Poëzie blog (2)


VRAAG

Als de vervuilde lucht
alle leven zou hebben gedood
als de hitte
alles zou hebben verschroeid
of de aarde
door een zondvloed is overspoeld
zal er dan
– zoals ooit voorheen –
nog een ark overblijven?
En als er niets overblijft,
zal er dan een God zijn
om de nieuwe mens te scheppen?
 
GERMAIN DROOGENBROODT 

uit “Poëtische reflecties”, POINT-Boekenplan


Korte beschrijving van een zomer

Branden. De zomer laait van alle kanten viervoudig op.
De acaciabossen staan in bedwelmende bloei,

in de wijngaarden gloeit de groene ziel van de wijn
en de wilde papaver verbloedt in het graan.

De schemering valt
en over de zilveren brug schrijdt de maan.

De wereld is als een brood vers uit de oven
en de nacht doet er zich tegoed aan.

Jan Skácel, Tsjechië (1922-1989)

Vertaling Felix Philipp Ingold – Germain Droogenbroodt


Over de onzekerheid van deze tijden.
 
Deze tijden met heftige gebaren
hebben de walmende lichten gedoofd,
die de menschen beschenen, die voorheen waren,
nu zijn ze walmbevrijd en licht-beroofd.
Met aarzelen besteden ze hun jaren,
zwaar valt de keuze aan het bestoken hoofd:
’t oude is een gapend pakhuis, leeg van waren,
en vormloos vaag, wat zelf zich ’t nieuwe looft.
 
En déze schuilen nog met hun gedachten
in ’t sidderend bouwvallige paleis,
dat uitgewoond werd door vele geslachten.
En gêne, die droom-oogen maakten wijs
de verre wolke’ een land vol wond’ren te achten
beginnen hoopvol een vergeefsche reis.

Henriette Roland-Holst


De vijver

Mijn jeugd is vandaag een grote vijver
waarin ik mezelf bekijk.
Op de groene bodem 
zijn er met mos bedekte stenen,
  vissen van een zeldzame, schitterende soort.

Ik dompel er mijn handen in
en roer het water op
om een schaduw te vatten
die steeds vervluchtigt.

De vijver geeft me de hemel terug, de wolken
hemel en aarde kussen er zich in,
vloeien samen.

Ik teken daar een beeld, ik droom het,
maar ik kan het niet bereiken.

Hanni Ossott, Venezuela, 1946-2002

uit “Casa de agua y de sombras”

Vertaling Germain Droogenbroodt


Poëzie  

Het zijn geen hemelse stemmen, die van ver 
in ons spreken. Het zijn geliefde stemmen,
innerlijke en verre stemmen,
stemmen die spreken
over een pad waarvan
niemand weet waarheen het leidt.

Er zijn stemmen die lantaarns zijn,
in een donkere straat;
en als rumoer dat uit de
verte weerklinkt.

Er zijn stemmen die ons
tot woorden hebben omgevormd.
Geluidloze stemmen,
afwezige stemmen, stille stemmen…

Gedichten zijn in klanken omgezette stemmen
die ons zeggen van waar we komen,
waarheen we gaan, en wie we zijn.

Josep Piera, Spanje (Beniopa 1947, Gandía 2026)

Vertaling Germain Droogenbroodt


Melati-knoppen. Gedichten in proza.

Raden Mas Noto Soeroto.

N.M.
 
Ik wilde u met bloemen vereeren;
ik weet dat ze u lief zijn.
Zoo zocht ik naar bloemen, veelkleurig en geurig,
in den tuin van mijn eigen gedachten,
om daarvan een tuiltje te maken,
dat zich zal weerspiegelen in ’n glimlach van uw gemoed.
Vergeefs zocht ik echter;
geen enkele bloem vond ik daar,
in den tuin van mijn eigen gedachten.
 
Daar kwam een vroom gezang tot mijne ooren aangewiekt
en drong tot diep in mijne ziel.
Ik spoedde me naar mijn deur en zag
een vromen zanger langs mijn lage woning langzaam gaan.
Zijn schreden richtten zich naar gindschen tempel van licht
en in zijn armen droeg hij ’n vracht van de heerlijkste bloemen,
die mijn huis met ’n zoeten geur vervulden.
 
De bloempjes, die den armen des zangers waren ontslipt,
die had ik opgeraapt
en bond ze saâm tot een schuchter tuiltje.
Dit leg ik voor u neer, opdat ik moog’ genieten
van úwe vreugde om bloemen uit dichter-levenshof.

2

r.a.k.
 
Den avond voordat ik vertrok naar vreemde landen, zuster,
heb ik in een hoekje van ons kleinen tuin een melati-struik geplant.
‘Ja, zorg er goed voor,’ zoo sprak ik, ‘dit zij u mijn gedachtenis.
Als deze bloemen bloeien, wèl zal ’t mij dan gaan.’
 
Jaren daarna schreeft ge me dat ’t struikje vol zat
van kleine, witte knoppen.
Zoo hebt ge dan goed het teere plantje gekweekt,
met zorgvolle handen.
’s Morgens plukt ge de bloemen af om kwistig
ze op ’t bed van moeder te strooien.
 
Zuster, mogen even heerlijk bloeien de melati’s
in mijn eigen hart.
Ze wachten nog op de frischheid
van zulk koele, zachte handen.
Ze wachten op de warme stralen
van koesterende zonne-oogen.
 
Als ik teruggekeerd zal zijn van vreemde landen,
zullen we van de melati’s uit ons eigen tuin slingers rijgen
met kantil-bloemen als franjes aan de einden.
Ook zullen wij van bloemen netten weven.
 
Wie zal echter om den haarwrong
het net van bloemen dragen,
als een slinger van melati’s
mijn kris-knop siertt

3

 
De gastvrijheid, moeder, waarmee gij uw gasten ontvangt,
die ken ik al sinds ik een knop was
aan dezen ontzachelijken boom van het leven.
Toen de prendjak in uw tuin van verlangens
mijn komst aankondigde, hebt gij toen niet in uw hart
uwe schatten van teedere liefde,
gelijk deze blankgele mat in ons huis,
uitgespreid ter ontvangst van de gasten?
Toen het gejuich uwer oogen door uw tranen heen trilde,
moeder, hebt gij me niet in uw armen begroet
als de gasten met uw glimlach en vriendelijke woorden?
Toen mij dorstte en hongerde en mijn kreten
door ’t harte u sneden,
hebt gij me niet van uw eigen harte-bloed gegeven,
gelijk den gasten van uw eigen disch?
De gastvrijheid, moeder, waarmee gij uw gasten ontvangt,
ken ik reeds van ’t oogenblik, dat voor ’t eerst
in dit onmetelijke huis ik te gast ben gekomen.

4

r.a.s.
 
Waarom ik jou mijn troetelzuster noem?
 
Zonder te weten heb ik moeder je komst reeds voorspeld
in de zachtheid van mijn spelen als kind.
Als moeder elken ochtend het morgenrood
met klimmende vreugde begroette 
als elken avond zij het zilverlicht des hemels
op zich deed afstralen,
nam ik geen deel aan het luidruchtige spel
van mijn speelgenooten.
Ik plantte bloemen op de heuveltjes van zand
en maakte suikergoed van klei in vele vormen.
‘Gewis,’ sprak moeder, ‘je spelen voorspellen me vast
dat het een zusje zal zijn.’
 
Waarom ik jou mijn troetelzusje noem?
Zonder te weten heb ik moeder voorspeld
de verhooring van haar bede in mijn fluisterend verlangen.
Toen nog God jou verborgen hield
voor moeder in haar schoot,
zoo liet me moeder stil naar je luisteren
met mijn hoofd zacht tegen je aangedrukt.
Vol spanning boog zij zich over mijn luisterende oogen.
Toen ik fluisterend ‘een zusje’ zei,
glimlachte moeder, als had zij
een heerlijke geheimenis ontdekt.
‘Gewis,’ sprak ze, ‘je oogen! ze zeggen me vast,
dat het een zusje zal zijn.’

5

 
Als de zomer in ’t land komt met zuchten en geruchten
en ’t zingen der leeuwerik hoog in de luchten trilt;
als ik in het gras in de schaduw der boomen te droomen lig,
dan komt me een stil en een heimelijk verlangen in ’t hart geslopen.
 
 
 
In een hoekje van dit mijn herinneringsleven,
daar schemert het beeld van een jeugd-tafereel.
Als ons huis en ons hof me de zorgen van moeder onttrokken,
zoo nam ik vaak deel aan het spel van de herdersknapen.
In de schaduw der suizende tjamara’s
spelen en stoeien de herdersknapen met ’t vee,
en zij keuvelen over de schoonheid der lieve natuur.
Ach, zij kennen geen rijkdom, zij kennen geen eer.
 
Van weten en kennen zijn mijn open oogen nu blind
voor de bloemen en kleuren,
die ik toen met de herdersknapen zag.
Maar de herinnering aan mijn speelmakkers, de herdersknapen,
doet weer gloren het morgenrood van vrede en vreugd
aan den donkeren hemel van mijn hart.

6

 
Wat zit de moeder toch zoo lang in stille aandacht
naar haar kind te kijken?
Een glimlach speelt steeds weer en weer
om hare lippen zacht;
ontdekt zij steeds dan nieuwe heimelijkheden 

In kindjes oogen ziet zij ’t beeld van haar jonge bruids-gedroom,
zooals een welig tierende tak der tjampaka,
over ’t spiegelvlak des stillen vijvers hangend,
 zichzelven uitgroeien ziet
tot de welriekend-reine krop der tjampaka-bloem.
In kindjes mond herkent zij weer de bloemknop,
die, terwijl de bijen de opening verbeidden
van haar hart met honigschat,
der jonkvrouw beloofde den haarwrong te tooien
in den gulden zonneschijn van haar bruiloftsdag.
In de rose tint van kindjes armen
ziet zij weer den rosen gloed des ochtendhemels,
toen liefde’s dageraad haar sluimerend meisjeshart
ontwaken deed.

