
Chanson d’automne
Les sanglots longs
Des violons
De l’automne
Blessent mon cœur
D’une langueur
Monotone.
Tout suffocant
Et blême, quand
Sonne l’heure,
Je me souviens
Des jours anciens
Et je pleure
Et je m’en vais
Au vent mauvais
Qui m’emporte
Deçà, delà,
Pareil à la
Feuille morte.
(Paul Verlaine)
Herfstlied
Het trage, verholen
geklaag van violen
om ’t jaar dat verglijdt
doorschrijnt mijn gemoed
dat verkwijnt en verbloedt
aan de tijd.
Verblekend en bevend,
meer stervend dan levend
als weer het uur slaat,
ga ik op in verdriet
en ik ween om wat niet
meer bestaat.
En de euvele wind
voert mij mee, en ik vind
licht noch pad,
maar dwaal veeg en ontkracht
her en der door de nacht:
een dor blad.
vertaling W. Jonker
Herfstliedje
(min of meer) naar Verlaine
Mijn lief, ik kon er plots niet langer tegen:
de herfst, de droeve tonen van de regen
en dat gejammer op je altviool.
Ik heb je hart er netjes uitgekregen
nadat ik eerst je keel had dichtgesnoerd.
De klokken luidden toen ik – toch geroerd –
je bleke lichaam begon uit te benen.
Ik weende en ik voelde me een ploert.
Nu moet ik gaan. De wind verwaait je kreten
en voert mij weg vanwaar jij wordt vergeten:
de groeve met je strijkstok langs het pad…
Ik heb er flink wat herfstblad op gesmeten.
Gé van den Bovenkamp
O Dood, geheime nachtegaal
Die in de donkere hagen zingt
Uw nooit ontraadselbaar verhaal
Dat tot in ’t diepst der harten dringt,
En lokt ons beiderzijds van ’t pad
Over het dompe dove mos
Voort van de wemellichte stad
Naar ’t ver en stil en duister bos, –
Ik volg u, dood, zing gij mij voor,
Ik zal niet talmen aan de zoom,
Dat ik de laatste sterregloor
Ontvinge voor mijn laatste droom.
Wat is herinnering van licht?
Ik ben tot duisternis bereid.
Onhoorbaar sluit de nacht zich dicht…
Mijn ziel wordt vol van eeuwigheid.
P.N. van Eijck
Regen
Naar Paul Verlaine.
Het regent in ’t hart
Lijk het regent op straat.
Welk is toch die taal,
Die in ’t harte mij gaat?
O regen vol klanken,
Die valt op mijn smart,
Hoe zoet is uw lied
Voor ’t gepijnigde hart.
Het regent zoo maar in
Dit moedeloos hart.
Geen enkele reden…
Het regent zoo hard.
Het is wel de moeite
zoo rouwend te zijn.
Niet minnend, niet hatend,
Mijn hart heeft zoo’n pijn.
Gaston Durnez.
Een oktobernamiddag
De zon schijnt, een curve in de weg
voert ons mee naar het binnenste
van de aarde en van de herinnering.
De aarde is dor en koperkleurig,
en de herinnering vaag als
onzekere golven van gevoelens
die in de lucht hangen.
De stilte, soms vergezeld
van het onrustige gekwetter
van een kolibrie in de verte,
in de dichte nevel
van witte wolken.
Ik vermoed een gestalte,
die wegglipt tussen het struikgewas,
onrustig beweegt,
uit angst voor de eenzaamheid.
Met het gewicht der herinnering
aan een veroordeling.
Van een schipbreuk.
Van het vergeten.
Het hart klopt nog nauwelijks
tussen de dorre takken van de granaatbomen,
die hun rode vruchten laten vallen
bij elke zonnewende.
Salomé Molto, Spanje
Vertaling Germain Droogenbroodt

Ondergang
Een herfstnatte nacht, witte nevelhanden,
zilvergrijze strepen trekken in mijn haar,
als geen vuur en geen verlangen wil branden,
een ijskoude nacht waar leven en lust vergaan,
waarin de storm jankt in de kale takken,
nee, geen storm, slechts heel stil gesnik,
dat bibbert als een hart dat alleen
troost vindt in dit pure verdriet,
dan zal ik opgaan in de grote ster,
die verbleekt in de gloed van het vroege ochtendrood,
dan blijven alle dagen even ver,
ben ik een kind in een koude herfstschoot.
Ja, ik ben weer kind, en alles was een droom,
nu ben ik wakker, droomloos en mal,
iets draagt mij over de eeuwige stroom,
en ik word een klank in het grote heelal.
Tove Ditlevsen (1917-1976)
Am Rande der Nacht
Meine Stube und diese Weite,
wach über nachtendem Land, –
ist Eines. Ich bin eine Saite,
über rauschende breite
Resonanzen gespannt.
Die Dinge sind Geigenleiber,
von murrendem Dunkel voll;
drin träumt das Weinen der Weiber,
drin rührt sich im Schlafe der Groll
ganzer Geschlechter…
Ich soll
silbern erzittern: dann wird
Alles unter mir leben,
und was in den Dingen irrt,
wird nach dem Lichte streben,
das von meinem tanzenden Tone,
um welchen der Himmel wellt,
durch schmale, schmachtende Spalten
in die alten
Abgründe ohne
Ende fällt….
R.M. Rilke
UNLESBARKEIT dieser
Welt. Alles doppelt.
Die starken Uhren
geben der Spaltstunde recht,
heiser.
Du, in dein Tiefstes geklemmt,
entsteigst dir,
für immer.
Paul Celan
Paul Verlaine †
1
Men mocht wel willen in donzen woorden
van hem te hooren, nu hij pas
dood is en wat zijn leven was
voor ’t eerste stil gaat worden; stoorden
nu woorden niet in zijn beginnen
der vredigheid hem toegebracht
en in den schuwen ernst betracht
door ons, die ons willen bezinnen
over het sidderende, dat wij vonden
in ons; zóó het opeens lag neer
in donker, lijden van een zeer
verborgen iets en zeer geschonden.
2
Hoe zoet gesloten, toegesloten
en goed geborgen in donkernis
buiten, waar lente komende is
met regen onder de lucht de bloote
een man, die heeft zijn afgewende
leven stil voor zich heen gevoerd,
een povere maar een ontroerd
teedere en hij in zijn ellende
was tot den eenigen zin gekomen
des levens: dat wij wezen zouden
verscholen, in geduld gehouden
en wegverloren, zóó eerst vromen.
Een wijze – en om den doode is veel
van zoetheid en mijmering gebleven
en het bemoeien en dóórleven
der menschen heeft aan hem geen deel.
Januari 1896
J.H. Leopold
Aanroep
O, dichter der bloemen des boozen,
Krank hart op den bitteren stroom,
Bezinger van satan, godloòze,
Ik zag U deez’ nacht in den droom.
O dichter der bloemen des boozen.
Gij boogt U bij ’t marmeren bekken,
Waarin, uit bebeeldhouwden zuil,
Doods troosten, erbarmen en wekken
Zich uitgoot in schuim, tot een tuil.
Gij boogt U bij ’t marmeren bekken,
Ontluikend, half knop nog, een jongen,
Bedekt slechts met zonlicht, want bloot,
De laatste Uwer lusten bedwongen
In ’t bed van den sluimrenden schoot,
Ontluikend, half knop nog, een jongen.
Mismaakten, gebrooknen en grijzen,
Het onkruid, dat bloeit door Uw taal,
Het volk Uwer weenende wijzen,
Hùn bood gij het heil in Uw schaal,
Mismaakten, gebrooknen en grijzen.
O, dichter der bloemen des boozen,
Nu ’t kleed van ellende U ontviel,
Heeft God U tot schenker gekozen
Gij knaapje in het naaktst van Uw ziel,
O dichter der bloemen des boozen.
Aart van der Leeuw
Clara Haskil (1895-1960)
Onder haar paraplu
van schuwheid
sloop zij naar de Bechstein
gebocheld monster op het toneel
Niet komisch die bronchitis
toch: improviseren met
39 graden koorts gaf scherpe hagel
de duivel steeds haar beste vriend
Wie had het niet op haar gemunt?
Schubert en Ravel dirigeerden
met touwtjes uit de hemel
kietelend hun favoriete marionet
Publiek bang muisstil want geniaal
spel – maar twijfel: ‘Waarom niet kokkin
met tiichtig schort?’ zo vroeg
zij aan buurman Chaplin in Vevey
Klaviergekkin en clown
gaven elkaar een afwaskwast!
Jaap Harten

La fée verte
Een goed idee! Ik dank u voor de hint.
Maar of ze het nog ergens produceren?
Waar vind je nog in Nederland absint?
