Bernardus van Clairvaux DE TWEEDE PREEK OP HET FEEST VAN PASEN

 

Bernardus van Clairvaux

DE TWEEDE PREEK OP HET FEEST VAN PASEN

Op de heilige dag van Pasen, over het Evangeliewoord: Maria Magdalena etc. (Mk 16,1.ff)

Van de Apostel hebben wij vernomen, dat Christus door het geloof in onze harten leeft (Ef 3,17). Gevoeglijk mag men daaruit opmaken, dat Christus zolang in onze harten leeft als ons geloof levend is. Wanneer echter ons geloof dood is, dan is in zekere zin ook Christus in ons dood. Verder zijn het de werken die van het leven van het geloof getuigenis afleggen, zoals geschreven staat: ‘De werken die mijn Vader aan mij heeft gegeven heeft om te volbrengen, leggen getuigenis van mij af. ‘ (10 5,36) Met deze uitspraak lijkt ook de apostel Jakobus in overeenstemming te zijn, die de verzekering geeft dat een geloof zonder werken in zichzelf dood is (Jak 2,17).
Zoals wij namelijk het leven van dit lichaam aan zijn beweging herkennen, zo herkennen wij het leven van het geloof aan de goede werken. Het leven van het lichaam is dus de ziel, van haar krijgt het beweging en gevoel. En zo is het leven van het geloof de liefde, want door haar werkt het geloof, zoals U bij de Apostelleest: ‘Het geloof werkt door de liefde.’ (Gal 5,6) Wanneer dus de liefde koud wordt, sterft het geloof, zoals het lichaam sterft, als de ziel het verlaat. Ziet ge dus iemand die ijverig is in het doen van goede werken en zich in heel zijn levenswandel blijmoedig toont, dan kun je er zeker van zijn, dat in hem het geloof leeft, want je hebt de onbetwijfelbare bewijzen van dit leven.
Maar helaas, sommigen beginnen met de geest, maar eindigen later met het vlees. Wij weten echter, dat de geest van leven dan niet langer in hen blijft, zoals geschreven staat: ‘Mijn Geest zal niet eeuwig in de mens blijven, want hij is vlees.’ (Gen 6,3) En als de geest niet blijft, dan lijdt het geen twijfel, dat ook de liefde verdwijnen zal, die
‘immers in onze harten is uitgestort door de heilige Geest die ons
geschonken is. ‘ (Rom 5,5)
2. Verder laat de Apostel zien, zoals wij reeds zeiden, dat het leven van het geloof in de liefde bestaat, wanneer hij zegt dat het geloof door de liefde werkt (Gal 5,6). Daaruit volgt dus, dat het geloof sterft als de geest verdwijnt, want ‘het is de geest die levend maakt. ‘ (Jo 6,64) Vervolgens, als wijsheid naar het vlees de dood betekent, dan moeten ongetwijfeld zij, over wier leven wij ons verheugden, zolang zij de werken door de geest van het lichaam doodden, thans als doden beweend worden, nu zij weer naar het vlees leven. Daarom staat er ook bij dezelfde apostel te lezen: ‘ Als U naar het vlees leeft, zult U sterven; als U echter door de geest de daden van het vlees doodt, zult U leven.’ (Rom 8,13) Wee U, wie gij ook bent, wanneer gij als een hond naar zijn braaksel terugkeert of als een schoongewassen zwijn zich weer in de modder wentelt! (2 Petr 2,22) Ik spreek niet alleen van degenen die naar het lichaam weer naar Egypte terugkeren, maar ook van hen die dit in hun hart doen, doordat zij naar de geneugten van deze wereld streven en zo het leven van het geloof, dit is de liefde, niet bezitten. ‘Want als iemand de wereld lief heeft, dan is de liefde van de Vader niet in hem.’ (1 Jo 2,15) Wie is er immers meer dood
dan hij die het vuur in het hart, dit is de zonde in zijn geweten, brandend houdt en dit niet voelt, niet ervoor terugschrikt en het niet uitdooft?