7

r.m.k.
 
Grootmoeder is ter ruste gegaan, mijn kind;
ze heeft zich begeven naar ’t wijde en wondere woonoord,
waar iedereen ééns zal heengaan,
vermoeid van het wereldsch gewoel.
’t Was haar tijd om te rusten, want zie! ook de boom,
die der jonge en teere gadoong-rank tot steun diende,
begint te verdrogen;
zijn blaren zijn geel geworden.
Nu zijn taak is volbracht,
nu menige gadoong-knop is ontloken tot bloem,
 zal de wind zijn verdorde geblâart van de takken verstrooien
in de stilte des avonds.
 
Grootmoeder is ter ruste gegaan, ze is vermoeid
van zingen en spelen.
Voor mij zong haar zang, tot de snaren van mijn ziel zijn gestemd
naar het zingen der vogels en ’t suizen des winds.
Tot u sprak haar spel, tot ge zèlf uit uw boog
kondet afschieten een pijl,
en gelijk onze dalang de wajang-figuren hanteeren
en zelfs hun verscheiden gedaanten herkennen.
O, hoorde ik weder haar zang in uw stem
en zag ik haar spel in uw daad,
wanneer uw leven zijn middag bereikt!
 
Grootmoeder is ter ruste gegaan, mijn kind,
en haar zang is gezongen, haar spel is gespeeld.

8
 
Wat slaapt ge rustig in mijn armen, kind,
zooals de dauwdrup rust in ’t donzig bed van ’n rozenblaadje!
Wat drukt je mondje zacht, mijn kind,
zoo éven tegen me aan!
Zult ge later ook zoo zacht de schoone fee-prinses
uit ’t land van je droomen kussen?
 
Als je met je kleine knuistjes naar mijn vingers gretig grijpt,
 
mijn kleutertje, klem ze vast zoo stevig als je kunt.
 
Zoo moet je toch je armen sterken: de strijd, die je wacht,
zal wellicht, even hevig als zwaar, onophoudelijk zijn.
Als je met je kleine voetjes tegen moeders armen schopt,
mijn jongetje, spartel maar zoo heftig als je kunt.
Zoo moet je toch je beenen sterken: de weg, dien je volgt,
zal wellicht even moeilijk als lang en met steenen bezaaid zijn.
Als je giert en lacht, lawaait en kraait op moeders schoot,
mijn mannetje, zet je stemmetje uit zoo goed je kunt.
Zoo móet je toch later je stem steeds verheffen
voor àl wat de Rechtvaardigheid eischt!?

9

 
Uit den kus der morgenstralen op de blauwende zee van mijn hart
werd mijn liefde geboren.
In een zonnig oogenpaar, daar heeft ze haar woning gekozen.
Haar levend lief gelaat is het licht van mijn wereld,
en haar zang is de kracht van mijn leven.
Heerlijk, honig-zoet klinken mij hare woorden.
En ik zou haar willen omhelzen en kussen haar oogen,
maar ik durf niet.
Ik ben bang, dat zij voor mijn uitgespreide armen
zal verdwijnen als een wolk door den stormwind.
Ik ben bang, dat mijn gretige hand, die de hare grijpen wil,
haar zal doen vervloeien als de schitterende dauw
door de aanraking mijns vingers.
Ik ben bang te ontwaken uit dezen schoonen zieledroom.
 
Eens was ’t als hield ik in den slaap
een juweel in mijn hand.
Toen ik ontwaakte voelde ik nog mijn vingers
op elkander geklemd;
maar ik durfde niet mijn oogen te openen,
uit vrees te zien mijn ledige hand.

10

 
O, mijn volk, mogen uw zonen zich over de aarde verspreiden.
Overal waar menschen hun woningen hebben,
mogen zij haar bouwstoffen zoeken,
zoo naarstig als de bijen van bloem tot bloem
en van veld tot veld den honig verzamelen
den ganschen dag.
Op het groote en heerlijke feest van den bouw van uw huis
zullen zij met volle handen terugkeeren
en hun gave aan uw voeten nederleggen.
Al zal dan niet ieders gave even groot zijn,
zoo zal de enkele steen van den zwakste
u even welgevallig wezen als de vele van den sterkste.
 
Een moeder weegt niet de geschenken van haar kinderen.
Het geringste blijk van kinderliefde zal het moedergeluk
in haar hart doen stijgen;
haar eenige toeleg is dit te doen overvloeien van liefde.

11

 
Wanneer hebt ge ’t luisteren naar gamelan-tonen geleerd,
of naar ’t ruischen des winds door de zwiepende tjamara’s?
‘Als moeder met zingen me lachen en dansen en waggelen deed,
of geneurie me wiegelde in slaap, toen hebben mijn ooren geleerd
de zangen der wereld te hooren.’
 
Waar hebt ge geleerd, zittend in ’t gras
en de geuren der bloemen genietend,
naar het zonne gestraal in den morgen te kijken?
‘Als moeder me in beide haar armen nam,
ademde ik gretig den geur van haar bloeiende leden in,
en zag ik het lachende licht van haar oogen;
dáár hebben mijn oogen geleerd het licht van de wereld
en haar vreugde te zien.’
 
Hoe dus den armen te geven, de dorstigen te laven?
‘Als koude en dorst me genadeloos kwelden,
dan warmde me moeder mijn voetjes met koesterende handen
en drukte me teer aan haar borst;
het was zóó, dat ik leerde
den armen te geven, de dorstigen te laven.’
 
Wie heeft u geleerd het hoofd te buigen
voor den allerhoogsten wil?
‘Als ik haar leed had aangedaan, strafte moeder me;
dan zag ik trillen haar oogleden
en paarlen langs haar wangen glijden;
en mijn hart weende.
Moeder heeft me geleerd mijn hoofd te buigen
voor den allerhoogsten wil.’

12

 
Als het witte doodskleed der natuur de zachte maanstralen
weerkaatst in duizend lichte tinten,
kraaien de misleide hanen in verscheidenheid van toonaarden.
Dat klinkt in mijn hart als één weemoedsgeluid
in de stilte van den nacht.
Weer zie ik aan uw diep-blauwen hemel, o mijn land,
de wolkjes als kinderzieltjes zoo wit,
achter elkander glijden langs de bleeke maneschijf.
Ik hoor het geschrei van een kind en een moeder snikken.
Heel in de verte treurt een droevig lied.
De hanen kraaien; diep is de rust der vermoeide aarde.
Eén weemoed, o mijn vaderland, is soms uw natuur
in de stilte van den nacht.
 
In het voorjaar bloeien hier meidoorn en anemonen.
Als zij zich den ganschen dag hebben gekoesterd
in het licht der voorjaarszon;
als zij zich daarna hebben verkwikt
in de frissche druppels van den meiregen,
dan plegen zij ’s nachts kwistig de lucht te vervullen
met zoete aromen.
En bij den zachten adem van den lente-nachtwind,
bij het wit van al die bloemen, verbeeld ik me,
dat moeder me weer in haar armen wiegt,
langs de schaduw der bloeiende kemoenings,
in het zilverig-blauw van een maanlichtnacht.
 
Op een duintop gezeten in zwoelen zomernacht,
pleeg ik te luisteren naar ’t zingen der zee.
Dan hoor ik dezelfde muziek van de zee,
die uw zuidelijke stranden omspoelt, o mijn land!
Daar zat ik menigen nacht in de stralen van maan en van sterren
met vrienden te luisteren naar ’t gezang,
dat uw grootheid bezingt.
En ik weet, dat uw grootheid zal komen,
want dat hoor ik in ’t zingen der zee.

3 Dec. 1913.

Raden Mas Noto Soeroto


Sebastiaan
 
Dit is de spin Sebastiaan.
Het is niét goed met hem gegaan.
 
luister!
 
Hij zei tot alle and’re spinnen:
Vreemd, ik weet niet wat ik heb,
maar ik krijg zo’n drang van binnen
tot het weven van een web.
 
Zeiden alle and’re spinnen:
O, Sebastiaan, nee, Sebastiaan,
kom, Sebastiaan, laat dat nou,
wou je aan een web beginnen
in die vreselijke kou?
 
Zei Sebastiaan tot de spinnen:
’t Web hoeft niet zo groot te zijn,
’t hoeft niet buiten, ’t kan ook binnen
ergens achter een gordijn.

Zeiden alle and’re spinnen:
O, Sebastiaan, nee, Sebastiaan,
toe, Sebastiaan, toom je in!
Het is zó gevaarlijk binnen,
zó gevaarlijk voor een spin.
 
Zei Sebastiaan eigenzinnig:
Nee, de Drang is mij te groot.
Zeiden alle and’ren innig:
Sebastiaan, dit wordt je dood…
O, o, o, Sebastiaan!
Het is niet goed met hem gegaan.
 
Door het raam klom hij naar binnen.
Eigenzinnig! En niet bang.
Zeiden alle and’re spinnen:
Kijk, daar gaat hij met zijn Drang!
 
pauze
 
Na een poosje werd toen éven
dit berichtje doorgegeven:
Binnen werd een moord gepleegd.
Sebastiaan is opgeveegd.

