Weg van Volmaaktheid – Teresia van Avila

Teresia von Avila, Mystieke Werken 3 Bd. Gent 1980 (uitg. Carmelitana) Bd 1, Weg van Volmaaktheid, hfst. 19, pag. 123-133

Teresia von Avila, Mystieke Werken 3 Bd. Gent 1980 (uitg. Carmelitana) Bd 1, Weg van Volmaaktheid, hfst. 28-35, pag. 171-220


HOOFDSTUK 19
Dit hoofdstuk begint te handelen over het gebed. Het bevat raadgevingen voor de zielen die niet met het verstand kunnen redeneren.

  1. Het is reeds zo lang geleden dat ik het voorgaande schreef, zonder de tijd te vinden erop terug te komen en daar ik niets herlezen heb, weet ik ook niet meer zo juist wat ik zei. Om geen tijd te verliezen zal ik maar neerschrijven wat me invalt, zonder volgorde. Voor mensen met een geordend verstand en voor gevorderde zielen die tot ingekeerdheid kunnen komen zijn er reeds heel wat degelijke boeken geschreven, door zo’n bekwame mensen, dat je wel ongelijk zou hebben rekening te houden met wat ik over het gebed zeg. Want, ik herhaal het, jullie hebben boeken met meditaties voor iedere dag van de week over de geheimen van het leven en het lijden van de Heer, over het laatste oordeel en de hel, over onze eigen nietigheid en over alles wat wij God verschuldigd zijn. Hun leer is uitstekend, evenals hun raadgevingen om het gebed te beginnen en te beëindigen.
    Aan ieder die er toe in staat is en de gewoonte heeft deze vorm van gebed te beoefenen is het overbodig te zeggen, dat de Heer hen door zo’n goede weg te volgen, in de haven van het licht zal doen aankomen. Een goed begin laat een goed einde verwachten. Allen die deze weg kunnen volgen zullen dit in volle vrede en zekerheid doen, want eens het verstand geboeid kan men vreedzaam verder gaan,
  2. Maar om je een hulpmiddel aan te duiden is er iets waarover ik zou willen spreken indien de Heer mij toestaat daarin te slagen. Zoniet wil ik je toch minstens doen begrijpen dat er vele zielen zijn die deze beproeving meemaken, opdat degenen onder jullie die eronder lijden, zich daarover niet bedroeven.
    Ziehier:
    Er zijn zielen en intelligenties zo onstuimig als een op hol geslagen paard. Niemand komt ertoe ze in te tomen. Altijd onrustig gaan zij van hier naar daar. Het is hun natuur of het is God die het toelaat. Ik beklaag ze erg. Ze zijn volgens mij als personen die hevig dorst lijden en het water van heel ver zien. Indien ze het willen bereiken, ontmoeten ze iemand om hun in het begin, in het midden en op het einde, de weg te versperren. Hebben ze dan met grote moeite en zeer harde strijd de eerste vijand overwonnen, dan overkomt het hun dat ze door de tweede verslagen, verkiezen van dorst om te komen, liever dan van het water te drinken dat hen zoveel inspanning vraagt. Ten einde krachten ontbrak het hun aan moed. Zij die er wel hadden om de tweede vijand te overwinnen staan nu krachteloos tegenover de derde, terwijl ze misschien slechts een paar stappen van de bron van levend water verwijderd zijn. Het levende water waarover de Heer aan de Samaritaanse zei dat degene die ervan zal drinken nooit meer dorst zal hebben?. Welk een inzicht en waarheid in deze woorden die komen uit de mond van de Waarheid zelf! Het is echt dat de ziel nooit dorst meer zal hebben naar de dingen van dit leven. Deze wordt intenser voor de zaken van het andere leven, meer dan de natuurlijke dorst ons toelaat te veronderstellen. Hoe dorstig verlangen wij deze dorst te kennen! De ziel begrijpt de grote waarde ervan. Hoe lastig en uitputtend deze ook is, hij draagt de bevrediging in zich waardoor hij gelest wordt. Zodanig dat deze dorst alleen het verlangen naar aardse dingen onderdrukt. Hij verzadigt zo goed dat, als God haar bevredigt, een van de grootste genaden die Hij de ziel kan geven is, haar met dorst achter te laten. Een dorst die telkens ze van dit water drinkt nog toeneemt.
  3. Naar ik me herinner, heeft het water drie eigenschappen die iets te maken hebben met dit onderwerp. Het moet er nog veel andere hebben. Op de eerste plaats verfrist het. De grootst mogelijke hitte die we kunnen ondervinden valt, als we in de buurt van water komen, en een geweldig vuur wordt door water geblust, behalve als teer aan het branden is. In dat geval wordt het aangewakkerd. O, mijn God! Wat is het wonderbaar, dat water dit vuur, als het sterk is, machtig, onafhankelijk van de elementen, nog feller doet branden en dat het water, het tegenovergestelde ervan, het aanwakkert in plaats van het uit te doven! Het zou nuttig voor me zijn hier met iemand te spreken die filosofie studeerde. Indien ik de eigenschappen van de dingen zou kennen, zou ik me weten uit te drukken. Nu geniet ik ervan zonder het nader te kunnen verklaren en misschien zelfs zonder het te begrijpen.
  4. Zusters, zo gauw God je van dit water heeft laten drinken, zul je er smaak in krijgen, ook jullie die er momenteel van drinkt. Je zult begrijpen dat, als de echte Godsliefde volop machtig is, hoog boven alles verheven en totaal bevrijd van aardse zaken, ze heerst over de elementen van deze aarde en over de wereld. Daar het water aan de aarde ontspruit, hoef je niet te vrezen dat het dit vuur van Gods liefde zal blussen. Het is niet aan zijn wetten onderworpen, ze staan wel tegenover elkaar. Als vrije meester is het zijn slaaf niet. Het zal je dus niet verwonderen, zusters, als ik in dit boek er zo op aandring, dat je zou trachten deze vrijheid te verkrijgen. Is het niet mooi dat een arme religieuze van Sint-Jozef de heerschappij over de ganse aarde en alle natuurkrachten kan bekomen? Is het te verwonderen dat de heiligen, met Gods genade, ermee deden wat ze wilden? Het vuur en de wateren gehoorzaamden aan Sint-Martinus. De vogels en ook de vissen aan Sint-Franciscus. En zo was het bij vele heiligen. Men zag duidelijk dat ze meester waren over alles wat de wereld bevat, omdat ze hun uiterste best deden deze minder te achten en oprecht met al hun krachten aan de Heer van de schepping gehecht te zijn. Dus, zoals ik reeds zei: het water dat aan de aarde ontspruit heeft niet de minste macht over dit vuur. De vlammen van dit vuur laaien hoog op en komen niet voort uit zo’n aardse dingen. Er zijn ook andere vuurhaarden, zo flauw in liefde tot God, dat gelijk welke gebeurtenis hen dooft. Maar zo is het niet met dit hier. Een ganse zee van bekoringen mag afkomen. Ze zal niet kunnen verhinderen dat het vuur zo hard brandt dat het dit overmeestert.
  5. Indien het water onder de vorm van regen uit de hemel valt, zal dit het nog minder doven. Deze zijn elkaar niet tegenstrijdig, ze zijn uit hetzelfde land. Vrees niet dat het ene element het andere zal schaden. Integendeel, hun uitwerkingen versterken elkaar. Want het water van oprechte tranen die in het ware gebed opwellen, een gave van de Koning des hemels, wakkert aan om beter en blijvend te branden en het vuur helpt het water bij het afkoelen. O, mijn God, wat een mooi en wonderbaar iets, dit vuur dat verfrist! Ja, het bevriest zelfs iedere genegenheid voor de wereld, als het zich verenigt met het levend water dat uit de hemel komt, bron van tranen waarover ik spreek. Ze zijn ons gegeven. Wij kunnen ze niet uit eigen kracht bekomen. Het staat dus vast dat dit water geen voldoende warmte laat aan de dingen van de wereld opdat ze ons weerhouden, tenzij om ze hierdoor zelf in vuur en vlam te zetten. De aard van dit vuur is zo, dat het zich niet met weinig tevreden stelt. Was het mogelijk, het zou de ganse wereld in brand steken.
  6. De andere eigenschap van het water is, het vervuilde rein te wassen. Wat zou de wereld worden zonder water om te wassen? Weet je wat dit levende water zoal wast, dit klare, hemelse water, indien het door niets vertroebeld wordt, noch modderig is, maar recht uit de hemel valt? Ik ben overtuigd dat de ziel, zo ze eenmaal van dit water gedronken heeft, zuiver en vrij wordt van alle fouten. Want, zoals ik reeds schreef, laat God ons dit water maar drinken om de ziel te wassen, haar te reinigen en te zuiveren van alle slijk en ellende, waarin haar fouten haar dompelen. (Dit hangt niet af van onszelf, want deze vereniging met God is zeer bovennatuurlijk.) Andere genoegens, ons door het verstand verschaft hebben het schoon te doen. Hun wateren vloeien over de aarde. Daar drinken we niet aan de bron. Het ontbreekt daar niet aan allerhande slijk dat oponthoud geeft onderweg. Deze wateren zijn niet
    zo zuiver, niet zo helder. Ik geef de naam „levend water” niet aan het gebed, dat zoals ik reeds gezegd heb, beoefend wordt met het verstand. Zo meen ik het toch te begrijpen. Want niettegenstaande al onze inzet zit onze ziel op deze weg, gediend door onze lichamelijke en natuurlijke gesteldheid, altijd vast aan enkele van die dingen die we hadden geweigerd.
  7. Ik zeg nog meer. We beschouwen de wereld en haar kortstondigheid om haar gering te schatten. Bijna zonder dat we het bemerken laten we ons echter vangen door wereldse dingen die we graag mogen. Ook al verlangen wij ze te vluchten, toch staan we er nog even bij stil om te denken aan wat
    geweest is, aan wat zal zijn en om ons af te vragen: wat heb ik gedaan en wat zal ik doen? En om beter na te denken over wat er ons te doen staat om er vrij van te komen, gebeurt het dat wij ons weer opnieuw aan het gevaar blootstellen. Om die reden moeten wij er niet van afzien, maar ook niet onbevreesd zijn. We moeten op onze hoede blijven. De Heer zelf bekommert er zich om en wil ons niet aan onszelf overlaten. Onze ziel is Hem zoveel waard, dat Hij haar geen risico’s wil laten lopen in de tijd dat Hij haar zijn gunsten wil verlenen. Hij haalt haar onmiddellijk dichter naar Zich toe, openbaart haar nieuwe waarheden en geeft haar terstond de kennis over het zijn van alles, klaarder dan dat we dit hierbeneden ” na lange jaren zouden kunnen bekomen. Want ons zicht is niet vrij. Naargelang we vooruitgaan wordt het verblind door het stof van de weg. Maar de Heer bezit hier het middel om ons naar het doel van de reis te leiden zonder dat wij zelf weten hoe.
  8. Water heeft ook nog de eigenschap te verzadigen en te laven. Want ik meen dat men het verlangen naar iets zo noodzakelijk, dat we zouden sterven zo het ons totaal ontbrak, dorst noemt. Het is vreemd dat het gemis ervan ons doodt, terwijl overstroming ons het leven beneemt. Vele mensen toch sterven een verdrinkingsdood. O, mijn Heer, mochten we door dit levend water verzwolgen worden om er het leven bij te laten! Is dit mogelijk? Ja, want de liefde en het verlangen naar God kunnen zo sterk groeien, dat onze slaafse natuur het niet overleeft. Op die wijze zijn er mensen gestorven. Ik ken iemand die zo’n hevige dorst ondervond, zo’n groeiend verlangen, dat ze, zo men er niet aan verholpen had, zou gestorven zijn van dorst. Ze zou gestorven zijn indien God niet te hulp was gekomen door haar dit levend water zo overvloedig te geven, dat de verrukkingen haar haast buiten zichzelf brachten. Ik zeg dat ze haar bijna buiten zichzelf brachten, want het is daar dat de ziel rust vindt. Het dunkt haar dat ze stikt doordat de wereld ondragelijk voor haar wordt. Ze verrijst in God. Zijne Majesteit maakt haar dan bekwaam voor genietingen die ze opgesloten in zichzelf, niet zou kunnen kennen zonder te sterven.
  9. Begrijpen we dus dat, vermits alles volmaakt is in ons opperste Goed, al wat Hij geeft voor ons welzijn is. Hoe overvloedig dit water dat Hij geeft ook mag zijn, wat van Hem komt is nooit overmatig. Zo Hij veel geeft, maakt Hij de ziel bekwaam om veel te drinken, zoals ik zei. Hij doet zoals een glasblazer die het glas in de vereiste dimensies blaast om de hoeveelheid te kunnen bevatten die hij er in wil doen. Daarentegen is het verlangen naar dit water, als dit van ons komt, nooit heel en al zuiver. Indien er iets goed is, is dit dank zij de hulp van de Heer. Wij zijn echter zo onvoorzichtig dat we niet te verzadigen zijn van die zoete en genotvolle pijn die we ondergaan. We gebruiken zonder maat. We wakkeren dit verlangen aan zoveel we maar kunnen. Zo gebeurt het dus soms wel dat het doodt. Gelukzalige dood! Maar in leven blijvend had men wellicht anderen kunnen helpen, om te sterven van verlangen naar deze dood. Dit is, denk ik, het werk van de duivel die goed weet welk kwaad degenen die zo leven hem doen. Hij leidt ze in bekoring opdat ze zich zouden overgeven aan buitensporige verstervingen en zo hun gezondheid verwoesten. Dit is van niet weinig belang voor hem.
  10. Ik dring erop aan dat de ziel, die ertoe komt deze onstuimige dorst te voelen, goed oplet. Zij zal deze bekoring ondervinden. Sterft ze niet van dorst, ze zal haar gezondheid schaden en zonder het te willen dit uiterlijk tonen, wat men op alle mogelijke manieren moet vermijden. Soms zullen onze inspanningen nauwelijks afdoend zijn. We slagen er niet in alles te verbergen zoals we het zouden willen. Maar als de groeiende drang naar dit verlangen opwelt, laten we dan opletten, deze niet aan te wakkeren. Laten we er met zachtheid een eind aan maken door iets anders te overwegen. Het is mogelijk dat onze natuur evenzeer zijn invloed laat gelden als onze liefde, want er zijn mensen die elk ding met onstuimigheid begeren, zelfs als het slecht is. Ik geloof niet dat dit zo is bij degenen die zeer verstorven zijn, want de versterving is altijd nuttig. Het kan dwaasheid schijnen zoiets voortreffelijks in te tomen: dit is niet zo. Ik vraag geenzins dat men het verlangen opgeeft maar dat men het matigt, misschien zelfs met het door een ander, een even verdienstelijk, te vervangen.
  11. Ik zal proberen me nog beter te doen begrijpen. Men ondervindt het vurige verlangen dat Sint-Paulus kende, zich met God te verenigen en bevrijd te zijn uit dit gevang. Hieruit volgt een pijn die zeer zoet moet zijn. Enkele verstervingen zullen niet volstaan om het te weerhouden en we zullen er niet helemaal in slagen. Het kan gebeuren dat we een zo geweldige angst ondergaan dat er maar weinig méér nodig is om het verstand te verliezen. (Dit gebeurde onlangs bij iemand die ik ken, onstuimig van natuur, hoewel gewoon haar wil te verzaken. Het leek of ze het reeds verloren had — men merkt dat aan andere tekens. Ik zeg dus dat ik een ogenblik meende dat de buitengewone pijn en de inspanning om het te verbergen haar krankzinnig hadden gemaakt.) Ik herhaal dat in deze extreme gevallen, de echte nederigheid erin bestaat, te vrezen, zelfs als het om de geest van God gaat. Wij kunnen toch onmogelijk veronderstellen dat onze liefde groot genoeg zou zijn om ons in zo’n belangrijke strijd te wagen.
  12. Ik zeg, dat ik het niet echt slecht zou vinden — ingeval het haar mogelijk is, want het zal niet altijd in haar macht liggen — haar verlangen te wijzigen, denkend dat ze God beter zal dienen door in leven te blijven. Het kan zijn dat ze licht schenkt aan een ziel die bijna verloren is. Door beter te dienen zal ze bekomen meer van God te genieten. En ze zal vrezen Hem niet genoeg te hebben gediend. Dit zijn goede overwegingen bij deze grote beproeving. Ze zullen haar verdriet stillen. Zij zal er veel bij winnen, daar ze om de Heer zelf te dienen erin toestemt, hier beneden in lijden te leven. Het is zoals bij iemand die een zware beproeving doormaakt of een groot verdriet en die men troost met de woorden, geduld te hebben en zich in Gods handen over te geven, opdat zijn wil geschiede. Wij kunnen niet beter doen, dan ons in alles aan Hem toevertrouwen.
  13. Indien de duivel ertoe bijgedragen heeft dit hevig verlangen op te wekken, wat mogelijk is — Cassianus, meen ik, vertelde over een kluizenaar die in de grootste gestrengheid leefde en aan wie hij inblies zich in een put te werpen om zo God vlugger te zien — dan is, volgens mij, de Heer door hem niet goed en niet in nederigheid gediend geweest. Want God is trouw en Zijne Majesteit zou deze klaarblijkelijke verblindheid niet hebben toegelaten. Het is klaar dat een verlangen ingegeven door God geen enkel kwaad kan veroorzaken. Hij brengt licht, voorzichtigheid en matiging met Zich mee. Dat is duidelijk. Maar deze tegenstander, onze vijand probeert zoveel mogelijk schade toe te brengen. Vermits hij niets verwaarloost, laten ook wij dan niet onachtzaam zijn. Dit is in veel opzichten belangrijk. Zo moeten wij zelfs de gebedstijd durven inkorten, hoe genotvol die ook is, indien de lichaamskrachten uitgeput raken of het hoofd er onder lijdt. Matigheid is in ieder geval ten zeerste vereist.
  14. Dochters, waarom zou ik volgens jullie getracht hebben het doel en de beloning te tonen, alvorens de strijd te beschrijven? Waarom heb ik jullie het goede voorgehouden dat men ondervindt door het drinken van het levende water aan deze hemelse bron? Opdat jullie zonder je te verontrusten over het lijden en de tegenkantingen langs de weg, dapper zouden voortmarcheren zonder het moe te worden. Want, zoals ik zei, zou het kunnen dat je bij de aankomst alles opgeeft, net op het ogenblik dat je nog slechts moet afdalen om te drinken aan de bron. Je zou alles in de steek laten en dit grote goed verliezen terwijl je je inbeeldt de kracht niet meer te bezitten om ze te bereiken en je denkt dat ze niet voor jou bestemd is.
  15. Overweeg dat de Heer ons allen uitnodigt. Hij is de Waarheid in persoon. Wij mogen hier niet aan twijfelen. Zo die uitnodiging niet algemeen was, zou de Heer ons niet allen roepen. En zelfs als Hij ons riep zou Hij niet zeggen: „Ik zal u te drinken geven”. Hij had dan ook kunnen zeggen: „Kom allen, want je kunt er niets bij verliezen. Ik zal te drinken geven aan wie Mij goed dunkt”. Vermits Hij echter zonder voorbehoud gezegd heeft dat Hij ons „allen” roept, houd ik het voor zeker dat dit levend water niet zal ontbreken aan wie niet achterblijft onderweg. Moge het de Heer behagen ons de genade te geven het te zoeken zoals het moet gezocht worden, vermits Hij het ons belooft in naam en door de kracht van Zijne Majesteit.

