EXSISTERE

De betekenis van het woord ‘exsistere’. In: Studia catholica, jg. 32 nr. 1, maart 1957, p. 1-28.

DE BETEKENIS VAN HET WOORD „EXSISTERE” 1)

I. INLEIDING

Nu het woord ,.existeren” met zijn derivata tot een modewoord is geworden, heeft het een belangstelling tot zich getrokken, die tot gevolg heeft, dat men van de ene kant het woord meer dan noodzakelijk is gebruikt, terwijl men anderzijds ernaar streeft het in zijn „eigenlijke” betekenis te gebruiken. De moeilijkheid, die hieruit ontstaat — want beide strevingen werken elkander tegen — is alleen op te lossen, wanneer men erin slaagt deze eigenlijke, oorspronkelijke, wezenlijke betekenis vast te stellen, om aldus aan het gebruik van het woord een zekere basis te geven.

In het geval van „exsistere” lijkt d.at niet zo moeilijk; ieder Latijns woordenboek kan de noodzakelijke inlichtingen geven. Maar het merkwaardige van deze belangstelling voor het woord is, dat zij een speculatief element bevat, dat zij in het woord niet één bepaalde betekenis, maar een wereld van betekenissen vermoedt, waarop het exacte semantische en morphologische onderzoek nauwelijks vat heeft.

Van hieruit is het te verklaren, dat er een drang naar etymologiseren ontstaat, waarvan de resultaten de taalkundige soms weliswaar het hoofd doen schudden, maar dat zich dikwijls ook voltrekt op een niveau, waaraan deze eigenlijk niet toe is. Met name onder psychologen en wijsgeren is het bijna tot een principe geworden hun betogen te illustreren met etymologieën. Heidegger is hier wel het meest sprekende voorbeeld van. En het is uitermate boeiend te zien, hoe hier met de taal geworsteld wordt, hoe woorden als het ware worden afgestoft en gerestaureerd, om daaraan een maximum van betekenis te geven. Wat hier gebeurt kan de taalkundige zeker niet onverschillig laten, hoe weinig de resultaten hem misschien ook tot enthousiasme stemmen.

Het etymologiseren immers is zeker meer dan het bevredigen van een oppervlakkige nieuwsgierigheid of het verzamelen van curiositeiten. Het is te algemeen en te menselijk om als banaliteit geïnterpreteerd te worden. Het hoort thuis in een complex van verschijnselen, dat te beschrijven is als een nostalgie naar de oorsprong. In het etymologiseren openbaart zich een nostalgie naar de oer-tijd van de taal, van waar uit zij in de geschiedenis is gevallen als in een proces van banalisatie en vervreemding. Het etymologiserend denken maakt zich als het ware tot de tijdgenoot van het ontstaan van de taal en herhaalt het scheppingsproces. Het ontdoet de taal van de banalisatie der geschiedenis. Het kan gezien worden als een verzet tegen het gedachteloze, niet-meer-creatieve hanteren van woorden, een nostalgiek trachten naar de fascinatie, de openbaring van betekenissen, die het woord deed ontstaan en die alleen in staat is het bestaan ervan te rechtvaardigen.

Kan de taalkundige hier een bijdrage leveren? Heidegger wanhoopt daaraan. Hij schijnt de taalkundigen te hebben ,,afgeschreven”2). Uitsluitend aan de philosophen kent hij de taak toe „die Kraft der elementarsten Worte, in denen sich das Dasein ausspricht, davor zu bewahren, dasz sie durch den gemeinen Verstand zur Unverständlichkeit nivelliert werden”3). Deze kracht ligt volgens Heidegger niet in het woord als vorm, maar openbaart zich door het woord heen. Het is die betekenis, die het woord noodzakelijk heeft gemaakt en die als zijn oorspronkelijke en wezenlijke betekenis moet worden beschouwd. Men moet de betekenis van het woord dan ook niet alleen bestuderen vanuit de vorm: want het woord is er in een bepaalde vorm alleen omdat de betekenis er is en in een bepaalde richting verwijst. „Den Bedeutungen wachsen Worte zu”, zegt hij, „nicht aber werden Wörterdinge mit Bedeutungen versehen” 4). Het woord moet dus eerder beschouwd worden .als een situatie dan als een „ding”.

De vraag is nu: is het de taak van de philosooph of van de taal kundige het woord in deze zin te bestuderen? Het is duidelijk, dat, wanneer het gaat over dé betekenis van hét woord in het algemeen, de philosooph de meest gequalificeerde onderzoeker is van deze quaestie. Maar de studie, die hier bedoeld is, is meer concreet: het gaat over bepaalde woorden en bepaalde betekenissen. En dan is het theoretisch niet te betwijfelen, dat dit een zuiver taalkundige aangelegenheid is. De taalkundige heeft geen enkele reden een fascinerend stuk taalkunde-beoefening prijs te geven aan een daar voor niet gequalificeerde onderzoeker, ook al zou deze het eerst gewezen hebben op de behoefte daaraan.

Natuurlijk doen zich hier allerlei problemen voor van methodische en persoonlijke aard, maar omdat deze in het onderstaande niet van belang zijn, kunnen zij hier onbesproken blijven. Overigens zal de te volgen methode bij elk te interpreteren woord weer anders zijn en door de aard van het woord zelf worden bepaald.

Wat nu het woord „exsistere” betreft, is het niet moeilijk de samenstelling en etymologie hiervan te doorzién: het is samengesteld uit het praeverbium „ex” en het verbum „sistere”. Reeds deze samenstelling van het woord geeft ook de indeling van de interpretatie aan. Vooreerst dient besproken te worden de betekenis van de samenstellende delen. Vervolgens wordt aan de hand hiervan het gebruik en de betekenis van het woord zelf bestudeerd. Aldus wordt de weg voorbereid voor de interpretatie van het abstractum „exsistentia” en voor de beoordeling van de etymologie van dit woord bij enige philosophen. Van een terminologische critiek zal daarbij moeten worden afgezien: het behoort niet tot de taalkunde zich uit te spreken over de vraag, of de philosophie of een andere wetenschap, cultuur of liefhebberij, wel de juiste termen kiest om haar begrippen uit te drukken. Voor de taalkunde is het woord altijd iets anders dan een term. Hoogstens kan zij soms vaststellen, dat de etymologie van het tot term gekozen woord niet aansluit bij de eigenlijke betekenis, die de term als woord blijkt te hebben. m.a.w. dat de etymologie die de philosooph van zijn term geeft, niet juist is, en dat hij dus die term niet kan gebruiken op grond van zijn etymologie.

II. EXSISTERE

„Exsistere” is een intransitief werkwoord, waarvan de gewone betekenis is: te voorschijn treden uit een bodem of achtergrond waarin men (of het) verborgen was, en vandaar ook: ontstaan. Het betekent in de klassieke periode van het Latijn niet „bestaan” in de statische zin van het woord, maar het heeft altijd, tenzij in enkele afgeleide vormen, een dynamische betekenis. Het duidt op een wording of een proces, niet op een toestand. Deze dynamische betekenis is later verloren gegaan in het tot philosophische term geworden „exsistentia”, dat op zijn beurt wellicht heeft bijgedragen tot de verzwakking van de betekenis van „exsistere” zoals dat voortleeft in de moderne talen, waar het, afgezien van de etymologische interpretaties van de philosophen, alleen „bestaan” in de zin van „voorhanden zijn”, „er zijn” betekent. In verband hiermee is het ook van belang er van den beginne af op te wijzen, dat „exsistere” door de Romeinen niet werd gebruikt als een philosophische term; wel heeft het hier en daar bijna de waarde van een technische term gekregen, maar deze betekenissen zijn secundair. Het woord zelf dankt daaraan noch zijn ontstaan, noch zijn eigenlijke betekenis.


1. De betekenis van „ex”

„Die Präpositionen”, zegt Kühner, „drücken zunächst das räumliche Dimensionsverhältnis aus, in dem das Nebeneinander der Dinge … oder die räumliche Gegensätze … betrachtet werden. Die räumlichen Verhältnisse werden sodann auf die Zeit übertragen. Denn die Verhältnisse der Zeit wurden ursprünglich ganz auf dieselbe Weise wie die des Raumes betrachtet. Daher werden die Raumbeziehungen eines Substanzbegriffes zu dem Prädikate durch die selben Präpositionen dargestellt, als: ante fores stat, und: ante ortum solis profectus est; ex urbe fugit, und: ex consulatu in Galliam profectus est (unmittelbar nach dem Konsulate). Die räumlichen Beziehungen werden drittens auf die Kausalität und die Art und Weise übertragen, indem auch diese Verhältnisse auf sinnliche Weise als Raumverhältnisse angeschaut wurden, als: ex urbe venit, und: Circe e Perseide nata est, ex nimia potentia principum oritur interitus principum, haec sententia ex lege lata est”5). Van een modern standpunt gezien is deze theorie misschien te rechtvaardigen; de moderne mens immers maakt een scherp onderscheid tussen ruimte en tijd, en het oorzakelijke verband is in zijn wijze van denken iets, dat daar weer geheel van onderscheiden is. Hij moet het zich wel bijna zo voorstellen, dat de betekenis en de functie van de praeposities van het een op het ander is „overgedragen”, getransporteerd door de lucht als het ware. Maar is er in werkelijkheid wel sprake van zulk een overdracht? En door welke eigenschappen is de van de tijd onderscheiden ruimte dan geëigend om bij dit proces als uitgangspunt te dienen? Waarom beperkt de overdracht zich juist tot dit drietal?