Annie M.G. Schmidt


6 Rouw 6 juni 2026

Omdat de wereld mijn huis is
heb ik tussen anderen gewoond
heb ik andere klimaten geproefd
ben ik op mijn tocht over de aarde
terug naar de boom in de avond
voor reflektie en ongebreidelde rust
sluit ik langzaam de keten van reizen
voor het licht in mij raakt uitgeblust

Shrinivási


Despedida

Si muero,
dejad el balcón abierto.

El niño come naranjas.
(Desde mi balcón lo veo).

EI segador siega el trigo.
(Desde mi, balcón lo siento).

¡Si muero,
dejad el balcón abierto!

Frederico García Lorca


AFSCHEID

Als ik sterf,
laat de balkondeur open.

De jongen eet sinaasappels.
(Ik zie hem vanaf mijn balkon.)

De maaier maait het graan.
(Ik hoor het vanaf mijn balkon.)

Als ik sterf,
laat de balkondeur open!

Frederico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Suicidio

Quizás fue por no saberte la geometría.

El jovencillo se olvidaba.
Eran las diez de la mañana.

Su corazón se iba llenando,
de alas rotas y flores de trapo.

Notó que ya no Ie quedaba,
en la boca más que µna palabra.

Y al quitarse los guantes, caía,
de sus manos, suave, ceniza.

Por el balcón se veía una torre.
Él se sintió balcón y torre.

Vio, sin duda, cómo le miraba
el reloj detenido en su caja.

Vio su sombra tendida y quieta,
en el blanco diván de seda.

Y el joven rígido, geométrico,
con un hacha rompió el espejo,

Al romperlo, un gran chorro de sombra,
inundó la quimérica alcoba.

Frederico García Lorca


ZELFMOORD

(Misschien omdat je niet goed was in meetkunde)

De jongen viel in zwijm.
Om tien uur ’s ochtends.

Zijn hart liep vol
gebroken vleugels en voddige bloemen.

Hij merkte dat er op zijn mond
nog maar een woord overbleef.

En toen hij zijn handschoenen uittrok,
viel er zachte as uit zijn handen.

Vanaf het balkon zag je een toren.
Hij voelde zich zowel balkon als toren.

Ongetwijfeld zag hij hoe de klok
-stokstil onder haar stolp-hem aankeek.

Hij zag zijn schaduw rustig liggen
op de witte divan van zijde.

En de stijve, meetkundige jongen
brak de spiegel met een bijl.

Bij het breken overspoelde een grote
schaduwstraal de schimmige slaapkamer.

Frederico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Altijd

De aarde is zwaar, de sterren zijn ver,
en ik ben wentelensmoede,
wilde versintelen als een ster,
moet op en onder spoeden.

De zwarte, dikke wereld rond
laat ik mij onder het gaan
steigeren, kantelen op mijn mond,
opstaan en slapengaan,
opsteigeren, omkantelen op mijn mond,
opstaan, slapen gaan.

En lang nadat ik dood zal zijn
dein ik nog op en neer,
bevonden groot, bevonden klein,
een doodgewankeld heer.

Leo Vroman


HET GEEFT NIET

Het geeft niet dat wij in bed doodgaan
op een schoon kussen
omringd door vrienden

Het geeft niet dat wij doodgaan
de handen op de borst gevouwen
ze zijn wat bleek
zonder schrammen, ongeboeid
zonder vlag of bedelbrief

Het geeft niet dat wij zonder ophef sterven
in een hemd zonder gaten
zonder lijfelijke bewijzen

Het geeft niet dat wij sterven met een wit kussen
en niet een trottoir onder ons hoofd
de hand in de hand van wie wij houden
met een wanhopige arts en verpleegsters om ons heen
wij kunnen alleen elegant afscheid nemen
zonder om belangrijke
dagen te geven
de wereld de wereld te laten
misschien dat ‘anderen’
haar veranderen

Mourid Barghouti

Vertaling: Kees Nijland en Asad Jaber


Aan de overleden, vergeten dichter

(Ter ere van de overleden, ongepubliceerde dichter)

Goed gedaan!
Je hebt gewonnen!
Je hoeft geen spijt te hebben,
jouw ongepubliceerde gedichten
-vergeet het nooit-
zijn niet begraven
zijn niet gebogen
onder de kracht van de tijd.
Als goud
blijven ze
in de aarde.
Ze blijven,
ze smelten nooit,
ze komen misschien laat,
maar ze zullen ooit 
aangeboden worden
aan hun volk
om hun zoete,
eeuwige essentie te schenken.

DIMITRIS P. KRANIOTIS, Griekenland
 
Vertaling uit het Engels Germain Droogenbroodt


Gelassenheit

Erst im Warten
werden wir uns selbst zu eigen,
hüten Menschen, Dingen
Rückkehr ins Beruhen.
Gleich dem zarten
Singen alter Meistergeigen
die den Klang empfingen,
in verborgnen Truhen.

Martin Heidegger

Pas in het wachten
worden we onszelf,
bewaken we mensen en dingen
die tot rust komen.
Zoals het zachte gezang van oude meesterviolisten
die het geluid opvingen,
in verborgen kisten

Erst im Warten
werden wir uns selbst zu eigen,
gewähren allem Ding
die Rückkehr ins Beruhen.
Gleich dem zarten
Klange alter Meistergeigen,
der ungehört verging
den Instrumenten in verborgnen Truhen.

Martin Heidegger

Alleen door te wachten
worden we onszelf,
en schenken we alle dingen
de kans om tot rust te komen.
Zoals het delicate
geluid van oude meesterviolisten,
dat onopgemerkt wegstierf,
de instrumenten in verborgen kisten.

Nederlands via Google translate


Het eiland Taiwan

Uit de golven van wit satijn
doem je op als een eiland.

Het dichte woud van zwart haar
drijft met weemoedig verlangen
op de kleine, zachte, witte zandstranden
die bedekt zijn met talloze schelpzoenen.

In een vogelperspectief genomen vanuit de lucht
is de schoonheid van je textuur zo betoverend,
dat ik verlangend op jouw lichaam land.

Je bent een zeemeermin
in de Stille Oceaan,
het beeld van mijn eeuwig vaderland.

LEE KUEI-SHIEN, TAIWAN 1937-2025

Vertaald uit het Engels door Germain Droogenbroodt

Uit „Professor Yang Geum Hee’s Literary Stroll Abroad”, 2026


Eeuwig duurt soms even

Het licht ligt te loeren onderaan de wolken.
Ik snak naar ginder.
Buiten. De verte. De stilte. De ruimte.

Ik wil mezelf verlaten. De man voor het scherm.

Luisteren naar de wind. En de zerken.
De abdij. En de getuigen van de dood.
Allemaal voorbijgangers. Voor even.

De jaren vertellen mij dat eeuwig
slechts thuishoort bij een geliefde.
Die zich vergist. In de tijd.

Oscar van den Boogaard


Troost

De tulpen die zij gisteren in een vaas schikte.
Op de ronde marmeren tafel.
En haar daar bewaren.

Als een tabernakel.

Van haar weelderige topografie
waarin mijn zinnen verdwalen.
Tastbare verlangens. En begeerlijk gemis.

De herhaling. Van het komen en gaan.

De troost van woorden.
Van een dode dichter.
De textuur van een boek. En een leeslint om te koesteren.

Weg van het lawaai in een krant.

Oscar van den Boogaard


ELLE, À SES FUNÉRAILLES
On l’emporte à son dernier repos
En majestueuse et lente procession
Que je suis, à ma place d’étrangère.
La famille, ici. Moi, son amante, là.
J’ai gardé ma robe voyante ;
Eux, portent des habits de deuil.
Mais ils l’entourent les yeux secs,
Tandis que la douleur me consume.


SHE AT HIS FUNERAL
They bear him to his resting-place-
In slow procession sweeping by;
I follow at a stranger’s space;
His kindred they, his sweetheart I.
Unchanged my gown of garish dye,
Though sable-sad is their attire;
But they stand round with griefless eye,
Whilst my regret consumes like fire !

Thomas Hardy


Het lied van de ruiter

Córdoba.
Ver weg en eenzaam.
Zwarte merrie, grote maan,
en olijven in mijn zadeltas.
Hoewel ik de wegen ken,
zal ik Córdoba nooit bereiken.

Over de vlakte, doorheen de wind,
zwarte merrie, rode maan.
De dood kijkt naar mij
vanuit de torens van Córdoba.

Ach, wat een lange weg!
Ach, mijn dappere merrie!
Ach, de dood wacht op mij,
Voor ik Córdoba zal bereiken!

Córdoba.
Ver weg en eenzaam.



Federico García Lorca

Vertaling Germain Droogenbroodt


Brief, toevallig in versvorm geschreven

Voortaan zal ik verstrooid en zonder veel omhaal van woorden
Alle uren laten kloppen in het blauw dooraderd porselein
Van deze hand die eeuwen broos en roerloos op de tafel
Voor me ligt.

lk ben alleen. lk heb die eenzaamheid
Van tong en denken niet gewild, en niet de bloedgroep
Van de vriendschap onderzocht om nu te moeten leven
In de breuk met mijn verleden, met jou en mezelf.

Het juiste rollenspel van hart en mond, de vage gave
Om gelukkig wat figuren in de ruimte de mijne te noemen,
Ze zijn gesmoord in de bekende stelsels, in bewondering
Die voor de dommen en de doven is, het knielend volk.

Het was wellicht mijn schaamteloze mededeelzaamheid
In het verdriet, wellicht de scheur die ik geschapen heb
Tussen mijn jonge jaren en een woekerende taal, wellicht
De kloof die ik nu word, waarin geen ander slapen komt,

Het was wellicht dit alles wat mijn oog
Voor schonere verhoudingen verblindt,
Zoals een keel verdonkerd wordt
Die niet de woorden van een ander tot zich nemen kan.