Teresia von Avila, Mystieke Werken 3 Bd. Gent 1980 (uitg. Carmelitana) Bd 1, Weg van Volmaaktheid, hfst. 19, pag. 123-133


HOOFDSTUK 28
Over het gebed van inkeer.
Over enkele middelen om de gewoonte ertoe te verwerven.

  1. Bedenk nu wat jullie Meester zegt: „Die in de hemelen zijt.” Meen je dat het ons weinig aanbelangt te weten wat de hemel is en waar je de allerheiligste Vader moet zoeken? Nu ik zeg het je: voor verstrooide geesten is het zeer belangrijk niet alleen te geloven dat Hij daar is, maar te proberen het door ondervinding te begrijpen. Dit is één van de meest geschikte dingen om het verstand te boeien en de ziel tot ingekeerdheid te brengen.
  2. Je weet dat God overal is. Welnu, vanzelfsprekend zegt men, dat daar waar de Koning zich bevindt, ook zijn hofhouding vertoeft. Kortom, daar waar God is, is de hemel. Hieraan valt niet te twijfelen. Daar waar Zijne Majesteit is, daar is ook de volheid van zijne glorie. Bedenk dus wat de heilige Augustinus zegt, die Hem overal zocht en Hem vond in zichzelf. Denk je dat het voor een verstrooide ziel van weinig betekenis is deze waarheid te begrijpen? Te weten dat ze niet naar de hemel hoeft te gaan om
    tot haar eeuwige Vader te spreken of om van Hem te genieten en dat het niet nodig is luid tot Hem te roepen? Hoe zachtjes ze ook spreekt, Hij is zo dicht bij ons, dat Hij ons hoort. Ze heeft ook geen vleugels nodig om Hem te gaan zoeken. Ze hoeft zich slechts in de eenzaamheid te begeven om Hem in zichzelf te beschouwen. Ze moet niet verwonderd zijn daar zo’n goede gast te vinden. Ze mag tot Hem spreken in grote nederigheid zoals tot een vader. Ze mag Hem haar noden toevertrouwen en Hem haar leed uitspreken. Dat ze Hem vraagt het te verhelpen, in de overtuiging dat ze niet waardig is zijn kind te zijn.
  3. Hou op met alle angstvalligheid, door sommige personen verward met ootmoed. Neen, de nederigheid bestaat niet in het weigeren van een gunst die de koning je wil verlenen, maar wel in ze te aanvaarden en je te verheugen over deze genade, terwijl je weet hoezeer je ze onwaardig bent.
    Een mooie nederigheid is dat: de Vorst van hemel en aarde komt speciaal in mijn huis om me een teken te geven van zijn welbehagen en om Zich te verpozen in mijn gezelschap en ik weiger uit nederigheid Hem te antwoorden! Ik weiger bij Hem te vertoeven, zijn gave te aanvaarden. Ik doe het tegendeel doordat ik Hem alleen laat! Op zijn uitnodiging waarbij Hij zelfs insisteert om Hem te vragen wat ik nodig heb, zou ik liever arm willen blijven uit nederigheid! Zo zou ik Hem door mijn aarzelende onbeslistheid teleurgesteld weer laten vertrekken. Dochters, bekommer je niet om dat soort nederigheid, maar ga met Hem om als met een vader, een broer, een meester, een echtgenoot, nu eens zo en dan weer anders. Hijzelf zal je leren wat je te doen hebt om Hem te behagen. Houd op met die zottigheden. Herinner Hem het gegeven woord en vermits Hij je Bruidegom is, vraag Hem je als zijn bruid te behandelen
  4. Deze manier van bidden, al is het maar mondgebed, is de vlugste om de geest tot inkeer te brengen. Het is een vorm van gebed die grote weldaden met zich meebrengt. Men noemt dit „ingekeerdheid” want de ziel verzamelt al haar vermogens en keert in zichzelf met haar God. Haar goddelijke Meester komt vlugger om haar te onderrichten en haar het gebed van rust te verlenen, dan door gelijk welk ander middel. Zo in zichzelf gekeerd kan ze aan de Passie denken, zich de Zoon in haar voor ogen stellen en Hem aan de Vader opdragen zonder haar geest te vermoeien door Hem te zoeken op de Calvarieberg, in de Hof van Olijven of aan de geselkolom.
  5. Geloof me vrij. Zij die zich zo kunnen opsluiten in de kleine hemel van hun ziel met Degene die ze schiep, zoals Hij ook de wereld geschapen heeft, zijn op een excellente weg, zo zij de gewoonte nemen niet om zich heen te kijken en niet te vertoeven waar de uiterlijke zintuigen verstrooid zijn. Het drinken van het water aan de bron zal hen niet ontgaan want ze leggen een lange weg af in korte tijd, zoals degene die per schip reist het doel bereikt in enkele dagen als de wind maar een beetje meezit. Terwijl zij die over land gaan er langer over doen.
  6. De anderen * bevinden zich, zoals men zegt, reeds op zee. Alhoewel ze nog niet helemaal aan de aarde verzaakt hebben, doen ze voor het ogenblik hun best om zich ervan los te maken door hun zintuigen tot inkeer te brengen. Is de ingekeerdheid echt dan is ze aan haar gevolgen te herkennen: de ziel ziet in dat de dingen van de wereld niets anders zijn dan een spel, en dit spel schijnt ze gewonnen te hebben. (Ik weet niet goed hoe ik dit moet doen verstaan. Wie er de ervaring van heeft, zal me wel begrijpen.) De ziel breekt de partij op een gunstig moment af zoals iemand die zich terugtrekt in een versterkt kasteel, om niets van de vijanden te vrezen. De zintuigen wenden zich af van de uiterlijke dingen. Ze worden hiervan zodanig verwijderd, dat we, zonder het te weten, de ogen sluiten om ze niet te zien, terwijl de ogen van de ziel nu scherper waarnemen. Wie deze weg gaat bidt bijna altijd met gesloten ogen. Deze gewoonte is aan te prijzen om veel redenen. Het is ons verplichten de dingen van deze aarde niet meer te beschouwen. Dit, in het begin, later is het niet meer nodig. Dan moet men zelfs een grotere inspanning doen om ze te openen. Het lijkt wel of men dan begrijpt dat de ziel zich versterkt en zich wapent met moed ten koste van het lichaam dat zij dan alleen en verzwakt overlaat. Terwijl de ziel krachten opdoet om ertegen te strijden.
  7. In het begin begrijpt men dit niet omdat het nog niet zo duidelijk merkbaar is. Er zijn hoogten en laagten in deze ingekeerdheid. Maar zo men deze gewoonte neemt, (het kost in het begin, want het lichaam eist zijn rechten op zonder te weten dat het zichzelf van zijn waardigheid berooft door zich niet gewonnen te geven) als men gedurende enkele dagen volhoudt door zich in te spannen, dan zal men er de voordelen duidelijk van waarnemen. We zullen begrijpen dat, zodra we ons in gebed begeven, de bijen naar de korf toevliegen. Ze gaan er binnen hun honing maken zonder dat we er ons dienen mee bezig te houden. In ruil voor de tijd die we aan Hem gewijd hebben, verleent de Heer deze heerschappij aan de ziel en aan de wil. Op het eerste teken van ingekeerdheid onderwerpen de zintuigen zich aan de zielen komen in haar tot rust. Ze keren weer maar het is al heel wat dat ze zich onderworpen hebben. Ze keren eruit terug als geboeiden, als onderworpenen en zijn nu minder schadelijk dan tevoren. Als de wil hen oproept keren ze sneller weer in, totdat de Heer hen, na zo vaak te zijn thuisgekomen, toestaat voortaan in volmaakte beschouwing te blijven.
  8. Begrijp goed wat ik je zei. Het lijkt duister, maar degenen die dit in praktijk willen brengen zullen het verstaan. Die zielen bevinden zich dus op zee “. En vermits het voor ons zo belangrijk is niet traag op te schieten, spreken we een beetje over het middel om ons deze goede manier van handelen eigen te maken. Die zielen zijn beter beveiligd tegen de bekoringen. Zij raken vlugger in goddelijke liefde ontvlamd, want ze zijn heel dicht bij het vuur. En hoe weinig het verstand hen ook aanwakkert, alles raakt in vuur en vlam. Omdat er niets uiterlijks tussenbeide komt is de ziel alleen met haar God. Zo komt ze gemakkelijk tot het begrijpen van die inkeer.
  9. Beelden we ons dus in dat er in ons binnenste een paleis is onschatbaar rijk, heel en al gebouwd in goud en edelgesteente. Kortom, het is zo’n verheven Heer waardig . Maar de schoonheid van dit groots geheel hangt af van jou. Het is waar. Want er bestaat geen schoner bouwwerk dan een zuivere en deugdzame ziel. Hoe groter de deugden, hoe schitterender het edelgesteente. In dit paleis woont deze grote Koning die je Vader wil zijn. Hij zetelt op een kostbare troon en deze troon is je hart.
  10. Op het eerste gezicht lijkt dit beeld dat ik ter verduidelijking gebruik een beetje vermetel, maar het kan zeer dienstig zijn vooral voor jullie. Want wij vrouwen, wij zijn geen geleerden en we moeten alle middelen gebruiken om te kunnen begrijpen dat ons innerlijke onvergelijkelijk veel kostbaarder is dan het uiterlijke. Denken we niet dat we leeg zijn van binnen en geve God dat alleen vrouwen deze vergis- sing begaan.
    Indien we er zorg voor dragen ons te herinneren welke Gast in ons verblijft, dan houd ik het voor onmogelijk dat wij nog zoveel belang hechten aan de dingen van de wereld. We zullen ze zeer gering achten in vergelijking met wat wij in onszelf bezitten. Wat doet een schadelijk dier anders dan aangelokt door wat het ziet, zich aan zijn prooi te goed doen? Ja, er mag wel een verschil bestaan tussen dit dier en ons.
