Poëzieblog (1)

(Stiag zavyotsia 2011)

стяг завьётся сор взовьется свет ворвётся сердце взорвётся

время порвётся
всё остаётся

Vasily Borodin

“The Banner will Flutter”

the banner will flutter the dust will rise the light will burst

the heart will explode
time will break
everything will remain

Vasily Borodin


Black water woods

Look, the trees
are turning
their own bodies
into pillars

of light,
are giving off the rich
fragrance of cinnamon
and fulfillment,

the long tapers
of cattails
are bursting and floating away over
the blue shoulders

of the ponds,
and every pond,
no matter what its
name is, is

nameless now.
Every year
everything
I have ever learned

in my lifetime
leads back to this: the fires
and the black river of loss
whose other side

is salvation,
whose meaning
none of us will ever know.
To live in this world

you must be able
to do three things:
to love what is mortal;
to hold it

against your bones knowing
your own life depends on it;
and, when the time comes to let it go,
to let it go.

Mary Oliver

from American Primitive.


(Tsvet. Praktika) 

город выбелило
в белила вляпаться всеми конечностями
и лицом
жжется
как смириться с телом готовым перемещаться
и расти

Lada Chizhova

“Color. Practice”

the snowed-in city is whitened
as if all limbs were plunged into white paint
and the face
it burns
and how to reconcile with a body ready to move
and grow up

Lada Chizhova


Gestolen kind

Hoe dikwijls zat ik niet op ’t trapje van de wagen
en wenste gestolen te worden, blonde krullebol.
Geen kwam, maar de zon was vriendelijker dan ooit te voren,
dat verdroeg ik niet en luid grienend liep ik weg,

Thans zou ik nog altijd gestolen willen worden als een herfstblad maar er
valt niets meer te stelen, hebben we juist vanmiddag uitgemaakt.
Wat is er aan ons nou te stelen, verdroogden,
waar het sap van kind zijn uit is verdampt en zoek geraakt.

J.C. Noordstar (1907-1987)


O Inominável:

No meu abismo medonho
Se despenha mudamente
A catarata de sonho
Do mundo eterno e presente.

Formas e ideias eu bebo
E o mistério e horror do mundo
Silentemente recebo
No meu abismo profundo.

O Ser-em-si nem é o nome
Do meu ser inominável;
No meu mundo Maëlstrom,
O grande mundo inestável,

Como um suspiro se apaga,
E um silêncio mais que infindo
Acolhe o morrer da vaga
Que em mim se vai esvaindo.

Sou mais que o SER que transcende
Criatura e Criador.
Se esse seR ninguém entende,
Ele a mim e ao meu horror

Menos. Vida, pensamento,
Tudo o que nem se adivinha…
É tudo como um momento
Numa eternidade minha.

Mais que mundo e eternidade
Num silente cataclismo,
Mais que Ideia, Ser, Verdade,
Acaba no meu abismo.

E essas águas que esvair
Se vêm ao meu profundo –
Ninguém as ouve a cair,
Nem eu me concebo um fundo.

Fernando Pessoa


De Onnoembare:

De droomwaterval
van de eeuwige en mijn
eigen wereld stort stom
in mijn gruwelijke ravijn.

Ik zuig vormen en ideeën op
en ontvang stil en verstomd
’s werelds gruwel en mysterie
in mijn diepe afgrond.

Niet eens zijn-op-zich is de naam
van mijn onnoembare wezen;
in mijn kolkende wereld
vervliegt als een zucht deze

grote wankele wereld, en een
meer dan oneindige stilte
omvat de golf die in mij
wegstervend verkilt.

Ik ben meer dan het ZIJN aan
schepsel en Schepper voorbij.
Niemand kan dat ZIJN duiden,
maar dat ZIJN mijn gruwel en mij

nog minder. Leven, denken, alles
wat je je niet eens kunt voorstellen…
in mijn eeuwigheid is het allemaal
niet meer dan een paar tellen.

Méér dan wereld en eeuwigheid
sterft daar in een stille stortvloed,
en méér dan waarheid, zijn en idee
in ’t ravijn waar alles eindigen moet.

En niemand hoort het water
vallen dat in mijn diepste ik slinkt,
en ik zie mezelf niet als
bodem waarin het wegzinkt.

Fernando Pessoa

Vertaling Harrie Lemmens


(Osen’. Petergof; 1994):

Кто-то скажет тебе
что это только        засохшей листвы под твоими ногами
шуршанье

Sergei Zavyalov

“Autumn. Peterhof”

someone will tell you
that it’s only          the rustle of dried leaves under
your feet

Sergei Zavyalov


Brief, toevallig in versvorm geschreven

Voortaan zal ik verstrooid en zonder veel omhaal van woorden
Alle uren laten kloppen in het blauw dooraderd porselein
Van deze hand die eeuwen broos en roerloos op de tafel
Voor me ligt.

lk ben alleen. lk heb die eenzaamheid
Van tong en denken niet gewild, en niet de bloedgroep
Van de vriendschap onderzocht om nu te moeten leven
In de breuk met mijn verleden, met jou en mezelf.

Het juiste rollenspel van hart en mond, de vage gave
Om gelukkig wat figuren in de ruimte de mijne te noemen,
Ze zijn gesmoord in de bekende stelsels, in bewondering
Die voor de dommen en de doven is, het knielend volk.

Het was wellicht mijn schaamteloze mededeelzaamheid
In het verdriet, wellicht de scheur die ik geschapen heb
Tussen mijn jonge jaren en een woekerende taal, wellicht
De kloof die ik nu word, waarin geen ander slapen komt,

Het was wellicht dit alles wat mijn oog
Voor schonere verhoudingen verblindt,
Zoals een keel verdonkerd wordt
Die niet de woorden van een ander tot zich nemen kan.

En ook het ruisen van gesprekken heeft mij weggedragen
In de winding van een oor, de zachte holte van een hand,
Van een geslacht dat mij niet langer kinderlijk verwondert
In de krimpende vertrekken der volwassenheid.

Ik adem. Ik besta. En zo onhandig, blind en dom
Als toen ik werd geboren.

Maar een taal heb ik geleerd — het enige wat ik wou doen
Is hier iets duidelijks te zeggen, zo grootmoedig en beklemmend
Als muziek die jou in zomerende straten ’s avonds overvalt
Door openstaande ramen, soms je schedelhuid doet jeuken.

Leonard Nolens (1947-2025)

uit: Alle tijd van de wereld (1979)


o, zoete onbereikbaarheid

als kind al bezat ik een zwak voor glinsterkwallen, keizerpinguïns: zwaar en ijl
maar zacht als paleizen stonden ze rechtop in water en ijs, als wachtkamers
op een uitkijk naar binnen – daarom wilde ik worden: koninginnen
eerst juliana, later de dame die full colour over haar heen kwam
deze, de mantelglanzende ging ik worden: beatrix leek haalbaar in die dagen
ik was vijf, deed mijn best haar geheim te kraken: ’s avonds stond ik in de tuin
sjieke liedjes te neuriën, overdag op de dam wierp ik druiven naar landgenoten
ik struinde kermissen af, stalkte majorettes, tot ik tot mezelf kwam, opgaf.
nu pas, vannacht – net nu ik groot, gelukkig en eenzaam was
nu stond zij daar, een schemer aan het hoofd van mijn dromende lichaam
en links van mij duikelde de zon en rechts begon zij rustig te stormen, oranje
daalde ze over me neer, met alle gloeitristesse die ze had, languit stamelend:
‘wij wilden een slagregen zijn voor onze geliefden, fluisterdauw uitspreiden
over de doden, de jaren alleen wilden wij breken met koele wintervuisten
groene duinen verflensen met zonlicht, kortom: wat mensen doen, wij wilden
kinderen, ouders, een man wilden wij, maar ze werden windstil rondom ons.

ze toonde mij hoe ze boog en het ging niet: ze werd heldere mist, kou minus hitte
knipte zich los – vannacht lig ik wakker, stuurloos als een wapperend lint.
envoi:
u bent mooi majesteit, soeverein en mooi, nu het verdriet om u heen komt bloeien
u bent mijn eigen aangetaste moeder, diep in haar vermoedde ik uw ijs, uw water
u was mijn jeugd, zoete onbereikbaarheid – en omdat dit mijn laatste verzen zijn
schenk ik ze u, om er onze prinses in terug te vinden: beginnend meisje van vijf.

Ramsey Nasr


In tweevoud

als ik mijn tijdelijkheid
naast jouw tijdelijkheid leg
hebben we twee keer zoveel
hart
dat twee keer zo hard zal slaan
huiden die dubbel zoveel aanraking
kunnen dragen
we zullen moediger zijn dan moed
altijd als laatste op het feestje blijven
ons paradijs zal zich over
tweemaal het aantal vierkante meters
tussen keuken
tuin, slaapkamer en de wereld
uitstrekken
en misschien reiken we niet tot in de eeuwigheid
maar samen zullen we de tijd vertragen
want ik leg mijn tijdelijkheid
naast de jouwe en
alles zal twee keer zo lang duren

Babs Gons (1971)

uit: Wie zijn we morgen (Atlas Contact, 2026)


Landschap

In de weiden grazen
de vreedzame dieren;
de reigers zeilen
over blinkende meren,
de roerdompen staan
bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden
galopperen de paarden
met golvende staarten
over golvend gras.

Hendrik Marsman (1899-1940)


Vento que passas
Nos pinheirais
Quantas desgraças
Lembram teus ais.

Quanta tristeza
Sem o perdão
De chorar pesa
No coração.

E ó vento vago
Das solidões
Traze um afago
Aos corações.

À dor que ignoras
Presta os teus ais
Vento que choras
Nos pinheirais.

Fernando Pessoa


Wind die door
de dennen strijkt
hoeveel onheil
bezingt uw koor.

Hoeveel droefenis
van huilen
in het hart
zonder vergiffenis.

En o, vage wind
van eenzaamheid,
streel de harten
zacht, welgezind.

Zonder ’t te kennen
betreur je het leed
wind die weent
in de dennen.

Fernando Pessoa

Vertaling Harrie Lemmens


Ontdekkingen

voor Koos Schuur

Het zijn vaak kleine dingen die ontroeren;
Zij zegt: ik heb de blauwe nachtwind lief…
Blauw?, denk ik, blauw?, en trek blauwe contouren
Binnen haar ogen, nachtelijk perspectief…

Blauw?, denk ik, blauw?, en hoor de nachtwind loeien;
De scherpe hoek van ’t landhuis wordt een kiel…
Blauw?, denk ik, blauw?, en langzaam ga ik roeien
Over de blauwe golven van haar ziel…

Maar als de dag binnen de vensterkringen
Van raam en oog zijn gouden vogels wekt,
Zij onder ’t zelfde alledaagse zingen
Een beige trui en bruine rok aantrekt,
Heb ik een heimelijk, verwonderd zingen
In een blauw land, ver haar voorbij, ontdekt…

Frans Muller


Kleerkast

Op zoek naar wat ik vandaag
aan zal doen op het podium
waar ik mezelf zal laten horen
trek ik de houten kleerkast open

erfenis van mijn lange opa
die zo vroeg mijn leven verliet —
ik zie broeken, overhemden
jasjes, en voel weerzin, oud

en nog eens oud, ideeën
contexten, verhoudingen, poses
waarin ik heb geloofd en toch
ik viel er niet mee samen

want hier ben ik, in een luchtledig
waarin ik gewichtloos rondwaar
bezield van iets onbekends, nieuws
dat ouder is dan alles wat ik ken.

Kijk, kijk beter
in de schemer onder in die kast
liggen ze nog, de droomachtige wezens
op wier vleugels je vloog
de nachten dat je daar logeerde
in de kleine woning van opa en oma
ijle hoogten tegemoet
die je hulden in hun licht
jouw prinsenmantel

ergens achter al die afgedragen kleren
hangt hij, trek hem aan
het is tijd.

Herman Coenen (1946)

uit: Lichtspoor (Van Kemenade, 2026)


Onze Lieve Vrouwe ter sneeuw

Gij deedt het sneeuwen in een zomernacht:
men zocht in Rome waar u nog te eeren
en op een heuvel daalde stil en zacht
de witte mantel van uw engelenwacht
om ons de plek te leeren.

Een kerk verrees: er werd sindsdien gebeden
en waar het sneeuwde, glanst het kaarsenlicht.
De vlammen dansen als de vlokken deden,
de harten liggen open in dien vrede
en alle pijn sneeuwt dicht.

Gij, die als sneeuw zijt, smetteloos en puur,
en alles overdekt met uw genade,
blijf dalen in het nachtelijk lijdensuur
van deze wereld als het sterrenvuur
en hoed ons voor den kwade.

Gabriël Smit (1910-1981)

uit: Maria-lof en andere gedichten


Zo Boven Zo Beneden

Wat zijn we
met z’n allen afgegleden
Het Verleden werpt
Zijn Schaduw over
Het Heden, wie had dat
Ooit Verwacht,
De Wereld staat in
🔥 Brand,
Door onze eigen hand,
Interessant zeg jij
Ze hadden dit voorspeld
Dat ik dit mee mag maken
Armageddon aan elke kant
Geen ontsnappen aan,
Zeg jij, je moet het wel geloven
Zien is geloven, zie je?
Zo van Onderen Zo Boven
Het is de Hoogste Tijd
Voor Nieuwe Wonderen.
Iets Ongerijmds dat Rijmt
Het Uur U is Nu
Met gebrek aan respect…
Hoezo, je EIGEN Leven geven
Als Jij mag beslissen
Over mijn dood en leven
Mijn moeder mag mij missen
Je laat haar rustig
In het ongewisse
Over mijn lot. Je studeerde
Physica, was bijna klaar
Werd echter opgeroepen,
Was twintig jaar,
De Oorlog lang geleden.
Je hoort nu bij de troepen
Vijfduizend keer Gevaar
Gevaar. Voltooide Tijd
Van Varen
En omdat alles
Zo logisch is
Zal Onze Lieve Heer
Jouw leven sparen..
Van Onderen!
Het is tijd
voor Nieuwe Wonderen
Zich Open Baren.
Wat is de reden
Van die beren
Weg is weg
Zo Beneden
Zal zichzelf zo
Omkeren in
Je zal het niet geloven:
Omkeren in
Zo Boven

Roni Klinkhamer


vanochtend ontwaak ik te laat
maar ik zit wel vol goede ideeën
door het raam zie ik hoe een hond
met overgewicht zich

op weg begeeft over een steile straat
recht naar beneden de andere honden blaffen
hem tegemoet omdat alles
in dit universum blaft en de liefde altijd eerst

de zwaksten uitkiest waarna zij deze
net niet verplettert ook ik bekommer me
het liefst over diegenen
die ik kan overheersen

tot ik er genoeg van krijg me terugtrek
van het strijdtoneel midscheeps vertoef
tussen de geur van aardappelen op het vuur

en eeuwigheid

Els Moors (1976)

uit: Voer voor struikrovers (Arbeiderspers, 2025)


Oiço passar o vento na noite.
Sente-se no ar, e alto, o açoite
De não sei quê em não sei quê.

Ah, tudo é símbolo e analogia.
O vento que passa, esta noite fria
São outra coisa que a noite e o vento –
Sombras do Ser e do Pensamento.

Tudo nos narra o que nos não diz.
Não sei que drama a pensar desfiz
Que a noite e o vento narrando dão.
Ouvi. Pensando-o, ouvi-o em vão.

Tudo é uníssono e semelhante.
O vento cessa e, noite adiante,
Começa o dia e ignorado existo.
Mas o que foi não é nada disto.

