Hooglied – Teresia van Avila

Teresia von Avila, Mystieke Werken 3 Bd. Gent 1980 (uitg. Carmelitana) Bd 1, Hooglied, pag. 263-328

PROLOOG

  1. Ik heb gezien hoe barmhartig de Heer omgaat met hen, die Hij binnenbracht in deze kloosters waarvan Zijne Majesteit de stichting volgens de oorspronkelijke Regel van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel toestond. Vooral sommigen ontvangen van Hem zoveel gunsten, dat alleen zij die inzien hoe nodig het is dat iemand uitleg geeft over bepaalde zaken die zich afspelen tussen de ziel en de Heer, zullen weten wat een beproeving gebrek aan licht betekent. Sedert enkele jaren ken ik, dank aan God, een zeer groot genoegen telkens ik woorden uit het Hooglied van Salomo hoor of lees. Zodanig dat zonder de zin van het Latijn duidelijk in het Castiliaans te kennen, mijn ziel meer ingetogen en dieper bewogen raakt dan door godvruchtige boeken die ik versta. Dit komt herhaaldelijk voor. En zo men ze mij in het Castiliaans verklaarde, ik zou ze niet beter begrijpen… en zonder het te verstaan…
  2. Het is ongeveer twee jaar, min of meer, dat de Heer me de zin van sommige van deze woorden laat vatten. Ik ben van plan ze te verklaren. Mij dunkt dat het een steun zal zijn voor de zusters die de Heer langs deze weg leidt en ook voor mij. Want de Heer laat me soms tal van zaken begrijpen die ik niet graag zou vergeten, maar die ik in elk geval ook niet durfde opschrijven.
  3. Nu, op aanraden van mensen aan wie ik moet gehoorzamen, ga ik enkele van de dingen, die de Heer me te verstaan geeft, neerschrijven. De inhoud van deze woorden is aangenaam aan mijn ziel op deze weg van het gebed waarlangs de Heer, zoals ik zei, de zusters leidt. De zusters van deze kloosters die ook mijn zusters zijn.
    Zo ze je aandacht waard zijn, krijg je deze arme kleine gave van haar, die aan jou als aan zichzelf, de gaven van de heilige Geest toewenst. In zijn Naam begin ik er aan. Slaag ik, dan zal het niet door mij zijn. De Goddelijke Majesteit geve dat het goed wordt……

HOOFDSTUK 1
Over de eerbied waarmee de heilige Schrift moet gelezen worden.
Hoe moeilijk de Schrift is voor vrouwen, vooral dan het HOOGLIED.

„Dat de Heer mij kusse met de kus van zijn mond want uw borsten zijn beter dan wijn, enz.” (Hoogl. 1,1)

  1. Vaak bemerkte ik dat het lijkt alsof de ziel, naar wat ze hier laat horen, zich tot iemand richt, maar de vrede aan een ander vraagt, want zij zegt: „Dat
    Hij mij kusse met de kus van zijn mond”. En zij schijnt aanstonds daarop te zeggen aan degene die bij haar is: „Uw borsten zijn beter”. Ik versta niet hoe dat gebeurt en het is een groot genoegen voor mij het niet te begrijpen, want echt, mijn dochters, de ziel hoeft niet zozeer te kijken naar de dingen van hierbeneden waar ons klein verstand schijnt bij te kunnen. Deze trekken minder haar aandacht. Verwekken niet zoveel eerbied voor hun God dan de dingen die onmogelijk te begrijpen zijn. Wanneer je dus een boek leest, een preek beluistert, of wanneer je de mysteries van ons heilig geloof overweegt, beveel ik je dus vurig aan je niet te vermoeien, je verstand niet te verslijten door te gaan uitpluizen. Dat is niet voor vrouwen en veel van deze dingen zijn zelfs niet voor mannen.
  2. Wanneer de Heer ze ons wil laten begrijpen doet Zijne Majesteit het zonder inspanning van onze kant. Ik zeg het aan de vrouwen en aan de mannen, die de waarheid niet met hun geleerdheid te voeden hebben.
    Degenen die de Heer koos om ze ons te verklaren moeten eraan werken, dat is duidelijk, zoals duidelijk is wat ze erbij winnen.
    Wat ons betreft: we nemen eenvoudig aan wat de Heer geeft, we ontmoedigen ons niet om wat Hij ons niet geeft, maar vinden vreugde in de gedachte zo’n grote God en Heer te bezitten, dat één enkel van zijn woorden op zichzelf meer dan duizend mysteries moet omvatten, waarvan we zelfs het begin niet verstaan.
    Was het in het Latijn of in het Hebreeuws of in het Grieks, het zou niet te verwonderen zijn. Maar, hoeveel zaken uit de psalmen van de roemrijke koning David, in eigen taal uitgelegd, in zuiver Castiliaans, blijven voor ons even duister als in het Latijn!
    Hoed je er dus altijd voor je geest te gebruiken en te vermoeien met dergelijke opzoekingen. Vrouwen hebben niets nodig dat hun verstand te boven gaat. Het is een gunst die God ons zal geven wanneer het Zijne Majesteit behaagt. Dan zullen we ontdekken dat we alles leerden zonder zorg, zonder werk. Voor het overige moeten we ons vernederen en zoals ik zei, ons verheugen een Heer te bezitten die zó is, dat sommige van zijn woorden, zelfs in eigen taal uitgesproken, ondoorgrondelijk zijn..
  3. Het kan je voorkomen dat bepaalde zaken uit het Hooglied tot een andere stijl behoren. Dit zou me niet verwonderen, wij zijn zo dwaas. Ik hoorde zekere mensen zeggen dat ze eerder vermeden ernaar te luisteren. O God bereid tot helpen, wat is onze ellende groot! Want zoals vergiftige zaken tot gif maken wat ze in zich opnemen, zo zijn wij in staat vrees te putten uit zo’n grote gunst en er een betekenis aan te geven die overeenstemt met de zwakke betekenis die wij geven aan onze liefde tot God. Dit wanneer de Heer ons hier laat begrijpen wat de ziel die Hem liefheeft bezit. Wanneer Hij haar aanmoedigt tot Zijne Majesteit te spreken en te genieten van Hem.
  4. O mijn Heer, terwijl Uwe Majesteit allerlei bedenkt om de liefde die U ons toedraagt te tonen, ons, zo onbekwaam U te beminnen, trekken wij nauwelijks voordeel uit uw weldaden! Wij waarderen het zo weinig. We zijn er zo slecht in geoefend dat onze gedachten terugkeren naar wat hen altijd bezighoudt. We geven het op, na te denken over de grote geheimen die in deze taal, gesproken door de heilige Geest, besloten liggen. Wat zou er meer nodig zijn om ons in zijn liefde te doen ontvlammen en ons te doen begrijpen dat Hij deze stijl niet heeft aangenomen zonder gewichtige redenen?
  5. Ik herinner me, van een kloosterling een zeer bewonderenswaardige preek gehoord te hebben, ongeveer helemaal gewijd aan de genoegens van de Bruid in haar omgang met God. Er werd zodanig gelachen en wat hij zei werd zo slecht geïnterpreteerd omdat hij over de liefde sprak, dat ik er stom van stond (terwijl een sermoen over „het nieuwe gebod” niets anders kan behandelen). Ik zie duidelijk dat het is zoals ik zei: het lijkt ons onmogelijk dat iemand deze omgang met God waarmaakt, omdat wij ons zo m slecht oefenen in de liefde tot God. In tegenstelling met hen die er niets goeds uit trokken, zeker omdat zij het niet begrepen — ik geloof zelfs dat ze dachten dat hij zo maar uit het hoofd praatte — ken ik wel enkele mensen die er zoveel nut, zoveel genoegen uithaalden, zo gerust gesteld werden in hun vrees dat ze de Heer dikwijls, heel bijzonder, moesten loven. God die een heilzaam middel gaf aan hen die Hem met een brandende liefde beminnen en die begrijpen en inzien hoe diep God zich kan vernederen. Want wanneer de Heer hen grote genoegens schonk was hun ondervinding niet bij machte hun vrees te stillen. In het Hooglied vinden zij hun zekerheid in beeld.
  6. Ik ken iemand die lange jaren in grote onzekerheid leefde, door niets gerust te stellen. Maar, de Heer liet toe dat ze bepaalde dingen uit het Hooglied begreep en inzag op de goede weg te zijn. Zoals ik zei, begreep ze dat de ziel, verliefd op haar Bruidegom, bij Hem al deze genoegens, zinsverrukkingen, veelvuldig sterven, diepe smarten, genietingen en vreugden kan kennen wanneer ze elk werelds genot uit liefde tot Hem verliet en ze zich geheel in zijn handen gegeven en op Hem verlaten heeft. Niet in
    woorden, zoals dit bij sommigen het geval is, maar met een totale eerlijkheid, bevestigd door daden.
    O mijn dochters, God is een zeer goed betaler en je hebt een Bruidegom en Heer aan Wie niets ongezien en onbegrepen voorbijgaat. Dus, verwaarloos niet te doen wat in je vermogen ligt, uit liefde tot Hem, zelfs al gaat het om heel kleine dingen. Zijne Majesteit zal het je vergoeden. Hij zal alleen maar letten op de liefde die je erin legt.
  7. Hier dan mijn besluit: wanneer je iets van de heilige Schrift of van de mysteries van ons geloof niet zult begrijpen, blijf er dan niet langer, dan ik je zei, bij stilstaan. Wees niet verwonderd betreffend de overdreven woorden die je daar te horen krijgt over de omgang van God met de ziel. De liefde die Hij voor ons had en nog heeft verwondert mij en doet mij, wetend wie wij zijn, veel meer nog verlegen staan. Ik begrijp dat er geen overdrijving kan bestaan in de woorden die blijk geven van deze liefde, daar Hij ze ons nog meer door zijn werken openbaarde. Maar wanneer je daar gekomen bent, smeek ik je uit liefde tot mij, er een weinig bij stil te staan, na te denken over wat Hij ons betuigde, over wat Hij voor ons deed. De zo krachtige en sterke liefde die aan de grond van zijn lijden lag zul je duidelijk zien. Kunnen woorden die dit uitdrukken ons verwonderen?
  8. Dus, om terug bij mijn onderwerp te komen, deze woorden moeten een diepe inhoud hebben, mysteries van zo grote waarde bevatten dat geleerden mij zegden, (ik vroeg hun me de ware zin te verklaren van wat de heilige Geest wil beduiden) dat geletterden veel commentaren schreven zonder daarin gelukt te zijn. Het kan dus wel heel hoogmoedig lijken dat ik jullie enige uitleg wil geven. Niettegenstaande mijn tekort aan nederigheid bedoel ik het niet zo, ik denk niet de waarheid te vatten.
    Wat ik betracht, is je zomaar de genoegens mee te delen van wat de Heer me laat verstaan wanneer ik enkele van deze woorden hoor. En bij toeval zullen ze voor jou, zoals voor mij, een vertroosting zijn. Indien het niet precies is wat Hij bedoelt, mij komt het in elk geval van pas ; want zonder mij te verwijderen van wat de Kerk en de heiligen leren (wat dat betreft zullen geleerden, op de hoogte van deze kwesties, dit geschrift flink onderzoeken voor je het te lezen krijgt) staat de Heer ons toe, geloof ik, wanneer we zijn heilig lijden overwegen, te denken, dat Hij veel meer smart en kwelling moet doorstaan hebben dan de evangelisten beschrijven.
    Wanneer we, zoals ik in het begin zei, niet aan nieuwsgierigheid toegeven maar aannemen wat Zijne Majesteit ons te verstaan geeft, houd ik het voor
    zeker dat het Hem niet spijt, als zijn woorden en zijn daden ons vertroosten en vergenoegen. Evenals een koning die van een kleine herder zou houden en zich vrolijk vermaakt om zijn bevalligheid, vreugde kan vinden wanneer hij hem met bewondering ziet kijken naar het brokaat, zich afvragend wat dát kan zijn en hoe dát gemaakt werd. Zo moeten wij, wij vrouwen, ons geenszins het genieten van de rijkdommen van de Heer ontzeggen. Wat betreft erover redetwisten en het onderwijzen, zonder de raad van geleerden, denkend dat men het bij het juiste einde heeft, ja dat is verboden.
    Ik denk dus niet in dit schrijven te slagen — de Heer weet het wel — ik doe alleen maar als het herdertje waarover ik het had. Het is mijn troost, aan jullie als aan mijn dochters, mijn overwegingen mee te delen. Er zal veel dwaasheid in zitten. Met de genade van mijn goddelijke Koning en de toestemming van hem die mijn biecht hoort, begin ik dus.
    Geve God dat ik me juist uitdruk, vermits Hij me toeliet andere dingen te kennen te geven die ik je zei (of die Zijne Majesteit misschien door mijn
    bemiddeling gezegd heeft, daar ze tot jullie gericht waren). Zoniet acht ik de tijd goed gebruikt die ik met dit schrijven doorbreng, de geest vervuld van een onderwerp zo goddelijk dat ik niet verdiende erover te horen spreken.
  9. In de zin, aangehaald bij het begin, komt het me voor dat zij een derde persoon aanspreekt. Zijzelf is het die te verstaan geeft dat er in Christus twee naturen zijn, de ene goddelijk en de andere menselijk. Ik ga daar niet nader op in want mijn bedoeling is te spreken over wat ik denk nuttig te zijn voor ons, wij die aan gebed doen. Maar alles dient om aan te moedigen en een ziel die de Heer met een vurig verlangen liefheeft, tot bewondering te brengen. Ik heb — Zijne Majesteit weet het — nu en dan, maar toch zelden, enkele van deze woorden horen verklaren en ik weet er in het geheel niets meer van want mijn geheugen is zeer slecht. Ik zal dus alleen maar kunnen zeggen wat de Heer me zal leren en wat ter zake zal zijn. Ik herinner me niet ooit de verklaringen van dit begin gehoord te hebben.
  10. „Dat Hij mij kusse met de kus van zijn mond.” O mijn Heer en mijn God, wat is dat voor een woord, gericht door een aardworm tot zijn Schepper! Gezegend zijt U, Heer, die ons op zoveel manieren onderwezen heeft! Maar wie, mijn Koning, zou deze woorden zonder uw toelating durven uitspreken? Het is een wonderlijk iets en het zal verbazing wekken dat ik aan wie dan ook zeg, ze uit te spreken. Men zal zeggen dat ik heel onnozel ben, dat dat er niet de zin van is, dat het veel betekenissen heeft, dat het duidelijk is dat we die woorden niet tot God moeten richten, dat het daarom goed is dat eenvoudige mensen zulke dingen niet lezen.
    Ik beken het, er zijn veel interpretaties. Maar de ziel in vuur en vlam gezet door de liefde die haar
    zinnig maakt neemt er geen enkele van aan. Ja, met het uitspreken van deze woorden stelt zij zich tevreden, vermits de Heer het haar niet verhindert.
    Helpende God! Waarover verbaasd staan? Is de daad zelf niet nog meer verwonderlijk? Naderen wij niet tot het allerheiligste Sacrament? Ik heb zelfs gedacht dat de Bruid misschien deze gunst die Christus ons nadien gaf, gevraagd heeft. Ik dacht eveneens dat zij de zo innige eenwording, die God realiseerde toen Hij mens werd, deze vriendschap die Hij met het menselijk geslacht sloot, mocht vragen. Want het is duidelijk dat de kus teken is van vrede en van grote vriendschap tussen twee mensen. Moge de Heer ons doen begrijpen hoeveel soorten vrede er zijn!
  11. Vooraleer verder te gaan wil ik één ding zeggen. Naar mijn mening is het de aandacht waard.
    Ergens anders zou het beter op zijn plaats staan, maar ik wil het niet graag vergeten. Dus, ik ben zeker dat heel wat mensen in staat van zware doodzonde te communie gaan (geve God dat ik lieg). Zo deze mensen iemand, dood van liefde voor haar God, deze woorden hoorden zeggen, ze zouden het verschrikkelijk en erg stoutmoedig vinden. Ik ben er minstens zeker van dat die bepaalde personen deze woorden niet zouden spreken, daar deze en andere woorden van het Hooglied uit liefde gezegd worden. Omdat zij niet beminnen kunnen ze wel degelijk elke dag het Hooglied lezen zonder het uit te spreken. Ze zouden het zelfs niet op de lippen durven nemen, want waarlijk alleen al bij het horen ervan is men bevreesd, zo vol majesteit is het. Uwe Majesteit, Heer, is groot in het allerheiligste Sacrament. Maar daar het geloof van deze mensen niet levend maar dood is, zijn zij zo vermetel wanneer zij zien dat U in de nederige gedaante van brood, hen niet aanspreekt omdat zij niet verdienen U te horen.
  12. Niets anders dan deze woorden, letterlijk genomen, zouden waarlijk volstaan om vrees in te boezemen, indien zij die ze spreken zichzelf zouden toebehoren. Maar wanneer uw liefde hen buiten zichzelf bracht, zult U het wel vergeven dat ze dit en méér dan dit, in hun stoutmoedigheid zeggen. Bovendien, mijn Heer, als dit vrede en vriendschap betekent, waarom zouden zij dan niet vragen het hen te geven? Wat kunnen we beter verlangen, mijn Heer, dan wat ik vraag, dat U ons deze vrede zou geven met een kus van uw mond? Dit is een zeer verheven bede, dochters, zoals ik jullie ga meedelen.

