Gedicht – Poem – wandelen tussen gedichten

Aan de overleden, vergeten dichter

(Ter ere van de overleden, ongepubliceerde dichter)

Goed gedaan!
Je hebt gewonnen!
Je hoeft geen spijt te hebben,
jouw ongepubliceerde gedichten
-vergeet het nooit-
zijn niet begraven
zijn niet gebogen
onder de kracht van de tijd.
Als goud
blijven ze
in de aarde.
Ze blijven,
ze smelten nooit,
ze komen misschien laat,
maar ze zullen ooit 
aangeboden worden
aan hun volk
om hun zoete,
eeuwige essentie te schenken.

DIMITRIS P. KRANIOTIS, Griekenland
 
Vertaling uit het Engels Germain Droogenbroodt

Ithaca foundation
http://www.point-editions.com

50×70 mei 2025

In de vierde ring van Onder-Nederland
klonk hemelse muziek: ten langen leste zielenbalm
voor mijn vermoeide, door elkaar geschudde brein.
Het was goed om even helemaal alleen te zijn.

Ik genoot van het trompetgeschal,
de klarinetten, orgels, het sopraangegalm.
Toen sprak een onbekende stem:
‘Je tweede metgezel is: Gerrit Zalm.’

Gerrit Zalm leidde me naar de oever
van een onstuimige rivier, waar lisdodden
en snoekkruid een haag om het woelige water vormden.

Welkom in het domein van de financieel slagkrachtigen,
je bent de eerste dichter die hier ooit geweest is.
Je zult zien, hier heerst de ratio,’ sprak de man

die, sinds ik hem voor het laatst op tv zag,
jaren geleden, weinig veranderd was.
Ik herinnerde me hoe hij een stabiele factor was geweest

in mijn kindertijd, een gezicht op het jeugdjournaal
dat bij iedere crisissituatie wist uit te stralen:
we zullen in elk geval niet failliet gaan.

Lieke Marsman


De eerste letter (2)

een stem spreekt tegen me en ik moet bepalen
of het een engel is
maar hoe kan ik tot zoiets in staat zijn?
wie angst heeft wil over angst lezen
in een net ontdooide wereld
een knoop van haar lange jas opendoen
en dan
in een nieuw land een winkel beginnen
daar ’s ochtends de luiken openen
zien dat het lente is
op een manier
dat je je opeens afvraagt
wat het is dat je binnenlaat

Lieke Marsman

Uit: man met hoed. gedichten 2005-2017


Ik loop de dag in de vogels lang gezwegen
ruisen hun lied als palmen allerwegen
zuiveren de lucht van het bloederig verleden

ik loop de dag in en de karmozijnen morgen
versterkt mij als het bloed der martelaren
dat zaad en toekomst werd voor deze aarde

tot aan de dood echter overschaduwt
je dood vanaf nu, onafscheidelijk
de dag van mijn geboorte

Shrinivási


Omdat de wereld mijn huis is
heb ik tussen anderen gewoond
heb ik andere klimaten geproefd
ben ik op mijn tocht over de aarde
terug naar de boom in de avond
voor reflektie en ongebreidelde rust
sluit ik langzaam de keten van reizen
voor het licht in mij raakt uitgeblust

Shrinivási


Lieke

Er is een vrouw die de eerste letter kende van alles,
van angst, van adem, van gewicht.
Ze wist dat een aangevochten lichaam en een uitgeputte wereld dezelfde wortels hebben. Ze tekende de verbinding. Ze gaf de lijn een naam. Wij leven nu in die naam.

Het leven ingeklapt in bundels, tijd ingeklapt in taal.
Ergens dragen planeten die wij nog geen naam hebben gegeven
een handschrift dat op het hare lijkt.
Alles wat niet meer kon, is daar toch aangekomen.

Ik zoek haar in de taal.

Gershwin Bonevacia


Ode aan Lieke Marsman

sommige vrouwen zijn zeldzame strijders
die onbevreesd het stormoog inlopen
aan hun zij een gratie die geen tijd erkent 

sommige worden machtige moeders van gebaarde wezens
wilde bloemen
van drinkende hondjes

anderen zijn heksen die achter gordijnen heldere huivering
herintroduceren in een arena vol mannen
hier is falen geen optie

weer anderen zijn geboren als vermomde magiërs
die onverschrokken elk woord de geur van vanille geven
met een feilloze tong tegen hun gehemelte 

en weer anderen zijn profeten die uitbundig spreken met de dood
terwijl zomers op hun deuren kloppen
duisternis op hun schouders fluistert 

de laatste soort vrouwen die dromen van verboden affiches
in verregende steegjes
oog in oog met het sublieme

een zeldzame soort zoals jij Lieke
was ze allemaal

Nisrine Mbarki Ben Ayad


nu ik schrijf ervaar ik wat poëzie is
maar als ik het overdenk
ontgaat het mij per definitie

precies zoals water binnen je handen
wegglipt tussen gespreide vingers

of de hemel die je erin zag schijnen
fragmenteert en ineens niet meer is

toch ben ik verrast en bekijk
die cosmos hier op een bladzij

woorden schoon zonder bijsmaak
gered uit een brein vol van twijfels

gedachten ingekleed weer in taal
expressie van het menselijk hart
bloed alzuiver binnen ons lichaam

grootsprakigheid staat poëzie naar het leven
diepgang noch waarde bezit zij

maar onbekommerd praten nog kinderen
onbevreesd houdt de jeugd mijn hand vast

zij bevrijden mij uit mijn coma
ongeremd, driftig, vol vuur
brengen zij nieuw ritme mijn hart in

in een droom zoen ik hun ogen
rijp ik met hen mee

als zij proef ik zuiverheid, vriendschap
een vrucht van vertrouwen en liefde

Shrinivási


poëzie is het wonder vangen
binnen het broze omhulsel van taal

is God en het Goede ont-dekken
bevrijden uit een voortwoekerende nacht

heel duidelijk ervaar je ineens
hoe nabij de hemel dan is

heel helder in een ondeelbare sekonde
wat geluk is, wat vreugde, wat schoonheid

zijrivier ben je, een donkere kreek
waar de zee instormt als vloed

oeverloos ben je, oneindig
grenzend aan de grenzen der aarde
grenzend aan de rand van de hemel
vol, oneindig vol leven

binnen dit beloftevolle land
kun je volmaakt zijn en gelukkig

de onwetenden, de blinden ten spijt
zij voeren een halsstarrige strijd

tegen kalenders, de wereld, de zon
en dit biedt ons geen brug naar de toekomst

wie een mens verovert met angst
zal omkomen in een lawine van wanhoop

zal verzuipen in een kolk van twijfels
vereenzaamd op de kust van de dood

word wat een mens was in den beginne
waar een mens nog vertederd naar kijkt

Shrinivási


Voor Lieke

er zijn verschillende manieren waarop je kan gaan
en te vroeg is er één van

als het zaallicht aangaat
staat niemand op
zolang we in dit licht versleten
pluchen blijven zitten
volgt er wellicht nog
iets wat we kunnen drukken
tegen schokkende borstkassen

we hielden je graag nog even voor onszelf
maar vandaag geloven we in een parallel universum
in leven op andere planeten