Fernando Pessoa


Ik hoor de wind strijken door de nacht.
In de lucht suist een zweep vol kracht
van Godweetwat op Godweetwat.

Ach, alles is wat men erbij verzint!
De wind die strijkt en deze kille nacht
zijn iets anders dan nacht en wind –
schimmen van wat is en wordt gedacht.

Alles verhaalt ons wat het niet zegt.
Ik ken het drama niet dat ik verstoor
van wat de wind in de nacht legt
en ik al denkend zinloos hoor.

Alles stemt in klank overeen
de nachtbries bedaart, en dan
de dag en ik onbekend alleen.
Maar wat er was is niets hiervan.

Fernando Pessoa
Vertaling Harrie Lemmens


hier in dit weiland word ik door mijn man
verkracht omdat ik van alle slaven
in zijn bezit de liefste ben

voor onze huwelijksnacht
heb ik zoals de traditie het verlangt
met alle mannen in het dorp geslapen

sindsdien vreest mijn man dat zijn liefde
het daarvan niet kan halen
ik smeek hem om mij die onzin

te besparen als zijn hond blaft zeg ik
hij kan ook zingen en gemuilkorfd

begrijp ik beter wat hij zegt

Els Moors (1976)

uit: Voer voor struikrovers (Arbeiderspers, 2025)


Ein Karren voll Äpfel

Im blauen Schatten
allein mit seiner Rose
und voll von Feldern
runden und gelben
steht ein Apfel

ein blauer Apfel steht
im Feld von Gelb
allein mit seinem Karren
und seiner Rundung von Rosen
vollen und schattigen

und voll von Gelb
steht der Schatten
allein mit einem Apfel
einem rosigen runden
in einem blauen Feld

und in den Apfelschatten
blauen und gelben
steht ein Karren
allein mit seinem Feld
und voll Rundungen

aber im Feld von Rosen
und voll von Äpfeln
gelben und runden
steht ein blauer Karren
allein mit seinem Schatten

Christopher Middleton


’s middags om halfvijf

de zwartkop met zijn Japans;
een spuugvlek op het asfalt,
amoebe-achtig, de lege blik
van de blaar in het midden, tot die knapt.

korporaal snedewind is in de trein
in slaap gevallen, merkt niet dat de kleur
van de gordijnen dezelfde is
als die van zijn camouflagepak.

in het eikenbos test de uil
zijn nachtkijker en doctor kraai
schiet zijwaarts de bosjes in.
een jongen zwaait naar de zeilboot,

want naar boten moet worden gezwaaid,
en het nationaal genootschap ter bescherming
van vossen begint aan zijn jaarvergadering.
terwijl de drinker in de kroeg

de olympische kringen telt van zijn laatste
biertjes op de tafel (nee, vijf?),
de man van de volkstuin op de hoek
staat als een leeuwentemmer tussen de zonnebloemen,

in het huis van de dode horlogemaker
tikken alle klokken nog steeds —
meer eeuwigheid kun je niet krijgen
’s middags om halfvijf.

Jan Wagner (1971)

uit: stenen & aarde (PoëzieCentrum, 2026)


Mijn leven was pas half voorbij toen ik verdwaalde
in een donker woud van managers- en makelaarstaal
waar een reeks verkeerde keuzes me mijn pad deed missen.

Ik had een chatbot hypotheekadvies gevraagd
en waar ik beren zag, had hij gezegd: geen hindernissen.
Er was een tijd dat ik een woonwens had,

nu leefde ik in een pensioenvoorziening.
De kraan was ik fontein gaan noemen,
ik dacht soms na over een warmtepomp

en mijn robotzuiger hield de boel op orde,
terwijl een geautotunede brulbasstem
op Europese dancemuziek me bijna dagelijks

de ringweg over blies, alwaar de juiste afsag
de verkeerde afslag steevast camoufleerde.
Het was daar dat ik in grote nood verkeerde.

Het was een doordeweekse dag, ik denk een dinsdag,
door het hr++ glas viel het Nederlandse regenlicht
van een korte bui begin november.

Ik verliet de meeting, sloeg mijn MacBook dicht
en daalde af naar de riante berging
van mijn charmante en slim ingedeelde woning

op zoek naar de zakken Lay’s Sensations-chips
die ik had ingeslagen voor in het geval van de apocalyps,
die maar niet kwam, of kwam ze reeds?

Terwijl ik graaide in het blauwe krat naar mijn beloning
voelde ik hoe het beton verkruimelde
onder mijn sneakervormige angstzweetvoeten.

Het peertje, uit de gloeitijd nog, haperde
en het plafond, dat hevig trilde, sneeuwde gips.
Was hier dan eindelijk die apocalyps

die maar niet kwam, of komt ze steeds?

Het gruis werd gruizer, niet veel later
stond ik in de diepe zwarte krater
van alles wat ik had gezworen nooit te zijn:

Mijn default-mindset was een burn-out.
Mijn impactstrategie had weinig impact.
Mijn ideeënarmoede hield me aan de grond genageld,

die voor mijn neus in tweeën spleet.
Zacht gefluister uit het duister, een zoete melodie:
‘Dit is geen gat, dit is een gate.’

Het was mijn laatste kans, een outlet-opportunity.
Zo daalde ik dus af in deze onbekende kloof
en daar trof ik mijn eerste metgezel: Dick Schoof.

Lieke Marsman (1990-2026)

uit: De dichter en de duivel (Pluim, 2026)


Tudo tem rosto
Tem tudo olhar…
Névoa-antegosto
Do decifrar!

Sobe em meu ser
Um medo a Deus…
Quero não ver
Os mudos céus…

Porque o seu claro
Azul sem fim
Com um olhar sem olhos
Olha para mim…

Paro em meu frio
Limiar da alma…
Ah o arrepio
Que cerca a calma

Em que me cerco
De Deus e eu
E em mim me perco
Por todo o céu.

Fernando Pessoa


Alles heeft een gezicht,
alles heeft een blik…
Een mistig voorschot
op ’t ontraadselde slot!

In mijn wezen stijgt
angst op voor God…
Wat ik niet zien wil
is de hemel zo stil…

Want zijn eindeloze
heldere blauw
staart me aan
van ogen ontdaan…

Ik stop op de koude
drempel van mijn ziel…
Ach, de huivering
die de rust omringt

waarin ik me omring
met God en mezelf
en in me vervlucht
door de blauwe lucht.

Fernando Pessoa
Vertaling Harrie Lemmens


Die Tarantel aufgestört

Die Tür ein wirres
Schattengekräusel, Pfirsichblätter
ädern die Holzfarbe,

und zerbrochenes Spinnweb
atmet ach ach,
da sie sich öffnet —

zwei Hände
an einer Leiter schüttelten
die Tarantel wach, sie glitt

schwarz und zischend auf
eine Sprosse über Augenhöhe,
Klappmesser-Knie

eines Hochspringers, grinsender
Fledermausmund geschlitzt
in den Pelzbauch —

hilfreich: Pfirsiche
wachsen draußen immerfort
runder und runder

an Zweigen, niedergewölbt
von ihrem Gewicht über
gerösteten Grashalmen; auch

Sonne und Mond
entstehen um diese Berg-
terrasse, die sich jetzt runzelt

mit tödlichem grünen
Gefühl: alle Dinge
sind hier, du ungeheure verkrümmte

Rose (laß niemanden sich
hereinwagen), tönend durch
unsere Höhlungen, hör ich sie.

Christopher Middleton


Ars poetica

het licht staat als een speer te trillen.
alle ramen opengezet voor vogels die
willen flirten met de kat, voor de huis-
engel die inspiratie brengt en blauw

dat je enkel in fijn gemalen zomer vindt.
hij jongleert met pepers en pigmenten,
tinten en tincturen, kleedt alles kakelbont:
oranje schopt paars tegen de schenen,

vermiljoen heeft voor hetere vuren gestaan.
zo wordt elk doek een prieel om lustig
buiten zichzelf te zitten. dichters trommelen
op het hart, dragen een toverlantaarn

in het oog. ze leggen wolken vast met
een steen, doden de tijd, hebben twee
levens, één dat op adem gedijt, één dat
het hoge woord voert lang na spreektijd.

Mark Meekers


Soms kwam er een
denkbeeld in mij op dat mij

bevloog en zonder het te toetsen
bracht ik het in de praktijk

nooit werd ik door schande
of schade wijs, ik vond het mooi

en omdat schaamte in mijn wereld
niet bestond, was schade

steeds mijn offer aan hoe ik vond
dat alles niet alleen

was maar ook moest zijn —
ik tartte de orde en de chaos

op mijn strijdkaros, van god
en al zijn scheppingen

los, ik trachtte de muil
van de tijd te korven, zijn

ijlende vleugels uit te rukken en
terwijl mijn lichaam

meer en meer een kolkende zee
geleek waarop

mijn willen als een stuurloos scheepje
ronddreef en wij ons nergens

in wilden schikken
ik en mijn raad van vele ikken

leed ik en was gelukkig
als een beest

Elly de Waard (1940)

uit: C — liefdesgedichten (De Harmonie, 2026)


(Prólogo no Inferno)

Tecedeiras a tecer

Teçamos, teçamos
O pano da vida.
Teçamos, teçamos
Com louca lida.

De negro, de negro
Com pontos dourados,
De negro, de negro
Com breves bordados.

Teçamos a rede
Da vida em tear
Que a morte tem sede
Da rede rasgar.
Teçamos, teçamos
Pra cedo acabar.

Fernando Pessoa


(Proloog in de hel)

Weefsters aan het weven

Wij weven, wij weven
de doek van het leven.
Wij weven wij weven
als bezeten gedreven.

Zwarter dan zwart
met goudkleurig garen
zwarter dan zwart
met korte gebaren.

Wij weven het leven
op ons getouw,
de dood heeft als streven
dat het scheuren zou.
Wij weven, wij weven
om het snel af te geven.

Fernando Pessoa
Vertaling Harrie Lemmens


Leider

Hij is.
Hij bewoont een kuras.
Hij is. Hij beveelt.

Gooit kastanjes in andermans vuur.
Lacht in zijn modderen vuist.
Beveelt.

Hij is een stuipende pruik
van gewichtigheid.
Een buik.
Beveelt:

aanstaande lijken in het gelid.
Hij is.
Oogstende hereboer
op andermans dodenakker.

Beveelt.

Hand die zich sluit
rond andermans strot.
Hij is.
Blijvend.

Ellen Warmond (1930-2011)


maaltijden vliegen door de straten, verpakt in dozen en folies
diep in de donkerte van een tas flitsen ze achter ruggen door de winterstad
zonder dat kou ze aan kan raken

met mijn virtuele goud heb ik een voertuig in beweging gebracht
een verregende engel in een pak dat kraakt bij het bewegen
verlost mij van de honger en hij spreekt:

neem deze pizza die voor u gezonden wordt
en ik zal krijgen van uw goud slechts een splinter
want mijn baas is onzichtbaar
en praat over flex en voorbehoud

ik denk aan de veertig stappen die mijn maaltijd had doorlopen:
van zaadje in de koude grond naar echte handen, dan wachten
in kratten en schappen, naar fabrieken, verder: keukens, magazijnen
briefjes, betonverdriet, wachten, regen, marketinggeheimen

en ik telde de stappen die zelf had genomen: van klikken met een muis
tot opendoen op sloffen, aantal calorieën verbrand: maximaal zeven

ik vermenigvuldigde de veertig stappen van mijn maaltijd
met die van de maaltijden van mijn vrienden, die elk in hun eigen huis
op knoppen hadden gedrukt, omdat ze het verdienden

keek nogmaals naar de man op mijn stoep die de vierkante tas
weer moedig van de grond optilde (alsof er een zware steen in zat)
en dacht dit is het dus:
het brood dat we breken, het bloed dat we drinken
hij wenste me smakelijk eten

Anne Broeksma (1987)

uit: Urgent & Uniek (Opwenteling, 2026)


Quem sabe se ainda
Não é mais profundo
Do que o pensaste
O enigma do mundo!

Quem sabe, quem sabe!
Horror, ai horror!
Se também sonhaste,
Voraz pensador!

Mais frio, mais doido
O mistério será
Do que tu achaste!
Se ainda haverá,

Além do Além,
Horror mais horror!
Também deliraste,
Oh monstro de Dor!

Depressa, depressa,
Lembremos enfim:
Pensar é viver,
Mistérios e dor,
Sonhar e descrer
Horror, tudo horror!
Numa noite sem fim.

Fernando Pessoa


Het raadsel van de wereld
is, wie weet, wellicht
nog groter dan
je het had toegedicht!

Wie weet droom je,
ben je een veinzer,
gruwel, o gruwel,
onmatige peinzer!

Het mysterie zal nog
killer en gekker zijn
dan je had gedacht,
als het voorbij

gene zij nog gruwelijker
blijkt te zijn!
Ook jij hebt geijld,
monster van pijn!

Snel, snel, laten we
bedenken tot slot:
denken is leven,
mysteries en leed,
door ongeloof gedreven,
verschrikking zo wreed,
in een nacht zonder slot.

Fernando Pessoa
Vertaling Harrie Lemmens


pantoum

ik ben bewustzijn
ik zit aan mijn schrijftafeltje met zicht op de linde
het daglicht sijpelt traag naar binnen
ik zie het licht, ik ben het licht

ik zit aan mijn schrijftafeltje met zicht op de linde
boerenzwaluwen zingen een gouden kader om de stilte
ik zie het licht, ik ben het licht
ik mag liefdevol zijn. ik ben liefdevol

boerenzwaluwen zingen een gouden kader om de stilte
dankbaar voor de ochtendkoffie. voor de woorden die komen
ik mag liefdevol zijn. ik ben liefdevol
ik ben vreugde

dankbaar voor de ochtendkoffie. voor de woorden die komen
alles stroomt
ik ben vreugde
ik ben

alles stroomt
het daglicht sijpelt traag naar binnen
ik ben
ik ben bewustzijn

Ann Van Dessel


Papaver

Zwijgen

Op tafel zweert de maaltijd samen.
Messen en vorken naast venijn van een wijn
en wij lieve, wij kraken de noten,
spoelen alles door met azijn.

Achter je lippen een zee van vragen.
In je krop lekt elk woord als een boot.
Achter je zilte ogen een lichterlaaie.

Waarom ga je door, kook je me open?
Ik, de schrale mosselschelp
in jouw stem van zout die ik ken.

Wij schragen het vuur van onze hinderlagen.

Karel Staes


Verschijning

een engel breekt bij mij in, haalt mij over-
hoop, doet mij een wonder aan de hand:
zeven vingers op rij, die ik tel en hertel.
een ringvinger die trouw zweert

aan mijn dorp, een wijsvinger, die toont wat
achter het zichtbare ligt, een wonder-
baarlijk licht zonder soortgelijk gewicht.
hij mengt op mijn armzalig palet een droom

van een kleur, hyacintblauw, dat de on-
gelovigste ogen geneest, een waaier van
verbeelding openplooit. aardse wezens
pur sang dagen chimaera’s uit die met

de waarheid van een fabel spreken. waar
ben ik het meest mezelf? waar witte magie
met mij wandelt of de zwaartekracht mij achter-
laat? de Eiffeltoren maakt een grand-écart.