3. Zie dus: Christus is in het graf en het dode geloof is in de ziel.
Wat kunnen wij voor Hem doen? Wat deden de heilige vrouwen die als enige van alle volgelingen met een grotere liefde bezield waren? ‘Zij kochten specerijen om daarmee naar het graf te gaan en Jezus te zalven.’ (Mk 16,1) Deden zij dat om Hem tot leven te wekken? Ook wij, broeders, weten, dat een opwekking uit de doden niet in onze macht ligt. Onze opgave is het om te zalven. Waarom doen wij dat? Om te voorkomen dat een mens die in die toestand verkeert gaat rieken, hij voor anderen tot doodslucht wordt (2 Kor 2,16), tot ontbinding overgaat en geheel vergaat. Vandaar dat de drie vrouwen, dat zijn de geest, de tong en de hand, specerijen kopen. Hierop heeft naar mijn mening de opdracht die Petrus kreeg, betrekking, toen hem
tot driemaal toe werd opgedragen de kudde van de Heer te weiden: Weid hen, sprak Jezus, met de geest, met de mond, met de daad, dit is: met het gebed van het hart, met de opwekking van uw woord en door het tonen van uw voorbeeld.
4. De geest moet dus haar welriekende oliën zoeken: op de eerste plaats het gevoel van medelijden, vervolgens ijver voor wat recht is, en daarbij dient men de geest van verstandig onderscheiden niet uit het oog te verliezen. Telkens wanneer je een broeder ziet zondigen, moet er bij U terstond een gevoel van medelijden opkomen. Het is als het ware aan de menselijke natuur verwant, want het komt uit Uzelf voort. De Apostel zegt: ‘Gij die geestelijk zijt, wijs hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, maar Iet op Uzelf, dat ook gij niet zelf in bekoring raakt.’ (Gal 6,1) En toen de Heer de stad uittrok en zijn kruis droeg en enige vrouwen -nog niet alle stammen der aarde – over Hem weenden, keerde Hij zich naar hen om en sprak: ‘Dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar over Uzelf en uw kinderen.’
(Lk 23,28) Let goed op de volgorde: eerst zegt Hij ‘over Uzelf’ en dan pas ‘over uw kinderen’. Let op Uzelf om te Ieren met een ander medelijden te voelen en om hem ‘in een geest van zachtmoedigheid’ te onderrichten. Let op Uzelf, dat ook gij niet in bekoring komt. Omdat een voorbeeld echter meer overtuigingskracht heeft en diepere indruk maakt op de menselijke geest, wijs ik U op het voorbeeld van een heilige oude man die, toen hij van de zonde van een van zijn broeders gehoord had, in bittere tranen uitbarstte en uitriep: ‘Vandaag hij en morgen ik!’ Meen je, dat iemand die zo over zichzelf weende, geen medelijden had met zijn broeder? Daarom kan dit gevoel van medelijden velen tot nut zijn, omdat een edel gemoed zich schaamt iemand leed te berokkenen, waarvan het ziet dat deze bezorgd om hem is.
5. Wat doen wij echter, als sommigen zo hardnekkig en onbeschaamd zijn, dat zij van ons medelijden en ons geduld des te meer misbruik maken, naarmate wij hun meer medelijden betonen? Moeten wij dan niet op dezelfde wijze, als wij met die broeder medelijden gehad hebben, ook met de gerechtigheid zelf medelijden hebben, die wij zo schaamteloos met voeten getreden zien en zo roekeloos getergd? Ik weet, dat, als er liefde in ons leeft, wij deze verachting van God niet onverschillig kunnen verdragen. Dat is de ijver van de gerechtigheid die ons doet ontvlammen tegenover hen, die overtredingen begaan; in zekere zin worden wij geleid door liefde jegens Gods gerechtigheid die wij veracht zien worden. Maar het gevoel van medelijden moet in ieder geval voorrang voor zich opeisen, want anders zouden wij in een heftige gemoedsgesteldheid de schepen van Tharsis verpletteren (Ps 48,8), het geknakte riet breken en de smeulende vlaspit uitdoven (Jes 42,3).