Babs Gons


Voor Lieke

Het is vrij licht nog.
Er is vrij weinig tijd in dit licht nog
om te beginnen. Vrij weinig vorm
waarin ik zeggen kan: bedankt.
Voor de variaties op de variations
on a theme en de dagen
waarop het donker niet te beschrijven is
behalve met het woord: present.
Voor het ver gesuis van Duitse Autobahn
in het vollopen van een verwarmingsbuis.
Voor wat nog ruist in alle tederheden.
Voor wat lucide was.
Voor een barmhartig vennetje.
Voor steeds maar afdalen
in Onder-Nederland.
Veel eerder: dat huisfeest op de Reguliers,
je danste.
We kregen steeds meer woorden
om verdriet te beschrijven
en we verloren de poëzie,
waarna we dingen gingen doen.
Of in Tilburg, later,
in die tuin. De lucht stil, als lucht.
We stonden in de tijd.
We hadden het ergens over.
Het was bij lange na nog geen gedicht.
En het was veel lichter nog   
en er was meer begin.

Maarten van der Graaff


AMAZONEVREEMDELINGEN

Zij zijn echt niet onder
ons de auteurs van mijn tijd en ik
ik vrees het ergste
hoe overleef ik nog 20 jaar als soort
anderen weten niet hoe
onze kuststad een nieuw ritme vond en
zingt met andere woorden dan die ooit werden verworpen
wij sloegen de taalschat om ons heen als een mantel die
warmte gaf en aanzien waar het koud
was overzee en vreemd.
Ik wil verzamelen wat zij die dood zijn articuleerden
en alles stilletjes transformeren tot geboorteplaats
geen eiland
geen kustvlakte maar
hooggebergte
geen landgenoot wil er wonen helaas
geeft te veel overzicht en inzicht en vrees.
Verslingerd geraakt aan een oorsprong die wij zoeken en maar niet vinden 
hebben zij afstand genomen van mij en ons gehaat om de brokstukken 
die auteurs van mijn tijd hebben gemaakt om vaderland en 
moedertaal te verheffen tot een toekomst
die telt.
Wij hebben ons niet overgeleverd aan toekomstdromen
wij hebben als drenkelingen en 
tegen de stroom in iets duidelijk gemaakt
iets van bestaan
waar geen bestaansgrond is.
Amazonevreemdelingen zijn wij gebleven
en voortdurend op de vlucht.
Ik weet niet waar ik mijn weerwoord kan
uitspreken
ongestraft en onbevreesd. Ik weet niet eens waar
bloedverwanten wachten en waken als een klont aarde krioelend van leven.
Sterf ik dan is een soort verdwenen.

Astrid H. Roemer


ROODVERSCHUIVING II.

Zoals vetganzen doen wil ik
jou zoenen
en vasthouden bij donker alsof ik
een rivierotter ben
bij daglicht jou aflikken als mijn enigste
kitten mijn babypoes en kroelen
tot je giert
tranen langs mijn wangen bang
als een krokodil 
om jou gulzig kapot te bijten
op te vreten tot ik helemaal bevredigd ben
onzichtbaar drijf weggedoken voor anderen die jou
ook mij rauw lusten
het duurt langer denk ik om te doen als een vogeluil
zodat ik geruisloos volg elke beweging die je maakt
uiteindelijk wil ik iets menselijks 
met je
wil jij ook?
Ja!

Astrid H. Roemer


DE HOOGSTE TIJD

mama sterft en dingen gaan
stuk in mij. weet niet wat
weet niet waar. kan er 
niet bij. oorverdovende stilte in me als
toen. ik val van de wip. een arm in het gips. 
negen was ik en
moeder zei. niet aankomen kind. jouw 
lijfje doet het voor je. herstel gebeurt vanbinnen
en kost tijd. kalendertijd. kloktijd. moeder
zei. lichaamstijd.
vandaag rinkelen belletjes 
in mij.

Astrid H. Roemer


IK HEB EEN DROOMHUIS

Ik heb een droomhuis waar gasten 
komen die ik liefheb
Tamar woont er en haar broertjes en
mijn zus met de Noordse roepnaam.
Ik kom er niet dikwijls meestal 
rond verjaardagen zoals vannacht.
De zee glom als tropenhemel en
ik hoorde mijn moeder lopen
ja het is een woning met een sponsen vloer 
zonder dak
aan de Noordzee bij Kijkduin.
Keuls parfum dat ik ruik komt
als zeeschuim aanwaaien in grote
vlokken zoals op Skye bij Schotland en brengt
een diep geluk dat vanaf mijn navel gloeit 
naar mijn tenen en mijn kruin. Ik 
ontvang verwanten.
Het is maar een zoet festijn geweest
vannacht in Paramaribo
zo’n droom van glas die is vastgeraakt
op mijn tijdpad. Het Noordzeehuis woont in mij.
Niet afdrijven denk ik dan.

Astrid H. Roemer


Din ke ham kám kari, rát ke dekhi sapná,
ájá ke surat láge, thorá-thorá apná.

Hamár jahajwá ke nám ná Lálá Rookhwá
deswá ke nám bhail Nederland, babuá.

K.L.M. se urli ham chorli Sarnamwá
yád jab tor áil khoje calli itihaswá

Ekar kathá ke ras ná hai pancámritwá
kathwá ke kassak kas ke kasle bá mor citwá

Káhen u Bhárat choris, ito ham samjhilá
Bhárat oke náhi choris, uto ham sahilá

Jit Narain

Uit: Agni ke yad / yad ke rakhi.
Ter Herinnering aan Agni / de as van de herinnering

Working all day, dreaming at night
Working all day, dreaming at night –
Aja’s appearance is something like mine.

My ship was not called Lalla Rookh
and my country’s name became Holland, meneer.

I flew KLM, I left Surinam.
When the memory of you arose,
I went in search of history.

The sap of this story is not sacred nectar,
the feeling it gives holds my mind in its grip.

Why he left India, that I can fathom;
that India never left him, is the burden I bear.