HOOFDSTUK 2
Het behandelt:
negen vormen van valse vrede die de wereld, het vlees en de duivel de ziel aanbieden;
de heiligheid van de religieuze staat die voert naar de echte vrede, verlangd door de Bruid van het Hooglied
.

  1. God beware je voor de talrijke vormen van vrede die de mens-van-de-wereld kent. Het behage Hem er ons nooit van te laten proeven want ze bezorgen ons alleen maar een voortdurende strijd. Wanneer een werelds iemand zeer rustig leeft, temidden van grote zonden, rustigweg zonder gewetenswroeging temidden van eigen ondeugden, is deze vrede, je las het reeds, teken van zijn vriendschap met de duivel. Hij zal deze mensen zolang ze leven geen strijd willen bezorgen. Want in hun slechtheid zouden zij zich een weinig naar Hem toekeren, om eraan te ontsnappen en niet uit liefde tot God. Maar zij die zover gekomen zijn blijven niet lang in zijn dienst. Zodra de duivel het in het oog krijgt streelt hij opnieuw hun lust naar plezier en ze sluiten weer vriendschap met hem tot op het punt, waar hij hen te verstaan geeft hoe vals zijn vrede was. Over deze mensen hoeven we het niet te hebben. Het is hun zaak en ik hoop op de Heer dat zo’n kwaad geen ingang zal vinden temidden van jullie. De duivel zou nochtans ongemerkt kunnen beginnen met een andere vrede, een vrede in kleine dingen. We moeten dus altijd ons- zelf vrezen, mijn dochters, zolang we leven.
  2. Wanneer de kloosterlinge, in sommige zaken die op zichzelf onbelangrijk lijken, begint te verflauwen en het zonder gewetenswroeging laat duren is dat een valse vrede en van daaruit kan de duivel haar meesleuren in ontelbaar veel kwaad. Het kan een tekortkoming tegenover de Constituties betreffen, die op zichzelf geen zonde is. Of het kan dat zij, zonder kwaadwilligheid, geen acht slaat op wat de overste, die uiteindelijk toch Gods plaats inneemt, gebiedt. (Het is altijd goed steeds rekening te houden met wat de overste wil, vermits we met dat doel hier zijn.) De menigte kleine dingen die zich voordoen geven op zichzelf niet de indruk zonde te zijn. En dan ja, tenslotte zijn er fouten en er zullen er altijd zijn, gezien onze ellende. Daar ben ik het mee eens. Maar wat ik zeg is: dat het ons moet spijten ze begaan te hebben en we moeten weten dat we een misstap bedreven. Zoniet kan de duivel er zijn plezier in vinden, zoals ik zei, en de ziel langzaam ongevoelig maken voor die kleine dingen.
    Ik zeg het je, dochters, zo hij dát van je bekomt, zou zijn vreugde groot kunnen zijn. Ik vrees ervoor dat hij verder zal gaan. Waak dus uit liefde
    tot God goed op jezelf. Er moet strijd zijn in dit leven, want omringd door zoveel vijanden kunnen we de armen niet over elkaar houden, maar moeten we altijd uitkijken en weten waar we innerlijk en uiterlijk aan toe zijn.
  3. Ik zeg het je, zelfs als de Heer je in het gebed gunsten verleent en Hij geeft wat ik straks zal vernoemen ‘, zul je daarna duizend kleine hinderpalen, duizend kleine gelegenheden, tekortkomingen uit nalatigheid aan dit, het minder goede doen van dat, innerlijke verwarringen en bekoringen niet kunnen vermijden. Ik zeg niet dat het gewoonlijk of dikwijls zo zal zijn. Is het zo, dan is het een onmetelijke gunst van de Heer, want dan is er vooruitgang. Wij kunnen hierbeneden onmogelijk engelen zijn, het is onze aard niet. De ziel die ik heel veel bekoord zie verontrust me dus geenszins, want als de liefde en de vreze des Heren in haar zijn zal zij er, ik weet het, met groot voordeel uitkomen. Wanneer ik een andere, blijvend onbezorgd zonder enige strijd zie leven (ik ontmoette er enkelen zo) ben ik altijd bang, niets kan me vertrouwen geven, ook niet als ik geen beledigen bemerk tegenover de Heer. Zie ik er de gelegenheid toe, dan laat ik niet na, vermits de duivel het
    niet doet, hen zelf te beproeven en te bekoren, opdat ze bemerken wat ze zijn. Zelden trof ik zulke zielen aan, maar ze bestaan tussen hen die de Heer
    tot een hoge beschouwing verheft.
  4. Het is hun manier van doen. Gewoonlijk leven ze tevreden, innerlijk voldaan. Maar volgens mij, ik geloof niet dat ze begrijpen wat er met hen gebeurt en dat is het wat me verontrust.
    Soms hebben zij een weinig strijd maar het is zeldzaam. Daarom benijd ik niet deze zielen, die ik met zorg gadesloeg. Ik zie dat zij, die de strijd leveren waarover ik sprak, veel grotere vooruitgang maken in de volmaaktheid, voor zover we die hierbeneden
    kunnen begrijpen, zonder een even hoge graad van gebed te bereiken.
    We zullen ons niet bezighouden met hen, die na vele jaren gestreden te hebben, reeds ver gevorderd en verstorven zijn. Daar ze stierven aan het aardse geeft de Heer hun een bestendige vrede, maai niet zo dat ze het niet meer voelen en geen verdriet meer kennen wanneer ze een fout begaan.
  5. Dus, dochters, de Heer geleidt langs vele wegen. Maar wanneer je geen schuld gevoelt na een begane fout, vrees dan jezelf zoals ik zei. Begrijp dat een zonde, zelfs een dagelijkse, je tot in de ziel moet vervullen van spijt. Ik zie en geloof dat het op vandaag bij jullie zo is, God lof! Let op een ding en uit liefde tot mij vergeet het niet. Voelt iemand die leeft niet de minste speldeprik of de aanraking met een doorn, hoe klein ook? Als de ziel dus niet dood is, maar gegrepen door een levendige liefde tot God, is het dan geen grote genade welke kleine fout ook, tegen onze geloften of tegen onze verplichtingen, te betreuren?
    O, Zijne Majesteit dekt zich een bed van rozen en bloemen in wie Hij deze zorg wekt en het is onmogelijk, zelfs als Hij talmt, dat Hij nalaat haar te komen verwennen. God die het voor ons opneemt, wat doen wij, wij religieuzen in het klooster? Waarom verlaten wij de wereld? Wat komen we hier zoeken? Is er een betere taak dan in ons innerlijk een plaats te bereiden voor onze Bruidegom en Hem op zekere dag te kunnen vragen ons een kus van zijn mond te geven? Gelukkig zij die deze bede tot Hem zal richten en van wie de lamp niet uitgedoofd zal zijn als de Heer komt, zodat Hij moe van het roepen terugkeert. O, mijn dochters, wat is onze kloosterstaat verheven vermits, buiten onszelf, niemand op de wereld ons kan beletten deze woorden te spreken tot onze Bruidegom, die we door het uitspreken van onze geloften huwden!
  6. Wil me begrijpen, vooral de angstvalligen. Ik spreek niet over gelijk welke tekortkoming een enkele keer bedreven, of over meerdere tekortkomingen, want we kunnen ze niet allemaal duidelijk inzien, zelfs niet altijd betreuren. Ik richt mij tot degene, die zonder dat ze het merkt de gewoonte heeft fouten te begaan die ze voor kleinigheden aanziet, geen wroeging voelt en zich niet tracht te beteren. Ik herhaal het, dit is een gevaarlijke vrede en daar wilde
    ik je aandacht op vestigen. Wat zal het dan zijn met hen die niettegenstaande een grote verslapping van de Regel in rust leven? (Geve God dat er zo niemand is.) De duivel moet heel wat manieren bezitten waarop hij die vrede bewerkt. God laat het hem toe ter wille van onze zonden.
    We hebben daar niet over te praten, maar ik wilde je eventjes waarschuwen. Laten we overgaan tot de vriendschap en de vrede die de Heer ons begint te openbaren in het gebed. En, wat Zijne Majesteit me zal te kennen geven zal ik zeggen.
  7. Het lijkt me echter goed je een weinig te spreken over de vrede die de wereld en onze eigen zinnelijkheid ons schenken. Maar, is het in een groot aantal boeken veel beter beschreven dan ik het zal kunnen doen, misschien heb je, omdat je arm bent, de middelen niet om ze te kopen, of heb je niemand om ze je te schenken. Dit schrijven zal in huis blijven en je vindt er alles in verzameld. Je zou kunnen bedrogen worden door de vrede die de wereld op velerlei wijzen geeft. Uit enkelen waarover ik zal spreken kun je de andere afleiden.
  8. O! De vrede geschonken door de rijkdom! Zij die volop bezitten wat ze nodig hebben, met veel geld in hun koffers, zij denken dat alles gedaan is zo ze opletten geen zware zonden te doen. Ze genieten van hun bezittingen, geven af en toe een aalmoes zonder te overwegen dat deze goederen hun niet toebehoren, maar dat de Heer ze hen gaf als aan zijn beheerders, opdat zij zouden delen met de armen. Zonder te bedenken dat ze ook strikt rekenschap zullen moeten geven van de tijd dat ze het overtollige in koffers bewaarden, terwijl de behoeftigen, door beloften in onzekerheid gehouden, eronder lijden. Dit heeft geen betrekking op ons tenzij opdat je de Heer bidt hen te verlichten, hen weg te halen uit hun onverschilligheid, zodat het hen niet zou vergaan als de rijke vrek. Eveneens opdat je Zijne Majesteit die jou arm maakte zou loven en erkennen dat het een zeer bijzondere gunst is van zijn kant.
  9. O mijn dochters, wat een onbezorgdheid deze lasten niet te moeten dragen, zelfs niet voor onze rust hier op aarde! Wat de uiteindelijke rust betreft, je kunt het je niet voorstellen. Zij zijn slaven en jullie meesteressen. Je gaat het begrijpen. Wie geniet er een grotere rust, de edelman van wie de tafel gedekt staat met alles wat hij moet eten en aan wie alles gegeven wordt waarmee hij zich te kleden heeft, of zijn rentmeester die hem rekenschap moet afleggen over elke cent? De eerste verteert zonder maat, het gaat immers om zijn goederen. Het is de arme beheerder die de zorgen draagt, des te meer naargelang het fortuin groter is. Moet hij rekenschap geven dan verliest hij er de slaap bij, vooral als het over meerdere jaren gaat. Is er wat nalatigheid geweest, dan, vindt hij grote verschillen en dan weet hij niet hoe hij zijn rust zal terugvinden.
    Lees dit niet, dochters, zonder de Heer groot te prijzen en laat ieder van jullie steeds verder doen, zonder enig eigen bezit, zoals het nu is. Laten we
    onbezorgd eten wat de Heer ons zendt en daar Hij, Zijne Majesteit, er zich om bekommert dat wij niets tekort komen, hebben wij van niets overtolligs rekenschap te geven. Zijne Majesteit houdt er rekening mee zodat we ons over uitdelen geen zorgen moeten maken.
  10. Met weinig tevreden zijn is nodig, dochters, want wij moeten niet alles verlangen wat zij willen die eens strikt rekenschap zullen moeten geven van hun goederen, zoals gelijk welke rijke, ook al laat hij hier op aarde deze zorgen aan zijn rentmeesters over. Maar dan, hoe streng zal het zijn! Kon hij het vermoeden, hij zou niet met zoveel genoegen eten. Hij zou wat hij bezit niet verkwisten aan ijdele buitensporigheden. Dus, mijn dochters, tracht altijd zo arm mogelijk te leven, zowel wat de kleding als het voedsel betreft, anders zul je je dwaling herkennen. God zal je niet geven wat je nodig hebt om je te kleden en te voeden en je zult er mistevreden over zijn. Probeer steeds zo in dienst te staan van Zijne Majesteit dat je niet eet wat aan de armen behoort tenzij om hen te dienen, hoewel geen enkele dienst kan opwegen tegen de rust en de vrede die de Heer aan jullie geeft, aan jullie die met je rijkdommen geen rekening te houden hebt. Ik weet wel dat je het begrijpt, maar je moet er nu en dan Zijne Majesteit heel bijzonder voor danken.