Tachtig procent! En dan die groene tint…
Het brengt je razendsnel in hoger sferen.
Een goed idee! Ik dank u voor de hint.
Verlaine en Rimbaud (toen nog bevrind)
gingen er prachtig van hallucineren.
Waar vind je nog in Nederland absint?
En Oscar Wilde? Die dronk het graag per pint?
Zodat-ie het als bier kon camoufleren?
Een goed idee! Ik dank u voor de hint.
Ook hier maakt onbekend weer onbemind.
Zelfs wraak kun je er prima mee maskeren.
Waar vind je nog in Nederland absint:
één fles per dag en ze wordt stekeblind,
de schoonmoeder die me zag masturberen.
Een goed idee! Ik dank u voor de hint.
Waar vind je nog in Nederland absint?
Gé van den Bovenkamp
LIEBE
Ich liege mit nassen Augen unter der Sonne.
Ich weine, weil mich das Leben hält. Es schüttern
Schmerz und Süße über meine Seele. Allumfassende Liebe…!
Es ist nicht wahr, dass der Mensch nur der Erde eigen ist.
Er ist auch des Himmels Eigentum, auch des Himmels…
Die Sonne allein trocknet meine Tränen nicht. Sie hat
sich heute morgen mit dem Sturm vermählt. Nun liege ich
mit nassen Augen in Sonne und Sturm.
Ich liege auf des Berges höchster Wiese. Diese Landschaft
rings ist die Welt. Weil ich sie liebe, ist sie groß und schön.
Der Himmel aber hat mich längst von oben umfangen.
Schweigen ist die größte Gnade…
Ich liege auf der Erde unter Sonne und Sturm.
In meinen nassen Augen fließt der blaue Himmel über.
Schweigen ist die größte Gnade.
Gertrude Rakovsky, 1923-2002
‘Promontoire’ 1
Onze parasol staat open
kus me, wankel evenwicht
de schemer heeft drempelvrees
we hebben ons in zijn almacht
vergist: 5 weken lang
dat celluloid geluk van een ster-
reklame: bruingebakken
berberleeuwen met een sigaret
je snoekt in ons zwembad
waar de poolsweep gorgelt
en weer ben je de naakte spierbal
uit mijn jongensdromen: koppige
Oskar, op de springplank opeens kuis verward
voor 2 hetekolen ogen van tuinman Mahjoubi
Randam, die zijn tunesisch gekruide
saffie rookt, uitdagend beschaamd
door het zichtbaar opspelen
van zijn vliegbrevet
Jaap Harten
‘Promontoire’ 2
In dit gedicht veel frans
want gesitueerd in F-06370 Mouans-Sartoux
onze studio is strak gedecoreerd, in contrast
tot ‘les facades du Palais-Promontoire’
waarover Rimbaud schreef, toch
van die naam ik de dief
mijn buurvrouw speelt patience
eens was zij soubrette in Parijs
met te veel tralala
weet zij nog details uit die tijd
voor heren de lekkerste suikerspin
met autoclaxons gehuldigd op straat
o mijn vader 5 km hiervandaan onder steen
met het ouderworden luister ik naar hem
hij hield van haring met uitjes in Watergraafsmeer
keek naar voetbal en dreigende Zeppelins
hij was een hollands heer, koppig en stil
hij hield van mij maar dat las ik te laat
Jaap Harten
CIERRO LOS OJOS
Une rose dans les ténèbres.
MALLARMÉ.
Cierro los ojos y el negror me advierte
Que no es negror, y alumbra unos destellos
Para darme a entender que sí son ellos
El fondo en algazara de la suerte,
Incógnita nocturna ya tan fuerte
Que consigue ante mi romper sus sellos
Y sacar del abismo los mas bellos
Resplandores hostiles a la muerte.
Cierro los ojos. Y persiste un mundo
Grande que me deslumbra así, vacío
De su profundidad tumultuosa.
Mi certidumbre en la tiniebla fundo,
Tenebroso el relámpago es más mío,
En lo negro se yergue hasta una rosa.
Jorge Guillén
Ik sluit mijn ogen
Een roos in de duisternis.
MALLARMÉ.
Ik sluit mijn ogen en de zwartheid waarschuwt mij
Dat het geen zwartheid is, en ontsteekt glimpen
Om mij te laten weten dat het, inderdaad,
De luidruchtige diepten van het lot zijn,
Een nachtelijk mysterie, zo krachtig
Dat het zijn zegels voor mij verbreekt
En uit de afgrond de schoonste
Schitteringen haalt, vijandig aan de dood.
Ik sluit mijn ogen. En een weidse wereld blijft bestaan,
Verblindt mij zo – leeg
Van haar eigen woelige diepte.
Ik grondvest mijn zekerheid in het duister;
De donkere bliksem is meer werkelijk van mij,
En in de zwartheid rijst een roos op.
Jorge Guillén
Paul Verlaine
I
Gekweld door drankzucht, somberheid, migraine
Maar voortgestuwd door dichterlijk elan
Poète maudit, de Pauvre Lelian,
Symbolisch anagram voor Paul Verlaine
Impressionisme was voor hem geen pose
Maar echt ‘de la musique avant toute chose’
II
De invloed van Rimbaud op hem was groot
Zo bracht diens levensstijl tot veler ijzen
De mens Verlaine onder in de goot
Toen die vertwijfeld op zijn voorbeeld schoot
Verlaine zou als dichter groots herrijzen
De letterkunde mag Rimbaud wel prijzen
III
Verlaine die zichzelf als landman ziet
-Een droom die hij als roeping haast ervoer –
Gaat met zijn boerenarbeid snel failliet
Terwijl zijn dichtwerk steeds meer faam geniet
Het boeren is een kunst, een hele toer
En dichten… och, dat kan de stomste boer
Frits Criens
LE FEUILLAGE ÉCLAIRÉ
I
Dis-tu qu’il se tenait sur l’autre rive,
Dis-tu qu’il te guettait à la fin du jour ?
L’oiseau dans l’arbre de silence avait saisi
De son chant vaste et simple et avide nos cœurs,
Il conduisait
Toutes voix dans la nuit où les voix se perdent
Avec leurs mots réels,
Avec le mouvement des mots dans le feuillage
Pour appeler encor, pour aimer vainement
Tout ce qui est perdu,
Le haut vaisseau charge de douleur entraînait
Toute ironie loin de notre rivage,
Il était l’ange de quitter la terre d’âtres et de lampes
Et de céder au goût d’écume de la nuit.
II
La voix était d’ironie pure dans les arbres,
De distance, de mort,
De descellement d’aubes loin de nous
Dans un lieu refusé. Et notre port
Était de glaise noire. Nul vaisseau
N’y avait jamais fait le signe de lumière,
Tout commençait avec ce chant d’aube cruelle,
Un espoir qui délivre, une pauvreté.
C’était comme en labour de terre difficile
L’instant nu, déchiré
Où l’on sent que le fer trouve le cœur de l’ombre
Et invente la mort sous un ciel qui change.
III
Mais dans les arbres,
Dans la flamme des fruits à peine aperçue,
L’épée du rouge et du bleu
Durement maintenait la première blessure,
La soufferte puis l’oubliée quand vint la nuit.
L’ange de vivre ici, le tard venu,
Se déchirait comme une robe dans les arbres,
Ses jambes de feuillage sous les lampes
Paraissaient, par matière et mouvement et nuit.
IV
Il est la terre, elle l’obscure, où tu dois vivre,
Tu ne dénieras pas les pierres du séjour,
Ton ombre doit s’étendre auprès d’ombres mortelles
Sur les dalles où vient et ne vient pas le jour.
Il est la terre d’aube. Où une ombre essentielle
Voile toute lumière et toute vérité.
Mais même en lieu d’exil on a aimé la terre,
Tant il est vrai que rien ne peut vaincre l’amour.
Yves Bonnefoy

VERLICHT BLADWERK
I
Zeg je dat hij aan de overkant stond?
Zeg je dat hij je aan het einde van de dag gadesloeg?
De vogel in de boom van de stilte had gegrepen
Met zijn immense, eenvoudige en verlangende lied,
leidde hij
Alle stemmen de nacht in, waar stemmen verloren gaan
Met hun ware woorden,
Met de beweging van woorden in het gebladerte
Om opnieuw te roepen, om tevergeefs lief te hebben
Al wat verloren is,
Het hoge schip beladen met verdriet droeg
Alle ironie ver van onze kust,
Het was de engel van het verlaten van het land van haarden en lampen
En het toegeven aan de smaak van het schuim van de nacht.