Jit Narain


VLUCHTRAPPORT

In ‘Het-varken-zonder-vest’ op een hoop gedrongen:
een technisch oponthoud, – onze vleugels bevroren,
zag de klerk niet één toegeknepen oog tussen ezel
en os de stralende verschijning, gebenedijde nova,
voor koortsige ogen en koele troost, – maar lang nadat
Circe mij reeds bespied, en geteld en gewogen had.

Wij braken haar brood, dronken mijn bloedrode wijn,
werden geroepen, en hervatten opgelucht de vlucht,
beladen met eigen bagage en bewijzen van bestaan.

Wij hielden elkaar wakker met geladen gefluister,
om niet, wachtensmoe, als de schapenmassa om ons heen,
over elkaar in slaap te vallen, om niet, ontluisterd,
ook elkaars vleugels te krenken of te kreuken.

Nijver schroeiden wij verse wonden dicht,
spalkten en zwachtelden gecompliceerde breuken,
en streken weerbarstige veren glad.
(Bij elkaar hebben wij niet bij elkaar gerust:
tussen ons vlamde het nieuwe vuur
en gunde de stokers rust noch duur.)
Door de koptelefoon suste een jongenskoor zacht
dat lieve herders waakten bij nacht.
Wij hoorden het half, sliepen niet met elkaar.

In het mistige schemerlicht terug op aarde,
had elk de eigen schare te begroeten;
luiden van genade en goede wille, ach,
troonden ons mee; gespleten
sleepten wij de loden voeten.
Haar koers voerde noordwaarts, mijn pad naar ’t zuiden,
en ieder jaar verbreedde de evenaar van oost tot west
sinds die slapeloze bijna stille nacht
van genadebrood en geschonken wijn
in ‘Het-varken-zonder-vest’.

Wij hebben elkaar nooit weergezien.
Achter zijn wallen schildert Herodes sedertdien, –
een engel grijnzend achter zijn grijze vest,
de hand steeds aan het gerede gevest,
één oog verblind, slechts het andere ziende.

John Leefmans


ST. CHRISTOPHER

Vox Dei dwingt mij de Zwavelberg op.
Men wijst over de zee, ik tuur tussen kanonnen
naar het beloofde eiland in de zon, vergeefs:
woestijnstof valt niet af te schudden,
vertroebelt nu, na 40 jaren zwerven nog het zicht.

Hier ben jij niet. Ik buig het hoofd, –
doorzoek het gastenboek: je was er nooit.
(Wie weet wel aan de overkant,
in 7 sluiers van stof verhuld
voor wie hier stond, de trieste gestalte
of de jonge Nelson wellicht?)

Na nog een poging moet Sancho Panza terug, bedrogen.
(Mozes bleef, en keerde tot stof met open ogen, –
een oude kankantrie na jaren droogte.)

Ik ga van een Calypso naar een andere
en als ik thuis kom, en uit het bad, en kijk,
blijken opeens mijn kinderen mens geworden.
’k Ontspan de grote boog, begraaf kompas en lijken,
en kan hen daarna in de ogen kijken,
voor het eerst.

John Leefmans


’SNOODS

’snoods zal ik vuur uit de hemel
rif uit mijn moeder stelen
om er brokkelwoorden van te bouwen
of een val kravana voor de vogel
taal die zich gewonnen geeft
vergeten kaak (in een bezwete kinderhand)
maar ’t is dat ik de mooglijke magie
van priesters vol vermogen vrees
die mij in dat geval zou overvallen
sonst war ich doch zahnartzt geworden
om tanden uit de bekken te breken
en valsheid in gebitten en beten
hooghartig uit de mond te wijzen.

maar in de lodenkamer zal het wel weer zuur zijn
en in de hollanders wordt de productie opgevoerd
voor moloch en monopsonist, en dat terwijl
ik alleen maar een blauw woord wil maken
of schrijven een wit op wit, en dat terwijl
het misschien valt als pruisisch rood
een trompet blaast de naam van (misschien)
wrokkebrok of schietkatoen of jetje
terwijl het liefde moest zijn
of ’snoods wat er voor door gaat.
sprake kan er daar nu niet van zijn
het volgend uur in handen nemen
als een getergde kaaiman
inkomens schreit hij en tranen
om afgekorte machten:
abc en iqr-pacten.

wie wil de initiaal zijn of het hoedje?
wie zal het lillebedillerig kwik
zijn hem resterend restje
noem het waardigheid noem het naveltje
noem het zoutje ziezo sal
noem het selie (sabhakthanih!)
noem het peterseliepetersal of
brandend salpeterzuur,
wie lost het navelprobleempje op
in dit roodrokendsalpeterzuur?
een kind kan dit varken wassen
en leert het van zijn, hoeveel?
schrijf acht maal achtentachtig
vaders

en één, klein, haartje, dat onder de hoed
van het gelijk en weten van
(zijn restje is misbruikt guanodrek
gedrenkt en gesmolten) gekroesd gekinkt
gekrent gekrenkt,
maakt ons allen tot het haasje;
haasje, wip voor het baasje!

want de artzybashevse krakers
kraken ons reeds de grotten en dalen
slopen en verstoken de venerische bergen
wachten op het martiaans lente-offensief
weten dat pluto in ’t eind zal zegevieren
over oeranos en urania, urether en katheter en katheder
zal dansen op buik en hoofd van gaia, ja
wij hebben een liebigse koeler nodig, een
uiterst liebigse koeler brodig (nodiger dan brood).

met kindertekeningen
heb ik mijn daaglijks graf omhangen
maar ’snoods wil ik tot ’t plafond wel springen
(als de nood komt aan de man)
om de hond uit de maan
in zijn graf te zingen
orfeus aan de hemelpoort

John Leefmans


PRINS KALF

Wij waren prinsjes, – zei ‘pastoor’, –
omdat wij door de hemel waren uitverkoren.
Steels keek ik rond in de klas
naar wie er verder verkoren was,
en vond zijn stelling nogal sterk.
Wel geloofde ik, dat ik een prinsje was:
de Prinses wuifde koninklijk als Zij mij zag,
telkens als ik kwam van de kerk,
en schonk mij Haar Royaalste Lach.
Ik ben uitverkoren, dacht ik half, –
al doopte haar moeder mij eens ‘’t Kalf’.

Mijn moeder zag in het zoontje
dat dagelijks, vóór dag en dauw, ook bij regen,
ter kerke ging, ’n heilig boontje.
Ze wist niet dat ik rillend, dauw en zegen
eerst op de weg terug ontving,
waardoor de zon opging,
waardoor ik werd gezalfd; –
en bekroond en gezalfd en gewijd,
schreed op cumulus-wolken onder de zon
in een geur van Limacol en heiligheid.