6. Als nu echter beide gevoelens aanwezig zijn, namelijk het oprecht gevoel van medelijden en de ijver voor wat recht is, dan moet ook nog de geest van het verstandig onderscheiden erbij komen; want het zou kunnen gebeuren, dat, waar medelijden getoond dient te worden, de ijver zich op de voorgrond dringt en onberadenheid alles in de war stuurt. Daarom heeft ons verstand ook de derde specerij nodig, de geest der onderscheiding, zodat het met verschillende omstandigheden rekening houdt door op de juiste tijd ijver te betonen, maar ook op de juiste tijd vergeving te schenken. Hij is een echte Samaritaan die er nauwlettend op toeziet, wanneer hij de olie van de barmhartigheid en de wijn van de vurige ijver moet toedienen. En denkt nu niet dat ik dit bedacht heb. Luister naar de profeet die in een van de psalmen om hetzelfde en in dezelfde volgorde smeekt: ‘Leer mij uw goedheid,
tucht en kennis.’ (Ps 119,66)
7. Waar halen wij deze specerijen vandaan? De bodem van ons hart laat dergelijke deugdenplanten niet ontspruiten, maar brengt eerder doornen en distels voort (Gen 3,18). Wij moeten de specerijen dus kopen. Maar bij wie kunnen zij gekocht worden? Juist bij Hem die gezegd heeft: ‘Komt, koopt zonder zilver of betaling wijn en melk.’ (Jes 55,1) Gij weet heel goed, wat de zoetheid van melk en de wrangheid van wijn betekenen. Maar wat moet er onder ‘kopen zonder zilver of zonder betaling’ verstaan worden? Bij de minnaars van deze wereld bestaat een dergelijk kopen niet, maar bij de Schepper van deze wereld kan er geen ander kopen bestaan. Immers de profeet
zegt tot de Heer: ‘Mijn God zijt Gij, want Gij hebt mijn goederen niet nodig.’ (Ps 16,2) Welke prijs zal de mens dus aan Hem voor zijn genade geven, Hem die geen gave nodig heeft en aan wie alles toekomt? De genade wordt om niet geschonken; en ook als wij ze moeten kopen, kopen wij ze om niet, want :wat daarvoor gegeven wordt, blijft ons behouden als iets beters.
8. Er zijn dus drie welriekende specerijen van de geest. Zij moeten met de munt van de eigenwil gekocht worden. Als wij deze daarvoor geven, verliezen wij niets, maar winnen er zelfs nog heel veel bij, want wij ruilen haar in voor iets beters. Wat eigenwil was, wordt nu gemeenschappelijke wil. De gemeenschappelijke wil is echter de liefde. Zo kopen wij ‘zonder betaling’; wij ontvangen iets dat wij niet hadden en wat wij hadden, behouden wij als iets beters. Want wanneer kan iemand aan zijn medebroeder medelijden betonen, die, gevangen in zijn eigenwil, enkel en alleen medelijden met zichzelf heeft? Of wanneer kan iemand die slechts zichzelf liefheeft, de gerechtigheid liefhebben en de ongerechtigheid haten (Ps 45,8)? Hij kan voor de ogen der mensen wel doen alsof, ja hij kan zelfs zichzelf iets voorspiegelen, zodat hij meent dat het om het gevoel van medelijden en de ijver voor de gerechtigheid gaat, wanneer hij zich door eigenliefde of persoonlijke haat laat leiden. Maar het valt gemakkelijk in te zien, hoe ver datgene wat eigen is aan de liefde, afstaat van de eigenwil, ja dat zij zich juist als haar tegendeel laat zien, want de liefde is goedgunstig en zij verheugt zich niet over onrecht (I Kor 13,4,6).
Over de geest van het verstandig onderscheiden weten wij al, dat niets hem zo volledig uitdooft als de eigenwil die het hart van de mensen afkeert en de ogen van het verstand sluit. Daarom moeten wij, zoals ik al gezegd heb, met de munt van onze eigenwil drie welriekende specerijen voor onze geest kopen: het gevoel van medelijden, de ijver voor wat recht is en de geest van het verstandig onderscheid.