II
De stem was pure ironie in de bomen,
Van afstand, van dood,
Van ontluikende dageraad ver van ons
Op een verboden plek. En onze haven
Was van zwarte klei. Geen schip
Had daar ooit zijn licht gesignaleerd,
Het begon allemaal met dit lied van wrede dageraad,
Een hoop die verlost, een armoede.
Het was alsof je moeilijk land ploegde
Het naakte, verscheurde moment
Wanneer je voelt hoe het ijzer het hart van de schaduw raakt
En de dood uitvindt onder een veranderende hemel.
III
Maar in de bomen,
In de nauwelijks zichtbare vlam van fruit,
Houd het rood-blauwe zwaard
De eerste wond hardhandig vast,
Degene die leed, en vervolgens vergeten werd toen de nacht viel.
De engel van het leven hier, de laatkomer,
Scheurde zichzelf als een gewaad in de bomen,
Zijn bladerrijke benen onder de lampen
Verschenen, door materie en beweging en nacht.
IV
Het is de aarde, de donkere, waar je moet leven,
Je zult de stenen van je woning niet verloochenen,
Je schaduw moet zich verspreiden naast sterfelijke schaduwen
Op de plavuizen waar de dag komt en niet komt.
Het is het land van de dageraad. Waar een essentiële schaduw
Al het licht en alle waarheid verhult.
Maar zelfs in ballingschap werd de aarde bemind,
Zo waar is ze dat niets de liefde kan overwinnen.
Yves Bonnefoy
Google vertaling
Smerig
Ik voel me ernstig door de bieb bedot
Ze krijgen het nog zwaar als ik ga klagen
Zo’n vunzig boek krijg ik niet door mijn strot
‘Mag ik u naar een Franse bundel vragen?’
Vroeg ik dat grijze vrouwtje van de bieb
‘Sagesse,’ sprak die achterlijke miep
‘Verlaine zal je absoluut behagen’
‘Ik ga me lekker aan Verlaine wagen’
Dacht ik toen ik tevreden huiswaarts liep
‘Misschien bevat,’ dacht ik in het geniep
‘Het boek wel seks,’ en ik begon te jagen
Toen ik het opensloeg schrok ik me rot
Zo’n viezigheid kan ík zelfs niet verdragen:
Er zaten plukken shag in en zelfs snot
Quirien van Haelen
Paul Verlaine in een koets over het Lange voorhout – 1892
Het schelpenpad knarst
onder de wielen
nieuwsgierig in een doos
bekijkt hij de residentie
ongelukkig wel/niet?
over de in lompen stinkende
junkie Rimbaud, die huis
en hart in de fik zette
het komt wel/nooit meer
goed: R. onverwacht sluwe marketenster
van zijn poëzie, roofde geld en zomers
strooien hoed van meewarig
huwelijk zonder wilde bramen.
Hield V. van hem? tot over
de dood. geen rust maar fantoom: 12
vingers in de koets en aan 13 pijn.
Holland schoongewassen film
in de camera van zijn hoofd
O sla mij Sla mij niet meer
Satansgebroed waarop ik schoot
wegzinkend in een brusselse boulevard
Liefde is melaatser dan de dood
Jaap Harten
LE TEMPS DE LA RÉCOLTE
Les lourds grains de riz courbent les épis d’or
Dans la campagne où bruit l’aile des tourterelles.
Les chemins du village ont mille éclats de rire,
La moutarde, au jardin, balance ses fleurs d’or.
La cour de la coopérative
Est animée dans le soleil
La machine rit bruyamment.
De tous côtés, les grains de riz en veste d’or,
Jaillissent, respirant encore.
Certains grains, pris aux cheveux noirs,
Tournent la farandole avec des cris joyeux.
Le buffle sent l’odeur de la paille nouvelle
Battant du pied le sol à ne plus en finir.
Notre sœur dirigeant notre coopérative
Secoue la gerbe afin d’en recueillir les grains,
Et une milicienne a laissé son fusil
Pour entasser au sol le paddy de l’année.
Autour d’elles les grains de riz s’envolent
Eclaboussant le ciel, pareils à des étoiles.
La nuit descend, la lune monte
Et les équipes, font les comptes
Et la grosse théière exhale une chaleur
Qui sent bon comme le riz mûr de la campagne.
1967
Trân Dang Khoa

OOGSTTIJD
De zware rijstkorrels buigen de oren van goud
Op het platteland waar de vleugels van duiven ritselen.
De dorpspaden hebben duizend lachbuien,
De mosterd in de tuin zwaait met zijn gouden bloemen.
De coöperatieve binnenplaats
Is geanimeerd in de zon
De machine lacht luid.
Aan alle kanten rijstkorrels bedekt met goud,
Springt eruit en ademt nog steeds.
Bepaalde granen, afkomstig van zwart haar,
Ze draaien de farandole met vreugdevolle kreten.
De buffel ruikt de geur van nieuw stro
Eindeloos op de grond stampen.
Onze zuster die onze coöperatie runt
Schud de schoof om de granen te verzamelen,
En een militievrouw liet haar geweer achter
Om de rijst van het jaar op de grond te stapelen.
Om hen heen vliegen de rijstkorrels weg
Spattend in de lucht, als sterren.
De nacht daalt, de maan komt op
En de teams doen de rekeningen
En de grote theepot straalt warmte uit
Dat ruikt lekker naar rijpe rijst van het platteland.
Tran Dang Khoa
Google vertaling
Korte literatuurgeschiedenis
1
Verlaine en Rimbaud, een morsig stel,
twee liederlijke broeders in het kwade,
ronddalvend in een zelfgeschapen hel,
aan vuil en drek ontstegen evenwel
als dubbelster, in Gallimard’s Pléiade.
2
Verlaine, 1873
In een Brussels pension,
in het bijzijn van zijn moeder,
schoot hij, zat als een kanon,
op Rimbaud, zijn liefdesbroeder.
‘Kom terug, ik mis je zo!’
schreef hij aan zijn vriend in Londen;
miste níet toen hij Rimbaud,
juist gearriveerd, verwondde.
Alcohol maakt meer kapot
dan je lief is, staat op borden;
twee jaar droog staan in ’t cachot
hielp Verlaine vroom te worden,
én aan wrange poëzie,
want in zijn Sagesse heet het:
Êtes-vous fous, Père, Fils, Esprit,
Vous aimer, moi?? Nou, vergeet het!
Kees Jiskoot
Apocrief
In massa’s water leven de doden
en de demonen. Het kwaad ligt diep
bij de enkels gebonden, de eenhoorn
hoort naar de engelen van de wind.
Het laatste oordeel staat in de bazuin
verklonken. Fluitspelende sirenen
nemen ons lichaam vadem na vadem in.
Mist is op onze maat gesneden.
Een schip is geen trein. Een trein
is geen schip, maar beide varen uit
de wolk achterna, de zon in de regen.
Om Zilis te zien moet je sterven.
Hedwig Speliers
LA NIEVE
Lo blanco está sobre lo verde,
Y canta.
Nieve que es fina quiere
Ser alta.
Enero se alumbra con nieve, si verde,
Si blanca.
Que alumbre de día y de noche la nieve,
La nieve más clara.
¡Nieve ligera, copo blando,
Cuánto ardor en masa!
La nieve, la nieve en las manos
Y el alma.
Tan puro el ardor en lo blanco,
Tan puro, sin llama.
La nieve, la nieve hasta el canto
Se alza.
Enero se alumbra con nieve silvestre.
¡Cuánto ardor! Y canta.
La nieve hasta el canto —la nieve, la nieve—
En vuelo arrebata.
Jorge Guillién
DE SNEEUW
Wit ligt op groen,
En zingt.
Fijne sneeuw verlangt
Om hoog te zijn.
Januari wordt verlicht door sneeuw, of die nu groen is,
of wit.
Laat de sneeuw dag en nacht schijnen,
De helderste sneeuw.
Lichte sneeuw, zachte vlok,
Wat een vurigheid in massa!
De sneeuw, de sneeuw in de handen
En in de ziel.
Zo puur is de vurigheid in het wit,
Zo puur, zonder vlam.
De sneeuw, de sneeuw tot het lied
Opstijgt.
Januari wordt verlicht door wilde sneeuw.
Wat een vurigheid! En het zingt.
De sneeuw tot het lied—de sneeuw, de sneeuw—
Wegrennen in de vlucht.
Jorge Guillién
(Google vertaling)
Als dichter was hij wijd en zijd bekend
En verder viel hij op als bohémien
(Dit gaat niet over Jean de la Fontaine)
U vraagt wie ik dan wel bedoel? Eh bien –
Het thema van dit nummer, Paul Verlaine
Poète maudit, uiteindelijk bekeerd
Hij paste in Zola’s La Bête humaine
Maar werd zelfs ook in Nederland vereerd
(En door Rimbaud geslachtelijk verwend)
Aan ’t eind van zijn bestaan had hij het krap
Dat komt wel meer voor in het dichterschap
Drs. P
Einde van het debat
De engelen naaien kleren voor de doodskisten, terwijl de erfgenamen tellen wat nooit van hen is geweest.