En ook het ruisen van gesprekken heeft mij weggedragen
In de winding van een oor, de zachte holte van een hand,
Van een geslacht dat mij niet langer kinderlijk verwondert
In de krimpende vertrekken der volwassenheid.

Ik adem. Ik besta. En zo onhandig, blind en dom
Als toen ik werd geboren.

Maar een taal heb ik geleerd — het enige wat ik wou doen
Is hier iets duidelijks te zeggen, zo grootmoedig en beklemmend
Als muziek die jou in zomerende straten ’s avonds overvalt
Door openstaande ramen, soms je schedelhuid doet jeuken.

Leonard Nolens (1947-2025)

uit: Alle tijd van de wereld (1979)


Les rivières riaient, de village en village,
Déplaçant les reflets, mêlant les paysages
Au plus pur de leurs eaux,
Puis les emportaient tous, les jetaient pêle-mêle
Au milieu de la mer
Et les toits des maisons, les bouleaux naufragés
Et quelques baldaquins
Qui n’étaient que mirages
Rassasiaient fort mal le ventre des requins.

Jules Supervielle

625


De rivieren lachten, van dorp tot dorp,
Verschuivende weerspiegelingen, vermengde landschappen
In het zuiverste van hun water,
Toen voerden ze hen allemaal mee, en wierpen ze hals over kop
Midden in de zee
En de daken van de huizen, de gestrande berken
En een paar luifels
Die niets dan luchtspiegelingen waren
Was een schrale vervanging voor het vullen van de magen van de haaien.

Jules Supervielle


Fuori dal crepaccio l’abbraccio,
l’ostaggio oscuro sparito col contatto.
Vedere schiumare le onde è come
il deflagrare del tuo sguardo sul mio corpo;
liberati gli ultimi zampilli d’inquietudine
cospargo la mia essenza sulle nocche
e le bocche ascensori d’estasi
cuciono lastre ardenti.

Lastricare un percorso
con la pelle, presenziare
l’assoluto come l’ultimo soprano
che non ha smesso di cantare
il tuo nome, e quando tremo è la tua mano
a riportarmi nel confine, a dirmi
che sono umano anch’io,
un condannato che ha dimenticato
la sua pena nel tuo fascio luminoso
adorato reticolato di sangue.

Cristian Ponsillo


Uit de kloof, de omhelzing,
verdween de donkere gijzelaar bij aanraking.
Het zien van de schuimende golven is als
de explosie van jouw blik op mijn lichaam;
de laatste straaltjes rusteloosheid ontketend,
strooi ik mijn essentie op mijn knokkels
en de monden, liften van extase,
naaien brandende platen.

Een pad effenen
met mijn huid, getuige zijn van
het absolute als de laatste sopraan
die nooit ophield met zingen
jouw naam, en wanneer ik beef, is het jouw hand
die me terugbrengt naar de grens, me vertellend
dat ik ook mens ben,
een veroordeelde die zijn straf is vergeten
in jouw lichtgevende straal,
aanbeden netwerk van bloed.

Cristian Ponsillo


Une main qui écrit
Et la planète tourne
Avec toutes ses villes,
Ses guerres et ses foules
En faisant moins de bruit
Que ma plumes en son cours.
Des mots froids d’être nus
Et des mots inconnus
Sur la page du vent
Et des cinq océans.
Et la terre, terrible,
Qui attend le moment
De nous passer au crible
Malgré les ornements
De nos cœurs différents
Nous sommes même cible
Où l’on atteint le mille
D’un air indifférent.

Jules Supervielle

605


Een hand die schrijft
En de planeet draait
Met al zijn steden,
Zijn oorlogen en zijn menigten
Maken minder lawaai
Dan mijn pen in zijn loop.

Woorden koud van naaktheid
En onbekende woorden
Op de bladzijde van de wind
En de vijf oceanen.

En de aarde, verschrikkelijk,
Wachtend op het moment
Om ons te zeven
Ondanks de versieringen
Van onze verschillende harten
Zijn we allemaal hetzelfde doelwit
Waar men de roos raakt
Met een air van onverschilligheid.

Jules Supervielle


Spettri attesi su un’isola di fuoco
il faro bramoso, la bruma
cessata grazie al bagliore dei tuoi occhi
i fili tessuti dagli organi, origami
lasciati come regali sulla pelle.

Nascosti nel vortice cediamo
le cadenze della terra, incrociamo
le lune illuminate da due lingue
che si sfiorano, le stesse sillabe
che non necessitano di fiato.

Apolidi nel mondo
cittadini di un abbraccio.

Cristian Ponsillo


Geesten wachtten op een eiland van vuur
de verlangende vuurtoren, de mist
verdwenen door de gloed van je ogen
de draden geweven door organen, origami
achtergelaten als geschenken op de huid.

Verborgen in de vortex geven we ons over
de cadensen van de aarde, we doorkruisen
de manen verlicht door twee talen
die elkaar raken, dezelfde lettergrepen
die geen adem nodig hebben.

Staatloos in de wereld
burgers van een omhelzing.

Cristian Ponsillo


OFFRANDE

Tout ce que j’ai de mieux je vous le donne,
Je rêve Dieu il faut qu’il me pardonne
Si je mets aussi à le donner
Après l’avoir à peine deviné

Ah ! mais peut-on faire aumône si grande
De donner Dieu qui lui-même est offrande.
Pardonnez-moi, je ne sais où j’en suis
Mais je suis fier de ce nouveau souci.

Jules Supervielle

606


OFFER

Alles wat mij het meest dierbaar is, geef ik aan u.
Ik droom van God, moge Hij mij vergeven
als ik het ook weggeef
nadat ik het me nauwelijks heb kunnen voorstellen.

Ach! Maar kan men zo’n grote aalmoes brengen
als aan God, die Zelf een offer is?
Vergeef me, ik weet niet waar ik sta
maar ik ben trots op deze nieuwe zorg.

Jules Supervielle


Se ne va il divano
nell’umano risentirsi
a fare sfuggire dall’acchiappo
la chioma dei chioschi della vita
e perdura quel desiderio immanente
di congelare la solitudine, assottigliarla
a non più di una trentina di visualizzazioni
giusto il tempo di decodificare l’amico
che mette un like dall’altro schermo.

Ed è quando hai cavato dal naso
anche l’ultimo briciolo d’anima
che potrai giurare fedeltà al sistema binario
e riconoscerti come

Cristian Ponsillo


De bank verdwijnt
in menselijke wrok
om de haren van de kiosken van het leven uit de greep te laten glippen
en dat immanente verlangen blijft bestaan
om de eenzaamheid te bevriezen, uit te dunnen
tot niet meer dan dertig blikken
net genoeg tijd om de vriend te ontcijferen
die je leuk vindt vanaf het andere scherm.

En het is wanneer je
zelfs het laatste restje ziel hebt losgetrokken
dat je trouw kunt zweren aan het binaire systeem
en jezelf kunt herkennen als

Cristian Ponsillo


Polso lacerto,
un velo nero
rimpolpa la vasca
e il sangue come una larva
esce dal bozzolo
per farsi farfalla.

Cristian Ponsillo


Een gescheurde pols,
een zwarte sluier
vult de plas
en het bloed, als een larve
ontwaakt uit zijn cocon
om een ​​vlinder te worden.

Cristian Ponsillo


À LA FENÊTRE DU MONDE

PRIÈRE À L’INCONNU

Dieu regarde par la fenêtre
Comme avant de rentrer chez lui
Et il m’invite à comparaître
Pour je ne sais plus quel délit
Que je n’ai même pas commis.
Mon Dieu, soyez juste avec moi,
Et soyez-le avec les hommes ;
C’est grave nullement comique.
Ne riez pas de ma personne
Je suis un poète cosmique
Et je me connais cent patries
Et c’est partout où j’ai envie
D’aller faire mon petit somme
Car le souffre aussi d’insomnies.
Je suis un Basque, un Béarnais,
Un mâtiné d’Uruguayen
C’est le pays où je suis né.
Je le dis pour votre gouverne
Quand je me sors de ma caverne
Il est trois Montévidéens
Je ne crois qu’en ce que je vois
C’est le tragique du poète,
Or je vous vois à ma fenêtre
Avec mes yeux de l’intérieur
Eux qui n’ont ni peur ni pudeur.
À la fenêtre du monde
Tant pis pour nous si je suis fait
Exactement comme on m’a fait.
Et quand vous venez! pas à pas
Je ne me lève même pas
Pour paraître ou pour disparaître.
Ce n’est pas une impolitesse
Et ce n’est pas de la paresse
Ce qui m’empêche d’aller voir,
Mais j’ai le corps d’un plomb si triste
Par temps d’intestines tueries
Que je reste assis dans le noir
Quelque part dans cette Algérie
A quoi nous pensons sans la voir.

Juin 1958

Jules Supervielle

612


AAN HET VENSTER VAN DE WERELD

GEBED TOT HET ONBEKENDE

God kijkt uit het raam
Alsof Hij op het punt staat naar huis terug te keren
En Hij roept mij op te verschijnen
Voor een misdaad die ik niet meer ken
Die ik niet eens heb begaan.
Mijn God, wees rechtvaardig met mij,
En wees rechtvaardig met de mensheid;
Dit is serieus, helemaal niet komisch.
Lach me niet uit
Ik ben een kosmische dichter
En ik ken honderd vaderlanden
En overal voel ik de behoefte
Om een ​​dutje te doen
Want ook ik lijd aan slapeloosheid.
Ik ben een Bask, een Béarnais,
Een vleugje Uruguayaans
Dat is het land waar ik geboren ben.
Ik zeg dit voor uw informatie
Als ik uit mijn grot kom
Zijn er drie Montevideonen
Ik geloof alleen in wat ik zie
Het is de tragedie van de dichter,
En ik zie u aan mijn raam
Met mijn innerlijke ogen
Die kennen geen angst noch schaamte.
Aan het venster van de wereld
Jammer voor ons als ik gemaakt ben
Precies zoals ik gemaakt ben.
En wanneer je komt! Stap voor stap
sta ik niet eens op
Om te verschijnen of te verdwijnen.
Het is geen onbeleefdheid
En het is geen luiheid
Die me ervan weerhoudt te gaan kijken,
Maar mijn lichaam is zo loodzwaar en treurig
In tijden van darmverwoesting
Dat ik in het donker blijf zitten
Ergens in dit Algerije
Waar we aan denken zonder het te zien.