Ter verklaring van de betekenis der praeposities zal men eerder moeten aannemen, dat een dergelijke overdracht slechts een voorstelling kan zijn van het moderne denken, dat vanaf zijn standpunt een proces reconstrueert, dat in de werkelijkheid vanuit geheel andere veronderstellingen zich heeft voltrokken. Wat men zich voorstelt als overdracht is wellicht veel beter te begrijpen als differentiatie vanuit een oorspronkelijke eenheid. In de moderne voorstelling liggen ruimte en tijd zover uiteen, dat er een overdracht nodig is. Dit denken is vergeleken bij het primitievere conceptueel en analytisch; het primitievere denken is synthetisch en symbolisch. In dit denken moeten ruimte en tijd één en hetzelfde symbool zijn geweest. De basis van hun eenheid is de situatie van de mens in de wereld. Het symbool ruimte-tijd is de openheid, die de expansie van de mens vanuit zijn lichaam mogelijk maakt en ook uitlokt. Zij doet de mens gedijen, zij is de grond, waarin en waaruit hij groeit, de spheer, waarin hij leeft en waarin hij zich uit-leeft. Als „grond” is zij, symbolisch gesproken, ook oorzaak; een identiteit, die ook aan het moderne spraakgebruik niet onbekend is. Ook bij het gebruik van de praepositie voor het aangeven van een oorzakelijk verband is er dus geen sprake van een overdracht: ruimtelijke, tijdelijke en oorzakelijke verbanden behoren tot dezelfde wereld, de plaats, waarmee de mens in zijn ontstaan, bestaan en bewegen verbonden is. Vooral in de praepositie „ex” is dit duidelijk.

Er is ten aanzien van de praeposities van een „Identifizierung mit dem Standpunkt des Subjekts” gesproken. Zij zouden hun betekenis ontlenen aan de oriëntering van het ik in de wereld. Dat is ook de betekenis van de „Ich-Deixis”, waarvoor in de Indo-europese talen het identificerende partikel – k – gebruikt werd. De praepositie „in” hangt samen met Skr. „nïca”, „laag” en „nï”, „naar binnen”, met het Latijnse „angustus” en het germaanse „eng” waarin eveneens een Ich-Deixis wordt aangetroffen. De grondbetekenis zou dan zijn: hier mem Darinnensein 6).

Een dergelijke Ich-Deixis zou men dan ook in „ex” kunnen aannemen, zodat de betekenis „uit” nader te bepalen zou zijn als „ik eruit”. In deze betekenis zou het dan ook adverbiaal gebruikt kunnen zijn.

Wat hier verder ook van zij, men kan toch wel aannemen, dat de taal „anthropocentrisch” gevormd is, dat de mens vanuit zijn situatie de dingen en verhoudingen in de werkelijkheid benoemt en dat hij die aanduidt in de betekenis, die zij voor hem hebben. In de betekenis van het woord, hoe objectief het ook gericht is, is altijd de mens aanwezig, hetzij als handelend optredend, hetzij — wat waarschijnlijk veel frequenter het geval zal zijn — als met de dingen meelevende, participerende beschouwer van de werkelijkheid. In de taal leeft de menselijke beschouwing van de wereld. Het oog maakt de taal mogelijk. Daarom is het visuele aspect in de interpretatie van het woord van bijzonder belang.

Na het lezen van een boek kan men verzuchten „Uit!” en dit ene woord is dan een hele zin. Een dergelijk, zelfstandig gebruik is aan het Latijnse „ex” geheel vreemd; het treedt altijd op als praeverbium of praepositie, d.w.z. in betrekking tot een verbum of een nomen. Als praeverbium specificeert het de betekenis van verba, die een beweging aangeven b.v. exire, emergere, exsultare, exsistere etc. Als praepositie duidt het de betrekking aan, die de bewegende geeft ten opzichte van het uitgangspunt van zijn beweging, uitgedrukt in het nomen. „Ex” is altijd „ergens uit”, het verwijst altijd naar een „uit”-gangspunt. Het heeft geen zelfstandige betekenis en men kan de betekenis ervan dus alleen maar bestuderen in verband met het uitgangspunt, in verband dus met de situatie, waarin het zijn betekenis heeft; dus ook slechts in verband met „in”. „Exire ex urbe” betekent, dat men nog „in” de stad is. De stad is het uitgangspunt van de beweging, dat door zijn ruimtelijke uitgebreidheid de beweging als het ware een eindweegs vergezelt. „In urbe esse” betekent, dat men aan alle kanten door de stad omringd is; „ad” in de betekenis van „aan” of „bij” duidt aan, dat men alleen aan één zijde verbonden is met iets. Het „in” dat de richting van de beweging aangeeft, met betrekking tot het doel ervan, drukt uit, dat de beweging tot „midden in” dat doel voert. „Per urbem” specificeert een beweging, die zich in de stad voltrekt, maar waarbij de stad niet een uitgangspunt, doch een doorgangspunt is of dat zou kunnen zijn.

Het uitgangspunt vergezelt de beweging en tekent haar; intentioneel begeleidt het de gehele beweging en drukt er, evenzeer als het doel van de beweging, een stempel op. Als een soort van „oorsprong” blijft het aanwezig in het gehele proces. De „negotiator ex Africa” is, wanneer hij in Rome zaken doet, weliswaar geheel buiten Africa, maar hij blijft daarmee toch verbonden als met een oorsprong, waartoe hij herleid kan worden: de beweging van het komen uit die herkomst is nog niet geheel tot rust gekomen, zolang hij in Rome een vreemdeling is en zijn waren „ex”-otisch zijn.

In „ex eo tempore” wordt de verbondenheid van een tijdstip uit het heden met het verleden tot uitdrukking gebracht: dit verleden doet zich nog in het heden gelden en het is daarin op zekere-wijze nog tegenwoordig.

Op bijna gewaagde wijze wordt de praepositie gebruikt in de uitdrukking „ex itinere”, „na de mars”, zo onmiddellijk na de mars, dat de soldaten de ransel nog op de rug hebben en dat de mars zelf het uitgangspunt is voor een nieuwe handeling.

Als aanduiding van betrekking tot en verbondenheid met een grond, die het uitgangspunt is van een beweging en die deze beweging ook van binnen uit „voedt” kan „ex” ook een oorzakelijk of logisch verband uitdrukken. Ook hier immers is er een uitgangspunt, dat verlaten wordt en ten opzichte waarvan een verbondenheid blijft bestaan. Vooral de causa materialis komt hiervoor in aanmerking, omdat zij het meest tastbaar is. „Praepositio ex , zegt Thomas van Aquino, „importat habitudinem quandam causae materialis… aliquando vero efficientis” 7).

Hiermee sta.at ook in verband de betekenis van „ex in „ex lege , „krachtens de wet”, „in overeenstemming met de wet . De wet is hier een oorzaak, een kracht, die bepaalde gevolgen en uitwerkingen heeft.

„Ex” duidt dus de betrekking aan tot het uitgangspunt als een verbonden zijn daarmee. Losser is deze betrekking in „extra”. „Ex” verhoudt zich tot „extra” als „in” tot „intra” of „inter”. In „intra” is de betekenis van „in” versterkt; het is „meer in”, „binnen in”. „Inter” is het „in” tegenover een geheel omringende, uitgestrekte en verbrokkelde veelheid. „Extra” ligt op de lijn van de „uit”- beweging verder dan „ex”; het is er de comparativus van. „Ex” is nog altijd „in”, „extra” niet meer; „ex” is „eruit”, „extra” is „er buiten”. De beweging van het „exire ex urbe” resulteert in het „extra urbem esse”. Maar „extra urbem” kan men ook zijn, zonder in de stad geweest en weer eruit vertrokken te zijn. „Ex urbe” „is” men nooit, maar „beweegt” men zich van binnen de stad uit. In „ex urbe” is de stad het reële uitgangspunt van een reële of intentionele beweging; in „extra urbem” is zij slechts een mogelijk uitgangspunt, een punt, vanwaaruit het oponthoud yan het buiten de stad zijnde als zodanig wordt aangeduid. In „ab urbe” verder is de stad een uitgangspunt, vanwaaruit dit oponthoud gelocaliseerd of een phase van de ,,uit”-beweging buiten de stad wordt aangegeven. Wat „ab urbe” is, is ook „extra urbem”. Het onderscheid tussen „ab”, „ex” en „de” wordt door Kühner als volgt toegelicht: „Die drei Präpositionen ab, de und ex, welche eine Entfernung von einem Gegenstande bezeichnen, unterscheiden sich so: ab bezeichnet einfach die Trennung von einem Gegenstande, einfach von; de die Trennung einer wesentlichen Verbindung, von… her, von…weg; ex eine Trennung aus dem Inneren eines Gegenstandes; am Nächsten steht ex in der Bedeutung der Präposition de, so dasz in vielen Verbindungen in fast gleichem Sinne beide gebraucht werden”8)

Deze betekenis heeft „ex” ook als praeverbium; het is aan het verbum toegevoegd, wanneer dit een „uit”-beweging uitdrukt. Het doet die beweging kennen nog voordat in de zin het uitgangspunt ter sprake komt. Het praeverbium specificeert de betekenis van het verbum.

In verband met deze betekenis van „ex” als praeverbium is interessant de opmerking, die men aantreft in het Liber Glossarum: „Ex interdum pro ’valde’ ponitur, sicut ‘excelsus’ pro ’valde celsus’, sicut ’eximius’ pro ’valde eminens’ ” 9).

Het „ex” heeft hier echter niet de zelfstandige betekenis van „valde”, maar is praeverbium in verba, die de betekenis hebben van „uitblinken”, „uitsteken boven” nl. „excellere”, waarvan „excelsus” is afgeleid, en „eminere”, waarvan „eminens” het participium is. Van „eximius” geeft de auteur niet de juiste etymologie. Het is niet af te leiden van „eminere”, maar van „eximere”, „uitnemen”. „Eximius” is „uitnemend”. „Excelsus”, „eminens”, „eximius” is datgene, wat uit het kader van het gewone, alledaagse en middelmatige als het ware wegspringt en een in het oog vallende, verheven plaats inneemt daartegenover.


2. De betekenis van „sistere’’

Het verbum „sistere” is afgeleid van een Indo-europese wortel sta-, die men in vele Latijnse, Griekse en Germaanse woorden, welke met de betekenissen „staan” en „stellen” verband houden, terug vindt. Het zou een riskante onderneming zijn deze wortel nader toe te lichten in zijn ontstaan en betekenis. Klanksymboliek zou wellicht hierbij vruchtbaar kunnen zijn als hulpmiddel, ware het niet, dat de moderne mens hiervoor het aangepaste vermogen verloren heeft en al te gemakkelijk tot willekeur vervalt. Men moet dus hiervan afzien. Maar ook zonder dat bieden de morphologie en de semantiek van het woord voldoende aanknopingspunten voor een onderzoek naar zijn eigenlijke betekenis.