9. Op dezelfde wijze bestaan er ook voor de tong drie welriekende specerijen, namelijk gematigdheid in het berispen, welbespraaktheid in het vermanen en doeltreffendheid in het overtuigen. Wil je deze specerijen bezitten? Koop ze dan van de Heer uw God. Koop ze, zeg ik, juist zoals de vorige ‘zonder betaling’; je wint erbij zonder iets te verliezen. Koop van de Heer gematigdheid bij het berispen, want dit is een heel groot goed en een zeer goede gave en slechts weinigen bezitten haar. ‘Want de tong’, zegt de heilige Jakobus, ‘kan niemand temmen.’ (Jak 3,8) Je ziet veel mensen, die, ofschoon met een oprechte bedoeling bezield en welwillend gestemd, een lichte opmerking maken waaraan echter zwaar getild wordt. Een woord vliegt heen en wij kunnen het niet terugroepen. Het had tot genezing moeten dienen, maar omdat het wat te scherp klinkt, verbittert en kwetst het nog meer. Wanneer zich bij de onverschilligheid ook nog onbeschaamdheid voegt, neemt het ongeduld zelfs nog toe. Zo komt het dat ‘degene die onrein is, onrein blijft’ (Apk 22,11), terwijl hij zich van boze woorden bedient om voor zijn zonden verontschuldigingen te zoeken (Ps 141,4). Als een waanzinnige wijst hij niet slechts de hand van een arts af, maar poogt ook nog erin te bijten. Verder zijn er velen, die geen rijkdom aan woorden tot hun beschikking hebben, maar in hun vergeefs zoeken naar woorden het gevoel
hebben dat hun tong aan hun gehemelte blijft plakken (Ez 3,26). Ook dat werkt vaak bijzonder schadelijk voor de toehoorders. Anderen weer beschikken over een overvloedige rijkdom aan woorden, maar wat ze te zeggen hebben, valt minder in de smaak en wordt minder goed opgenomen. En omdat wat ze zeggen, geen aantrekkingskracht bezit, heeft het weinig uitwerking. Je ziet, hoe noodzakelijk het is uw specerijen, namelijk bescheidenheid bij het berispen, welbespraaktheid bij het vermanen en doeltreffendheid bij het overreden, van Hem te kopen die de gever is van alle goeds en de bron van alle kennis.
10. Koop daarom deze specerijen met de munt van uw schuldbelijdenis, dat wil zeggen: belijd eerst uw eigen zonden, voordat je ertoe overgaat anderen van de hunne te zuiveren. Een groot en wonderlijk mysterie is de opwekking van de ziel. Zorg ervoor, dat je dit mysterie niet onrein benadert. Indien je het niet in algehele onschuld kunt, of beter: omdat je dit niet kunt, was je handen te midden van onschuldigen, voordat je het graf van de Heer nadert (Ps 26,6). In de belijdenis wordt alles afgewassen en deze reiniging word je in een zekere zin als onschuld aangerekend, zodat je te midden van de onschuldigen kunt staan.
Tot de heilige dienst op het altaar nadert niemand in zijn dagelijkse kleding, maar al wie wil naderen, dient zich eerst met een wit kleed te bekleden. Wanneer jij je dus naar het graf van de Heer spoedt, was je dan, trek een wit kleed aan en bekleed je met het kleed van de heerlijkheid, zodat er tot je gezegd wordt: ‘Gij hebt U met belijdenis en pracht bekleed.’ (Ps 104,1); want waar belijdenis is, daar is schoonheid voor het aangezicht van de Heer (Ps 96,6). Dit alles is gezegd om U ervan te overtuigen dat de welriekende specerijen van de tong, namelijk gematigdheid in het berispen, welbespraaktheid in het vermanen en doeltreffendheid in het overtuigen met de munt van de belijdenis gekocht kunnen worden.