  11. Misschien zul je me uitlachen en zeg je dat dit allerduidelijkst is. Terecht. Maar voor mij was dit gedurende enkele tijd duister. Ik begreep wel dat ik een ziel had, maar haar waarde en Wie haar bewoonde begreep ik niet. Om dit niet te zien waren mijn ogen zeker dicht door de ijdelheden van het leven. Mij dunkt, had ik toen begrepen wat ik vandaag begrijp, hoe in dit klein paleisje van mijn ziel zo’n grote Koning woont, ik zou Hem niet zo vaak alleen gelaten hebben. Ik had Hem van tijd tot tijd gezelschap gehouden en het nodige gedaan opdat dit paleis minder vuil zou geweest zijn. Wat is het toch wonderlijk te bedenken dat Hij Wiens grootheid duizenden werelden en nog meer zou kunnen vervullen, Zich wil opsluiten in zo’n klein ding! Waarlijk, daar Hij de Meester is, is Hij vrij, en daar Hij ons bemint, maakt Hij Zich klein naar onze maat.
  12. Om te voorkomen dat de beginnelinge verontrust wordt bij de gedachte dat haar kleinheid vervuld is van zoiets groot, laat Hij Zich niet onmiddellijk kennen. Geleidelijk aan verruimt Hij haar ziel totdat ze kan bevatten wat Hij in haar legt. Daarom zeg ik dat de Heer de vrijheid met Zich meebrengt, want Hij bezit de macht dit paleis te verruimen.
    Het belangrijkste is het Hem zonder voorbehoud te geven, het te ontruimen, opdat Hij het kan leeg maken en het kan versieren als zijn eigen huis. Zijne Majesteit heeft er reden toe. Laten we Hem niets weigeren. Daar Hij onze wil niet verlangt te forceren neemt Hij alleen maar wat wij willen geven. Maar Hij geeft Zich slechts helemaal aan ons wanneer wij ons helemaal aan Hem schenken. Dat staat vast en ik herinner je er zo nadrukkelijk aan omdat het essentieel is. Hij werkt niet in de ziel zoals Hij doen zou wanneer ze, zonder beletselen, Hem zou toebehoren. Ik weet niet hoe Hij het zou doen daar Hij houdt van harmonie. Indien wij dit paleis vullen met gemene gasten en met rommel, hoe zou de Heer met zijn hofhouding het hier kunnen uithouden? Het is al heel wat dat Hij toestemt enkele ogenblikken door te brengen in deze overvolle drukte.
  13. Denken jullie, dochters, dat Hij er alléén komt? Bemerk je niet dat zijn Zoon zegt: „Die in de hemelen zijt”? Het is zeker dat de hovelingen zo’n Koning niet heel alleen laten, ze zijn bij Hem. Zij bidden Hem voor ons aller welzijn, want ze zijn vol van liefde. Denk niet dat het is zoals bij ons hier op aarde. Als er hier een aanzienlijke heer of een prelaat iemand een gunst verleent met een bijzonder doel, of omdat dit hem behaagt, dan heeft dit naijver tot gevolg, en de arme man wordt slecht gezien door mensen aan wie hij niets misdeed.

HOOFDSTUK 29
Vervolgt over de te gebruiken middelen om het gebed van inkeer te verwerven.
Hoe we ons weinig zorgen moeten maken, of we al dan niet in de gunst van de oversten staan.

  1. Weiger uit liefde tot God, mijn dochters, er maar het minste belang aan te hechten of je in andermans gunst staat. Dat ieder van jullie tracht te doen wat ze moet doen. Betuigt de overste je daarvoor helemaal geen dankbaarheid, je mag zeker zijn dat de Heer het zal doen, Hij zal het je vergelden. Ja, wij komen hier in dit leven toch geen beloning zoeken. Richt je gedachten op wat blijvend is en hecht geen belang aan de dingen van hierbeneden, die vlugger voorbijgaan dan ons leven.
    Vandaag zal de overste tevreden zijn over iemand onder jullie en morgen verkiest ze misschien jouzelf, omdat ze bij jou méér deugd bemerkt. En zoniet, wat geeft het! Laat zulke gedachten niet de vrije loop. Ze zijn vaak van weinig betekenis in het begin, maar ze kunnen veel beroering veroorzaken. Toom ze in door te bedenken dat je koninkrijk niet van deze wereld is en dat alles zeer vlug voorbijgaat.
  2. Dit is maar een goedkoop geneesmiddel dat niet van grote volmaaktheid getuigt. Het is beter dat deze toestand aanhoudt, dat je misprezen en vernederd wordt en dat je daarin toestemt omwille van de Heer die bij je is. Richt je blik in jezelf en bekijk je innerlijk, zoals ik zei. Je zult je Meester vinden. Hij zal je nooit alleen laten, maar je zelfs nog meer vertroetelen in de mate dat je de uiterlijke vertroostingen moet ontberen. Hij is heel medelijdend en laat de bedroefden en de misprezenen nooit aan hun lot over, als ze zich aan Hem alleen toevertrouwen. David zegt het, dat de Heer de bedroefden nabij is. Je gelooft het of je gelooft het niet. Indien je het gelooft, waarom je dan zo aftobben?
  3. O mijn Heer! Indien wij U waarlijk zouden kennen, dan zou niets ons nog kunnen verstoren, want U geeft overvloedig aan degenen die al hun vertrouwen op U willen stellen! Geloof me, vriendinnen, deze waarheid begrijpen is een groot iets! Daardoor zien we beter dat hier op aarde alle gunsten bedrieglijk zijn, als ze de ziel er van afhouden in zichzelf te keren. O, mijn God! Wie kan het jullie doen begrijpen? Ik zeker niet. Ik zou het beter moeten verstaan dan wie ook, maar ik kom er niet toe het te doorgronden zoals het moet.
  4. Om terug te komen op wat ik zei, ik zou je willen uitleggen hoe het gesprek onder vier ogen van de ziel met haar Bruidegom niet gestoord wordt door het heilig gezelschap dat onze Gezel, de Heilige der heiligen, omringt, wanneer zij zich met haar God wil terugtrekken in haar innerlijk paradijs en zij de deur achter zich sluit voor de dingen van de wereld. Ik zeg, dat zij wil, want versta wel, het gaat hier niet om iets bovennatuurlijks, het hangt af van onze wil. Wij vermogen dit met Gods genade. Zonder Hem kunnen wij niets. Vanuit onszelf zijn wij niet tot één goede gedachte in staat. Het gaat hier niet over het zwijgen van de vermogens, maar om hun opsluiting in de ziel zelf.
  5. Men kan dit bereiken op verscheidene manieren. Zoals in vele boeken kan gelezen worden moeten wij ons van alles ontdoen om innerlijk tot God te kunnen naderen. Zelfs gedurende onze bezigheden moeten wij ons in onszelf terugtrekken. Al was het maar een ogenblik. Het is zeer nuttig voor mij me eraan te herinneren dat ik diep in mijn binnenste gezelschap heb. Wen aan de gedachte dat het niet nodig is de stem te verheffen om tot Hem te spreken, vermits Zijne Majesteit ons zijn aanwezigheid zal laten voelen.
  6. Op die wijze zal ons mondgebed vol vrede zijn en zullen we ons veel moeite besparen. Want als we er ons op toelegden een tijdje dicht bij de Heer te verblijven, zal Hij ons op het minste teken verstaan. Moeten wij het Onze Vader dikwijls zeggen, dan zal Hij ons reeds bij het eerste Onze Vader begrijpen. Hij wil ons graag alle overlast besparen. Het volstaat dat wij weten dat we bij Hem zijn en weten wat we willen vragen, al zouden we het Onze Vader maar éénmaal per uur zeggen. We mogen overtuigd zijn van zijn verlangen ons het gevraagde te verlenen en zeker zijn van de liefde waarmede Hij in ons verblijft. Hij heeft niet graag dat we ons het hoofd breken door veel woorden te gebruiken.
    (Het handschrift van het Escorial vervolgt: „Daarom, zusters, vraag ik je, ter liefde Gods: maak er je gewoon aan met die inkeer het Onze Vader te bidden. Na korte tijd zul je zien wat je wint. Het is een manier van bidden die zo vlug een gewoonte wordt; de ziel gaat er niet verloren en de vermogens worden niet verontrust. De tijd zal het je tonen. Ik vraag je enkel: probeer het, ook al kost het moeite ; alles wat nog geen gewoonte is, kost iets. Maar ik verzeker je: na korte tijd zal het je een grote troost zijn te begrijpen dat je zonder moeite die heilige Vader kunt zoeken waar Hij Zich bevindt en Hem vragen ; je zult Hem in je vinden”)
  7. Moge de Heer het leren aan degenen onder jullie die het niet weten. Wat mijzelf betreft, ik beken je eerlijk dat ik nooit voldoening gevonden heb in het gebed, tot de Heer mij deze manier van bidden geleerd heeft. Ik heb deze gewoonte om in mijzelf te keren zo vruchtbaar gevonden, dat ik eraan hield jullie er langdurig over te spreken. Tot besluit: zij die dit willen verwerven — want zoals ik zeg hangt dit van ons af — moeten niet moe worden in praktijk te brengen wat ik jullie voorhield tot ze eraan gewoon zijn.
    Het is geleidelijk aan zichzelf leren beheersen. Zonder nutteloze afdwalingen zichzelf overwinnen, terwijl we onze zintuigen in dienst stellen van het
    innerlijk leven.
    Zo je spreekt, tracht je te herinneren dat er in ons Iemand verblijft tot Wie je kan spreken. Zo je luistert, denk eraan terug dat je Hem moet beluisteren die van meer dichtbij tot ons spreekt. Kortom, denk er aan dat het mogelijk is ons nooit te verwijderen van zo’n goed gezelschap, als wij dit willen. Betreuren we het dat we onze Vader die we zó nodig hebben soms zo lang alleen laten. Denk daar vaak aan gedurende de dag ; zo niet, doe het nu en dan. Eenmaal deze gewoonte genomen win je erbij, vroeg of laat. Als de Heer ze jou verleend heeft, zul je die met geen enkele schat willen ruilen.
  8. Vermits niets zonder een weinig inspanning geleerd kan worden, zusters, om de liefde Gods, oordeel dat de zorg die je eraan besteedt goed gebruikt is. Ik weet dat als je je er op toelegt, je met Gods genade in één jaar tijds, misschien zelfs in een half jaar, resultaat zult boeken. Kijk eens, in hoe weinig tijd je een goede basis kunt verwerven, voor het geval de Heer je tot grote dingen wil verheffen. Moge Hij je dan bereid en dicht bij Zich vinden. Behage het Zijne Majesteit niet toe te laten dat wij ons uit zijn tegenwoordigheid verwijderen. Amen.