Juni 1958

Jules Supervielle


Anna Maria Scopa, Radicanti, Bertoni Editore, 2025
Prefazione di Massimo Morasso


Senza tracce apparenti di dolore, i vestiti
parlano di noi tra risa e legna asciutta da ardere
ci ha lavati di ogni morire
quel canto alle radici
o forse quel rimanere immobili
come gechi bruciati di parole
ci sono scadenze sui vetri, nelle attese
sul rovescio e sopra ogni cosa,
ma la dormienza mi protegge i semi.
Radicanti fanno così, ogni cosa sanno sostenere.

Anna Maria Scopa

(p. 17)


Zonder enige zichtbare sporen van pijn, spreken de kleren
over ons tussen gelach en droog brandhout
heeft ons van alle dood ontdaan
dat lied in de wortels
of misschien dat stil blijven
als gekko’s verbrand door woorden
er zijn deadlines op de ramen, in de wacht
op de rug en boven alles,
maar de rust beschermt mijn zaden.

Wortelen doet dit, ze kunnen alles in stand houden.

Anna Maria Scopa

(p. 17)


LÉGENDAIRES

À Patrice de La Tour du Pin.

PREMIER SOLEIL DU MONDE

Un cheval plein d’ombre encore et de bruit
Faisait jaillir du sol le reste de la nuit.

Un paysan perché dans le haut de sa treille
Ramassait les premiers javelots du soleil.

Dans la nouveauté d’un jour pur, sans tombes,
Les cerfs décelaient des cœurs de colombes.

Un taureau, harcelé de milliers d’hirondelles,
Dans sa fougue atteignait d’un coup le plus haut ciel.

Le jour de cristal, l’escalier de l’aube
Ne lui dérobait pas les degrés de sa robe.

La dernière étoile en son lit attardée
Laissa choir son unique escarpin de rosée.

Jules Supervielle

616


LEGENDARISCH

Aan Patrice de La Tour du Pin.

EERSTE ZON VAN DE WERELD

Een paard, nog gehuld in schaduw en lawaai,
trok de rest van de nacht uit de aarde.

Een boer, hoog in zijn wijnrank,
verzamelde de eerste zonnestralen.

In de nieuwigheid van een zuivere dag, zonder graven,
onderscheidden de herten de harten van de duiven.

Een stier, opgejaagd door duizenden zwaluwen,
bereikte in zijn razernij in één sprong de hoogste hemel.

De kristallen dag, de trap van de dageraad,
stal de treden van zijn gewaad niet van hem.

De laatste ster, die nog in zijn bed lag,
liet zijn enige dauwdruppel vallen.

Jules Supervielle


Morissi adesso
seppellite le mie braccia sgualcite
le mie anche stanche
la bocca che mai ha parlato
il cuore gonfio di temporali.
Morissi adesso
spegnetemi gli occhi sul lato d’ombra di una quercia
o sotto un piccolo fiore di zucca
tra i seni pallidi e il viso intatti.
Dichiaratevi innocenti.

Anna Maria Scopa

(p. 38)


Als ik nu zou sterven
begraaf dan mijn verfrommelde armen
mijn vermoeide heupen
de mond die nooit sprak
het hart gezwollen door stormen.
Als ik nu zou sterven
doof dan mijn ogen aan de schaduwzijde van een eik
of onder een kleine pompoenbloesem
tussen de bleke borsten en het intacte gezicht.

Verklaar jezelf onschuldig.

Anna Maria Scopa

(p. 38)


Le héraut du soleil s’avance
Et sonne au milieu de la mer.
C’est un enfant dans son enfance
Et une barque à six rameurs,
Il est prêt à tout recevoir
Comme dans les siècles passés,
Il a les mêmes yeux pour voir
Mais il peut aussi s’en passer
De qui s’agit-il, silence !
Dans le secret seul gît sa chance
Et une parole de trop
Précipiterait dans les flots
Ce très fragile échafaudage
Qui nous parvient du fond des âges
Et qui nous laisse sans repos
Pour ne pas dire davantage.

Dans le grand mutisme des cieux
Sonne un cor très silencieux
Qui éteint toutes les lumières
Sauf une que chacun espère
Pouvoir protéger d’une main
Dérisoire et sans lendemain.

Jules Supervielle

616-617


De heraut van de zon nadert
En blaast op zijn hoorn midden op zee.
Hij is een kind in zijn kindertijd
En een boot met zes roeiers,
Hij is klaar om alles te ontvangen
Zoals in voorbije eeuwen,
Hij heeft dezelfde ogen om te zien
Maar hij kan ook zonder
Wie is het, stilte!
Alleen in geheimhouding ligt zijn kans
En één woord te veel
Zou in de golven storten
Dit zeer fragiele bouwwerk
Dat ons bereikt vanuit de diepten van de tijd
En dat ons zonder rust achterlaat
Om nog meer te zeggen.

In de grote stilte van de hemel
Klinkt een zeer stille hoorn
Die alle lichten dooft
Behalve één, waarvan iedereen hoopt
Met een hand te kunnen beschermen
Een bespotting en zonder toekomst.

Jules Supervielle

616-617


Alla fine
separai con attenzione
la tristezza dal dolore
al centro esatto.
Nel palmo della mano
piccoli sassolini neri
così come si fa con le lenticchie.

Anna Maria Scopa

(p. 54)


Uiteindelijk
scheidde ik zorgvuldig
het verdriet van de pijn
precies in het midden.
In mijn handpalm
kleine zwarte steentjes
net als linzen.

Anna Maria Scopa

(p. 54)


Sarà l’urlo profondo che buca le ossa
e non trova più terra sotto i piedi.
Il cielo ha il ventre gonfio del mondo
a lavare il rimorso che impasta la bocca.
Quanto tempo ci vuole raccogliere corpi
come conchiglie, mentre il mare sputa sangue
sui gusci dei giorni senz’altare?
Non c’è pietà nella stagione della morte
non c’è più sole e in Palestina piove.

Anna Maria Scopa

(p. 74)


Het zal de diepe schreeuw zijn die door de botten snijdt
en geen grond meer vindt onder zijn voeten.
De hemel heeft de gezwollen buik van de wereld
om het berouw weg te spoelen dat de mond verstopt.
Hoe lang duurt het om lichamen te verzamelen
als schelpen, terwijl de zee bloed spuwt
op de schelpen van dagen zonder altaar?
Er is geen genade in het seizoen van de dood
er is geen zon meer en in Palestina regent het.

Anna Maria Scopa

(p. 74)
*


MÉTAMORPHOSES

Chacun a toujours en lui
De quoi devenir autrui
Et peut par vent défavorable
Naviguer vers d’autres fables.
Le lapin rêvant d’un zèbre
Finit par se déployer
Même hors de ses ténèbres
En petit cheval rayé.
L’éléphant léger de trompe
Tourne au plus pur papillon
Dans son cœur que ne détrompe
Une volage raison
Et son désir est si fort
Qu’il finit en son modèle
Par faire battre des ailes
Un corps peu fait pour l’envol.
Le serpent rêve de l’aigle
Qui finit par le saisir
Et le furet se dérègle
20 A vouloir toujours courir.
Sur l’arbre il devient la branche
Vers laquelle il vient d’aller
Changé en bois il se penche
Sur un cœur tout endeuillé.

Jules Supervielle

618


METAMORFOSES

Ieder van ons draagt ​​altijd in zich
Het potentieel om iemand anders te worden
En kan, wanneer de wind tegen ons waait,
Naar andere fabels varen.
Het konijn dat droomt van een zebra
Ontvouwt zich uiteindelijk
Zelfs uit zijn duisternis
In een klein gestreept paard.
De olifant, met zijn lichte slurf,
Verandert in de puurste vlinder
In zijn hart, dat niet misleid kan worden
Door wispelturige rede
En zijn verlangen is zo sterk
Dat het uiteindelijk in zijn model terechtkomt
En vleugels laat slaan
Een lichaam dat niet geschikt is om te vliegen.
De slang droomt van de adelaar
Die hem uiteindelijk grijpt
En de fret dwaalt af
Door altijd te willen rennen.
In de boom wordt hij de tak
Waarheen hij net is gegaan
Veranderd in hout, leunt hij
Over een hart vol verdriet.

Jules Supervielle


Ho avuto freddo sulle maniglie delle porte
di tutto il tempo che mi chiude dentro
ho sempre uno spazio, un angolo cieco.
Resistere è un finto bouquet di fiori
un cappotto in estate
un condominio senza appartamenti
un dolore di muri affrescati
un passo che non so d’avere
il lato opposto delle mie stesse ragioni
un andarsene senza esserci mai stata.

Anna Maria Scopa
(p. 84)


Ik voelde de kou op de deurklinken
van al die tijd die me binnen opsluit
ik heb altijd een ruimte, een blinde vlek.
Weerstand bieden is een nepboeket bloemen
een jas in de zomer
een gebouw zonder appartementen
de pijn van fresco’s op de muren
een stap waarvan ik niet weet of ik die heb gezet
de keerzijde van mijn eigen redenen
een vertrek zonder er ooit geweest te zijn.