Toen ik al was verdronken,
verhuisde Zij, en vervallen van de troon
viel ik terug in het plebs van kornuiten.
Met moeite ging ik nu nog uit en
alleen als ’t moest naar de kerk, met pijn.
Mijn vader zei: ‘Hij ruikt z’n stinke.’

Maar niemand zag dat de onttroonde prins, –
zijn leven lang het manke kalf, – pijn-
lijk op één gedachte enkel voort zou hinken.

John Leefmans


ALS DE KOMEET KOMT, EEN GEVALLEN STER

Als een elastiekje, rubberen bal, hete balata,
rekbaar, strekbaar, in vormen kneedbaar
pas ik mij aan, en zat
met Toearegs, Peulhs en Patata’s
met Sinezen, Jampanezen, Hindostanen,
Libanezen, Otavalo’s, Coronianen,
sprak ik, en zat, en at
met Angelen en Saksen en Hunnen,
met Knoeten en Auvergnats,
empathischer dan de vingertjes van Rome;
(is er empathischer tot ons gekomen?)

Mijn maatkostuum verbergt volkomen
het eeuwige pak, ransel, bult, bakru.
Een metronoom volgen mijn voeten andante
het aangegeven spoor, plooibaar, quick-quick-slow.
De resten razende onschuld, krijtende onrust,
moeten met vliegers en pijl en boog
geborgen in het ruim benedendeks
voor wie het gezonken schip ooit zal ontdekken,
archeologen.

Maar wat als nu
na al het leven (con sordino) onder de hemel,
jij crescendo een komeet verschijnt
als een gevallen ster;
kan het schip log van de pokken
en dagelijkse mossels
ooit nog de koers verleggen?

John Leefmans


BEGINNING WITH A PHRASE FROM SIMONE WEIL

There is no better time than the present when we have lost
everything. It doesn’t mean rain falling
at a certain declension, at a variable speed is without
purpose or design.
The present everything is lost in time, according to laws
of physics things shift
when we lose sight of a present,
when there is no more everything. No more presence in
everything loved.
 
In the expanding model things slowly drift and
everything better than the present is lost in no time.
A day mulches according to gravity
and the sow bug marches. Gone, the hinge cracks, the
gate swings a breeze,
breeze contingent upon a grace opening to air,
velocity tied to winging clay. Every anything in its
peculiar station.
 
The sun brightens as it bleaches, fades the spectral value
in everything seen. And chaos is no better model
when we come adrift.
When we have lost a presence when there is no more
everything. No more presence in everything loved,
losing anything to the present. I heard a fly buzz. I heard
revealed nature,
cars in the street and the garbage, footprints of a world,
every fly a perpetual window,
unalloyed life, gling, pinnacles of tar.
 
There is no better everything than loss when we have
time. No lack in the present better than everything.
In this expanding model rain falls
according to laws of physics, things drift. And
everything better than the present is gone
in no time. A certain declension, a variable speed.
Is there no better presence than loss?
A grace opening to air.
No better time than the present.

Peter Gizzi
From: Some Values of Landscape and Weather


BEGINNEND MET EEN ZIN VAN SIMONE WEIL
Geen tijd is beter dan het heden als we alles hebben
verloren. Wat niet inhoudt dat als regen valt
            onder zekere buiging, met wisselende snelheid het zonder
doel is of plan.
            Het alles van nu gaat verloren met de tijd, volgens natuurwetten
schuiven de dingen
            als een heden uit ons oog raakt,
            als er geen alles meer is. Niets meer aanwezig in
al het beminde.
 
            In het uitdijende model drijft alles langzaam af en
al wat beter is dan het heden raakt in geen tijd verloren.
            Een dag bedekt de bodem volgens zwaartekracht
            en de pissebed rukt op. Weg, het scharnier barst, de
poort zwaait een bries,
            bries afhankelijk van of een gratie opengaat voor de lucht,
            snelheid verbonden aan gevleugelde klei. Alle ietsen op hun
bijzondere standplaats.
 
            De zon wordt feller en bleker, vervaagt de spectrale waarde
in al het geziene. En chaos is geen beter model
            als wij op drift raken.
            Als wij een aanwezigheid verloren hebben als er geen alles
meer is. Niets meer aanwezig in al het beminde,
            een iets verliezen aan het heden. Ik heb een vlieg horen zoemen. Ik heb
de geopenbaarde natuur gehoord,
            auto’s op straat en het vuilnis, voetafdrukken van een wereld,
elke vlieg een eeuwig raam,
            onvermengd leven, kzing, toppen van teer.
 
            Geen alles is beter dan verlies als we tijd
hebben. Geen gebrek in het heden beter dan alles.
            In dit uitdijend model valt regen
            volgens natuurwetten, alles drijft af. En
al wat beter is dan het heden
            is in geen tijd weg. Een zekere buiging, een wisselende snelheid.
            Is er geen betere aanwezigheid dan verlies?
            Een gratie die opengaat voor de lucht.
            Geen betere tijd dan het heden.

Peter Gizzi

Vertaling: Samuel Vriezen


A MAN IN HIS LIFE

Een mens heeft in zijn leven geen tijd om voor alles
tijd te hebben.
En hij heeft geen uren genoeg om elk ding
zijn uur te geven. Prediker heeft zich daarin vergist.
Een mens moet haten en beminnen op hetzelfde moment,
met dezelfde ogen huilen en met dezelfde ogen lachen,
met dezelfde handen stenen wegwerpen
en ze met dezelfde handen vergaren,
liefde bedrijven in de oorlog en oorlog voeren in de liefde.
En haten en vergeven en onthouden en vergeten,
orde scheppen en verwarring, eten en verteren
waar lange geschiedenis
jaren voor nodig heeft.
Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Terwijl hij verliest zoekt hij,
terwijl hij vindt vergeet hij
terwijl hij vergeet bemint hij
en terwijl hij bemint begint hij te vergeten.
De ziel is ervaren,
de ziel is zeer professioneel.
Alleen het lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en vergist zich
leert niets, raakt in de war
dronken en blind in zijn genot en zijn pijn.
De dood van vijgen zal hij sterven in de herfst
verschrompeld en vol met zichzelf en zoet
terwijl de bladeren opdrogen op de grond
en de naakte takken al wijzen naar
waar alles zijn tijd heeft.