Wat de morphologie betreft, valt de reduplicatie op, ongetwijfeld een van de meest interessante en moeilijkst te interpreteren verschijnselen in de grammatica. Toch kan men ook hier niet volstaan met classificeren en beschrijven, maar moét men trachten door te dringen in de eigen aard van het verschijnsel, zoals het zich in dit bepaalde verbum voordoet. En hierbij kan de reduplicatie niet los staan van de betekenis; zij drukt die mede uit.

„Sistere” nu wordt in transitieve en intransitieve zin en ook reflexief gebruikt. Het betekent „stellen”, maar ook „tot staan komen” en „zich stellen”. Het is niet onmogelijk, dat de reduplicatie hierbij een belangrijke functie heeft.

In het verbum treedt de reduplicatie op de meest betekenisvolle wijze op; het is daarom a priori waarschijnlijk, dat haar betekenis in verband moet worden gebracht met de motoriek van het werken en bewegen en dat zij dus een „kinaesthetische” zin heeft.

Vooreerst is de reduplicatie geheel iets anders dan een mechanische herhaling; dat de ontwikkeling van de taal deze herhaling nog minder gunstig gezind is dan de reduplicatie blijkt uit een verschijnsel als de haplologie. Alleen omd.at zij een meer gecompliceerde en levende betekenis heeft, kan de reduplicatie langer standhouden. In de herhaling die in de reduplicatie plaatsvindt, wordt de betekenis van het eenmaal gezegde geïntensiveerd; het her-halen is een opnieuw halen vanuit de oorsprong, een uit-halen. De reduplicatie is een opnieuw uithalen van een beweging, die niet bij de eerste poging haar doel bereikt of zelfs niet op weg komt. Zij valt terug op ha.ar uitgangspunt en onderneemt van daar uit een nieuwe poging, een nieuwe aanloop. Waarom heet een bepaald gebak „taai-taai”? Ongetwijfeld omdat het taai is en meer dan gewoon taai; het is dubbel taai. Het „taai” wordt in het woord herhaald, omdat men in een taaie koek twee keer moet bijten en dan nog trekken. Omdat de handeling van het bijten in de koek herhaald moet worden, krijgt ook het nomen, waarmee die koek wordt aan geduid. een geredupliceerde vorm. De reduplicatie heeft een dynamische betekenis en schijnt daarom een „verbale” oorsprong te hebben. Men spreekt gewoonlijk van de iteratieve of intensiverende betekenis van de reduplicatie: zij intensiveert door de herhaling. Hiermee in verband staat ook haar betekenis in de vorming van het perfectum: geredupliceerd voltooit zich de handeling en gaat zij over in een bereikte toestand 10). Een .aldus gevormd perfectum kan dan tegelijk weer de betekenis hebben van een praesens, nl. met het oog op de bereikte toestand.

Ook de praesens-reduplicatie, zoals die in „sistere” voorkomt heeft een dergelijke, kinaesthetische betekenis. Zij stempelt de handeling tot een beweging, die met inspanning herhaald wordt om tot een vaste toestand, of definitief op gang, te komen. Deze toestand, waartoe de beweging van het „sistere” de aanloop is, is het „stare”. De reduplicatie drukt een inspanning uit van het subject der handeling, dat de mens zelf is, of waarmee hij zich als toeschouwer identificeert.

Dit zal duidelijker worden, wanneer men nader ingaat op de structuur van dit subject van „sistere” — of van het object; wanneer het verbum transitief is. Men kan nl. niet van alles zeggen dat het gesteld wordt of staat. Van bepaalde voorwerpen zeggen wij dat zij „staan”, van andere d.at zij zitten of liggen. Sommige worden „gezet”, andere „gelegd”. Een bord staat, maar een boek ligt op tafel. Staan wordt op de eerste plaats gezegd van dat wat kan vallen, en op de tweede plaats van datgene waaraan een zekere menselijke structuur is gegeven. Het bord staat, omdat het open is, wacht op een inhoud of een menselijke bemoeienis daarmee. In beide gevallen is staan een vorm van gecultiveerd aanwezig zijn, een geordend zijn.

In de woorden, die met de betekenis „staan” verband houden openbaart zich onmiskenbaar dat wat het anthropocentrische karakter van de taal is genoemd. De mens immers is bij uitstek het wezen dat staat, wiens gestalte is opgericht, het wezen dat, bekommerd om zijn verticaliteit, zich in de wereld staande houdt en voor die wereld openstaat. Al het opgerichte wordt aldus door de mens op zijn situatie betrokken. Zijn lichaam is het centrum vanwaaruit hij de wereld ervaart en er een zin aan geeft, en dat wat zijn eigen gestalte vertoont, heeft in die wereld een bijzondere betekenis: het is een mens. Daarom is „oprichten” gelijk aan scheppen. Daarom ook leeft hij mee met en dringt zijn aandacht door in alles wat staat. Alle stellen herinnert de mens aan zijn eigen positie, is een zich stellen, transitief en reflexief.

„Sistere” is „tot staan brengen” in de ruimste betekenis. Het is „oprichten, een verticale stand geven aan iets”, maar ook „doen stil staan van een beweging uit”. In deze laatste betekenis komt het herhaaldelijk voor bij Plautus en bij Livius (bv. Plautus, Trin. 720; Liv., III 16. 4; III 29. 8). „Sistere” is een herhaalde poging tot . staan of doen staan, een ingressief staan. Staan is altijd „stil” staan, statisch. „Sistere” is de poging een beweging of proces tot stilstand te brengen.

Omdat het in staat is tot staan, heeft het subject van „sistere” een verticale structuur; het staat loodrecht op de aarde of tracht deze stand in te nemen. Deze structuur is ook eigen aan het object van „statuere”. Het is oprichten op de plaats zelf, een status geven, bevestigen, vaststellen, dus ook besluiten. Het heeft betrekking op de vastheid van het staan, die door de handeling wordt beoogd. Bij „sistere” valt meer de nadruk op de innerlijke spanning en inspanning, waarin de handeling wordt verricht, op het conatieve karakter van dé’ handeling, dat ook in de reduplicatie is uitgedrukt.

In „sedare”, „tot rust brengen” daarentegen is de verticale structuur van het object niet aanwezig. In de stilstand, die het „sedare” beoogt, valt de nadruk meer op het „stil” dan op het „stand”. „Sedare” is doen „sedere” en zitten is een meer .achteloze, minder uitdrukkelijk gecultiveerde houding dan het staan. Het „sedare” brengt niet zozeer een beweging tot stilstand als wel een op-stand tot neer-Iiggen. Het heeft een bijna negatieve strekking, omdat het niet resulteert in een status, waaraan een eigen betekenis toekomt.

Met „ponere” komt „sistere” overeen, inzoverre bij beide handelingen het subject der handeling met het object verbonden blijft, totdat het doel der beweging bereikt is. Hierdoor onderscheiden zij zich als gecultiveerde, voorzichtige en hun object sauverende bezigheden van het „iacere”, „werpen”. De stand en de houding van het geworpene interesseert de werpende niet. In „ponere” kan de graad van achteloosheid weer groter zijn dan in „sistere”, omdat het laatste primair gezegd wordt van wat door zijn vorm geschikt is om verticaal opgericht te worden en wat door vallen die stand kan verliezen, terwijl het object van „ponere” deze structuur niet heeft.

„Sistere” betekent dus nooit „staan”. Dit geldt niet alleen voor het simplex, maar ook voor de composita. „Resistere” betekent niet „weerstaan”, maar „zich te weer stellen, zich trachten staande te houden tegenover”; „consistere” is niet een samen bestaan van de delen van een structuur, maar de gezamenlijke poging daartoe, een proces dus en niet een toestand.


3. De betekenis van „existere”

Uit het voorafgaande zou reeds de betekenis en de ontwikkeling van „exsistere” met vrij grote nauwkeurigheid te deduceren zijn. Maar voor een goed begrip is het noodzakelijk uit te gaan van het woord, zoals het in feite wordt gebruikt en dit gebruik dan te beschouwen tegen de achtergrond van de daarin tot taal geworden situatie.

De eerste vraag is dan, wanneer, waar en in welke betekenis het woord voor het eerst in de bronnen aangetroffen wordt.

„Sistere” komt voor het eerst voor bij Plautus; van „exsistere” treft men de oudste voorbeelden aan bij Pacuvius, Lucilius en Accius, bij de eerste en de laatste in dezelfde situatie, Pacuvius, zegt: „venti erumpunt, saevi exsistunt turbines” (415 Ribbeck).

„Erumpere” en „exsistere” hebben hier een overeenkomstige betekenis. zoals blijkt uit het parallelisme van de beide delen van het vers. Het fragment van Accius luidt:

„ita dum interruptum credas nimbum volvier,

dum quod sublime ventis expulsum rapi

saxum aut procellis, vel globosos turbines

exsistere ictos undis concursantibus” (295-298 Ribbeck).

„Exsistere” wordt hier gezegd van een storm, die „opsteekt”. zich verheft boven de horizon, losbreekt („erumpere”) uit de bodem van krachten, die hem intomen. In deze betekenis wordt het ook nog gebruikt door Prudentius „spiritus existit tennis” (Ap„ 842). Bij Lucilius is het woord bijna een technische term: „inguen ne existat, papulae. tama ne boa noxit” (1195). Het woord staat hier in betekenis gelijk met „intumescere”, dat in een dergelijk verband ook bij Plinius wordt aangetroffen: „inguen ne intumescat ex ulcere” (N.H. XXIII. 163). Ook in de betekenis van „erumpere” is „exsistere” bijna tot een technische term geworden, nl. als te voorschijn springen uit een hinderlaag of schuilplaats. Zo bij Livius: „qui, signo dato, omnes e latebris existerent” (25, 21.3; vgl. Bell. Afr., 7. 6).