Anna Maria Scopa

(p. 84)


Les Salettes

Kun je verdrinken in herinnering aan blauw?
De berg zeilde langs het water,
en jij vroeg een verhaal
dat over ons zou gaan.

Daar, waar we amper kunnen staan,
houd daar de dunne draad gevangen
tussen je bleke poppenvingers.

Spreek met mij
over het slapend, zwemmend kind
dat roept naar schimmen op de oever –
‘Ik ben vrij, ik ben vrij’ –

het roeit ons tot de overkant,
zijn lichaam is ons bootje,
je houdt hem dicht tegen je aan.

Toe zeg je,
bel me. Schrijf me.
Ik raak niet bij
dat meer vandaan.

Stefan Hertmans


XXI.

Ogni morte contiene in sé tutta la morte della terra.
Perciò morendo saprai
Il pesce buttato a riva della notte d’uragano,
E l’arso albero, e la belva atterrata dalla fame,
E il riposo dei popoli distrutti
Sotto le sabbie dei loro regni dimenticati

Margherita Guidacci.


XXI.

Elke dood omvat alle dood van de aarde in zich.
Daarom zul je het weten als je sterft
De vis die tijdens de orkaannacht aan land werd geworpen,
En de verbrande boom, en het beest gedood door honger,
En de rest van de vernietigde volkeren
Onder het zand van hun vergeten koninkrijken

Margherita Guidacci.


XXVII

Ama l’albero in sé raccolto, ama la chiusa fatica
Del frutto che il tempo nutre e che nel tempo ricade.
Ma più ama l’albero nel vento, quando assomiglia alla fiamma futura.

Margherita Guidacci.

(da La sabbia e l’angelo, Firenze, Vallecchi, 1946)


XXVII

Hij houdt van de boom die in zichzelf is verzameld, hij houdt van de gesloten inspanning
Van de vrucht die de tijd voedt en die na verloop van tijd valt.
Maar hij houdt meer van de boom in de wind, wanneer deze op de toekomstige vlam lijkt.

Margherita Guidacci.

(uit Het zand en de engel, Florence, Vallecchi, 1946)


Fu la sera improvvisa

Fu la sera improvvisa, non nel corso del tempo.
E non ebbe corteggio di gloria occidentale
Né bandiere di fiamma che ondeggiassero
Sui confini del cielo
Nel lento addio, promessa del ritorno.

Fu come se il pugnale di un sicario
Trafiggesse alle spalle il sole inconsapevole.
L’empio tramonto nell’oriente
(Luce mutata in pietra, foglie mutate in piombo,
Acque abbrunate in un immenso lutto)
D’ogni creatura fece statua silente
E dell’aria cinerea
L’opaco specchio del mortale orrore.

Margherita Guidacci.

(da Paglia e polvere, Padova, Rebellato, 1961)


Het was de plotselinge avond

Het was plotseling ’s avonds, niet na verloop van tijd.
En hij had geen hof van westerse glorie
Ook geen zwaaiende vlammen
Aan de rand van de hemel
In het langzame afscheid, belofte van terugkeer.

Het leek wel een moordenaarsdolk
Het zou de onbewuste zon van achteren doorboren.
De slechte zonsondergang in het oosten
(Licht veranderde in steen, bladeren veranderden in lood,
Wateren bruin in immense rouw)
Hij maakte van elk wezen een stil beeld
En de asgrauwe lucht
De ondoorzichtige spiegel van dodelijke horror.

Margherita Guidacci.

(uit Straw and Dust, Padua, Rebellato, 1961)


Gridi

Alcuni hanno impugnato il loro grido
come un coltello per aprirsi un varco
nella foresta che tradisce i loro passi.

Altri l’hanno piantato come un remo
nei mulinelli dell’acqua violenta.
Ruotano intorno, ma è la sola cosa
cui possono aggrapparsi.

Vi sono gridi che s’innalzano
come colonne a puntellare il cielo
che, disfatto, minaccia di crollarci sul capo.

Gridi nitidi, rauchi, tronchi, aguzzi.
Ciascuno chiama gli altri e li contiene.
O forse è un solo grido
che continua nel tempo – ed Eva ancora
urla su Abele mentre ad Hiroshima
la torva cenere disegna nell’aria
l’ultima clava di Caino.

Margherita Guidacci.

(da Neurosuite, Vicenza, Neri Pozza, 1970)


Jij schreeuwt

Sommigen namen hun kreet over
als een mes om een doorgang te openen
in het bos dat hun stappen verraadt.

Anderen plantten het als een roeispaan
in de draaikolken van gewelddadig water.
Ze draaien rond, maar dat is het enige
waar ze zich aan kunnen vastklampen.

Er stijgen kreten op
als kolommen die de hemel ondersteunen
die, ongedaan gemaakt, op ons hoofd dreigt in te storten.

Helder, schor, afgeknot, scherp geschreeuw.
Elk roept de anderen op en bevat ze.
Of misschien is het maar één kreet
wat in de loop van de tijd doorgaat – en Eva opnieuw
schreeuwt over Abel terwijl hij in Hiroshima is
de grimmige as trekt de lucht in
Kaïns laatste club.

Margherita Guidacci.

(uit Neurosuite, Vicenza, Neri Pozza, 1970)


L’AIR

de Jorge GUILLÉN

L’air n’est rien ou presque rien,
A moins qu’il ne se dérobe,
Sans matière, en un secret.
Rien’ ou presque rien, le ciel.

Cauteleux il se répand
Nul ne peut lui voir le corps.
C’est ainsi qu’il s’est voulu
De l’air clair, un bon silence.

Jusqu’à devenir esprit,
Se taisant brise, il s’élève
Cependant qu’une clarté
Traverse la brise au vol.

La fraîcheur des transparences
Glisse comme d’un glacier
De lumière, son cristal,
S’affine jusqu’au zéphyre.

Celeste légèreté,
Un air à peine terrestre
C’est à peine une blancheur
Où s’affirme le plus pur.

Air seigneur, lui qui s’adjuge
Des distances, des lointains,
Dissimulant sa beauté
Pour ne pas paraître neuf.

Air que je respire à fond
Tant de soleils l’ont fait dense
Et, pour plus d’avidité,
Air où le temps se respire.

Et tous ces jours d’autrefois’
Rôdent maintenant dissous
Dans cette splendeur que pousse
Un souffle vers l’éternel.

Des murs près de la campagne
Gardiens des ocres reflètent
De tendres après-midi
Aux cimes du souvenir.

Comme elle erre sa douceur
Dans l’atmosphère elle guide
Les pas comme les paroles
Qui vont à l’air sans savoir.

C’est du cristal mais en vole
De devenir amoureux.
Il cherche une aura dorée
Et des sentiers pour l’extase.

Je respire, je respire
Si à fond que je me vois
Jouissant du paradis
Par excellence, le nôtre.

Et la vie, la vie sans cesse
Qui vaut par l’humilité
Va taciturne dans l’air,
Cet air, ce prodige simple.

C’est de la vie, rien de plus,
Ce souffle où naît notre souffle,
Un souffle avec une foi,
Oui, et voilà la merveille.

Voilà : lumière dans l’air
Et avec l’air un désir,
Un soupir de transparence
Suprême. Je crois, je respire.

Au-delà du soliloque
Et dirigeant mon amour
S’élancent tous les balcons
Dans les airs de l’univers.

Des balcons ou des vigies
Venant même de ces points
Extrêmes à peine possibles
Et dans le soir, jaunissants.

Et mes yeux vont contenant
L’ordonnancement immense,
Panorama retrouvé
Aux profondeurs du miroir.

Entre l’arbre et le miroir,
La rivière’ et le rameur
L’air qui n’est jamais un terme,
Sert de transition en gris.

Ô marges de la beauté
À travers son éclaircie
La foule de cent détails
N’est point foule. Nul désordre!

S’approfondissent dans l’air
Pour mieux se sentir dedans
Les jardinets et les grilles,
Les coins de rue, les auvents.

Contournés par leurs limites,
Se complaisent les objets
Et leur propre nudité
Les parachève: ils sont eux.

C’est un îlot de printemps
Si verts, les gris ! Et des frênes
En aiguisant leurs branchettes
Nous tendent un air plus tendre.

Bois, feuillages, si limpides
Sont ces creux aériens
Et comme ils me rassérènent
Lors que je sais les aimer.

Heureux l’élan, comme il comble
La tension d’un jour trop plein!
Des volumes de feuillages
Se haussent en un seul calme.

Les tours se dorent, amies
Des moissons et des coteaux.
Pierres, lumière. Entre vous,
Des halètements s’ébrouent.

En bandes qui se dépassent
Jouent les oiseaux. Voyez-les.
Tous vont, viennent ou bien virent,
Collaborent au grand jeu.

Jeu peut-être d’une force
Sans solennité, ébauche,
Mais des formes qui atteignent
La perfection de l’instant!

Cette perfection si vive
Qu’elle atteint ce qui scintille
Tout au loin, et me presente
Comme un filet mon attente.

Ce grand lambeau de soleil,
Des nuages flambent, la !
Et sans trop savoir pourquoi
S’illumine mon désir.

Des bosquets, des horizons,
— Impérissable verdeur —
Donnent cimes au domaine
Céleste, lui donnent gloire !

Gloire de blancs et de bleus
Les plus purs, les plus violents,
Réjouissance de nuages
Précurseurs de dieux, de feux.

La réalité soudain
Passe l’annonce et le rêve
Sous les airs comme dans l’air
Que cerne le firmament.

