Gedichten – Johannes van het Kruis

bron: Johannes van het Kruis, Mystieke werken uit het Spaans vertaald volgens de laatste kritische uitgaven en van een inleiding voorzien door J. Peters O.C.D, J.A. Jacobs, Gent 1975  (Carmelitana)

***************


DONKERE NACHT

(In 1578 is Sint-Jan zes-en-dertig jaar. In de kloosterkerker van Toledo ondergaat hij vreemde pijnen en kent hij vreugden, die in gewone mensentaal niet zijn uit te drukken. Maar zielen kan men niet met ketenen vasthouden. Als gevangene schrijft Sint-Jan de strofen, die zijn geestelijke ontsnapping verhalen. – Dit is het meest typerende gedicht dat hij gemaakt heeft: geladen met een grote rijkdom aan lering is het in een volmaakte vorm gegoten. In de ‘Bestijging van de Berg Karmel’ en in de ‘Donkere Nacht’ heeft de Heilige een didactische uiteenzetting willen geven, die de rijke inhoud van de strofen moest verklaren. Hij heeft ze echter niet voltooid. Slechts het commentaar op de strofen 1, 2 en 3 is gereed gekomen, en dit heeft niet de pretentie alles te zeggen.)

De tekst hiervan ontlenen wij aan: P. N. van Eyck, Verzameld werk, dl. 2, Amsterdam 1958, biz. 225-226. In vergelijking met de tekst die de dichter eerder publiceerde in Benaderingen, Maastricht 1940, zijn de 3-de en 8-ste strofe grondig bewerkt. Otger Steggink en Kees Waaijman publiceerden een nieuwe vertaling in Speling 1971, nr. 4, blz. 54-55. Voor een nadichting door Huub Oosterhuis zie ons Het donker is mij licht genoeg, Bilthoven 1974, blz. 36-37.


Lied van de ziel die er zich over verblijdt, dat zij door de onthechting van de geest de verheven staat van volmaaktheid – de vereniging met God – bereikt heeft. (Toledo, 1578?)

En una noche oscura,

con ansias, en amores inflamada,

¡oh dichosa ventura!,

salí sin ser notada,

estando ya mi casa sosegada.


Die donkerste der nachten,

Mijn angstig hart ontvlamd in liefde-dromen,

O diep-verblijdend trachten!

Ging ‘k uit, door geen vernomen,

Want heel mijn huis was reeds tot rust gekomen.


A oscuras y segura,

por la secreta escala, disfrazada,

¡oh dichosa ventura!,

a oscuras y en celada,

estando ya mi casa sosegada.


In ’t donker, vol verwachten,

De schuiltrap langs, vermomd, in veilig schromen,

O diep-verblijdend trachten!

In ’t donker, onvernomen,

Want heel mijn huis was reeds tot rust gekomen.


En la noche dichosa,

en secreto, que nadie me veía,

ni yo miraba cosa,

sin otra luz y guía

sino la que en el corazón ardía.


Die nacht van diep verblijden,

In ’t dichte donker ongezien gebleven,

Toen ‘k niets kon onderscheiden,

Geen gids, die hulp kon geven,

Dan ’t ene licht in ’t innigst van mijn leven.


Aquésta me guiaba

más cierto que la luz del mediodía,

adonde me esperaba

quien yo bien me sabía,

en parte donde nadie parecía.


Die schijn, mijn gids, geleidde

Mij zekerder dan ’t licht der middagstonde

Tot waar zijn hoop mij beidde,

Die ’t hart mij lang reeds kondde,

Op ergens in de hof verborgen sponde.


¡Oh noche que guiaste!

¡Oh noche amable más que el alborada!

¡Oh noche que juntaste

Amado con amada,

amada en el Amado transformada!


O nacht die mij geleidde,

O nacht meer dan de dageraad liefgezinde,

O nacht die samenvlijde

Minnaar en zielsbeminde

Waar Minnaar in beminde zich hervinde.


En mi pecho florido,

que entero para el solo se guardaba,

allí quedó dormido,

y yo Ie regalaba,

y el ventalle de cedros aire daba.


Aan ’t hart dat liefde kuste

Tot bloei die zich om Hem voor elk verheelde,

Lag Hij in slaap en rustte,

En wijl mijn ziel Hem streelde,

Wuifde de ceder-waaier koele weelde.


El aire de la almena,

cuando yo sus cabellos esparcía,

con su mana serena

en mi cuello hería,

y todos mis sentidos suspendía.


Toen zo, van hoogste tinne,

De wind Hem zacht het haar uit-een kwam strijken,

Wondde zijn hand, vol minne,

Mijn hals bij ’t neder-reiken,

En deed mijn zinnen gans en al bezwijken.


Quedéme y olvidéme,

el rostro recliné sobre el Amado,

cesó todo, y dejéme,

dejando mi cuidado

entre las azucenas olvidado.


Ik bleef er, zelf-vergeten,

Hield mijn gelaat dicht óver Hem gebogen,

Stil alles, heen mijn weten, –

Heen wat mij had bewogen,

Tussen de lelies aan mijn geest onttogen.


**************

LEVENDE VLAM VAN LIEFDE

(Uit de ‘Levende Vlam’ blijkt, dat Sint-Jan vertrouwd was met de dichtkunst van zijn tijd. De bouw van de strofen doet denken aan de poëzie van Boscán [overleden in 1542, het geboortejaar van Sint-Janj: de vierde regel rijmt op de eerste, de vijfde op de tweede, de zesde op de derde. Het thema van Boscán is echter het profane, terwijl Sint-Jan het goddelijke bezingt. – De ‘Levende Vlam’ is het derde en laatste gedicht, waarbij Sint-jan een – overigens onvoltooid gebleven – commentaar geschreven heeft. In de proloog van dit commentaar laaf Sint-Jan doorschemeren, dat het gedicht de vrucht is van een ogenblik van intense gloed en niet het kille produkt van een wetenschappelijke studie, De ‘Levende Vlam’ bezingt de volmaakte liefde, waaraan de ziel kan branden, wanneer zij geheel is omgevormd in God.) Evenals bij de twee vorige gedichten geven wij daarom op deze plaats de nadichting door P. N. van Eyck (Verzameld werk, dl. 2, blz. 227

Gezangen van de ziel in innige gemeenschap en vereniging met de liefde van God.

(Granada, 1582-1584)

¡Oh llama de amor viva,

que tiernamente hieres

de mi alma en el más profundo centro!

Pues ya no eres esquiva,

acaba ya, si quieres;

¡rompe la tela de este dulce encuentro!

Levende vlam van Liefde,

Wier tongen, tedere schade,

Schroeiend tot in mijn diepste zielskern wroeten:

Verzoend nu wat U griefde,

Voleindig uw genade,

Doorbreek het weefsel van dit zoet ontmoeten.

¡Oh cauterio suave!

¡Oh regalada llaga!

¡Oh mano blanda! ¡Oh toque delicado,

que a vida eterna sabe,

y toda deuda paga!

Matando, muerte en vida la has trocado.

Vuur dat van vreugd doet beven!

Wond waaruit lusten stralen!

O liefelijke hand! O teer beroeren!

Die smaakt naar eeuwig leven,

Uw schuld kwaamt afbetalen,

En, dood verslaande, dood tot leven voeren!

¡Oh lámparas de fuego,

en cuyos resplandores

las profundas cavernas del sentido,

que estaba oscuro y ciego,

con extraños primores

calor y luz dan junto a su Querido!

O brand van vlammen, lampen,

Wier helle flonkeringen

Der zinnen labyrint en blinde gangen,

Lang zwart van nacht en dampen,

In nieuwe pracht doen dingen,

Met licht en gloed, naar ’t Doel van hun verlangen!

¡Cuán manso y amoroso

recuerdas en mi seno,

donde secretamente solo moras!

¡Y en tu aspirar sabroso,

de bien y gloria lleno,

cuán delicadamente me enamoras!

Hoe liefelijk en begeerlijk,

Diep in mijn hart, ontwaakt Gij,

Want Gij slechts hebt uw heimelijk huis daarbinnen.

Uw adem, rijk en heerlijk,

Hoe mild, hoe teder maakt hij,

Dat ik U, altijd, overal moet minnen!

************


IK DRONG BINNEN, WAAR IK NIET WIST

(Ofschoon dit gedicht enkele zeer mooie regels bevat, is het als geheel een van de minst ‘poëtische’ die Sint-Jan geschreven heeft. Op zeer abstracte wijze behandelt het een moeilijk onderwerp, beeldspraak komt er niet in voor en alle lyriek is geweerd. Het belang van het gedicht ligt in de typische uitdrukkingen, waardoor het werk van Sint-Jan gekenmerkt wordt, en in het algemene thema, dat hem zo dierbaar was. Verschillende strofen zouden als titel kunnen fungeren van hoofdstukken uit de ‘Bestijging’ of de ‘Nacht’. Zij vormen een lofzang op het geloof en zijn als het ware een litanie, die de wijsheid van God verheerlijkt, waardoor de wijzen van deze wereld beschaamd worden. In dit gedicht en ook in de volgende, vooral in de romances, neemt Sint-Jan een of meer regels over van een bestaand gedicht of ook van een bekend straatliedje (‘copla’). Deze profane tekst past hij dan toe op het goddelijke (‘a lo divino’).

Strofen, gedicht na een geestverrukking van hoge beschouwing

(Vóór 1584)

Entréme, donde no supe,

y quedéme no sabiendo,

toda ciencia trascendiendo.

Ik drong binnen, waar ik niet wist,

en bevond me in een niet-weten,

alle weten overstijgend.