De leiders spreken zonder klank,
en het volk gelooft hun woorden niet meer.
De wonden worden dieper,
en de schaamte wordt samen met de doden begraven.
Kechida Abdelkadir, Algerije
uit „De tijd van brandend goud”
Vertaling Germain Droogenbroodt
Mélancolie en Regret
Georges Pompidou, ooit president van Frankrijk,
vond Paul Verlaines verzen wel zo klankrijk,
dat hij aan hem in zijn Anthologie
uit zeven eeuwen Franse poëzie
zo’n negentien briljante bladzijs wijdde.
Aan Baudelaire ruim veertig, dit terzijde.
Hij prees Verlaines muzikaliteit
als dichter van ‘melancholie en spijt’.
Een president die léést! nog wel gedichten!
Daar zal men híer geen staatshoofd van betichten;
de laatste staatsmán, tevens lezer, was
bij ons Den Uyl, die ook gedichten las.
In Gallië wordt enkel president
wie, naast zijn plicht, ook zijn klassieken kent.
Kees Jiskoot
De troost van de kunst
In de wachtzaal van het leven
met woorden, klanken of kleuren,
wat droef of duister was verlichten
afgronden overbruggen
de nacht uit het oog verdrijven
met de toorts van de hoop
de grens overschrijden
van duisternis naar licht.
Germain Droogenbroodt
Gesteld dat ik…
Gesteld dat ik Verlaine was geweest,
dan ging mijn leven over weinig rozen
en leed mijn lever ernstig aan cirrose,
een drinkerskwaal die niet zo vlot geneest.
Ik had dan wel gedronken als een beest,
maar ook had ik een nieuwe stijl gekozen:
Ik plaatste la musique avant toute chose
en zo kreeg ik als dichter weer de geest.
Alsnog werd ik de hemel in geprezen,
ja ik, die ooit idool Rimbaud beschoot,
gesteld nogmaals, mocht ik Verlaine wezen.
Mijn verzen werden overal gequoot
en wereldwijd vertaald en zelfs gelezen,
maar wel was ik ruim honderd jaar al dood.
Jan van der Pol
Crimineel
Een overwinning
die de vernieling van woningen
scholen en ziekenhuizen heeft gekost
en ook het leven van duizenden mensen
is geen overwinning, maar vernieling
en het doden van duizenden mensen.
Germain Droogenbroodt
Moderne tijden
De loketten met mensen
die toegang of informatie verschaften
zijn door automaten vervangen
uitgebreide antwoorden op vragen
die men indertijd telefonisch verkreeg
zijn nu standaard en voorgeprogrammeerd
onze smaak is geregistreerd
wat we moeten horen of zien
is geregistreerd
we leven nog
maar ons eigen leven niet meer.
Germain Droogenbroodt
Kwaadaardig?
Hier en daar
duikt er onkruid
tussen de graven op.
Zouden sommige mensen
─ zelfs als hun lichamen al vergaan zijn
nog steeds kwaadaardig zijn?
Germain Droogenbroodt
IK ZAL DEZE OCHTEND LOVEN
Ik zal deze ochtend loven, ik zal de nachten
vergeten, alle nachten.
Ik zal naar de roos van de buurman wandelen en
zal haar aard om vrolijk te zijn ontvreemden.
Ik zal van de boom die er voor iedereen staat, de
vrucht plukken van het licht.
Ik zal tijd hebben om huwelijksmuziek te
beluisteren op het gevederte van deze duif.
Vrede aan iedereen… straten, die als mensen
tussen twee dagen staan…
De aarde bezit alleen de vogels die vlogen over
het dak van het gezang.
De vogel bezit alleen de ruimte die boven de
toppen van de bomen hangt.
Vrede aan de slaap van hen, die tijd hebben om
te lezen. Vrede aan de vermoeiden.
Is het op een felle ochtend zoals deze dat je me
zal zeggen: ik ga terug naar de woning van mijn
moeder?
Is het op een ochtend zoals deze, dat je mij mijn
hart op een papieren bord terug zal geven
Fuad Rifka
in den Beginne
In den beginne was er de slang
en de val.
In den beginne was er de jakhals
en de prooi.
In den beginne was er het zwaard
en de offergave.
In den beginne was er Sodom
en Rome.
(Een stem van de Olijfberg:)
In den beginne was er het woord,
en boven de bergen die uit de zee oprezen,
een zee van licht.
Fuad Rifka
12 februari 1983
Zijn leeftijd,
een hoop rimpels.
Vroeger was hij niet zo;
hij dronk rode wijn;
ooit voelde hij zich schuldig,
hij weende en bad,
tot hij God zag als gloed.
Onlangs ging hij naar het dorp,
hij zag de eik verdord,
het wijwatervat was as,
de priester gras en
Allah ver achter het gebergte,
ver, ver weg,
onzichtbaar
Fuad Rifka
11 februari 1983
De verte bezoekt hem
in de bladeren van de lucht;
’s avonds vlijt ze zich neer
in zijn handen,
en in zijn ogen
wordt zij deken.
Fuad Rifka
10 februari 1983
Bos,
een wilde haas,
een hert steekt zijn kop op,
in de schaduw mediteert een ree,
eikels worden bruin,
en tussen de vingers
glipt donkere tijd.
Fuad Rifka

TRANEN
Ik ween
omdat niemand
kijkt
ik ween
omdat niemand
luistert
ik ween
omdat niemand gelooft
in tranen
ik ween
omdat alles
voorbij gaat
ook
het wenen.
Vjatsjeslav Koeprijanov (1939)
XV
Xanthique
Xanthique crépuscule aux larmes d’améthyste,
C’est un soleil plongeant dans la pâleur du ciel,
C’est un jour qui finit, tout d’or, et me voit triste,
Ému de Galatée à l’horizon de sel.
C’est dans un cœur farouche, entier de solitude
Un soupir continu, comme le clapotis.
Que ne suis-je un nuage effumé qui s’élude
Dans les immensités pleines de chuchotis ?
La Nature est un glas, le bruit humain me navre
Et la Muse aux pieds nus saigne sur les cailloux.
Je ne veux plus voguer en quête de mon havre.
Couvrez vos deuils et morts de tintamarres fous.
Et pour chaque poème exprimé de ma plume
Comme un filon de sang glacé dans un tombeau,
Un nouvel ennemi me naîtra de la brume,
Attendant mon trépas en affamé corbeau.
En tout homme vivant j’observe le principe
D’anéantissement de mon ultime effort.
Ai-je jamais haï, dur et fixe archétype,
Comme je suis de tous haï, plus que la mort ?
…
Galatée, horizon, celui qui vous oublie
Ne retourne jamais au port : cet exilé
Voit son reflet glaçant sur le gouffre et supplie
Les flots de recueillir son tourment annulé.
L’avez-vous oublié, lui passera la porte.
C’est l’enfant qu’il n’a pu devenir avec vous
Dans ses mains vous montrant une colombe morte
Et qui vit dans son cœur, qu’il console à genoux.
Florent Boucharel
Boucharel / Urbanité de Galatée
XV
Xanthisch
Xanthische schemering met amethistkleurige tranen,
Het is een zon die in de bleke hemel duikt,
Het is een dag die ten einde loopt, geheel goudkleurig, en mij bedroefd aantreft,
Ontroerd door Galatea aan de zoute horizon.
Het is in een wild hart, vol eenzaamheid,
Een aanhoudende zucht, als het klotsen van golven.
Waarom ben ik geen ijle wolk die wegglijdt
In de onmetelijkheid gevuld met gefluister?
De natuur is een doodsklok, menselijk lawaai bedroeft mij,
En de blootsvoetse muze bloedt op de kiezels.
Ik wil niet langer varen op zoek naar mijn toevluchtsoord.
Bedek je rouw en de doden met waanzinnig geschreeuw.
En voor elk gedicht dat door mijn pen wordt uitgedrukt,
Als een ader bevroren bloed in een graf,
Zal er een nieuwe vijand voor mij geboren worden uit de mist,
Op mijn dood wachtend als een hongerige raaf.
In ieder levend mens zie ik het principe
van vernietiging in mijn laatste poging.
Heb ik ooit gehaat, hard en onveranderlijk archetype,
zoals ik door iedereen gehaat word, meer dan de dood?