Reeds in de oudste literaire bronnen komt dus het woord „exsistere” voor. En deze oudste voorbeelden van zijn gebruik wijzen erop, dat het woord op het eind van de derde eeuw voor Christus al een vrij gedifferentieerde betekenis had en dus een zekere ontwikkeling had doorgemaakt. Het wordt immers door Pacuvius en Accius reeds in een min of meer „figuurlijke” zin gebruikt, al moet men natuurlijk bedenken, dat de ouden zich van wind en storm een veel visueler en plastischer voorstelling vormden dan de moderne mens. Noch historisch, noch semantisch kan „losbreken” de oudste en meest oorspronkelijke betekenis van „exsistere” zijn. Op grond van de etymologie van de samenstellende elementen mag men ver onderstellen, dat het op de eerste plaats gebruikt zal zijn voor het kinaesthetisch en visueel waarneembare proces van het uit de grond te voorschijn komen van een gestalte, die na te voorschijn te zijn gekomen, zich verticaal opricht op de aarde, dus voor het ontstaan in de meest letterlijke en plastische zin van het woord of voor een proces, dat in een soortgelijke spheer ligt.

Dat is dan ook de betekenis welke het meest voorkomt bij de oudere schrijvers, die het woord gebruiken. In De Re Rustica van Varro staat het vaak in betekenis gelijk met „nasci”, „crescere” e.d. „Duodecimo enim mense die decimo aiunt nasci. Quae post tempus nascuntur, fere vitiosa atque inutilia existunt” (II. 7. 7.). 

„Exsistere” kan hier gebruikt zijn, om een herhaling van het reeds tweemaal gebruikte „nasci” te voorkomen. Dan heeft het de betekenis „ontstaan” en zijn de bepalingen „vitiosa” en „inutilia” attributief. Maar het kan ook aldus worden opgevat, dat het hier reeds bijna als een copula wordt gebruikt, zoals dat later het geval is. „Inutilia existunt” betekent echter wel niet „zijn nutteloos” of „worden nutteloos”, maar eerder „worden ten onnutte geboren”. Voor het „uitkomen” van het zaad wordt het woord herhaaldelijk gebruikt: „ut ante brumam sata quae septimo die, brumo sata quadragesimo die vix existant” (I. 34. 1). In de meer algemene zin van „ontstaan”: „in agro Gallico greges plures potiu faciunt quam magnos, quod in magno cito existat pestilentia” (II. 3. 9). Een nieuwe ontwikkeling ziet men in „sive enim aliquod fuit principium generandi animalium… sive contra principium horum extitit nullum” (II. 1. 3). In dit voorbeeld heeft de perfectum-vorm van exsistere de betekens van „bestaan, er zijn” gekregen. Het bestaan is het resultaat van een ontstaan; het perfectum van het woord voor ont staan drukt dit resultaat uit. Later heeft ook het praesens van „exsistere” deze betekenis gekregen en het parallelisme van „fuit” en „extitit” in het aangehaalde voorbeeld wijst erop, dat dit reeds bij Varro het geval is.

Op bijzondere plastische wijze wordt het woord gebruikt door Lucretius, die er blijkbaar een voorkeur voor heeft. Een vijftien-tal keren komt het in zijn werk voor; het is dan ook bijzonder bruikbaar in een dichterlijke beschrijving van het ontstaan der dingen. zoals Lucretius die geeft.

„Existunt animalis terris” (V. 797), „maternoque mares existunt corpore creti” (IV. 1228), „quam sine principiis ullam rem existere posse” (I. 198). Ons woord „ontstaan” zou alleen in het laatste voorbeeld het Latijnse „exsistere” enigszins adaequaat kunnen weergeven. In de andere voorbeelden is duidelijk sprake van een „te voorschijn treden” dat tegelijk een „geboren worden” is. Het „ex” heeft hier zowel zijn ruimtelijke als zijn oorzakelijke betekenis.

Nog moeilijker is het woord te vertalen in voorbeelden als: „liquidas existere in auras” (V. 212) en „in lucem existunt primordia rerum” (II. 796), uitdrukkingen, die aan de stijl van Heidegger doen denken. Het licht is van bijzonder belang in de symboliek van het ontstaan bij Lucretius; het is de wenkende horizon van alle trachten, gesteld tegenover de donkerte, de stoffelijkheid en aardsheid, waarin het ongeborene, onvoltooide gevangen is. Geboren worden is „de kusten van het licht” bereiken (I. 22). Het licht is het vaste, blijvende zijn, de duisternis is de woelige zee van het worden. Men ontmoet in deze voorbeelden ook de combinatie van „exsistere” met de praepositie „in”. Het „exsistere” heeft, zoals alle bewegen, niet alleen een uitgangspunt, maar ook een als doel ervaren eindpunt of horizon. „Exsistere” is zich verlossen uit een grond, waarin men gevangen is, een zich oprichten daaruit, maar als zodanig is het ook de aanloop tot en in zekere zin zelfs reeds de eerste phase van een zich richten op, een zich open stellen voor de wereld of horizon buiten het subject. „Exsistere” op zich zelf heeft niet deze betekenis, maar het is toch het begin van een proces, in de loop waarvan deze gerichtheid kan ontstaan. De uitdrukking „exsistere in” benadrukt deze gerichtheid als het natuurlijke verlengde van het „exsistere ex”. Deze bijbetekenis zou onmogelijk zijn in een verwant woord als „emergere”, omdat hierin op geen enkele wijze de structuur van het te voorschijn komende is uitgedrukt. Bij „exsistere” roept de vorm van het subject de vraag op naar de horizon van de beweging, naar dat waarvoor het staande open staat. Veel minder plastisch wordt dezelfde uitdrukking gebruikt door Cicero: „timeo ne in eum existam crudelior” (Ad Att., 10. 11. 13). Hier is „exsistere” niet een uittreden uit een uitgangspunt, b.v. uit zich zelf, naar een object daarbuiten, b.v. de ander, maar het heeft reeds de verbleekte betekenis van „worden” of „zijn”. Ook „in” is in betekenis verzwakt: het duidt op slechts vage wijze een richting aan: tegenover, met betrekking tot. Dat is ook het geval bij Hilarius, wanneer hij over bepaalde veranderingen spreekt: „natura, quae fortuitis motibus… in aliquid exsisteret” (Trin., I. 4). De betekenis „worden” is hier door „in” gespecificeerd tot „worden tot”. Ook hiervan is bij Lucretius geen sprake.

Het is duidelijk, dat deze symboliek van het licht, waarop in de voorstelling van de dichter het ontstaande zich richt, haar eigenlijke betekenis heeft in de menselijke situatie in de wereld. De dichter is de toeschouwer bij een proces, waarbij hij als het ware zich zelf met het door hem beschouwde ontstaande identificeert.

Buitengewoon plastisch en realistisch gebruikt Lucretius het woord „exsistere” in de volgende verzen:

„ex insensibilibus, quod dico, animalia gigni;

quippe videre licet, vivos existere vermes

stercore de taetro” (II. 870-872).

De betekenis is, dat de wormen uit de mest ontstaan, dat leven ontstaat uit dode stof. Maar het woord drukt uit, dat de wormen die „in” de mest ontstaan en levend worden, er levend „uit” te voorschijn kruipen. Het woord heeft hier nog al zijn visuele symboliek behouden, zowel wat betreft de daarin aangeduide handeling, het zich losmaken van een achtergrond, waarin de gestalte van het subject verloren ging, als ook wat betreft de vorm van de gestalte, die op deze wijze te voorschijn treedt.

In zijn plastische betekenis komt het woord ook voor bij Ovidius, vooral in de Metamorphosen. Het wordt gezegd van bergen, die boven het water uitsteken na de zondvloed (II. 264): een dergelijke betekenis heeft het ook op andere plaatsen (b.v. V. 413; III. 110: XIII. 893). Juist, waar over ontstaan gesproken wordt, schijnt het woord zich op te dringen. In deze contekst kan het ook een poëtisch en plastisch woord zijn; overigens klinkt het veeleer prozaïsch. Gebruikt men het woord niet meer in zijn oorspronkelijke betekenis, dan is het geen dichterlijk woord meer. Het komt dan ook bij de meeste Romeinse dichters niet voor. Ennius, Vergilius. Horatius, Statius. Lucanus, Martialis en Petronius gebruiken het niet. Bij Valerius Flaccüs komt het tweemaal voor, bij Prudentius drie keer. Ofschoon deze gegevens onvolledig zijn en bovendien nog betrekking hebben op een woord, dat vrij zeldzaam is, is het toch niet al te gewaagd de conclusie te trekken, dat „exsistere” in zijn min of meer verzwakte betekenissen niet als een voor de poëtische taal bruikbaar woord werd ervaren; het is dan een te lang woord voor een eenvoudige, banale betekenis. De „poëtische” betekenis van „exsistere” wordt dan overgenomen door woorden als „emergere”, „erumpere”, „se extollcre” e.d., die hun plastische betekenis langer behouden hebben.

In de betekenisontwikkeling van „exsistere” is de rol van de achtergrond, van waar uit de beweging haar oorsprong neemt, van bijzondere betekenis. In de oorspronkelijke betekenis schijnt de aarde deze achtergrond of bodem te zijn, terwijl het subject een daaruit voortkomend levend wezen is. Het richt zich op de aarde op, terwijl het zich daaruit losmaakt: het staat op de bodem, ongeveer op de wijze, waarop de mens op de aarde staat.

Van hier uit kan de ontwikkeling in twee richtingen de betekenis van het woord verzwakken. Zij kan de aandacht verliezen voor de specifieke structuur van het subject en het woord doen gelden van alles, wat te voorschijn komt. En zij kan de achtergrond, van waar uit de beweging ontstaat, uit het oog verliezen, zodat in het „te voorschijn komen” de nadruk gaat vallen op het element van aanwezigheid en voorhandenheid. „Exsistere” kan dan o.a. de betekenis krijgen van „adsistere”. Naargelang van de andere kant de achtergrond vervluchtigt en meer „figuurlijk” genomen wordt, wordt de betekenis van het woord ruimer; naargelang meer de na druk valt op het element van aanwezigheid, wordt de betekenis zwakker. De functie van de achtergrond is tenslotte in de betekenis „bestaan” geheel verdwenen.