Yo no supe dónde entraba,

pero, cuando allí me vi,

sin saber dónde me estaba,

grandes cosas entendí;

no diré lo que sentí,

que me quedé no sabiendo,

toda ciencia trascendiendo.

Ik wist niet waarlangs ik inging,

maar toen ik zag dat ik daar wás,

zonder dat ik wist waar ergens,

kreeg ik zicht op grote dingen;

toch uit ik niet wat ik zag;

want ik bleef in een niet-weten,

alle weten overstijgend.

De paz y de piedad

era la ciencia perfecta,

en profunda soledad

entendida, vía recta;

era cosa tan secreta,

que me quedé balbuciendo,

toda ciencia trascendiendo.

Vrede en vroomheid ging ze aan,

deze zeer volkomen kennis,

in de diepste eenzaamheid

zonder middel aangeworven;

en het was iets zo verborgens,

dat ik er slechts van kan staam’len,

alle weten overstijgend.

Estaba tan embebido,

tan absorto y ajenado,

que se quedó mi sentido

de todo sentir privado,

y el espíritu dotado

de un entender no entendiendo,

toda ciencia trascendiendo.

Zó zeer was ik opgetogen,

zo verdiept en zo van zinnen,

dat mijn zelfbesef ontledigd

achterbleef van alle ervaren

en de geest verrijkt werd met een

door-niet-te-verstaan begrijpen,

alle weten overstijgend.

El que allí llega de vero,

de sí mismo desfallece;

cuanto sabía primero,

mucho bajo le parece;

y su ciencia tanto crece,

que se queda no sabiendo,

toda ciencia trascendiendo.

Wie daartoe geraakt – ja waarlijk –

houdt zichzelf niet meer in handen;

wat tot dán hij heeft geweten

komt hem voor als zeer onedel;

en zo machtig groeit zijn kennis,

dat hij blijft in een niet-weten,

alle weten overstijgend.

Cuanto más alto se sube,

tanto menos se entendía,

que es la tenebrosa nube  Ex. 14

que a la noche esclarecía;

por eso quien la sabía

queda siempre no sabiendo,

toda ciencia trascendiendo.

Stijgt men hoger, des te minder

kan men er begrip van krijgen,

wat het is: die duist’re wolkzuil  Ex. 14

die de donk’re nacht verheldert;

wie eens van dit weten weet had,

blijft dan ook in een niet-weten,

alle weten overstijgend.

Este saber no sabiendo

es de tan alto poder,

que los sabios arguyendo

jamás le pueden vencer;

que no llega su saber

a no entender entendiendo,

toda ciencia trascendiendo.

En dit niet-wetende weten

is van een zo hoog vermogen,

dat de wijzen met hun denkkracht

het nooit kunnen overtreffen;

nooit bereikt hun weten dit

door-niet-te-verstaan begrijpen,

alle weten overstijgend.

Y es de tan alta excelencia

aqueste sumo saber,

que no hay facultad ni ciencia

que le puedan emprender;

quien se supiere vencer

con un no saber sabiendo,

irá siempre trascendiendo.

Van zo hoge uitnemendheid ook

is dit allerhoogste weten,

dat er wetenschap noch geestkracht

is, die dit bewerken kan;

wie zichzelf ertoe kan brengen

door-niet-te-verstaan te weten,

zal steeds meer hierin doordringen.

Y, si lo queréis oír,

consiste esta suma ciencia

en un subido sentir

de la divinal esencia;

es obra de su clemencia

hacer quedar no entendiendo,

toda ciencia trascendiendo.

En als ’t u belieft te horen:

d’aard van deze hoge kennis

is een allerhoogst besef

van het Wezen van de Godheid;

’t is het werk van haar erbarmen

als Zij alle weten in dit

niet-weten doet overstijgen.


********

IK LEEF, MAAR NIET IN MIJZELF

(Op dit volksrefrein schreef Sint-jan een gedicht, dat ook ons nog iets doet. Alle geleerdheid blijft hier achterwege, Uit deze strofen spreekt een intens lijden, dat zich uit in hartstochtelijke klachten en smeekbeden. Het is als het ware een stroom, die in de smart van de Heilige ontspringt, geleidelijk verzwakt en zacht weg-ebt en tot rust komt in de laatste versregels.)

Verzen van een ziel, die smartelijk uitziet naar de aanschouwing van God

(Vóór 1584)

Vivo sin vivir en mí,

y de tal manera espero,

que muero porque no muero.

Ik leef, maar niet in mijzelf,

en mijn hop en is zo hunk’rend,

dat ik sterf van niet te sterven.

En mí yo no vivo ya,

y sin Dios vivir no puedo;

pues sin él y sin mí quedo,

este vivir ¿qué será?

Mil muertes se me hará,

pues mi misma vida espero,

muriendo porque no muero.

Ik leef, maar niet in mijzelf

In mijzelf leef ik niet meer,

zonder God kan ik niet leven;

zonder Hem toch ben ‘k mijzelf niet.

Wat betekent zulk een leven?

Duizend doden doet het me aan,

want mijn leven zelf verhunkert

en het sterft van niet te sterven.

Esta vida que yo vivo

es privación de vivir;

y así es continuo morir

hasta que viva contigo.

Oye, mi Dios, lo que digo;

que esta vida no la quiero;

que muero porque no muero.

Zo te leve’als ik moet leven

is alsof men ’t leven derft

en een sterven zonder einde,

totdat ik bij U mag leven.

Wil, mijn God, mijn woord aanhoren:

dat ik van dit leven áf wil

en ik sterf van niet te sterven.

Estando absente de ti,

¿qué vida puedo tener,

sino muerte padecer,

la mayor que nunca vi?

Lástima tengo de mí,

pues de suerte persevero,

que muero porque no muero.

Moet ik leven ver van U,

wat voor leven is dat dan?

Sterft men niet veeleer een dood

erger nog dan ik ooit zag?

Deernis heb ik met mijzelf,

nu ik zo moet blijven leven

en ik sterf van niet te sterven.

El pez que del agua sale

aun de alivio no carece,

que en la muerte que padece,

al fin la muerte le vale.

¿Qué muerte habrá que se iguale

a mi vivir lastimero,

pues si más vivo más muero?

Zelfs een vis die buiten water

raakt, zal álle troost niet derven;

in de dood die hij moet sterven

vindt hij toch nog baat tenslotte.

Maar wat dood is vergelijkbaar

met mijn deerniswekkend leven,

waar méér leven méér doet sterven?

Cuando me pienso aliviar

de verte en el Sacramento,

háceme más sentimiento

el no te poder gozar;

todo es para más penar

por no verte como quiero,

y muero porque no muero.

Denk ik troost te vinden door

U in ’t Sacrament te schouwen,

dan berokkent mij nóg meer leed,

dat ik U niet smaken kan;

alles toch verzwaart mijn leed,

daar ‘k U zien wil en niet zie,

en ik sterf aan mijn niet-sterven.

Y si me gozo, Señor,

con esperanza de verte,

en ver que puedo perderte

se me dobla mi dolor;

viviendo en tanto pavor

y esperando como espero,

muérome porque no muero.

En verlustig ik mij, Heer,

in de hoop U te aanschouwen,

dan verdubbelt het besef dat

‘k U verliezen kan mijn smart;

waar ik leef in zulk een vrees

en verlang met zo’n verlangen,

ga ik dood aan mijn niet-sterven.

Sácame de aquesta muerte,

mi Dios, y dame la vida;

no me tengas impedida

en este lazo tan fuerte;

mira que peno por verte,

y mi mal es tan entero,

que muero porque no muero.

Haal mij weg vanuit dit sterven,

o mijn God, en geef mij ’t leven;

wil mij niet gevangen houden

in een strik zo sterk als deze;

‘k lijd om U te zien, bedenk het:

mijn ellende is zo volkomen,

dat ik sterf aan mijn niet-sterven.

Lloraré mi muerte ya,

y lamentaré mi vida,

en tanto que detenida

par mis pecados está.

¡Oh mi Dios!, ¿cuándo será

cuando yo diga de vero:

vivo ya porque no muero?

Nu beween ik reeds mijn dood

en bejammer ook mijn leven

in zoverre het nog standhoudt

ter oorzake van mijn zonden.

O mijn God, wanneer dan toch,

wanneer moge ik waarlijk zeggen.

Nu ik niet meer sterf, nú leef ik!

*******


NA EEN WAAGSTUK VAN MIJN LIEFDE

(Dit gedicht is ontstaan in een van de meest actieve periodes in het leven van Sint-Jan. Het zegt ons, waar het beste deel van zijn wezen vertoefde. Wij zitten hier midden in de poëzie. -In krachtige en zinrijke beelden wordt gesproken over volstrekt inwendige genaden. De vier strofen vormen een verdere uitwerking van de vier eerste versregels. Zij leren ons de noodzakelijkheid van zelfverloochening als wij tot God willen komen, de voorrang van de liefde die moet steunen op het geloof, de paradox van de verheffing door de vernedering, en in de laatste strofe – door de heilige Theresia van het Kind Jesus onsterfelijk geworden -de grote macht van de hoop en van de gaven van de Heilige Geest. De hele inhoud van het gedicht draagt het stempel van Sint-Jan van het Kruis. Deze verzen zijn zo zuiver karmelietaans, dat ze onder duizend andere gedichten gemakkelijk te herkennen zijn.)

Een ander gedicht van goddelijke inspiratie

(Vóór 1584)

Tras de un amoroso lance,

y no de esperanza falto,

volé tan alto, tan alto,

que Ie di a la caza alcance.

Na een waagstuk van mijn liefde

– ‘k had de hoop niet opgegeven –

vloog ik op, zo hoog, zo hoog,

dat ik haalde wat ik. najoeg.