Mark Meekers


woorden lopen dood
trappen op elkanders hielen –
ik wou dat ze mij ontvielen,
altijd maar die woorden
wellend woedend wervelend
in een stroom van kronkelende wegen
zonder door te wegen,
altijd maar die woorden…
wolken in de mist
taal die zich vergist
en zoekt en ziedend zwelt,
me kwelt
tot steeds weer nieuwe wentelende woorden
ik wou dat ik kon zwijgen
maar zoek toch telkens woorden
om dat zwijgen te beschrijven

Bejan Matur


De avond valt als een druppel op dorre aarde.
In het café hangt een blauw tapijt van rook
ons boven de hoofden.

Aan het tafelvoetbal vaders, moeders bij de jukebox.
In de verste hoek plet ik chips met mijn colaflesje
en ontrafel de letters op posters van vergeelde wielerwedstrijden.

Iemand aait over mijn hoofd als over een hond,
iemand stopt verlegenheid in een leeg glas,
iemand schuift me wat centen toe,

iemand stuurt me om meer bier,
iemand spreekt me aan met de verkeerde naam,
iemand geeft me een sigaret; ik blaas erop,

iemand maakt me wakker met een tik,
iemand pist in de stal tegen een koe,
iemand drukt een geheim tegen mijn lippen.

Kevin Amse (1989)

uit: Een huis omringd (PoëzieCentrum, 2026)


Do eterno erro na eterna viagem,
O mais que saibas na alma que ousa,
É sempre nome, sempre linguagem
O véu e a capa de uma outra cousa.

Nem que conheças de frente o Deus,
Nem que o eterno te dê a mão,
Vês a verdade, rompes os véus,
Tens mais caminho que a solidão.

Todos os astros, inda os que brilham
No céu sem fundo do mundo interno,
São só caminhos que falsos trilham
Eternos passos do erro eterno.

Volta a meu seio, que não conhece
Enigma ou deuses porque os não vê,
Volta a meus braços, neles esquece
Isso que tudo só finge que é.

Meus ramos tecem dosséis de sono,
Meus frutos ornam o arvoredo;
Vem a meus braços em abandono
Todos os Deuses fazem só medo.

Não há verdade que consigamos,
Ao Deus dos deuses nunca hás-de ver…
Dosséis de sono tecem meus ramos.
Dorme sob eles como qualquer.

Fernando Pessoa


Van de dwalingen op onze eeuwige tocht
is het meeste wat je in je vermetelheid weet
altijd een naam, altijd een taalgewrocht,
de dekmantel van iets wat anders heet.

Zelfs al ken je God van aangezicht,
zelfs al reikt de Eeuwige je de hand,
als je de waarheid ziet en ontwricht
trek je meer dan eenzaam door het land.

Alle sterren, ook zij die blinken
aan het bodemloze innerlijk gewelf,
zijn wegen slechts begaan door slinkse,
eeuwige stappen van de dwaling zelf.

Kom aan mijn borst, die geen god
of raadsels kent, want hij ziet ze niet,
kom terug in mijn armen en bespot
daar alles wat zichzelf voorbijschiet.

Mijn takken zijn een slaapbaldakijn,
mijn vruchten aan de bomen een feest;
kom in mijn armen om niet alleen te zijn,
alle goden maken enkel bevreesd.

Wij zullen nooit een waarheid ontdekken,
de God van de goden hult zich in rook…
Mijn takkenbaldakijn zal zich uitstrekken
naar jou. Slaap daaronder als wie dan ook.

Fernando Pessoa

Vertaling Harrie Lemmens


zwijg mij aan

leg het schreeuwen
van mijn handen stil, snijd mijn loop
de pas af. stol de stroom

breek door mijn denken
en mijn ijlen. leg traagkracht aan
in de dingen van de dagen

in de lege ruimte van de atomen
adem in mij. overbodig mij

Ann Van Dessel (1961)

uit: Traagkracht (Uitgeverij P, 2026)


Big Bang tot troost

Ze kopen een kip
en ze kopen een haan
en ze zeggen
het ei is van mij

Het kuiken komt uit
ze brengen het groot
en dan komen ze af
met de bijl

En niemand die er
tranen om laat
of een lijvig boek
over schrijft

Als hun eigen broed
het leven verlaat
is het dikste boek
nog te klein

na de nieuwe Big Bang
is dit alles voorbij
de kip en het ei
en ook zij

Charlotte Mutsaers (1942)

uit: Dooier op drift (2012)


Schepping

De aarde rook anders vandaag, naar bos
tussen de bomen en jonge appeltjes
in je haar. Groen en nat — de schepping
die zonet uit je hand was gerold. Toen

kwam de slaap, met schaduw en aflandige
wind. En ik die uit je zijde kroop, vlees
uit je vlees, been uit je merg. In mijn hoofd
je maan waarmee ik eb en vloed mocht

spelen, mijn lippen in je hals, een lindeblad
op je ogen. Met vers gevlochten vingers
streek ik langs je slapend lichaam, smeekte
om groter en meer. Je rekte je uit

en geeuwde, herkende mij aan de geur
van onrijpe appels. In het koele duister
van de middagkamer trok je me dichter,
tot ik de holte vulde van je ontbrekende rib.

Hilde Pinoo (1962)


Vrouwen
Met hun blauwe tatoeages
En de beurse sporen van hun onophoudelijk rouwen
Staan zij stil en staren in het vuur.
Wanneer de wind waait huivert elk van hen
Hun borsten reiken naar de aarde
Vrouwen die een brandend houtblok in hun handen dragen
Dolen rond en rond
Oud als zwarte ketels roestbeslagen
Wanneer de woede van het houtvuur zwelt
Wordt het geknetter luider
Het vuur houdt nooit op daar
Het te laten doven is rampzalig
Vrouwen wier borsten zijn verslapt
Denken aan de hardheid van het houtblok dat ze grijpen zullen
In de angstaanjagende magerte van hun handen
En zwijgen
Wanneer ze zwijgen blijven onopgemerkt hun tranen
Het ruikt naar aarde wanneer ze weeklagen
Vergeten waar ze tegen steunen kunnen
Laten ze hun ogen op de aarde rusten
De wolken staan niet blijvend aan de hemel immers
Van ganser harte
Geven zij zich aan de aarde
En ruiken af en toe ernaar

Bejan Matur

Vertaling Ireneus Spit

http://www.st-troya.nl/auteurs/dichters/bejan%20matur/biografie.html


Wouldst thou pass this lowly door?
Go, and angels greet thee there;
For by this their sacred stair
To descend is still to soar.
Bid a measured silence keep
What thy thoughts be telling o’er;
Sink, to rise with wider sweep
To the heaven of thy rest,
For the climbs the heavens best
Who would touch the deepest deep.

George MacDonald

In: Georg Santayana, Understanding, Imagination, and mysticism, in: Interpretations ode to poetry and religion, London 1900 (Adam and Charles Black), Pag. 22-23

Wil je door deze nederige deur gaan?
Ga, en engelen zullen je daar begroeten;
Want via deze heilige trap
Is afdalen nog steeds stijgen.
Bewaar een afgemeten stilte
Over wat je gedachten je vertellen;
Zink, om met een bredere zwaai op te stijgen
Naar de hemel van je rust,
Want de hemel wordt het best beklommen
Door wie de diepste diepte wil aanraken.


schepping

ik heb je gemist mijn lief
gemist hoe je met je bekken tussen mijn benen ligt
mijn handen als kommen om de kammen van je heupen
als waren het kopjes van poezelige puppy’s naakt nog vers

ik heb je gemist mijn lief
gemist hoe ik mijn hoofd op je bast leg wanneer we ergens verloren
in de keuken of op de trap staan gewoon daar waar
we elkaar even willen omlijsten van kijk hier nu wij

ik heb je gemist mijn lief
gemist hoe je lippen tuiten en je ogen glanzen als je
’s avonds moe maar nog vol zin toespelingen maakt om straks
samen nog eens de lakens te voelen want hoe waren die ook alweer

ik heb je gemist mijn lief
mijn lijf heb ik gemist
de nachten waren diepe krulnestjes van ik en ik alleen
met zachts van jou en beelden om me heen
ik wil je nu weer daar, kom
(landen)
onder mijn handen

Sylvie Marie (1984)

uit: Ik denk dat ik toen al van je hield (Uitgeverij P, 2026)


De pijn van de zee

Figueretas (Ibiza) 1981

Zoon en dochter hebben handen vol met zand
dat geen kasteel wil worden. Metafoor
voor het leven dat ik hen nog niet onttover.

Zo hult de zee zich in haar kalme mantel
wordt een spiegel voor de zon of gooit zich
bulderend op de rotsen. Tomeloze liefde

voor de maan, het aantrekken en afstoten
dat eeuwig door moet gaan. Geen mededogen
geen absolutie, zo ben ik haar zoute alter ego
moeder van wat doodgaat in haar schoot.

Lief Vleugels (1953)

uit: De roes van andere oorden (Uitgeverij P, 2024)


Mon Pays

Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’hiver
Mon jardin, ce n’est pas un jardin, c’est la plaine
Mon chemin, ce n’est pas un chemin, c’est la neige
Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’hiver
Dans la blanche cérémonie
Où la neige au vent se marie
Dans ce pays de poudrerie
Mon père a fait bâtir maison
Et je m’en vais être fidèle
À sa manière, à son modèle
La chambre d’amis sera telle
Qu’on viendra des autres saisons
Pour se bâtir à côté d’elle
Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’hiver
Mon refrain, ce n’est pas un refrain, c’est rafale
Ma maison, ce n’est pas ma maison, c’est froidure
Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’hiver
De ce grand pays solitaire
Je crie avant que de me taire
À tous les hommes de la terre
Ma maison, c’est votre maison
Entre ses quatre murs de glace
Je mets mon temps et mon espace
À préparer le feu, la place
Pour les humains de l’horizon
Et les humains sont de ma race
Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’hiver
Mon jardin, ce n’est pas un jardin, c’est la plaine
Mon chemin, ce n’est pas un chemin, c’est la neige
Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’hiver
Mon pays, ce n’est pas un pays, c’est l’envers
D’un pays qui n’était ni pays ni patrie
Ma chanson, ce n’est pas ma chanson, c’est ma vie
C’est pour toi que je veux posséder mes hivers

Gilles Vigneault


Ochtendkrant

De krant valt met een klap op de mat
omdat leed in de ochtend zwaarder weegt
en hardnekkiger aan de pagina’s kleeft

Verschuil je onder de dekens, citeer zacht
de mooiste regels die je kent en sluit het raam
zo komt de dag niet binnen gewaaid.

Morgen mag je heus wel weer over de wereld
lezen, maar vandaag nog niet. Dus blijf in bed.
Ik heb al thee voor je gezet.

Twan Vet (1998)

uit: Troostpogingen (Bezige Bij, 2025)


Windkracht Twaalf

Over Pinksteren

Hij kon alles.
Mensen hingen aan zijn lippen.
Als hij sprak hoorde je de stilte spreken.
Waar haalde hij de woorden vandaan?
Bovenmenselijk bijna.

Zelfs zij die in donkere hoeken zaten,
stonden op en gingen met hem mee.
Wie tot dan toe doof was voor goed nieuws,
spitste verrast zijn oren en haakte aan.
Wie blind was voor een andere manier van leven,
opende nieuwsgierig zijn ogen en volgde hem.

Zijn vuur leek niet te doven.
Leek……

Maar toch ging hij weg,
die vurige held.
Opgelost in een wolk van verbazing.
Weg kracht. Weg hoop. Weg geloof.
Opnieuw lam, doof en blind.

Zijn vuur leek gedoofd.
Leek……..

Totdat de hemel opnieuw van zich liet horen.
Met windkracht twaalf
het vuur ontstak dat smeulde
in de harten van al die mensen
die hij, die held, in vuur en vlam had gezet.

En wéér stonden ze op.
Wéér spitsten ze hun oren.
Wéér openden ze hun ogen.

En wie hen zag,
zag een vuur dat nooit meer zou doven.

Gerard van Midden


Ballade de l’hiver

Il s’est fait long de temps perdu
Il est tombé beaucoup de rimes
À dire ce qu’on aurait dû
Perdre ou garder de cette escrime
Où le poète hautain n’arrime
Aujourd’hui que bien peu de vers
Que l’on pardonne encore un crime
Au baladin de vos hivers
Que l’on pardonne encore un crime
Au baladin de vos hivers
J’aurai pour vous, c’est entendu
Le vent qui mord, le froid qui lime
Le loup maigre et le bois fendu
L’ours qui dort, le trappeur qui trime
Un saint Nicolas qui s’anime
Plus vert que les vieux sapins verts
Et tout ce que la neige imprime
Au baladin de vos hivers
Et tout ce que la neige imprime
Au baladin de vos hivers
D’ici que la neige ait fondu
Je me ferai jongleur et mime
Et l’hommage qui vous est dû
Sera fait sans masque ni grime
En attendant que l’on supprime
Votre ménestrel à l’envers
Je veux donner un pseudonyme
Au baladin de vos hivers
Je veux donner un pseudonyme
Au baladin de vos hivers
Prince, permettez qu’on exprime
Un instant des coeurs entrouverts
Gardez plus d’amour que d’estime
Au baladin de vos hivers
Gardez plus d’amour que d’estime
Au baladin de vos hivers

Gilles Vigneault


Laatste zomerbrief

Ik weet ook wel dat men elkaar in deze tijd
nog amper brieven schrijft, maar dan:
wie gelooft er nog in poëzie?

Jij niet. Daarom is dit een brief
om onder in een la te steken
en bijna te vergeten.

Veel later pas zul je dit lezen
en dan moet je weten dat ik
deze woorden voor je schreef

in de dagen dat we samen waren,
kusten onder straatlantaarns,
in het park en voor je huis.

Als je me mist: houd deze kleine brief
dan schuin. Er dwarrelt nog wat van
het zonlicht dat we lang geleden samen deelden uit.

Twan Vet (1998)

uit: Troostpogingen (Bezige Bij, 2025)


Lost and Found
.
I MISSED him when the sun began to bend;
I found him not when I had lost his rim;
With many tears I went in search of him,
Climbing high mountains which did still ascend,
And gave me echoes when I called my friend;
Through cities vast and charnel-houses grim,
And high cathedrals where the light was dim,
Through books and arts and works without an end,
But found him not–the friend whom I had lost.
And yet I found him–as I found the lark,
A sound in fields I heard but could not mark;
I found him nearest when I missed him most;
I found him in my heart, a life in frost,
A light I knew not till my soul was dark.