L’air est clair pour mieux rêver,
Territoire du mystère
Et l’air, de sa création
M’encercle. Oh le clos divin !

La création continue,
Fils de l’air, je m’y soumets.
L’air, transparence! Que soit
Sa suprême seigneurie !

Jules Supervielle

638-642


LUCHT

door Jorge Guillén

Lucht is niets, of bijna niets,
Tenzij het ons ontglipt,
Zonder materie, in het geheim.

Niets, of bijna niets, de hemel.

Voorzichtig spreidt het zich uit,
Niemand kan zijn lichaam zien.

Zo wilde het zijn,
Heldere lucht, een goede stilte.

Totdat het geest wordt,
Verstild, een briesje, stijgt het op,
Terwijl een licht
De bries doorkruist in de vlucht.

De frisheid van transparanties
Glijdt als van een gletsjer,
Van licht, zijn kristal,
Verfijnd tot de zefier.

Hemelse lichtheid,
Een lucht die nauwelijks aards is,
Het is nauwelijks wit,
Waar het zuiverste wordt bevestigd.

Vorige lucht, hij die zich toe-eigent
Verre landen, verre landen,
Zijn schoonheid verbergend
Zodat het niet nieuw lijkt.

Lucht die ik diep inadem
Zoveel zonnen hebben haar dicht gemaakt
En, voor een nog groter verlangen,
Lucht waar de tijd wordt ingeademd.

En al die dagen van weleer
Blijven nu hangen, opgelost
In deze pracht die een ademtocht voortstuwt
Een ademtocht naar de eeuwigheid.

Muren in de buurt van het platteland
Okse bewakers weerspiegelen
Zachte middagen
Op de toppen van de herinnering.

Hoe haar zoetheid ronddwaalt
In de atmosfeer die ze leidt
Stappen en woorden
Die onbewust de lucht in gaan.

Het is kristal, en toch vliegt het
Om verliefd te worden.

Hij zoekt een gouden aura
En paden naar extase.

Ik adem, ik adem
Zo diep dat ik mezelf zie
Genieten van het paradijs
Bij uitstek, ons eigen paradijs.

En het leven, het leven zonder einde
Dat waardevol is vanwege nederigheid
Glijdt stil door de lucht,
Deze lucht, dit eenvoudige wonder.

Het is leven, niets meer,
Deze adem waaruit onze adem voortkomt,
Een adem met geloof,
Ja, en daarin schuilt het wonder.

Daar is het: licht in de lucht
En met de lucht een verlangen,
Een zucht van opperste transparantie. Ik geloof, ik adem.

Voorbij de monoloog
En mijn liefde leidend
Stijgen alle balkons op
In de lucht van het universum.

Balkons of uitkijkpunten
Zelfs vanaf die uiterste, nauwelijks bereikbare punten
En ’s avonds, vergeelend.

En mijn ogen, die bevatten
De immense orde,
Het panorama herontdekt
In de diepte van de spiegel.

Tussen de boom en de spiegel,
De rivier en de roeier,
De lucht, die nooit een einde kent,
Dient als een overgang in grijs.

O randen van schoonheid,
Door haar openheid,
De veelheid van honderd details
Is geen menigte. Geen wanorde!

Dieper in de lucht,
Om zich er beter in te voelen,
De kleine tuintjes en de hekjes,
De straathoeken, de luifels.

Begrensd door hun grenzen,
Genieten zich in hun
En hun eigen naaktheid
Maakt hen compleet: ze zijn zichzelf.

Het is een eiland van de lente,
Zo groen, de grijstinten! En essen,
Hun takken scherper makend,
Bieden ons een zachtere lucht.

Bossen, bladeren, zo helder
Zijn deze luchtige holtes
En hoe kalmeren ze me
Als ik weet hoe ik van ze moet houden.

Gelukkig is de golfslag, hoe die vult
De spanning van een overvloedige dag!

Volumes bladeren
Stijgen op in één kalmte.

De torens zijn verguld, vrienden
Van oogsten en heuvels.

Stenen, licht. Tussen jullie in,
stijgen verlangingen op.

In zwermen die elkaar overtreffen,
Spelen de vogels. Kijk naar ze.

Alles gaat, komt of draait,
Samenwerkend in het grote spel.

Een spel misschien van een kracht
Zonder plechtigheid, een schets,
Maar van vormen die de
perfectie van het moment bereiken!

Deze perfectie zo levendig
Dat ze bereikt wat glinstert
Ver weg, en mij presenteert
Als een net mijn verwachting.

Deze grote strook zonlicht,
Wolken vlammen daar! En zonder precies te weten waarom, wordt mijn verlangen verlicht.

Bosjes, horizonnen,

—Onvergankelijk groen—
Geven toppen aan het hemelse rijk,
Geven het glorie!

Glorie van wit en blauw,
Het puurste, het meest intense,
Vreugde van wolken,
Voorlopers van goden, van vuren.

De realiteit
Overstijgt plotseling de aankondiging en de droom,
Onder de hemel als in de lucht,
Die het firmament omringt.

De lucht is helder voor betere dromen,
Gebied van mysterie,
En de lucht, met haar schepping,
Omringt mij. O, de goddelijke omhulling!

De schepping gaat door,
Zoon van de lucht, ik onderwerp me eraan.

De lucht, transparantie! Moge het
Haar opperste heerschappij zijn!

Jules Supervielle

638-642


Il vuoto e le forme

L’inseguimento, la lotta
sull’orlo invisibile,
le immagine afferrate, già credute
nostre, ed in un istante
ridivenute nebbia,
il deluso ritorno –
di cacciatore a cui toccò soltanto
uno stormir di frasche e il breve lampo grigio
della lepre che a balzi si salva tra i cespugli;
di pescatore la cui lunga attesa
finì in un guizzo ironico di carpa,
quella beffa d’argento sull’amo appena sfiorato…

Come siamo sconfitti!
Come ci cadono di mano le inutili armi!
La pietra resta pietra,
la tela è solo tela, il foglio una frusciante
assenza, la tastiera
ostinato silenzio.

Il vuoto si difende.
Non vuole che una forma lo torturi.

Margherita Guidacci.


De leegte en de vormen

De achtervolging, het gevecht
aan de onzichtbare rand,
de beelden begrepen, geloofden al
de onze, en in een oogwenk
weer mist worden,
de teleurgestelde terugkeer –
van een jager wiens enige beurt het was
een geritsel van takken en de korte grijze flits
van de haas die tussen de struiken in veiligheid springt;
van vissers wiens lange wachttijd
eindigde in een ironische flits van karpers,
die zilveren spot aan de nauwelijks aangeraakte haak…

Wat zijn we verslagen!
Hoe nutteloze wapens vallen uit onze handen!
De steen blijft steen,
het canvas is maar canvas, het vel papier ritselt
afwezigheid, het toetsenbord
hardnekkige stilte.

De leegte verdedigt zichzelf.
Hij wil geen formulier om hem te martelen.

Margherita Guidacci.


(da Il vuoto e le forme, Padova, Rebellato, 1977)
Immagine da: Margherita Guidacci. Le Poesie. A cura di Maura del Serra, Ed. Le Lettere, 2020.

(uit De leegte en de vormen, Padua, Rebellato, 1977)
Afbeelding van: Margherita Guidacci. De gedichten. Bewerkt door Maura del Serra, Ed. Le Lettere, 2020.


LES AIRS

de Jorge GUILLÉN

Dames hautes, calandres
Mêlez votre altitude !
Ramages et montagnes
S’associent pour grandir
Dans le matin qui tremble
D’une immense rosée,
Candide et sans mesure
Sous le ciel inventeur
De distances, de fables.

Libres dans la lumière,
Dames hautes, calandres!
Air doré, ascendant!
Suivez ainsi la trace
Si simple encor si claire
De ces riens si profonds
Et si friands de l’air.
Leur âme est immédiate,
Oui, visible, totale,
Ah ! pour le seul regard
Des toujours amoureux.

Dames hautes, calandres!

Jules Supervielle

637


DE LUCHT

door Jorge GUILLÉN

Lange dames, roosters
Meng jullie hoogte!

Takken en bergen
Verenigen zich om te groeien
In de trillende ochtend
Met een immense dauw,
Oprecht en grenzeloos
Onder de inventieve hemel
Van afstanden, van fabels.

Vrij in het licht,
Lange dames, roosters!

Gouden lucht, stijgend!

Volg zo het spoor
Zo eenvoudig, toch zo helder
Van deze nietsheden zo diepgaand
En zo dol op de lucht.

Hun ziel is direct,
Ja, zichtbaar, totaal,
Ah! voor de blik van hen die voor altijd verliefd zijn.

Lange dames, roosters!

