ogenblik en te werken in leegte, ontwikkelt Simone Weil een magnifieke theorie van spiritualiteit van de handenarbeid. Want dit werk brengt de mens in rechtstreekse aanraking met de absurditeit en de tegenspraak, die karakteristiek voor het leven op aarde zijn; en het kan de werker, als hij eerlijk is, de hemel laten raken:« Het werk laat op benauwende wijze het fenomeen voelen van de als een bal telkens terugkaatsende finaliteit (eindige doelstelling) : werken om te eten, eten om te werken… Als men alleen één van beide zich als doel stelt, of wel : nu eens het een, dan weer het ander; is men verloren. Alleen de cyclus bevat de waarheid.» Om die cyclus echter te kunnen voltrekken, dient men zich van de toekomst af te keren en zich te verheffen tot het eeuwige. «Niet de godsdienst, maar de revolutie is opium voor het volk.»
Ontelbare betrekkelijke objecten, die allen het etiket van het absolute dragen, komen zich op aarde dringen tussen de ziel en God. Zolang de mens niet bereid is om niets te worden, teneinde àlles te worden, heeft hij afgodsbeelden nodig. « De afgodendienst is een noodzaak van vitale orde in de spelonk.» Onder deze idolen is dat van het sociale, van de collectieve ziel het sterkst en het gevaarlijkst. De meeste zonden houden rechtstreeks verband met het sociale : zij worden gedicteerd door de dorst om iets schijnen te zijn en om te heersen. Hieruit mag niet de gevolgtrekking gemaakt worden, dat Simone Weil het sociale als zodanig verwerpt; zij is er zich van bewust, dat het milieu, de vastworteling, de traditie e. d. bruggen vormen, «metaxu’s» tussen aarde en hemel; maar zij verwerpt de totalitaire gemeenschap, die door Plato als het « dikke beest » gesymboliseerd wordt en als het Beest in de Apocalyps, welks macht en prestige in de ziel Gods plaats overwoekeren. De verafgoding van het sociale— of zij zich nu voorstelt onder het mom van behoudzucht of revolutie en of zij bestaat in aanbidding van de huidige of de toekomstige gemeenschap, zij neigt steeds ertoe om de waarachtige mystieke traditie te verstikken of te vervangen. Zij ligt ten grondslag aan alle vervolgingen tegen profeten en heiligen; door haar werden Antigone en Jeanne d’Arc veroordeeld en werd Jezus Christus gekruisigd. Het sociale Beest biedt de mens een Ersatz van godsdienst aan, dat hem veroorlooft, boven zichzelf uit te stijgen, zonder dat hij zich behoeft leeg te maken en, dientengevolge, hem met weinig inspanning in staat stelt, God aan de dijk te zetten.
De grootste deugden zijn vatbaar voor een sociale nabootsing, die hen onmiddellijk verlaagt tot de rang van farizeïsme: «Farizeeër is hij, die, uit onderworpenheid aan het dikke beest, deugdzaam is. » Twee volken uit de Oudheid belichamen deze verafgoding van de collectieve ziel : Israël en Rome. «Rome is het dikke atheistische, materialistische beest, dat slechts zichzelf aanbidt. Israël is het grote godsdienstige beest. Geen van beide zijn beminnenswaard. Een dik beest werkt altijd afstotend. » Het conflict tussen Israël en Rome, waarin Nietzsche het duel tussen twee tegengestelde levensbeschouwingen zag, beperkt zich, in de geest van Simone Weil, tot de strijd tussen twee totalitarismen van dezelfde aard. Het is evenwel van belang, er de nadruk op te leggen, dat haar antisemitisme, dat zo heftig was, dat de door de Kerk vastgestelde continuïteit van het Oude en het Nieuwe Testament voor haar een onoverwinnelijke hinderpaal vormde om katholiek te worden, zijn grondslag uitsluitend op. geestelijk terrein vond; en, bijgevolg, niets gemeen had met wat men thans onder dit woord pleegt te verstaan. Zij koesterde bijvoorbeeld dezelfde afkeer voor het antisemitisme van een Hitler als voor het in de tijd gedachte messianisme van de Joden. Hoe dikwijls heeft zij mij niet over de joodse grondslagen van het antisemitisme gesproken! Zij hield ervan te herhalen, dat