  11. Wat de vrede betreft die de eerbewijzen van de wereld geven, heb ik je niets te zeggen, want de armen staan nooit erg in ere. Zo de wereld je groot onrecht kan doen, dan is het — indien je er niet op bedacht bent — door haar loftuigingen. Eens ermee begonnen houdt ze er niet mee op, om je daarna zoveel te meer te vernederen. Het meest voorkomende is, dat men zo overdreven zegt dat je heiligen bent, dat het wel van de duivel lijkt te zijn. Dat is vaak het geval, en als men zo spreekt terwijl je afwezig bent, tot daartoe, maar in je bijzijn, wat voor vrucht, tenzij een slechte, kan het dragen als je niet degelijk op je hoede bent?
  12. Uit liefde tot God vraag ik je, laat je niet gewennen aan woorden die je geleidelijk kunnen schaden. Je zou gaan geloven dat men de waarheid vertelt, gaan denken dat je er bent en dat het jouw werk is. Laat geen woord voorbijgaan zonder innerlijk ten strijde te trekken. Dit gaat gemakkelijk als je de gewoonte hebt. Denk terug aan wat de wereld met Christus deed, met onze Heer. Hoe ze Hem lof brachten op Palmzondag. Bedenk hoe hoog ze Sint- Jan-Baptist schatten in wie ze de Messias meenden te zien, en wanneer en waarom hij onthoofd werd.
  13. De wereld verheerlijkt maar om daarna, als het kinderen van God betreft, ze te vernederen. Ik heb het degelijk ondervonden. Het heeft me dikwijls diep bedroefd zoveel verblinding te zien in die eerbetuigingen, maar nu lach ik ermee als met dwazemanspraat. Denk terug aan je zonden en, veronderstellend dat er iets van waarheid steekt in wat men zegt, merk dan op dat je het niet uit jezelf hebt en je daardoor alleen nog maar meer in dienst moet staan. Wek vrees in je ziel opdat deze valse vredekus die de wereld geeft je nooit zou bevredigen. Geloof dat het een judaskus is, hoewel het door enkelen niet met die bedoeling gezegd wordt. De duivel kijkt toe en hij zou zijn buit kunnen binnenhalen zo je je niet verdedigt. Geloof dat het hier nodig is het zwaard van de bedachtzaamheid in de hand te houden. Vertrouw het niet, zelfs niet als je meent dat het je geen schade doet. Herinner je al degenen die aan de top gestaan hebben en die in de afgrond zijn. Zolang we leven bestaat er geen zekerheid. Daarom ook, mijn zusters, voer, uit liefde tot God, altijd innerlijk strijd tegen deze eerbewijzen. Je zult erbij aan nederigheid winnen. De duivel die steeds op de loer ligt zal verstommen en ook de wereld.
  14. Over de bevrediging van het vlees en het nadeel dat we onszelf hierbij aandoen zou veel te zeggen zijn. Enkele aspecten zal ik je aanduiden en daarvan kun je de andere afleiden, zoals ik je zei. Het lichaam heeft het graag gemakkelijk, je merkt het, en het verkeert in groot gevaar er vrede mee te nemen. We zouden het moeten inzien. Ik denk er vaak aan en kom er niet toe te begrijpen dat zoveel mensen zich zo rustig en zo vredig verwennen. Verdiende het heilig lichaam, ons voorbeeld, ons licht, bij toeval minder begunstigd te worden dan het onze? Verdiende het zoveel pijn te verduren? Lazen we dat de heiligen, die we zeker in de hemel weten, in welvaart hebben geleefd? Hoe komt het dat wij ermee in vrede leven? Wie vertelde ons dat dit goed is? Hoe kunnen sommige mensen zo rustig hun dagen doorbrengen met goed te eten, te slapen, genegens en alle mogelijke ontspanning te zoeken, zodanig dat ik stom sta als ik hen bezig zie? Je zou zeggen dat er geen andere wereld bestaat en dat men door zo te leven minder gevaar loopt hem te verliezen.
  15. O dochters, zo je wist welk groot kwaad daaronder schuilgaat! Het lichaam verdikt, de ziel vermagert. Konden we haar zien, ze zou ons voorkomen als op het punt de laatste adem uit te blazen. Wat voor groot kwaad het tevreden zijn in zo’n omstandigheden betekent, zul je vaak te lezen krijgen, want zag men in hoe verkeerd het is, er zou hoop op genezing zijn. Maar ik vrees dat er zelfs niet aan gedacht wordt. Het komt zo veelvuldig voor dat het mij niet eens meer verwondert. Ik zeg het je, zelfs als je vlees er traag bij wordt, vang de strijd aan langs alle kanten, zo je je wil redden. Het is verkieslijker het in te zien en langzaam aan boete te doen, zoniet zul je alles ineens te verduren krijgen. Ik zeg je dit opdat je God overvloedig zou loven, mijn dochters, daar je op een plaats bent waar, zelfs al zou je lichaam zich op dit gebied gerust willen stellen, het onmogelijk zou zijn. Het zou je wel heimelijk kunnen schaden onder de vlag van ziekte. Je moet dus flink opletten want de ene dag zal het de geselroede zijn die je kwaad doet en toevallig zul je er acht dagen later niet meer onder lijden. Een andere keer zal het zijn omdat je geen lijnwaad draagt, maar maak er na enkele dagen geen gewoonte van. Een andere keer zal het komen door het eten van vis terwijl men daaraan gewend raakt, de maag zet zich ernaar en ontstelt je niet langer. Je zult de indruk hebben zó vermoeid te zijn dat je niet verder kunt zonder vlees te eten ; maar één dag niet vasten volstaat om die flauwte weg te nemen. Van dat alles en nog veel meer heb ik ondervinding. Het belang van die dingen, ook al zijn ze niet zeer noodzakelijk, wordt niet begrepen. Ik bedoel hiermee dat we aan die verzachtingen niet rustigweg mogen toegeven, maar ons af en toe op de proef moeten stellen. Ik weet dat het vlees erg bedrieglijk is en je het moet kennen.
    Moge de Heer in zijn goedheid ons altijd verlichten. Omzichtig zijn, op zijn oversten vertrouwen en niet op zichzelf, is een groot iets.
  16. Even terug bij de zaak komen. Vermits de Bruid de vrede, die ze nader bepaalt, vraagt met de woorden: „Dat Hij mij kusse met een kus van zijn mond” is dit een teken dat de Heer andere wijzen heeft om vrede te brengen en zijn vriendschap te tonen. Ik wil er nu enkele vermelden, opdat je zou zien hoe verheven dit gebed is en welk verschil er bestaat tussen de ene en de andere. Wat een diepe wijsheid, o grote God, onze Heer! De Bruid zou kunnen zeggen: „Dat Hij mij kusse” zo zou haar vraag in minder woorden vervat liggen. Waarom geeft ze nader aan: „met de kus van zijn mond”? Het is zeker dat er geen woord teveel is. Het waarom versta ik niet, nochtans zal ik er jets over zeggen. Het doet er weinig toe dat het buiten het onderwerp valt, zo we er maar ons voordeel mee doen.
    Onze Koning heeft dus heel wat manieren om betrekkingen van vrede en vriendschap aan te knopen met de zielen. We zien het elke dag in en buiten het gebed ; intussen zijn onze verhoudingen tot Zijne Majesteit maar parade, zoals men zegt. Houd het juiste ogenblik in het oog, mijn dochters, waarop je de bede van de Bruid zult mogen richten tot de Heer, zo Hij je tot Zich trekt. Doet Hij het niet, word dan niet moedeloos, want hoe ook je vriendschap met God is, heel rijk ben je als je Hem niet verlaat. Maar, hoe treurig en hoe spijtig wanneer we deze uitstekende vriendschap niet bekomen door eigen schuld en we met weinig tevreden zijn.
  17. O God! Kunnen we ons niet indenken dat de beloning groot is, zonder einde? Dat de Heer zo ons hier op aarde geeft, tegelijkertijd met zoveel vriendschap? Maar hoe talrijk zijn zij die naar de top zouden kunnen klimmen en die aan de voet van de berg blijven! Zo vaak heb ik het gezegd op andere, kleine blaadjes, die ik je schreef.* Ik herhaal het en smeek je nog, altijd moedige gedachten vast te houden. Zo verkrijg je van de Heer de gunst dat je daden het eveneens zijn. Geloof het, het is zeer belangrijk. Sommige mensen bekwamen reeds de vriendschap van de Heer door goed hun zonden te biechten en berouw te hebben. Maar amper twee dagen nadien herbeginnen ze. Het is zeker deze vriendschap niet die de Bruid vraagt. Dochters, zorg ervoor niet altijd dezelfde fout te moeten zeggen aan de biechtvader.
  18. Het is waar dat we niet kunnen leven zonder fouten te begaan. Maar dat ze tenminste veranderen en geen wortel schieten. Ze zouden moeilijker uit te rukken zijn en het zou zelfs kunnen dat er veel andere uit voortkomen. Want als we een heester of een boompje planten dat we elke dag besproeien, gaat het een of andere dag zo hoog opschieten, dat later spade en houweel nodig zijn om het te ontwortelen. Zo verloopt het dunkt mij, met een fout die we dagelijks begaan, hoe klein ook, indien we er ons niet van beteren. Maar als we een fout één dag of tien dagen bedrijven maar dadelijk uitrukken, dan gaat dat gemakkelijk. Je moet het de Heer in het gebed vragen want uit onszelf zijn we tot niet veel in staat. We zullen het eerder erger maken dan beter. Bedenk dat dit op het verschrikkelijk uur van het oordeel na onze dood niet het minste van alle kwaad zal zijn, bijzonder voor hen die de Rechter tot bruid nam in dit leven.
  19. O groot geestelijk goed, waard ons aan te sporen tot ijver, om de Heer, onze Koning, tevreden te stellen! Maar wat beantwoorden deze mensen zijn vriendschap slecht, vermits ze zo vlug zijn dodelijke vijanden worden! Zeker, Gods barmhartigheid is groot. Zullen we ooit zo’n geduldige vriend vinden? Wanneer zoiets zich een enkele keer tussen twee vrienden voordoet, vergeten zij dit nooit meer. De trouwe vriendschap van eertijds krijgen ze niet meer terug. Maar hoeveel keren komen ze op die manier tekort aan de vriendschap die ze de Heer verschuldigd zijn en hoeveel jaren wacht Hij op ons?
    Wees gezegend, Heer, mijn God, die ons met zoveel ontferming leidt, dat U uw eigen grootheid schijnt te vergeten om een verraderlijke ontrouw als deze niet terecht te bestraffen. Dit lijkt me een gevaarlijke situatie. Want, hoewel de barmhartigheid van God is zoals wij haar zien, zien we toch ook vaak iemand sterven zonder biecht. Dat Zijne Majesteit, mijn dochters, door zijn almacht ons ervoor beware, ons in zo’n hachelijke toestand te bevinden.
  20. Er bestaat een andere vriendschap, levendiger dan deze hier. De vriendschap van mensen die ervoor opletten God niet dodelijk te beledigen. Gezien de toestand waarin de wereld zich bevindt is het een hele vooruitgang tot daar te komen.
    Hoewel deze mensen voorzichtig zijn om geen doodzonde te doen, vallen ze toch nu en dan, geloof ik, want aan dagelijkse zonden is hen weinig gelegen, zelfs al begaan ze er verscheidene per dag. Ze staan dus heel dicht bij de dodelijke. Ze zeggen: „Maak jij je daar zorgen om?” En hoe dikwijls heb ik gehoord: „Daarvoor is er gewijd water en zijn er de middelen van onze Moeder de Kerk”. Dat is zeker zeer jammerlijk. Denk er, uit liefde tot God, altijd aan oplettend te zijn geen dagelijkse zonde, hoe klein ook, te bedrijven, terwijl je dit middel inroept, want het is niet redelijk dat het goede voor ons een gelegenheid wordt tot het kwade. Heb je het bedreven, ja, denk dan terug aan dit redmiddel en neem het dadelijk tot toevlucht.