Yehuda Amichai

Vertaling T. Herzberg


A PANIC THAT CAN STILL COME UPON ME
If today and today I am calling aloud

If I break into pieces of glitter on asphalt
bits of sun, the din

if tires whine on wet pavement
everything humming

If we find we are still in motion
and have arrived in Zeno’s thought, like

if sunshine hits marble and the sea lights up
we might know we were loved, are loved
if flames and harvest, the enchanted plain

If our wishes are met with dirt
and thyme, thistle, oil,
heirloom, and basil

or the end result is worry, chaos
and if “I should know better”

If our loves are anointed with missiles
Apache fire, Tomahawks
did we follow the tablets the pilgrims suggested

If we ask that every song touch its origin
just once and the years engulfed

If problems of identity confound sages,
derelict philosophers, administrators
who can say I am found

if this time you, all of it, this time now

If nothing save Saturdays at the metro and
if rain falls sidelong in the platz
doorways, onto mansard roofs

If enumerations of the fall
and if falling, cities rocked
with gas fires at dawn

Can you rescind the ghost’s double nakedness
hungry and waning

if children, soldiers, children
taken down in schools

if burning fuel

Who can’t say they have seen this
and can we sing this

if in the auroras’ reflecting the sea,
gauze touching the breast

Too bad for you, beautiful singer
unadorned by laurel
child of thunder and scapegoat alike

If the crowd in the mind becoming
crowded in streets and villages, and trains
run next to the freeway

If exit is merely a sign

2.

It isn’t alright to want just anything
all the time, be specific sky

I can read the narrow line above the hills

The day unbraids its pretty light
and I am here to see it

This must be all there is
right now in the world

There are things larger than understanding

things we know cannot
be held in the mind

If the sun throbs like a drum
every five minutes

what can we do with this

the 100,000 years it takes a photon
to reach the surface of the sun

eight minutes to hit our eyes

If every afternoon gravity and fire
it’s like that here

undressed, unwound

3.

If today and today I am speaking to you, or
if you/I whisper, touch, explain

If they/you hate those phrases
if we struggle to get to the thing
the body and the other noises

If a W stumbles here even in private
there was this man we said
everywhere between us

if speech can free us

If summer fall winter spring
the broadcast day spins round my head
its grin stuck out there

when I am a tiger inside the DMZ
or if I am a tiger man
if no one believes what I see

If behind the grail and new elm
the pink light saying welcome earthling

my biography as an atom
picture of my smile

is this what my body said

If I forget my notebook
if these gaps I feel are also the gaps
I am built inside, thinking it’s all good

If the sun sharp and hot and still
but deep and clarifying, walking its boulevards

if bound by the most ignoble cords
if squatting in time

If every day a struggle, the blue copse speaking
sky arching over nothing—uh-huh

If every struggle ice-cream truck tinkle
interrupting the cosmological

if everyday strife, everyday sprecenze
if everyday uh

is this what my body says
my buddy said

and if I die
and begin to lose consciousness
and the flag

There was this man we said
this W here even in private

I said in my letter
if I see you again

4.

A branch and the scent of pine in summer
the bridge and the water in the creek
the stones and the sound of water
the creek and my body
when hair and water flowed over me

If I am a bridge I am standing on, thinking,
saying goodbye to myself
when I stood by the water in life
thinking of my life, pine boughs
the hill next to water

The sun in the creek on the bridge
on my hair and pine boughs
in wind mixed with water,
one crow skating by, the life
of water, life of thinking
and moving, a crow passes by
this place in the mind, on my eyes

5.

So the vocalise day imprinted a sound

I’m not stupid
I too unwind in the most circuitous fashion
I undress water directly

Who hasn’t seen unnumbered sparrows
enter the silhouette of a tree

why shouldn’t I come in from the cold

Sure, there is the monument
the grass and the plate it grows on

If the answer becomes sun
then sun inside, normal things, okay

the ribbon above our heads is not a banner

Scaling this leafy architecture
we say wind / night sky / moon / clouds / stars
if silver stands for syncopation

indeed, symphonic dailiness is felt order

I have felt it at the back of me,
light on the table, the book open

If we struggle for a name
if colors change

if mood is connected to naming, to color

If say a ship’s in deep water
and a piece of sky empties the mind

or when I was frigate-tossed

if I wanted to go all over a word
and live inside its name, so be it

There is my body and the idea of my body
the surf breaking and the picture of a wave

Peter Gizzi


EEN PANIEK DIE MIJ SOMS NOG OVERVALT
Als ik hardop roep vandaag en vandaag
 
Als ik in glinsters op asfalt uiteenval
zonnescherfjes, herrie
 
als banden janken op nat wegdek
en alles zoemt
 
Als we merken bestendig te bewegen
en aan zijn gekomen in Zeno’s denken, zo
 
als de zon op het marmer valt en de zee oplicht
weten we wellicht geliefd te zijn geweest, en nog
als vlammen en oogst, de betoverde vlakte
 
Als onze wensen stuiten op vuil
en tijm, distel, olie,
erfstuk en basilicum
 
of het eindresultaat zorgen zijn, chaos
en als ‘ik beter moest weten’
 
Als onze liefdes worden gezalfd met raketten
Apachevuur, Tomahawks
volgden wij de tafelen die de pelgrims aanbevalen
 
Als wij verlangen dat elk lied zijn oorsprong raakt
één keer maar en de jaren verzonken
 
Als identiteitsproblemen de wijzen verbijsteren,
de haveloze filosofen, beheerders
wie kan dan zeggen dat ik gevonden ben
 
als dit keer jij, het geheel, dit keer nu
 
Als niets dan zaterdagen in de métro en
als het zijdelings de deuren inregent
van het platz, en op de mansardedaken
 
Als opsommingen van de val
en als al vallend de steden schudden
van gasvuren ’s ochtends
 
Kun je de dubbele naaktheid van het spook herroepen
dat hongerig verflauwt
 
als kinderen, soldaten, kinderen
in scholen neergehaald
 
als vlammende brandstof
 
Wie kan niet zeggen dat ze dit zien
en kunnen we dit zingen
 
als in ’s morgenroods zeeweerspiegeling
gaas dat de borst raakt
 
Spijtig voor je, mooie zanger
ongetooid met lauwer
kind van de donder en zondebok ineen
 
Als de drommen in de geest gaan
drommen in straten en dorpen, en treinen
vlak naast de snelweg lopen
 
Als uitweg enkel een bordje is

 
2.
 
Het is niet in orde om de hele tijd
zomaar wat te willen, wees duidelijk hemel
 
Ik kan de dunne lijn boven de heuvels lezen
 
De dag ontvlecht zijn fijne licht
en ik ben erbij en zie het
 
Dit moet al zijn wat er is
op dit moment ter wereld
 
Er zijn zaken groter dan het begrip
 
dingen waarvan we weten
dat de geest ze niet omvat
 
Als de dag als een trommel bonst
om de vijf minuten
 
wat kunnen we hier dan mee
 
de 100.000 jaar die een foton nodig heeft
om het zonneoppervlak te bereiken
 
acht minuten om onze ogen te treffen
 
Als elke middag zwaartekracht en vuur
zo gaat dat hier
 
ontbloot, ontward
 
 
3.
 