HOOFDSTUK 30
Over het belang, te begrijpen wat men vraagt in het gebed.
Over de woorden van het Onze Vader: „Geheiligd zij uw Naam, uw Rijk kome”, toegepast op het gebed van rust, waarvan de uitleg hier aanvangt.

  1. Zou er iemand bestaan, hoe onbezonnen ook, die, wanneer hij zich richt tot een belangrijk persoon niet eerst goed nadenkt over de wijze waarop hij zijn verzoek zal voorleggen, zodanig dat hij hem aangenaam is, hem kan behagen en niet lastig valt? Dit terwijl hij terugdenkt aan het onderwerp van dit verzoek en ook aan de motivering ervan, vooral wanneer het iets zo belangrijks betreft als hetgeen de goede Jezus ons leert te vragen? Dat lijkt me de moeite waard te overdenken. Heer, had U dit niet allemaal kunnen samenvatten in een enkel woord en zeggen: „Geef ons, Vader, wat ons past?” Want niets meer leek er nodig voor Hem die alles weet.
  2. O eeuwige Wijsheid! Dit alleen kon volstaan tussen U en uw Vader. Zo hebt U uw vraag tot Hem gericht in de Hof van Olijven. Uw liefde en uw angst hebt U uitgedrukt, U verlatend op zijn wil. Maar wij zijn niet zo onderworpen aan de wil van de Vader als U, U weet het. Het was nodig dat wij opvallende zaken voor te leggen hadden om dan nauwkeurig te onderzoeken of hetgeen we vragen ons bevalt ; bevalt het ons niet, dan vragen we het niet. Wij zijn uiteraard zo, dat wij onze vrijheid gebruiken om, als we niet verkrijgen wat we zelf verlangen, te weigeren wat de Heer ons geeft. Zelfs indien Hij ons het beste schenkt. Is het geen contant geld, dan vrezen we nooit rijker te worden.
  3. O mijn God! Ons geloof is zo ingeslapen, dat wij in het ene noch in het andere geval, er toe komen te begrijpen, hoe zeker wij mogen zijn van de straf, maar ook van de beloning. Daarom is het goed, mijn dochters, dat je verstaat wat je in het Onze Vader vraagt, opdat je het niet weigert als de eeuwige Vader het je geeft. Onderzoek of het geschikt voor je is. Zo niet, vraag het dan niet, maar vraag Zijne Majesteit om licht. Want blind of afkerig als wij zijn van het voedsel dat ons het leven kan geven, willen wij eten wat dodelijk voor ons is. En wat een beroerde dood, voor altijd!
  4. De goede Jezus vraagt ons die woorden te zeggen die om de komst van het Koninkrijk in ons verzoeken: „Uw Naam worde geheiligd. Uw Rijk kome.” Ziehier de grote wijsheid van onze Meester, dochters! Ik denk, dat het ogenblik gekomen is om te begrijpen wat we met dit Koninkrijk vragen. Zijne Majesteit zag dat wij de heilige Naam van de eeuwige Vader niet kunnen heiligen, loven noch prijzen, noch naar waarde verheerlijken. Onze geringheid verhindert ons dit te doen zoals het behoort, behalve als Zijne Majesteit erin zou voorzien door ons nu reeds zijn Koninkrijk te geven. Daarom heeft de goede Jezus deze twee verzoeken naast elkaar geplaatst. Ik wil je hier mijn mening zeggen. Opdat we zouden begrijpen, dochters, wat we vragen, is het zeer belangrijk aan te dringen en al het mogelijke te doen om Degene, die ons dit kan verlenen, tevreden te stellen. Indien mijn overweging je niet voldoet, denk er van jullie kant over na. Onze Meester staat het ons toe, op voorwaarde dat we ons in alles onderwerpen aan de leer van de Kerk, zoals ik het hier doe.
  5. Het komt mij dus voor dat de voortreffelijkheid van het Koninkrijk des hemels onder andere erin bestaat geen waarde meer te hechten aan al het aardse. Het is de rust en de glorie in onszelf, de vreugde om de vreugde van allen, een voortdurende vrede en een grote innerlijke voldoening, te bemerken dat iedereen de Heer heiligt en prijst, zijn Naam zegent zonder dat iemand Hem beledigt. Hij is door allen bemind en de ziel zelf kan niet anders dan Hem liefhebben en dit zonder ophouden, vermits zij Hem kent. Zo is het dat wij Hem op aarde zouden beminnen, hoewel niet zo volmaakt en minder duurzaam. Zo we Hem kenden zouden wij Hem anders liefhebben dan we Hem nu beminnen.
  6. Misschien zullen jullie denken dat ik ga zeggen dat we engelen moeten zijn om dit verzoek te mogen doen en om het mondgebed goed te kunnen verrichten. Onze goddelijke Meester die ons oplegt zulk een verheven bede te doen zou dit wel willen. Hij zegt ons vast niet, het onmogelijke te vragen. Een ziel die nog in ballingschap vertoeft kan het bekomen, hoewel minder volmaakt dan zij die uit dit gevang bevrijd zijn. Want wij vertoeven nog op zee en zijn nog onderweg. Toch zijn er ogenblikken waarop de Heer terwijl Hij ziet hoe de reis ons uitput, onze vermogens tot rust brengt en de ziel verstilt. Door tekenen verleent Hij een duidelijke voorsmaak van wat Hij geeft aan hen die Hij in zijn Koninkrijk binnenleidt. Aan degenen die er Hem hier beneden om vragen geeft Hij waarborgen die hun hoop levendig houden eens eeuwig te mogen genieten van wat Hij hun nu nog maar bij mondjesmaat geeft.
  7. Als je me niet de opwerping zou moeten maken dat ik het over de beschouwing heb, zou deze vraag van het Onze Vader mij een goede gelegenheid bieden om een weinig over de beginselen van de zuivere beschouwing te spreken. Zij die het mochten ervaren noemen dit het „gebed van rust”. Maar daar ik beweer het mondgebed nader te verklaren, zouden zij die niet op de hoogte zijn, kunnen geloven dat deze twee niet samengaan, terwijl ik weet dat dit wel kan. Ik wil het erover hebben, vergeef het mij, want ik ken heel wat mensen die, als ze het mondgebed verrichten, zoals ik zei, door God tot hoge beschouwing verheven worden, zonder te weten hoe!.
    Ik ken iemand die nooit anders kon dan mond- gebeden doen, maar goed in deze oefening geworteld, bezat zij alles. Indien ze niet reciteerde werd haar aandacht altijd afgeleid, wat ze niet kon verdragen. Geve God dat ons inwendig gebed het hare mag evenaren! Met het bidden van enkele Onzevaders, en enkele andere gebeden, denkend aan de omstandigheden waarbij de Heer zijn bloed vergoot, bracht ze urenlang door. Eens kwam ze me heel angstig toevertrouwen dat ze het inwendig gebed niet kon beoefenen, dat de beschouwing haar onmogelijk was, dat ze zich alleen maar op het mondgebed kon toeleggen. Ik vroeg haar welke gebeden ze verrichtte en bemerkte dat ze, bevestigd in de gewoonte het Onze Vader te bidden, de zuivere beschouwing bereikt had en dat de Heer haar zelfs tot de vereniging verhief. Haar leven getuigde degelijk van de grote genaden die ze ontving, want ze maakte er zeer goed gebruik van. Ik heb dus de Heer geloofd en haar mondgebed benijd. Als dit een feit is en dat is het, beeld je dan maar niet in je ervoor te vrijwaren, jullie die afkerig staat tegenover de contemplatieven, indien je je mondgebeden verricht zoals het hoort en je geweten zuiver is.

HOOFDSTUK 31
Vervolg van hetzelfde onderwerp. Het gebed van rust.
Enkele raadgevingen aan hen die deze gunst ontvangen. Een hoofdstuk dat zeer belangrijk is.