George MacDonald


La source

La source qui fait le ruisseau
N’en demande pas son salaire
La source qui fait le ruisseau
La source ne vend pas son eau
Le ruisseau d’entre les cailloux
Le ruisseau qui fait la rivière
Qui donne à boire au lièvre, au loup
Ne leur demande rien du tout
Et c’est ainsi que tu m’arrives
C’est ainsi que j’arrive à toi
La rivière qui va rêvant
D’avoir son dos plein de navires
Comme le fleuve au loin devant
La rivière coule en rêvant
Le fleuve accueille les poissons
Et la marée et les épaves
Les oiseaux et les vents qui sont
Les capitaines des saisons
Et c’est ainsi que tu m’arrives
C’est ainsi que j’arrive à toi
Et la mer met son grain de sel
Et ses berceaux et ses tempêtes
Comme une abeille fait son miel
De tout ce qui tombe du ciel
Écume, embruns, brume et brouillard
C’est de vous que ma source est faite
Écume, embruns, brume et brouillard
Et de vos nuages fuyards
Et c’est ainsi que tu m’arrives
C’est ainsi que j’arrive à toi
La source qui fait le ruisseau
Ne demande pas son salaire
La source qui fait mon ruisseau
Ma source ne vend pas son eau
Et c’est ainsi que tout arrive
C’est ainsi que je meurs en toi
Et c’est ainsi que tout m’arrive
C’est ainsi que j’espère… en moi

Gilles Vigneault

https://laboiteauxparoles.com/interprete/780/gilles-vigneault


onder het ijs door zwemmen
zonder zelf te breken

dorstig bij het zwembad zitten
zonder zelf te breken

de ladder opklimmen
de schuifdeur sluiten
een ingewikkeld patroon ontwaren
in een ringbaard
in een baai

heen en weer zwemmen
door een baal hooi
de vruchten van de oogst
niet breken nu

open de mossel
vind de krab
kraak de krab tussen je tanden
droog jezelf droog

Vincent Van Meenen


Gras hooi

Ach mijn zachte
van je woorden
zijn de gedachte
zo goed als gehoorde
als ongehoorde
als ongedachte

dat ik je wil
en nog kan kussen
ach daar tussen
is ook geen verschil
want door te leven
zijn onze lijven
zo samengewreven
dat zij de dood
plat zullen wrijven
plat als papier
dun als dit schrijven

Ik geloof voortaan
niet meer in tijd
maar eeuwig aan
de eeuwigheid
van ons bestaan

en dat gelieven
uiteengescheiden
tot vage lijken
nog samen praten
elkaar bereiken
in veel te late
te uitgebreide
vergeelde brieven

en dat wij beiden
minder weten
dan het oerbeest dat
wij samen vormen
geest zonder gat
om in te eten
voor de wormen

dat wie nog leeft
of levend is
en wie ontleedt
of doodslaap heeft
daar geen gemis
of winst van weet

dat er niets waar is
dan gevoel
want ik bedoel
dit alles maar
ik weet het niet
ben nooit een echter
mens geweest
dan voor de rechter
die dit leest

maar de geur van hooi
is dood zo mooi
als dorrend vel
of groeiend gras
vroeger was
dat weet ik wel

Brooklyn, 5 october 1968

Leo Vroman (1915-2014)


„Liebesgedicht“

Du bist leise und langsam
wie ein sehr langes Floß
das duftende Tannen führt
von einem Berg mit blauen Nebeln
in eine ferne Stadt mit Laternen
durch Tage mit gelben Sonnen
durch Tage mit grauen Himmeln.
Du bist traurig wie ein Floß
still und traurig wie das Glück.
Mit dir werden Jahre vergehen
wer gedenkt der verlorenen Jahre…

Debora Vogel


Je bent zacht en langzaam
zoals een heel lang vlot
dat geurige dennen vervoert
van een berg in blauwe nevelen
naar een verre stad met lantarens
door dagen met gele zonnen
door dagen met grauwe hemelen.
Je bent droevig als een vlot
stil en treurig zoals het geluk.
Met jou zullen jaren vergaan
wie gedenkt de verloren jaren…

Debora Vogel

Aus dem Jiddischen von Anna Maja Misiak


(Morte):

Do eterno erro na eterna viagem,
O mais que saibas na alma que ousa,
É sempre nome, sempre linguagem
O véu e a capa de uma outra coisa.

Nem que conheças de frente o Deus,
Nem que o Eterno te dê a mão,
Vês a verdade, rompes os véus,
Tens mais caminho que a solidão.

Todos os astros, inda os que brilham
No céu sem fundo do mundo interno,
São só caminhos que falsos trilham
Eternos passos do erro eterno.

Volta a meu seio, que não conhece
Enigma ou deuses porque os não vê,
Volta a meus braços, neles esquece
Isso que tudo só finge que é.

Meus ramos tecem dosséis de sono,
Meus frutos ornam o arvoredo;
Vem a meus braços em abandono
Todos os Deuses fazem só medo.

Não há verdade que consigamos,
Ao Deus dos deuses nunca hás-de ver…
Dosséis de sono tecem meus ramos.
Dorme sob eles como qualquer.

Fernando Pessoa


Van de dwalingen op onze eeuwige tocht
is het meeste wat je in je vermetelheid weet
altijd een naam, altijd een taalgewrocht,
de dekmantel van iets wat anders heet.

Zelfs al ken je God van aangezicht,
zelfs al reikt de Eeuwige je de hand,
als je de waarheid ziet en ontwricht
trek je meer dan eenzaam door het land.

Alle sterren, ook zij die blinken
aan het bodemloze innerlijk gewelf,
zijn wegen slechts begaan door slinkse,
eeuwige stappen van de dwaling zelf.

Kom aan mijn borst, die geen god
of raadsels kent, want hij ziet ze niet,
kom terug in mijn armen en bespot
daar alles wat zichzelf voorbijschiet.

Mijn takken zijn een slaapbaldakijn,
mijn vruchten aan de bomen een feest;
kom in mijn armen om niet alleen te zijn,
alle goden maken enkel bevreesd.

Wij zullen nooit een waarheid ontdekken,
de God van de goden hult zich in rook…
Mijn takkenbaldakijn zal zich uitstrekken
naar jou. Slaap daaronder als wie dan ook.

Fernando Pessoa
Vertaling Harrie Lemmens


Taxistandplaats

Ik wou weer naar het ijz’ren hekje gaan.
Ik was de hoge stenen stoep al af.
Ik zag de grote hond. ‘k Zag zijn geblaf,
al hoorde ik niets. Waar kwam die hond vandaan?
Hij moest daar altijd al hebben gestaan.
Ik wist wel dat een omweg hier niet gaf.
Die hond stond daar tot mijn gerechte straf.
Waarvoor? ‘k Liep door. Hij beet. Het was gedaan.

Op ’t hekje zaten twee chauffeurs te praten.
Herken ik hen? ’t Is of ze mij niet zien.
Wat doe ik hier? Verbeeld ik mij misschien
dat ‘k mij op mijn bestraffing kan verlaten
en aan de hond voorbij kan zijn geraakt
zonder dat hij mij wakker heeft gemaakt?

Jan Kuijper (1947)

uit: Oorschelpen (Querido, 2024)


A Memorial of Friendship

When the world is weary, and the heart is sore,
And the soul feels a longing for something more,
Remember the bond that once held us near—
A friendship that lingers, forever sincere.

Through seasons of laughter, through tears that we’ve shed,
We walked side by side, where angels had led.
Your voice was a compass, your smile a bright star,
Guiding my spirit, wherever we are.

Now time may have scattered our paths far apart,
Yet the echo of kindness still beats in my heart.
For love knows no distance, nor borders, nor walls—
It lives on in memories, in whispers, in calls.

So here is my promise, a pledge ever true:
To cherish the moments that bind me to you.
May the light of our friendship forever endure,
A beacon of hope, steadfast and pure.

George MacDonald


Onder de vulkaan

Taormina (Sicilië) 1980

In de schaduw van het dorpsplein, waar oudjes
soezen op de bank, zo zou het moeten zijn.
Zoals hij en ik, zo onecht zijn de plaatjes.
De vulkaan slaapt, haar mond lacht vredig.

Hij heeft een arm om mijn schouder gelegd
op de tafel een glas Amaro Averna en een flesje
Stella Artois, omdat ik van wijn hou en hij
van bier, ik van hem en hij van een ander

en omgekeerd. De oude man klikt en knikt
tevreden, glimlacht naar de oude vrouw op de bank:
mio amore eterno, en dat het tijd is voor de judaskus.
Volmaakt moet het lijken voor het nageslacht.

Lief Vleugels (1953)

uit: De roes van andere oorden (Uitgeverij P, 2024)


DER BRÄUTIGAM

Um Mitternacht, ich schlief, im Busen wachte
Das liebevolle Herz als wär’ es Tag;
Der Tag erschien, mir war als ob es nachte,
Was ist es mir, so viel er bringen mag.

Sie fehlte ja, mein emsig Tun und Streben,
Für sie allein ertrug ich’s durch die Glut
Der heißen Stunde, welch erquicktes Leben
Am kühlen Abend! lohnend war’s und gut.

Die Sonne sank und Hand in Hand verplichtet
Begrüßten wir den letzten Segensblick,
Und Auge sprach, in’s Auge klar gerichtet:
Von Osten, hoffe nur, sie kommt zurück.

Um Mitternacht, der Sterne Glanz geleitet
Im holden Traum zur Schwelle, wo sie ruht.
O sei auch mir dort auszuruhn bereitet,
Wie es auch sei das Leben, es ist gut.

JW. Von Goethe


DE BRUIDEGOM

Om middernacht sliep ik, liefde vervulde
mijn hart, dat waken bleef als was het dag
De dag verscheen, die mij als nacht omhulde –
wat baat hij mij, wat hij ook brengen mag?

Zíj was er immers niet! Voor haar verrichtte
ik rusteloos mijn taken in de gloed
van ’t middaguur. Maar’s avonds, hoe verlichtte
de koelte dan! Lonend was het en goed.

De zon verzonk. Wij, met vervlochten handen,
groetten voor ’t laatst haar zegenende oog.
En onze blikken spraken tot elkander:
Vrees niet, in ’t oosten rijst zij weer omhoog.

Om middernacht geleiden in mijn dromen
de sterren mij haar rustplaats tegemoet.
O, dat ook ik daar toch tot rust mag komen!
Hoe het ook zij, het leven, het is goed.

JW. Von Goethe

Vertaling Victor Bulthuis


Geboorteplaats

Wel wijder horizon; maar waar hij kwam,
kwam ook dat dorpje; dat ging met hem mee.
Wie had de wolken lief in Amsterdam?
Wie minde ruimte; wie het glanzend vee?
En wie de uitgelaten, frisse Maart,
meest Hollandse van heel der maandenrij?
Wie kende Wommels aan de ruime vaart?
Wie Frieslands water en wie Frieslands wei?
Wie, die de grieto en de tureluur,
de kemphaan kende en de vreemde pracht
van het kleurrijk Westen in het late uur?
En wie de peppels aan de hoge nacht?
En wie, die hier ooit stille wegen nam
en het ritseldier bespiedde en gadesloeg?
Hij bleef een dorpeling in Amsterdam,
die Frieslands zeelucht aan z’n kleren droeg.

En welke reis hij aanwees op de kaart
en over grenzen trok of buitengaats;
zijn vinger wees dat dorpje aan de vaart:
dit was zijn jeugd; dit zijn geboorteplaats.

Jac. van Hattum (1900-1981)

Douamont Verdun

Tussen seizoenen

En kleur zijn ogen nu zij wind zijn,
het licht uit lucht gesneden.

Lang gras, nog levend hooi,
verminking waar oogst begint.
Ik groef in kleur waar vol de lucht,
in wind waar vol het gras van is,
in golvend gras, in slapend gras,
ik bracht zand aan het licht,
verpulverd weefsel, vacht om in te slapen.

Blad viel, sneeuw viel de bladeren achterna,
de sneeuw bracht regen, regen stuift op sneeuw.
Reeds schemeren de lichte tinten
van de zon, de golven, ribben van de zee.

*
Verf nat de doden, schilder ze op.
Als grote zachte bloemen in de regen
slapende bomen met sneeuw.
Ovale wind waait dag en nacht
langs knoppen, bijna bladeren, sluit zich
in een voortdurend onderdak verlenen
om ieder ding heen.

De druppel van gedooide rijp
draagt vuurkleur van de regenboog,
het diepste geel, haast groen koud blauw,
nieuw wit, water dat brandt.

*
Een waas van groen, een geheimzinnig
opeenvolgen van soorten, maand na maand
een ander gras strijkt bloeiverstikkend
stuifzand dicht – van fluitekruid
een sluier, ongerepte dovenetel,
kaarsen vol zaad, niemandsverdriet.
Aan hun verbazing komt geen eind, ze kennen
de winter niet.

Christiaan van Geel


Honderd honden grommen in de tractor
aan de overkant van het hek.

Ik veer op van tussen roestplekken
in het gras, druk mijn hoofd

tegen de koele spijlen tot ik de boer word
die de bieten van het veld bezweert.

Met een hand als een kolenschop
keur ik een knol, spuug aarde ervan los,

hoor de volmaakte wedstrijdzang
van een vink in de wiegende berken.

Het gefluit zwelt op tot mannenstem;

achter me staat een vader met losse lippen
en nauwe ogen die me naar binnen staren.

Kevin Amse


Vater (zum dritten Todestag, 30. Dezember 1994)

Solang die Eltern leben, sind sie Körper
zwischen Tod und uns, den Kindern:
Schicksal sehn wir wie durch Schleier.

Mich schmerzten deine dünnen Hände,
als du starbst, mein einzig Vater:
noch deine, und schon fremd, zu tief,

fielen sie, wohin ich nicht vermag,
ins Weite, und ganz nah, hierher, zum Quell
der Tränen, wo ich falie aufs Gesicht und weine.

An jenem schrecklich hehren Abend,
als wir den siechen Körper wuschen,
zurückzugeben rein den Ruhelosen ewiger Ruhe,

nahm ich ihn an, kristallklar und jäh,
meinen Menschentod: seitdem bin ich Vater,
ich bin offne Wunde, welche ohne Hoffnung

schützt ihr Kind vor Hagelschlägen
einzig mit dem Tod des eignen Körpers,
der aus Erinnerung ins Morgen wächst

und singt, Rhythmus des Tanzes, Schnee des Abschieds.
Ins Jenseits flieg ich, folge dem Gesetz
der Zugvögel, und weine, komme ich zurück zu dir,
mein Vater.

Boris A. Novak

vertaling Ludwig Hartinger und Mira Miladinovič Zalaznik


Wilde dieren

Een sloom leeuwtje versperde mij de weg.
Er was geen terug. Ik kon er niet omheen.
Maar het draaide zich om, en sprong meteen
op een pilaar. Ik wist hier heg noch steg.
Een stenen brug. Ik moest eroverheen.
Een blik naar boven. Ik kwam nog goed weg:
een stenen boek zonder tekst of uitleg
legde beslag op ’t leeuwtje. Ik verdween.

De beer slaapt naast mij, maar met open ogen.
In de gordijnen wordt het langzaam rood.
‘k Wil hem omarmen, maar ’t schijnt niet te mogen;
hij houdt mij makk’lijk tegen met zijn poot.
Ik zeg: dat kun jij niet, want jij bent dood.
Het laatste wat ik hoor: jij bent al groot.

Jan Kuijper (1947)

uit: Oorschelpen (Querido, 2024)


Engel

In tagen,
als ob sie nicht wären,
im wirrwarr des abgrunds,
wo in uns die nacht herrscht,
erstrahlst du nur schwächlich,
flackernd wie der morgenstern,
als wärst du nicht Gott.

GORAZD KOCIJANCIC (*1964)

vertaling Matthias Göritz und Amalija Maček


The Spirit of Place

Voor Michelle Cliff

I.
Over the hills in Shutesbury, Leverett
driving with you in spring road
like a streambed unwinding downhill
fiddlehead ferns uncurling
spring peepers ringing sweet and cold
while we talk yet again
of dark and light, of blackness, whiteness, numbness
rammed through the heart like a stake
trying to pull apart the threads
from the dried blood of the old murderous uncaring
halting on bridges in bloodlight
where the freshets call out freedom
to frog-thrilling swamp, skunk-cabbage
trying to sense the conscience of these hills
knowing how the single-minded, pure
solutions bleached and desiccated
within their perfect flasks
for it was not enough to be New England
as every event since has testified:
New England’s a shadow-country, always was
it was not enough to be for abolition
while the spirit of the masters
flickered in the abolitionist’s heart
it was not enough to name ourselves anew
while the spirit of the masters
calls the freedwoman to forget the slave
With whom do you believe your lot is cast?
If there’s a conscience in these hills
it hurls that question
unquenched, relentless, to our ears
wild and witchlike
ringing every swamp.