Hitler op hetzelfde terrein als de Joden op jacht ging en hen alleen maar vervolgde om in zijn eigen voordeel, maar onder een andere naam hun stamgod, hun aardse, wrede en exclusieve god weer ten leven te wekken. Haar afschuw voor de verafgoding van het sociale strekte zich, vanzelfsprekend, eveneens uit tot alle andere vormen van totalitaire mystiek en zeer in het bizonder tot die van het marxisme. Ofschoon zij bewondering koesterde voor de Katholieke Kerk, ontkwam ook deze niet aan haar scherpe critiek van het sociale : haar Joodse oorsprong, haar Romeinse afkomst, haar inmenging in tijdelijke aangelegenheden, haar organisatie en haar hiërarchie, haar concilies, bepaalde formules als «buiten de Kerk geen heil » of wel anathema sit en sommige van haar historische manifestaties zoals de Inquisitie, kwamen haar als weliswaar hogere, maar niettemin evenzeer te duchten vormen van sociale verafgoding voor. Zij geloofde niettemin steeds in de goddelijke tegenwoordigheid en inspiratie van de Kerk. «Hoe gelukkig, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen, schreef zij in de laatste tijd van haar leven; aldus blijft er een onbederfelijke kern van waarheid over.»
Dit is in zijn grote lijnen, de gedachtenwereld van Simone Weil. Het schematische karakter van dit exposé laat, uit de aard der zaak, talloze nuances, die haar leer kunnen preciseren, bekrachtigen of in evenwicht brengen, buiten beschouwing. Een introductie kan echter, zoals de naam reeds aanduidt, niet anders zijn dan een uitnodiging om een drempel te overschrijden.
Ik zal er wel niet de nadruk op behoeven te leggen, dat mijn vriendschap en verering voor Simone Weil; mijn verdriet haar verloren te hebben en mijn vreugde haar iedere dag weer terug te vinden over de grenzen van de dood heen; het geluk van mij steeds weer te kunnen laven aan haar gedachten; maar vooral die onoverwinnelijke gevoelens van schroom en respect, die het kenmerk zijn van iedere echte intimiteit, mij de poging tot de noodzakelijke objectiviteit, om een critische analyse van haar werk te ondernemen, bijna onmogelijk maken.
Ik ben katholiek ; Simone Weil was het niet. Ik heb er nooit een seconde aan getwijfeld, dat zij oneindig veel verder gevorderd was in de experimentele kennis van de bovennatuurlijke waarheden dan ik zelf, maar, naar buiten, bleef zij steeds toeven aan de buitenrand van de Kerk en heeft nooit het doopsel ontvangen. Uit een van de laatste brieven, die zij mij schreef, spreekt duidelijk haar houding ten opzichte van het katholicisme: «Op dit ogenblik zou ik eerder bereid zijn voor de Kerk te sterven — als zij op zekere dag nodig heeft, dat men voor haar sterft — dan haar binnen te treden. Sterven verbindt iemand tot niets, als men het zo zeggen mag; dat sluit geen leugen in… Nu heb ik het gevoel, een leugenachtige houding aan te nemen, zou doen : buiten de Kerk blijven, of er binnen te gaan. De vraag is nu maar, waar de kleinste leugen is…» Nooit is mijn overtuiging aan het wankelen gebracht, betreffende het feit, dat Simone Weil Jezus Christus een heldhaftige liefde toedroeg, maar dat neemt niet weg, dat haar leer, ofschoon zeer dikwijls evenwijdig lopend aan de grote christelijke waarheden, niets specifiek katholieks heeft; en dat zij nooit het universele leerambt van de Kerk heeft aanvaard. Nu ontkomt een katholiek, die een oordeel moet vellen over de gedachten van een niet-katholiek, moeilijk aan twee elkander tegengestelde excessen. Het eerste bestaat daarin, om de gedachten in kwestie te confronteren met de beginselen van de speculatieve theologie en om dan onverbiddelijk alles, wat van buiten gezien niet in overeenstemming schijnt te zijn met de orthodoxe leer, te veroordelen. Die methode heeft de voordelen van de borstweringen, die altijd noodzakelijk zullen blijven op de bruggen, die naar God leiden, maar, als zij toegepast wordt zonder begrip en zonder liefde, loopt zij gevaar, in een verkeerde toepassing van het evangelie-voorschrift te vervallen : als uw oog u hindert… Daar ik geen theoloog ben, noch de speciale op- dracht heb om de inhoud van het christelijk geloof