  1. Dochters, dit gebed van rust wil ik jullie nog nader verklaren, zoals ik het zelf vernomen heb, of zoals de Heer het mij heeft willen doen begrijpen, wellicht opdat ik het jullie zou doorgeven. Daar, dunkt het mij, begint de Heer, zoals ik zei, ons te doen inzien dat Hij onze vraag hoort. Hij geeft ons reeds hierbeneden zijn Koninkrijk, opdat we Hem oprecht zouden kunnen loven, zijn Naam zouden heiligen en er zouden toe bijdragen dat allen het eveneens doen.
  2. Dit is reeds iets bovennatuurlijks, wij kunnen er, spijts al onze inspanningen, niet met eigen middelen toe geraken. De ziel komt hierdoor tot vrede, of beter gezegd: de Heer vestigt de vrede in ons door zijn aanwezigheid en door het feit dat alle vermogens tot rust komen. Zo deed Hij ook voor de rechtvaardige Simeon. De ziel ziet in dat zij reeds bij haar God is, maar gans anders dan dat zij het met behulp van de uiterlijke zintuigen zou kunnen doen, dat er maar weinig meer nodig is om één te zijn met Hem door de vereniging. Het is niet dat zij Hem met de ogen van het lichaam of van de ziel ziet. De rechtvaardige Simeon zag ook niets anders dan het glorievolle, arme, kleine Kind. In doeken gewikkeld en begeleid door enkele eenvoudige mensen had hij het kunnen nemen voor een kind van arme lieden, veeleer dan voor de Zoon van de hemelse Vader. Het Kind zelf openbaarde hem wie het was. Zo begrijpt de ziel het hier, maar minder duidelijk. Ze verstaat nog niet hoe ze begrijpt. Ze weet alleen dat ze het Koninkrijk is binnengegaan. (Tenminste tot bij de Koning die er haar moet binnenleiden.) De ziel lijkt van zo’n grote eerbied doordrongen dat ze zich niet durft bevragen. Het is als het ware een inwendige en uitwendige onmacht. De uitwendige mens, (het lichaam als je dit beter verstaat) zou zelfs niet meer willen bewegen, zoals iemand die bijna het doel van de reis bereikt heeft nog wat rust neemt om dan de tocht beter te kunnen hervatten. Dit verdubbelt de krachten.
  3. Het lichaam ervaart een onnoemlijk genot en de ziel een grote voldoening. Het feit alleen zo dicht bij de bron te zijn veroorzaakt zo een geluk dat ze reeds verzadigd is voor ze eraan dronk. Het komt haar voor dat ze niets meer te verlangen heeft. Haar vermogens, roerloos en tot rust gekomen, zouden niet meer willen bewegen. Het lijkt of alles haar belet te beminnen. Toch gaat ze niet buiten zichzelf want ze is in staat te begrijpen bij Wie ze zich bevindt en twee van haar vermogens zijn vrij. De wil alleen is gebonden en het enige verdriet waartoe ze in staat is, is te bedenken dat hij weer vrij zal komen. Het verstand en eveneens het geheugen zouden maar één enkel ding willen begrijpen en hier ziet de ziel dat éne dat haar nodig is. Al het andere verontrust haar. Uit angst deze vrede te verliezen zou ze willen dat haar lichaam roerloos bleef. Ze durft dus niet bewegen en spreken vermoeit haar. Deze zielen doen er wel één uur over om het Onze Vader te bidden. Ze zijn zo dicht bij Hem dat ze elkaar door tekens verstaan. In het paleis, bij hun Koning, bemerken ze dat Hij hen zijn Koninkrijk begint te geven. Ze hebben niet meer de indruk tot de wereld te behoren en zouden niets anders meer willen zien en horen dan hun God. Niets bedroeft hen nog en het lijkt of niets hen nog kan verdrieten. Kortom, zolang hun voldoening voortduurt en dit innig genot aanhoudt zijn ze zo verzonken, zo opgeslorpt dat ze geen weet meer hebben van enig verlangen. Ze zouden eerder uit heel hun hart met de heilige Petrus zeggen: „Heer, laat ons hier drie tenten opslaan.
  4. Het gebeurt ook dat God in dit gebed van rust nog een andere genade verleent, die moeilijk te begrijpen is als je ze niet ervaren hebt. Degenen onder jullie die ze kennen zullen me al gauw begrepen hebben en je zult er een grote troost bij ondervinden. Ik geloof dat God deze genade dikwijls laat samengaan met de voorgaande. Als deze rust diep is en blijft aanhouden, meen ik dat, indien de wil tot beminnen zich niet aan iets gebonden heeft, hij niet zo lang in deze vrede zou kunnen blijven. Dit genot kan één of twee dagen duren zonder dat wij ons ervan bewust zijn (ik zeg, degenen die in deze toestand verkeren). Ze zien wel in dat ze niet helemaal aanwezig zijn bij hetgeen ze doen, maar dat hun het voornaamste ontbreekt. Dit is de wil, die naar mij dunkt, verenigd met zijn God de andere vermogens vrij laat om zich aan zijn dienst te wijden. Ze doen dit met een steeds toenemende bedrevenheid. Maar wanneer ze zich bezighouden met de dingen van de wereld zijn ze vaak onhandig en als versuft.
  5. De Heer verleent op die manier een grote genade wanneer het actieve en het contemplatieve leven samen gaan. Beiden dienen dan samen de Heer. Want de wil handelt zonder te weten hoe, en dit is in beschouwing zijn. De twee andere vermogens zijn dienstbaar zoals Martha die dus met Maria verbonden is. Ik ken iemand die door de Heer vaak in deze toestand geplaatst werd. Zonder te begrijpen wat haar overkwam, sprak ze erover met een groot contemplatief . Hij zei haar hierop dat dit zeer goed mogelijk was en dat dit hem zelf ook overkwam. Vermits de ziel zo’n groot genot ondervindt in dit gebed van rust, denk ik dus dat de wil bijna voortdurend verenigd is met Hem, de Enige die haar kan voldoen.
  6. Ik denk dat het goed is hier wat raad te geven aan diegenen onder jullie, mijn zusters, die de Heer in zijn goedheid tot deze staat gebracht heeft. Ik weet dat er enkelen zijn. Eerst en vooral: daar ze in zo’n grote vreugde verkeren zonder te weten hoe het komt, tenzij ze er van overtuigd zijn dit niet door eigen kracht te kunnen verkrijgen, worden ze bekoord. Ze denken in deze toestand te kunnen blijven en vermijden zelfs te ademen. Dat is dwaasheid, want evenmin als we de dag kunnen laten opgaan, kunnen wij beletten dat de avond valt. Dat is onze zaak niet meer. Het is bovennatuurlijk en helemaal onmogelijk uit onszelf te bekomen. Het beste middel om deze gunst te doen aanhouden is duidelijk te erkennen dat we er voor niets tussen zitten, tenzij om deze genade in grote dankbaarheid te aanvaarden, overtuigd dat we dit uiterst onwaardig zijn. Dit moeten we doen zonder veel woorden, maar door onze ogen op te slaan zoals de tollenaar “.
  7. Het is goed een grotere eenzaamheid te zoeken om zo de Heer vrij spel te laten en Zijne Majesteit toe te staan te doen alsof Hij thuis is. Hoogstens en van tijd tot tijd een zacht woordje, als een lichte ademtocht op een kaarsvlam die aan het uitdoven is, om haar weer aan te wakkeren. Maar zo ze opvlamt, zou dit slechts dienen om haar uit te blazen, dunkt mij. Ik beklemtoon: het blazen moet zacht gebeuren om te vermijden dat de wil zich gaat bezighouden met het verstand om een vloed van woorden te zoeken.
  8. Vriendinnen, let goed op de raad die ik je nu ga geven, want het zal je vaak overkomen dat je deze twee vermogens niet kunt gebruiken. Het kan gebeuren dat de ziel in een diepe rust verkeert en dat het verstand zo hoog verheven, onwetend is van hetgeen er in zijn huis gebeurt. Dit vermogen komt ons dan voor als de gast in een vreemd huis die andere verblijven zoekt om er te logeren. Het zijne bevalt hem niet, want hij kan er zich niet in vestigen. Zo is het bij mij. Het is mogelijk dat dit een uitzondering is en dat het anders zal zijn bij de anderen. Ik spreek dus tot mijzelf. Het gebeurt zelfs dat ik verlang te sterven, wanneer ik die beweeglijkheid van het verstand niet kan verhelpen. Op andere momenten lijkt het of het verstand er zich thuis voelt en het de wil gezelschap houdt. En als de drie vermogens zo overeenkomen is dit even heerlijk, als wanneer twee echtgenoten elkaar beminnen en ieder van beiden wil wat de andere wil. Indien de bruidegom echter tegen zijn zin gehuwd is, dan begrijpt men welke onrust hij zijn bruid veroorzaakt. Als de wil zich in deze rust bevindt moet hij aan het verstand niet meer belang hechten als aan een dwaas. Want, wil hij het naar zich toehalen, het zal met geweld trachten onrust te brengen. In deze staat van gebed heeft alle zelfwerkzaamheid tot gevolg minder te winnen, zelfs te verliezen wat de Heer ons zonder moeite geeft.
  9. Houd goed rekening met deze vergelijking, ze lijkt me zeer juist. De ziel is als een kind dat gevoed wordt aan de borst van zijn moeder. Zonder dat het behoeft te zuigen, laat ze de melk in zijn mondje vloeien. Kortom, ze verwent het. Zo is het ook hier. Zonder verstandelijke inspanning wijdt de wil zich aan het beminnen en de Heer staat het toe dat de ziel, zonder nadenken begrijpt bij Hem te zijn. Ze heeft dan niets anders te doen dan de melk te drinken die Zijne Majesteit haar in de mond laat vloeien en van deze zoetheid te genieten.
    Zo weet ze dat het de Heer is die haar deze gunst verleent en ze bezit het genot ervan te genieten. Ze moet niet trachten te begrijpen hoe en waarvan ze geniet, maar laat haar zichzelf vergeten. Hij die bij haar is zal niet nalaten in het oog te houden wat haar past. Ze kan niet alles doen, de strijd aanvangen met het verstand om dit te laten delen in hetgeen ze ervaart, en het laten meespelen. Noodzakelijkerwijze laat ze de melk uit haar mond lopen en verliest ze dit goddelijk voedsel.
  10. Hierin verschilt dit gebed van dat waarin de ziel heel en al verenigd is met God. Want dan heeft ze zelfs niet meer nodig het voedsel te slikken. De Heer brengt het in haar zonder dat ze weet hoe. Hier houdt Hij eraan dat ze nog een kleine inspanning doet, zeer klein en zo vredig dat ze het bijna niet aanvoelt. Het is het verstand dat haar kwelt. Het bezit die mogelijkheid niet meer bij de eenwording van de drie vermogens, waar Hij die ze schiep, hun activiteit uitschakelt. De vreugde die Hij hen verleent houdt hen bezig zonder dat ze weten of kunnen weten hoe.
    Dus, zoals ik reeds zei, als de ziel tot deze staat van gebed verheven is, ervaart ze in de wil een diepe, zalige rust, zonder dat ze nader kan verklaren waarin deze bestaat. Ze weet echter wel dat dit geluk oneindig veel verschilt van het aardse en dat de heerschappij van de wereld met al zijn vreugden niet kan volstaan om aan de ziel dit totaal innerlijk genot van de wil te verlenen. Sommige vreugden van het leven raken, dunkt mij, slechts de buitenkant van de wil, de schors zou ik kunnen zeggen. Wanneer de ziel dus tot een zo hoge graad van duidelijk bovennatuurlijk gebed verheven is, zoals ik het zei, en het verstand, of om me beter te doen verstaan, het denkvermogen zich zou overleveren aan de grootste dwaasheden van de wereld, spot ermee en laat het de onnozele uithangen. Blijf in je rust. Het verstand zal komen en gaan. De wil is hier onovertreffelijk meester. Deze zal het terugbrengen zonder dat je er hoeft mee bezig te zijn. Zou de wil het verstand met geweld doen terugkeren, hij zou zijn macht erover kwijt raken, na juist een goddelijk voedsel gegeten en tot zich genomen te hebben ; noch de een noch de ander zou erbij winnen, beiden zouden erbij verliezen ; wie teveel hooi op zijn vork neemt verliest alles, zegt men. Dit lijkt me hier het geval. De ervaring zal het je doen begrijpen. Bij gebrek daaraan, zou het mij niet verwonderen dat dit je duister en nutteloos voorkomt. Met een weinig ondervinding kun je er toch je voordeel uit halen, zoals ik reeds zei, en de Heer loven omdat Hij mij toestond hierover te spreken.
  11. Besluiten we dus: wanneer de ziel verheven is tot deze staat van gebed, schijnt het dat de eeuwige Vader haar bidden verhoord heeft. Hij geeft haar zijn Koninkrijk hierbeneden. O gezegend gebed, dat zulk een groot goed bevat zonder dat we het beseffen! Mijn zusters, daarom houd ik er aan dat we nadenken over de manier waarop we het Onze Vader en al de andere mondgebeden reciteren. Zodra God ons deze gunst verleend heeft hebben wij slechts aan alle aardse dingen voorbij te gaan. Want de komst van hun Meester verdrijft ze allen. Ik zeg niet dat allen die tot deze staat van gebed verheven zijn daarom reeds helemaal onthecht zijn aan de wereld. Minstens zou ik verlangen dat ze inzien wat hen nog ontbreekt. Dat ze zich vernederen en naar een totale onthechting streven, op straf niet verder te geraken. Wanneer God zulk onderpand aan een ziel verleent is dit het teken dat Hij grote dingen met haar voorheeft. Als ze dit zelf niet verhindert zal ze zeer ver komen. Maar, als Hij haar terug ziet keren naar de aarde, hoewel ze het Koninkrijk der hemelen reeds in haar huis bezit, zal Hij haar niet alleen de geheimen van zijn Rijk onthouden maar Hij zal haar deze gunst slechts zelden en zeer vluchtig verlenen.
  12. Het kan zijn dat ik mij bedrieg, maar ik zie en ik weet dat het zo is. Ik ben er zelfs van overtuigd dat hierin de reden ligt waarom er niet méér geestelijke mensen zijn. Indien hun godsvrucht niet in verhouding is met zulk een gunst en ze er zich niet op toeleggen deze opnieuw te ontvangen, maar hun wil terugnemen uit de handen van de Heer die ze reeds in bezit had genomen, om hem dan weer voor lagere dingen te gebruiken, dan gaat de Heer op zoek naar zielen die Hem echt beminnen, om ze nog meer te geven. Hij ontneemt echter aan de anderen niet alles wat Hij gaf, zo ze een zuiver geweten behouden.
    Maar er zijn ook mensen, en ik was een van hen, die door de Heer vertederd worden. Die Hij verwent met heilige ingevingen. Die Hij licht geeft over het zijn van alles. Aan wie Hij uiteindelijk het Koninkrijk schenkt, door hen tot het gebed van rust toe te laten. En toch houden ze zich als doven. Alsof ze een taak moeten afmaken vinden deze zielen danig hun genoegen in het uitspreken en het haastig reciteren van een groot aantal mondgebeden, waartoe ze zich iedere dag verplichten.
    Als dan de Heer, zoals ik zei, zijn Koninkrijk in hun handen legt, aanvaarden ze dit niet. Ze denken het beter te doen met hun gebeden en laten zich afleiden.
  13. Zusters, doe dit toch niet, maar wees waakzaam als de Heer je deze gunst verleent. Bedenk dat je een grote schat zou verliezen en veel méér doet door maar af en toe een woord van het Onze Vader te bidden dan door het dikwijls en haastig te zeggen. Degene tot Wie je bidt is dicht bij je. Hij zal niet nalaten je te aanhoren. Geloof me dat dit de goede manier is om zijn Naam te loven en te heiligen, want van dan af maak je deel uit van zijn huis. Je verheerlijkt de Heer, je looft Hem met méér liefde en verlangen en het is alsof je niet meer kunt ophouden Hem te dienen.

HOOFDSTUK 32
Over de woorden van het Onze Vader: „Uw wil geschiede op aarde als in de hemel”. Hoe verdienstelijk het is deze woorden uit te spreken in een geest van vastbeslotenheid. Over de beloning die de Heer ons hiervoor verleent.