Para que yo alcance diese

a aqueste lance divino,

tanto volar me convino

que de vista me perdiese;

y, con todo, en este trance

en el vuelo quedé falto;

mas el amor fué tan alto,

que le di a la caza alcance.

Om te kunnen komen tot dit

godd’lijk avontuur van liefde,

moest mijn opvlucht zo intens zijn,

dat ik van mijzelf geen weet hield;

en tóch bleef ik in gebreke

in mijn alles wagende opvlucht;

maar zo hoog streefde mijn liefde,

dat ik haalde wat ik najoeg.

Cuando más alto subía

deslumbróseme la vista,

y la más fuerte conquista

en oscuro se hacía;

mas, por ser de amor el lance,

di un ciego y oscuro salto,

y fui tan alto, tan alto,

que Ie di a la caza alcance.

En naarmate ik hoger opsteeg,

werd het voor mijn oog verblindend;

en het allerhoogst-bereikte

maakte ik buit in ’t diepste duister;

maar daar liefde het waagstuk opriep,

nam ik blind een sprong in ’t duister

en kwam uit zo hoog, zo hoog,

dat ik haalde wat ik najoeg.

Cuanto más alto llegaba

de este lance tan subido,

tanto más bajo y rendido

y abatido me hallaba;

dije: No habrá quien alcance;

y abatíme tanto, tanto,

que fui tan alto, tan alto,

que Ie di a la caza alcance.

Even hoog, als dit verheven

avontuur mij opgevoerd had,

even laag en diep verslagen

en ontdaan liet het mij achter;

ik zei: Niemand kan dat halen;

en ik dook zo diep de diepte in,

dat ik hoog de hoogte inging,

en ik haalde wat ik najoeg.

Por una extraña manera

mil vuelos pasé de un vuelo,

porque esperanza de cielo

tanto alcanza cuanto espera;

esperé sólo este lance,

y en esperar no fui falto,

pues fui tan alto, tan alto,

que Ie di a la caza alcance.

Op een wonderlijke wijze

won ’t één vlucht van duizend vluchten:

daar de hoop op hemels leven

zoveel als zij hoopt, bemachtigt;

deze kans alleen verhoopte ik

en mijn hoop werd niet bedrogen,

want ik kwam zo hoog, zo hoog,

dat ik haalde wat ik najoeg.

*******


EEN HERDERSKNAAP

(Dit is weer zeer zuivere poëzie. De vorm van hel gedicht is volmaakt. Het gemoed blijkt zo sterk aangesproken, dat wij ons mogen afvragen, onder invloed van welke genade dit meesterwerk geschreven werd. In een biografie van Sint-Jan van .het Kruis vinden wij hieromtrent een vage aanduiding. De schrijver, Pater Alphonsus van de Moeder Gods, verhaalt hoe Sint-Jan bij het beschouwen van Christus aan het kruis door een smartelijke extase werd aangegrepen. Hij schreef toen enige verzen, waarin hij uiting gaf aan de pijn die hij ondervond, toen hij Christus zijn leven zag geven voor de zielen. Mogen wij deze gebeurtenis in verband brengen met de ‘Herdersknaap’? In alle geval is duidelijk, dat dit gedicht ons een bladzijde biedt uit het leven van Sint-Jan. Dat het naar de vorm geïnspireerd is op de herderszangen, die toen in de mode waren, is van weinig belang. De Heilige openbaart hier iets van het diepste van zijn ziel. De handeling beperkt zich tot het wezenlijke. De ‘Herdersknaap’ bewijst de onjuistheid van het gerucht, dat Sint-Jan van het Kruis abstract, taai en ongevoelig is.)

Lofzang van goddelijke inspiratie  op Christus en de ziel

(1582-1584)

Un pastorcico solo está penado,

ajeno de placer y de contento,

y en su pastora puesto el pensamiento,

y el pecho del amor muy lastimado.

Een herdersknaap, alleen en ongelukkig,

– niets was hem wel en niets kon hem bekoren –

was bij zijn herderin met zijn gedachten

en met zijn hart, gepijnigd door de liefde.

No llora par haberle amor llagado,

que no le pena verse así afligido,

aunque en el corazón está herido;

mas llora por pensar que está olvidado.

Hij treurde niet, omdat de liefde hem kwelde,

het hinderde hem ook niet dat hij pijn had,

al was hij dan ook diepgewond van harte, –

maar treuren deed hij, daar hij werd vergeten.

Que sólo de pensar que está olvidado

de su bella pastora, con gran pena

se deja maltratar en tierra ajena,

el pecho del amor muy lastimado.

Want de gedachte alleen te zijn vergeten

door zijn bevall’ge herderin bewoog hem

zich af te laten beulen in den vreemde,

omdat zijn hart gepijnigd werd door liefde.

Y dice el pastorcico:  ¡Ay, desdichado

de aquel que de mi amor ha hecho ausencia,

y no quiere gozar la mi presencia!,

y el pecho por su amor muy lastimado.

De jonge herder spreekt: Wee de onzaal’ge

die haar afkerig maakte van mijn liefde en

niet wil dat zij haar lust vindt in mijn bijzijn

en aan mijn borst die om haar liefde wond is,

Y a cabo de un gran rato se ha encumbrado

sobre un árbol, do abrió sus brazos bellos,

y muerto se ha quedado asido de ellos,

el pecho del amor muy lastimado.

Na lange, lange tijd is hij gestegen

hoog op een boom, oop’nend zijn schone armen,

en daaraan hangend is hij doodgebleven,

zijn borst ten eind gepijnigd door de liefde.

***********


AL IS ZIJ NACHTLIJK

(Ook dit gedicht is ontstaan in de duistere kerker van Toledo. De geschiedenis verhaalt ons, hoe Sint-Jan geboeid was door het leven van God, Vader, Zoon en Heilige Geest, in de zielen der rechtvaardigen. Hij las graag de Mis van de Allerheiligste Drie-eenheid en sprak over Haar met zo’n vuur, dat de toegesprokene niet onverschillig kon blijven. Dikwijls bleef hij ’s nachts urenlang

waken bij het tabernakel. Dit alles vindt. zijn echo in onderstaand gedicht. Nooit zal men genoeg kunnen wijzen op de overheersende en beslissende rol die het geloof in het leven van Sint-Jan van het Kruis speelde, en op de plaats die het in zijn leer inneemt. Ook in dit gedicht komt dit weer tot uiting.)

Gezang van een ziel die blij is God door het geloof te kennen

(1578)

Que bien sé yo la fonts que mana y corre,

aunque es de noche.

Of ik de Bron ook ken! haar wellen en haar stromen,

al is Zij nachtlijk!

Aquella eterna fonte está escondida,

que bien sé yo dó tiene su manida,

aunque es de noche.

Die eeuwig-zijnde Bronaar stroomt verholen,

toch weet ik waar haar stroombed ligt verscholen,

al is Zij nachtlijk.

Su origen no lo sé, pues no le tiene,

mas sé que todo origen de ella viene,

aunque es de noche.

‘k Weet haar begin niet, daar Zij niet ontstaan is,

wel, dat van Haar, wat aanvangt, uitgegaan is,

al is Zij nachtlijk.

Sé que no puede ser cosa tan bella,

y que delos y tierra beben de ella,

aunque es de noche.

‘k Weet dat, waar er geen ding zo schoon en klaar is,

voor aarde en hemel lafenis in Haar is,

al is Zij nachtlijk.

Bien sé que suelo en ella no se halla,

y que ninguno puede vadealla,

aunque es de noche.

Ik weet dat er geen grond in is te ontdekken,

en dat geen mens haar waat’ren door kan trekken,

al is Zij nachtlijk.

Su claridad nunca es oscurecida,

y sé que toda luz de ella es venida,

aunque es de noche.

Nooit wordt haar klaarheid mat van enig duister;

van Haar krijgt- weet ik – alle licht zijn luister,

al is Zij nachtlijk.

Sé ser tan caudalosos sus corrientes,

que infiernos, cielos riegan y las gentes,

aunque es de noche.

‘k Weet dat haar stromen zoveel water schenken,

dat zij de hemel, hel en mensen drenken,

al is Zij nachtlijk.

El corriente que nace de esta fuente

bien sé que es tan capaz y omnipotente,

aunque es de noche.

En van de stroom/ aan deze Bron onttogen,

ken ik de almacht en het groot vermogen,

al is Zij nachtlijk.

El corriente que de estas dos procede

sé que ninguna de ellas le precede,

aunque es de noche.

‘k Weet dat de stroom die uit die beide ontstaan is,

geen van beide toch voorafgegaan is,

al is Zij nachtlijk.

Aquesta eterna fonte está escondida

en este vivo pan por darnos vida,

aunque es de noche.

Verborgen stroomt die Bron van eeuwig leven

in ’t levend brood om leve’ aan ons te geven,

al is Zij nachtlijk.

Aquí se está, llamando a las criaturas,

y de esta agua se hartan, aunque a oscuras,

porque es de noche.

Hierheen roept het de schepselen en zij vinden

er water voor hun dorst, zij ’t in den blinde,

want Zij is nachtlijk.

Aquesta viva fuente que deseo,

en este pan de vida yo la veo,

aunque es de noche.

Die Bron van leven, waarheen al mijn streven

zich richt, aanschouw ik in dit brood van leven,

al is Zij nachtlijk.