  21. Altijd zơ’n zuiver geweten hebben, dat niets je belet de volkomen vriendschap aan de Heer te vragen die de Bruid vraagt, is iets zeer bijzonders. De vriendschap waarover ik het had is zo niet. Om vele redenen is ze zeer verdacht: gericht op welbehagen, vatbaar voor grote lauwheid, zelfs niet op de hoogte of de begane fout dagelijkse- of doodzonde is. God beware je ervoor. Voor die mensen volstaat het te denken dat zij geen enkele van de zware zonden bedrijven die ze bij anderen zien. Daardoor leveren ze geen bewijs van echte nederigheid en beoordelen ze de anderen heel ellendig. Deze zondaars kunnen zelfs veel beter zijn dan zij, hun zonden met een groot berouw bewenen, toevallig een veel vaster voornemen maken dan zijzelf, waardoor ze ertoe komen God evenmin te beledigen in de kleine als in de grote dingen. Terwijl de mensen die beweren niets van dat alles te misdoen, het met de genoegens gemakkelijk nemen. Over het algemeen doen zij aan mondgebed maar bidden niet zeer goed want voor hen steekt het zo nauw niet.
  22. Er bestaat een andere vorm van vriendschap en vrede die de Heer begint te geven aan sommigen die Hem werkelijk in niets zouden willen beledigen — zonder zich echter ver te houden van de gelegenheid — en die zich een ogenblik reserveren om te bidden. De Heer geeft hen tederheid en tranen, maar zij zouden liever geen afstand doen van de voldoeningen van dit leven, tenzij ze het vroom en goed geregeld kunnen hebben, zodat het hen lijkt te
    passen bij hun onbezorgdheid hier op aarde.
    Zo’n leven is zeer wisselvallig. Het zou dus moeten lukken dat zij volharden in de deugd. Als ze zich niet verwijderen van de genoegens en vermakelijkheden van de wereld, zullen zij al vlug verzwakken op de weg van de Heer, want grote vijanden beletten ons verderop te gaan. Dat is niet, dochters, de vriendschap die de Bruid verlangt. Wil ze dus ook niet voor jezelf. Hou altijd ver van de minste gelegenheid, hoe klein ook is, indien je verlangt dat je ziel groeit en veiligheid leeft.
  23. Ik weet niet waarom ik je deze dingen zeg, zij om je vertrouwd te maken met het gevaar, dat erin bestaat, ons niet beslist af te wenden van het wereldse. Veel fouten en veel leed zou het ons besparen. De wegen waarop de Heer vriendschappelijk met de zielen omgaat zijn zo talrijk dat ik, die maar een vrouw ben, daar nooit, dunkt mij, mee klaar kom. Wat zouden de biechtvaders en anderen dan zeggen die de zielen dieper kennen? Sommigen, die niets schijnen te missen om Gods vriendinnen te zijn, verwarren mij. Ik zal je speciaal vertellen over een van hen met wie ik de laatste tijd bijzonder in betrekking was. Ze was zeer geneigd om veel te communiceren, sprak nooit kwaad over iemand. Ze kende tederheid in het gebed en een voortdurende eenzaamheid want ze leefde zelfstandig in haar huis. Ze was zo zacht van karakter dat niets van wat haar gezegd werd haar ooit toornig maakte. Wat een grote volmaaktheid veronderstelt. Nooit sprak ze een verkeerd woord. Ongehuwd en de tijd om te huwen voorbij had ze veel tegenslagen verduurd zonder de vrede te verliezen. Ik zag dit als gevolg van de grote vooruitgang van die ziel, van haar diep gebed. En in het begin schatte ik haar zeer hoog. Ik zag niet dat ze God beledigde en hoorde dat ze ervoor oplette.
  24. Toen ik ze beter leerde kennen, begon ik in te zien dat alles in haar vredig was zolang haar belangen er niet mee gemoeid waren. Werd daaraan geraakt dan was ze niet meer zo fijn van geweten maar zeer grof. Ik zag in dat, terwijl ze alles verdroeg wat haar gezegd werd, ze zeer op haar punt van eer stond en niet zou toegestaan hebben door eigen fout een weinig, een ietsje te verliezen van haar eer of reputatie. Ze zat zo vast aan dit gebrek, was zo geneigd om dit en dat te weten en te verstaan, dat ik er stom van stond, hoe zij één uur in de eenzaamheid kon blijven, want ze hield ook erg veel van het aangename. Ze sprak zo mooi over alles wat ze deed dat ze de zonde erbuiten liet. Door de manier waarop ze sommige dingen rechtvaardigde, zou ik, had men haar veroordeeld, haar ook gerechtvaardigd hebben. In andere dingen was de vergissing blijkbaar, maar misschien kende ze zichzelf niet goed. Terwijl ongeveer iedereen haar voor een heilige hield, kon ik er niet langer aan uit. Toen ik bemerkte dat de verdrukkingen waarover ze verhaalde een weinig uit eigen schuld moesten voortkomen, benijdde ik haar manieren van doen en haar heiligheid niet meer. Wel heeft zij en hebben nog twee andere mensen — heilig in eigen ogen — die ik me herinner in dit leven gezien te hebben, mij, toen ik ze kende, meer vrees ingeboezemd dan alle zondaressen die ik ontmoet heb. Ze hebben me aangezet de Heer te smeken dat Hij ons zou verlichten.
  25. Loof Hem vurig, mijn dochters, omdat Hij je in een klooster bracht waar de duivel, hoeveel hij er ook doet, je niet kan bedriegen zoals hij degenen bedriegt die thuis blijven. Daar zijn er, aan wie niets schijnt te ontbreken om naar de hemel op te vliegen want in alles menen ze het volmaakte te volgen. Maar niemand kent ze. Ongekend zijn, dat heb ik in de kloosters niet gezien, vermits men er niet doet wat men wil, maar wat opgedragen wordt. Zij die in de wereld zichzelf werkelijk zouden willen kennen, met het verlangen de Heer te voldoen, kunnen dit niet want uiteindelijk volgen ze toch hun eigen wil. En al gaan ze er soms tegen in, ze oefenen zich minder in de versterving. We hebben het niet over sommige mensen die reeds jaren licht ontvangen van de Heer. Zij zoeken iemand die hen kent en aan wie zij zich onderwerpen, want grote nederigheid gaat gepaard met gebrek aan vertrouwen in zichzelf, hoe geleerd men ook is.
  26. Daar zijn er anderen die alles verlieten voor de Heer. Ze bezitten geen huis, geen goederen, geen trek naar het gemakkelijke, eerder naar boetedoening, niet naar de dingen van de wereld, want de Heer gaf hen reeds licht over de ellendigheid ervan. Maar, ze bezitten een zeer sterk eergevoel. Ze zouden niets willen doen dat niet evenveel aan de mensen behaagt als aan God. Wees op je hoede en voorzichtig. Deze twee dingen gaan altijd slecht samen. Ongelukkig genoeg, bijna altijd haalt het aandeel van de wereld het op dat van God, zonder dat deze mensen hun onvolmaaktheid inzien. De meesten onder hen zijn gekwetst door het geringste dat van hen gezegd wordt. Ze omhelzen het kruis niet maar slepen het achter zich aan. Dus kwetst, vermoeit en verscheurt het. Want als het bemind wordt is het zacht om dragen, echt waar.
  27. Nee, zo is ook de vriendschap niet die de Bruid vraagt. Daarom, mijn dochters, wees waakzaam, zeer waakzaam. Geef het later (daar je bij de aanvang deed wat ik je zei) niet op. Sta niet stil. Het is allemaal vermoeienis voor je. Wat vrees je, daar je bijna alles verlaten hebt? De wereld, het gerieflijke, de vermakelijkheden en de aardse rijkdommen die, al zijn ze bedrieglijk, toch behagen. Bedenk dat je er niets van snapt vermits je je de last van duizend bekommernissen en verplichtingen oplegt om het
    verdriet te vermijden dat één woordje je kan bezorgen. Ze zijn zo talrijk als we de mensen van de wereld willen voldoen, dat ik ze, zonder te breedvoerig te worden, niet kan opnoemen. Ik zou er zelfs niet toe bekwaam zijn.
  28. Er zijn nog andere zielen en hiermee wil ik eindigen, want vanuit hen zul je begrijpen dat zij op vele gebieden begonnen zijn vooruitgang te maken, maar onderweg zijn blijven steken. Ik herhaal het, er zijn andere zielen, zij bekommeren zich niet veel meer om wat de mensen zeggen, noch om de eer, maar zij zijn niet geoefend in de versterving en niet in het verloochenen van eigen wil. De angst schijnt hun lichaam niet te verlaten. Wanneer deze zielen te lijden krijgen lijkt dat het einde van alles. Komt Gods eer ernstig in het spel dan leeft hun eigen eer weer op, zonder dat ze er zich bewust van zijn, al geloven zij niet de wereld nog te vrezen, maar God. Ze voorzien de gevaren van wat er zou kunnen gebeuren en maken van wat een deugdzame daad is, groot kwaad. Je zou zeggen dat de duivel het hen onderricht. Ze voorzeggen de toekomst, duizend jaar tevoren als het moet.
  29. Dit zijn niet degenen die zich in zee werpen zoals de heilige Petrus°, of die doen wat vele andere heiligen deden. Altijd in rust, zullen zıj zielen bij
    de Heer brengen maar zonder zich aan gevaren bloot te stellen. Het geloof heeft evenmin veel invloed op hun beslissingen.
    Een ding is me opgevallen, dat we buiten de kloosterorden, in de wereld weinig mensen zien die hun bestaan van God verwachten. Ik ken er maar
    twee. In de kloosterorden weten ze dat hen niets zal ontbreken. Hoewel ik geloof dat zij die uitsluitend uit liefde tot God intreden, daar niet hoeven
    aan te denken. Maar hoevelen, mijn dochters, zullen er zijn die, zonder deze zekerheid, niet alles verlaten wat ze bezitten!
    Op andere plaatsen gaf ik je raad. Ik heb veel gesproken over die kleinmoedige zielen. Ik sprak over het nadeel dat ze daardoor ondervinden en hoe goed het voor hen is grote verlangens te hebben wanneer zij geen grote werken kunnen verrichten. Ik ga er dus niet nader op in, al zou ik nooit willen nalaten het te doen. Vermits de Heer deze mensen tot zơ’n hoge toestand verheft, laten zij Hem dan dienen waar ze zijn en zich niet in een hoek gaan verbergen. Want ook als ze kloosterling zijn, als ze zich niet dienstbaar kunnen maken voor hun naaste, vooral dan de vrouwen, zullen grote voornemens en vurige verlangens kracht verlenen aan hun gebed. En zelfs bij toeval zal de Heer toestaan dat ze nuttig zijn, tijdens hun leven of na hun dood, zoals op vandaag de heilige lekebroeder Diego, die niets anders deed dan dienen. Zoveel jaren na zijn dood brengt de Heer hem terug in de herinnering om ons tot voorbeeld te zijn. Laten we Zijne Majesteit loven.
  30. Dus, mijn dochters, daar de Heer je naar het klooster leidde, kom je weinig tekort om de vriendschap en de vrede te bekomen die de Bruid vraagt. Laat niet na het voortdurend te vragen, onder tranen en verlangens. Doe, opdat Hij het je geeft, van jouw kant wat je vermag, wetend dat je de vrede en de vriendschap die de Bruid vraagt, nog niet bezit. De Heer schenkt in elk geval een grote gunst aan haar die Hij naar het bezit van deze toestand doet verlangen. Zij heeft zich zonder twijfel sterk toegelegd op gebed en op boete, op nederigheid en vele andere deugden. Laat de Heer van wie alles komt immer geprezen zijn. Amen.