II.
The mountain laurel in bloom
constructed like needlework
tiny half-pulled stitches piercing
flushed and stippled petals
here in these woods it grows wild
midsummer moonrise turns it opal
the night breathes with its clusters
protected species
meaning endangered
Here in these hills
this valley we have felt
a kind of freedom
planting the soil have known
hours of a calm, intense and mutual solitude
reading and writing
trying to clarify connect
past and present near and far
the Alabama quilt
the Botswana basket
history the dark crumble
of last year’s compost
filtering softly through your living hand
but here as well we face
instantaneous violence ambush male
dominion on a back roa
to escape in a locked car windows shutskimming the ditch your split-second
survival reflex taking on the world
as it is not as we wish it
as it is not as we work for it
to be

III.
Strangers are an endangered species
In Emily Dickinson’s house in Amherst
cocktails are served the scholars
gather in celebration
their pious or clinical legends
festoon the walls like imitations
of period patterns
(…and, as I feared, my “life” was made a “victim”)
The remnants pawed the relics
the cult assembled in the bedroom
and you whose teeth were set on edge by churches
resist your shrine
escape
are found
nowhere
unless in words
(your own)
All we are strangers–dear–The world is not
acquainted with us, because we are not acquainted
with her. And Pilgrims!–Do you hesitate? and
Soldiers oft–some of us victors, but those I do
not see tonight owing to the smoke.–We are hungry,
and thirsty, sometimes–We are barefoot–and cold–
This place is large enough for both of us
the river-fog will do for privacy
this is my third and last address to you
with the hands of a daughter I would cover you
from all intrusion even my own
saying rest to your ghost
with the hands of a sister I would leave your hands
open or closed as they prefer to lie
and ask no more of who or why or wherefore
with the hands of a mother I would close the door
on the rooms you’ve left behind
and silently pick up my fallen work

IV.
The river-fog will do for privacy
on the low road a breath
here, there, a cloudiness floating on the black top
sunflower heads turned black and bowed
the seas of corn a stubble
the old routes flowing north, if not to freedom
no human figure now in sight
(with whom do you believe your lot is cast?)
only the functional figure of the scarecrow
the cut corn, ground to shreds, heaped in a shape
like an Indian burial mound
a haunted-looking, ordinary thing
The work of winter starts fermenting in my head
how with the hands of a lover or a midwife
to hold back till the time is right
force nothing, be unforced
accept no giant miracles of growth
by counterfeit light
trust roots, allow the days to shrink
give credence to these slender means
wait without sadness and with grave impatience
here in the north where winter has a meaning
where the heaped colors suddenly go ashen
where nothing is promised
learn what an underground journey
has been, might have to be; speak in a winter code
let fog, sleet, translate; wind, carry them.

V.
Orion plunges like a drunken hunter
over the Mohawk Trail a parallelogram
slashed with two cuts of steel
A night so clear that every constellation
stands out from an undifferentiated cloud
of stars, a kind of aura
All the figures up there look violent to me
as a pogrom on Christmas Eve in some old country
I want our own earth not the satellites, our
world as it is if not as it might be
then as it is: male dominion, gangrape, lynching, pogrom
the Mohawk wraiths in their tracts of leafless birch
watching: will we do better?
The tests I need to pass are prescribed by the spirits
of place who understand travel but not amnesia
The world as it is: not as her users boast
damaged beyond reclamation by their using
Ourselves as we are in these painful motions
of staying cognizant: some part of us always
out beyond ourselves
knowing knowing knowing
Are we all in training for something we don’t name?
to exact reparation for things
done long ago to us and to those who did not
survive what was done to them whom we ought to honor
with grief with fury with action
On a pure night on a night when pollution
seems absurdity when the undamaged planet seems to turn
like a bowl of crystal in black ether
they are the piece of us that lies out there
knowing knowing knowing

Adrienne Rich

uit: Wild Patience Has Taken Me This Far, Norton Books, 1981,


Zehnter Januar

Jemand geht davon
Er breitet die Flügel über das
brüchige Nest des Atems
als wäre der Hauch nur
ein Mass der Zeit
Jemand geht davon
in den dunklen Sack Erde
als wäre das Licht
nur eine Sache der Wahl
Er löscht seinen Stern
an der Decke der Welt wenn
er leeren Mundes den Fluss überquert
Jemand tritt
ins Jenseits ein als würde er
auf einem unbekannten Bahnhof
aussteigen
Ich lege den Kopf
auf die Schienen
Mich überrollt Stille

CVETKA LIPUS (*1966)

vertaling Klaus Detlef Olof


Wandeling

We waren in een bos. De regen kwam
nog onverwachter dan dat onverwacht moment
dat je mijn hand nam en me meetrok. Voorbestemd
om blindelings te geloven wat je zei, ontnam

ik moeder wat ze riep. We gingen
langs de vreemdste paden die ik nog niet wist.
Je liep alsof je je ontzettend had vergist
in alles wat je dacht. Ik liep te springen

aan je hand en wees de dingen aan
die mij betoverden: een vlinder, dáár een blad
dat op een schilderij leek dat je had.

Je knikte en nam zonder woorden alles aan
wat ik zei tot ik begon te huilen, en wij
omdat het goot, onder de bomen schuilden.

Johanna Kruit (1940)


Rhapsody in blue (fragment)

o blauw water
op het zenit van
mijn ogen
de piano schept een duivels genoegen
in haar duivels ritme
the man i love
is daar
o man
o porgy
porgy and bess
de pianist is plots zijn handen kwijt
daarom speelt hij met zijn tong
op het klavier
van zijn tanden
rhapsody
so blue
inderdaad
zo angstig blauw
als de dauw
aan de wimpers
van
george gershwin
hij warmt in armoe zijn handen
aan de hete klanken
van summertime

Willem M. Roggeman


Verzweiflung im Jenseits

Wenn sie dich ins Grab legen,
wirst du nicht grösser und nicht kleiner, als du bist,
wirst du nicht heller und nicht dunkler, als du bist,
all deine Wunden werden mie dir gehen.

All deine Verzweiflung wird mie dir gehen,
und dort wirst du sie ebenso bitter spüren,
und kein neuer Himmel wird sich öffnen,
du wirst dort liegen, und alle alten Stimmen prasseln auf dich ein.

Und alle Tage und Nächte werden in dir nisten,
denen du zu Lebzeiten Schutz gewährt hast,
an dir wird derselbe Wurm der Reue nagen,
der dir schon in der Kindheit das Herz verzehrt hat.

BOŽO VODUŠEK

vertaling Matthias Göritz und Alei Šteger


de stilte der natuur

De stilte der natuur heeft veel geluiden
en is toch vol van rust voor ziel en zinnen
die druppelt zacht en ongemerkt naar binnen
tot in ons hart een zilv’ren toon gaat luiden
gelijk met haar. Als we dan weer beginnen
te denke’ aan wereld-dinge’ en ze te duiden
merken we dat een kracht, als die van kruiden
in ons gekome’ is en ons kalm doet minnen.

Er zijn nu veel, die dit geluid nooit hooren;
zij missen het aandachtige en het teere
als wie als kind geen moeder heeft gehad.

Maar de tijd die komt zal menschen weer leeren
gelukkig te zijn onder haar akkoorden
en drijven uit hun bloed de koorts der stad.

Henriette Roland Holst (1869-1952)

uit: De nieuwe geboort (1928)


Teufelskreis

Der, der hasst, und der, der liebt,
hat einen Gefährten,
scharfe Schläge, süsse Küsse, Hiebe,
Blut fliesst so zwischen den Duellanten –

Doch der, der sich selbst liebt,
lebt vom eigenen Blut, spielt
im Verlangen, gibt sich Verderben hin,
wie eine Kerze, die sich selbst abbrennt.

Doch der, der sich selbst hasst,
lebt vom eigenen Blut, fasst
Schmerz, passt Linderung an für
sich selbst, schlägt Leid und verprasst es.

Der, der sich selbst hasst und sich selbst liebt,
weiss niemals, dass er lebt: zieht
scharfe Schläge, süsse Küsse, schiebt
sie in eine Welt, in der’s kein Echo gibt.

BOŽO VODUŠEK

vertaling Matthias Göritz und Alei Šteger


Okkernoot

Dat we trage dieren zijn met een intellect
dat schrijnt, het wordt beweerd, het staat
geschreven. De okkernoot van ons brein

laat niets aan toeval over. Keer op keer
draaien wij de waarheid om en wachten
op de lessen die het leven ons moet geven.

Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik weg
wat ik niet wil weten. In een klassiek
en wild gebaar maak ik van elk plafond

een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken,
hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals
alleen een hoofd kan passen in mijn handen.

Paul Rigolle (1953)

uit: Het omber en het oker (Uitgeverij P, 2015)


Manifest

Im klassischen Wortschatz wird ein Wort als Bild betrachtet,
aber in Wirklichkeit
ist es ein Wort.
Im modernen Wortschatz wird ein Wort als Wort betrachtet,
aber in Wirklichkeit
ist es ein Bild.
In der klassischen Malerei wird ein Bild als Wort betrachtet,
aber in Wirklichkeit
ist es ein Bild.
In der modernen Malerei soll ein Bild ein Bild sein,
aber in Wirklichkeit
ist es ein Wort.
Im klassischen Wortschatz ist es der Fall, dass ein Bild fiktiv ist,
und eine
Fiktion unwirklich.
Im modernen Wortschatz ist es so, dass ein Wort fiktiv ist,
und die Fiktion unwirklich.
In der klassischen Malerei ist es der Fall, dass
Fiktion unwirklich ist.
In der modernen Malerei ist es der Fall, dass das Bild fiktiv ist,
und die
Fiktion wirklich.
Die Wirklichkeit der Fiktion ist entscheidend für eine
Topografie, die
Sagen und Zeigen zusammenführt. Nur die Wirklichkeit der
Fiktion
ermöglicht ein anschauliches Sprechen oder eine sprechende
Anschauung dessen, was
Topografie ist.

OHO (IZTOK GEISTER)

vertaling Matthias Göritz


Wilg

De zon is opgekomen.
De wilg, nog zonder blad,
wordt in het licht gevat
en laat zijn takken stromen.

Traag breekt de middag aan.
Heeft iemand zoveel uren
met naar een wilg te turen
ooit vruchteloos verdaan?

De lucht trekt rose dicht.
Niets valt nog te verlangen
dan dat de wilg zal vangen
de laatste schilfers licht.

Fred Portegies Zwart (1933-2003)

uit: Tussenspel op mondharp (1987)


Passer

Aan elk schrijven hoort een visioen
vooraf te gaan. Eerst komt het oerbos,
diep en stil. Bramen, struiken, lianen
slingeren zich in touw de bomen uit.
Groot en levensvatbaar schrijft de trek
zich in de vlucht van vroege vogels in.

Dieren kiezen vasteland. Wie straks
rechtop zal staan doemt kruipend op.
Figuren, personen breken uit hun lijst.
Mensen zwellen in de straten aan.
Eentweedrie een optocht. Een mars,
een stil protest. Een foto scheurt ze uit.

Tijd vloeit het uurwerk uit. Het punt
kruipt opnieuw de passer in. Klank
houdt woord. Of het snelsnel of werk
van lange adem wordt, moet nog blijken.
Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.

Paul Rigolle (1953)

uit: Het omber en het oker (Uitgeverij P, 2015)


Aan het loket

Jacob, Izak, Sara, Kaïn,
Onan, Onan, Terebint, —
zo spel ik mijn naam wanneer ik
mij in Israël bevind.

Ben ik in het rijk der Russen,
spel ik daarentegen zo:
Josip, Inna, Sjostakovitsj,
Katja, Olga, Olga, To.

Maar aan Brusselse loketten
bezig ik hun zoet patois:
Jefke, Ickxske, Sjefke, Krieckxske,
Olland, Olland, Toetatwâ.

Kees Jiskoot (1933-2015)


Alsof

Het leek alsof we ver weg waren.
We zagen vogels die we niet noemden.
Het was koud maar er bloeiden bloemen
van ijs. Sneeuw viel in onze haren.

Het leek alsof we verdwaalden
in dit bos dat we al jaren wisten.
Maar het was heel anders dan gisteren
toen we elkaar nog niet kenden.

Het leek alsof oude verhalen
uit boeken van heel lang geleden
tussen de sneeuwvlokken zweefden.
En dat wij die mochten vertalen.

Johanna Kruit (1940)


De laatste wereldvrede
Waarom draait een groot geschil?
Kijk vannacht eens lang en dood
doodstil vanuit de sterren
naar deze kleine aarde
en niets blijft groot.
Wat blijft eigenlijk van verre
over van onze eigenwaarde?
Niets in de eeuwigheid
om voor te vechten zo gezien en
waar kan een oorlog anders nog toe dienen?
Ikzelf was eens in een daarvan gevangen
en zag de eeuwigheid al gapen in de dood-
saaie eindeloze tijd
van ons hopeloos verslappende verlangen
naar vrijheid of desnoods een kopje chocola
met niets dan eindeloze slaap daarna.
Mensen! Hoe zoet is men geschapen!
Hoe prachtig past men in elkaar!
Ik ben verliefd op jullie, maar
ik ga met één oog open slapen:
ergens is jullie vreselijkste wapen
vast bijna klaar.

Leo Vroman


Altijd het idee dat er meer gebeurt dan ik begrijp / kan begrijpen
Ik mis het grote verband, ik moet me beter concentreren
op wat mensen zeggen, niet afgeleid raken
door mijn eigen gedachten en gevoelens, alsof daar
een antwoord is te vinden. Als ik een kroeg binnenkom
interpreteer ik de blik van de serveerster als een
verwijt waar ik haar geen ongelijk in kan geven, ik heb
als ik moe ben een gluiperige oogopslag

Edwin Fagel (1973)

uit: Cagney (Opwenteling, 2025)


Het was toen we nog geen lichaam hadden

We waren spaghettislierten door de gangen
plakten aan elkaar door te weinig olie
in het water vouwden onze octopusdelen
onder tafel vonden nog geen ruggengraat

Vielen eindeloos uit ringen van fietsen
klimrekken, voskleurige pony’s, banken
door de slappe lach. Koektrommels leeg
chips, friet bij de FEBO na sluitingstijd

van de kroegen, zoete bubbels in roze en groen
we voelden niets. Bogen om lantaarnpalen, hadden
nog geen lichaam. Ziekenhuizen waren voor oma’s
die we herkenden aan hun handtasjes bij het bed

Wij hadden geen lichaam, want je hebt pas een lichaam
als het in de weg zit, breekt na een val
bloedt op verkeerde momenten, pijn onthoudt
na een ontmaagding die later een schending blijkt

niet zoals in films. Toen hadden we een lichaam.
Het werd dikker door bier, dunner als we huilden
langer als we rechtop stonden, uitstegen boven jongens
olie smeerden, een ruggengraat vonden.

Froukje van der Ploeg (1974)

uit: Soms blijft iets (Querido, 2015)


Moeder

achter wisselende maar dezelfde planten
nu een hangende cyclaam een droge begonia
opnieuw bij moeder op zondagmiddag

ze heeft weer veel te veel eten in huis
al komt er bijna geen hond
in tien jaar geen boek gekocht
weinig nieuws beleefd behalve
alweer verdriet

en ze kon me niet goed leren hoe
te leven hoe goed te leven met een ander
maar nu mijn veranderd lief
mij gaat verlaten
zij met kopjes rommelt in de keuken
pratend over de quiz op de t.v.

wij hier opnieuw en eeuwig zitten
samen afzonderlijk
ja moeder, in godsnaam
toch nog graag een kopje thee

Sonja Pos (1936-2020)


Existentialia

1

Simulacra, geen mimicry.
Nascheppen van planten, dieren, mensen
die in de natuur niet bestaan.