Wordt de structuur en de verticale positie van het subject in het gebruik verwaarloosd, dan kan het niet alleen gezegd worden van levende wezens, die uit de grond te voorschijn komen, maar van alles, wat in welke positie dan ook te voorschijn komt, een tand, een horen enz.

Cicero gebruikt het woord in zeer uiteenlopende betekenissen. Plastisch is het, wanneer het gebruikt wordt in de zin van „uit botten” van planten (Cat., Mai. 53), van een paard in het water (Div. I. 33), of van een schim, die uit de onderwereld opstaat (Veer. II. 4. vgl. Livius 39. 37: quid exspectas? an dum ab inferis ille Malleolus exsistat?).

Ook in de meer algemene zin van „ontstaan” gebruikt Cicero het woord. „Ex luxuria exsistat avaritia necesse est, ex avaritia erumpat audacia” (Rosc. Am., 27). Het „erumpere” in het tweede deel van de zin wijst erop, dat de auteur ook aan „exsistere” hier waarschijnlijk nog enige plastische betekenis toekent.

De betekenissen „ontstaan” en „worden” zijn soms moeilijk te onderscheiden: „huius ex uberrimis sermonibus extiterunt viri doctissimi” (Brut., 8). Men kan hier vertalen: „door diens gesprekken werden de mannen tot zeer wijze mannen”, maar beter lijkt het ongeveer aldus te vertalen: „In diens overvloedige gesprekken werden wijze mannen gevormd” dus: uit die gesprekken kwamen de mannen als wijze mannen te voorschijn. In „extitit… hoe loco quaestio subdifficilis” (Lael., 19. 67) kan men de „quaestio” voorstellen als iets, wat de „kop opsteekt” en aldus nog een zekere plastische betekenis in het woord ontdekken.

De perfectum-vorm blijft ook in zijn praesens-betekenis het worden nog uitdrukken: „his de causis ego huic qausae patronus extiti” (Rosc. Am., 2). Cicero verklaart het feit, dat hij „patronus” is door te zeggen hoe hij het geworden is.

Eenmaal gekomen tot de betekenis van „zijn” ligt het voor de hand, dat „exsistere” ook als copula gebruikt wordt. Maar ook hierin leeft nog een proces, een worden. Het zijn is hier altijd een geworden zijn. „Vera extitissent” betekent niet zonder meer „zou waar geweest zijn”, maar „zou waar gebleken zijn”: de waarheid zou uit de feiten te voorschijn gekomen zijn.

Een speciale ontwikkeling van de betekenis van „exsistere” die bijna resulteert in een technische term, vinden we, waar het woord wordt gebruikt voor het „volgen” van een conclusie uit bepaalde praemissen. De bodem, vanwaaruit de beweging vertrekt, is hier geheel tot iets geestelijks geworden. „Exsistere” wordt hier bijna tot een logische term, tot een soort van onpersoonlijk verbum declarandi. De conclusie heeft niets meer van de vorm van het staande, maar men zou wellicht in de betekenis „staan” aansluiting kunnen vinden bij de vastheid, die aan het staan eigen is, zodat „exsistere” in deze betekenis mogelijk beïnvloed is door woorden als „statuere” in de zin van „vaststellen” en door „constat”, „het staat vast”. Ook kan herinnerd worden aan de betekenis van „ex” in het aan duiden van causale betrekkingen. De betekenissen „worden” en „ontstaan” blijven echter in deze logische term ook een rol spelen: de conclusie treedt als een nieuwe gestalte op organische wijze uit de praemissen te voorschijn.

Verliest men de achtergrond, het uitgangspunt uit het oog, dan komt de nadruk geheel te liggen op het voorhanden zijn van het subject. De perfectum-vorm met praesens-betekenis geeft aanleiding tot de ontwikkeling van de betekenis „bestaan” ook in het praesens, die in latere tijd algemeen geworden is en waaraan in de scholastiek de tegenstelling tussen „essentia” en „exsistentia” geslepen is. Het dynamische karakter van het woord verdwijnt: het duidt alleen actuele werkelijkheid aan. Wanneer Faustinus wil benadrukken, dat Christus werkelijk, en dus niet alleen in het denken aan de Vader gelijk is, zegt hij: „Christus est aequalis existens Deo (Trin., I. 7. p. 43A). „Est” alleen zou niet ondubbelzinnig genoeg de actuele werkelijkheid van dit „esse” benadrukken.

Tot deze gelijkstelling van „exsistere” en „esse” hebben misschien nog drie andere factoren bijgedragen. Ten eerste is het „exsistere” zelf een streven naar vastheid, definitief zijn, naar een geactualiseerde status en heeft de perfectum-vorm dan ook reeds een statische betekenis. Ten tweede k.an er een invloed zijn van „exstare”, dat een definitief „uitsteken boven” of een „nog zijn” betekent en dat later ook de betekenis van „voorhanden zijn” heeft gekregen. Op de derde plaats deed zich de behoefte gelden aan een werkwoord, dat de ontbrekende vormen van „esse”, het participium en het gerundium zou kunnen aanvullen. Wei zijn sommigen er niet voor teruggeschrokken de taal te verrijken met vormen als „ens” en „essendi”, maar bij voorkeur trachtte men de lacunes in de conjugatie van „esse” aan te vullen vanuit de reeds bestaande woordenschat. Augustinus zegt dit uitdrukkelijk bij de weergave van het Griekse participium „ὼν” : „Sed non hoe est ‘existens’ quod graecus dicit ’ὼν’, sed si dici posset ’essens’ ab eo quod est esse, non ab eo, quod est existere” (Loc. Hept., 3. 32. p. 557. 3). Hetzelfde geldt ook voor het gerundium (vgl. Civ., 14. 13).

Niet alleen de philosooph gevoelde de behoefte zich in zijn terminologie aan te passen aan de lenigheid en de rijkdom van het Grieks, ook de dichter gebruikt het participium van „exsistere” met een soortgelijke bedoeling, bv. Prudentius „ex nihilo nulla existente creavit mundum materia” (Apoth., 723-724).

In verband met Augustinus’ uitspraak over het woord „exsistere” worden hier nog enige omschrijvingen van de betekenis van het woord en synoniemen gegeven, zo.als die te vinden zijn in het Corpus Glossariorum van Goetz. „ Exstat superat eminet exsiset” (sic.) (IV. 339. 47), „existit consequitur” (IV. 338. 51). „Exsistere” wordt gelijk gesteld met „recedere” (V. 291. 42) en met „perdurare” (IV. 235). Het praeverbium is hier in zijn betekenis vrij willekeurig behandeld, zoals blijkt uit de praeverbia der aangehaalde synoniemen. Dit gebeurt ook, wanneer „exsistere” gelijkgesteld wordt met „consistere” (IV. 340) of met „instare” (I. 226). Van een verduidelijking van de oorspronkelijke betekenis is hier geen sprake. Duidelijker is de reeks synoniemen, die Pseudo-Asconius geeft: „exsistit, emergit, exoritur, exurgit” (Verr., 235. 23), en een vergelijking van de varianten bij het woord „exsistunt” in de lezing van Ovidius, Met., II. 264: „extant”, „exiliunt”, „emergunt”, „apprent”.

Ook over de schrijfwijze van het woord hebben de antieke grammatici zich uitgesproken. De opvattingen lopen hier echter uiteen. Placidus geeft als zijn mening te kennen: „exultat melius sine s littera scribitur, nam cum ipsa x ex c et s constet, quomodo cum in ea sit iam s rursus ei adicimus aliam” (Corp. Gloss. Lat., V. frf. 32). Qissiodorus daarentegen wil de s geschreven zien: „exscindo s habere debet; scindo enim est simplex. Similiter exsculpo et exsisto; sculpere enim et sistere simpliciter dicitur” (.De Orthographia. Gramm Lat., Keil. VIL 204. 10-11). Op zich is deze quaestie niet belangrijk, omdat zij van zuiver practische aard is. Voor de etymologie is het echter van belang, zich bewust te blijven van de samenstelling van het woord. Schrijft men de s, dan gebeurt dat om etymologische redenen11). Daarom werd zij in het bovenstaande, behalve in de citaten, telkens geschreven en zal ook in het volgende de schrijfwijze „exsistentia” worden aangehouden. Het verwaarlozen ervan kan bij het etymologiseren leiden tot een wat barbaarse schrijfwijze, zoals blijkt uit Heidegger’s „Ek-sistenz”.


III. EXSISTENTIA

1. Oudheid

„Exsistentia” is een verbaal-abstractum, afgeleid van het participium van „exsistere”. In tegenstelling tot de van het supinum afgeleide abstracta op -io, die de handeling zelf aanduiden, geven deze abstracta de geaardheid aan, waaruit die handeling telkens voortkomt. De „prudentia” is de gesteldheid van hem die „prudens” is, die „providet”, niet de act van het vooruitzien, de „provisio”. Men zou dus kunnen zeggen, dat het woord „exsistentia” is afgeleid van het de conjugatie van „esse” aanvullende „exsistens” en wanneer men aan dit participium dan de betekenis „bestaand” toekent, dan is „exsistentia” te vertalen als „voorhandenheid”, „bestaandheid”. Het is dan niet de „daad” van bestaan, maar de eigenschap, in het werkelijke bestaan te zijn. Werd het „exsistere” in de zin van „bestaan” nog beschouwd als een daad en niet als een definitieve toestand, dan zou voor deze daad eerder een woord als „exstitio” moeten zijn gevormd.

Het woord „exsistentia” verschijnt in de literatuur voor het eerst in het begin van de vierde eeuw nl. in Chalcidius vertaling van de Timaeus van Plato. De passage luidt: „Atlantis insula tota sine indicio prioris existentiae submersa est”. In het Grieks leest men: „ ὡσαύτως κατὰ τῆς θαλάττης δῦσα ἠφανίσθη” (25 D). De oorspronkelijke tekst bevat dus geen woord, dat een „zijn uitdrukt. daarentegen echter twee voor „verdwijnen”. Het woord „exsistere zou als synoniem van „emergere” gesteld kunnen worden tegen over „submergere”. Heeft ook „exsistentia” hier misschien nog de betekenis van „emergere” behouden, zoals het die heeft bij Ovidius en Cicero? Dan zou „exsistentia” op te vatten zijn als de „verheven positie” van het eiland, dat uit de zee „oprijst”.