HOOFDSTUK 3
De ware vrede die God de ziel geeft.
Zijn vereniging met haar.
De heldhaftige liefde van enkele van Gods dienaren.

„Hij kusse mij met de kus van zijn mond.”

  1. O heilige Bruid! Laten we overgaan tot je vraag om die heilige vrede, waarvoor je ziel het waagt de oorlog te verklaren aan alle wereldse mensen, terwijl jijzelf in volle rust vredelievend blijft. Wat een onmetelijk geluk zal het zijn deze genade te bekomen! Het is zodanig één worden met de wil van God, dat er geen scheiding meer bestaat tussen Hem en haar, maar dat beiden één van wil zijn. Niet in woorden, noch alleen in verlangens, maar in daden. In die mate dat als zij een beter middel ziet om haar Bruidegom te dienen, haar liefde zo groot is en haar verlangen om Hem tevreden te stellen zo sterk, dat zij geen oor leent aan wat het verstand haar voorhoudt noch aan de vrees die het haar ingeeft, maar dat zij het geloof zijn werk laat doen. En zo, geen rekening houdend met eigen winst of eigen rust, begrijpt ze uiteindelijk dat al haar voordeel daarin vervat ligt.
  2. Je zult menen, dochters, dat dit niet goed kan zijn, vermits met mate te werk gaan alle lof verdient. Een punt moet je wel overwegen, het is te zeggen, begrijpen (ik bedoel, in de mate dat je het begrijpen kunt, want het is niet met zekerheid te weten) of de Heer je vraag „om een kus van zijn mond” gehoord heeft. Oordeel je vanuit de gevolgen dat het zo is, dan hoeft niets je tegen te houden. Maar, je moet jezelf vergeten om deze zo zoete bruidegom te voldoen. Aan hen die de vreugde van deze genade genieten, laat Zijne Majesteit Zich door vele tekenen kennen. Een ervan is het geringachten van alle aardse dingen, ze slechts schatten naar wat ze waard zijn. Geen bezittingen verlangen, daar de ijdelheid ervan werd ingezien. Slechts vreugde vinden in het samenzijn met hen die de Heer beminnen. Voldoen kan het leven hen niet. Rijkdommen nemen ze voor wat ze zijn. En zo nog meer andere dingen van die aard, die ze leren van Hem die hen tot deze toestand bracht.
  3. Eenmaal daar gekomen heeft de ziel niets te vrezen, behalve dan dat ze niet verdient dat God haar gebruikt doorheen beproevingen en gelegenheden om Hem van nut te zijn, ook als het haar veel kost. Hier zijn dus, zoals ik zei, de liefde en het geloof werkzaam en weigert de ziel zich te bedienen van wat het verstand te leren heeft. Deze vereniging, die bestaat tussen de Bruid en de Bruidegom, onderwees haar andere zaken, die buiten het bereik liggen van het verstandelijk vermogen dat zij met de voeten treedt.
    Een vergelijking zal je helpen het te begrijpen. Een man zit gevangen in het land van de Moren. Hij heeft een arme vader, of een goede vriend, en is verloren als hij door hem niet wordt vrijgekocht. Maar wat die vriend bezit volstaat niet om hem los te kopen. Hij moet dus in zijn plaats gaan dienen. Zijn grote liefde vraagt dat hij boven eigen vrijheid de vrijheid van zijn vriend verkiest. Maar al heel vlug komt de voorzichtigheid met veel redenen tussenbeide. Hij heeft veel grotere verplichtingen tegenover zichzelf, zegt ze. Het zou kunnen zijn dat hij minder moedig is dan de andere. Dat men hem zijn geloof zal doen afzweren. Dat het niet betaamt zich aan dit gevaar bloot te stellen en nov vele andere dingen.
  4. O machtige liefde van God! Hoe ontgaat het hem, dat voor wie liefheeft niets onmogelijk is! Gelukkige ziel die deze vrede van haar God gekregen heeft. De vrede die alle lijden en alle gevaren van de wereld beheerst. Die er geen enkel vreest op voorwaarde zo’n goede Bruidegom en Heer van nut te zijn. Zij heeft gelijk, maar de vader, de vriend, waarover we spraken heeft eveneens gelijk! Dochters, je las de geschiedenis van een heilige. Hij was wel noch vader, noch vriend maar moet zo gelukkig geweest zijn van God deze vrede ontvangen te hebben. En, om Zijne Majesteit te behagen en Hem min of meer na te volgen in wat Hij voor ons deed, trok hij naar het land van de Moren om er de zoon van een weduwe, die in haar diepe smart naar hem gekomen was, te vervangen. Het goed dat daaruit groeide en de voordelen die hij eruit haalde heb je gezien.
  5. Gaarne wil ik geloven, daar hij bisschop was en zijn kudde moest achterhalen, dat zijn verstand hem enkele redenen meer dan deze die ik opgaf, te binnen bracht. Het toeval wilde misschien ook dat hij vrees kende. Weet één ding, waar ik nu plots aan denk en wat te pas komt voor kleinmoedige en zwakke naturen. De meeste vrouwen verkeren in dat geval. Want het is waar dat zij van nature uit bevreesd zijn, zelfs als hun ziel deze staat bereikt heeft. Het is nodig daar aandacht voor te krijgen want deze natuurlijke zwakheid zal ons een voorname kroon doen verliezen. Ondervind je dat je kleinmoedig bent, neem je toevlucht tot geloof en nederigheid. Laat niet na vertrouwvol aan te pakken, want God kan alles. Op die manier kon Hij vele jonge heilige meisjes krachtig maken. Vanaf het ogenblik dat zij besloten voor Hem te lijden, gaf Hij hen voldoende kracht om zware kwellingen te doorstaan.
  6. Door die beslissing, uit vrije wil, verlangt de ziel Hem meester te laten zijn. Ons pogen heeft Hij echter niet nodig. Zijne Majesteit verkiest dat zijn werken schitteren in de zwakken. Op die manier komt zijn macht sterker tot uitdrukking en voldoet Hij aan zijn verlangen om ons te begunstigen. De deugden die God je gaf moeten dienen om vastberaden te handelen en niet te bezwijken voor het geredeneer van het verstand en voor je zwakheid. Voeg je eigen opmerkingen: „het zal zus of zo zijn” er niet aan toe. Of, „wie weet verdien ik door mijn zonden de krachten niet, die Hij aan anderen gaf.” Het is het ogenblik niet om nu je zonden te bemediteren. Laat ze terzijde. Deze nederigheid komt hier niet van pas. Ze hoort er niet bij.
  7. Wil men je iets geven waardoor je zeer vereerd bent, wil de duivel je aansporen een gemakkelijk leventje te leiden of wat van die aard ook, vrees dat je zonden het je onmogelijk maken rechtschapen te handelen. Heb je voor Onze-Lieve-Heer of voor je evenmens iets te lijden, vrees dan je zonden niet. Een van die werken kun je met zoveel liefde doen dat je zonden je allemaal vergeven zijn en dat is het wat de boze geest ducht. Daarom brengt hij ze op dit moment in je herinnering. Hou het voor zeker, degenen die de Heer beminnen en alles voor Hem alleen op het spel zetten, laat Hij nooit in de steek. Hadden zij andere redenen van persoonlijke aard, laat ze dan opletten want ik spreek alleen maar over hen die de Heer zo volkomen mogelijk trachten te voldoen.
  8. Nu, in deze dagen ken ik iemand — je zag hem ook daar hij me kwam bezoeken — hij was door de Heer met zo’n grote liefde bezield dat het hem veel tranen kostte daar hij geen mogelijkheid zag de plaats van een gevangene te gaan innemen. Het was een ongeschoeide, een van de broeders van Pedro de Alcántara. Hij sprak me over hem. Na lang aanhouden kreeg hij toelating van zijn generaal. Op vier mijlen van Algiers — zijn wens zou in vervulling gaan – riep de Heer hem tot Zich. Vast en zeker heeft hij een goed loon ontvangen. Maar, hoeveel voorzichtige mensen hadden hem gezegd dat het al te gek was! Voor ons die er niet toe komen de Heer evenveel te beminnen, lijkt dat zo. Maar bestaat er een grotere dwaasheid dan onze hersenen tot op de draad te verslijten om het leven dat slechts een droom is te vervolmaken? Geve God dat we het verdienen de hemel te erven en vooral te mogen behoren tot hen die zichzelf in liefde tot God overtroffen hebben.
  9. Ik merk alvast dat we bij dergelijke dingen sterk zijn hulp nodig hebben. Daarom raad ik je aan, mijn dochters, steeds met de Bruid deze heerlijke vrede te vragen, die onbeperkt heerst over al die kleine angsten van de wereld en die met haar strijdt zonder eigen vredige rust te verlaten. Is het niet vanzelfsprekend dat God een ziel, aan wie Hij de grote gunst geeft zich in een dergelijke vriendschap met Hem te verenigen, door al zijn goederen overvloedig verrijkt? Want waarlijk deze dingen mogen ons niet toebehoren. We mogen vragen en verlangen dat Hij ons deze gunst verleent en dan nog slechts door zijn bijstand. Voor het overige, wat vermag een lafhartige aardworm, zo ellendig door de zonde dat we alle deugden afmeten naar onze lage natuur? Wat voor een middel gebruiken, mijn dochters? Er met de Bruid dringend om vragen. Als een dorpsmeisje een koning zou huwen en kinderen van hem hebben, zouden die kinderen dan niet van koninklijken bloede zijn? Wanneer de Heer dus de ziel begunstigt door één met haar te worden zonder dat iets hen scheidt, welke verlangens, welke gevolgen, welke kinderen vrucht van heldhaftige werken, kunnen uit hen geboren worden, indien zij niet in gebreke blijft?
  10. Daarom herhaal ik, ken in dergelijke gevallen, wanneer de Heer je gunstig de gelegenheid geeft voor Hem te werken, geen onrust omdat je een zondares was. Hier moet je geloof je ellende overstijgen. En verwonder je er niet over als je vrees en zwakheid ervaart op het ogenblik van de beslissing en zelfs daarna. Hou er helemaal geen rekening mee, tenzij om je nog meer aan te sporen het vlees zijn taak te laten vervullen. Overweeg wat de goede Jezus bidt in de Hof van Olijven: „Het vlees is zwak”. En denk terug aan zijn bewonderenswaardig en smartvol zweet. Maar als Zijne Majesteit zegt dat dit goddelijk vlees, vrij van zonden, zwak is, hoe dan aan het onze vragen zo sterk te zijn dat het mogelijke vervolgingen en beproevingen niet ducht? In het lijden zelf echter zal het vlees als het ware aan de geest onderworpen worden. De wil verenigd met de wil van God, beklaagt zichzelf niet.
  11. Het schiet me nu te binnen dat onze goede Jezus de zwakte van zijn mensheid toont vóór zijn lijden, maar eenmaal volop erin, een zo grote kracht laat zien dat Hij niet alleen Zich geenszins beklaagt maar dat ook zijn gelaat tijdens het lijden geen zwakheid uitdrukt. Op weg naar de Hof van Olijven zegt Hij: „Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe.”” Maar stervend aan het kruis klaagt Hij niet. Terwijl Hij bidt in de Olijfhof gaat Hij zijn apostelen wekken. Hoeveel temeer dan had Hij zijn beklag kunnen doen aan zijn Moeder, Onze-Lieve-Vrouw, die helemaal niet ingeslapen was maar, met haar heilige ziel vol lijden en een harde dood stervend, stond aan de voet van het kruis. Het is toch onze grootste troost te kunnen uitjammeren bij hen van wie we weten dat ze meelijden en dat ze ons het liefste zien.
  12. Dus geen zelfbeklag omdat we angst kennen. Geen ontmoediging wanneer we zien hoe zwak onze natuur en onze inspanningen zijn. Veeleer proberen sterk te worden in nederigheid. Duidelijk te begrijpen dat we uit eigen kracht niet veel vermogen, en dat we niets zijn als God ons niet begunstigt. Laten we onze eigen krachten volledig wantrouwen en ons vertrouwen stellen op zijn barmhartigheid, want zolang we niet tot daar komen zal alles getuigen van onmacht. Het is niet zonder gewichtige redenen dat de Heer het ons toonde. Het is duidelijk dat het Hem niet gold, daar Hij de kracht zelf is. Maar Hij deed het om ons te versterken, om te laten zien hoe wij ons moeten oefenen om onze verlangens in daden om te zetten. En laten we bedenken dat alles moeilijk lijkt wanneer een ziel voor het eerst de versterving aanpakt. Zij is verdrietig als ze aan het behaaglijke voorbij begint te gaan. Het kwelt haar als ze van alle roem moet afstand doen. Een stout woord verdragen lijkt haar onuitstaanbaar. Kortom, tot aan haar dood ontbreekt het niet aan verdrietelijkheden. Wanneer ze uiteindelijk besluit te sterven aan de wereld zal ze zich van al deze pijnen bevrijd zien. En vrees maar niet, in tegenstelling met wat je zou kunnen denken, dat ze zich beklaagt als ze eenmaal de vrede, die de Bruid vraagt, bekomen heeft.
  13. Het is waar denk ik dat, éénmaal met groot geloof en grote liefde het allerheiligste Sacrament ontvangen, zou volstaan om ons rijk te maken. Wat dan na zoveel communies? Je zou eerder zeggen dat wij gaan uit wellevendheid en daarom is het ons zo weinig voordelig. Ellendige wereld die de ogen sluit van wie erin leeft, opdat ze de schatten niet zouden zien waarmee eeuwige rijkdommen te bekomen zijn!
  14. O Heer van hemel en aarde! Is het mogelijk dat wij zelfs in dit sterfelijk leven U in zo innige vriendschap kunnen genieten! Kan het zijn dat de heilige Geest door de woorden van het Hooglied zo klaar en duidelijk zegt welke genoegens U ons voorbehoudt en dat wij zelfs dan nog weigeren te begrijpen! Zoveel beminnelijkheid, zoveel liefdevolle woorden! Een van die woorden zou voldoende moeten zijn om in U opgenomen te worden! Wees gezegend, Heer, want als het aan U ligt, verliezen wij niets. Hoeveel wegen en wijzen en manieren heeft U om ons uw liefde duidelijk te maken! Doorheen lijden, doorheen zo’n gruwelijke dood, door kwellingen, door dagelijkse beledigingen, en door het schenken van vergiffenis- niet alleen daardoor want U leert de ziel die U liefheeft tot U de woorden van het Hooglied zeggen die zó diep in haar doordringen. Ik weet niet hoe ze te verdragen zijn. Wie ze ervaart kan ze zonder uw hulp, niet doorvoelen
    naar hun waarde, maar slechts in de mate dat onze zwakheid het toelaat.
  15. Toch vraag ik in dit leven niets anders, mijn Heer: „Kus mij met de kus van uw mond.” Zodanig dat als ik verlang mij te onttrekken aan deze vriendschap en vereniging, mijn wil, Heer van mijn leven, zich altijd beheerst om niet aan de Uwe te ontsnappen. Dat niets op de wereld me weerhoudt te zeggen: „Mijn God en mijn heerlijkheid! Naar waarheid, uw borsten zijn beter en zoeter dan wijn.”

Bayrisches Hochland

HOOFDSTUK 4
Gebed van rust en gebed van vereniging.
Zoetheid en smaak die de geest erdoor ontvangt. Aardse genoegens zijn daarbij vergeleken van geen tel.

„Uw borsten zijn beter dan wijn, ze verspreiden de geur van zeer goede balsem.” (Hoogl. 1,1-2) 1