********


ROMANCES OP DE DRIE-EENHEID EN OP CHRISTUS

(Toledo, kerker, 1578)

ROMANCE 1

(De romance is een verhalend gedicht, een soort ballade, in de vorm van een eenvoudig volkslied over een aandoenlijk of avontuurlijk onderwerp. Deze romances zijn waarschijnlijk ‘maakwerk op bekende populaire wijzen om door de kloostergemeente – wellicht tijdens de gezamenlijke ontspanningstijd – te worden gezongen. De eerste romance vormt een parafrase van het begin van het Joannes-Evangelie. De eerste versregel, woordelijk aan het Evangelie ontleend, beheerst het hele gedicht. Bijna alle werkwoorden staan in de verleden tijd; dit omwille van het rijm of minstens van de assonantie. Maar klaarblijkelijk moet aan deze verleden tijd geen tijdelijke betekenis worden toegekend. [Deze opmerking geldt ook voor de andere romances.j – De eerste romance bezingt het innerlijk leven van God, een mysterie, waarmee de contemplatieve ziel van Sint-Jan van het Kruis gewoon was zich te voeden. – Het is een zeer abstract gedicht, maar als tegenwicht biedt Sint-Jan ons in de laatste regels een uitzicht op een der rijkste aspecten van het leven van de ene God in drie Personen.)

Op het Evangelie ‘In principio erat Verbum’,

over de Allerheiligste Drie-eenheid

En el principio moraba

el Verbo, y en Dios vivía,

en quien su felicidad

infinita poseía.

El mismo Verbo Dios era,   Jo. 8 : 25

que el principio se decía;

él moraba en el principio,

y principio no tenía.

El era el mismo principio;

par eso de él carecía.

El Verbo se llama Hijo,

que del principio nacía;

hale siempre concebido

y siempre le concebía;

dale siempre su sustancia,

y siempre se la tenía.

Y así, la gloria del Hijo

es la que en el Padre había;

y toda su gloria el Padre

en el Hijo poseía.

Como amado en el amante

uno en otro residía,

y aquese amor que los une

en lo mismo convenía

con el uno y con el otro

en igualdad y valía.

Tres Personas y un amado

entre todos tres había,

y un amor en todas ellas

y un amante las hacía,

y el amante es el amado

en que cada cual vivía;

que el ser que los tres poseen,

cada cual le poseía,

y cada cual de ellos ama

a la que este ser tenía.

Este ser es cada una,

y éste solo las unía

en un inefable nudo

que decir no se sabía;

por lo cual era infinito

el amor que las unía,

porque un solo amor tres tienen,

que su esencia se decía;

que el amor cuanto más uno,

tanto más amor hacía.


In den beginne woonde

het Woord: het leefde in God,

en in Hem bezat het

zijn eindeloos geluk.

Het woord was zelve God,    Jo. 8 : 25

want het heette ‘Albegin’;

het woonde in den beginne

en had zelf geen begin.

Hij zelve was Begin;

daarom dierf Hij begin:

geboren van de Oorsprong,

heet het Woord ‘de Zoon’.

Altijd had Hij het ontvangen

en ontvangt het altijd weer;

altijd geeft Hij het zijn wezen

en behoudt het daarbij zelf.

Zo is de glorie van de Zoon

dezelfde die de Vader heeft,

en gans zijn glorie heeft de Vader

gelegd in Hem, zijn Zoon.

Evenals beminde en minnaar

zo woont elk van Beiden in de Ander,

en de liefde die Hen één maakt

is volkomen eender minnen,

waarbij de éne die van de Ander

evenaart in kracht en wezen:

Drie Personen, en toch is er

onder Haar slechts één beminde.

En in Haar: die éne liefde

en een Minnaar die ze voortbrengt,

en de Minnaar is ’t beminde,

waarin elk van Haar het zijn heeft.

’t Zijn toch dat de Drie bezitten

is aan elk van Drieën eigen;

en elkéén der Drie omvat in

minne wat haar zijn in Zich heeft.

Dit zijn is aan elk eenmalig,

en dit zijn alleen verenigt

Haar in een onzegbaar één-zijn.

waar geen woord voor is te vinden.

Zo dan is oneindig groot de

liefde die Haar heeft verbonden,

wijl in Drie een ene liefde

die haar wezenheid bepaald heeft;

liefde immers is méér liefde

naar de mate dat zij één is.


ROMANCE 2

(In dit gedicht laat Sint-Jan van het Kruis de tekst van het Evangelie los om meer zijn eigen inspiratie te volgen. Slechts een theoloog, die diep in de Heilige Schrift is doorgedrongen, kon dit gedicht schrijven. Wanneer wij het wilden verklaren, zouden wij bij bijna elke strofe moeten verwijzen naar een of andere passage uit de ‘Summa Theologica’. De Vader heeft de Zoon en al het geschapene lief in de Heilige Geest,. en Hij heeft het geschapene lief in zover het geschapen is naar zijn eigen beeld, zijn Zoon. Er bestaan geen twee liefdes in God. Met een en dezelfde liefde bemint Hij zijn Zoon en de wezens die Hij

naar zijn beeld geschapen heeft.)

Over de onderlinge gemeenschap van de drie Personen

En aquel amor inmenso

que de los dos procedía,

palabras de gran regalo

el Padre al Hijo decía,

de tan profundo deleite,

que nadie las entendía;

sólo el Hijo lo gozaba,

que es a quien pertenecía.

Pero aquello que se entiende,

de esta manera decía:

Nada me contenta, Hijo,

fuera de tu compañía,

y, si algo me contenta,

en ti mismo lo quería.

El que a ti más se parece,

a mi más satisfacía,

y el que nada te semeja,

en mi nada hallaría.

En ti sólo me he agradado,

¡oh vida de vida mía!

Eres lumbre de mi lumbre,

eres mi sabiduría;

figura de mi sustancia,

en quien bien me complacía.

Al que a ti te amare, Hijo,

a mí mismo le daría,

y el amor que yo en ti tengo,

ese mismo en él pondría,

en razón de haber amado

a quien yo tanto quería.


In die mateloze liefde,

die haar oorsprong heeft in Beiden,

zeide tot de Zoon de Vader

woorden van groot welbehagen

vanuit een gelukservaring

zo diep, dat geen mens ze waarneemt;

maar alleen de Zoon doorproeft ze,

daar ze alleen tot Hem gericht zijn.

Maar tóch: wat zich laat begrijpen

vindt zijn weergave in de woorden:

In niets stel Ik mijn welbehagen,

Zoon, dan enkel in uw bijzijn.

En indien Mij al iets aanstaat,

heb Ik het toch lief in U en

hij die meer gelijkt op U is

aan Mij des te aangenamer.

En wie niets met U gemeen heeft,

zal ook niets in Mij ontdekken.

Slechts in U schep Ik behagen,

o Gij, leven van mijn leven!

Gij zijt licht van wat mijn licht is

en Gij zijt van Mij de wijsheid,

Gij, de beelt’nis van mijn wezen,

waarin Ik Mijzelf verlustig.

Zoon, degene die U liefheeft,

hem zal Ik Mijzelven geven,

en de liefde die ‘k U toedraag,

zal Ik op hem overdragen

om de liefde die hij heeft voor

Hem, die Ik zo innig liefheb.


ROMANCE 3

(In zijn eerste brief schreef de apostel Joannes: ‘Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verkondigen wij ook u, opdat gij gemeenschap moogt hebben met ons: en onze gemeenschap is er een met de Vader en met Jesus Christus, zijn Zoon’ [1Jo. 1: 3j. Het begin van onderstaand gedicht herinnert sterk aan deze tekst. Het doel, dat God bij de schepping van de mens voor ogen stond, was: hem deelachtig te maken aan zijn goddelijke natuur [‘het brood te eten aan de dis, waar Ik hetzelfde brood eet’j en hem in staat te stellen God te verheerlijken omwille van zijn oneindige goedheid. Dit is de inhoud van deze romance, waarvan alle versregels geladen zijn met een diepe theologische betekenis.)

Over de schepping

Una esposa que te ame,

mi Hijo, darte quería,

que por tu valor merezca

tener nuestra compañía,

y comer pan a una mesa,

del mismo que yo comía,

por que conozca los bienes

que en tal Hijo yo tenía,

y se congracie conmigo

de tu grada y lozanía.

Mucho lo agradezco. Padre,

el Hijo le respondía;

a la esposa que me dieres,

yo mi claridad daría,

para que par ella vea

cuánto mi Padre valía,

y cómo el ser que poseo

de su ser le recibía.

Reclinarla he yo en mi brazo,

y en tu amor se abrasaría,

y con eterno deleite

tu bondad sublimaría.


Een in liefde aan U verloren

bruid, mijn Zoon, mocht Ik U geven,

die om uwentwil verdiende

in ons samenzijn te delen.

En het brood te eten aan de

dis, waar Ik hetzelfde brood eet,

opdat zij de schatten kenne,

die Mij in mijn Zoon behoren,

en zij met Mij dinge naar de

gunst van U en naar uw luister.

Ik ben U zeer dankbaar, Vader,

gaf de Zoon aan Hem ten antwoord:

aan de bruid die Gij Mij geven

gaat, zal Ik mijn luister schenken.

Daaraan moge zij erkennen

wat de waarde is van mijn Vader

en hoe Ik mijn eigen aanzijn

van zijn aanzijn heb ontvangen.

Op mijn arm laat Ik haar leunen

en opgaan zal ze in uw liefde,

en in eeuwige genieting

zal zij uw goedheid verheffen.


ROMANCE 4

(Beweren wij te veel, wanneer wij zeggen, dat deze romance in enkele strofen een prachtige synthese schetst van de hele theologie van de Kerk? De Kerk daarboven en hierbeneden is een want engelen en mensen zijn een in de U liefde van de ene Bruidegom, Christus. In de hemel werden de engelen definitief in hun gelukzalige eenheid met God bevestigd. Op aarde voltrekt het werk van God zich geleidelijk, ondanks menselijke zwakheid en zelfs menselijke schuld. Maar de aankondiging van de menswording en de verlossing brengt licht in de nood van de wereld: alles zal in Christus hersteld worden. Door zijn offer zal Hij alles tot eenheid brengen. In de vreemde verscheidenheid van haar leden zal de Kerk haar eenheid vinden. Tenslotte keert de schepping, die in God. haar oorsprong gevonden heeft, in de schoot van de Vader terug, waar zij het leven van God zelf zal leven.)