te verdedigen, ben ik in geen enkel opzicht gerechtigd tot een dergelijke onderneming. Ik ben ook geenszins van plan het air aan te nemen van een kamer-theoloog, die gewapend met een soort goddelijke Baedeker, zich zou kunnen veroorloven om een uitspraak zonder mogelijkheid tot hoger beroep te doen over een zelfs onvolledig rapport van een heldhaftig reiziger… Het tweede gevaar bestaat daarin, tegen iedere prijs, de gedachten, die men bestudeert, te willen ombuigen en forceren in de zin van de katholieke waarheid. Dit is een evident misbruik van het compelle intrare. Wij zijn van mening, dat alles, wat er waar en zuiver in een menselijk werk of leven aangetroffen wordt, op natuurlijke wijze zijn plaats vindt in de katholieke synthese, zonder dat het nodig is het te forceren of te wringen, om het te doen binnentreden. Het is evenmin nodig, dat wij alles aan ons trachten te trekken, op de manier van een gierigaard, die zijn schat wil vergroten, want alles is al van ons, om- dat wij van Christus zijn…
Het is dus niet mijn taak, vast te stellen, in welke mate het denken van Simone Weil al dan niet orthodox is. Ik zal mij er dus toe beperken, aan te tonen — en zonder dat mijn getuigenis iemand anders dan mijzelf bindt — in welke zin een christelijke ziel die gedachte kan interpreteren, en er aldus voedsel voor haar geestelijk leven in kan vinden. Vooral wil ik er voor waken om met Simone Weil een woordgevecht te beginnen. Haar woordenschat is die van de mystici en niet die van de speculatieve theologie : zij probeert niet de eeuwige orde der essentiële waarheden uit te drukken, maar het zeer concrete zoeken naar een weg door een ziel, die naar God dorst. Alle geestelijke schrijvers zijn daartoe beperkt. Als Christus tot Catharina van Siena zegt, in de Dialoog: «Ik ben degene die ben, gij, die niet zijt, » dan is deze formulering, waarmee het schepsel tot niets gereduceerd wordt, niet aanvaardbaar op het niveau van ontologische kennis. Hetzelfde geldt voor uitdrukkingen, die door zovele mystici gebezigd worden, als zij spreken over de «armoede van God, zijn afhankelijkheid van het schepsel, enz.»: zij zijn waar naar de orde van de
liefde, maar onjuist naar die van het zijn. Met volmaakt-strenge metaphysische redenering, heeft Jaques Maritain als eerste aangetoond, dat deze twee vocabulaires elkander niet tegenspreken, want de ene manier van uitdrukken is die van de speculatieve kennis en de andere die van de practische en affectieve kennis.
Er zijn vooral twee dingen in het werk van Simone Weil, die de enkele vrienden, aan wie wij haar manuscripten ter lezing gaven, gechoqueerd hebben. Ten eerste de absolute breuk, die zij ziet tussen de geschapen wereld en een transcendente God, die zichzelf handen en voeten vastgebonden heeft tegenover het boze en die het heelal overgelaten heeft aan het spel van het toeval en het absurde. Deze scherpe scheiding dreigt, als consequentie, de uitschakeling van de Voorzienigheid en van de vooruitgang mee te brengen in de historie en dientengevolge een verkeerde opvatting en miskenning van de waarden en de plichten hier op aarde. En in de tweede plaats haar phobie voor het sociale, die het individu in hoogmoedige zelf genoegzaamheid dreigt te isoleren. Wij wijzen er nogmaals op, dat Simone Weil als mystica, en niet als metaphysica, spreekt. Wij willen ook graag bekennen dat de aanleg van haar genie, die haar er voortdurend toebrengt om de nadruk te leggen op de onherleidbaarheid van het bovennatuurlijk factum, haar er toe doet neigen, dikwijls de aanknopingspunten en de overgangselementen tussen natuur en genade over het hoofd te zien.