Namensen. Nadichten. Naleven
en zelf heel even – bijna – bestaan
tussen andere opkomende zelfsprekers.

2

Wensdromen afzijds het niemandswit,
het allemanszwart.
De werkelijkheid liegt zich onophoudelijk,
liegt zich onophoudelijk werkelijk.

Zo ook jij: je stimuleert jezelf keer op keer,
om te ontdekken wie je (niet) bent.

Bijna ben je een literaire figuur of onfiguur.

3

Stilstaande aarde met roterende dampkring,
dampkring als een buitenbewustzijn.
Aarde als tegenaarde.

Je wordt de tollende ruimte ingeslingerd,
samen met andere ontdane spraakmakers.

Hoog boven ons
een opschemerend reusachtig gezicht
met wijdopen ogen.

Sybren Polet (1924-2015)

uit: Tijd zonder natijd (2009)


Zonnig zal mijn graf zijn, stil
en vol van rijke gloed.
De oneindige ruimte waar stormen bedaren,
boven de klippen van thuis.

Ik zal niet verrijzen, waarom
ook zou ik beter leven dan ik al deed?
Wat mensen dood hebben genoemd
is voor mij de dood niet.

Ik zal mezelf in vele harten verspreiden,
en leven in menig leven.
Van hetgeen me nu donker lijkt,
zal alleen het mooie overleven.

Josip Pupačić


Vater (zum dritten Todestag, 30. Dezember I994)

Solang die Eltern leben, sind sie Körper
zwischen Tod und uns, den Kindern:
Schicksal sehn wir wie durch Schleier.

Mich schmerzten deine dünnen Hände,
als du starbst, mein einzig Vater:
noch deine, und schon fremd, zu tief,

fielen sie, wohin ich nicht vermag,
ins Weite, und ganz nah, hierher, zum Quell
der Tränen, wo ich falie aufs Gesicht und weine.

An jenem schrecklich hehren Abend,
als wir den siechen Körper wuschen,
zurückzugeben rein den Ruhelosen ewiger Ruhe,

nahm ich ihn an, kristallklar und jäh,
meinen Menschentod: seitdem bin ich Vater,
ich bin offne Wunde, welche ohne Hoffnung

schützt ihr Kind vor Hagelschlägen
einzig mit dem Tod des eignen Körpers,
der aus Erinnerung ins Morgen wächst

und singt, Rhythmus des Tanzes, Schnee des Abschieds.
Ins Jenseits flieg ich, folge dem Gesetz
der Zugvögel, und weine, komme ich zurück zu dir,
mein Vater.

Boris A. Novak

vertaling Ludwig Hartinger und Mira Miladinovič Zalaznik


Zwaarmoed en potsier

Van strijdvaard en blijmoed verstoken
is ieder die uitbund ontbeert;
waar mistroost en droefgeest ontloken,
dient oubol, dient luidrucht geweerd.
Geen lichtvoet valt ooit te verwachten
van hem die tot rampzaal verviel.
Wil meewaar en hulpvaard betrachten,
vertroet hem, zo’n poot van een ziel!

Kees Jiskoot (1933-2015)


Atlas

Bestaan vangt aan met woorden ademhalen
opdat wat om ons heen is wordt verstaan.
Wat is en schijnt laat zich pas gadeslaan
als chaos wordt ontbonden door vertalen.

Uit nevels breken zich begrippen baan.
Maar lichten doen, al naar ze feller stralen,
wat hen omringt verdichten. Wij verdwalen
dus toch; wat taal onthult doet hij de dampen aan.

De taal een Atlas, die verklarend fluisterend
per ademtocht de werkelijkheid verduistert
die hij nochtans ten einde toe moet dragen.

Waarna wat was en scheen in leegte overgaat
die door geen preveling zich meer vullen laat
als woord en werkelijkheid uiteengaan en vervagen.

Fred Portegies Zwart (1933-2003)


Sonnet

Het hert dat sterft met hagel in zijn lijf,
de honden die met zwerende ogen zwerven,
de kat die wordt gespijkerd op een rijf,
de apen die in warenhuizen sterven,

de ratten en de merels en de mol
en de insekten die niet mogen leven,
het frêle jachtluipaard betaalt zijn tol,
men zal de stier zijn trage doodsteek geven.

De ganzen op de aarde vastgeprikt,
het proefkonijn om ’s mensenwil gestikt
en het verdriet van runderen en schapen,

van paarden in de mijn, van muizen op de maan,
van lijsters die verblind het blinde net in gaan,
van kinderen die men uit puin moet rapen.

Fernand Handtpoorter (1933-2007)


novem

   de aanvaarding

    De getroffene probeert aan de pijn te
  ontsnappen door erin mee te gaan

*
ik hoorde god grommen
ik hield me muisstil
mijn zenuwen ratelden seismisch
 maar dat nieuws zal vandaag niet ver reizen

praten was voor het uiterste geval
op een andere datum op een andere plaats
want ik had een accent als een stotter
dus ik wachtte tot het woei

en het woei uit de tijd inderdaad
en er klonk hoog gekraai
in het klokkengeluid van alle godsdiensten samen
en ze raakte me aan 
                                  zoals de kapper je nek scheert

ze was niet veranderd
ze was zoals toen luisterklaar
ze vroeg naar ons thuisland van vrienden die langskomen
ze had blauwwitte tanden
ze leerde me mijn eeuwige geheugenkind kennen
eerst droeg ze het op haar arm
daarna moest het lopen

ik dacht aan haar dus dacht ik ook aan hem
Koo was zijn naam
de humeurige aap
geen man maar een trein
die hoopte medailles en lof te krijgen voor zijn begerige belangstelling
      voor meteorologische voorspellingen
hij bad volgens het boek
hij brandde een lamp op het water
en hield de tocht uit zijn mond als hij praatte

het is de woorden niet waar
mijn vingers gingen over de aren
waarom deed ik zoiets reddeloos als bidden voor een vrouw die me
      laadde en stilstaan in waanzin
in tijden met niemand nog thuis zoals het miljoen reizigers met slechts één
koffer
geen kat met een rat in de maag als verloning

voor alles waren we gewaarschuwd
voor de druk op de heup, voor de gal in de strijd
want wie wil er nog kijken naar aandacht die pijn doet als hij de
      aandacht kan eisen met fluiten en krijsen
dus ik vatte het plan op om nooit meer de wateren waarin ik wilde
      vissen te storen

maar ik voelde dus dat iemand me net niet had geraakt
tenzij met haar haren
totaal onverhoeds
het kon ook een man zijn
bijvoorbeeld mijn vader

Anne Provoost (1964)

uit: Decem (Querido, 2024)


dit zijn de nieuwe kleuren
met natte gezichten kleverige haren
een doorweekte broek striemen op je huid

komen wij elkaar onder ogen
in een donker bos in het midden van ons leven

de winter is over
je hebt het niet goed gedaan
maar je hebt iets tot een einde gebracht
jouw suiker was zwart

het ijs lost op
is dat werkelijk nieuw water
hoe het tevoorschijn gulpt
het lijkt zo grauw

dit is een vaarwel voor de gorilla
trek een route door de korenvelden
bemerk de opvliegende wouw

Vincent Van Meenen (1989)

uit: alle fonteinen (Das Mag, 2025)


Kintsugi

Niet het kwaad.
Niet het leven,
de liefde en de dood
maar de taal waarin
gesproken wordt, de poëzie
die ik versta,
verlichaamt,
maakt bang
maar mondig.

Omdat ik ergens heen moet
met mezelf
neem ik voor lief
dat taal en ik de laatste jaren
te lijfelijk zijn geworden.
Ik niets verlijm.

Ik zie heus wel
dat het echte breken
pas begonnen is.

Lucas Hirsch (1975)

uit: Kintsugi (Arbeiderspers, 2025)


Besuch

Besucht alte Dichter
nicht.
Ihre langen Einsamkeiten
verstreichen schwerer
als eure eilige Zeit.
Von ihren Stirnen scheint nicht
der Glanz der fünften Auflage
ihrer Gesammelten Werke.
Mit verlöschendem Blick
starren sie
in verkohlte Kladden,
in die sie einst
mit brennenden Stiften
Eintragungen machten.
Auch unglückliche Lieben
können sie nicht mehr retten.
In ihren Busen blieb
von den türkischen Bräuten
nur kalte Asche.
Sie liegen auf alten Sofas,
zurückgeworfen auf ihre Niedergeschlagenheit,
und knarrt eine Stufe,
fragen sie sich,
wer das hölzerne Treppenhaus hochsteigt,
ein Arzt oder der Tod.

Kajetan Kovič

vertaling Fabian Hafner


Herhaling

nu ik bij de zandbak wil fotograferen
hoe hij zich bukt naar de bal
bukt zich in de lens een ander kind
knipt een overleden kodak zomer ’38
de foto in een schoenendoos bewaard

blijf ik minuten in de zoeker staren
waaruit hij al is weggedribbeld
de bal achterna
godzijdank

want beter onbespied
door welke toekomst dan ook maar
zien hoe hij voetbalt op goed geluk
nu het toch voor eeuwig vrede is

Sonja Pos


Allein

Ich schließe die Tür hinter mir,
ich schließe die Tür
hinter dem Mond, hinter den Sternen, den Blumen,
ich schließe die Tür für die Vögel,
ich schließe die Tür zu den Gräsern,
allein
wie der Wermut
lasse ich meinen Kummer erblühen,
allein wie das Meer
rufe ich die Kraniche der Sehnsucht,
allein wie der Wind
singe ich die Psalmen des Todes und der Liebe,
ich schließe die Tür,
ich schließe die Tür mit meinem verwundeten Mund,
mit bis zur Seele durchbohrten Händen.

Kajetan Kovič

vertaling Matthias Göritz


Ankers hemelwaarts

Ik ruil mijn stem voor observaties.
Herwaardeer een lichaam.
Herschik taal.

Het zal stil zijn rond mijn ik.
Zeg niets wat nog huivert,
verstikkend werkt of
angst aanjaagt.

Ik zeg gedag.
Tegen de familielijn en dode vriend zeg ik:
taal klonk jullie in
in verzen.

Alle vormen afgegraven.
Alle ploegsporen gevuld.
Heb ik aan mijn woord voldaan.
Ben ik voldaan, mijn woord.

Ik lag lang genoeg bloot.
Ik werp mijn ankers hemelwaarts.

Lucas Hirsch (1975)

uit: Kintsugi (Arbeiderspers, 2025)


Les Salettes

Kun je verdrinken in herinnering aan blauw?
De berg zeilde langs het water,
en jij vroeg een verhaal
dat over ons zou gaan.

Daar, waar we amper kunnen staan,
houd daar de dunne draad gevangen
tussen je bleke poppenvingers.

Spreek met mij
over het slapend, zwemmend kind
dat roept naar schimmen op de oever –
‘Ik ben vrij, ik ben vrij’ –

het roeit ons tot de overkant,
zijn lichaam is ons bootje,
je houdt hem dicht tegen je aan.

Toe zeg je,
bel me. Schrijf me.
Ik raak niet bij
dat meer vandaan.

Stefan Hertmans


Remco Campert in Antwerpen

1

Toen ik je voor het eerst zag droeg je een fijn
ringbaardje en crew cut, je sprak van een stem
die nooit de baard in de keel wil hebben

die door schade en schande
nooit wijzer wil worden.

Je woorden hingen in de Amsterdamse lucht
als hardnekkige geruchten,
mijn vrienden kochten je blauwbekkende vogels,
lazen je gedichten knikkend als bij goede jazz.

Je had de gekste werkbank
die ik ooit gezien heb, met negers
uit Mozambique, roze
wolken, skeletten van vogels & Voltaire,
ieder beeld uitgebeend
tot de recalcitrante klank van een roestig
hek, slot en hengsels kapot.

2

Messcherp geluid: muizen piepend
In de gestopte trompet van je strottehoofd
en claxons, protesten
jankend voor het buitenhuis
van de Amerikaanse president & zijn Mammie
(toen Truman, nu Lyndon B. Johnson, de eerste

atoombom & ladingen napalm voor Vietnam
met hun paraaf bekrachtigden

terwijl Mammie een eitje zonder explosieven
klaarzette op het gebloemde tafelkleed).

3

Het is geloof ik
De tijd van gedichten over vrienden,
laten we daarom niet eindigen met Brahms
zes noten Brahms

maar met Remco, die tussen de pooiers
matrozen en frietbazen van Antwerpen
een Hollandse dichter blijft

understating, pezig, een licht Amsterdams
accent zelfs kan men hem niet ontzeggen

herkenbaar als zijn taal van scheermesjes.

(1-2-’66)

Jaap Harten (1930-2017)

uit: Wat kan een manser betalen? (Querido, 1977)


Galilei

De negen sferen waar mijn wereld uit bestaat
de zingende gewelven en de ether,
er is iets gaande in dit heelal, men wil
de aarde uit het centrum rukken.

Het jaar zal dan geen jaar meer zijn, het licht
zal niet meer met zijn schaduw stroken,
ja zelfs mijn hart wordt uit zijn koers gelicht
en ligt versplinterd en zijn as gebroken.

En jij om mij mijn lief als dingen van een ander,
je rug lag als een bergrug mij ten onder,
wordt dit nu dal en bedding en verval?

Ik wil dat dwaas geluk van mij beveiligen
met hulp desnoods van paus en heiligen:
de galg staat klaar, de vuren branden al.

Fernand Handtpoorter (1933-2007)

uit: Te sterven zonder dees (1970)


Beroemde laatste woorden
 
En had ik nog één woord over,
het was een meeuw te zijn,
in het kielzog van zwetende matrozen
gevaarlijk dicht over de schroef te zweven
en krijsend te klapwieken
over een zee die ik de mijne noemen zou.

Of de zoomlens
in het fototoestel van de pornofotograaf.
Of jou te zijn,
in jou de dag door te komen
en door jouw ogen te zien
wat ik niet zien kan.

Daniël Franck


Soms moet je de kussens in je hoofd een stomp geven

Als het veren sneeuwt heb je eindelijk zicht
Op wat er naar beneden komt

In de kom van je mond
Wassen gedachten hun handen

spoelwater voert een rouwrand mee
trekt door je slokpijp

zuiver wit als botervis
glippen geboende woorden

over de bekende weg van je stem

bedelend en spartelend
stoten ze hun vinnen

vragen een aalmoes

was ik maar een zwaard of een hamer
sloeg ik niet gade

was mijn heiligbeen van heilbot
sneed ik hout

Vicky Francken


Ik antwoord de conducteur goedenavond
zoals ik amen antwoord op de hostie
ik volg de structuren van de samenleving
ik houd me aan de regels. Ik houd
heel patriarchaal de schijn op dat ik niet
bij het patriarchaat wil horen. Kennelijk vat ik mijn bestaan op
als een stelsel van verplichtingen (leef ik dus, maar niet
uit vrije wil, voor anderen) (leef ik
feitelijk dus tussen de op harmonie gerichte
verplichtingen door), besta ik hooguit samenvallend met
(de fictie van) de mening van een ander

Edwin Fagel (1973)


Wie de wacht hield,
dronken van complotten,
ontwaarde aan de bosrand
aangeschoten hazen, wapenfabrieken
en flarden van onwaarschijnlijkheid.