…Galatea, horizon, hij die jou vergeet
keert nooit terug naar de haven: deze balling
ziet zijn ijzingwekkende weerspiegeling in de afgrond en smeekt
de golven om zijn onvoltooide kwelling te verzamelen.
Ben je hem vergeten? De deur zal hem doorvoeren.
Het is het kind dat hij niet met jou kon worden,
dat je in zijn handen een dode duif toont,
en dat in zijn hart leeft, dat hij op zijn knieën troost.
Florent Boucharel
Boucharel / Galatea’s Urbaniteit
Google translate
Córdoba.
Ver weg en eenzaam.
Zwarte merrie, grote maan,
en olijven in mijn zadeltas.
Hoewel ik de wegen ken,
zal ik Córdoba nooit bereiken.
Over de vlakte, doorheen de wind,
zwarte merrie, rode maan.
De dood kijkt naar mij
vanuit de torens van Córdoba.
Ach, wat een lange weg!
Ach, mijn dappere merrie!
Ach, de dood wacht op mij,
Voor ik Córdoba zal bereiken!
Córdoba.
Ver weg en eenzaam.
Federico García Lorca, 1898-1936
Vertaling Germain Droogenbroodt
https://www.point-editions.com/nl/publicaties
Als de vervuilde lucht
alle leven zou hebben gedood
als de hitte
alles zou hebben verschroeid
of de aarde
door een zondvloed is overspoeld
zal er dan
– zoals ooit voorheen –
nog een ark overblijven?
En als er niets overblijft,
zal er dan een God zijn
om de nieuwe mens te scheppen?
GERMAIN DROOGENBROODT
uit “Poëtische reflecties”, POINT-Boekenplan
Uit de golven van wit satijn
doem je op als een eiland.
Het dichte woud van zwart haar
drijft met weemoedig verlangen
op de kleine, zachte, witte zandstranden
die bedekt zijn met talloze schelpzoenen.
In een vogelperspectief genomen vanuit de lucht
is de schoonheid van je textuur zo betoverend,
dat ik verlangend op jouw lichaam land.
Je bent een zeemeermin
in de Stille Oceaan,
het beeld van mijn eeuwig vaderland.
LEE KUEI-SHIEN, TAIWAN 1937-2025
Vertaald uit het Engels door Germain Droogenbrood
In de stenige grond van mijn tuin
graaf ik een diepe put
en kuil behoedzaam
de wortels van mijn bomen
in humus, wier en goede aarde
waarvan ik later
oud en stram van leden proeven zal
de zoete vruchten
der herinnering.
Germain Droogenbroodt
Ithaca 14 november 1988
Voordracht van de meester
Hij sprak
en de hemden van boetelingen
vielen op de grond, bezwangerd.
Het was de keizersnede van de gedachte,
pluchen poppetjes werden geboren, juichend.
Het was het profiel van eenieder,
geknipt uit zwart papier.
Lieveheersbeestjes kropen vanonder onze nagels.
Je kon het bazuingeschal horen bij Jericho
en het gesis van onze genen.
Het was schitterend, zoals hij sprak.
Ik kan me alleen niet meer herinneren
waarover.
Vertaling: Jana Beranová
https://www.point-editions.com/nl/category/poemas
Het zijn geen hemelse stemmen, die van ver
in ons spreken. Het zijn geliefde stemmen,
innerlijke en verre stemmen, stemmen die spreken
over een pad waarvan niemand weet waarheen het leidt.
Er zijn stemmen die lantaarns zijn, in een donkere straat;
en als rumoer dat uit de verte weerklinkt.
Er zijn stemmen die ons tot woorden hebben omgevormd.
Geluidloze stemmen, afwezige stemmen, stille stemmen…
Gedichten zijn in klanken omgezette stemmen
die ons zeggen van waar we komen, waarheen we gaan, en wie we zijn.
Josep Piera, Spanje (Beniopa 1947, Gandía 2026)
Vertaling Germain Droogenbroodt
uit: „En el nom de la mar“, © Edicions 62, Barcelona
Zullen onze ogen straks nog zien
wat zij zelf zien?
Zullen onze hersenen
straks zelf nog denken
wat zij zelf denken?
Zullen we straks nog zijn
wie we zijn?
Germain Droogenbroodt
(Ter ere van de overleden, ongepubliceerde dichter)
Goed gedaan!
Je hebt gewonnen!
Je hoeft geen spijt te hebben,
jouw ongepubliceerde gedichten
-vergeet het nooit-
zijn niet begraven
zijn niet gebogen
onder de kracht van de tijd.
Als goud
blijven ze
in de aarde.
Ze blijven,
ze smelten nooit,
ze komen misschien laat,
maar ze zullen ooit
aangeboden worden
aan hun volk
om hun zoete,
eeuwige essentie te schenken.
DIMITRIS P. KRANIOTIS, Griekenland
Vertaling uit het Engels Germain Droogenbroodt

Verlaine sterft
Een kamer, een tafel, een bed,
grillige bloemen van ijs
waaieren wit aan het raam –
de nacht staat over Parijs.
Een oud man weet zich alleen,
geen hand die de zijne vindt;
zelfs niet eens de goede troost
van een enkel glas absinth.
De muren zijn verveloos
in het armzalig vertrek,
waar ik, denkt Paul Verlaine,
alleen, als een hond verrek.
Hij sluit de oogen vermoeid –
Mathilde, prèsqu’ enfant,
Rimbaud, démon et ange,
Lucien, fort et brillant,
Philomène et Eugénie –
ne pensez qu’à vos amours –
een leven weerloos zwalkend
tusschen kind en hoer.
Een kamer, een tafel, een bed,
bloemenwaaiers van ijs –
zoo crepeerde Paul Verlaine,
rue Descartes, Parijs.
Jan R. Th. Campert.
Er staan jasmijnen in al deze tuinen.
Ik herinner me die pruimenboom die bloeide
in iedere winderige, heldere lente.
De pruimenboom die vogels onderdak bood.
Dezelfde boom onder wiens zachte schaduw
we als kleine kinderen speelden.
De jasmijnen staan er nog steeds.
Maar de pruimenboom is er niet meer, hij is verdord
al zoveel, zoveel jaren geleden.
Maar in onze herinnering die aanwezigheden herbergt
die afwezig zijn, leeft hij nog steeds.
Antonio Las Heras, Argentinië
Vertaling Germain Droogenbroodt
XXIV. LE BAIN DES GRAINES
Aux époques reculées,
les Odes du pays de Bin chantaient
« La distribution des vêtements d’hiver » !
À la période de la Pluie des épis, les travaux
de la soie commencent à prospérer ;
Les gardiens des rites
et des cérémonies en tournée
inspectent les magnaneries impériales ;
Les graines des vers à soie
avaient dû être baignées
dans l’eau claire des rivières.
(Empereur Kangxi)
1654-1722
XXIV. HET WASSEN VAN DE EIEREN
In lang vervlogen tijden
zongen de Oden van het land Bin
over “het uitdelen van winterkleding”!
Ten tijde van de ‘Graanregen’
komt de zijdecultuur tot bloei;
De hoeders van riten
en ceremoniën inspecteren, tijdens hun rondgang,
de keizerlijke zijderupskwekerijen;
De eieren van de zijderupsen
moesten worden gewassen
in het heldere water van de rivieren.
(Keizer Kangxi)
1654–1722
Google translate
‘Sagesse’
Aan Paul Verlaine
Ik heb, als gij, verwijld in ’t slot van avondrood
En in dien toren, waar van sluimer-witte muren
Een huivere uchtend klaart. Ik mat des levens uren
Alleen aan d’ eigen hartslag, en mijn dag vervlood
Van stilte in leeger stilte. Slechts de Dood ontsloot
En sloot mijn eenzaamheid, de dienaar, die zijn duren
En strengen plicht volbracht, en zwijgend me aan bleef turen,
Terwijl ik zwijgend nam en at, wat hij me bood.
En waar ik asch gegeten heb en tranen dronk,
Hoorde ik de Stem, die u eens riep uit uwe pijnen,
En wist niet of uw pijnen of de mijne schreiden.
Maar schaamle woorden kwamen, – vreemd en schuw, – omschijnen
De Stem die, sprakeloos, blijft spreken door de tijden,
Uw woord, dat schreien blijft, waar het in Licht verklonk.
‘Sagesse’
I.
God sprak: Mijn zoon geef mij uw liefde. Ge aanschouwt
Mijn open zijde, het Hart, dat straalt en bloedt,
Mijn wonde voeten, die Magdalena in vloed
Van tranen baadt; gekneusd mijn armen, bloed-bedauwd
Onder uw zondenlast. Mijn handen, zie, en ’t Hout,
De spijkers en den gal, den spons, al wat u leeren moet
Dat ge in deez’ barre wereld, waar de hoovaard woedt,
Mijn Vleesch en Bloed, mijn woord en stem, slechts minnen zoudt.