Het is moeilijk uit te maken, of aan „exsistentia” aanvankelijk nog een dynamische betekenis eigen was. Weliswaar zegt Marius Victorinus, tijdgenoot van Chalcidius: „motus… existentia, quoniam existentia motus” (Adv. Ar., p. 1079B) en „existentia et vita idem” (a.tv., p. 1081D), maar het schijnt, dat hier de dynamische betekenis toegekend is aan een woord, dat reeds tot philosophische term geworden is: zij wordt dus toegekend aan een realiteit buiten de taal, die daarvan onderscheiden wordt. Het is dan ook niet waarschijnlijk, dat Marius Victorinus hier van de etymologie uitgaat. Ook de vorm van het woord wijst er, zoals gezegd, op, dat het een toestand aanduidt. De vorming van het woord geschiedde onder totaal andere omstandigheden dan die van „exsistere”; zij is veel minder creatief, meer „gemakkelijk”.

Cassiodorus gebruikt de uitdrukking „ad existentiam pervenire” (Var., 1. 4. p. 19. 14). Hier is de „exsistentia” een status, die bereikt wordt, niet een proces; juist dit proces zou een „exsistere” zijn. Ook in zijn commentaar op de Timaeus gebruikt Chalcidius het woord: „Alia vero ratione esse et non esse dicitur quid, quotiens nondum adhibito effectu esse dicitur, quod proeul dubio futurum erit si adhibeatur effectus. Quae cuncta possibilitate dicuntur esse praesumpta eorum existentia contemplatione possibilitatis: ut cum aes dicimus possibilitate statuam fore, cum adhuc metallum sit informe” (285. p. 315 Wrobel). Hier is „exsistentia” reeds in verband gebracht met een onderscheid tussen „potentia” en „actus”. hetgeen later in de scholastiek op deze wijze terminologisch is vastgelegd, dat „exsistentia” zich verhoudt tot „essentia” als „actus” tot „potentia”. „Exsistentia” is het werkelijke bestaan, „essentia” de abstracte wezenheid, die voor bestaan vatbaar is.

Bij Marius Victorinus komt het woord herhaaldelijk voor. Het moet dus reeds in de vierde eeuw een verstaanbare term geweest zijn. De auteur geeft het onderscheid tussen „exsistentia” en „substantia” aan en zegt daarbij, dat de „sapientes” dit al kenden. Het woord moet dus als philosophische term toen reeds enigszins zijn ingeburgerd geweest en het is waarschijnlijk ook wel als philosophische term ontstaan. ,.Sapientes dant differentiam existentiae et substantiae et existentiam quiden et existentialitatem praeexistentem subsistentiam sine accidentibus… substantiam autem subiectum cum iis omnibus, quae sunt accidentia” (Adv. Ar., p. 1062B). De Ariaan Candidus geeft het onderscheid aldus aan „existentia a substantia differt quoni.am existentia ipsum esse est et solum esse et non in alio esse aut subiectum alterius, sed unum et solum ipsum esse, sub stantia autem non esse solum habet, sed et quale aliquid esse (De Gen. Div., 2. p. 4. 22 Wöhrer). Dezelfde auteur omschrijft het onderscheid tussen „exsistentia” en „existentialitas”. „Differt existentia ab existentialitate quoniam existentia iam in eo est, ut sit ei esse, at vero existentialitas potentia est, ut possit esse” (a.tv.. 2. p. 4. 18. W.). „Deus praeexistente existentia aut existentialitate sive potentia existentiali sive ipsa existentia natus est in solo quod est esse” (2. p. 5. 3. W.). De termen „substantia”, „subsistentia”, „substantialitas”, „exsistentia”, „exsistentialis” en „exsistentialitas” liggen in deze tijd echter niet terminologisch vast. Bij Manus Victorinus is „exsistentia” soms in betekenis gelijk aan „persona”. „Spiritus sanctus et ipse existens, ut sint existentiae duae, Christi et Spiritus sancti m uno motu qui filius est” (Adv. Ar.. p. 1105A). Maar elders weer betekent de term een realiteit, die met de Platoonse idee gelijk te stellen is: „Deus… primo universalium existentias substantiasque progenuit; has Plato ideas vocat” (p. 1116C), of worden „actualis existentia” en „substantialitas” gelijkgesteld (p. 1113C).

Het meervoud „existentiae” gebruikt Cassiodorus in een verband, waar wij gewoon van „dingen” zouden spreken: „Utihter administrat existentias qui eas dignatus est creare” (In Ps. 32, 9. p. 228C). Tot deze onvastheid heeft misschien bijgedragen datgene wat mede aanleiding was tot het ontstaan van een Latijnse philosophische terminologie in de christelijke oudheid, nl. de twisten tussen ketters van allerlei gezindten en de orthodoxen. „Exsistentia” komt veelvuldig voor juist in uiteenzettingen over de Triniteit. De philosophie is door beide partijen te hulp geroepen om hun opvattingen te formuleren en te systematiseren. In deze sfeer moet „exsistentia” gevormd en tot een term geworden zijn. In de scholastiek is hij overgenomen in de betekenis, die hij gewoonlijk heeft bij Chalcidius, Candidus, Marius Victorinus, Cassiodorus, Orosius, Leo de Grote en Boëthius nl. die van „werkelijk bestaan”.

Het gebruik van deze term interesseert de taalkundige echter alleen inzoverre het woord daarin een woord gebleven is; gewoonlijk blijkt dit pas, wanneer de philosophen de term etymologiseren, dus opnieuw scheppen. Hierdoor maken zij een tot term geworden woord weer tot een woord. Wellicht zou men ook kunnen zeggen. dat zij daardoor de philosophie dichter bij het leven brengen, en dat een philosophische term evenzeer een onbestaanbaarheid is als een poëtische term nog poëtisch zou zijn.


2. Thomas van Aquino

Thomas etymologiseert „exsistentia” niet uitdrukkelijk. De term heeft bij hem de gebruikelijke betekenis van „werkelijk bestaan” en wordt als „actus” gesteld tegenover „potentia”. „Ut per non-existentia intellegamus non ea simpliciter, quae penitus non sunt, sed ea, quae sint in potentia et non in .actu” (5. Th., I. qu. 5. art. 2. ad 2). Aristoteles duidt het werkelijk zijnde, gesteld tegenover het gedacht zijn, aan met de uitdrukking  „τό ὲξω ὄν καὶ χωριστόν” (Met.. X. 8. 1065 a 24). Thomas omschrijft: „de ente quod est extra animam et separabile” (In Met.. XI. 8). Een etymologie van „exsistentia” kan men hierin echter niet zien, misschien wel een aanwijzing in de richting welke deze zou hebben en welke zij dan ook heeft in een bekend Thomistisch handboek, waar de „exsistentia” aldus wordt gedefinieerd: „ld, quo res exsistit seu quo est extra causas et extra nihilum”12). Hier wordt „exsistere” gelijkgesteld met „extra esse”, „extra stare”. Het „exsistere” als een zich oprichtend te voorschijn treden uit een bodem tendeert naar het „extra stare” als naar een toestand, die de uiterste bereikbare grens dezer beweging is. „Extra stare” wordt door luvenalis spottend gebruikt om de figuren van een overdreven en belachelijk dikke en daardoor een dure indruk makende relief-versieringen op de beker van een verwaande Romein te kenschetsen: „argentum vetus et stantem extra poculum caprum” (I. 76). In het „exsistere” blijft altijd het verband met de achtergrond bestaan; de bok daarentegen treedt hier geheel en al op de voorgrond.

De aangehaalde etymologie van „exsistentia” s dus onjuist, omdat daarin geen rekening gehouden wordt met de oppositie van „ex” en „extra” van de ene kant en van „sistere” en „stare” van de andere kant. Het betrekken van de causae bij deze etymologie is echter, zoals werd aangetoond te rechtvaardigen.

De term „exsistentia” kan, wanneer hij wordt geëtymologiseerd, niet een status aanduiden, maar slechts een proces of hoogstens de status, die dit proces noodzakelijk maakt, en wanneer het woord niet buiten de levende taal om tot een philosophische term was geworden, zou dit wellicht ook het geval zijn geweest. De status, die het woord aanduidt, is de noodzaak van het wordend-zijn, een zijn, dat niet geheel en al voltooid is. Als woord duidt het dus een wijze van bestaan aan, als term de actualiteit van een zijn. Het ,,esse” schijnt echter als term zijn prioriteit gehandhaafd te hebben: „exsistentia” is als het ware een hulp-term gebleven. Van God, bij wie van een onderscheid tussen „potentia” en „actus” geen sprake is, zegt Thomas dan ook liever, dat hij „est” dan d.at hij „exsistit”. „Deus non sic dicitur non-existens, quasi nullo modo sit existens, sed quia est supra omne existens inquantum est suum esse” (S. Th., I, qu. 12, 1, ad 3).


3. Hegel

De oudere philosophen etymologiseerden weinig. In hun redenerende schrijftrant kan de etymologie moeilijk een plaats vinden. De scholastieken gebruiken de etymologie echter wel bij het geven van een „definitio nominalis”. Gewoonlijk echter werden „exsistere”, „exsistentia”, „exister”, „existieren” enz. in de vorige eeuwen gebruikt in de gangbare zin van „bestaan, gegeven zijn, voorhanden zijn”, b.v. bij Spinoza en Kant13).

Bij Hegel krijgt het woord „Existenz” een bijzondere betekenis. Hij ziet haar niet als een definitieve toestand, maar als een moment in een dialectisch proces. De verschillende phasen in dit proces zijn: Sein, Werden, Wesen, Existenz, Wirklichkeit, Begriff. De Existenz wordt als volgt bepaald: „Die Existenz ist die unmittelbare Einheit der Reflexion-in-sich und der Reflexion-in-anderes. Sie ist daher die unbestimmte Menge von Existierenden als in sich Reflektierten, die zugleich ebensosehr in anderes scheinen, relativ sind und eine Welt gegenseitiger Abhängigkeit und eines unendlichen Zusammenhanges von Gründen und Begründeten bilden. Die Gründe sind selbst Existenzen, und die Existierenden ebenso nach vielen Seiten hin Gründe sowohl als Begründete” 14).