  1. Mijn dochters, wat een diepe geheimen zitten achter die woorden! Laat de Heer ons geven ze te mogen aanvoelen, want erover spreken is zeer moeilijk. Wanneer Zijne Majesteit, barmhartig als Hij is, de wens van de Bruid wil vervullen, knoopt Hij vriendschap aan met de ziel. Een vriendschap die, zoals ik zeg, alleen zij zullen begrijpen die het ondervonden. In twee boeken (die je, als het God belieft na mijn dood zult lezen) schreef ik zeer nauwkeurig en uitgebreid over dit onderwerp. Want ik zie dat je het zult nodig hebben. Ik zal het dus nu alleen maar even aanraken. Of ik erin zal slagen dit te doen met dezelfde woorden die de Heer me vroeger wou laten gebruiken, weet ik niet.
  2. In het binnenste van de ziel wordt een zachte beminnelijkheid ervaren, zo groot dat men goed de nabijheid van de Heer gewaar wordt. Hier is het niet alleen uit vurigheid dat we veel tranen storten om het lijden van de Heer of om onze zondigheid. Die tranen geven voldoening. In het gebed waarover ik nu spreek en dat ik, terwille van de vrede die het alle vermogens oplegt, gebed van rust noem – immers heel ons wezen lijkt erdoor aan zijn wil onderworpen, al voelt men het op andere ogenblikken, wanneer de ziel niet helemaal in deze zachtheid opgenomen is, anders aan — is het alsof het de mens helemaal, innerlijk en uiterlijk versterkt. Alsof in zijn binnenste een allerzachtste balsem, gelijk een sterk parfum, wordt uitgestort. Het is zoals wanneer we plots een plaats betreden, waarin niet één maar vele dingen een sterke geur verspreiden. Zonder te weten om welke reuk het gaat of waar hij vandaan komt, worden we van alle doordrongen.
  3. Zo is het, naar het schijnt, met die heerlijke zachte liefde van onze God. Zij dringt met een grote zoetheid door in de ziel, stelt haar tevreden, voldoet haar, zonder dat ze kan weten vanwaar of hoe dit geluk bij haar binnenkomt. Niets ervan zou ze willen verliezen. En opdat het haar niet zou ontsnappen wil ze roerloos blijven, zonder te spreken, zelfs zonder te kijken. Dat is het wat de bruid hier zegt met betrekking tot mijn onderwerp: dat de borsten van de Bruidegom een welriekende geur verspreiden méér dan zeer goede balsem . Daar ik reeds schreef wat er op dit ogenblik, opdat het de ziel nuttig zou zijn, dient gedaan te worden, doe ik, om datgene wat ik momenteel behandel een beetje beter te laten begrijpen, er hier alleen maar weer aan denken. Ik zal er niet nader op ingaan. Ik zal slechts zeggen dat de Heer de vriendschap waarvan Hij hier aan de ziel blijk geeft, zo innig wil dat er niets tussen hen beiden kan staan. Grote waarheden worden haar meegedeeld en dit licht dat haar verblindt omdat ze het niet kent, toont haar de nietigheid van het aardse. De goede Meester die haar onderricht ziet ze niet, al begrijpt ze dat Hij bij haar is. Maar zij wordt zo degelijk onderwezen, wat eruit voortvloeit is zo groot en ze is zo versterkt in de deugd, dat ze zichzelf niet meer terug kent en ze niets meer zou willen doen of zeggen dan lof brengen aan God. Ze is zo opgenomen, zo verslonden in haar vreugde dat ze als het ware zichzelf niet meer bezit. En als in een soort goddelijke vervoering weet ze niet meer wat ze wil of zegt of vraagt. Kortom, ze weet niet meer wat er van haar geworden is. Maar, ze is niet in die mate buiten zichzelf dat ze niet vermoedt wat haar overkomt.
  4. Wanneer echter deze schatrijke Bruidegom haar nog meer wil schenken en nog meer wil vertroetelen, omvormt Hij haar zo totaal in Zich dat het haar vergaat als iemand die door overmaat van geluk en vreugde in onmacht valt. Het is voor haar alsof ze opgetild in zijn goddelijke armen rust, neergevleid aan zijn heilige zijde, zijn goddelijke borst. Zij kan alleen maar genieten, gevoed als ze wordt door die goddelijke melk waarmee haar Bruidegom haar versterkt en haar beter maakt, opdat ze iedere dag in verdiensten zou groeien en Hij haar zou kunnen koesteren. Wanneer de ziel, verwonderd, onthutst en in een heilige dwaasheid uit deze werkeloosheid en deze hemelse vervoering terugkeert, geloof ik dat ze volgende woorden mag uitspreken: „Uw borsten zijn zoeter dan wijn.” In deze toestand van vervoering was het haar alsof ze niet hoger kon. Maar wanneer ze zich, gans doordrongen van Gods onnoembare grootheid tot die hoogste graad verheven ziet en ze zich zó degelijk gevoed weet, zegt ze in een fijne vergelijking: „Uw borsten zijn beter dan wijn.” Want zoals een kind niet begrijpt hoe het groeit en niet weet hoe het zuigt, vermits het vaak de melk in de mond krijgt zonder dat het zuigt of iets doet, zo heeft hier dus de ziel helemaal geen notie meer van zichzelf. Ze is werkeloos. Ze weet niet hoe, noch vanwaar zo’n groot geluk haar toekwam en begrijpen kan ze het niet. Ze weet dat dit het grootste is dat in dit leven te smaken valt, ook al zou je al het genot en al het plezier van de wereld bij elkaar brengen. Ze bevindt zich gevoed en verbeterd zonder te beseffen waar ze het verdiende. Ze weet zich, zonder de Meester die haar onderricht te zien, in grote waarheden onderwezen, in de deugd versterkt, vertroeteld door Hem die dat zo goed kan en mag doen. Ze weet niet waarmee het te vergelijken, tenzij met de liefkozingen van een moeder, die haar kind dat ze voedt en verwent, heel gaarne ziet.
  5. Het is een goede vergelijking, want zonder dat het verstand meespeelt is de ziel op die wijze groot gebracht. Een beetje als een kind dat verwend wordt en dat ervan geniet zonder dat het echter verstandelijk kan begrijpen vanwaar dit goede gekomen is. Maar in de sluimering die volgt op de vervoering, waarover ik sprak, is de ziel niet zó inactief dat ze niet inziet en dat ze niets doet. Want ze begrijpt dat ze bij God is en daardoor heeft ze gelijk te zeggen: „Uw borsten zijn zoeter dan wijn.”
  6. Groot is deze gunst, mijn Bruidegom, heerlijk is het festijn. U schenkt mij een kostbare wijn waarvan één enkele druppel me alles van de geschapen wereld doet vergeten, me de schepselen en mezelf laat ontvluchten, om niets meer te verlangen van de voldaanheid en de genoegens waar mijn lust tot nu toe naar uitging. Het is groot. Ik verdiende het niet. Sedert Zijne Majesteit het haar schonk en haar nog dichter naar Zich toehaalde zegt ze met reden: „Uw borsten zijn zoeter dan wijn”. De voorgaande gunst was groot. Deze, mijn God, overtreft haar nog, daar ik veel minder werkzaam ben. Ze is dus beter op alle gebied. Het is een grote vreugde en het brengt grote genoegens voor de ziel wanneer ze daar geraakt.
  7. O mijn dochters! Moge de Heer je laten inzien, beter nog, je de vreugde van deze toestand laten smaken (daaronder kun je niet begrijpen). Laat de mensen van de wereld hun titels, hun rijkdommen, hun aanzien, hun fijne gerechten! Konden zij ervan genieten buiten de mizerie om die eruit voortkomt, nog in geen duizend jaar bekwamen ze het geluk van de ziel, die de Heer tot hier bracht. Sint-Paulus zegt, dat alle lijden hier op aarde niet opweegt tegen de glorie die ons te wachten staat
    Ik herhaal, er is geen vergelijking mogelijk en ze zijn geen uur waard van de voldoening, de vreugde en het genot die God hier aan de ziel schenkt. Zo’n fijn maal vanwege de Heer is niet te verdienen dunkt mij, zo’n absolute vereniging, zo’n blijkbare en diep gesmaakte liefde laat zich niet vergelijken met de laagheid van de wereld. Het is me wat moois hun lijden naast dit te plaatsen! Want als het niet voor God gedragen wordt is het van geen tel. Is dit wel het geval, dan meet Zijne Majesteit het zo goed af naar onze krachten dat alleen onze kleinmoedigheid en onze ellende in staat zijn ze te doen vrezen.
  8. O christenmensen! O mijn dochters! Laten we uit liefde tot de Heer uit deze slaap ontwaken. Overwegen dat Hij zelfs niet tot in het andere leven wacht om onze liefde tot Hem te belonen. In dit leven begint Hij het reeds te betalen. Mijn Jezus! Kon ik doen inzien wat er gewonnen wordt, door zich in de armen van God te werpen. Door een overeenkomst te sluiten met Zijne Majesteit. Laat me kijken naar mijn Welbeminde en dat mijn Welbeminde kijkt naar mij. Laat Hij mijn zaken behartigen en ik de zijne! Laten we ons in de liefde niet blindstaren op onszelf, zoals men zegt. Opnieuw vraag ik het U, mijn God. Door het bloed van uw Zoon smeek ik U, verleen mij deze genade: „Kus mij met de kus van uw mond”, want Heer, wat ben ik zonder U? Waartoe deug ik als ik niet dicht bij U verblijf? Waar zal ik uitkomen wanneer ik me, hoe weinig ook, van Uwe Majesteit verwijder?
  9. O mijn Heer, mijn Barmhartigheid en mijn Goed! Wat kan ik in dit leven meer verlangen, dan zó dicht bij U te zijn dat niets ons nog scheidt, U en mij? Wat valt er moeilijk in uw gezelschap? Wat kan men voor U niet allemaal ondernemen wanneer men heel dicht bij U is? Wat hebt U me te danken, Heer? Laat men mij zwaar ten laste leggen dat ik U niet dien. Toch ben ik vastbesloten U met de heilige Augustinus te vragen: „Geef dat ik doe wat U me oplegt en leg me op wat U wilt dat ik doe.” Met uw genade en hulp zal ik U nooit de rug toekeren?
  10. Nu reeds, mijn Bruidegom, merk ik dat U er zijt voor mij. Ik kan het niet loochenen. U kwam voor mij in de wereld. Voor mij hebt U zo gezwoegd. Voor mij hebt U zoveel geselslagen verduurd. Voor
    mij verblijft U in het allerheiligste Sacrament en nu
    overlaadt U mij met prachtige geschenken. Dus, heilige Bruid — dat is toch het woord dat U gebruikt, ik zei het reeds — wat kan ik voor mijn Bruidegom doen?
  11. Waarlijk, zusters, ik weet niet hoe het verder moet. Waarin zou ik U toebehoren, mijn God? Wat kan iemand die aan alles zo’n verkeerde wending wist te geven, voor U doen? De gunsten die U me schonk verspeelde ik. Wat kon van mijn dienstbaarheid verwacht worden? En zo ik, dank aan uw goedgunstigheid iets verrichtte, oordeel waartoe zo’n kleine aardworm in staat is. Waarvoor een almachtige God hem zou nodig hebben? O Liefde! Overal zou ik dit woord willen herhalen, want zij alleen mag het aandurven met de Bruid te zeggen: „Ik ben van mijn beminde.” Hij, de echte Minnaar, mijn Bruidegom en mijn Goed, Hij laat ons toe te denken dat Hij ons nodig heeft.
  12. Daar Hij het ons toestaat, laten we dan herhalen, dochters: „Mijn Welbeminde is van mij en ik ben van Hem.” U Heer aan mij! Mag ik er, vermits U naar me toekomt, nog aan twijfelen of ik in staat ben veel voor U te doen? Heer, voortaan wil ik mezelf vergeten, alleen nog maar overwegen wat ik kan verrichten om U te dienen en slechts te willen wat U wilt. Mijn wil is niet machtig. U bent de Almachtige, mijn God. Er toe besluiten aan het werk te gaan, dat kan ik en dat doe ik op ditzelfde ogenblik.

HOOFDSTUK 5
Gebed van vereniging: vervolg.
De rijkdommen die de ziel in dit gebed verwerft door bemiddeling van de heilige Geest.
Haar vast voornemen te lijden voor de Beminde.

„Ik zette me neer in de schaduw van Hem naar wie ik verlangde. Zijn vrucht is zoet voor mijn mond.” (Hoogl. 2,3)

  1. Laten we nu de Bruid ondervragen. Vernemen van deze allergelukkigste ziel, tot bij de mond van God geheven en gevoed door die hemelse borsten, wat er ons te doen staat, welke houding dient aangenomen, wat gezegd wanneer de Heer ons op zekere dag zo’n grote gunst zou schenken.
    Zij vertelt ons: „Ik zette me neer in de schaduw van Hem naar wie ik verlangde. Zijn vrucht is zoet voor mijn mond. De koning leidde mij binnen in zijn wijnkelder en ordende in mij de liefde.” Zij zegt: „Ik zette me neer in de schaduw van Hem naar wie ik verlangde”
  2. O God die ons te hulp komt, zie in de zon zelf is ze binnengeleid en erdoor ontvlamd! Ze zegt dat ze zich neerzette in de schaduw van Hem naar wie ze verlangde. Ze spreekt hier enkel over een appelboom en zegt dat zijn vrucht zoet is in haar mond. Jullie die bidden, smaak al deze woorden! Op hoeveel wijzen kunnen wij onze God beschouwen! Wat een verscheidenheid aan voedsel kunnen we in Hem vinden! Hij is het manna dat beantwoordt aan onze smaak. O wat een hemelse schaduw! Kon iemand uitdrukken wat de Heer ons daardoor te verstaan geeft! Ik denk terug aan wat de engel aan Onze-Lieve-Vrouw, de heilige Maagd, zei: „De kracht van de Allerhoogste zal U overschaduwen.” Laat de ziel, die God tot deze waardigheid verheft, zich beschermd weten! Ze heeft gelijk er zich neer te zetten en er zich te vestigen.
  3. Weet nu wel dat (wanneer het niet gaat om iemand die de Heer wil onderscheiden door een uitzonderlijke roep, zoals dit het geval was met Sint-Paulus, die Hij onmiddellijk tot de hoogste top van de beschouwing verhief, aan wie Hij verscheen en die Hij zo toesprak dat hij op hetzelfde ogenblik zeer groot gemaakt werd), God meestal en bijna altijd deze verhevenste genoegens en zo hoog verheven gunsten geeft aan mensen die zich flink inzetten in zijn dienst, die naar zijn liefde hebben verlangd, en die hun best deden om zich voor te bereiden opdat ze in alles Zijne Majesteit zouden behagen. Reeds moe van het jarenlang mediteren en het zoeken naar de Bruidegom en nog meer vermoeid van al de dingen hier op aarde, vestigen zij zich in de waarheid. En zonder ergens troost, rust en vrede te zoeken, tenzij in Hem in wie ze zeker zijn het te vinden, stellen ze zich onder de bescherming van de Heer. Ze weigeren ieder ander. En wat doen ze er goed mee zich aan Zijne Majesteit toe te vertrouwen, vermits hun verlangen in vervulling gaat! Gelukkig de ziel die verdient onder deze schaduw te verblijven, zelfs voor wat er zichtbaar uit voortvloeit hier op aarde! Wat alleen door de ziel kan begrepen worden, dat is, naar ik vaak mocht inzien, jets anders.
  4. Het is alsof de ziel zich, in de genoegens waarover ik sprak, helemaal opgenomen weet en zich door een schaduw beschermd voelt, een soort wolk van de Godheid. Hiervan gaan invloeden uit en een zo weldoende dauw voor de ziel, dat het begrijpelijk is, hoe de moeheid door de wereld veroorzaakt, erdoor verdwijnt. De ziel ondergaat er een vorm van rust, waarbij gewoon maar ademhalen haar te veel is. Haar vermogens zijn zo vredig, zo rustig, dat de wil zelfs geen gedachte, hoe goed ook, zou willen toelaten, hij vraagt er niet naar, hij zoekt er niet naar. Het is haar niet nodig de hand om te draaien, op te staan, ik bedoel wat ook te overdenken om te snijden, te bereiden en zelfs te eten. De Heer geeft haar de vrucht van de appelboom waarmee ze haar Welbeminde vergelijkt. Daarom zegt ze: „Zijn vrucht is zoet voor mijn mond.” Hier, onder deze schaduw van de Godheid, is alles genotvol, zonder enige werkzaamheid van de vermogens. Wel degelijk schaduw genoemd, want hier op aarde kunnen we ze niet duidelijk zien. Maar die schitterende zon zit onder deze wolk en door tussenkomst van de liefde laat ze ons weten, dat Zijne Majesteit meer met ons verenigd is dan we kunnen uitdrukken, het zou niet mogelijk zijn. Ik weet het, wie het ondervond zal begrijpen dat hier werkelijk aan de woorden van de Bruid deze zin mag gegeven worden.
  5. Men zou zeggen, dunkt mij, dat de heilige Geest als bemiddelaar moet optreden tussen de ziel en God. Hij is het die haar tot zo’n vurige verlangens opwekt, die in haar het vuur ontsteekt van de hoogste liefde die zo vlakbij is. O Heer, hoe barmhartig zijt U hier voor de ziel! Wees gezegend en geprezen voor altijd, U die zo’n goed Minnaar zijt. Mijn God en mijn Schepper! Is het mogelijk dat iemand U niet liefheeft? Ongelukkige die ik was, ik die zolang leefde zonder U te beminnen! Waarom verdiende ik niet U te kennen? Hoe buigt die goddelijke appelboom zijn takken naar beneden opdat de ziel nu en dan zijn appelen zou plukken, terwijl ze zijn grootheden en zijn onmetelijke barmhartigheid tegenover haar beschouwt. Zij ziet deze vrucht van het lijden van onze Heer, die in zijn bewonderenswaardige liefde met zijn kostbaar bloed deze boom besproeide, en ze geniet ervan. Juist tevoren zegt de ziel met welk een vreugde zij dronk aan de goddelijke borst. Als beginneling ontving ze deze genaden en de Bruidegom voedde haar. Nu is ze gegroeid en bereidt Hij haar voor om meer te ontvangen. Hij ondersteunt haar met appelen “. Hij wil dat zij leert begrijpen in hoeverre zij verplicht is dienstbaar te zijn en te lijden. En nog is Hij niet tevreden met dat alles. Het is iets heerlijks, en het beschouwen waard! Van zodra de Heer weet dat een ziel Hem helemaal belangeloos toebehoort, door niets persoonlijks, maar door haar God en door haar liefde voor Hem gedreven, houdt Hij nooit op Zich op alle mogelijke manieren en wijzen aan haar mee te delen, zoals Hij, die de Wijsheid zelf is, dit vermag te doen.
  6. Het leek, alsof Hij niets méér te bieden had dan de vrede waarover ik eerst sprak. Maar wat ik daarnet zei, gebeurt. Het is een veel verhevener genade. Ik heb het slecht beschreven, het maar ruw geschetst. In het boek waarover ik het had, dochters, vind je het — zo het de Heer behaagt dat dit het daglicht zal zien — zeer klaar uitgedrukt . Wat kunnen we dus meer wensen buiten hetgeen ik zei? O hulpvaardige God! Hoe nietig zijn onze verlangens, Heer, tegenover uw grootheden! Hoe laag bijdegronds zouden wij blijven indien uw geven aan ons vragen zou beantwoorden! Laten we nu overwegen wat de Bruid bij deze ontmoeting gezegd heeft.