Vervolg over de schepping

Hágase pues, dijo el Padre,

que tu amor lo merecía;

y en este dicho que dijo,

el mundo criado había,

palacio para la esposa,

hecho en gran sabiduría;

el cual en dos aposentos,

alto y bajo, dividía.

El bajo de diferencias

infinitas componía;

mas el alto hermoseaba

de admirable pedrería,

par que conozca la esposa

el Esposo que tenía.

En el alto colocaba

la angélica jerarquía;

pero la natura humana

en el bajo la ponía,

por ser en su compostura

algo de menor valía.

Y aunque el ser y los lugares

de esta suerte los partía,

pero todos son un cuerpo

de la esposa que decía;

que el amor de un mismo Esposo

una esposa los hacía.

Los de arriba poseían

el Esposo en alegría;

los de abajo, en esperanza

de fe que les infundía,

diciéndoles que algún tiempo

el los engrandecería,

y que aquella su bajeza

él se la levantaría,

de manera que ninguno

ya la vituperaría;

porque en todo semejante

él a ellos se haría,

y se vendría con ellos,

y con ellos moraría;

y que Dios sería hombre,

y que el hombre Dios sería,

y trataría con ellos,

comería y bebería;

y que con ellos contino

él mismo se quedaría,

hasta que se consumase

este siglo que corría,

cuando se gozaran juntos

en eterna melodía.

Porque él era la cabeza

de la esposa que tenía,

a la cual todos los miembros

de los justos juntaría,

que son cuerpo de la esposa,

a la cual él tomaría

en sus brazos tiernamente,

y allí su amor la daría;

y que, así juntos en uno,

al Padre la llevaría,

donde del mismo deleite

que Dios goza, gozaría.

Que, como el Padre y el Hijo,

y el que de ellos procedía,

el uno vive en el otro,

así la esposa sería,

que, dentro de Dios absorta,

vida de Dios viviría.


Zo geschiede, sprak de Vader,

daar uw liefde het verdiend heeft;

en door dit woord dat Hij uitsprak,

had Hij de aarde reeds geschapen;

een de bruid bestemd paleis had

Hij gemaakt in grote wijsheid;

en Hij deelde ’t in twee ruimten:

een omhoog en een beneden.

De benedenste bestond uit

eind’Ioos veel verscheidenheden;

maar het bovenste verfraaide

Hij met wondere juwelen.

Om de bruid wel te doen weten

van wat Bruidegom zij was,

deed Hij in die hoogte wonen

de hiërarchie der eng’len.

In de laagte echter plaatste

Hij de mens’lijke natuur die

in haar samengesteld wezen

van wat minder waarde zijn zou.

En al deelde Hij de zijnden

naar hun woonplaats zo in tweeën,

samen vormden zij het ene

lichaam van de bruid die zeide:

Zie, de liefde van de Ene en

zelfde Bruigom maakt hen tot de

ene bruid: die van-omhoog zijn

in ’t bezit van Hem in blijdschap;

die omlaag nog in de hoop vanuit

geloof, die Hij hen instort,

als Hij zegt dat Hij hen eenmaal

hemelhoog Zelf zal verheffen.

Ook: dat Hij hunne geringheid

Zelf zodanig zal verheffen,

dat er niemand meer zal wezen

die nog iets in haar kan laken;

want Hij zal Zichzelf in alles

aan de mens gelijk gaan maken,

en hun lasten met hen dragen

en hun leven met hen leiden.

En dat God Zelf mens zal worden

en de mens als God zal wezen

en Hij met hen zal verkeren,

met hen eten, met hen drinken.

En dat Hij onafgebroken

onder hen zal blijven wonen,

tot de tijd, waarin wij leven,

tot voltooiing is gekomen.

Dan, vereend, gaan zij elkander

eeuwig-melodieus genieten;

want als hoofd is Hij voltooiing

voor de bruid die Hij Zich aanwierf.

In die bruid zal Hij verenen

de gerechten alle, als leden:

zij toch zijn het bruid’lijk lichaam,

dat Hij teder en vol liefde,

in zijn armen op zal nemen

en aldaar zijn liefde schenken,

en zo, met Hem een geworden,

tot zijn Vader op zal voeren.

Daar zal zij zich in dezelfde

lust, als God geniet, verlust’gen.

Want zoals de Vader en de

Zoon en Hij die uit hen voortkomt,

in elkander leven: d’Ene

in de Ander, zo ook zal de

bruid zijn die in God verloren

’t leven van God zelf zal leven.


ROMANCE 5

(Bij de vorige romances was de theologie de inspiratrice; hier staat zij haar plaats af aan de Heilige Schrift. In de marge verwijzen wij telkens naar de aangehaalde teksten. Het einde van de romance geeft de tekst uit de eerste brief van Joannes: ‘Hetgeen was van den beginne, wat vrij hebben gehoord en met eigen ogen gezien, wat wij hebben aanschouwd en onze handen hebben aangeraakt van het Woord des levens … ‘ [1 Jo. 1 :1j. De verscheidenheid van Bijbelteksten stelt de eenheid van het gedicht slechts helderder in het licht. Over het gedicht gaat als het ware een adem van verwachting-ondanks-alles, die verlicht wordt door het geloof.)

Vervolg

Con esta buena esperanza

que de arriba les venía,

el tedio de sus trabajos

más leve se les hacía;

pero la esperanza larga

y el deseo que crecía

de gozarse con su Esposo

contino les afligía.

Por lo cual con oraciones,

con suspiros y agonía,

con lágrimas y gemidos

le rogaban noche y día

que ya se determinase

a les dar su compañía.

Unos decían:  ¡Oh si fuese     1 Petr. 1, 2

en mi tiempo el alegría!

Otros: ¡Acaba, Señor;             Ex. 4 : 13

al que has de enviar, envía!

Otros:  ¡Oh si ya rompieses    Is. 64 : 1

esos cielos, y vería

con mis ojos que bajases,

y mi llanto cesaría!

¡Regad, nubes, de lo alto,      Is. 45 : 8

que la tierra lo pedía,

y ábrase ya la tierra,

que espinas nos producía.     Gen. 3 :18

y produzca aquella flor           Is. 11 :1

con que ella florecería!

Otros decían:  ¡Oh dichoso

el que en tal tiempo sería,

que merezca, ver a Dios

con los ojos que tenía,            1 Jo. 1 : 1

y tratarle con sus manos,

y andar en su compañía,

y gozar de los misterios

que entonces ordenaría!


Met dit goed van een verwachting,

door de hemel ingegeven,

werd de walg voor ’s levens lasten

lichter voor hen om te dragen.

Maar toch: dit aanhoudend hopen

en dit groeiende verlangen

van de Bruigom te genieten,

bleef hun altijddoor een kwelling.

Daarom is ’t dat met gebeden,

zuchten en soms ware doodsstrijd,

met veel tranen en veel klachten

zij bij dag en nacht Hem smeekten,

dat Hij dan toch mocht besluiten

hun zijn bijzijn te vergunnen.

O, kwam deze vreugde, zeiden

sommigen, nog bij mijn leven!

Anderen: Laat het nu zijn, Heer,

zend Hem die Gij ons wilt zenden.

En weer and’ren: O ontsloten

zich de heemlen en aanschouwde ik

met mijn ogen, hoe Gij neerdaalt;

dan zou ik mijn klagen staken!

Wolken, dauwt vanuit den hoge

Hem naar Wie de aarde uitziet;

open ga de school der aarde,

die ons niet dan doornen voortbracht;

dat aan haar de bloem ontspruite,

waardoor zij in bloei moet raken.

En nog and’ren: O gelukkig

hij die deze tijd beleve’ en

God verdienen mag te aanschouwen

met zijn vleselijke oge’ en

mag verzorgen met zijn handen

en verkeren in zijn bijzijn

en aan de verborgenheden

die Hij leren zal, te gast gaan.


ROMANCE 6

(Deze romance is geïnspireerd op de tekst uit het Evangelie van Sint-Lucas: ‘Nu leefde er in Jerusalem een zekere Simeon, een wetgetrouw en vroom man, die Israëls vertroosting verwachtte, en de Heilige Geest rustte op hem. Hij had een godsspraak ontvangen van de Heilige Geest, dat de dood. hem niet zou treffen, voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd [Lc. 2 ; 25-2. 6j. Het hele gedicht wordt weer beheerst door de hoop, ‘een hoop vanuit geloof, die Hij hen instort, ‘ zoals romance 4 zegt.)

Vervolg

En aquestos y otros ruegos

gran tiempo pasado había;

pero en los postreros años

el fervor mucho crecía,

cuando el viejo Simeón

en deseo se encendía,

rogando a Dios que quisiese

dejalle ver este día.

Y así, el Espíritu Santo

al buen viejo respondía

que le daba su palabra

que la muerte no vería

hasta que la vida viese

que de arriba descendía,

y que él en sus mismas manos

al mismo Dios tomaría,

y le tendría en sus brazos,

y consigo abrazaría.

Met gebede’ als deze en and’re

is een lange tijd verstreken,

maar in d’allerlaatste jaren

groeiden ze aan tot vlammende ijver.

Toen is Simeon, de grijsaard,

zo ontvlamd van groot verlangen,

dat hij God bad hem genadig

deze dag te late’ aanschouwen.