Voor de taalkunde is deze definitie alleen interessant, inzoverre Hegel, die een uitstekend classicus was, deze term rechtvaardigt vanuit de etymologie van het woord. In de „Zusatze” door leerlingen uit de „Vorlesungen” van de meester aan de uitgave van de „Encyclopadie” toegevoegd, wordt gezegd: „Das Wort Existenz (abgeleitet von ’exsistere’) deutet auf ein Hervorgegangensein, und die Existenz ist das aus dem Gründe hervorgegangene, durch Aufhebung der Vermittelung wiederhergestellte Sein” 15). De „Grund . waaruit de „Existenz” te voorschijn gekomen is, is dat wat Hegel „Wesen” noemt: het „Wesen” is de voorafgaande phase, waarin de „Existenz” gefundeerd is. „Existieren” is dus het „begründete Sein”16), dat echter alleen in de dialectiek van Hegel „begründet” is. „Exsistere” is bovendien niet een „Hervorgegangensein”, waar bij de „Vermittelung” is opgeheven, maar juist een voortdurend „hervorgehen”; het is een nog „in” de grond zijn. Het is zelf een proces, niet een phase in een proces. Hegel heeft dus de etymologie van het woord „exsistere” niet op de juiste wijze gebruikt cn zijn opvatting van „Existenz” verschilt waarschijnlijk minder van die van oudere philosophen dan op het eerste oog lijkt.


4. Heidegger

In latere tijd is het woord „exsistentie” gereserveerd voor het bestaan van de mens. Dit gebeurde vooral onder de invloed van Kierkegaard, die aan het woord een bijzonder praegnante betekenis geeft. Hij legt het woord echter niet terminologisch vast en verklaart zijn voorkeur ervoor ook niet door een etymologie. Het is dus niet deze etymologie, die hem ertoe bracht het woord voor het menselijke bestaan te reserveren. De afleiding die hij in „Entweder-Oder” geeft, verantwoordt het gebruik van het woord niet en fundeert het evenmin op systematische wijze. Hij zegt daar: „Dieses Sein des Weibes (Existenz sagt schon zuviel, denn sie tritt nicht aus sich selbst heraus) hat etwas Vegetatives” 17). Over de waarde van ‘deze afleiding zal later gesproken worden. Er blijkt in elk geval uit, dat het woord voor Kierkegaard iets geheel anders is dan een statisch en feitelijk voorhanden-zijn; hij kent aan de „Existenz” een geestelijke dynamiek toe. Wanneer men afziet van deze terloopse opmerking kan men zeggen, dat Kierkegaard het woord wellicht alleen gebruikt, omdat het een welluidender synoniem is voor het volkse en gebanaliseerde „bestaan”: omdat de auteur nu, als reactie tegen Hegel, aan het individuele bestaan een oneindige waarde toekent, heeft dit woord voor hem vanzelf een grote betekenis. Het behoort echter niet tot de taak van de taalkunde deze na te gaan.

Wel zou de taalkundige zich kunnen afvragen, waardoor de woorden „exsistere” en „exsistentia” geëigend zijn, om bij voorkeur met betrekking tot het menselijke bestaan gebruikt te worden. Hiervoor wordt aan het volgende herinnerd. Ten eerste blijkt, dat de gehele taal anthropocentrisch is: de mens is het. die betekenissen aan woorden en woorden aan betekenissen geeft en hij heeft hier voor geen ander uitgangspunt dan zijn eigen situatie. Ten tweede kan gewezen worden op de Ich-Deixis in de praepositie „ex”, waardoor deze een menselijke betekenis krijgt. Ten derde is het „stare” waarnaar het „sistere” tendeert, een houding, die haar eigenlijke betekenis heeft in de houding van de menselijke gestalte, als uitdrukking van de menselijke aard, het gericht-zijn op een wereld. Ten vierde wijst de reduplicatie „sistere” op een wijze van bewegen, die als menselijk te ervaren is. Uitgaande van de etymologie zou men het woord „exsistentia” op het menselijke bestaan kunnen toepassen in ongeveer deze betekenis: exsistentia is een wijze van bestaan, waarin het bestaande genoodzaakt is, de gestalte, waarin het bestaat, op te richten uit de bodem of achtergrond, waarin zij ontstaat. „Exsistere” is de beweging, waardoor het individuele zich losmaakt van het generische en alles wat het niet zelf is, het is een „sich abheben” ten opzichte van zijn oorsprong en omgeving, een proces, waarin het individuele zijn eigen gestalte aanneemt,

De etymologiserende philosophen gebruiken het woord echter in een geheel andere zin, meer „psychologisch”, zou men kunnen zeggen. Heidegger etymologiseert het woord uitdrukkelijk. Het etymologiseren is bij deze philosooph, zoals reeds werd gezegd, bij na tot een principe van zijn philosophische stijl geworden. De bedoeling hiervan schijnt niet zozeer te zijn de betekenis van bepaalde termen terminologisch vast te leggen, maar eerder: de taal van de wijsgeer in betekenis-kracht aan die van de dichter gelijk te stellen. „Wir aber… suchen die unzerstörte Nennkraft der Sprache und Worte wieder zu erobern; denn die Worte und die Sprache sind keine Hülsen, worin die Dinge nur für den redenden und schreibenden Verkehr verpackt werden. Im Wort, in der Sprache werden und sind erst die Dinge. Deshalb bringt uns auch der Misbrauch der Sprache im bloszen Gerede, in den Schlagworten und Phrasen urn den echten Bezug zu den Dingen”18). Het gaat hier dus om het originaire primitieve woord-symbool, dat minder gekenmerkt is door terminologische vastheid dan door poëtische en philosophische „Nennkraft”.

Heidegger’s etymologieën kunnen de taalkunde echter niet altijd bevredigen. Een etymologie als “ὰ-λήθεια”,„Un-verborgenheit , hoe fascinerend ook, valt al meteen op door de totaal afwijkende betekenis, die zij aan het woord geeft ten opzichte van het Griekse spraakgebruik. Het oudste gebruik echter van een woord is een van de middelen, waarin een overigens voor bestrijding vatbare etymologie een sterke steun kan vinden; immers dit gebruik staat waarschijnlijk het dichtst bij die betekenis, die het woord deed ontstaan. 

„ὰλήθεια”  dan betekent in het spraakgebruik niet „onverborgenheid” of iets, wat daartoe herleid kan worden, maar het wordt gesteld tegenover de leugen en het vergeten. Het is het volledige verhaal van de toedracht van een zaak, waarbij niets vergeten of verzwegen wordt. En een verder doordringen in de etymologie van „λαντάνω” zou waarschijnlijk leren, dat de wortel van dit verbum minder „verbergen” dan wel „loslaten” betekent. „ὰλήθεια” is dan het niet laten vallen, het zich niet laten ontschieten van détails uit een verhaal of verslag van gebeurtenissen (vgl. Etym. Magnum., 62. 51). Het is een mnemotechnische inspanning of voortreffelijkheid of een morele eerlijkheid tegenover een historische waarheid, maar het is niet een philosophische waarheid. Maar natuurlijk doet deze opmerking niets af aan de waarde van Heidegger’s opvatting van de waarheid.

Heidegger’s voorkeur gaat uit naar de philosophische taal van de Grieken. In de Latijnse vertaling daarvan ziet hij reeds de „eigentliche Nennkraft des griechischen Wortes zerstört” 10). Deze voorkeur heeft hem misschien ertoe verleid in „exsistentia” een Grieks woord te zien. Zijn schrijfwijze „Ek-sistenz” is al strikt on-Latijns. Het Latijn kent de praepostie „ek” niet, wel „ex” en „e” en in sommige oudere vormen ook „ec-“. Blijkbaar heeft Heidegger de samenstelling van het woord niet doorzién; anders had hij moeten schrijven Ex-sistenz. Het is duidelijk, dat hij het zuiver Latijnse „exsistere” verwart met het Griekse „ὲξιστασθαι”; dat blijkt wel uit zijn uitspraak: „Nicht-sein heiszt demnach: aus solcher sich entstandenen Ständigkeit heraustreten „ὲξιστασθαι” — „Existenz”. „existieren” bedeutet für die Griechen gerade: nicht-sein”20). Heidegger maakt hier een enorme taalkundige fout. Het Griekse woord is een geheel ander d.an het Latijnse, al is het uit dezelfde elementen samengesteld. Het Griekse „ὲξιστασθαι”betekent een zich verwijderen of verwijderd worden van een standpunt of standplaats, een uit zijn stand geraken; het Latijnse „exsistere” betekent een verwijdering ten opzichte van een uitgangspunt, dat tegelijk een basis van het staan is, dus in zijn stand geraken, een ontstaan. Het eerste is een zijdelings gerichte dwars-beweging, het tweede een opwaarts gerichte uit-beweging. Het onderscheid is duidelijk en fundamenteel. Etymologiseert men dus het Latijnse woord „exsis-tentia” dan moet men niet van een Grieks woord uitgaan, vooral niet wanneer dat in geen enkel opzicht rijker, dieper of „eigenlijker” is dan het Latijnse. Overigens zijn geen van beide woorden in de Oudheid philosophische termen geweest, zodat de superioriteit van het Grieks ten opzichte van het Latijn als philosophische taal hier niet ter sprake gebracht kan worden.

Behalve de barbaarse indruk die het maakt, wanneer men een zuiver Latijns woord behandelt alsof het een Grieks woord was, heeft de schrijfwijze „Ek-sistenz” nog dit nadeel, dat zij het woord in de onmiddellijke nabijheid brengt van het inderdaad Griekse „ek-stasis”, dat een geheel andere betekenis heeft. Ook aan het gevaar, dat in deze nabijheid gelegen is, is Heidegger niet ontkomen. De schrijfwijze „Ek-sistenz” moet het woord „Existenz” onderscheiden van „existentia” en „existence” 21); „existentia” is de voorhandenheid, „Ek-sistenz” wordt alleen van het „Dasein” gezegd 22). Het deelstreepje tussen de samenstellende delen van het woord duidt het aan als geëtymologiseerd, als geladen met een bij zondere betekenis.