Niets staat méér vast, dan het feit dat zij zekere aspecten van de christelijke godsvrucht miskend heeft. Maar dat geeft nog niet het recht te verklaren, dat het aspect, dàt zij beschrijft, niet christelijk zou zijn. Geen enkele menselijke ervaring — behalve die van de Christus — heeft ooit de bovennatuurlijke waarheid in haar geheel kunnen omvatten. De Heilige Johannes van het Kruis legt niet het accent op dezelfde goddelijke waarheden, als de Heilige Bonaventura. Er zijn verschillende geestelijke scholen; en van de mystici kan men zeggen, wat de dichter zeide over de mensen in het algemeen (met vervanging van het woord «wereld» door «God») :
Dass jeder sieht die Welt in seinem Sinn,
Und jeder siehet recht, so viel ist Sinn darin!
Wanneer er, zoals het Evangelie zegt, verschillende woningen in de hemel zijn, zo zijn er eveneens verschillende wegen, die naar de hemel voeren.
Simone Weil koos de negatieve weg: «Er zijn mensen voor wie alles wat hier beneden naar God leidt, heilzaam is; voor mij is slechts heilzaam, wat mij van hem verwijdert. »Gelijkt deze koninklijke weg naar het heil, die daaruit bestaat : God te vinden en te beminnen in datgene, wat absoluut ànders dan God is (de blinde noodzaak, het niets, het kwaad…) niet zeldzaam op die der bestijging van de berg Carmel, waarbij de mens als gids slechts één woord heeft: niets? Spreekt de H. Johannes van het Kruis in minder absolute termen over het niets van de geschapen dingen en onze liefde daarvoor?« Heel het zijn van de schepselen is niets vergeleken met het oneindige wezen van God, en zo is ook de ziel, in de gevangenis van het geschapene, niets. Heel de schoonheid van de schepselen is hoogste lelijkheid tegenover Gods oneindige schoonheid. Iedere bevalligheid en charme van de schepselen is zouteloos en weerzinwekkend tegenover de goddelijke schoonheid. Al, wat er aan goedheid leeft in de schepselen, is in tegenwoordigheid van de goddelijke goedheid hoogste sluwigheid. God alleen is goed…»
Overigens, ook al verwerpt de « theologie» van Simone Weil het begrip van een « God voor de brave lieden »,die over de wereld heerst bijwijze van huisvader of van aards vorst, zij sluit geenszins de werking van de Voorzienigheid uit, in de hoge zin van dit woord. De begrippen : toeval, noodlot en Voorzienigheid blijven wààr op alle trappen van het zijn. Het lijdt geen twijfel, dat de stof en het boze hier op aarde« heel de causaliteit, die hun eigen is, uitoefenen »: het schouwspel van de talloze verschrikkingen uit de historie is er voldoende bewijs voor, dat het Rijk Gods niet van deze wereld is (noemt de H. Schrift de duivel niet princeps huius mundi?). Niettemin blijft God tegenwoordig, op mysterieuze wijze, in de schepping : zijn genade dringt speels door de wetten van de zwaartekracht heen, zoals de stralen van de zon door de nevels, zonder iets te wijzigen in de fataliteiten, die op ons drukken. Déze God « die in zijn liefde zwijgt » laat de ellende van de mens niet onverschillig, op de manier van de God van Aristoteles of van Spinoza. Uit liefde voor zijn schepsel trekt hij zich schijnbaar terug uit de schepping; om dit schepsel te brengen tot de hoogste zuiverheid, laat hij het, alleen en verlaten, heel de uitgestrektheid van het lijden en van de nacht doortrekken. God vraagt de mensen, in hem de liefde lief te hebben, door zichzelf machteloos tegenover het kwaad te maken, en door alles, wat op tijdelijke macht en prestige lijkt, af te leggen. « Hij geeft zich aan de mensen slechts op twee manieren : als de machtige of als de volmaakte — aan hen de keuze overlatend. » Op aarde nu is oneindige volmaaktheid oneindige zwakheid : en, als liefde, hangt God, in zijn geheel, aan het kruis…
Simone Weil miskende geenszins de waardigheid en de noodzaak van de tijdelijke waarden. In hen ziet zij middelaars tussen de ziel en God, metaxu’s.« Wat is heiligschennis om te vernietigen ? Niet datgene wat laag is, want het is van geen belang. Ook niet, wat hoog is, want het is onaantastbaar. Alleen
de metaxu’s. De metaxu’s zijn het gebied van goed en kwaad… Geen menselijk wezen mag beroofd worden van deze betrekkelijke en gemengde goederen (huis, vaderland, tradities, cultuur, enz.) die de ziel verwarmen en voeden en zonder welke, buiten de heiligheid, geen mens kan leven.» Maar deze betrekkelijke en gemengde goederen kunnen alleen als zodanig behandeld worden door hen, die door God heen, totale onthechting bereikt hebben; alle anderen maken er in mindere of meerdere mate afgoden van: «Alleen wie God liefheeft met een bovennatuurlijke liefde kan middelen ook werkelijk als middelen zien.»