Van de Heil’ge Geest gewerd de

goede grijsaard dan het antwoord,

dat hij niet de dood zou zien vóór

hij het leven had aanschouwd, dat

van omhoog was neergekomen

en dat hij in eigen handen

God Zelf zou ontvange’ en dragen

en Hem in zijn armen houde’ en

aan zich vlijen in omhelzing.


ROMANCE 7

(In deze romance klinkt een merkwaardige opvatting omtrent de menswording door, een opvatting die niet in tegenspraak is met het traditionele motief, maar die de menswording toch onder een interessante gezichtshoek beschouwt. Gods Zoon wordt mens om het schuldige mensdom vrij te kopen, zeker, maar ook om de mens ertoe te brengen God meer lief te hebben, die aan hem gelijk is geworden. De vier laatste regels schetsen het hele verlossingsplan en het eindpunt, waarop het is gericht: de mens moet aan God worden teruggegeven en het plan, dat God had bij de schepping van de mens, moet tot voltooiing worden gebracht.)

Vervolg

De Menswording

Ya que el tiempo era llegado

en que hacerse convenía

el rescate de la esposa,

que en duro yugo servía

debajo de aquella ley

que Moisés dado le había,

el Padre con amor tierno

de esta manera decía:

Ya ves, Hijo, que a tu esposa

a tu imagen hecho había,

y en lo que a ti se parece

contigo bien convenía;

pero difiere en la carne,

que en tu simple ser no había.

En los amores perfectos

esta ley se requería,

que se haga semejante

el amante a quien quería,

que la mayor semejanza

más deleite contenía;

el cual, sin duda, en tu esposa

grandemente crecería

si te viere semejante

en la carne que tenía.

Mi voluntad es la tuya,

el Hijo le respondía,

y la gloria que yo tengo

es tu voluntad ser mía,

y a mí me conviene, Padre,

lo que tu Alteza decía,

porque por esta manera

tu bondad más se vería.

Veráse tu gran potencia,

justicia y sabiduría;

irélo a decir al mundo

y noticia le daría

de tu belleza y dulzura

y de tu soberanía.

Iré a buscar a mi esposa,

y sobre mí tomaría

sus fatigas y trabajos,

en que tanto padecía.

Y por que ella vida tenga,

yo por ella moriría,

y, sacándola del lago,

a ti te la volvería.

Toen de tijd dan was gekomen,

dat naar Gods bestel de vrijkoop

plaats zou vinden van de bruid die

zuchtte in dienstbaarheid onder het

harde juk van de oude wet, haar

eens door Mozes uitgevaardigd,

heeft de Vader Zich gewaardigd

liefdevol aldus te spreken:

Zoon, Gij ziet dat Ik voor U een

bruid gemaakt heb naar uw beelt’nis

die, in zover zij uw beeld is,

passend met U overeenkomt.

Maar ze is anders naar het vlees dat

aan uw enkelvoudig wezen

vreemd is; en volmaakte liefde is

onderhevig aan de wet, dat

de minnende en de beminde

gelijkvormig moeten worden;

en dat groter overeenkomst

des te meer verlust’ging inhoudt.

Deze lust zal, zonder twijfel,

voor uw bruid in hoge mate

groeien, als zij U gelijk ziet

aan zichzelf, in ’t vlees, haar eigen.

Mijn wil is gelijk aan de uwe,

gaf de Zoon van God ten antwoord,

en de glorie aan Mij eigen

is: dat uw en mijn wil een zijn.

Altijd past aan Mij, o Vader,

wat uw Hoogheid heeft verordend;

op die wijze zal uw goedheid

des te klaarder blijkbaar worden,

zal uw grote macht gaan blijken,

uw gerechtigheid en wijsheid.

Tot de wereld ga Ik spreken

om haar een begrip te geven

van uw schoonheid en uw glorie

en uw soevereine almacht.

En Ik zal mijn bruid gaan zoeken

en Ik zal op Mij gaan nemen

al haar moeiten en haar lasten,

waar zij zo van heeft te lijden.

En opdat zij leven moge,

zal Ik voor haar in de dood gaan,

en haar uit de poel opheffend

haar tot U teruggeleiden.


ROMANCE 8

(Toen Pater Andres de la Encarnación sprak van het rustieke karakter van sommige romances, dacht hij zeker niet aan de hier volgende. En mocht hij dit gedicht niet uitgezonderd hebben, dan betrof zijn opmerking toch heel zeker slechts de stijl en niet de leerstellige en poëtische inhoud. Bij lezing ontkomen wij niet aan een diepe bewondering. Het mysterie van de Boodschap wordt met grote eerbied. en schroom beschreven. Het is allemaal precies afgewogen; ieder woord staat op zijn plaats; er hoeft niets meer aan toegevoegd te worden.)

Vervolg

Entonces llamó a un arcángel

que San Gabriel se decía,

y enviólo a una doncella

que se llamaba María,

de cuyo consentimiento

el misterio se hacía;

en la cual la Trinidad

de carne al Verbo vestía.

Y, aunque tres hacen la obra,

en el uno se hacía;

y quedó el Verbo encamado

en el vientre de María.

Y el que tenía sólo Padre,

ya también Madre tenía,

aunque no como cualquiera

que de varón concebía;

que de las extrañas de ella

él su carne recibía,

par lo cual Hijo de Dios

y del hombre se decía.

Daarop riep Hij een aartsengel,

die Sint-Gabriel genoemd werd,

en Hij zond hem naar een meisje,

dat de naam droeg van Maria.

Haar instemming mocht ’t mysterie

tot verwerkelijking brengen,

waarbij de Drieëne Godheid

met het vlees het Woord bekleedde.

En al wrochtten Drie dit wonder,

het voltrok zich aan die Ene;

en het Woord is vlees geworden

in de schoot der Maagd Maria.

Die alleen een Vader kende,

had nu eveneens een Moeder;

maar geen moeder als een ander,

die van een man had ontvangen.

Want van haar lijflijk-inwendig’

heeft Hij zijn lichaam ontvangen;

om die reden noemde Hij Zich

Zoon van God en Zoon des mensen.


ROMANCE 9

(Deze Geboorte doet denken aan de aandoenlijke frisheid van de fresco’s van Fra Angelica. Hoe betreurenswaardig die enkele vormfoutjes ook zijn, zij doen de zuiverheid van de artistieke inspiratie slechts beter tot haar recht komen. – Psalm 18 [v. 6j levert de vergelijking van regel drie en vier: ‘Hij is als een bruidegom die uit de bruidskamer treedt… ‘ De beeldspraak is klassiek: de vereniging van de goddelijke met de menselijke natuur in de ene Persoon van het Woord wordt vaak symbolisch voorgesteld als een huwelijk. Wanneer wij het gedicht goed willen begrijpen, hoeven wij dit slechts voor ogen te houden. – De tegenstelling tussen de vreugde van de mens en de tranen van God kon slechts volledig begrepen worden door haar die ‘alles wat er gebeurd was in haar hart bewaarde’ [Lc. 2 : 51j.)

Over de Geboorte

Ya que era llegado el tiempo

en que de nacer había,

así como desposado

de su tálamo salía,

abrazado con su esposa,

que en sus brazos la traía,

al cual la graciosa Madre

en un pesebre poma,

entre unos animales

que a la sazón allí había.

Los hombres decían cantares,

los ángeles melodía,

festejando el desposorio

que entre tales dos había.

Pero Dios en el pesebre

alii lloraba y gemía,

que eran joyas que la esposa

al desposorio traía.

Y la Madre estaba en pasmo

de que tal trueque veía:

el llanto’ del hombre en Dios,

y en el hombre la alegría,

lo cual del uno y del otro

tan ajeno ser solía.

Toen de tijd tot volheid rijpte

en Hij moest geboren worden,

is Hij als een bruidegom vanuit

zijn bruidsvertrek gekomen.

Innig met zijn bruid verbonden,

daar Hij ze in zijn armen meedroeg,

legde Hem zijn lieve Moeder

in een voederbak voor dieren

tussen een paar redeloze

beesten, bij toeval aanwezig.

Mensen zongen er hun liedjes,

engelen hun melodieën,

om het huwelijk te vieren,

dat twee, zoals die daar, sloten.

Maar die God daar in de kribbe

schreid’ in tranen en in zuchten:

dat toch waren de juwelen

die de bruid ter bruiloft meebracht.

En de Moeder was bij ’t zien van

zulk een ruil stil van verbazing:

in God ’t weedom van de mensen,

in de mensen: Gods verblijden,

waar toch ’t een aan Hem en ’t ander

vreemd aan mensen pleegt te wezen.

Finis


AAN DE OEVERS VAN DE STROMEN

(Ook deze romance is ontstaan in de kerker. Vandaar de toespelingen op de ballingschap van de psalmist? Alle zielen, en vooral de zielen die zich nog verre houden, moeten naar Christus worden gebracht. Misschien biedt het laatste deel de sleutel van het hele gedicht. De psalmist eindigt met een vervloeking van Babylon: ‘Heil hem, die uw kinderen grijpt en tegen de rots te pletter slaat!’ (Ps. 136 : 9). In het gedicht van Sint-Jan van het Kruis moet deze verwensing wijken voor een zegening. Want de rots wordt Christus en er is slechts sprake van een zich-verenigen met Hem. – De psalm en de romance staan even ver van elkaar af als de wet van de vrees en de wet van de liefde.)

Nog- een romance van dezelfde naar aanleiding van ‘Super flumina Babylonis’

(1578)

Encima de las corrientes

que en Babilonia hallaba,

allí me senté llorando,

allí la tierra regaba,

acordándome de ti,

¡oh Sion!, a quien amaba.