Als ik je aanspreek vandaag en vandaag, of
als jij/ik fluisteren, aanraken, uitleggen
 
Als jij/zij die frasen haten
als wij worstelen om tot de zaak te komen
het lichaam en de andere geluiden
 
Als een W hier zelfs privé struikelt
er was zo’n man zeiden we
overal tussen ons
 
als ons te uiten ons vrij kan maken
 
Als zomer herfst winter lente
de alom vertoonde dag tolt rond mijn hoofd
zijn grijns zit daar nog ergens vast
 
wanneer ik een tijger ben binnen de DMZ
of als ik een tijgerman ben
als niemand gelooft wat ik zie
 
Als achter de graal en de nieuwe iep
terwijl het roze licht zegt welkom aardbewoner
 
mijn biografie als atoom
plaatje van mijn glimlach
 
is dit wat mijn lichaam zei
 
Als ik mijn schrift vergeet
als de leemten die ik hier voel ook de leemten zijn
waarin ik ben gebouwd, en denk prima zo
 
Als de zon scherp en heet en roerloos
maar diep en verhelderend, zijn boulevards aflopend
 
als door de meest infame kabels gebonden
als in gekraakte tijd
 
Als elke dag een worsteling, het blauwe bosje dat praat
hemel die zich welft boven niks – mm-hm
 
Als elke worsteling ijscokar klingel
die het kosmologische onderbreekt
 
als alledaagse strijd, alledaags spreggensie
als alledaags hm
 
is dit wat mijn lichaam zegt
mijn maatje zei
 
en als ik doodga
en het bewustzijn begin te verliezen
en de vlag
 
Er was zo’n man zeiden we
zo’n W hier zelfs privé
 
Ik zei in mijn brief
als ik je weerzie
 
 
4.
 
Een tak en dennengeur in de zomer
de brug en het water in de kreek
de stenen en de klank van water
de kreek en mijn lichaam
toen haar en water over mij vloeiden
 
Als ik een brug ben waar ik op sta, en denk,
en mezelf vaarwel zeg
toen ik bij het water in leven stond
en aan mijn leven dacht, dennentakken
de heuvel bij het water
 
De zon in de kreek op de brug
op mijn haar en dennentakken
in de wind vermengd met water,
een kraai die langs scheert, het leven
van water, leven van het denken
en bewegen, een kraai komt langs
deze plek in de geest, op mijn ogen
 
 
5.
 
Dus prentte de vocalisedag een klank in
 
Ik ben niet achterlijk
Ook ik ontwar op de meest omslachtige wijze
Ik ontbloot water direct
 
Wie zag nooit ontelbare mussen
het silhouet van een boom ingaan
 
waarom zou ik niet binnenkomen uit de kou
 
Tuurlijk is er het monument
het gras en de plaat waarop het groeit
 
Als het antwoord zon wordt
dan zon binnenin, gewone dingen, prima
 
het lintje boven ons hoofd is geen banier
 
We beklimmen deze bladerrijke architectuur
en zeggen wind / nachthemel / maan / wolken / sterren
als zilver voor syncopen staat
 
jawel, het symfonisch dagelijkse is wat voelt als orde
 
Ik heb het achter mij gevoeld,
licht op tafel, het boek open
 
Als we worstelen om een naam
als kleuren veranderen
 
als stemming verbonden is met noemen, met kleur
 
Als, zeg, een schip in diep water is
en een stuk hemel de geest ledigt
 
of toen ik fregat-geslingerd werd
 
als ik een woord helemaal af wilde gaan
en binnen de naam ervan wonen, zo zij het
 
Er is mijn lichaam en het idee van mijn lichaam
de branding die breekt en het beeld van een golf

Vertaling: Samuel Vriezen


Jour qui viens si beau, sourire suspendu
Soudain sur ma ville et ses mille canaux,
Combien aux humains sur lesquels tu descends
Voir le jour est doux!

Jamais le soleil n’avait encor comblé
Comme cette nuit mon cœur qui le buvait.
Mais il est venu, le jour doux à mes yeux
Plus que le sommeil.

Elle entend l’appel de ce jour attendu,
La ville dormant parmi la pierre et l’eau.
L’air encor muet d’un doux frémissement|
Frissonne partout.

Epouse des mers, lève-toi, ma cité,
Souveraine et libre au milieu de la paix.
Le flot parcouru de murmures heureux
Bénit ton éveil.

La clarté s’étend lentement sur la mer.
La fête bientôt va combler nos désirs,
La mer calme attend. Qu’ils sont beaux sur la mer,
Les rayons du jour!

Violettas Gesang uit: Das gerettete Venedig


Éclair

Que le ciel pur sur la face m’envoie,
Ce ciel de longs nuages balayé,
Un vent si fort, vent à l’odeur de joie,
Que naisse tout, de rêves nettoyé:

Naîtront pour moi les humaines cités
Qu’un souffle pur a fait nettes de brume,
Les toits, les pas, les cris, les cent clartés,
Les bruits humains, ce que le temps consume.

Naîtront les mers, la barque balancée,
Le coup de rame et les feux de la nuit;
Naîtront les champs, la javelle lancée;
Naîtront les soirs, l’astre que l’astre suit.

Naîtront la lampe et les genoux ployés,
L’ombre, le heurt aux détours de la mine;
Naîtront les mains, les durs métaux broyés,
Le fer mordu dans un cri de machine.

Le monde est né; vent, souffle afin qu’il dure!
Mais il périt recouvert de fumées.
Il m’était né dans une déchirure
De ciel vert pâle au milieu des nuées.

Simone Weil


Blitz

Ins Antlitz werfen möge mir der reine Himmel,
Dieser Himmel, durch den Wolkenfetzen fegen,
Einen Wind so stark, Wind mit dem Duft der Freude,
Daß alles von Träumen gereinigt entsteht:

Entstehen werden für mich die menschlichen Städte,
Die ein reiner Hauch vom Dunst befreite,
Die Dächer, die Schritte, die Rufe, die hundert Lichter,
Die Geräusche der Menschen, all das, was die Zeit verzehrt.

Entstehen werden die Meere, das schwankende Boot,
Der Schlag des Ruders und die Feuer der Nacht;
Entstehen werden die Felder, das geschnittene Getreide;
Entstehen werden die Abende, der Stern, der dem Sterne
folgt.