En heb ik-zelve u niet tot stervens-toe bemind,
O broeder in mijn Vader, in den Geest mijn kind,
En leed ik niet voor u, zooals er stond geschreven?
Snikte ik uw smart niet uit, ten Dood benauwd?
Heeft, in uw nachten, niet één zweet ons hoofd bedauwd.
Mijn arme vriend, die zoekt naar mij door dorre dreven?
II
Ik heb geantwoord: Heer, ge spreekt mijns harten tale,
’t Is waar, dat ik u zoek, en immerdoor om niet.
Maar u beminnen? U, die mij verworpen ziet,
Waar staag uw liefde stijgt, een vlam naar ’t sterren-stralen!
U minnen? bron van vrede en dorst van aller kwalen.
Helaas! vergeet mijn warse wrevels niet,
Voor ge mij bidden laat, – bij ’t voetspoor dat ge liet, –
Op deze knieën, wond van zondig dwalen.
En toch – ik zoek u – immer tastend, immer blind.
Ach, dekte uw schaduw mijne schaamte maar.
Doch schaduw hebt ge niet, – uw liefde vlamt te klaar.
O Gij, zoo stille bron, die hij slechts bitter vindt
Die zijn vervloeking mint, o Gij, al stralend licht,
Voor wien geen zware kus houdt blind de wimpers dicht.
III
En toch, ge moet mij minnen, eeuwig en alom
Ben ik de al-ééne Kus, de lippen en die oogen,
Waarvan ge spreekt, de koortsen die uw bloed bewogen,
Ook die, mijn arme kranke, en immer smeek ik: Kom,
En heb me lief! Wel stijgt mijn liefde en ziet niet om
Tot waar uw schaamle grillen nimmer klimmen mogen,
Maar ‘k draag u mee, als de arend, de aard ontvlogen
Zijn prooi naar spitsen draagt, die hemeldauw omglom.
O klare nacht! Uw oogenlicht in ’t licht der sterren!
O beek van lichtend water, licht van bron en zon
Door schemers heen! Reinheid en rust nabij en verre.
Ach, heb me lief! U roept mijns Harten stem, mijn kind,
Want ik, uw God-almachtig, die het willen kon,
Ik wil alleen maar kunnen, dat ge mij bemint.
IV
Mijn God, het is te veel! Hoe te durven? Beminnen? U?
Ach, neen! Ik beef en durf het niet. U minnen?
Ik wil het niet! Onwaardig ben ik! U, die binnen
Des Hemels tuinen, de open Roze zijt, zoo luw
Omzweefd door Liefdes pure zuchten! Leeft in u
Het hart niet aller heiligen? in u, de Al-Eéne
Van Israël, de kuische bij, die kust de bloem alleene
Der half-ontloken onschuld, Ik? U minnen? U?
Hoe zoude ik? Vader, Zoon en Geest, o zijt ge dwaas?
Ik, laffe trotschaard, die staag zondigt als ten taak,
En die met al mijn zinnen, met gezicht en smaak,
Reuk, tasten, hooren, met heel mijn ziel, helaas,
Met heel mijn hoop en rouw, alleen te wenschen weet,
Den kus, die d’ Adam in mij wekte en vallen deed.
V
Ge moet mij minnen! ‘k Ben die dwaas, waarvan ge spraakt.
D’ herboren Adam, – ’n Bedelaar bij walge spijs, –
Die d’ ouden mensch verteert, van Rome en uw Parijs,
Sparta en Sodoma, zijn maaltijd heeft gemaakt.
Mijn Liefde is als een vuur, waarin verblaakt
Al ’t wulpsche vleesch, nevel van geur, die om mij dijst.
Een zondvloed is mijn Liefde, die over de aarde rijst,
Tot in zijn waatren diep het kwaad verzwolgen raakt,
Dat ik liet zaaien, wijl men ’t Kruishout planten zoude,
Opdat ik, door een liefdewonder bovenmate,
U bevend aan mijn Hart moog heffen, en u houde!
Bemin! Treed uit uw nacht! Ik wist zoolang ik leef,
Al de eeuwigheden door, dat ge arm eens en verlaten
Mij toch beminnen zoudt, den Laatste die u bleef.
VI
O God, huiver en schrik mijn ziel bevangen heeft,
Ik zie, zooals ik voel, dat men u moet beminnen!
Maar hoe, met u, mijn God, die minne te beginnen?
Gerechtigheid, voor wie de deugd der vromen beeft.
Ja, hoe u minnen? Zie, het zwaar gewelf waarbinnen
Mijn hart zijn graf zocht en zoo diep gedolven heeft,
Stort saam. ‘k Sta van azuren dauw en sterrenlicht omzweefd
En vraag: waar is de weg van mij naar u die ‘k minne?
Reik mij uw hand, o God, dat ik het slaafsche lijf,
Den stervenskranken geest van de aarde heffen moge!
Maar uwer Liefde omhelzing? Hoe! Ge zoudt gedoogen
Dat ik die zoek? en aan uw Hart de plaats weer vinde
Waar uw Apostel ’t hoofd gevlijd heeft, de beminde,
En hart aan Hart met u en in uw armen blijv’?
VII
Ja, zoo ge mijner waardig worden wilt, mijn kind,
Hoor toe! Laat dan uw geest de vleugels openspreiden
En vluchten naar mijn Kerk, wier open hart bleef beiden,
De bij geen zoeter wijke in de open lelie vindt.
En buig u tot mijn oor, – ik luister als een vrind,
O dat ge uw zonde en schuld en heel uw ziel uitzeide.
Wees zonder trots of schroom, en kom deemoedig wijden
Uw bloesems van berouw, aan d’ Eenen die u mint.
Vrank en eenvoudig zult ge tot mijn Tafel naadren.
Mijn Liefde biedt u ’t uitverkoren gastmaal aan,
Dat de engelscharen, verre en schuchter, gadeslaan.
Kom! – drink den Wijn uit de overvolle aadren
Van d’ éénen Wijnstok, die zijn groene rank zal geven
Bloesems en vruchten zoet, en ziels onsterflijk leven.
Dan ga! Blijf trouw en kinderlijk ’t geloof bewaren
In dit geheim, waardoor ik word uw vleesch en geest,
Vooral: keer dikwijls in mijn woning tot dit feest,
Te deelen in den Wijn, met allen die vergaren
Uit dorst en honger, in het Brood dat u geneest
Van ’t kranke leven, dat verraad toch ware
Als ’t Brood niet werd gebroken. Bid, of ge al uw jaren
Het Kind moogt zijn, de Doopeling wiens lijf en geest
Omkleede reinheids lijnwaad, ’t Lam dat zonder klagen
Zijn wol geeft, eigenliefde en ’t arme zelf vergeet,
Totdat ge in iets en verre u mijns gelijke weet,
Die in Herodes’, Judas’ en Pilatus’ dagen
Ook uws gelijke was, en leed uws levens nood,
En leed voor u aan ’t Kruis zoo smadelijken dood.
En om uw ijver te beloonen in deez’ plicht,
Zoo zoet, dat hij uw ziel als lust zal laven,
Schenk ik u hier op aard der eerstelingen gave:
Vrede des harten, vreugde om armoe, en het licht
Der heilige avonden, als rust en hope dalen
In uw ontloken ziele, die te drinken neigt
Naar ’s Levens Kelk. – Hoog in de pure luchten stijgt
De maan, waar roze en zwart de klokkentonen dwalen,
Wijl gij uw hemelvaart verwacht in mijnen luister,
En de eindelooze wake in Liefdes eeuwigheid,
Den nooit volzongen lofzang mijner hemelkoren,
De durende verrukking, en de al-wetendheid,
En mijn te zijn, ook waar uw hartepijn in duister
Straalt als een sterren-schijn, mij lief en uitverkoren.
VIII
O God, waar ben ik? Helaas! der blijdschap tranen stroomen
Mij de oogen uit, ik hoop en schrik, mij striemt en streelt
Uw Stem met pijn en lust, en wat zij wondt of heelt,
En pijn en wellust, ’t zijn al vreugden, die me omdroomen.
Ik lach, ik snik. – ’t Lijkt of er heller stemmen tot mij komen,
Klaroenen die te-velde wenken waar het beeld
Der englen wit en blauw op zilvren schilden speelt,
Helle klaroenen, die me stooten uit mijn schromen.
Dit is de vreeze en zaligheid van uw verkoornen.
Ik ben onwaardig. – Maar uw liefde is wijd en diep.
Ik tast, zoo moeizaam, – vol verlangen, vol van zonden.