11. Wij hebben evenwel gelezen en ook in onze dagelijkse ervaring waargenomen, dat wanneer iemands levenswandel geminacht wordt, ook zijn prediking niet serieus genomen wordt. Laat dus ook de hand haar eigen specerijen aanschaffen, opdat de wijze niet de spot met ons drijft zoals met de luiaard, voor wie het nog te veel moeite was om zijn hand naar zijn mond te brengen (Spr 19,24). Anders zou degene die jij terecht wijst, kunnen zeggen: ‘Gij beleert een ander, maar uzelf beleert gij niet.’ (Rom 2,21) Je bindt namelijk zware en ondraaglijke lasten bijeen en legt ze op de schouders van mensen, maar zelf wil je ze met geen vinger aanraken (Mt 23,4). Ik zeg U: Een levend en werkzaam woord is het voorbeeld van een daad. Het geeft onze bedoeling overtuigingskracht, omdat het aantoont dat datgene waartoe wij aansporen, ook uitvoerbaar is. Daarvoor heeft ook de hand haar specerijen nodig: zelfbeheersing van het lichaam, barmhartigheid tegenover een broeder en geduld in de godsvrucht. Daarom zegt de Apostel: ‘Laat ons bezonnen, rechtvaardig en vroom leven.’ (Tit 2,12) Deze drie zijn voor onze levenswandelonontbeerlijk. De eerste zijn wij verschuldigd aan onszelf, de tweede aan onze naasten en de derde aan God. Want ‘wie ontucht
bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.'(1 Kor 6,18), want hij berooft het van een hoge eer, geeft het aan een angstwekkende en schandelijke ontluistering prijs en neemt een lidmaat van Christus om er een lidmaat van een hoer van te maken (1 Kor 6,15). Ik zeg echter, dat men zich niet slechts deze verfoeilijke lust, maar van ieder vleselijk genieten dient te onthouden. Zoek dus vooral deze volkomen zelfbeheersing die je aan jezelf
schuldig bent; niemand is je immers zo nabij dan jijzelf. Voeg er dan de barmhartigheid aan toe die jij de naaste verschuldigd bent, want met hem moet je gered worden. Tenslotte ook het geduld dat je God verschuldigd bent, want door Hem moet je gered worden. ‘ Allen’ immers ‘die in Christus godvruchtig willen leven, zullen vervolging te doorstaan hebben.’ (2 Tim 3,12) en: ‘Door vele verdrukkingen moeten wij het Rijk Gods binnengaan.’ (Hand 14,21) Zie dus toe dat je niet door gebrek aan geduld te gronde gaat, maar alles verdraagt voor Hem, die het eerst veel ergere dingen voor jou doorstaan heeft en bij wie je geduld niet zonder vrucht zal zijn, zoals ook de profeet zegt: ‘Het geduld van de armen gaat niet voor altijd verloren.’ (Ps 9,19)
12. Deze drie welriekende specerijen voor de hand moeten wij met
de munt van de volgzame onderdanigheid kopen. Want zij is het die
onze schreden leidt en ons de genade van een heilige levenswandel
verwerft. Wanneer wij immers in onze ledematen een tegenstrijdige
wet ten gevolge van de ongehoorzaamheid bespeuren (Rom 7,23), wie weet dan niet, dat de gehoorzaamheid zelfbeheersing schenkt? Het is ook deze deugd die de barmhartigheid weet te ordenen en zij is het die geduld leert en schenkt. Ga met deze welriekende specerijen naar degene, in wie het geloof dood is. Als wij echter bedenken, wat voor een groot werk het voor ons is om zo iemand op te wekken, hoe moeilijk is het dan niet om slechts bij zijn hart te komen dat vergrendeld is door steenharde halsstarrigheid en schaamteloosheid? Dan moeten ook wij, zo ben ik van mening, zeggen: ‘Wie zal ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ (Mk 16,13)
Terwijl wij echter, zo door vrees bevangen, ervoor terugdeinzen om tot zo’n hart te naderen, wanneer wij voor een zo groot wonder aarzelen, gebeurt het zo nu en dan, dat Gods oor, vol goedheid en liefde zoals steeds, de voorbereiding van ons hart waarneemt, en dat op zijn machtig woord een dode ten leven opstaat. En zie, een engel des Heren met een van vreugde stralend gelaat verschijnt aan ons bij de ingang van het graf en een zekere lichtende glans duidt de opstanding aan. Men ziet duidelijk dat de trekken van zijn gelaat veranderd zijn. Hij stelt de toegang tot zijn hart voor ons open, ja hij roept ons tot zich; hij wentelt zelf de steen van zijn hardnekkigheid weg en gaat erop zitten. Wanneer zo het geloof weer tot leven gewekt is, toont het ons zelfs de doeken waarin het eens gewikkeld was. Tegelijk laat het ons alles zien wat zich vroeger in zijn hart afspeelde, het spreekt uit en belijdt hoe het zichzelf in het binnenste had begraven; en zijn lauwheid en nalatigheid erkennend zegt het: ‘Komt en ziet de plaats waar de Heer was neergelegd’. (Mt 22,6)