Wat zij ook gezegd moge hebben over de « keuze, begrip van lager orde» en over de absolute uit werkingsloosheid van iedere wilsinspanning op bovennatuurlijk gebied, daarom is Simone Weil nog geen voorstandster van het quietisme. Integendeel, zij herinnert er ons voortdurend aan, dat ieder mystiek leven slechts een illusie is, zonder de voortdurende en strenge beoefening van de natuurlijke deugden. De « causa » van de genade woont buiten de mens, maar zijn « conditio » bevindt zich in hem. Simone Weil’s haat tegen alles wat illusie is, vooral wanneer deze zich hult in de vorm van gevoelsgodsvrucht, dus een soort godsdienstige « Schwärmerei», vormt een tegenwicht tot alles, wat bij een zo uitgezuiverde spiritualiteit, verbeelding en hoogmoed zouden kunnen strelen. Zoals de Heilige Johannes van Het Kruis, hield zij ervan, telkens weer erop te wijzen, dat de influisteringen, die de mens weerhouden van het vervullen van eenvoudige en lagere plichten, niet van God komen. « De plicht is ons gegeven om het ik te doden… Het waarachtige gebed kan pas dan bereikt worden, nadat wij onze wil afgestompt hebben op de strikte inachtneming van de regels.» Iedere godsdienstige exaltatie, die niet gebaseerd is op de strikte volvoering van de dagelijkse plichten, boezemde haar zo weinig vertrouwen in, dat de zeldzame tekortkomingen, — hoofdzakelijk te wijten aan haar broze gezondheid, — die haar bij het volbrengen van haar dagelijkse taak overkwamen, haar steeds aan het twijfelen brachten omtrent de echtheid van haar geestelijke roeping. « Al deze mystieke verschijnselen, » zo schreef zij tegen het eind van haar leven, met een hartverscheurende nederigheid, « vallen volkomen buiten mijn competentie. Ik begrijp er niets van. het privilege van hen, die de elementaire morele deugden bezittén, om te beginnen. Ik praat er maar in het wilde weg over. En eigenlijk ben ik niet eens in staat, in alle oprechtheid te zeggen, dàt ik er maar in het wilde weg over praat.»
Ik zal niet blijven stilstaan bij de politieke opvat- tingen van Simone Weil, en dit met te meer reden, omdat ik die volkomen deel. Iemand anders dan ik zou ontroerende effecten kunnen halen uit het verhaal van haar leven, dat, naarmate het onder invloed kwam van de overweging en het geloof, aan dit in wezen revolutionaire karakter steeds meer het stempel van de eerbied voor het verleden en voor de traditie opdrukte. Want Simone Weil is steeds revolutionaire gebleven, en zij werd dit steeds meer, niet onder het teken van een of andere hersenschimmige toekomst, die de mens afleidt van wat hij is, maar uit naam van iets eeuwig-onveranderlijks, dat steeds weer gesteund en opnieuw opgericht dient te worden, aangezien het de neiging heeft om in het tijdelijke te degraderen. Simone Weil geloofde niet in een voortdurende ontwikkeling naar de vervolmaking van het mensdom : integendeel, zij geloofde, dat de geschiedenis eerder een bewijs voor de juistheid van de wet der entropie was, dan voor die van de vooruitgang à la Condorcet. Het is niet nodig, dat ik haar verdediging op mij neem op dit punt : ik meen, dat het geenszins ketters is, de grote Griekse traditie te volgen, die zegt, dat «iedere verandering slechts beperkt of cyclisch kan zijn». Wat haar uitvaren tegen het sociale Beest betreft, hoe overdreven zij zich daarbij misschien betoonde, men behoeft dit maar in de samenhang te plaatsen, om tot de overtuiging te geraken, dat geen enkele mate, een apologie van de anarchie voorstond. «Het sociale is onherroepelijk het domein van de vorst van deze wereld,» schreef zij. «Onze plicht tegenover het sociale bestaat uitsluitend