Ik kom – al biddend. – Foltert de angst mij der verloornen?
De hope duistert, die uw stem tot leven riep.
Ik nader – bevend.
IX
Arme ziel, dit is uw stonde!
Marie Koenen

Marquise
Si vous saviez les maux que j’endure, Marquise,
Depuis que mes serments envers vous, absolus,
Parce que je suis fou ne me permettent plus
De rien trouver de beau que votre mouche exquise,
Vous pleureriez, je crois, plus que je ne le fais !
Tant de larmes alors, en cascades limpides,
Couleraient de vos yeux, qu’y viendraient les sylphides
Au bord s’émerveiller hautement de ces faits.
Je suis le prisonnier d’un monde qui m’offense.
Et bien qu’il soit altier de suivre son devoir,
De tenir un serment, quand c’est sans nul espoir
La moindre haleine impure est une violence.
Et quel recueillement, d’un tel astre éclairé,
Pourrait ne point souffrir comme d’une estocade
D’un contact importun, fait à rendre malade,
De son attention sans égards séquestré ?
Car ma joie est aussi volatile qu’un souffle,
Cette extase, aussi grande et fugace que l’air.
Comme le souvenir est un sublime éther,
Il s’envole emporté par le nez d’un maroufle.
Florent Boucharel
Markiezin
Als u wist hoeveel pijn ik lijd, Markiezin,
sinds mijn absolute geloften aan u,
omdat ik gek ben, sta me niet langer toe
iets moois te vinden dan uw verrukkelijke schoonheid,
dan zou u, geloof ik, meer huilen dan ik!
Zoveel tranen zouden dan, in heldere watervallen,
uit uw ogen vloeien, dat de sylfen zouden komen
om zich over deze aanblik te verwonderen.
Ik ben de gevangene van een wereld die mij beledigt.
En hoewel het trots is om je plicht te doen,
een gelofte te houden, wanneer er geen hoop meer is,
is de geringste onzuivere ademtocht een daad van geweld.
En welke sereniteit, onder zo’n stralende ster,
zou niet kunnen lijden onder een stoot,
van een ongewenste aanraking, genoeg om je ziek te maken,
van haar ondoordachte, afgezonderde aandacht?
Mijn vreugde is zo vluchtig als een ademtocht,
Deze extase, zo immens en vergankelijk als de lucht.
Als een herinnering, een verheven ether,
vliegt ze weg, meegenomen door de neus van een dwaas.
Florent Boucharel
Google translate
Twee gestalten door Joannes Reddingius.
Milton
Het diepste troft Gij mij door dat wijs lied,
gewijd aan eene jonkvrouw, rein van zeden,
dat mij een Dichter voorlas in ’t Verleden, –
mijn geestesoog in oude tijden ziet.
Daar is een glans zoo puur, die nimmer vliedt
en lichten blijft in hen, die leden, streden,
en van dat licht, goud-blij, zijn hun gebeden
doorvloten in het hoog levensgebied.
Daarvoor wilde ik U danken, diepst bedoelen
legdet Gij bloot in uw fijn-sterk sonnet,
o mochten allen wij die reinheid voelen,
dan werd ons eigen hart een wereld-wijde
goud-blanke zee van Liefde, wier gebed
de lichtkracht draagt van zingend te bevrijden.
Joannes Reddingius.
Verlaine.
Zóó zag U Steinlen door den regen gaan,
een oud, verwelkt, moe man met wankelschreden,
uw waan beschreiend, prevelend gebeden.
O regen triest van najaar, laatste blaên
zijn lang verwaaid, eenzaam komt gij getreden,
ziend in een droom-visioen uw oud verleden
en al de ellende van uw pijn-bestaan….
En in oud park, waar de kastanje bloeit
en luchtig briesje door de blaêren stoeit,
lentegeluiden komen op ons aan,
zien wij weemoedig op naar Uw hoog beeld,
door duiven blank en kinderen omspeeld.
Parijs, 1928
Joannes Reddingius.
Doodlopende straat
Er is een doodlopende straat,
alle andere straten zijn opgebroken
je denkt dat je niet lang meer zult leven
en desondanks gelukkig bent
er flaneren mensen langs de straat
ze vragen je mening over de toekomst —
hun toekomst, niet de jouwe —
je bent zonder mening van huis gegaan
je plukt een appel van een appelboom
waar een vrouw niet bij kan
je loopt steeds langzamer, moeizamer,
je kijkt naar de grond, weet je geen raad met je houding,
en desondanks zeg je voortdurend tegen jezelf
dat je gelukkig bent, beklagenswaardig maar gelukkig
aan het eind van die straat woont je moeder,
je bent op weg naar haar.
Toon Tellegen
15
Quand vous lirez de moi ces lignes,
Je sais bien que vous m’aimerez.
Mais vos mœurs sont tellement dignes :
Jamais vous ne m’acclamerez.
Pour me rendre ce témoignage,
Vous attendrez que je sois mort ;
Et c’est le pasquin du voyage
Que moi vivant vous louerez fort.
Sa bêtise monumentale
Vous évoque le Panthéon.
Sa verve un peu sentimentale
Vous jouera de l’accordéon.
Ce n’est pas un naïf, ô foule
Qui te perds de naïveté !
Moi-même je l’ai, cette boule
Dans la gorge, à voir la Beauté ;
Et quand j’étais épris de Claire,
C’est Gisèle que j’embrassai.
Si Claire avait tout pour me plaire,
Je n’osai lui dire… et passai.
Florent Boucharel
Fl. Boucharel / La roseraie du tête-à-tête
15
Wanneer je deze regels van mij leest,
weet ik zeker dat je van me zult houden.
Maar je moraal is zo verheven:
Je zult me nooit toejuichen.
Om me dit eerbetoon te brengen,
zul je wachten tot ik dood ben;
En het is de pasquinade van de reis
die ik, zolang ik nog leef, hoog zal prijzen.
Zijn monumentale domheid
roept het Pantheon bij je op.
Zijn ietwat sentimentele bravoure
zal accordeon voor je spelen.
Hij is geen naïeve ziel, o menigte
die zich verliest in naïviteit!
Ikzelf heb het, deze brok
in mijn keel, bij het zien van Schoonheid;
En toen ik verliefd was op Claire,
was het Gisèle die ik kuste.
Als Claire alles had om me te behagen,
durfde ik het haar niet te vertellen… en stierf.
Florent Boucharel
Fl. Boucharel / De rozentuin van Tête-à-Tête
Google translate
En op een dag
En op een dag komt een engel mij tegemoet,
strijkt voor mij neer
hij heeft kleine vleugels
dat is hem dus, denk ik —
hij doet pijn aan mijn ogen,
kijkt mij onderzoekend aan
‘wat wil je van mij?’ vraag ik,
‘niets,’ zegt hij, ‘ik wil niets van je,
helemaal niets.’
Toon Tellegen (1941)
uit: Op mijn tenen (Querido, 2026)
18
Trésor des roses
Lidye, as-tu glané le trésor dans les roses ?
Ta main est délicate et blanche, tu ne l’oses
Car les épines font un hallier de couteaux
Sur les pétales blancs et jaunes les plus beaux
Et ta main saignerait dans les blanches corolles,
Tes larmes couleraient en noyant tes paroles…
Prends ma main, à la place, et je jure qu’alors
Je cueillerai pour toi sous les feuillages morts
Les fleurs dont une abeille indigète affairée
Saupoudra le pollen en terre consacrée
Aux dieux des jours bénis et des nuits de clarté,
Le pollen sur des doigts d’arc-en-ciel emporté…
Au ciel j’élèverai dans la coupe, Lidye,
Le philtre étincelant dont l’éclat irradie
En halo de rosée au fond de ton regard
Et qui sur ta peau claire et douce est le seul fard.
Florent Boucharel
Fl. Boucharel / La roseraie du tête-à-tête
18
Schat van de Rozen
Lidye, heb je de schat tussen de rozen gevonden?
Je hand is teer en wit, je durft niet
Want de doornen vormen een wirwar van messen
Op de mooiste witte en gele bloemblaadjes
En je hand zou bloeden in de witte bloemkronen,
Je tranen zouden vloeien en je woorden verdrinken…
Neem in plaats daarvan mijn hand, en ik zweer dat ik dan
onder de dode bladeren voor je zal verzamelen
De bloemen waarvan het stuifmeel een ijverige, onverteerbare bij zal verspreiden in heilige aarde
Naar de goden van gezegende dagen en nachten van licht,
Het stuifmeel gedragen op vingers van regenboog…
Naar de hemel zal ik heffen in de beker, Lidye,
Het sprankelende drankje waarvan de straling schijnt
In een halo van dauw in de diepte van je blik
En dat op je tere en zachte huid de enige make-up is.