  1. Onze goede Meester leerde ons iets van zo grote waarde te vragen, dat het alles omvat wat wij hierbeneden maar kunnen verlangen. Hij verleent ons de onschatbare genade ons als zijn broeders te beschouwen.
    Kijk wat Hij wil dat wij zijn Vader geven, wat Hij Hem schenkt in onze naam en wat Hij ons vraagt. Het is toch maar juist Hem enkele diensten te bwijzen, in ruil voor zo grote gunsten.
    O goede Jezus! Die zo weinig geeft (zo weinig van onze kant), hoe kan U voor ons ten beste spreken? Wat wij doen is niets, wij die zoveel verschuldigd zijn aan zo’n verheven Heer! Maar het staat vast Heer, dat U ons niet zonder iets laat en dat we alles geven wat in ons vermogen ligt, zo we geven wat we zeggen.
  2. „Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel”, Goede Meester, U deed er wel aan dit verzoek tot uw Vader te richten, opdat wij in staat zouden zijn de belofte te volbrengen die U in onze naam doet. Anders geloof ik dat het voor ons onmogelijk zou zijn, Heer. Maar vermits uw Vader uw verlangen verhoort door ons zijn Koninkrijk hier op aarde te geven, weet ik dat wij uw woord eer zullen aandoen, door op te brengen wat U in onze plaats beloofd hebt. Want als de aarde in hemel zal veranderd zijn, zal uw wil in mij kunnen geschieden. Zonder dat zou ik niet weten hoe het mogelijk zou zijn in die waardeloze en onvruchtbare aarde van mij. Wat U ons aanbiedt is zeer groot.
  3. Als ik er aan denk, vind ik het grappig die mensen voor de geest te halen die geen beproevingen durven vragen aan de Heer, uit angst onmiddellijk verhoord te worden. Ik spreek niet over degenen die dit weigeren uit nederigheid, zeker dat zij de kracht niet bezitten ze te dragen. Ik ben er nochtans innig van overtuigd dat Hij die hen voldoende liefde in- geeft om te vragen, Hem deze liefde op zo een harde manier te mogen bewijzen, de moed schenkt voor Hem te lijden. Ik zou willen weten of zij die de Heer geen beproevingen vragen uit angst verhoord te worden, weten wat ze zeggen, als ze Hem bidden dat zijn wil in hen zou geschieden. Zeggen ze dit om te doen zoals iedereen, zonder het echt te bedoelen? Zusters, dat zou niet goed zijn. Bedenk dat de goede Jezus hier onze afgevaardigde wil zijn, dat Hij voor ons wilde ten beste spreken bij de Vader en dat Hem dit veel gekost heeft. Het zou niet rechtvaardig zijn van onze kant, te weigeren oprecht te doen wat Hij beloofde in onze naam en het te vragen.
  4. Ik wil nu deze vraag op een andere manier benaderen. Veronderstel, dochters, dat zijn wil op aarde zal geschieden zoals in de hemel, of wij dit willen of niet. Geloof me, volg mijn raad en maak van de nood een deugd. O God, wat is het heerlijk voor mij te bedenken dat U de vervulling van uw wil nooit aan mijn ellendige omzichtigheid overliet! Wees voor altijd gezegend en dat al het geschapene U love! Uw Naam worde voor altijd verheerlijkt! In wat voor toestand zou ik mij bevinden, Heer, indien het van mij zou afhangen of uw wil vervuld werd of niet. Vandaag vertrouw ik U in alle vrijheid de mijne toe, hoewel niet belangeloos, want na een lange ervaring is me bewezen hoe nuttig het is mijn wil heel en al aan de Uwe te onderwerpen. O, mijn vriendinnen, wat een voordeel vinden wij erbij of welk een verlies, zo we ons niet houden aan de beloften die we de Heer doen in het Onze Vader!
  5. Voor ik je ga zeggen wat je erbij zult winnen, wil ik je uitleggen hoeveel je belooft. Zo zul je later niet kunnen verklaren dat het een vergissing was en dat je het niet begrepen had. Het mag bij jullie niet zijn zoals bij sommige religieuzen die beloften doen en ze niet nakomen met de verontschuldiging niet begrepen te hebben wat ze toen beloofden. Dit is mogelijk, want het is zeer gemakkelijk te zeggen dat wij onze wil aan iemand zullen onderwerpen, tot we er aan beginnen. Dan begrijpen we dat, als we ons aan de belofte houden zoals we overeenkwamen, niets zo moeilijk is. Maar de oversten die onze zwakheid bemerken behandelen ons niet steeds met gestrengheid. Het gebeurt dat ze de sterken en de zwakken op dezelfde wijze bejegenen. Zo is het niet in dit geval. De Heer weet wat ieder van ons kan verduren en Hij aarzelt niet zijn wil te volbrengen in degenen die Hij als sterken beschouwt.
  6. Ik wil je dus waarschuwen en je in herinnering brengen wat zijn wil is. Vrees niet dat deze bestaat in het schenken van rijkdom, genot, eer noch al die dingen van hierbeneden. Hij heeft je te lief. Hij waardeert zeer wat je Hem geeft. Hij wil je met gulheid terugbetalen, vermits Hij je in dit leven reeds zijn rijk geeft. Wil je eens weten hoe Hij handelt tegenoverhen die oprecht tot Hem bidden? Vraag het aan zijn glorierijke Zoon die hetzelfde gebed tot Hem richtte in de Hof van Olijven?. Daar dit gedaan werd met een vast besluit en met een absoluut goede wil, kijk hoe dit verhoord werd door de Vader, die Hem beproeving, lijden en beledigingen en vervolgingen overzond. En dit tot de kruisdood toe.
  7. Hier bemerk je dus, dochters, wat Hij gaf aan Hem die Hij het meest liefhad en je zult begrijpen waarin zijn wil bestaat. Dat zijn zijn gaven hier op aarde. Hij geeft naarmate Hij ons bemint. Wie Hij méér bemint, geeft Hij méér van die gaven. Degenen die Hij minder liefheeft, geeft Hij minder in verhouding tot de moed die Hij in ieder van ons bemerkt en volgens de liefde die wij Zijne Majesteit toedragen. Hij ziet dat wie Hem veel bemint, veel kan lijden voor Hem. Wie weinig liefheeft kan dit weinig. Ik ben er innig van overtuigd dat onze krachten, om een lichter of een zwaarder kruis te dragen zich afmeten naar onze liefde. Dus, zusters, als je Hem liefhebt, let wel dat je de woorden die je tot deze verheven Heer richt, niet louter uit beleefdheid spreekt, maar tracht ook te lijden wat Zijne Majesteit wil. Want zo je je wil niet geheel aan Hem geeft, handel je als zij die een juweel laten zien, doen alsof ze het willen geven, verzoeken het te aanvaarden, maar wordt de hand uitgestoken om het te nemen, het terugtrekken en het stevig vasthouden.
  8. Dat zijn van die spotternijen, ontoelaatbaar tegenover Hem die er reeds zoveel onderging voor ons. Al was er geen andere reden, het is niet rechtvaardig dat wij zo vaak de spot drijven met Hem, telkens we het Onze Vader bidden. Geven we Hem eens en voor altijd dit juweel, inplaats van te vechten om het te behouden. Het is waar, Hij geeft niets eerst, opdat wij onze wil in zijn handen zouden leggen. Zij die in deze wereld leven zullen al heel veel doen als ze het oprechte voornemen maken hun belofte te houden. Voor jullie, dochters, is zeggen handelen. Woorden moeten daden worden, zoals het religieuzen betaamt. Vaak strijden we echter niet alleen om het juweel te mogen behouden, maar we leggen het in zijn handen om het dadelijk weer terug te nemen.
    Na dit eerste gebaar van edelmoedigheid tonen we ons zo begerig, dat we misschien beter geaarzeld hadden vooraleer het te geven.
  9. Al de raadgevingen die je in dit boek zult vinden hebben als doel: ons geheel en al aan de Schepper geven, onze wil aan Hem overlaten en ons onthechten van de schepselen. Je moet nu reeds begrepen hebben dat dit belangrijk is. Ik dring er dus niet langer op aan. Ik zal alleen maar zeggen waarom onze goede Meester hier voornoemde woorden plaatst. Hij die weet wat wij allemaal te winnen hebben door ons aan de dienst van zijn eeuwige Vader toe te wijden. Zo bereiden we ons voor om in korte tijd het doel van onze reis te bereiken en het levende water te drinken aan de bron die je kent. Want zo we onze wil niet totaal aan de Heer overgeven opdat Hij in ons zou handelen naar de zijne, zal Hij ons nooit toestaan er aan te drinken. Dat is de volmaakte beschouwing waarover je me vroeg te spreken.
  10. Daarvoor doen we niets uit onszelf zoals ik je reeds schreef. We werken niet, we onderhandelen niet. Er is niets anders vereist, want al het overige hindert en belet ons te zeggen: „Uw wil geschiede” Heer, uw wil geschiede in mij, hoe dan ook en op welke wijze het U, mijn Heer, kan behagen. Zo het uw wil is dat ik beproefd word, ik ben ertoe bereid, schenk mij kracht en laat de beproeving komen. In vervolging en ziekte, bij oneer en ellende, hier ben ik, Vader. Ik zal mijn gelaat niet afwenden en het zou niet passen dat ik mijn rug afkeer. Sedert uw Zoon U mijn wil in handen gaf in naam van alle mensen, mag ik, wat mij betreft, daar niet meer aan te kort komen. Verleen mij echter de genade mij het Koninkrijk te schenken dat Hij U voor mij gevraagd heeft, opdat ik mijn belofte kan houden. En beschik over mij als over uw ding, volgens uw welbehagen.
  11. O mijn zusters! Welk een kracht bevat die gave! Het minste dat zij bekomt indien ons besluit genomen is, is de Almachtige ertoe over te halen Zich een te maken met onze geringheid, ons om te vormen in Hem, de Schepper met het schepsel te verenigen. Je ziet hoe goed je betaald zult zijn en welk een goede Meester je hebt, die weet hoe zijn Vader te winnen en ons leert hoe en waarin wij Hem moeten dienen.
  12. Hoe meer wij door onze daden bewijzen dat de woorden die wij uitspreken geen beleefdheidsformules zijn, hoe dichter de Heer ons naar Zich toehaalt, hoe hoger Hij onze ziel verheft boven alle aardse dingen en boven haarzelf, om haar waardig te maken zulke grote gunsten te ontvangen. Hij wordt niet moe onze gave reeds in dit leven te belonen. Hij stelt ze zozeer op prijs, dat wij niet meer weten wat te vragen en Zijne Majesteit niet uitgeput raakt te geven. Want niet alleen tevreden de ziel met wie Hij zich verenigde in Zich op te nemen, komt Hij ertoe in haar zijn welbehagen te vinden. Hij ontsluiert haar zijn geheimen en vindt er vreugde in dat ze begrijpt wat ze gewonnen heeft en dat ze gedeeltelijk waarneemt wat Hij haar voorhoudt.
    Langzaam aan ontneemt Hij haar het gebruik van de uitwendige zintuigen opdat zij met niets anders dan met Hem zou bezig zijn. Dat is de geestverrukking. Hij betoont haar dan zoveel genegenheid dat Hij haar niet alleen het gebruik van haar wil terugschenkt, maar haar zelfs de beschikking geeft over zijn eigen wil. Want in zo’n diepe vriendschap vindt de Heer er soms zijn behagen in de ziel op haar beurt te laten gebieden, — zoals men zegt — te doen wat zij Hem vraagt, zoals zij doet wat Hij haar vraagt. Hij doet dat heel wat beter dan zijzelf, want Hij is almachtig. Hij vermag al wat Hij wil en houdt nooit op te willen.
  13. De arme ziel, zij heeft goed te willen, wat zij wil kan ze niet. Zonder Gods hulp is alles haar onmogelijk. Het is haar grootste rijkdom, méér schulden op zich te laden naarmate zij dienstbaarder is. En dikwijls, gevangen in dit lichaam, bedroefd te zijn, omdat ze gebonden is aan de zwarigheden, de hinderpalen en de lasten van het leven, zij, die iets van haar schulden verlangt terug te betalen. Maar het is al te gek zich hierover te bedroeven. Want al doet ze wat ze vermag, wat kunnen wij betalen, wij die, zoals ik zei, slechts kunnen geven wat we zelf ontvingen? Wat kunnen we anders doen dan onszelf en onze middelen kennen en alles doen wat in ons vermogen ligt, namelijk, de volledige overgave van onze wil? Voor de ziel die de Heer tot deze staat gebracht heeft, is al het overige een belemmering, alles brengt haar nadeel, inplaats van voordeel. Alleen de nederigheid vermag iets. Niet deze die uit het verstand voortkomt maar deze die voortkomt uit een helder inzicht van de waarheid, die in één oogwenk begrijpt wat de verbeelding na lange jaren niet zou kunnen inzien: dat wij niets zijn en dat God oneindig is.
  14. Ik geef je de raad: geloof niet dat je deze staat
    ‘oor eigen kracht en toeleg kunt bereiken. Het zou ijdel zijn. Bezat je voordien godsvrucht, je zou eerder verkoelen. Maar zeg in eenvoud en in de nederigheid die alles overwint: „Uw wil geschiede”!

HOOFDSTUK 33
Hoe nodig het voor ons is, van de Heer te ontvangen, wat we Hem vragen door de woorden van het Onze Vader: „Geef ons heden ons dagelijks brood”.