Era dulce tu memoria,

y con ella más lloraba.

Dejé los trajes de fiesta,

los de trabajo tomaba,

y colgué en los verdes sauces

la música que llevaba,

poniéndola en esperanza

de aquello que en ti esperaba.

Alii me hirió el amor,

y el corazón me sacaba.

Díjele que me matase,

pues de tal suerte llagaba.

Yo me metía en su fuego,

sabiendo que me abrasaba,

disculpando al avecica

que en el fuego se acababa.

Estábame en mí muriendo,

y en ti sólo respiraba,

en mí por ti me moría,

y por ti resucitaba,

que la memoria de ti

daba vida y la quitaba.

Gozábanse los extraños

entre quien cautivo estaba;

preguntábanme cantares

de lo que en Sión cantaba;

canta de Sión im himno,

veamos como sonaba.

Decid: ¿cómo en tierra ajena,

donde par Sión lloraba,

cantaré yo el alegría

que en Sión se me quedaba?

Echaríala en olvido

si en la ajena me gozaba.

¡Con mi paladar se junte

la lengua con que hablaba,

si de d yo me olvidare,

en la tierra do moraba!

¡Sión, por los verdes ramos

que Babilonia me daba,

de mí se olvide mi diestra,

que es lo que en ti más amaba,

si de ti no’ me acordare,

en lo que más me gozaba,

y si yo tuviere fiesta

y sin ti la festejaba!

¡Oh hija de Babilonia,

mísera y desventurada!

Bienaventurado era

aquel en quien confiaba,

que te ha de dar el castigo

que de tu mano llevaba,

y juntará sus pequeños,

y a mí, porque en ti lloraba,

a la piedra, que era Cristo,

por el cual yo te dejaba.

Aan de oevers van de stromen

die ik vond in Babylon, daar

zette ik mij wenend neder,

daar betraande ik de aarde.

Want ik riep mij u te binnen,

Sion, o! u die ik liefhad.

Zoet was voor mij uw gedacht’nis,

maar zij deed mij nog meer schreien.

Ik trok uit mijn feestgewaden,

deed aan kleren van ellende en

aan de groene wilgen hing ik

’t speeltuig dat ik met mij meedroeg.

‘k Lei het weg in de verwachting

van wat ik in u verwachtte.

Toen verwondde mij de liefde

ginds, ver, en mijn hart begaf mij.

En ik zei: Laat ze mij doden,

die gedacht’nis, die mij foltert.

En ik wierp mij in haar vlammen,

wetend dat zij m’óp zou branden,

’t nemend van de kleine vogel,

dat hij in haar vuur de dood zocht.

In mijzelf toch was ik stervend,

en in u alleen herleefd’ ik.

‘k Stierf in mij om uwentwille

en voor u ben ik verrezen;

de gedachtenis aan u toch

gaf het leve’ en nam het leven.

Blij waren de vreemdelingen

onder wie ‘k als balling leefde.

En ze vroegen naar de zangen

die ‘k in Sion placht te zingen:

Zing ons eens een lied van Sion,

eens horen hoe die klinken.

Maar ik zei: Zou ‘k in den vreemde,

waar ik tranen start om Sion,

kunnen zingen van die vreugde

die ik achterliet in Sion?

Ik zou haar moeten vergeten,

wilde ik als balling blij zijn!

Kleve aan mijn mondgewelf mijn

tong, waarmee ik pleeg te spreken,

als ik u ooit zou vergeten

in het land waar ik moet wonen.

Sion, bij de groene twijgen

die ook Babylon mij schenkt, dat

mij mijn rechterhand vergete

– die m’ in u het meeste waard was –

als ‘k u niet meer zou gedenken

in dat wat mij ’t meest verblijdde;

als ik mij met feesten ophield

en ik buiten u vermaak zocht.

0 gij dochter Babylon, gij

ongelukkige, rampzaalge,

slechts gelukkig is degene

op Wie ik mijn hoop gesteld heb,

die aan u de straf moet geven,

die ik uit uw handen aannam.

En die al zijn kleine kind’ren

en ook mij, die in u schreide,

zal vergaren op de rots die

Christus is, om Wie ‘k u prijsgaf.

Debetur soli gloria vera Deo

********


ZONDER STEUN EN TOCH GEDRAGEN

(Evenals verscheidene andere gedichten van Sint-Jan van het Kruis begint dit gedicht met een refrein, dat door de strofen verder ontwikkeld wordt. Maar het onderscheidt zich van die andere gedichten, doordat ieder van de drie strofen een nadere verklaring is van een van de regels van het refrein. De strofen zijn gewijd aan drie thema’s, die Sint-jan zeer dierbaar waren: van alles afstand doen, geloof, liefde. Geleid door een zuiver aanvoelend geestelijk instinct beschouwde Theresia van Lisieux de laatste strofe – die bijzonder bij haar in de smaak viel – als een van de teksten die het best de geest van Sint-Jan weergeven.)

Toelichting op een volksrefrein,

in goddelijke zin verstaan

(1584-1586)

Sin arrimo y con arrimo,

sin luz y a oscuras viviendo,

todo me voy consumiendo.

Zonder steun en toch gedragen,

zonder licht en in het donker,

raak ik restloos opgeteerd.

Mi alma está desasida

de toda cosa criada,

y sobre sí levantada,

y en una sabrosa vida,

solo en su Dios arrimada.

Por eso ya se dirá

la cosa que más estimo,

que mi alma se ve ya

sin arrimo y con arrimo.

Losgekomen is mijn ziel van

alles wat geschapen is en

uit zichzelf omhooggeheven

en in een voortreflijk leven,

door haar God alleen gedragen.

Nu dan kan zij eind’lijk zeggen:

Wat ik ’t meest van al op prijs stel,

is wat nu mijn ziel gewaar wordt:

zonder steun en toch gedragen.

Y, aunque tinieblas padezco

en esta vida mortal,

no es tan crecido mi mal,

porque, si de luz carezco,

tengo vida celestial;

porque el amor da tal vida,

cuando más ciego va siendo,

que tiene al alma rendida,

sin luz y a oscuras viviendo.

En al doet mij ’t duister lijden

in dit sterfelijke leven,

toch lijd ik niet uitermate:

want al moet ik ’t licht ook derven,

toch leid ik een hemels leven;

want de liefde maakt het leven

zo, dat als het duister toeneemt,

des te meer de ziel zich prijsgeeft,

levend zonder licht in ’t donker

Hace tal obra el amor

después que le conocí,

que, si hay bien o mal en mí,

todo lo hace de un sabor,

y al alma transforma en sí;

y así, en su llama sabrosa,

la cual en mí estoy sintiendo,

apriesa, sin quedar cosa,

todo me voy consumiendo.

Dit nu is het werk der liefde,

nu ik haar heb leren kennen:

of er goed of kwaad is in mij,

zij geeft alles iets voortreflijks,

en de ziel vormt zij in zich om;

en zo in die kostelijke

vlam die ik in mij gewaar word,

zonder enig spoor te laten,

raak ik restloos opgeteerd.

******


NOOIT, OM ALLE SCHOONS TEZAMEN

(Dit is een glosse ‘a lo divino’: een zuiver profaan onderwerp wordt overgebracht naar het plan van de betrekkingen tussen de ziel en God. -Vaker dan op de andere eigenschappen van God komt Sint-jan terug op zijn schoonheid. Alleen het geloof kan tot deze schoonheid doordringen. Maar eerst moet men afstand doen van alle geschapen schoonheid. De goddelijke schoonheid doet ons de smaak voor andere schoonheid verliezen; het hart wordt er zo door overstelpt, dat het door niets meer verontrust kan worden.)

Toelichting op een volksrefrein, in goddelijke zin verstaan

(1584-1586)

Por toda la hermosura

nunca yo me perderé,

sino por un no sé qué

que se alcanza par ventura.

Nooit om alle schoons tezamen

geef ik ooit mijzelven prijs;

wél aan een ik weet niet wat,

waar men per geluk slechts aankomt.

Sabor de bien que es finito,

lo más que puede llegar

es cansar el apetito

y estragar el paladar;

y así, por toda dulzura

nunca yo me perderé,

sino por un no sé qué

que se halla por ventura.

Smaak in dingen die voorbijgaan

komt ten hoogste hierop neer,

dat het de begeerte afmat

en de goede smaak bederft.

Daarom: niet aan al wat zoet is

geef ik ooit mijzelven prijs;

wél aan een ik west niet wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

El corazón generoso

nunca cura de parar

donde se puede pasar,

sino en más dificultoso;

nada le causa hartura,

y sube tanto su fe,

que gusta de un no sé qué

que se halla por ventura.

Een grootmoedig hart bekommert

zich niet of er grenzen zijn,

als het verder kan geraken,

of het moet te moeilijk zijn;

niets kan het tevreden stellen:

zijn geloof toch stijgt zo hoog,

dat het smaakt een ‘k weet met wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

El que de amor adolece,

del divino ser tocado,

tiene el gusto tan trocado

que a los gustos desfallece;

como el que con calentura

fastidia el manjar que ve,

y apetece un no sé qué

que se halla por ventura.

Hij die pijn lijdt door de liefde,

een door ’t goddelijk geraakte,

is zo anders in zijn zinnen,

dat zijn zinnen hem begeven;

als een koortsig mens die walg heeft

van de spijzen die hij ziet

en verlangt een ‘k weet met wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

No os maravilléis de aquesto,

que el gusto se quede tal,

porque es la causa del mal

ajena de todo el resto;

y así, toda criatura

enajenada se ve,

y gusta de un no sé qué

que se halla par ventura.