daarin, het kwaad te beperken… Het goddelijk etiket op het sociale: een bedwelmend mengsel, dat iedere vrijheid veroorlooft… en dat niet anders als de vermomde duivel is.» Maar terstond voegt zij daaraan toe: «Moet er dan toch een ‘stad’ zijn? Zeker, maar die heeft niets met het sociale te maken: zij is een menselijk milieu, dat men zich evenmin bewust is, als lucht, die men inademt. Een contactmogelijkheid met de natuur, het verleden en de traditie. Een plek, waarin wij onze wortels slaan, is nog iets anders als het sociale.» In andere woorden gezegd: de sociale invloed is tegelijkertijd voedsel en vergif; voedsel inzover hij de mens de innerlijke uitrusting verschaft om als mens te leven en tot God te komen; gif, in de mate waarin hij hem zijn vrijheid ontrooft en in hem de plaats van God tracht in te nemen. Dat is het eeuwig ingrijpen van het sociale op goddelijk terrein — de onophoudelijke degradatie van de politieke mystici, waar- van de geschiedenis vol is, die heden meer dan nog ooit tevoren, bewijs geven van de ernst van dit laatste gevaar.
Mutatis mutandis, zijn dezelfde opmerkingen van toepassing op de Kerk. Het is duidelijk, dat een zo naar het absolute dorstende geest, als die van Simone Weil, noodzakelijk een weinig te kort schoot, waar het gaat om begrip voor de historische betrekkelijkheid: het nolite conformari huic saeculo, was voor haar een gebod zonder enige restrictie. Zij kon maar moeilijk inzien, dat bepaalde concessies, die de Kerk aan tijdelijke behoeften doet, haar eeuwige ziel geenszins binden: de zaligverklaring van Karel de Grote leek haar een schandalig compromis met de sociale afgod. Ergens maakt zij de Kerk uit voor « dik totalitair beest ». Wat heeft dat te betekenen? Het totalitarisme kenmerkt zich door een gelijktijdige afwijzing van alles en een pretentie van alles te zijn. Wijl de Kerk op aarde de boodschapster van het Al is, heeft zij het niet nodig, totalitair te zijn. In zoverre het verwijt van Simone Weil gerechtvaardigd is, kan het dus slechts bepaalde leden van het lichaam van de Kerk raken, die willekeurig de toegangen naar de liefde afgrendelen, evenals die naar de waarheid; en die daardoor de universele roeping van het katholicisme miskennen. Het is niet de bedoeling om — vooral in een tijd, waarin zoveel katholieken niet aarzelen, de zwepen te verschaffen, waarmee hun Moeder geslagen wordt — de discussies weer op te rakelen over het begrip: «de Kerk, lichaam van zonden».
Laten wij slechts vaststellen, dat, toen Christus zei-de, dat «de poorten der hel haar niet zullen overweldigen», hij daarmee niet de verzekering gaf, dat alles ten eeuwige dage ongerept zou blijven in de Kerk, maar alleen, dat, dóór alles heen, in haar de schat van het geloof bewaard zou worden. De wortelen van de Kerk liggen in God vast: dat neemt niet weg, dat er verdorde of vermolmde takken aan de boom zitten. Geloof bezitten, betekent: geloven, dat het goddelijke sap haar nooit ontbreken zal. Het behoud van deze «onbederfelijke kern van de waarheid», volgens de uitdrukking zelf van Simone Weil, dwars door alle onzuiverheden, die kleven aan het lichaam van de Kerk, heen, vertegenwoordigt trouwens een van de zékerste bewijzen van het goddelijke in het katholicisme. De Kerk kan alleen «dik totalitair beest » worden in de mate, waarin haar menselijke verschijning zich totaal zou afscheuren van haar goddelijke ziel. En dat is een onmogelijke veronderstelling, aangezien de poorten der hel haar niet zullen overweldigen… En in onze tijd blijkt zij het laatste toevluchtsoord te zijn van het universele, tegen de ontketende totalitarismen.