Het vermoeden was nergens opgenomen in boeken
maar er was een snuif van zekerheid
en een visioen,
aangeblazen door aannames,
afkortingen, achterklap.

    Genadeloos zou hij zijn,
    en geven zou hij enkel
    om de roes van risico.

Feiten waren nergens te vinden — of misschien toch
ergens onder in de plooien van een sofa.

Alle soorten van vertrouwen zouden eeuwen duren.

Het was de koorts die alles had opgehitst.
Die smeulde in trappenhuizen en appgroepen.

Politieagenten werden vogelvrij verklaard,
beleggers moesten zich verschansen,
de president werd bespuugd
en een dronkenlap zong van la-die da-die da-die da.

Annemarie Estor


Puškin, Mandel’štam, Achmatova – das Heim

Das Zimmer ist verschlossen.
Das Zimmer hat vier Ecken.

Sie reimen sich auf Schrecken.

Die Hölle nicht verdecken
wird der, den sie erschossen.

Elke Erb, 20.8.10


Iemand schreef het woord ‘oorlog’ neer
en velen, zelfs de verstoktste gamers, veerden op.

En er bleken vele variaties te bestaan van redenen.

Men had gehoopt op het donkerste,
Om te troosten was het niet bedoeld geweest.

Wie de wacht hield, kon het weten.

Annemarie Estor (1973)

uit: Het overschot (Wereldbibliotheek, 2025)


Geleerde collage

Veel staat vast, twijfel er niet aan,
de wetenschap dat de wetenschap
vaststelt wat zo al niet wetenswaardig,
dan toch in elk geval vaststelbaar is,
het stelt mij gerust soms, wanneer ik behoefte
voel aan wat vaststaat.

The rest is silence, silence
of censuur: de meisjes
die men ‘s nachts aantreft, overrompelt,
open- en dichtvouwt, steekt en teistert,
op haar ga ik vandaag niet dieper in.

Silence, wenn Sie das besser verstehen,
schreeuwde de bek van het kamp, toen wij rustig
voortconverseerden, een bek met een lefpet,
zijn macht zat in de navel zijns buiks,
hij vrat hooi, gelijk een rund.

De rest is (Vögelein) schweigen im Walde,
de natte bomen, somber in de herfst,
de beuken die geen omgeving verdragen,
een man leeft zijn onvrede uit in zijn tuin,
begraaft zijn illusies.

De rest is moord, verkrachting, vliegtuigrampen,
een schijnheilig bericht in de krant en het ronken
van de godvergeten grootspraak van dichters.
De rest is: wovon man nicht reden kann.

Und wovon man nicht reden kann, darüber
muß man schweigen. Vandaar mijn probleem,
ik zou er zo graag toch iets over zeggen.
Se taire quand on a envie de parler,
c’est une contrainte.

J.A. Emmens (1924-1971)

uit: Een hond van Pavlov (Van Oorschot, 1969)


Pollen

Vanaf vandaag bestaan de dagen uit agenda
tussen de gevonden voorwerpen, horloge,
nooit meer tikkertje nu ik een kluisje ben,

trein A vertrekt om 08:00, B om 09:00,
bonsaiopvattingen, de lerares praat Frans
en dit lichaam valt zo ruim, later thuis

voor de X-Men. Morph leent gezichten
en stemmen, maar houdt zichzelf uit de knoop
De kamer wordt zacht, bomen

knippen hun vorm uit het donker
Ik knikkebol boven mijn sommen
en zak door het schrift

Maarten Buser (1991)


LAS UVAS DEL TIEMPO

Madre: esta noche se nos muere un año.
En esta ciudad grande, todos están de fiesta;
zambombas, serenatas, gritos, ¡ah, cómo gritan!;
claro, como todos tienen su madre cerca…
¡Yo estoy tan solo, madre,
tan solo!; pero miento, que ojalá lo estuviera;
estoy con tu recuerdo, y el recuerdo es un año
pasado que se queda.

Si vieras, si escucharas esta alboroto: hay hombres
vestidos de locura, con cacerolas viejas,
tambores de sartenes,
cencerros y cornetas;
el hálito canalla
de las mujeres ebrias;
el diablo, con diez latas prendidas en el rabo,
anda por esas calles inventando piruetas,
y por esta balumba en que da brincos
la gran ciudad histérica,
mi soledad y tu recuerdo, madre,
marchan como dos penas.

Esta es la noche en que todos se pone
en los ojos la venda,
para olvidar que hay alguien cerrando un libro,
para no ver la periódica liquidación de cuentas,
donde van las partidas al Haber de la Muerte,
por lo que viene y por lo que se queda,
porque no lo sufrimos se ha perdido
y lo gozado ayer es una perdida.

Aquí es de la tradición que en esta noche,
cuando el reloj anuncia que el Año Nuevo llega,
todos los hombres coman, al compas de las horas,
las doce uvas de la Noche Vieja.
Pero aquí no se abrazan ni gritan: «¡Feliz año!»,
como en los pueblos de mi tierra;
en este gozo hay menos caridad; la alegría
de cada cual va sola, y la tristeza
del que está al margen del tumulto acusa
lo inevitable de la casa ajena.

¡Oh nuestras plazas, donde van las gentes,
sin conocerse, con la buena nueva!
Las manos que se buscan con la efusión unánime
de ser hormigas de la misma cueva;
y al hombre que está solo, bajo un árbol,
le dicen cosas de honda fortaleza:
«¡Venid compadre, que las horas pasan;
pero aprendamos a pasar con ellas!»
Y el cañonazo en la Planicie,
y el himno nacional desde la iglesia,
y el amigo que viene a saludarnos:
«feliz año, señores», y los criados que llegan
a recibir en nuestros brazos
el amor de la casa buena.

Y el beso familiar a medianoche:
«La bendición, mi madre»
«Que el Señor la proteja…»
Y después, en el claro comedor, la familia
congregada para la cena,
con dos amigos íntimos, y tú, madre, a mi lado,
y mi padre, algo triste, presidiendo la mesa.
¡Madre, cómo son ácidas
las uvas de la ausencia!

¡Mi casona oriental! Aquella casa
con claustros coloniales, portón y enredaderas,
el molino de viento y los granados,
los grandes libros de la biblioteca
—mis libros preferidos: tres tomos con imágenes
que hablaban de los reinos de la Naturaleza—.
Al lado, el gran corral, donde parece
que hay dinero enterrado desde la Independencia;
el corral con guayabos y almendros,
el corral con peonías y cerezas
y el gran parral que daba todo el año
uvas más dulces que la miel de las abejas.

Bajo el parral hay un estanque;
un baño en ese estanque sabe a Grecia;
del verde artesonado, las uvas en racimos,
tan bajas, que del agua se podría cogerlas,
y mientras en los labios se desangra la uva,
los pies hacen saltar el agua fresca.

Cuando llegaba la sazón tenía
cada racimo un capuchón de tela,
para salvarlo de la gula
de las avispas negras,
y tenían entonces
una gracia invernal las uvas nuestras,
arrebujadas en sus talas blancas,
sordas a la canción de las abejas…

Y ahora, madre, que tan sólo tengo
las doce uvas de la Noche Vieja,
hoy que exprimo las uvas de los meses
sobre el recuerdo de la viña seca,
siento que toda la acidez del mundo
se está metiendo en ella,
porque tienen el ácido de lo que fue dulzura
las uvas de la ausencia.

Y ahora me pregunto:
¿Por qué razón estoy yo aquí? ¿Qué fuerza pudo
más que tu amor, que me llevaba
a la dulce aninomia de tu puerta?
¡Oh miserable vara que nos mides!
¡El Renombre, la Gloria…, pobre cosa pequeña!
¡Cuando dejé mi casa para buscar la Gloria,
cómo olvidé la Gloria que me dejaba en ella!

Y esta es la lucha ante los hombres malos
y ante las almas buenas;
yo soy un hombre a solas en busca de un camino.
¿Dónde hallaré camino mejor que la vereda
que a ti me lleva, madre; la verdad que corta
por los campos frutales, pintada de hojas secas,
siempre recién llovida,
con pájaros del trópico, con muchachas de la aldea,
hombres que dicen: «Buenos días, niño»,
y el queso que me guardas siempre para merienda?
Esa es la Gloria, madre, para un hombre
que se llamó fray Luis y era poeta.

¡Oh mi casa sin cítricos, mi casa donde puede
mi poesía andar como una reina!
¿Qué sabes tú de formas y doctrinas,
de metros y de escuela?
Tú eres mi madre, que me dices siempre
que son hermosos todos mis poemas;
para ti, soy grande; cuando dices mis versos,
yo no sé si los dices o los rezas…
¡Y mientras exprimimos en las uvas del Tiempo
toda una vida absurda, la promesa
de vernos otra vez se va alargando,
y el momento de irnos está cerca,
y no pensamos que se pierde todo!
¡Por eso en esta noche, mientras pasa la fiesta
y en la última uva libo la última gota
del año que se aleja,
pienso en que tienes todavía, madre,
retazos de carbón en la cabeza,
y ojos tan bellos que por mí regaron
su clara pleamar en tus ojeras,
y manos pulcras, y esbeltez de talle,
donde hay la gracia de la espiga nueva;
que eres hermosa, madre, todavía,
y yo estoy loco por estar de vuelta,
porque tú eres la Gloria de mis años
y no quiero volver cuando estés vieja!…

Uvas del Tiempo que mi ser escancia
en el recuerdo de la viña seca,
¡cómo me pierdo, madre, en los caminos
hacia la devoción de tu vereda!
Y en esta algarabía de la ciudad borracha,
donde va mi emoción sin compañera,
mientras los hombres comen las uvas de los meses,
yo me acojo al recuerdo como un niño a una puerta.
Mi labio está bebiendo de tu seno,
que es el racimo de la parra buena,
el buen racimo que exprimí en el día
sin hora y sin reloj de mi inconsciencia.

Madre, esta noche se nos muere un año;
todos estos señores tienen su madre cerca,
y al lado mío mi tristeza muda
tiene el dolor de una muchacha muerta…
Y vino toda la acidez del mundo
a destilar sus doce gotas trémulas,
cuando cayeron sobre mi silencio
las doce uvas de la Noche Vieja.

Madrid, medianoche del 31 de diciembre de 1923.

Andrés Eloy Blanco


DE DRUIVEN VAN DE TIJD

Moeder: Vanavond sterft er een jaar.
In deze grote stad viert iedereen feest;
tamboerijnen, serenades, geschreeuw, oh, wat schreeuwen ze!;
natuurlijk, want iedereen heeft zijn moeder in de buurt…
Ik ben zo alleen, Moeder,
zo alleen!; maar ik lieg, ik wou dat ik dat was;
Ik ben bij jouw herinnering, en de herinnering is een jaar
dat voorbij is en blijft.

Als je kon zien, als je deze commotie kon horen: er zijn mannen
gekleed in waanzin, met oude potten,
trommels gemaakt van pannen,
koebellen en bugels;
de verdorven adem
van dronken vrouwen;
de duivel, met tien brandende blikken aan zijn staart,
loopt door deze straten en verzint pirouettes,
en door dit tumult waarin de grote hysterische stad springt,
marcheren mijn eenzaamheid en jouw herinnering, Moeder,
als twee smarten.

Dit is de nacht waarop iedereen een blinddoek omdoet,
om te vergeten dat iemand een boek sluit,
om de periodieke afrekening te vermijden,
waar de boekingen naar de Doodskrediet gaan,
voor wat komen gaat en voor wat overblijft,
want wat we niet lijden is verloren,
en wat we gisteren genoten hebben is een verlies.

Hier is het traditie dat op deze nacht,
wanneer de klok de komst van het nieuwe jaar aankondigt,
alle mannen, op het ritme van de uren,
de twaalf druiven van oudejaarsavond eten.
Maar hier omhelzen ze elkaar niet en
roepen ze niet “Gelukkig Nieuwjaar!”,
zoals in de dorpen van mijn geboorteland;
in deze vreugde is minder naastenliefde;
ieders geluk is eenzaam, en de droefheid
van hen die aan de zijlijn van de drukte staan, onthult
de onvermijdelijkheid van het huis van de ander.

O, onze dorpspleinen, waar mensen heengaan,
zonder elkaar te kennen, met het goede nieuws!
De handen die zich uitstrekken met de eensgezinde uitstorting
van mieren uit dezelfde grot;
en tegen de man die alleen onder een boom staat,
zeggen ze dingen van diepe kracht:
“Kom, vriend, want de uren gaan voorbij;
maar laten we leren ermee mee te gaan!”
En het kanonschot op de vlakte,
en het volkslied uit de kerk,
en de vriend die ons komt begroeten:
“Gelukkig Nieuwjaar, heren,” en de bedienden die komen
om in onze armen te ontvangen
de liefde van een goed thuis.

En de familiekus om middernacht:
“Zegen, Moeder”
“Moge de Heer u beschermen…”
En dan, in de lichte eetkamer, het gezin
verzameld voor het avondeten,
met twee goede vrienden, en jij, Moeder, aan mijn zijde,
en mijn vader, enigszins bedroefd, aan tafel.
Moeder, wat zijn de druiven van afwezigheid toch zuur!

Mijn oosterse landhuis! Dat huis
met zijn koloniale kloostergangen, poort en wijnranken,
de windmolen en de granaatappelbomen,
de grote boeken in de bibliotheek –
mijn favoriete boeken: drie delen met illustraties
die spraken over de rijken der natuur.
Ernaast de grote omheining, waar het lijkt alsof
er sinds de onafhankelijkheid geld begraven ligt;
de omheining met guave- en amandelbomen,
de omheining met pioenrozen en kersen,
en de grote wijnrank die het hele jaar door druiven droeg,
zoeter dan honing.

Onder de wijnranken ligt een vijver;
een duik in die vijver smaakt naar Griekenland;
van het groene cassetteplafond hangen de druiventrossen,
zo laag dat je ze zo uit het water kunt plukken,
en terwijl de druif op je lippen bloedt,
spatten de koele druppels water op je voeten.

Toen het seizoen aanbrak,
had elke tros een stoffen kapje,
om hem te beschermen tegen de vraatzucht
van de zwarte wespen,
en toen hadden onze druiven
een winterse gratie,
gehuld in hun witte schillen,
doof voor het gezang van de bijen…

En nu, Moeder, nu ik alleen nog maar
de twaalf druiven van oudejaarsavond heb,
terwijl ik vandaag de druiven van de maanden uitknijp
op de herinnering aan de droge wijngaard,
voel ik alle zuurheid van de wereld
erin sijpelen,
want de druiven van afwezigheid dragen
de zuurheid in zich van wat ooit zoet was.
En nu vraag ik me af:

Waarom ben ik hier? Welke kracht zou kunnen zegevieren
over jouw liefde, die mij
naar de zoete anonimiteit van jouw deur trok?
O ellendige roede die ons meet!
Roem, glorie… wat een armzalig klein ding!
Toen ik mijn huis verliet om glorie te zoeken,
hoe vergat ik de glorie die ik achterliet!

En dit is de strijd tegen slechte mensen
en tegen goede zielen;
Ik ben een man alleen, zoekend naar een pad.
Waar vind ik een beter pad dan het pad
dat me naar jou leidt, Moeder; de waarheid die dwars door
de boomgaarden snijdt, geschilderd met droge bladeren,
altijd vers beregend,met tropische vogels, met dorpsmeisjes,
mannen die zeggen: “Goedemorgen, kind,”
en de kaas die je altijd voor me bewaart als tussendoortje?
Dat is glorie, Moeder, voor een man
die Fray Luis heette en een dichter was.