HOOFDSTUK 6
Hoe de voordelen van deze liefdevolle vereniging al de verlangens van de Bruid overstijgen. Over de opheffing van de vermogens. Hoe sommige zielen in korte tijd zo’n hoge graad van gebed bereiken.

„De Koning leidde me binnen in de wijnkelder en ordende in mij de liefde.”

  1. Terwijl de Bruid uitrust in de schaduw waarnaar ze terecht zo verlangde, wat blijft er nog te wensen over voor de ziel die daar gekomen is, tenzij dit geluk nooit meer te moeten missen? Het is haar alsof ze geen behoeften meer kent. Maar, onze hoogheilige Koning heeft nog veel te geven. Hij zou helemaal niets anders willen doen zo Hij maar ontvankelijke mensen vond. En zoals ik je vaak zei, dochters, verlang ik dat je nimmer vergeet, hoe de Heer zich nooit tevreden stelt met alleen maar het weinige te bieden waar wij om smeken. Ik zag het hier ter plaatse. Wanneer we ermee beginnen bepaalde dingen aan de Heer te vragen, schenkt Hij ons de gelegenheid ze te verdienen en een beetje voor Hem te lijden, zonder verder te moeten gaan dan onze krachten reiken (Zijne Majesteit kan deze doen groeien). Als loon voor de kleine inspanning, vastberaden voor Hem verricht, schenkt Hij zoveel leed, vervolgingen en ziekten dat de arme mens niet meer weet waar hij het heeft.
  2. Toen ik nog erg jong was, overkwam het me enkele keren dat ik zei: „O Heer, maar liever niet zoveel!” Maar Zijne Majesteit schonk me kracht en een geduld dat het me nu nog verwondert dat ik zo kon lijden. Met alle schatten van de wereld zou ik deze beproevingen niet willen ruilen. De Bruid zegt: „De Koning leidde me binnen.” Wat heeft ze gelijk trots te zijn op de naam: machtige Koning. Niemand staat boven Hem en zijn Rijk zal eeuwig duren! Zonder twijfel is er in deze toestand niet veel nodig opdat de ziel heel wat weet over de grootheid van deze Koning. Hem helemaal kennen is in dit sterfelijk leven immers onmogelijk.
  3. Zij zegt dat: „Hij haar binnenleidde in de wijnkelder. Hij ordende in mij de liefde.” Het doet me inzien dat de omvang van deze gunst zeer groot is. Het kan betreffen: het geven van een min of meer goede – of een betere wijn, het ons benevelen of het ons min of meer dronken maken. Zo geeft de Heer als gunst een beetje wijn van godsvrucht aan de ene, wat meer aan een andere en uiteindelijk is Hij dubbel vrijgevig voor nog een andere. Hij begint haar buiten zichzelf te brengen, buiten zinnen en los van alle aardse dingen. Hier schenkt Hij aan dezen een grote vurigheid om Hem te dienen, daar aan anderen onstuimige opwellingen. En aan nog anderen een grote liefde voor de naaste. Zodanig dat ze er helemaal in opgaan en de grote beproevingen die ze hier op aarde verduren niet voelen. Maar wat de Bruid zegt heeft tegelijk veel betekenissen. Hij leidt haar de wijnkelder binnen opdat ze er zich mateloos zou verrijken. De Koning lijkt haar niets te willen weigeren. Laat haar dan drinken zoveel het haar lust, dat ze flink dronken wordt, door van alle wijnen die in Gods kelders zijn, te nemen. Laat haar die vreugden genieten, verwondering kennen over al deze grootheden. Laat haar geen schrik hebben het leven te verliezen door veel meer te drinken dan haar zwakke natuur kan dragen. Laat haar in dit paradijs van genegens sterven. Gelukkige dood die zo doet leven! Zo is het inderdaad, want de wonderen die de ziel begrijpt zonder te weten hoe, zijn zo groot, dat ze erdoor buiten zichzelf verblijft. Ze zegt het met de woorden: „Hij ordende in mij de liefde.”
  4. Woorden om nooit te vergeten, door de van God verwende ziel! O hoe koninklijk is deze gunst, en hoe onverdiend, zo de Heer de nodige rijkdommen niet zou schenken om ze te verwerven! En nochtans, niet eens wakker is ze om te beminnen. Maar gezegende slaap en gelukkige dronkenschap waarbij de Bruidegom aanvult wat de ziel niet kan geven. De orde die Hij brengt is zo wonderbaar dat, de vermogens dood of ingeslapen, de liefde levend blijft. En zonder dat ze begrijpt hoe het gebeurt verricht de Heer in haar zo’n uitstekend werk dat de ziel in grote zuiverheid, één wordt met de Heer van de liefde zelf, die God is. Want noch de zinnen, noch de vermogens, ik verduidelijk, het verstand en het geheugen, leggen iets in de weg. Ook de wil kan er niet langer bij.
  5. Nu vraag ik me af of er een verschil bestaat tussen de wil en de liefde. Mij dunkt van wel. Het is misschien dwaas, ik weet het niet. De liefde lijkt mij een
    pijl die door de wil wordt afgeschoten. Neemt hij zijn vlucht met alle mogelijke kracht, reeds vrij van alle aardse dingen, alleen op God gericht, echt, dan moet hij Zijne Majesteit treffen. Zodanig dat, doorgedrongen in God zelf die liefde is, hij er met oneindige voordelen uit weerkeert, zoals ik ga zeggen. Het is daarover dat sommige mensen me hebben ingelicht. Mensen aan wie de Heer de grote gunst schonk hen tot die graad van gebed te brengen. Hij voert hen tot die heilige verrukking door de vermogens buiten dienst te stellen. Alleen aan hun uiterlijk zie je dat zij zichzelf niet meer toebehoren. Ondervraagd over wat ze ervaren, kennen zij geen enkel middel om het uit te leggen en ze hebben het nooit gekund. Hoe de liefde werkzaam is in de toestand waarin ze zich bevinden konden ze nimmer begrijpen.
  6. De onmetelijke voordelen die de ziel eruit haalt worden duidelijk door de gevolgen, de deugden, het levendige geloof dat haar bijblijft en de geringschatting van het aardse. Maar hoe werden die weldaden en datgene waar de ziel van geniet haar gegeven? Ze begrijpt het helemaal niet tenzij bij de aanvang waar de zoete genieting onmetelijk is. Er gebeurt dus klaar en duidelijk wat de Bruid zegt: de wijsheid van God vult hier aan wat de ziel ontbreekt. Hij ordent alles opdat ze op dit ogenblik onuitsprekelijke gunsten zou verkrijgen. Want, hoe zou zij ze verdienen, buiten zichzelf als ze is, zo geheel in beslag genomen dat haar vermogens niet in staat zijn te werken? En zou het kunnen dat God haar zo’n grote gunst verleent opdat ze haar tijd verliest en niets van Hem bekomt? Dat is niet te geloven.
  7. O Gods geheimen! Hier heeft het verstand zich slechts over te geven en te bedenken hoe onmachtig het is Gods grootheden te vatten. Het past dat we hier even terug denken aan wat de heilige Maagd, Onze-Lieve-Vrouw, in al haar wijsheid vroeg aan de engel: „Hoe zal dat geschieden?” En toen deze haar gezegd had: „U zult ontvangen van de heilige Geest en de Allerhoogste zal U overschaduwen”, kende ze geen behoefte om te redetwisten. Door tussenkomst van deze beide dingen begreep zij in haar zo groot geloof en haar wijsheid meteen, dat er niets was waarover ze méér moest weten, noch waaraan ze hoefde te twijfelen. Wat niet het geval is bij bepaalde geleerden (die de Heer niet langs deze weg van het gebed voert en die in de verste verte geen idee hebben van dit innerlijk geestelijk leven) die de dingen zo volgens de rede willen leiden, verstandelijk zo flink in orde, alsof ze met hun kennis al Gods grootheden moeten vatten. Waarom nemen ze geen voorbeeld aan de nederigheid van de allerheiligste Maagd!
  8. O mijn lieve Vrouw, hoe juist is het dus dat we van U kunnen leren wat er zich volgens het Hooglied afspeelt tussen God en de Bruid! In de getijden van Onze-Lieve-Vrouw die we elke week reciteren is het te zien, dochters. Je vindt er veel over in de antifonen en in de lezingen. Wat de andere zielen betreft, ieder zal kunnen begrijpen wat God haar te verstaan geeft en duidelijk inzien of ze ertoe gekomen is enkele van die genaden te ontvangen, overeenkomstig deze waarvan de Bruid zegt: „Hij ordende in mij de liefde.” Doordat zij niet weten waar zij vertoefden, noch hoe zij, verwend als ze waren door de Heer, Hem tevreden stelden, noch wat er van hen gewerd, hebben ze Hem geen dank gezegd.
  9. O van God beminde ziel! Maak je geen zorgen wanneer Zijne Majesteit je hier brengt en je zo allerliefst toespreekt. Het wordt je wel duidelijk door de woorden die de Bruid zegt in het Hooglied. Woorden als: „Wat ben je gans mooi mijn vriendin” en veel andere waardoor zij toont hoe tevreden Hij over haar is, zoals ik zei. Je mag geloven dat Hij op dit ogenblik geenszins duldt dat ze Hem mishaagt maar dat Hij haar boven haar onwetendheid helpt uitstijgen om nog meer tevreden over haar te zijn. Hij ziet dat ze voor zichzelf verloren is, buiten zichzelf van liefde tot Hem en dat dezelfde kracht van de liefde haar het verstand ontnomen heeft opdat ze Hem beter zou kunnen beminnen. Ja, Zijne Majesteit zal niet dulden — Hij is het niet gewoon — Hij zal niet kunnen weigeren Zichzelf te geven aan haar, die zich helemaal wegschenkt.
  10. Mij dunkt dat Zijne Majesteit met glazuur dit goud verrijkt dat door zijn genade reeds werd klaargemaakt en beproefd op duizenderlei manieren, om na te gaan hoe zwaar de liefde weegt van deze ziel. Zij die daar gekomen is zou het kunnen beschrijven. Deze ziel die ik met goud vergelijk, blijft als goud al die tijd onbeweeglijk, zonder persoonlijke werkzaamheid. En de goddelijke Wijsheid, over haar voldaan (want heel zeldzaam zijn degenen die Hem met zoveel kracht beminnen) plaatst in dit goud een aantal kostbare stenen en glazuren met duizend versierselen.
  11. Maar wat doet de ziel in die tijd? Dat is het onverstaanbare. Er is niet méér over te weten dan wat de Bruid er van zegt: „Hij ordende in mij de liefde.” Indien ze liefheeft weet zij tenminste zelf niet hoe het gebeurt en ze begrijpt niet wat ze bemint. De overgrote liefde van de Koning, die haar tot zo’n hoge staat opvoerde, moet de liefde van deze ziel zodanig met de Zijne verenigd hebben dat het verstand niet waardig is het te begrijpen. Beider liefde is nog slechts één. Hoe zou het verstand erbij kunnen wanneer de ziel zo in de waarheid bevestigd is, verenigd met de liefde van God? In die tijd, die nooit lang duurt maar eerder kort is, verliest het verstand die liefde uit het oog. En dan ordent God de dingen zo, dat de ziel goed beseft dat ze Zijne Majesteit voldoet en ook daarna zal voldoen zonder dat het kenvermogen erbij kan, zoals ik zei. Maar later zal het zeer goed begrijpen, als het de ziel geëmailleerd en met stenen en parels van deugden die zijn bewondering wekken, bezet ziet. Dan kan het zeggen: „Wie is deze die schittert als de zon?”
    O ware Koning, hoe had de Bruid gelijk U zo te noemen! U kunt rijkdommen schenken in een ogenblik. Ze neerleggen in haar die er voor altijd van geniet. Hoe geordend is de liefde in deze ziel!
  12. Ik ga goede getuigenissen kunnen geven, want ik heb enkele voorbeelden gezien. Ik herinner me iemand aan wie de Heer in drie dagen zoveel goede dingen gaf dat het mij onmogelijk zou geschenen hebben, indien lange jaren van beproeving en een voortdurende vooruitgang me niet verplichtten het te geloven. Hetzelfde gebeurde aan iemand anders in drie maanden. Beiden waren jong. Ik zag er anderen voor wie God een lange tijd nam om deze gunsten te schenken. Ik sprak over die twee daar en ik zou er nog een paar kunnen aanhalen, opdat je zou weten dat als ik hier schrijf hoe zeldzaam de zielen zijn aan wie de Heer deze gunsten verleent, zonder dat ze jarenlang beproefd werden, er toch wel enkelen zijn. We moeten een Heer die zo groot is en er zo naar verlangt ons te begunstigen, geen grenzen stellen. Je ziet wat er vrij regelmatig gebeurt wanneer de Heer een ziel verheft om haar te begenadigen. Ik verduidelijk dat het gaat om goddelijke genaden en niet om illusies of melancholie, of pogingen van de natuur zelf. De tijd wijst het uit en toont trouwens ook die andere weldaden. Zo’n sterke deugden houden stand. De liefde is zo brandend dat ze niet te verbergen is, want altijd, zelfs zonder het te willen, doen deze zielen andere zielen vorderingen maken.
  13. „De Koning ordende in mij de liefde.” Zo goed dat de liefde die ze de wereld toedroeg haar verlaat en de genegenheid die ze voor zichzelf koesterde in onverschilligheid verandert. Haar verwanten bemint ze alleen nog om God. Haar liefde voor de naaste en voor haar vijanden groeit zodanig dat je het zonder bewijzen niet zou geloven. Haar mateloze liefde voor God beklemt haar soms meer dan haar zwakke natuur kan dragen. En daar ze zich voelt begeven en sterven, zegt ze: „Stut mij met bloemen en sterk mij met appelen, want ik kwijn weg van liefde.”