„Ek-sistenz” is typisch menselijk, omdat het openheid is. In deze openheid wordt door Heidegger het eigenlijke karakter van de Existenz gezien en dit op grond van de etymologie van het woord. Het is „eine Weise des Seins, und zwar das Sein desjenigen Seienden, das offensteht für die Offenheit des Sein, in der es steht, indem er sie aussteht” 23). „Das Stehen in der Lichtung des Seins nenne ich die Ek-sistenz des Menschen” 24). Herinnert deze uitspraak niet aan het „in lucem exsistere” van Lucretius? De achtergrond is echter totaal verschillend; „in lucem exsistere” is een beweging naar het licht toe „stehen in der Lichtung” is niet een beweging, waarbij een uitgangspunt verlaten wordt, maar een openheid voor… Het „exsistere in lucem” veronderstelt deze openheid, maar drukt ze niet uit.

Het „ek” in „Ek-sistenz” moet deze openheid aanduiden; het wordt geïnterpreteerd als een „uit zich zelf naar buiten”; het „ik” is het uitgangspunt dat in de openheid verlaten wordt. „Ek” wordt uitgelegd als „uiteen vanuit een middelpunt”. Deze betekenis is aan „ex” niet eigen: het is „ik uit , niet „uit mij . Om enkele voorbeelden te noemen: „exsultare” is niet „uit zich zelf opspringen, buiten zich zelf raken”, maar „opspringen van de aarde weg”; „exponere” is niet een „uiteen-zetten”, maar een „zichtbaar neerleggen van een ding op een bepaalde plaats, waar het afsteekt tegen zijn achtergrond”. Zo is er ook in „ex-sistere” geen sprake van een „ik”, dat zich los maakt van een „zelf”, maar eerder van een „ik”, dat zich stelt tegenover een „niet-ik”.

Heidegger nu denkt zich de Ek-sistenz „ekstatisch”25). Bijna stelt hij de woorden „exsistentia” en „ekstasis” met elkaar gelijk en hij gaat daarbij uit van „ekstasis” in de betekenis van „buiten zich zelf staan”. In de oorspronkelijke betekenis van het woord echter is geen sprake van een onderscheid tussen een „ik” en een „zelf”, maar van een ver-steld staan door een hevige schok of emotie, die de mens uit zijn gewone wijze van doen brengt en uit de ene situatie plotseling in de andere werpt. „Staan” is hier een gealarmeerde wijze van zijn, een geattendeerd zijn op, een stilstand, die plotseling noodzakelijk gemaakt wordt door een onvoorziene omstandigheid. Elders zegt Heidegger, dat het Dasein „in-sistent” is, terwijl het „ek-sistent” is 26). Ook hier is ,,ek-sistent” ekstatisch gedacht; het wordt niet gezegd van een beweging, die met haar uitgangspunt verbonden blijft, maar van een openheid, die niet geheel en al zonder reserve kan zijn.

In populaire werken over de existentiephilosophie wordt dan zonder meer „existentie” gelijk gesteld met .„ekstase” en vertaalt men het met „buiten zich zelf treden”, zoals reeds Kierkegaard deed met „exsistere”. „De existentie is het buiten zich zelf treden, de ek-stase”, legt van Peursen uit 27). „Existentie is, zoals taalkundig reeds in het woord besloten ligt, het buiten zich zelf treden”28). De Ek-sistenz, aldus ek-statisch gedacht, kan wellicht in het verlengde van „exsistere” liggen, maar het „exsistere” als zodanig heeft geen „ekstatische” betekenis. Wat met „Ek-sistenz” en „ekstase” bedoeld is, wordt wellicht etymologisch beter uitgedrukt in de soms ook gebruikte term „dia-spora”: het „dia” duidt op een beweging, die vanuit een middelpunt naar verschillende kanten voltrokken wordt, een betekenis, die aan „ex” geheel vreemd is. „Ex” betrekt een lineaire beweging op haar uitgangspunt, en dit uitgangspunt is iets anders als het subject der beweging. De toeschouwer bij het proces van „exsistere”, de mens zelf, beschouwt daarin zich zelf, maar als deel van een levende natuur. Het „exsistere” heeft een menselijke betekenis, maar niet zo exclusief als „Ek-sistenz”. Wellicht kent de primitievere mens geen typisch menselijke wijze van bestaan, omdat voor hem de natuur zelf nog levend is; er is geen scherpe tegenstelling, zoals bij de moderne mens. Daarom kan men zich onmogelijk indenken, dat een betekenis als die, welke Heidegger toekent aan het woord ,,Ek-sistenz” zou beantwoorden aan de betekenis, die het woord ,.exsistere” noodzakelijk heeft gemaakt. Toch zou dat van het etymologiseren verwacht mogen worden.

Volgens Heidegger is deze ek-statische Ek-sistenz alleen eigen aan de mens; zij is het wezenlijke van de menselijke wijze van zijn, het „Dasein”29). Van geen ander wezen kan gezegd worden, dat het existeert. Thomas kon God de existentia niet toekennen, zonder erbij te verklaren, dat de term eigenlijk niet op God toepasselijk is; voor Heidegger is het onmogelijk deze term op God toe te passen, omdat hij alleen menselijke betekenis heeft: „Gott ist, aber er existiert nicht” 30).

Een overeenkomstige betekenis heeft het geëtymologiseerde ekstase ook bij Sartre. Hij onderscheidt een wijze van zijn „en-soi” van het zijn „pour-soi”, dat aan de mens eigen is. Deze menselijke zijnswijze wordt door de ek-stase geconstitueerd. „L’ek-stase, ou arrachement a moi, qui me constitue pour-moi”31). Het woord „exister” wordt door Sartre niet geëtymologiseerd. Mogelijk hangt dit samen met zijn opvatting, dat de „existence” zelf niet te herleiden is. „Exister, c’est être la, simplement; les existants apparaissent, se laissent rencontrer, maïs on ne peut jamais les déduire”32).

„Exsistere” duidt echter nooit een voldongen feit aan; het is altijd te reduceren, althans tot op zekere hoogte.

De conclusie van dit alles is, dat de woorden „exsistere” en ,,exsistentia” door de philosophen, die hiertoe een poging gedaan hebben, niet op de juiste wijze zijn geëtymologiseerd en dat er geen continuïteit bestaat tussen wat zij „existeren” noemen en wat het Latijn met „exsistere” bedoelt. De „Nennkraft” van dit veelgebruikte woord is nog niet benut.

’s-Hertogenbosch C. W. M. Verhoeven.


Noten:

1) Voor een verantwoording van de schrijfwijze zie blz. 18 en 25.

2) Vgl. zijn critiek in Einführung in die Metaphysik., Tübingen, 1953, blz. 40-41. Ook Plato beschouwde de philosophen als de ware etymologen (Crat., 435D). Dit houdt verband met zijn opvatting, dat een inzicht in het woord ook een inzicht is in het daardoor aangeduide werkelijke.

3) Sein and Zeit, 7e Aufl., Tübingen, 1953, blz. 220.

4) Sein und Zeit, blz. 161.

5) R. Kühner, Ausführliche Grammatik der Lateinischcn Sprache, Bnd. 2, dl. 1, bew. Stegmann, Hannover, 1912, blz. 488.

6) Th. Baader, Die Identifizierende Funkfion der Ich-Deixis im Indoeuropaischen, Eine ethnologisch-sprachwissenschaftliche Untersuchung, Heidwlberg, 1929, blz. 53-54.

7) Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I. II., qu. 39, art. 8. Vgl. Quaest. Disp. de Virtutibus, 2. 7. ad 17.

8) Kühner, a.w., blz. 365.

9) Goetz, Corpus Glossariorum Latinorum, V. 195. 23.

10) F. Sommer. Vergleichende Syntax der Schulsprachen. 3e uitg., Berlijn, 1931, blz. 66.

11) C. M. Francken, Over de Assimilatie der Praeposities in de Latijnse verba composita. Versl. en Med. Kon. Ak. Wet, afd. Lett., 3e reeks, dl. II, blz. 364, Vgl. blz. 355-356.

12) J. Gredt. Elementa Philosophiae Arisfotelico’Thomisticae. 8e cd., Barcelona, 1946, dl. II. blz. 5.

13) J. W. Aalders, Het woord existentie in het moderne wetenschappelijke spraakgebruik, Med. Kon. Ak. Wet. Afd. Lett., Dl. 74, serie a, no. 2, 1933, blz. 2 (behandelt het woord alleen als term).

14) G. W. F. Hegel, Encyclopedie der Philosophischen Wissenschaften, 123.

15) Hegel, a.w., Ausg. Bolland, Leiden, 1906, blz. 168.

16) A. Schwegler, Geschichte der Philosophie. 12e dr„ blz. 288.

17) S. Kierkegaard, Entweder-Oder, vert. Schrempf, dl. I, Jena. 1922, blz. 384.

18) M. Heidegger, Einführung in die Metaphysik, blz. 11.

19) A.w., blz. 10.

20) Einführung in die Metaphysik. blz. 49.

21) Über den Humanismus, Frankf. am M., 1949, blz. 29.

22) Sein und Zeit, blz. 42.

23) Was ist Metaphysik?. Frankfurt am M., 1951, blz, 14.

24) Uber den Humanismus, blz. 13.

25) Über den Humanismus, blz. 16: blz. 29.

26) Vom Wesen der Wahrheit, Frankfurt am M., 1949, blz. 21.

27) C. A. van Peursen, Korte Inleiding in de Existentiephilosophie. 2c dr„ Amsterdam, 1948, blz. 41.

28) C. A. van Peursen, a.w., blz. 40.

29) M. Heidegger, Sein und Zeit. blz. 42; Über den Humanismus, blz. 14-15.

30) M. Heidegger, Was ist Metaphysik?, blz. 15.

31) J. P. Sartre, L’Etre et le Néant, 37e ed.. Parijs, 1953, blz. 333.

32) J. P. Sartre, La Nausée. Parijs. 1938, blz. 185.

https://www.cornelisverhoeven.com/nl/read/0003-de-betekenis-van-het-woord-exsistere?view=scans