O, mijn huis zonder citrusbomen, mijn huis waar
mijn poëzie als een koningin kan ronddwalen!
Wat weet jij van vormen en doctrines,
van metrische vormen en scholen?
Jij bent mijn moeder, die me altijd vertelt
dat al mijn gedichten mooi zijn;
voor jou ben ik groot; Als je mijn verzen reciteert,
weet ik niet of je ze reciteert of bidt…
En terwijl we een absurd leven uit de druiven van de Tijd persen,
wordt de belofte
elkaar weer te zien steeds langer,
en nadert het moment van ons vertrek,
en denken we niet dat alles verloren is!
Daarom denk ik vanavond, terwijl het feest voorbijgaat
en ik de laatste druppel
van het voorbijgaande jaar uit de laatste druif drink,
dat je nog steeds, Moeder,
stukjes kool in je haar hebt,
en ogen zo mooi dat ze voor mij
hun heldere, hoge vloed in je donkere kringen stortten,
en nette handen, en een slanke taille,
waar de gratie van de nieuwe korenaar te zien is;
Je bent nog steeds prachtig, Moeder,
en ik verlang ernaar terug te keren,
want jij bent de glorie van mijn jaren
en ik wil niet terugkeren als je oud bent!…

Druiven van de tijd die mijn wezen uitstort
in de herinnering aan de dorre wijngaard,
hoe verlies ik mezelf, Moeder, op de paden
naar de toewijding van jouw weg!
En in dit rumoer van de dronken stad,
waar mijn emotie zonder gezelschap ronddwaalt,
terwijl de mensen de druiven van de maanden eten,
klamp ik me vast aan de herinnering als een kind aan een deur.
Mijn lippen drinken uit jouw borst, die de tros is van de goede wijnstok,
de goede tros die ik perste op de dag
zonder uur en zonder klok van mijn onderbewustzijn.

Moeder, vanavond sterft er een jaar voor ons;
Al deze heren hebben hun moeders in de buurt,
en naast me draagt ​​mijn stille verdriet
de pijn van een dood meisje…
En alle bitterheid van de wereld kwam
om zijn twaalf trillende druppels te distilleren,
toen de twaalf druiven van oudejaarsavond op mijn stilte vielen.

Madrid, middernacht, 31 december 1923.

Andrés Eloy Blanco

Gedichten 1921/1928″ (1934)


We liepen achter de waarheid aan en bleven lopen.
We draaiden cirkels met onze fietsen
en kwamen er niet uit. We keken hem aan,

vragend.

Nog doet de idioot niet mee. Hij volgt
de aannames niet die wij accepteren.
Het gezag doet de stemmen verstommen.

De idioot blijft vragen: wat als het waar is?
Wat als zij het toch waren? Men blijft bezig.

We blijven om elkaar heen bewegen.
De idioot klopt op onze rug. Niet stikken.
die je tekent, maar er zal altijd ruimte overblijven.

Paul Demets (1966)

uit: De lotdagen (Vleugels, 2025)


Niets is voorstelbaar

Het eiland in de verte is bewoond, zegt men
bij zonsondergang zitten er mensen te wachten,
neem je de boot, nadert de kade vol stoeltjes.
Aan het eind van het pad is een dorp, zegt men
het ligt wit tegen een heuvel, heeft een plein
loop je drie uur hoor je geluiden van stemmen.
Een vrouw roept haar man, iemand zingt, onderweg
zagen cicades, brullen kikkers in een bron.
Een man zweet onder zijn hoed, hij hijgt
als hij klimt, snakt naar zee voor een duik
in het peilloze blauw. Dat alles is nu, zegt men.

Woorden, waar is die wereld, hier is het nu.
Adem ruist door de kamer, zoekt leven en
hangt aan de lakens, een hand tast naar warmte.
Misschien droomt iemand een stenig pad, ezels
beladen met hooi, schitterend zonlicht
op diepblauw water, misschien bestaat dat,
een man zwemt, een golf spoelt naar zee terug.

Niets is voorstelbaar, het daar niet, het straks
niet en zeker het nu niet omdat het voorbij is.
Een leeg huis in de zomer. Je moet het geloven
het staat op die schim daar, dat is het eiland.
Geef al je woorden, je kunt er niet heen.

Marjoleine de Vos


Avond, zo moet het zijn

Dat er een hond blaft in de verte, op
een verre boerderij

De grond is rul, de zon
gezakt achter de heuvels
en in de stilte die nu valt
het zachte antwoordgrommen van
jouw hond

Dof wordt het licht, maar steeds
intenser in zijn krimpen
een laatste glimp blijft hangen
in de nabije, leeggeschudde halmen
zo sierlijk gepunt

En alle adem van de wind
wordt ingehouden om de blauwe
verten aan te blazen, glazen
heuvels in een steeds ander
doorschijnend, donkerder wordend
melk van blauw

Elly de Waard


Anders

Het was anders. De wind
was anders van toon.
Ik vroeg de weg: het kind
aarzelde ongewoon.

Een straat was nieuwgelegd,
een boom omgehakt,
het oud plantsoen geslecht,
het dorpsplein vervlakt.

Buiten het kind dat mij
net geantwoord had,
werd ik ver noch nabij
van een blik geschat.

Het kind liep plots vandaan
als van een zinloos ding
en gaf de status aan
van mij: een vreemdeling.

De knotwilg knikte wijs
—of was ik ziende blind?

—Eén met zichzelf op reis …
want ik, ik was dat kind.

Frans Buyle (1913-1977)

uit: Denkbeeldig vertoon


Omtrek

Ik lette even niet op
en was iemand geworden die forenst
Ze zeggen dat ik berekend kan worden,

een brievenbus voor folders
Een lichaam vouwt zich op
voor de reiskoffer

Ik zou niets vrezen als er iemand was
die mijn opgeslagen locaties verbindt,
me geruststelt met wie ik ben

Maarten Buser (1991)

uit: Opgeslagen locaties (Vleugels, 2025)


Rote Kräne auf grauem Grund

in den jangtse kriechend
                                     herbstliche gedanken
lastkahn an lastkahn, ineinander verhakt
                   beschleunigung eines lastkahns
unser hohler weißer herbst
der trübe entrissen
         tritt hervor eine kante ein hochhaus
         tritt hervor eine steinkugel
         tritt hervor eine glaskugel
         tritt hervor reife wäsche
         kräne in geordnetem auftritt

wir die kühnen die schlammwässerigen
die schnellströmenden

schlendern zwischen den kähnen
kähne beladen mit zwei lichtern
von ihnen her schallen wahrsagerische inschriften
steck‘ meine warnleuchte an
meine brücke
scheinwerfer schnellen durch harfen
huschen
schnüre und seile von unten nach oben nach unten
lange raschelt plätschert die lasierung
  alles gegenwärtige auf scharnieren
     an den rändern   unendlichkeit
       leicht unscharf

halbnomadische gedanken
ihre namen
       die aufrechtgehenden
                 halber sonnenuntergang
                 halber westen
                 windstille absolut

     jeder abgrund ist grundlos
     tag-nacht flottiert mittel-reich

werke mono chrom in der sonne
werke über  werke
werke an stillen wassern

   oh urahn von jalta!
   deine urbaren ursachen
   die mitte ganz aus prallen körnern
   weg vom tod stromaufwärts
              die reise

morgens schwach konturiert
         unzähliger umriss der hochhäuser
tag um tag mit den strömen der strömung
mit gestickter geschwindigkeit zögere ich zögere
der drache großgefüttert durch den regen
unter den wolken netze gebreitet
              dieses friedliche flimmern
jede dschunke ist doppelt
herauf schwimmt ein blaues rostiges ding
              numerologie
die fleißige ziffer fünf auf dem wasser
              schreibt sich als mengen
auf der suche nach reicher beute ist der vogel jangtse
       der fluss leicht geöffnet
       ein wenig begründet

im zweifel des regens
            stütze ich mich auf die roten kräne

eine handvoll frauen
schaut immer
hinter dem nordhang hervor
         –––
die wäsche wird an den ufern
bloßgewaschen
         –––
nacht am fluss wie’s sich gehört
hörige sterne
der fluss ausgestreckt
         –––
oh je!
schwalben am jangtse nichts als literatur
was für schwalben denn
auf dem großen wasser

der bug die spur entlang
und ich nachts hineingeschoben in den mond
       mein schlafloser nebel im mondschaum
       mein schiff verschwindet in den weiten
       wo auch immer ich fahre nur die arzneien sind gleich
                             eckige holzstangen
                     werfte des feuerwerks
                     tannenbaumpagoden
entlang postierte menschenmengen
der fluss bedeckt von roten flecken

fischer mit roten fahnen
für weitere hundert jahre netze aufgestellt
unterbrechung des wachstums

die letzten drei zeilen des verses
heilen die autoimmunkrankheiten

des flusses große mitte
                 wir fahren einen halben schilftag
die sandbänke sind nur verkrustungen
                 und durch die kähne dschunken
ein wald von schilfbüscheln ein schlag von hügeln
                 kommst nicht durch der hals ist verstopft
mal askese mal kommunikation
                 instabile rhythmische opposition
der herbst bedeckt mit lotusfetzen
                 in der komplexität der formeln
auf biegungen lauernd
                 das große quadrat ohne ecken
aus dem einsamen alter
                 bildet sich irgendwann eine insel
                 eine fußgängerbrücke wird errichtet

die erdrisse sorgfältig zu analysieren
                         falten wellige kräusel
                 besonders an den flussbiegungen
weissagend
         sich nicht nach vorgefertigten formeln zu richten
         nicht wissen worüber man weissagt
         den lokalen gewohnheiten folgend
                       bereitschaft für den winter zeigen
         die eigenen triebe nicht hochzüchten
die morgendliche bergöffnung
    eine chinesische inspektion
    auf den herbst schauen
            auf die hänge
    sich in die enge passage zwischen dem kahn und dem dampfer
                                           hineinpressen
    sich in die mittlere reihe stellen
          fahren leicht überholend
                allmählichkeit
    niemand greift ein in die geburt
    die nebelschleier setzen sich in bewegung
    endlich kommen zum Vorschein
         richtige formen
         schräge saiten
         rote rettungsschwimmer

gekreisches strömt ins wasser
              geschütztes heulen der affen
ein gewitter am jangtse
              ein obdachloser damm
stimmen sind hörbar
              die aufgabe zu verstehen: wessen woher
von den ufern der roten wäschereien
              oder von den benachbarten kähnen
                     weglassen
ein kahn mit einem grauem tau
          weiße blitze des herbstes
          phoenix nistet in fässern
          rettungswäsche trocknet
                     weglassen
ein kahn mit grünen häuschen
      der tod ist nicht allzu abhängig von den toten
               eine verknüpfung hörbar
                     weglassen
                     amazing
ein kahn mit blühenden stöcken
       der buchstäbliche bambus globaler sonnenuntergang
                     weglassen
       dorthin hebt uns der kran
       mit dieser hälfte
       sind wir jetzt freunde
fremder am jangtse
             krieche ich raus aus der schleuse

Natalia Azarova

Aus dem Russischen übersetzt von  Alexander Filyuta


MUTABOR

Der Storch fliegt dem Storch
Der Storch schreit dem Storch
Des nicht der starb nein des der lebt!
Los, lass uns das Wort aufwecken!
Man würde meinen, was haben sie nicht
Für Wörter geschmeckt, ihren Klang versuchsweise benutzt
Ihre Festigkeit
Lebende Wörter tote Wörter
Wörter ihrer Eltern widerwärtige Wörter ihrer älteren Schwestern
Sie haben sich befüllt mit Wörterbüchern Synonyme Reime
Technische und medizinische Begriffe
Obszönitäten und Namen
Die Wörter hasteten mit unausstehlichem Klang mit Pfeifen vorbei
Ließen uns leer aber unterbefriedigt zurück
Wir gingen nachts
Mein Herz zitterte wie ein neugeborenes Rattenbaby
Ersehnte traurige Winterbrut
Auf straffe Preiselbeerblätter geplumpst
Knirscht wie eine Alraunenwurzel
Wir warten auf Veränderungen sagtest du
Mit dem eisigen Lächeln eines Pierot-oder-Harlekins
Der tote Dichter M. Semenko am Rande der Welt
Schreibt Myriaden schreiender Verse
Der lebende Dichter Alexander S. wandert durch Amherst
Flattert mit den langen Armen: Kalif Storch, schätzt ein, lacht.
Nein: Wir warten auf Wiedergeburt
Sie haben alle Wörter ausprobiert
Die ihnen nur eingefallen sind:
Ob Murtabor, ob Murbutur, ob Murburbur, ob Murtubur.
Aber nichts half,
Das ersehnte Wort für immer aus der Erinnerung verschwunden,
Und wie sie Störche waren,
So sind sie auch für immer welche geblieben.

Polina Barskova

Aus dem Russischen von  Daniel Jurjew


[Das Gesicht dahinschmelzend wie ein Bonbon, verloren…]

Das Gesicht dahinschmelzend wie ein Bonbon, verloren
wirst du dir die zergehenden Lippen lecken, Tee trinken,
O, ist noch lange nicht Winter – verkünden die Kinder im Bus,
ihre Augen verzaubert von schwarzen
und weissen Katzen, die Ariel herbeiflötet, so durchsichtig
im Profil, einen halben Eismond im Mund und silberne
Sternchen auf den Jochbeinen, während du
dich an nichts erinnern wirst, weder den Schmerz noch irgendwas,
ein ganzes Jahr lang einschlossen mit einem Räucherstäbchen,
dem Diamentenschauder auf der Haut und einem Zauberspiegel
im Fichtennadel-, im Mentholduft des Todes, der sich in die Nasenlöcher
setzt, blau strahlendes Gehirn wie ein Geigerzähler am Kopfende
und schwarze Sternbilder in aller Wirklichkeit.

Elena Fanajlova

Aus dem Russischen übertragen von  Brigitte Oleschinski


EPILOOG

Blijf bij jezelf; dan ben je in de dingen,
en in de dingen laat jezelf daar vrij,
zij lossen op in jouw herinneringen,
in hun geweest zijn weet je: jij.

Herfstblad op paden, dauw op spinnenwebben:
melancholie die zich tot niets verplicht.
Maar ook dat nimmer tussen zijn en hebben
duurzaam gevonden evenwicht.

De vogelvluchten naar een warmer zuiden,
je kijkt ze na, je denkt je met hen mee,
maar ook die aandrang weet je zelf te duiden
als eigen, onbestemd heimwee.

Je bent alleen, verdiept je in geschriften
over de ziel die loslaat en ontstijgt
aan bindingen, verblinding, levensdriften,
aan alles waar jij zelf toe neigt:

niets kon je deren als je zou geloven
dat wie je was in het Ene bleef bewaard
dat van de zijnden hier, maar hun te boven,
het wezen in Zijn grond vergaart.

Blijf bij jezelf, dan heb je niets verloren,
geen winst geboekt, dan kom je niets te kort
aan dingen die, je heugend jou behoren:
de dauw, het herfstblad dat verdort.

Toch, als op voorjaar na een winter, hopen
op een ontwaken in het ware licht? –
begoocheling die je niet kunt ontlopen,
je vangt haar op in het gedicht,

want uit ideeën en gevoelswanorde,
herinnerd jij waar je je blind op staart,
sticht dat het blijvende steeds in een worden
en vormt de zin die niets verklaart.

C.O. Jellema

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.