Florent Boucharel
Fl. Boucharel / De Rozentuin van de Tête-à-Tête
Google translate
Zal ik weggaan?
Zal ik verdrietig worden en weggaan?
Zal ik het leven eindelijk eens onbelangrijk vinden,
mijn schouders ophalen
en weggaan?
Zal ik de wereld neerzetten (of aan iemand anders geven), denken:
zo is het genoeg,
en weggaan?
Zal ik een deur zoeken,
en als er geen deur is: zal ik een deur maken,
hem voorzichtig opendoen
en weggaan- met kleine zachtmoedige passen?
Of zal ik blijven?
Zal ik blijven?
Toon Tellegen
uit: Alleen liefde, Querido Amsterdam 2002
XVIII
Ne me demandez pas de faire du cheval,
Ce n’est point dans le sport que je serai célèbre.
Je ne veux pas non plus aller au carnaval
Car délaisser la plume invite un jour funèbre.
C’est louer vos splendeurs qui me rendra fameux !
Voilà pourquoi je n’ai d’autre choix, Galatée,
Que de passer mes jours, limpides ou brumeux,
À raffiner le chant sur la sainte portée.
Car je dois accomplir cette vocation
Pour votre éternité d’étoile tutélaire.
L’avenir bruissera de vous, de votre nom
Si je peux me hisser au-dessus de la terre.
Ne me demandez pas de vous montrer la mer
En voilier, en avion ou bien avec des palmes :
Je ne peux la saisir qu’en chuchotant un air
Immortel et doré qui me vaille les palmes !
Ne me demandez pas de valser quatre temps,
Je ne l’ai pas appris ; j’en ai bien un peu honte
Mais j’étais absorbé par des vols éclatants,
Quand l’âme dans le ciel comme un panache monte.
Vous bâillez, je le crains… Plus que d’autres danseurs
J’eusse par ce moyen pu vous tourner la tête,
Mais j’avais à dompter des rythmes encenseurs :
Cela m’a pris beaucoup de temps, cette conquête…
Bâillez-vous ? S’il ne faut pour lire qu’un moment,
En moi j’ai dépensé bien des jours à vous plaire…
Mais pour vous occuper en bel et bon amant
Je manque de moyens… mieux, je ne sais rien faire.
Or si vous demandez que je poursuive ainsi,
En vous laissant passer du bon temps avec d’autres,
Je pense avoir du mal à permettre ceci,
On a ses vanités, les miennes, vous les vôtres…
Ne me demandez pas votre immortalité
Si je dois consentir à partager les grappes.
Pardon mais il est dur d’être cet invité
Qu’on mande pour son luth sur le bord des agapes…
Florent Boucharel
Boucharel / Urbanité de Galatée
XVIII
Vraag me niet om paard te rijden,
Het is niet in de sport dat ik beroemd zal worden.
Ik wil ook niet naar carnaval,
Want het verlaten van de pen nodigt uit tot een treurige dag.
Het is het prijzen van uw pracht dat mij beroemd zal maken!
Daarom heb ik geen andere keus, Galatea,
Dan mijn dagen, helder of mistig, door te brengen met
Het lied op de heilige staf te verfijnen.
Want ik moet deze roeping vervullen,
Voor uw eeuwigheid als uw beschermengel.
De toekomst zal met u weerklinken, met uw naam,
Als ik boven de aarde kan uitstijgen.
Vraag me niet om u de zee te tonen,
Met een zeilboot, met een vliegtuig of zelfs met zwemvinnen:
Ik kan haar alleen vatten door een melodie te fluisteren,
Onsterfelijk en goudkleurig, die de zwemvinnen waard is!
Vraag me niet om in vierkwartsmaat te walsen,
Ik heb het niet geleerd; Ik schaam me er een beetje voor,
Maar ik werd meegesleept door schitterende vluchten,
Wanneer de ziel als een pluim in de lucht opstijgt.
Je gaapt, vrees ik… Meer dan andere dansers,
had ik je hoofd op deze manier kunnen laten draaien,
Maar ik moest de geurige ritmes temmen:
Deze verovering kostte me veel tijd…
Gaap je? Als het lezen maar een moment duurt,
heb ik vele dagen in mezelf doorgebracht om je te behagen…
Maar om je te bezetten als een fijne en goede minnaar,
ontbreekt me dat… sterker nog, ik weet er niets van.
Nu, als je me vraagt om zo door te gaan,
en je plezier te laten hebben met anderen,
denk ik dat ik dat moeilijk zal toestaan,
Iedereen heeft zijn eigen ijdelheden, de mijne, jij de jouwe…
Vraag me niet om je onsterfelijkheid,
als ik moet instemmen met het delen van de druiven.
Pardon, maar het is lastig om die gast te zijn
Om aan de rand van het feestmaal om zijn luit geroepen te worden…
Florent Boucharel
Boucharel / Galatea’s Urbanity
Google translate
De ontdekking
Een man ontdekte de zin van het bestaan,
holde naar buiten,
klampte iedereen aan, zei: “luister!
Het is heel anders dan u denkt!”
en over zijn woorden struikelend
legde hij het uit
aan iedereen
en iedereen was stomverbaasd-
is dat dus de zin van het bestaan…
ach, hoe is het mogelijk…
schudde zijn hoofd,
sloeg vlammen van zich af,
sprong in sloten, rivieren, riep om hulp
of liep peinzend weg.
Toon Tellegen
Paul Verlaine
Verlaine, o arme dichter, maagdlijk kuisch
En bijzig wuft; in uwe monnikskluis
Van rein betrachten, driester aangevochten
Door ’t welig, kriele vleesch, vol dartle tochten
Dan de Eremijt door geilen, helschen stoet, –
Hoe klinkt het wijs en waar uit uw gemoed:
‘Wees brons en marmer, maar wees vleesch vooral.
Ja, hoogmoed hebt ge noodig, want hij zal
U meerder dienen in het ijdel woelen
Dan ’t eigen bloed dat door uw hart komt spoelen.
‘k Wil zelfs de preektaal hooren uit ùw mond
Gij die ze in vleesch- en zielelijden vondt:
Leef om te lijden, lijd om uit te boeten,
Boet uit en leef, en dan zult gij weer moeten
Voor moed en voor volharding bidden, om
Te leven in dees eeuw en wereld, dom
En zoo erbarmlijk spottend.’
Lieve dichter,
Uw eerlijk zwak-zijn, maakt ons zwakheid lichter
Om dragen; en gij, kreupel, leert ons gaan,
Zijt ons een steun en leidsman op de baan.
Raf Verhulst
Sois de bronze et de marbre et surtout sois de chaír:
Certes, prise l’orgueil nécessaire plus cher
Pour ton combat avec les contingences vaines,
Que les poils de ta barbe ou le sang de tes veines.
Mais vis, vis pour souffrir, souffre pour expier,
Expie et va-t’en vivre et puis reviens prier,
Prier pour le courage et la persévérance
De vivre dans ce siècle, hélas! et cette France,
Siècle ei France ignorants et tristement railleurs.
Uit Bonheur XIV van Paul Verlaine.
Le mort joyeux
Dans une terre grasse et pleine d’escargots
Je veux creuser moi-même une fosse profonde,
Où je puisse à loisir étaler mes vieux os
Et dormir dans l’oubli comme un requin dans l’onde.
Je hais les testaments et je hais les tombeaux;
Plutôt que d’implorer une larme du monde,
Vivant, j’aimerais mieux inviter les corbeaux
A saigner tous les bouts de ma carcasse immonde.
O vers! noirs compagnons sans oreille et sans yeux,
Voyez venir à vous un mort libre et joyeux;
Philosophes viveurs, fils de la pourriture,
A travers ma ruine allez donc sans remords,
Et dites-moi s’il est encor quelque torture
Pour ce vieux corps sans âme et mort parmi les morts!
Charles Baudelaire
De vrolijke dode
In vette grond waar het krioelt van slakken,
daar lig ik, eenmaal afgepijgerd, goed;
ik kan er voortaan rustig blijven plakken
zoals een haai in zee een dutje doet.
Geen testament, geen rouwstoet die gaat kwèkken
in ’t sterfhuis over ’t droevig mensenlot:
slechts raven wil ik desnoods tot mij trekken
om ’t beurse vlees te rukken van het bot.
En ook de wormen mogen zich vermeien,
want in de drek ligt nu een vrije en blije
gestorvene, die hun tot feestmaal strekt.
Kruip onbezorgd, gedierte, door mijn resten,
het doet mij niets: wat kan een mens nog pesten
of treiteren, zodra hij is verrekt?
naar charles baudelaire
vertaling A. Marja