Entstehen werden die Lampe und die gebeugten Knie,
Der Schatten, der Stoß in den Windungen der Grube;
Entstehen werden die Hände, die zermalmten harten Metalle,
Das Eisen, in das die Maschine mit einem Aufschrei sich
frißt.

Die Welt ist entstanden; wehe, Wind, daß sie daure!
Doch sie vergeht, von Schwaden wieder verdeckt,
Sie war mir entstanden aus einem Riß,
Im blaßgrünen Himmel inmitten der Wolken.

(1929)

Simone Weil

Vertaling Elisabeth Edl, Wolfgang Matz


Nécessité

Le cercle des jours du ciel désert qui tourne
Parmi le silence aux regards des mortels,
Gueule ouverte ici-bas, où chaque heure enfourne
Tant de cris si suppliants et si cruels;

Tous les astres lents dans les pas de leur danse,
Seule danse fixe, éclat muet d’en haut,
Sans forme malgré nous, sans nom, sans cadence,
Trop parfaits, que ne revêt aucun défaut;

A eux suspendus, notre colère est vaine.
Calmez notre soif si vous brisez nos cœurs.
Clamant et désirant, leur cercle nous traîne;
Nos maîtres brillants furent toujours vainqueurs.

Déchirez les chairs, chaînes de clarté pure.
Cloués sans un cri sur le point fixe au Nord,
L’âme nue exposée à toute blessure,
Nous voulons vous obéir jusqu’à la mort.

Simone Weil


Notwendigkeit

Der Kreis der Tage des öden Himmels, der sich dreht
Inmitten der Stille, unter dem Blick der Sterblichen,
Offenes Maul hier unten, in das jede Stunde
So viele flehende und qualvolle Schreie versenkt;

Alle langsamen Sterne im Schritt ihres Tanzes,
Des einzig ewigen Tanzes, stummer Glanz aus der Höhe,
Ohne Form, uns zum Trotz, ohne Namen, ohne Takt,
Allzu vollkommen, kein Fehler haftet an ihnen;

Da wir an sie gebunden, ist unser Zorn vergeblich.
Stillt unsern Durst, brecht ihr auch unsere Herzen.
Rufend und verlangend zieht ihr Kreis uns mit sich;
Unsere strahlenden Herren waren immer die Sieger.

Zerreißt das Fleisch, Ketten aus reiner Helle.
Ohne Schrei an den Fixpunkt im Norden geschlagen,
Die nackte Seele ausgesetzt jeder Verletzung,
Vollen wir euch gehorchen bis in den Tod

(1941-1942)

Simone Weil

Vertaling Elisabeth Edl, Wolfgang Matz


La Porte

Ouvrez-nous donc la porte et nous verrons les vergers,
Nous boirons leur eau froide où la lune a mis sa trace.
La longue route brûle ennemie aux étrangers.
Nous errons sans savoir et ne trouvons nulle place.

Nous voulons voir des fleurs. Ici la soif est sur nou
Attendant et souffrant, nous voici devant la porte.
S’il le faut nous romprons cette porte avec nos co
Nous pressons et poussons, mais la barrière est tr

Il faut languir, attendre et regarder vainement.
Nous regardons la porte; elle est close, inébran
Nous y fixons nos yeux; nous pleurons sous l
Nous la voyons toujours; le poids du temps s

La porte est devant nous; que nous sert-il d
Il vaut mieux s’en aller abandonnant l’espé
Nous n’entrerons jamais. Nous sommes la
La porte en s’ouvrant laissa passer tant d

Que ni les vergers ne sont parus ni nul
Seul l’espace immense où sont le vide
Fut soudain présent de part en part, c
Et lava les yeux presque aveugles sor

Simone Weil


Die Pforte

Öffnet uns die Pforte, und wir werden die Gärten sehen,
Ihr kühles Wasser trinken, auf dem der Mond seine Spur hinterließ.
Die lange Straße brennt, feindlich gesinnt den Fremden.
Wir irren in Unwissenheit und finden keinen Ort.

Wir wollen Blumen sehen. Hier lastet Durst auf uns.
Im Warten und im Leiden stehen wir vor der Pforte.
Wenn es sein muß, erbrechen wir diese Pforte mit unseren Schlägen.
Wir drücken und schieben, aber die Schranke ist zu fest.

Uns bleibt nur Sehnen, Warten und vergebliches Schauen.
Wir schauen auf die Pforte; sie ist verschlossen, unüberwindlich.
Wir heften unsern Blick auf sie; wir weinen unter der Qual;
Wir sehen sie ständig; das Gewicht der Zeit lastet auf uns.

Die Pforte ist vor uns; was nützt uns das Wünschen?
Besser die Hoffnung aufgeben und gehen.
Wir werden niemals eintreten. Wir sind es müde, sie zu sehen.

Als sie sich auftat, ließ die Pforte so große Stille hindurch,
daß kein Garten erschien und auch keine Blume;
Nur der unendliche Raum aus Leere und Licht
War mit einem Mal vollkommen da, erfüllte das Herz,
Und wusch die Augen, fast erblindet unter dem Staub.

(1941-1942)

Simone Weil

Vertaling Elisabeth Edl, Wolfgang Matz


Love

Love bade me welcome: yet my soul drew back,
Guiltie of dust and sinne.
But quick-ey’d Love, observing me grow slack
From my first entrance in,
Drew nearer to me, sweetly questioning,
If I lack’d any thing.

A guest, I answer’d, worthy to be here:
Love said, You shall be he.
I the unkinde, ungratefull? Ah my deare,
I cannot look on thee.
Love took my hand, and smiling did reply,
Who made the eyes but I?

Truth Lord, but I have marr’d them: let my shame
Go where it doth deserve.
And know you not, sayes Love, who bore the blame?
My deare, then I will serve.
You must sit down, sayes Love, and taste my meat:
So I did seat and eat.

George Herbert


Liebe

»Liebe bot mir Willkomm; doch meine Seele schrak zurück,
In Schuld des Staubes, Schuld der Sünde.
Sie aber, Liebe, flinken Auges merksam, wie ich träg
Den Fuß kaum von der Schwelle setzte,
Drang näher an mich, zärtlich fragend,
Ob etwas mir zu mangeln schien.

Ein Gast, gab ich zur Antwort, würdig dieses Orts.
Und Liebe sprach: Du sollst es sein.
Ich, der des Undanks, der Ungüte voll? ach, lieber Freund,
Der nicht dich anzuschaun vermag.
Liebe ergriff mich bei der Hand und sagte lächelnd:
Wer schuf die Augen, wenn nicht ich?