  1. De goede Jezus, die zoals ik zei, begrepen had hoe moeilijk het voor ons was ons te houden aan wat Hij in onze naam beloofde, Hij die onze zwakheid kent en wist dat wij dikwijls zouden doen alsof we de wil van God niet verstonden, Hij de Goedheid zelf wilde ons, zwakke mensen, hiervoor het middel geven. Hij zag dat wij degelijk ongelijk zouden hebben door ons niet aan de overeenkomst te houden, vermits het tot ons grootste voordeel strekt. Hij zag dat het moeilijk voor ons is. Want, zeg je aan een rijke lekkerbek, dat God wil dat hij erover denkt soberder te zijn aan tafel opdat anderen die van honger sterven, al was het maar brood zouden te eten hebben, dan zal hij wel duizend redenen aanbrengen om slechts zijn eigen genoegen te voldoen. Zeg aan een kwaadspreker dat de wil van God hem verplicht zijn naaste te beminnen als zichzelf, dan zal hij zich ongeduldig maken en geen reden verstaan. Zeg aan een religieus, geneigd om een vrij en gemakkelijk leven te zoeken, dat hij het goede voorbeeld moet geven, zich niet alleen tevreden mag stellen met het herhalen van de woorden van het Onze Vader maar moet volbrengen wat hij gezworen en beloofd heeft, dat God wil dat hij zijn beloften eerbiedigt ; dat hij moet bedenken dat hij ze overtreedt wanneer hij een oorzaak van schande is, zelfs als hij ze niet verbreekt. Dat hij gelofte van armoede deed en er zich moet aan houden zonder te schipperen, want dat is de wil van de Heer. Zelfs door op deze manier te spreken zul je bij sommigen geen gehoor vinden. Wat zou het zijn, indien de Heer daar niet aan verhielp met het middel dat Hij ter hand stelde? Zonder dát, hoe zeldzaam zouden ze zijn die het woord, dat Hij voor ons aan de Vader gaf, volbrengen: „Uw wil geschiede” Toen de goede Jezus onze ellende zag, zocht Hij een bewonderenswaardig middel om ons zijn oneindige liefde te tonen. In zijn naam en in naam van zijn broeders heeft Hij dit gebed gezegd: „Geef ons heden, Heer, ons dagelijks brood”. Uit liefde tot God, mijn zusters, begrijpen we wat onze goede Meester vraagt. Stappen we niet lichtvaardig over deze woorden heen, ons leven hangt er van af. Schat gering wat je gaf, vermits je zoveel te ontvangen hebt.
  2. Het lijkt me belangrijk, zo ik me niet vergis, deze belofte te houden, gezien wat de goede Jezus voor ons beloofde. Dit is niet gemakkelijk, zoals ik reeds zei. Van nature uit en door onze geneigdheid tot de lagere dingen, ons gebrek aan liefde en moed, is het noodzakelijk dat wij zijn liefde steeds voor ogen houden om de onze aan te wakkeren. Niet éénmaal, maar dagelijks. Zo kwam het dat Hij besloot bij ons te blijven. En daar het om iets zo ernstig en belangrijk ging wilde Hij dat de eeuwige Vader het ons eigenhandig zou geven. Want Zij beiden zijn één en Hij weet dat alles wat Hij op aarde zou doen, door God ook in de hemel gedaan zou worden en het God zou welgevallen, omdat zijn wil en die van zijn Vader één zijn. De ootmoed van de goede Jezus is echter zo groot, dat Hij het als een toelating wilde vragen. Hij wist dat de Vader Hem beminde en in Hem zijn welbehagen stelde. Hij begreep goed dat Hij hierdoor méér vroeg, dan Hij ooit gedaan had, omdat Hij wist hoe Hij zou sterven en welke schande en beledigingen Hij zou moeten doorstaan.
  3. Is er één vader, Heer, die na ons zijn zoon gegeven te hebben — en welk een zoon! — en na gezien te hebben hoe hij behandeld werd, er zou in toestemmen dat hij onder ons verbleef om er iedere dag te lijden? Waarlijk, Heer, er zou er niet één zijn, buiten de uwe. U kent goed Degene die tot U roept. O mijn God, wat is de liefde van de Zoon groot en groot de liefde van de Vader! Toch verwondert het mij minder van de goede Jezus, Hij had reeds het „Fiat voluntas tua” gezegd en moest zijn woord gestand doen. Neen, Hij lijkt niet op ons. Want wetend dat Hij het gehouden had door ons te beminnen zoals Zichzelf, zocht Hij de meest volmaakte wijze om het te volbrengen, zij het op eigen risico.
    Eeuwige Vader, hoe heeft U dit kunnen toestaan? Waarom wilt U iedere dag uw Zoon in zo slechte handen zien! U heeft er eenmaal in toegestemd Hem tot ons te zenden en U ziet wat men met Hem deed. Hoe kan uw mededogen het aanzien dat Hij nog elke dag beledigd wordt, ja elke dag? Welk een smaad wordt het heilig Sacrament op vandaag niet aangedaan! In welke vijandige handen moet de Vader Hem zien! Wat een hoon vanwege die ketters!
  4. O eeuwige Heer! Hoe heeft U toch dit verzoek kunnen aanvaarden? Hoe kon U erin toestemmen? Sla toch geen acht op zijn liefde die, om uw wil volmaakt te volbrengen en om onzentwil, erin toestemt elke dag opnieuw verscheurd te worden. Het is aan U daarop te letten, mijn God, vermits niets uw Zoon doet afschrikken. Waarom moet Hij de kosten dragen van ons geluk? Waarom verdraagt Hij alles in stilte en kan Hij, die voor ons ten beste spreekt, dit niet voor Zichzelf doen? Zal er niemand spreken voor dit zo beminnelijk Lam? Ik bedenk dat deze vraag de enige is waarin Hij dezelfde woorden herhaalt. Hij vraagt dat ons het dagelijks brood gegeven wordt, maar benadrukt dit door te zeggen: „Geef het ons heden, Heer”. Hij brengt ook zijn Vader opnieuw voor ogen dat Hij het ons reeds eenmaal gaf, dat Hij voor ons allen gestorven is en dat Hij ons voortaan toebehoort. Dat Hij Hem ons niet meer zal ontnemen zolang de wereld duurt. Hij vraagt, dat Hij ons iedere dag ten dienste mag staan. Mijn dochters, jullie hart mag verteerd worden van liefde voor je Bruidegom. Geen enkele slaaf zegt van harte wie hij is, terwijl de goede Jezus er zijn eer schijnt in te stellen.
  5. O eeuwige Vader, hoe verdienstelijk is deze ootmoed! Met welke schat kopen wij uw Zoon! Wij kennen de prijs om Hem te verraden: dertig zilverlingen. Om Hem te kopen is Hij onbetaalbaar. Door de menselijke natuur die Hij aangenomen heeft is Hij één met ons en als Meester van zijn wil herinnert Hij er zijn Vader aan dat Hij ons deze wil kan schenken, omdat deze ook de zijne is. Hij zegt dus: ons brood. Hij maakt geen verschil tussen Zichzelf en ons. Het zijn wij die dit doen door ons niet iedere dag aan Zijne Majesteit te schenken.

HOOFDSTUK 34
Vervolg van hetzelfde onderwerp. Belangrijke raadgevingen voor de ogenblikken die volgen op het ontvangen van het Allerheiligste.