De uitdrijving van de sociale afgod brengt bij Simone Weil dus geen godsdienstig individualisme mee. « Het ik en het sociale vormen de twee grote afgoden.» De genade bevrijdt ons zowel van de ene als van de andere. Dat is ongetwijfeld wat Célestin Bouglé, op zijn manier, probeerde uit te drukken, toen hij zei, in Simone Weil, als studente «een mengsel van anarchiste en pastoorsgekkin» te zien.

*
Simone Weil kan slechts begrepen worden op het niveau, waarop zij gesproken heeft. Haar werk richt zich tot de zielen, die misschien niet als de hare even onthecht zijn, maar althans in zichzelf het verlangen bezitten naar het pure goed, waaraan zij haar leven en haar dood gewijd heeft. De gevaren van een dergelijke spiritualiteit ontgaan niemand : de vreselijkste duizelingen worden door de hoogste toppen veroorzaakt. Maar, als het licht kàn branden, dan is dat geen voldoende reden om het onder de korenmaat te houden.
Het gaat hierbij niet om philosophie, maar om léven. Wel verre van een persoonlijk systeem op te bouwen, heeft Simone Weil er met al haar krachten naar gestreefd zelf buiten haar werk te blijven. Haar enige wens bestond dààrin, geen scherm meer te zijn tussen God en de mensen, dus om te verdwijnen, «opdat Schepper en schepsel elkander wederkerig hun geheimen konden vertellen.» Zij lachte om haar genie, wijl zij zich er van bewust was, dat de ware grootheid bestaat in niets meer te zijn. «Wat doet het er toe, wat er zich in mij aan energie en aan talenten bevindt? Ik heb er in ieder geval altijd voldoende om te verdwijnen…» En haar ge-bed werd verhoord : sommige van haar teksten bereiken die onpersoonlijke klank, die het teken van de hoogste inspiratie is: «Onmogelijk degene te vergeven, die ons kwaad berokkent, als dat kwaad ons zelf verlaagt. Wij dienen te bedenken, dat het ons niet verlaagt, maar ons ware niveau blootlegt.» Of ook: «Als iemand mij kwaad berokkent, moet ik verlangen, dat dit kwaad mij niet omlaagtrekt, uit liefde voor degene, die het mij aandoet, zodat hij niet wérkelijk kwaad gedaan heeft.» Meer nog in dergelijke uitroepen van nederigheid en van liefde, dan door de systematische kant van haar werk, blijkt Simone Weil een zuiver boodschapster te zijn.
Mijn geloof in haar heb ik nooit kunnen opgeven. En door deze bladzijden te publiceren, strek ik dit vertrouwen uit tot al de zielen, die naar haar zulen toekomen.
Alle teksten in dit boek zijn genomen uit manuscripten, die Simone Weil ons persoonlijk toevertrouwd heeft. Zij dateren dus van vóór de maand Mei 1942.
Latere werken, die haar ouders zo goed geweest zijn, ons te verstrekken, hebben hier dus geen plaats kunnen vinden. Wij hebben zelf een keuze gemaakt uit de teksten, die in die cahiers te vinden waren, dooreengemengd met talloze citaten en philologische en wetenschappelijke notities. Wij hebben aanvankelijk geaarzeld tussen twee vormen van publicatie: de gedachten van Simone Weil in de volgorde, waarin zij opgeschreven werden, de een na de andere dus, te geven, of tot classering ervan over te gaan. Deze laatste manier leek ons de beste. Wij willen op deze plaats onze dank betuigen aan allen, die ons geholpen of die ons aangemoedigd hebben tot dit werk : De Zeereerwaarde Pater Perrin, Lanza del Vasto, de heer en mejuffrouw Honnarat (persoonlijke vrienden van Simone Weil), Gabriel Marcel en Jean de Fabrègues. Bij de opstelling en de overschrijving van de teksten, was de hulp, die wij van de heer V. H. Debidour voor de vertaling van de Griekse citaten in de aphorismen ondervonden en de toegewijde medewerking van mejuffrouw Odile Keller,
van de hoogste waarde.
GUSTAVE THIBON