HOOFDSTUK 7
Het groot verlangen van de Bruid veel voor God en voor de naaste te lijden.
De grote vruchtbaarheid voor de Kerk, van de zielen die de goddelijke vereniging genieten en van elk eigenbelang onthecht zijn.

„Ondersteun mij met bloemen,
sterk mij met appelen
want ik kwijn weg van liefde.”
(Hoogl. 2,5)

  1. O goddelijke taal die te pas komt bij mijn onderwerp! Wat zeg je, heilige Bruid! Doet deze liefdevolle zoetheid je sterven? Inderdaad, naar men me
    zei is deze soms zo ondraaglijk dat de ziel, ontsteld, geen kracht meer heeft om te leven en jij vraagt bloemen. Om welke bloemen gaat het? Een hulpmiddel zijn ze niet, tenzij je ze vraagt om helemaal dood te gaan, want het is wel zo, dat de ziel die daar gekomen is niets meer verlangt. Toch is de uitdrukking: „Stut mij met bloemen” dát niet. Deze steun vragen lijkt me niet de dood vragen, maar het leven. Hem een weinig dienen aan Wie men zoveel verschuldigd is.
  2. Meen niet, dochters, dat ze, zoals ik zei, overdrijft wanneer ze zegt dat ze sterft, het is echt zo. Vaak werkt de liefde zo intens dat ze zich meester maakt van al onze natuurlijke krachten. Ik ken iemand die tijdens het gebed een mooie stem hoorde zingen en, was aan die zang geen einde gemaakt, dan stond, naar ze beweert, haar ziel op het punt haar te verlaten, zo groot was de lust en was de zoetheid die de Heer haar liet genieten. Zijne Majesteit onderbrak dit lied daar zij, in vervoering, eraan had kunnen sterven vermits ze niet bij machte was te vragen ermee op te houden. Ze kon zich onmogelijk veruitwendigen, noch zich bewegen. Ze vatte best in welk gevaar ze verkeerde. Het is zoals wanneer je in een diepe slaap droomt over een toestand waar je verlangt uit te komen, maar je niet bij machte bent te spreken, ook al zou je het willen!
  3. Hier verlangt de ziel niet uit weg. Zonder enig verdriet maar met grote tevredenheid wil ze er zelfs blijven, want dat is het wat ze verlangt. Hoe gelukkig zou het zijn gedood te worden door de handen van deze liefde. Maar van tijd tot tijd toont Zijne Majesteit haar klaar en duidelijk hoe goed het is dat ze leeft. Daarbij merkt ze dat haar zwakke natuur dit geluk niet zou kunnen dragen indien het lang zou. duren. Ze vraagt Hem een ander geluk dat haar uit dit onmetelijk grote weghaalt. Ze spreekt als volgt:
    „Ondersteun mij met bloemen.” Deze bloemen geuren anders dan wat wij op aarde inademen. Ik versta dat de ziel erom vraagt grote werken te mogen verrichten in dienst van de Heer en van de naaste. Daarom is ze gelukkig afstand te doen van deze genoegens en deze vreugde. Daar het meer een actief dan een contemplatief leven zal zijn, is het voor haar alsof haar ziel erbij zal verliezen zo Hij haar geeft waar ze om vraagt. In deze toestand houden, op enkele dingen na, Maria en Martha niet op samen te werken. Want bij het actieve leven dat de schijn heeft uiterlijk te zijn is het innerlijke werkzaam. En wanneer de actieve werkzaamheden uit deze wortel opschieten brengen ze bewonderenswaardige en rijkgeurende bloemen voort, daar ze uit deze boom van de liefde Gods geboren worden, voor Hem alleen, zonder enig persoonlijk belang. En het parfum van deze bloemen verspreidt zich ten voordele van talrijke mensen. Het is een duurzaam parfum dat niet vlug vervliegt, maar een grote uitwerking heeft.
  4. Opdat je het goed zou begrijpen, wil ik me nader verklaren. Een predikant houdt een sermoen voor het welzijn van de zielen, maar is te weinig onthecht aan alle menselijke voordelen om niet te trachten een beetje te behagen, eer en aanzien te ontvangen, of de hoop te koesteren, wanneer hij goed preekt, kanunnik te worden. Zo is het ook dikwijls wanneer we iets anders voor de naaste doen, het doen met een goede bedoeling, weldoordacht om er niets bij te verliezen en niet te mishagen. We vrezen de vervolging, willen aangenaam zijn aan de koningen, aan de heren, aan het volk en we gedragen ons volgens de voorzichtigheid die zo gehuldigd wordt in de wereld. Deze houding dekt een groot aantal onvolmaaktheden omdat het zogezegde voorzichtigheid is en geve God dat het die naam verdient.
  5. Ongetwijfeld dienen deze mensen Zijne Majesteit en zijn ze zeer nuttig. Maar noch de werken, noch de bloemen, door de Bruid gevraagd zijn van die aard. Zij beogen alleen maar de eer en de glorie van God in alle dingen. Want — zoals enkelen me lieten verstaan – denken de zielen die door de Heer tot deze toestand zijn gebracht, niet méér dan alsof ze niet zouden bestaan, aan zichzelf noch aan wat ze kunnen verliezen of winnen. Ik geloof dat het zo is. Ze denken alleen maar aan het dienen en het tevreden stellen van de Heer. En daar zij weet hebben van de liefde die Hij zijn dienaren toedraagt, is het hun aangenaam eigen smaak en eigen voordeel opzij te zetten om Hem te behagen. Dit door dienstbaar te zijn en hun zo goed mogelijk de waarheden mee te delen opdat het nuttig zou zijn voor hun zielen. Zoals ik zeg, vragen ze zich niet af of ze er zelf bij verliezen, alleen de vooruitgang van de medemens staat hen voor ogen en niets anders. Om God beter te behagen vergeten ze zichzelf om Hem. Wagen ze, zoals veel martelaren, hun leven om er te komen. Hun woorden zijn met een sublieme liefde tot God omgeven en dronken van die goddelijke wijn vergeten ze alles. Denken ze daaraan terug, dan stoort het hen niet de mensen te mishagen. Zij doen zeer veel goed.
  6. Het valt me plots te binnen, hoe ik zeer vaak aan die heilige Samaritaanse dacht, die van hetzelfde kruid moest gestoken zijn. Ze begreep zeer goed de woorden van de Heer in haar hart en verliet Hem zelf opdat de mensen van haar dorp er zouden bij winnen en er hun voordeel mee doen. Dit is een goede illustratie bij mijn woorden. Als loon voor haar grote liefde won ze het vertrouwen en mocht ze zien hoeveel goed de Heer in die stad verrichtte?. Zelf getuige zijn van het goed dat men de zielen deed, lijkt me een van de allergrootste vertroostingen die op aarde te vinden zijn. Dan eet men, dunkt mij, de heerlijke vruchten van deze bloemen. Zalig zij aan wie de Heer deze gunsten verleent. Zij zijn tenzeerste verplicht Hem te dienen. Goddelijk dronken, ging die heilige vrouw roepend langs de straten. Het verwondert mij te zien dat men een vrouw geloofde en ze was daarbij nog niet zeer vooraanstaand, vermits ze naar buiten kwam om water te putten. Nederig was ze zeker, want toen de Heer haar over haar fouten sprak werd ze niet boos (zoals de wereld, die op vandaag moeilijk de waarheid verdraagt) maar ze zei Hem dat Hij wel een profeet moest zijn. Nu, men had vertrouwen in haar en alleen maar op haar woord verliet een grote menigte de stad om de Heer te gaan ontmoeten.
  7. Ik zeg dus dat, degenen die gedurende jaren met Zijne Majesteit omgingen, vermits ze van Hem gaven en genoegens ontvangen, geen pijnlijke opdrachten noch het dienstbaar zijn tot het uiterste, willen weigeren, ook al worden ze daardoor van die heerlijkheden en vreugden beroofd. Ik zeg dat de geur veel duurzamer is van die bloemen en van die pas ontloken en voortgebrachte werken op de boom van zo’n brandende liefde. De ziel wint veel meer door deze woorden en daden dan door al wat voortkomt uit het stof van onze zinnelijkheid en vanuit een zeker eigenbelang.
  8. Dit zijn de bloemen die de vrucht voortbrengen. Dit zijn de appelen waarvan de Bruid weldra zegt: „Versterk mij met appelen”. Sta toe dat ik
    beproefd word, geef mij vervolgingen, Heer. Zij verlangt ze waarlijk en trekt zich flink uit de slag ook. Vermits ze niet meer aan eigen voldoening denkt, maar aan de voldoening van God, vindt ze er haar vreugde in een weinig het zeer pijnlijke leven dat Christus kende, na te volgen. In de appelboom zie ik de boom van het Kruis, want op een andere plaats in het Hooglied wordt gezegd: „Onder de appelboom heb ik je gewekt”. Leven temidden van kruisen, beproevingen en vervolgingen is voor de ziel een sterk middel om zich niet doorgaans alleen maar te wijden aan de genoegens van de beschouwing. Het lijden is haar een bron van levendig genot maar het verteert haar niet en verbruikt niet haar krachten, zoals dit wel het geval zou zijn indien de opheffing van de vermogens bij de beschouwing bestendig
    duurde. Kortom, ze heeft gelijk dit te vragen vermits niet alles genotvol moet zijn zonder een weinig te dienen en te zwoegen. Ik merk het heel goed aan sommige mensen (talrijk zijn ze niet omwille van onze zonden) die, hoe verder gevorderd in dit gebed en hoe meer verwend door de Heer, des te vlugger zijn om de medemens te helpen, vooral dan naar de ziel. Zoals ik bij het begin zei zouden ze, dunkt mij, meermaals hun leven geven om er een enkele aan de doodzonde te onttrekken.
  9. Wie zou dit kunnen bijbrengen aan hen die God met zijn gaven begint te verrijken! Ze gaan misschien denken dat die mensen hun leven verknoeien en dat ze iets beters te doen hebben, namelijk in bun hoekje te blijven om ervan te genieten. Het is naar mijn mening door de voorzienigheid van de Heer, dat ze niet begrijpen tot waar die andere zielen gekomen zijn. Want met de ijver van beginnelingen zouden ze dadelijk een sprong willen maken tot datgene wat voor hen nog niet past. Ze zitten nog in de kinderschoenen, moeten nog enkele dagen met de melk gevoed worden waarover ik het aanvankelijk had. Laat ze vertoeven aan de goddelijke borst. De Heer zal ervoor zorgen dat ze verder gaan zodra ze sterk genoeg geworden zijn. Anders zouden ze niet zo heilzaam zijn voor hun medemensen als ze wel
    denken, ze zouden eerder zichzelf schaden. In het boek waarover ik sprak*, zul je vinden op welk ogenblik een ziel met het helpen van anderen moet beginnen en waarin het gevaar bestaat, uit te gaan vóór de tijd er is. Daar het allemaal uitvoerig beschreven werd, spreek ik er hier niet over en ga ik er niet verder op in. Want bij de aanvang was mijn enig doel, je te laten begrijpen hoe je van enkele woorden van het Hooglied, wanneer je ze hoort, kunt genieten en de grote mysteries die ze bevatten kunt overwegen, ook al zijn ze duister voor je verstand. Het zou vermetel zijn hierover nog verder uit te wijden.
  10. Mocht het de Heer behagen dat ik niet vermetel was bij wat ik gezegd heb. Ik schreef alleen om te gehoorzamen aan hem, die het me oplegde. Laat Zijne Majesteit dit alles gebruiken, want zo er iets goeds in zit, geloof gerust dat het niet van mij komt. De zusters die met me samenleven weten hoe haastig ik geschreven heb omwille van mijn vele bezigheden. Vraag Zijne Majesteit dat ik dit allemaal uit ondervinding mag begrijpen. Dat degene die meent een van deze gunsten van de Heer ontvangen te hebben Hem groot maakt en Hem tenslotte bidt niet de enige te zijn die erbij wint. Mocht het de Heer behagen ons bij de hand te houden en ons steeds zijn wil te leren volbrengen. Amen.

Teresia von Avila, Mystieke Werken 3 Bd. Gent 1980 (uitg. Carmelitana) Bd 1, Hooglied, pag. 263-328