Jules Supervielle


da: Rosanna Frattaruolo, Fuguruma. Bozzetti per profili informi, Arcipelago itaca, 2025
Postfazione di Alberto Bertoni


A rilento avanza Nando Babaa su ogni metro quadro
ha acquisito il diritto d’abitazione
custodire l’angusto ripostiglio non bastava più

gli scaffali hanno coperto il perimetro della vecchia sala
i cani moltiplicati nel loro odore acre
e un padre respira a fatica nella dimora delle malombre

la mania di conservare non buttare ostentare
impilare acquisti e non avere niente da indossare
temere la carestia di una guerra già persa in partenza

si retrocede così da divinità a spettro
nel progetto di sentieri di capra
e nel numero di bottiglie di ammorbidente nascoste in casa

Rosanna Frattaruolo
(p. 13)


Nando Babaa rukt langzaam op over elke vierkante meter
Hij heeft het recht verworven om er te wonen
Het bewaken van de krappe kast was niet langer genoeg

De planken bedekken de hele omtrek van de oude kamer
De honden hebben zich vermenigvuldigd met hun scherpe geur
En een vader ademt met moeite in de woning van schaduwen

De obsessie met bewaren, niet weggooien, pronken
Aankopen stapelen en niets hebben om aan te trekken
De angst voor de hongersnood van een oorlog die al vanaf het begin verloren is

Zo vervalt men van goddelijkheid tot geest
In het project van geitenpaadjes
En in het aantal flessen wasverzachter dat in huis verstopt zit

Rosanna Frattaruolo
(p. 13)


secondo oracolo

non cedere alla tentazione di ascoltare tutti i cento canti di sirena
non è un gioco invocare la paura

fuggire prima che si spenga anche l’ultima candela
e il buio s’impadronisca della casa

Rosanna Frattaruolo
(p. 31


Tweede Orakel

Geef niet toe aan de verleiding om naar alle honderd sirenengezangen te luisteren
Het is geen spel om angst op te wekken

Vlucht voordat zelfs de laatste kaars uitgaat
En de duisternis het huis overneemt

Rosanna Frattaruolo
(p. 31


Ô vie où poussent sans effort,
La volupté, les demoiselles,
Et ceux qui se voient privés d’elles,
Les ans les mettant dans leur tort.
On prétend qu’ils sont tout douceur
Ce n’est pas pour qui les endure
Et les cheveux gris ne rassurent
Que du dehors, et sans chaleur.
La vieillesse pousse sans bruit,
Silencieuse catastrophe
Et nous pousse de strophe en strophe
Jusqu’à là grotte de l’oubli.

Jules Supervielle

627


O leven waar moeiteloos gedijen,
Plezier, maagden,
En zij die ervan beroofd worden,
De jaren brengen hen in een onrechtvaardige positie.
Ze beweren dat het allemaal zoetheid is,
Maar niet voor hen die het moeten doorstaan,
En grijs haar biedt slechts troost,
Van buitenaf, zonder warmte.
De ouderdom groeit stilletjes,
Een stille catastrofe,
En drijft ons van strofe naar strofe,
Tot de grot van de vergetelheid.

Jules Supervielle


l’intravedo m’intravedo a pezzi
la bocca le cosce le zanne
nei sette frammenti di specchio
nei giri d’anello al naso del Minotauro
una donna a metà
dal ventre in giù dalle ali in su
nel corpo articolato di vedova nera
nel filo rosso teso a cui arrendersi preda
zigottera in amore e lingua avida di rana
temo e bramo il moto a luogo
il moto per luogo
il passeggio da stato a stato
la bestia mi ritaglia ancora
mi sforbicia la ragione sfibra la definizione
cambio spesso i connotati
e non sempre sono riconoscibile

Rosanna Frattaruolo
(p. 34)


Ik vang een glimp op, ik zie mezelf in stukken
de mond, de dijen, de hoektanden
in de zeven spiegelfragmenten
in de kronkels van de ring op de neus van de Minotaurus
een vrouw in tweeën
van de buik naar beneden, van de vleugels naar boven
in het gearticuleerde lichaam van een zwarte weduwe
in de strakke rode draad waaraan ik me als prooi overgeef
een verliefde zygoptera en de gulzige tong van een kikker
Ik vrees en verlang naar de beweging naar plaats
de beweging door plaats
de wandeling van staat naar staat
het beest snijdt me nog steeds
het snijdt mijn verstand doormidden, het rafelt mijn definitie
Ik verander vaak mijn gelaatstrekken
en ik ben niet altijd herkenbaar

Rosanna Frattaruolo
(p. 34)


nell’ombra Kisei Seibutsu individua la vittima vi si insedia e fa razzia di sangue
buono
l’anestesia indolora il morso all’inizio è solo prurito poi la saliva induce la
paralisi
per guarire: rimuoverne il corpo adottando idonee precauzioni

Rosanna Frattaruolo
(p. 49)


In de schaduwen identificeert Kisei Seibutsu het slachtoffer, nestelt zich en plundert het
goede bloed
de verdoving verzacht de beet, eerst is het alleen jeuk, dan het speeksel veroorzaakt
verlamming
om te genezen: het lichaam verwijderen met de nodige voorzorgsmaatregelen

Rosanna Frattaruolo
(p. 49)


Pour ces yeux verts, souvenir de quels mondes,
Que puis-je moi qui suis un souvenir
Pourtant vivant, à cent lieues à la ronde,
Et pourtant mort, partout en devenir.

Pour ces yeux verts qui s’éloignent de moi
Dans leur phosphore et parmi les brûlures
Je vais cherchant quelque nouvelle loi,
Je vais trouvant tout ce peu qui perdure.

Jules Supervielle

627


Voor deze groene ogen, een herinnering aan welke werelden,
Wat kan ik doen, ik die een herinnering ben,
Toch levend, honderd mijl in de omtrek,
En toch dood, overal in wording.

Voor deze groene ogen die van me wegdrijven,
In hun fosforescentie en te midden van de brandwonden,
ga ik op zoek naar een nieuwe wet,
ga ik op zoek naar al dat kleine dat blijft bestaan.

Jules Supervielle


mi mangia dentro le buone intenzioni
e nelle ore di apatia arreda la mia casa
togliendo fiato alla parola da dire
a quella da scrivere

Gaki mi ha divorato la lingua
ha svuotato la cantina dall’olio buono

taccio non so urlare
mi mordo le labbra ogni tanto
per accertarmi che di baci
non me le abbia già espropriate

Rosanna Frattaruolo
(p. 55)


Het vreet mijn goede bedoelingen weg
en in de uren van apathie versiert het mijn huis
en ontneemt het de adem van het woord dat gezegd moet worden
van het woord dat geschreven moet worden
Gaki heeft mijn tong verslonden
hij heeft de kelder van goede olie leeggedronken

Ik zwijg, ik kan niet schreeuwen
Ik bijt af en toe op mijn lippen om te controleren of hij mijn kusjes nog niet heeft afgenomen

Rosanna Frattaruolo
(p. 55)


Okuri Inu mi segue nel tragitto fino a casa
hanno avvistato la sua ombra
scodinzolare nel parcheggio

il mio attraversamento del bosco
potrebbe essergli fatale
perderebbe la sua preda

vi prego cani randagi
mangiatemi gli occhi
prima che lui me li trovi

Okuri Inu mi spia dalla strada della roggia
attende che mi strappi il cuore
un ex voto da esibire nel suo tempio

in fondo mi ha salvato dalle bestie

Rosanna Frattaruolo
(p. 66)


Okuri Inu volgt me op weg naar huis
ze hebben zijn schaduw gezien
kwispelend met zijn staart op de parkeerplaats

mijn oversteek van het bos
zou fataal voor hem kunnen zijn
hij zou zijn prooi verliezen

alsjeblieft, zwerfhonden
eet mijn ogen op
voordat hij ze vindt

Okuri Inu bespioneert me vanaf de weg naar de sloot
hij wacht tot hij mijn hart eruit rukt
een votiefgeschenk om in zijn tempel tentoon te stellen

hij heeft me immers gered van de beesten

Rosanna Frattaruolo
(p. 66)


La pluie a beau faire
Elle tombe à genoux
Et bave sa misère
Si ce n’est son courroux,
Quand, le cœur sur la main,
Le ciel est si lointain.
Pour pester contre l’heure
Et tous ses malandrins
La Terre, terre à terre,
Anxieuse de tourner
Toujours, sans s’arrêter,
Se retourne soudain
Pour nous apostropher.

Jules Supervielle

626


De regen mag het proberen,
Hij valt op zijn knieën
En kwijlt zijn ellende uit
Zo niet zijn woede,
Wanneer, met zijn hart op zijn mouw,
De hemel zo ver weg is.
Om te schelden tegen het uur
En al zijn schurken
De aarde, nuchter,
Verlangend om te draaien
Altijd, zonder te stoppen,
Draait zich plotseling om
Om ons toe te spreken.

Jules Supervielle

626


dopo il pianto la scuoteva
come una pianta di pomodori
lasciava cadere a terra che marcisse
ogni frutto buono ogni seme biografico

               al museo al parco dei soffioni
               respirava polvere dai libri
               si dimenticava e si lasciava vivere
               per un tempo che non aveva tempo

ago dentro ago fuori le cuciva la ferita
con la maestranza di un sarto
all’uscita le si riapriva
non ne voleva sapere di tenere la bocca chiusa

Rosanna Frattaruolo
(p. 93)


Nadat ze gehuild had, schudde hij haar
als een tomatenplant
hij liet elke goede vrucht, elk biografisch zaadje, rotten
in het museum, in het paardenbloemenpark
hij ademde stof uit boeken in
hij vergat zichzelf en liet zichzelf leven
voor een tijd die geen tijd had

naald erin, naald eruit, naaide hij haar wond dicht
met de vaardigheid van een kleermaker
toen hij wegging, ging de wond weer open
hij wilde zijn mond niet houden

Rosanna Frattaruolo
(p. 93)


On entend l’aveu du vent qui se voudrait une forme
Pour que chacun le connaisse même durant qu’il se tait
Et qu’il puisse, abeille, entrer au cœur soyeux de la rose
Sans modifier un rêve suavement ordonné.

Jules Supervielle

626


We horen de bekentenis van de wind, verlangend naar vorm
Zodat iedereen het kan kennen, zelfs in zijn stilte
En opdat het, als een bij, het zijden hart van de roos kan binnendringen
Zonder een lieflijk geordende droom te verstoren.

Jules Supervielle


Waar geen vertaler is genoemd zijn de gedichten vertaald met Google translate. Niet perfect , maar allà.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.