Zu wahr, Herr, aber ich verdarb sie nur; laß meine Schande
Dort hingehn, wo sie es verdient.
Und weißt du nicht, spricht Liebe, wer den Tadel auf sich nahm?
Dann will ich, lieber Freund, dir dienen.
Du mußt, spricht Liebe, niedersitzen und mein Mahl genießen.
so setzte ich mich und ass.«

(Deutsche Übersetzung von Friedhelm Kemp, in: Zeugnis für das Gute, S. 235.)


Artificiële Intelligentie

Zullen onze ogen straks nog zien
wat zij zelf zien?

Zullen onze hersenen
straks zelf nog denken
wat zij zelf denken?

Zullen we straks nog zijn
wie we zijn?

Germain Droogenbroodt


GAIA 坤

man is a sketch
the heartbeats of sand a fatal dream
more reticent than a room
ocean leaks down along the beautiful waist of a glass
more ignorant than light more like a single night than love

language gives you the theme
sand grips you in slow motion
a pair of tiny dancing breasts
deny dying in death
the more delicately a moment is depicted the shorter it becomes

the more a bright window between the legs hears
a glass of wine next door
lies teach you
create a dark truth in your own eyes
ocean’s pattern placed above a non-human aim

more familiar with destruction than bird claws
in dreams under golden skin a murmuring
grain of
unreachable by even the prettiest finger
sand

Yang Lian, Concentric Circles, translated by Brian Holton & Agnes Hung-Chong Chan, Highgreen, Tarset, Northumerland 2005, (Bloodaxebooks)

坤 aarde (uit hemel en aarde)


1989

wie zegt dat de doden elkaar zullen omarmen
zoals paard na paard        met zilvergrijze manen
buiten het raam in het bevroren maanlicht staan
zijn de doden begraven in de dagen van het verleden
in een heel recent verleden        werden gekken op bedden vastgebonden
kaarsrecht als ijzeren nagels
die het timmerhout van de duisternis vastspijkeren
zo wordt elke dag het deksel van de doodkist gesloten

wie zegt dat de doden dood zijn        de doden
zijn opgesloten in de dag des oordeels gedoemd om voor altijd te dolen
op vier muren vier maal hun eigen gezicht
nogmaals afgeslacht        bloed
blijft het enige befaamde landschap
wie slapend het graf in gaat heeft geluk        maar hij ontwaakt
op een nieuwe dag die vogels nog meer vrezen
dit was niets meer dan een doodgewoon jaar

Yang Lian

Vertaling:Jan De Meyer


EEN NACHT IN HET PALEIS VAN DE PURPEREN TULP: ADAGIO

bij een nacht in het serail horen altijd maanlicht        jaden trappen en parelgordijnen
maar ze zijn allemaal denkbeeldig        een bos bloemen tegen het blauw van het behang
beeld je in        onder het purperen kleed van de concubine stort een sneeuwhoop in
sneeuw die ongeduldig wacht om te worden bezeten        zich met kristal langzaam
omkerend        elke minuut op zichzelf terugplooiend in een langzame dans
een bos tulpen in schitterende aftakeling ontdoet zich van eigenliefde
een soort purperen gefluister        naar adem snakkend uit te spreken
zich enkel richtend tot hem        terwijl hij laag na laag van bloemblaadjes verpulvert
een druppel purperen melk        als een concubine ongeduldig wachtend om te worden opgezogen
denkend        de hele wereld wordt in een kokendheet bloedvat gegoten

het vuur in het serail        heeft altijd het ondeugende van tongen
de bijgeknipte punt        likt de leegte van de huid        middernachtsgroen
groen als bladeren opgestapeld nabij de enkels van de concubine
door hem aanbeden        een uit alle richtingen komend bad
besproeit zijn bloemen        de purperen jaden kommetjes van haar tepels zijn gevuld
als vergelding voor een tijd        bezinkt de oceaan in het pigment
in een nacht tijd verglijdt een bos tulpen van sopraan naar mezzosopraan
vannacht        is tirannieke schoonheid in evenwicht met de poëzie van de vluchtigheid
met het exquise parfum dat de concubine alleen voor hem bewaart        mag alleen hij stoeien
purper versplintert langzaam        wanneer het zijden licht niet kan stoppen

in het serail is er altijd een glinstering die de fosforescentie van een meeldraad wordt
een naald leidt        de begeerte die in elk van de vier seizoenen door het lichaam wordt opgevoerd
een soort uithollend bijwerken        het uithollen raakt aan leven en dood van de concubine
het behang is blauw alsof de waanzin van alle wonden en pijn een keer wordt gehecht
een enkele keer        wordt het beetspoor van de dag te midden van de bloemschaduwen
eindeloos donker        deze nacht wordt eindeloos vers en mals        op het lichaam geborduurd
die allereerste keer        leek purper        op een druppel zich langzaam uitspreidende melk
werd langzaam door het heelal geabsorbeerd        oogluikend toegelaten wordt de geilheid van die man        wat een geilheid
starend schenkt hij de concubine een volstrekt zwarte grammatica
terwijl de bloemenvaas rond als een woord in de handpalmen rust

Yang Lian

Vertaling: Jan De Meyer


ONTKENNENDE ZINNEN VAN EEN ZONNEBLOEMPIT
onvoorstelbaar dat in deze rivier van porselein
ooit het bootje van Du Fu was afgemeerd
ik ken het maanlicht niet      zie alleen de helderheid van de verzen
regel voor regel verzwakken      tot een persona non grata
tot een symbool      alles besprekend en alles mijdend
ik ben geen symbool      de zon stervend onder de schil van een zonnebloempit
ook niet     ineengestort sneeuwwit vlees van kinderen
is helemaal niet verdwenen      de horizon van de dageraad kan niet
die pijn vergeten      botten opengesneden door glas lijken glas
te laat met schreeuwen daarom dagelijks bij het eerste licht
aan een aardbeving komt geen eind
verstikking van niet-doden      hekken geplant tot het einde van de wereld
boeien een nog onverdraaglijkere stilte      daarom      ben ik niet bang
voor de jonge politievrouw die mijn naakte lichaam bekijkt
het was gevormd door verbranding      niet anders dan het jouwe
geen andere vermorzeling kennen dan de miljoenen vermorzelingen in jezelf
niet in de grond vallen      alleen in een rivier die niet kan stromen
geen aandacht voor het goudgeel ingesloten in de steen     moet
ingesloten blijven      zoals een oude traan van Du Fu
laat dit gedicht niet wegzinken in onverschillige doodse schoonheid

Yang Lian

Vertaling: Silvia Marijnissen


Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.