  1. Het lijkt dus wel dat dit „dagelijks” verzoek „voor altijd” geldt. Ik heb mij afgevraagd waarom de Heer, na gezegd te hebben dagelijks, nog insisteert door te zeggen: „Geef het ons heden, God.” Ik denk dat Hij hierdoor wil verklaren, dat Hij alle dagen tot onze beschikking is vermits wij Hem hier op aarde bezitten en we Hem ook in de hemel zullen bezitten zo we van zijn gezelschap een goed gebruik weten te maken. Slechts met dit doel blijft Hij bij ons: Hij zal ons ondersteunen, ons voeden, en ons helpen de wil te volbrengen waarvan wij vragen dat hij in ons zou geschieden.
  2. Wanneer Hij zegt: heden, dan betreft dit één enkele dag, denk ik. Dat wil zeggen, zolang de wereld bestaat en niet langer: wat een dag! Het is zijn schuld niet dat de ongelukkigen die zich verdoemen voor altijd zullen verloren zijn en niet van Hem zullen genieten in de andere wereld, omdat ze verslagen zijn. Want Hij houdt niet op hen te ondersteunen tot aan het einde van de strijd. Zij zullen zonder excuus zijn. Ze zullen zich niet bij de Vader kunnen beklagen dat Hij hen niet steunde wanneer zij dit het meest nodig hadden. Dus, daar het een dag betreft, vraagt zijn Zoon Hem de toestemming deze door te brengen in dienstbaarheid. Zijne Majesteit heeft Hem aan ons gegeven en Hem volgaarne in de wereld gezonden. Nu wil zijn Zoon ons niet meer verlaten. Hij wil hier bij ons blijven tot de hoogste eer van zijn vrienden en tot nederlaag van zijn vijanden. Hij spreekt enkel opnieuw om ons vandaag dit heilig brood te geven Dit voedsel, dit manna van het mensdom, dat we naar believen in overvloed vinden heeft Zijne Majesteit ons voor altijd geschonken, zoals ik zei. Slechts door eigen schuld kunnen we van honger omkomen, want hoe onze ziel ook wil gevoed worden, zij zal smaak en troost vinden in het Allerheiligste.
    Er bestaat geen ellende, geen beproeving of vervolging die we niet gemakkelijk zullen verduren, zodra we beginnen te smaken wat Hij doorstaan heeft.
  3. Jullie, mijn dochters, met de Heer verenigd, vraag aan de Vader dat Hij je vandaag je Bruidegom laat en je in deze wereld niet leeft zonder Hem. Om zo’n bijzonder geluk te temperen volstaat het dat Hij onder de gedaanten van brood en wijn verscholen is. Dat is een zeer grote kwelling voor degenen die niets anders hebben om te beminnen, noch andere vertroostingen om te zoeken. Smeek Hem dat Hij je niet alleen laat en je voorbereidt om Hem waardig te ontvangen.
  4. Jullie die je volledig aan de wil van God overgegeven hebt, maak je geen zorgen om ander brood. Ik wil zeggen dat je op het uur van het gebed met belangrijker dingen moet bezig zijn. Er zijn andere uren om te werken en in je levensonderhoud te voorzien. Laat het nooit in je gedachten opkomen daarover zorgen te maken. Dat je lichamelijk werk verricht en het nodige doet om je te kunnen voeden is goed, maar laat de ziel in vrede blijven. Laat die kommer aan je Bruidegom over, zoals ik je reeds uitvoerig zei. Hij zal er altijd zorg voor dragen.
  5. Op deze wijze zoekt de dienaar in alle dingen zijn meester te voldoen. Zolang echter de dienaar in zijn huis verblijft en in zijn dienst staat, moet de meester hem te eten geven, tenzij hij zo arm is dat hij niets heeft, niet voor de een en niet voor de ander. Hier is dit niet het geval. Je Meester zal altijd rijk en machtig zijn. Het zou dus niet passen dat de dienaar te eten vraagt, terwijl hij weet dat zijn Meester hem voedt en hem zal blijven voeden. Hij zal gelijk hebben indien Hij hem zegt dat hij alleen maar zorg moet dragen Hem te dienen en te voldoen. Indien zijn aandacht afgeleid wordt door zaken die hem niet aangaan, verricht hij niets goeds.
    Zusters, laten we dus, wie voor dat andere brood bezorgd wil zijn, bezorgd zijn. Vragen wij de eeuwige Vader dit hemelse brood waardig te mogen ontvangen. Vragen wij, daar Hij zo goed verborgen is dat de ogen van het lichaam niet kunnen genieten door te zien, dat Hij Zich ontsluiere voor de ogen van de ziel en dat Hij Zich openbaart. Dit is een ander voedsel, een vreugde, een festijn. Het is dé voedingstof van het leven.
  6. Denk je dat dit heilig voedsel geen behoud betekent voor ons lichaam, een krachtig geneesmiddel zelfs voor lichaamskwalen? Ik weet dat het dit allemaal is. Ik ken iemand, gekweld door ernstige ziekten, van wie de hevige pijnen vaak als door een hand weggenomen waren en die zich totaal genezen voelde . Dit heeft zich zeer dikwijls voorgedaan en het betrof duidelijke ziekten, die men onmogelijk kon veinzen, meen ik. De wonderen die dit heilig brood verricht bij hen die het waardig ontvangen zijn zo in het oog lopend dat ik niet alles vertel wat aan die persoon in kwestie gebeurde. Ik had de gelegenheid deze te kennen en ik weet dat zij niet liegt. De Heer had haar echter zo’n levendig geloof gegeven, dat ze stilletjes in zichzelf moest lachen, telkens ze sommigen hoorde zeggen dat ze hadden willen leven in de tijd dat Christus, ons Goed, op aarde verbleef. Ze overwoog dat ze Hem in het heilig Sacrament net zo reëel bezat als toen. Wat kon ze nog meer verlangen?
  7. Ik weet dat deze persoon, hoewel ver van volmaakt, gedurende vele jaren als ze communiceerde, de Heer als was het met de ogen van het lichaam het verblijf van haar ziel zag binnengaan, niet meer of niet minder. Ze trachtte dan haar geloof aan te wakkeren. Echt gelovend dat de Heer haar arm verblijf betrad, ontdeed ze zich zoveel mogelijk van alle uiterlijke zaken en ging mee met Hem naar binnen. Ze beijverde zich haar zintuigen tot inkeer te brengen, opdat ze allemaal zo’n grote weldaad zouden begrijpen, het is te zeggen, opdat ze de ziel niet zouden verhinderen ze te kennen. Ze beschouwde zich als Magdalena, wenend aan zijn voeten, niet meer of minder dan wanneer ze dit met eigen ogen zou gezien hebben in het huis van de farizeeër. Zelfs als ze geen voelbare godsvrucht bezat, hield haar geloof haar voor, dat Hij daar werkelijk was.
  8. Want als we niet dwaas willen zijn en ons verstand verblinden, valt het niet te betwijfelen dat het geenszins gaat om een voorstelling in de verbeelding, zoals bij het beschouwen van de Heer aan het kruis of op andere momenten van zijn lijden, en we het gebeurde in onszelf oproepen. In dit geval gebeurt het hier ter plaatse. Dit is absoluut zeker en we hebben het niet elders, verweg te zoeken. We weten dat zolang onze lichaamswarmte de bestanddelen van het brood niet verteerd heeft, de goede Jezus in ons verblijft, opdat wij Hem zouden benaderen. Daar het, toen Hij op aarde leefde, voor de zieken volstond zijn kleren aan te raken om genezen te zijn, hoe er dan aan twijfelen dat Hij, indien we geloven, wonderen zal doen wanneer Hij zó in mij verblijft? En dat Hij ons niet geeft wat wij Hem vragen, vermits Hij ons huis bewoont? Zijne Majesteit betaalt niet karig onze gastvrijheid als wij Hem een aangenaam verblijf bieden.
  9. Wanneer je bedroefd bent, omdat je Hem niet met de ogen van je lichaam ziet, hou er dan rekening mee dat dit niet geschikt voor je is. Het is iets anders, Jezus verheerlijkt te zien, dan Hem te zien zoals Hij op deze wereld was. Onze natuurlijke zwakheid zou het niet kunnen verdragen, de wereld zou niet meer voortbestaan, niemand zou er nog kunnen leven. Want ten aanschouwe van deze eeuwige Waarheid, zouden wij zien dat alle dingen waar wij hierbeneden zo’n belang aan hechten leugen en bedrog Zijn.
    Hoe zou een kleine arme zondares als ik, die Hem zo vaak beledigd heeft, dicht bij zo’n verheven Majesteit durven vertoeven? Onder de gedaante van dit brood is Hij genaakbaar. Als de Koning zich vermomt, dan vrezen we niet Hem met minder ontzag en respect aan te spreken. Hij is verplicht het toe te staan, vermits Hij zich vermomd heeft. Wie zou er anders zo onwaardig, zo lauw, zo onvolmaakt voor Hem durven verschijnen!
  10. O, wij weten niet wat wij vragen, maar hoe keert zijn wijsheid dit ten goede! Hij openbaart Zich aan hen die Hij in staat weet te profiteren van zijn aanwezigheid. Zonder dat ze Hem met de ogen van hun lichaam zien, kan Hij zich op vele wijzen aan de ziel tonen door diepe innerlijke gevoelens en langs verschillende wegen.
    Blijf bij Hem van ganser harte. Laat de goede gelegenheid om met Hem te onderhandelen, gedurende de tijd na de communie, niet verloren gaan Indien de gehoorzaamheid je iets anders oplegt, zusters, tracht dan je ziel bij de Heer te laten. Als je aandacht dadelijk op iets anders gevestigd wordt zonder dat je belang aan Hem hecht, zonder dat je erop let dat Hij in je verblijft, hoe zou Hij Zich aan jou openbaren? Dit is het geschikte ogenblik voor onze Meester om ons te onderrichten en voor ons om naar Hem te luisteren en Hem de voeten te kussen uit dankbaarheid voor zijn leer. Smeek Hem dat Hij Zich niet van jullie verwijdert.
  11. Als je Hem dit wil vragen en terwijl een afbeelding van Christus bekijkt, vind ik het dwaas de persoon zelf te verwaarlozen om een schets te bezien. Zou het geen zottigheid zijn dat, als we het portret hadden van een geliefd iemand, we deze persoon, op bezoek, niet aanspraken, om ons uitsluitend naar het portret te wenden?
    Weet je op welk moment dat uitstekend is en wanneer ik ervan geniet? Het is, als de goddelijke Persoon afwezig is, of als Hij ons zijn afwezigheid door een grote dorheid wil laten aanvoelen. Dan ondervinden we veel troost bij het kijken naar een afbeelding van Hem die ons zoveel redenen geeft om Hem te beminnen. Overal waar ik mijn blik wend, zou ik ze willen zien. Zou er iets heerlijkers bestaan om te bekijken en zouden we onze ogen beter kunnen gebruiken dan door te zien naar Hem die ons zo bemint en in wie alle goed is? Ongelukkige ketters die door eigen schuld deze vertroosting en nog vele andere verloren hebben!
  12. Maar wanneer je de Heer in de communie juist ontvangen hebt, vermits je de persoon zelf voor je hebt, tracht de ogen van je lichaam te sluiten, deze van je ziel te openen en kijk in je hart. Ik zeg en herzeg het je, en ik zou het vele malen willen herhalen: wanneer je deze gewoonte neemt iedere keer dat je communiceert — en tracht ernaar je geweten zuiver te houden om dikwijls van dit Goed te mogen genieten — zul je vaststellen, zoals ik zei, dat, al is Hij vermomd, het Hem niet belet Zich op verschillende wijzen aan ons te openbaren in de mate dat wij verlangen Hem te zien. Je kunt Hem zodanig verlangen dat Hij Zich ten volle aan jou zál openbaren.
  13. Maar hechten we helemaal geen aandacht aan Hem en verlaten we Hem dadelijk na Hem ontvangen te hebben om ons bezig te houden met aardse zaken, wat vermag Hij te doen? Zal Hij ons dan verplichten naar Hem te kijken, Hij die Zich aan ons wil laten kennen? Neen, want Hij werd niet zo goed behandeld toen Hij Zichzelf openbaar aan de wereld toonde en duidelijk verklaarde wie Hij was. Er waren er maar zeer weinigen om Hem te geloven.
    Zijne Majesteit toont ons zijn grote barmhartigheid in zijn verlangen dat wij zouden begrijpen wie er in het heilig Sacrament aanwezig is. God wil Zich openbaren, zijn verheven grootheid laten zien en een deel van zijn schatten geven aan degenen van wie Hij weet dat zij dit vurig verlangen. Dat zijn zijn echte vrienden. Ik zeg je, dat wie niet tot ben behoort en Hem niet als dusdanig ontvangt, hiervoor alles doende wat in zijn vermogen ligt, Hem nooit moet lastig vallen opdat Hij Zich zou tonen. Nauwelijks heeft hij volbracht wat de Kerk voorschrijft of hij verlaat zijn huis en tracht Hem eruit te verjagen. In beslag genomen door andere zaken, andere bezigheden en wereldse beslommeringen, lijkt hij er met spoed voor te zorgen dat de Heer, de Meester van het huis, het niet bewoont.

HOOFDSTUK 35
Dit onderwerp eindigt met een exclamatie tot de eeuwige Vader.

  1. Ik heb lang uitgeweid over dit onderwerp. En nochtans sprekend over het gebed van inkeer, zei ik reeds hoe belangrijk het is in zichzelf te keren, alleen met God. Indien je niet communiceert, dochters, en je de Mis bijwoont, kun je een geestelijke communie doen. Dit is bijzonder heilzaam. Vervolgens kun je dan in jezelf keren. Dit prent diep in ons de liefde van deze Heer. Als wij ons voorbereiden om te ontvangen, zal Hij ons steeds op de een of andere manier geven, zelfs zonder dat wij het weten. Het is dichter bij het vuur komen. Als een vlammend vuur wordt aangelegd en je je hiervan verwijdert, je handen bedekt houdt, zul je je niet erg verwarmen. Toch zul je het warmer hebben dan zonder vuur. Het is wel anders als we tot de Heer willen naderen. Als de ziel goed voorbereid is — ik wil zeggen, als ze geen kou meer wil hebben — en ze een ogenblik bij de haard vertoeft, zal ze gedurende lange tijd verwarmd zijn.
  2. Let dus op, zusters, want het zou kunnen gebeuren dat je in het begin geen welbehagen voelt. Het is mogelijk dat de duivel je hart beklemt en je beangstigt. Hij weet welk groot nadeel hier voor hem uit voortvloeit en hij zal trachten je te doen geloven dat je andere praktijken met meer godsvrucht zult volgen dan deze hier. Laat deze doenwijze niet achterwege. Op die manier zul je de Heer tonen hoeveel je van Hem houdt. Herinner je dat er maar weinig zielen zijn die Hem in de beproeving vergezellen en volgen. Verduren we iets voor Hem. Zijne Majesteit zal het je vergelden. Bedenk ook hoevelen er zijn die niet alleen weigeren bij Hem te blijven, maar Hem ruwweg verjagen. We moeten dus iets verdragen, opdat Hij zou weten dat wij Hem verlangen te zien. Hij lijdt en zou alles willen doorstaan om slechts één enkele ziel te vinden die Hem ontvangt en Hem met liefde, in zich onderdak verleent. Moge deze ziel de jouwe zijn. Want zo Hij er geen enkele vond, zou de eeuwige Vader gelijk hebben Hem niet toe te staan bij ons te verblijven. Hij is echter zo vriend voor zijn vrienden, en zo Meester voor zijn dienaars dat Hij, Zich onderwerpend aan de wil van zijn goede Zoon, ervan afziet Hem het volbrengen van deze uitnemende zending, die getuigt van zijn grote liefde voor zijn Vader, te beletten.
  3. Dus, Heilige Vader die in de hemelen zijt, vermits U het verlangt en het toestaat, — en het is duidelijk, zoals ik bij het begin zei ‘, dat U er niet aan denkt iets te weigeren wat zo nuttig voor ons is — is het wel nodig dat er iemand de verdediging van uw Zoon op zich neemt, aangezien Hij nooit Zichzelf verdedigd heeft. Verdedigen wij Hem, wij, dochters, zelfs als dit van onze kant zeer gedurfd lijkt. Vertrouwen we ons toe aan de Heer die ons beveelt te vragen. Trouw aan de gehoorzaamheid, in naam van de goede Jezus smeken we Zijne Majesteit Zich te herinneren dat zijn Zoon alles gedaan heeft door aan zondaars zulk een grote weldaad te verlenen. Hij stemme er dus, vanuit zijn barmhartigheid, mee in dat Hij niet meer zo mishandeld worde. Opdat wij Hem heel dikwijls als offer zouden kunnen aanbieden, vond Jezus, zijn Zoon, een goed middel. Moge deze kostbare gave de stroom tegenhouden van zoveel rampen, zoveel beledigingen door deze lutheranen ten opzichte van het Allerheiligste, zoveel verwoesting van kerken, zoveel priesters die verloren gaan en sacramenten die afgeschaft worden.
  4. Wat is dat, mijn Heer en mijn God! Vernietig deze wereld of genees haar van de kwalen die zo ernstig zijn dat geen hart, zelfs zo armzalig als het onze, het kan verdragen. Ik smeek U, eeuwige Vader, dit niet langer te dulden. Heer, doof dit vuur! U kunt het als U wilt. Bedenk dat uw Zoon nog op aarde verblijft. Dat uit eerbied voor Hem, deze lelijke, afschuwelijke en gemene dingen ophouden. In zijn schoonheid en zuiverheid verdient Hij niet in een huis te verblijven, waar men dergelijke zaken vindt. Doe het Heer, niet voor ons, wij verdienen het niet, maar voor uw Zoon. We durven U niet te vragen Hem van ons weg te nemen. Wat zou er van ons geworden? Zo iets U kan tevreden stellen dan is het dat Hij hier op aarde onze waarborg is. Er moet een middel voor bestaan, Heer! Dat Uwe Majesteit het dus gebruike!
  5. O mijn God, Ik zou tot het uiterste willen gaan om U lastig te vallen! Had ik U toch maar beter gediend om daardoor recht te hebben als beloning voor mijn werken zo’n grote gunst te mogen vragen! Nooit verzuimt U het, ook maar iets onbeloond te laten! Ik heb echter niets voor U gedaan, Heer. Misschien ben ik het zelf die door mijn schuld U vertoornde en vloeit dit kwaad voort uit mijn zonden. Wat kan ik anders doen, mijn Schepper, dan U dit heilig brood aanbieden? Het U terugschenken, al komt het van U? En U smeken mij die genade te verlenen door de verdiensten van uw Zoon die ze op ontelbare wijzen verdiend heeft? Heer, beveel deze zee onmiddellijk tot bedaren te komen. Dat het schip van uw Kerk niet steeds midden in de storm verkere. Red ons, Heer, want wij vergaan.

Teresia von Avila, Mystieke Werken 3 Bd. Gent 1980 (uitg. Carmelitana) Bd 1, Weg van Volmaaktheid, hfst. 28-35, pag. 171-220