Wees daarover niet verwonderd,

dat de smaak zo anders wordt;

want de oorzaak van de kwaal

is ook anders dan al ’t and’re;

zo raakt al wat is geschapen

vreemd aan deze nieuwe smaak,

die ervaart sen ‘k weet niet wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

Que, estando la voluntad

de Divinidad tocada,

no puede quedar pagada

sino con Divinidad;

mas, por ser tal su hermosura

que sólo se ve por fe,

gústala en un no sé qué

que se halla par ventura.

Nu de wil geraakt is en

door de Godheid aangegrepen,

kan hij geen bevrediging

vinden dan in God alleen;

maar omdat Gods schoonheid enkel

zichtbaar is voor het geloof,

smaakt hij z’ in een ‘k weet niet wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

Pues, de tal enamorado,

decidme si habréis dolor,

pues que no tiene sabor

entre todo lo criado;

solo, sin forma y figura,

sin hallar arrimo y pie,

gustando al un no sé qué

que se halla por ventura.

Als u op dit ‘wat’ verliefd is,

doet het dan nog, dunkt u, pijn,

dat u geen genot meer vindt

in de schepsels en alleen

zonder vormen, zonder beelden,

zonder steun of vaste voet,

smaakt ver weg een ‘k weet niet wat,

dat slechts goed geluk doet vinden?

No penséis que el interior,

que es de mucha más valía

halla gozo y alegría

en lo que acá da sabor;

mas sobre toda hermosura,

y lo que es y será y fué,

gusta de al un no sé qué

que se halla, por ventura.

Meen niet dat uw wezenskern,

die van zoveel hoger waard’ is,

zijn genoegen vindt en blijdschap

in genot van deze aarde;

maar ver boven al die schoonheid

en wat is, zal zijn of was,

smaakt die een ‘k weet met wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

Más emplea su cuidado,

quien se quiere aventajar,

en lo que está por ganar

que en lo que tiene ganado;

y así, para más altura,

yo siempre me inclinaré

sobre todo a un no sé qué

que se halla por ventura.

Wie zichzelf wil overtreffen,

richte méér zijn zorg op wat

hij voor zich te winnen wenst

dan op wat hij heeft gewonnen;

zo zal ik, ál hoger strevend,

mij steeds dieper nijgen langs

alles heen naar ‘k weet niet wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

Por lo que por el sentido

puede acá comprehenderse,

y todo lo que entenderse,

aunque sea muy subido,

ni par gracia y hermosura

yo nunca me perderé,

sino por un no sé qué

que se halla por ventura.

Niet voor wat de geestvermogens

hier op aarde machtig worden

en voor al wat zij begrijpen,

ook al is het hoogverheven,

voor bevalligheid noch schoonheid

geef ik ooit mijzelven prijs;

wél: voor een ik weet niet wat,

dat slechts goed geluk doet vinden.

Finis

*******


LIEDJE VOOR KERSTMIS

(In de Kerstnacht droegen de religieuzen in processie een beeld van de H. Maagd langs de cellen van het klooster en zongen bij elke celdeur de op de drempel geknielde celbewoner de volgende copla toe, een liedje in de trant van de geïmproviseerde slagwoorden-op-rijm, waarmee de Spanjaarden elkaar vaak begroeten; soms bovendien bij improvisatie getoonzet.)

Del Verbo divino

la Virgen preñada,

viene de camino,

si Ie dais posada.


Van het Woord des Vaders

zwanger, komt de Jonkvrouw

onderweg u vragen

om een onderkomen.

*******


KORTE SAMENVATTING VAN DE VOLMAAKTHEID

Olvido de lo criado,

memoria del Criador,

atencíon a lo interior,

y estarse amando al Amado.


Het geschapene vergeten;

Die het schiep indachtig zijn;

letten op wat in u is;

liefde geve’ aan de Beminde.

**********


GEESTELIJK HOOGLIED

JESUS + MARIA

Verklaring van het gedicht, dat de wederkerige liefde tussen de ziel en haar Bruidegom Christus bezingt. Hierin worden enkele punten en uitwerkingen van het gebed vermeld en verklaard. Dit geschiedt op verzoek van Moeder Anna van Jesus, priorin van de Ongeschoeide Karmelietessen in het Sint-Jozefklooster te Granada. In het jaar 1584.

PROLOOG

1. Deze Zangen, eerwaarde Moeder, zijn naar het schijnt geschreven met een zekere gloed van liefde tot God, wiens wijsheid en liefde zo onmetelijk is, dat zij – zoals in het boek van de Wijsheid (8 : 1) gezegd wordt – zich van het ene eind tot het andere uitstrekt. In haar spreken heeft de ziel, die door deze liefde geïnspireerd en bewogen wordt, tot op zekere hoogte diezelfde overvloed en datzelfde vuur. Daarom heb ik op dit moment niet de bedoeling, geheel de breedte en rijkdom te verklaren, die de vruchtbare geest van de liefde daarin heeft neergelegd. Veeleer zou het van onkunde getuigen te denken, dat wat de liefde in de mystieke kennis vertolkt (zoals in deze Zangen hier), op enigerlei wijze in woorden goed zou kunnen worden uitgelegd De Geest van de Heer immers, die, zoals Sint-Paulus zegt (Rom. 8 : 26), onze zwakheid te hulp komt doordat Hij in ons verblijft, vraagt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen hetgeen wij niet zó goed kunnen begrijpen of bevatten, dat wij het zelf kunnen uitdrukken. Want wie zou kunnen beschrijven wat Hij de liefhebbende zielen waarin Hij verblijft laat verstaan? En wie zou in woorden duidelijk kunnen uitdrukken wat Hij hen doet ervaren? En wie tenslotte wat Hij hen laat verlangen? Niemand is hiertoe bij machte, dat is zeker; zelfs zij aan wie dit overkomt vermogen het niet. Want juist daarom laten zij door beelden, vergelijkingen en symbolen. iets overstromen van wat zij gewaarworden.

Uit de overvloed van hun geest vertolken zij eerder geheime mysteries dan dat zij een rationele verklaring geven. Als dergelijke symbolen niet gelezen worden met de eenvoudige geest van liefde en inzicht die zij bevatten, lijken zij eerder onzin dan redelijke taal. Dit kan men constateren in de geïnspireerde Zangen van Salomon en in andere boeken van de Heilige Schrift. Omdat de Heilige Geest de overvloed aan betekenis niet door gewone en vertrouwde uitdrukkingen begrijpelijk kan maken, vertolkt Hij mysteries in vreemde beelden en gelijkenissen. Vandaar dat de heilige leraren, hoewel zij veel zeggen, deze mysteries nooit ten volle door woorden kunnen verhelderen, wat zij ook nog mogen zeggen. Trouwens, dit mysterievolle kon ook niet door woorden worden uitgedrukt. Wat er dus van verklaard wordt is gewoonlijk het geringste deel van zijn inhoud.

2. Daar nu deze Zangen geschreven werden in een toestand van liefde als gevolg van overvloedig mystiek begrijpen, zullen zij dus ook niet ten voile opgehelderd kunnen worden. Dit is overigens ook niet mijn bedoeling. Ik wil slechts heel in het algemeen enig licht hierover laten schijnen, omdat u dat zo graag had. Ik houd dit ook voor beter, want het is verkieslijker aan deze taal der liefde haar brede betekenis te laten, opdat iedereen er naar eigen aard en geestvermogen zijn voordeel mee zou kunnen doen. Dit is beter dan ze te beperken tot een betekenis, die niet aan de smaak van iedereen is aangepast. Hoewel deze Zangen dus enigermate verhelderd worden, is het niet nodig zich aan deze verklaring vast te klampen. Want de mystieke wijsheid (wijsheid als gevolg van liefde waarvan deze Zangen gewagen) heeft geen behoefte aan duidelijk onderscheiden begrippen om in de ziel liefde en genegenheid teweeg te brengen. Deze wijsheid immers is naar de wijze van het geloof, waarin wij God beminnen zonder Hem in begrippen te vatten.

3. Ik zal dus tamelijk kort zijn. Wel zal ik daar waar de stof het vraagt enigszins moeten uitweiden. Waar de gelegenheid zich voordoet enige aspecten en uitwerkingen van het gebed te bespreken en te verhelderen, zal ik dat toch ook voor enkele moeten doen, omdat er in deze Zangen van zovele gewag wordt gemaakt. Aan de meer algemene aspecten en uitwerkingen van het gebed zal ik echter voorbijgaan. De meer uitzonderlijke, welke voorkomen bij degenen die door Gods genade aan het stadium van de beginneling voorbijzijn, zal ik beknopt behandelen.

En dit om twee redenen: ten eerste omdat er voor beginnelingen al veel geschreven is; ten tweede omdat ik in dit geschrift, op uw aandringen ondernomen met u spreek, en Onze Heer u de gunst bewezen heeft u uit dit beginstadium weg te halen en mee te voeren naar het meer innerlijke van zijn goddelijke liefde. Hoewel hier over de innerlijke omgang van de ziel met haar God geschreven wordt met gebruikmaking van enkele schoolstheologische uitdrukkingen, toch hoop ik dat het niet vruchteloos zal zijn op deze wijze vanuit het pure van de geest gesproken te hebben. Want al is u niet bedreven in schoolse theologie, waarin de goddelijke waarheden verstaanbaar worden gemaakt, bedrevenheid in de mystieke theologie ontbreekt u niet. Deze leert men door liefde, waarin niet enkel en alleen gekend, maar tegelijkertijd genoten wordt.

4. Ik zou graag hebben dat u zich kon verlaten op datgene wat ik ga zeggen (hetgeen ik wil achterstellen bij een beter inzicht en dat ik totaal onderwerp aan het oordeel van onze Moeder de heilige Kerk). Daarom ben ik niet van plan mijn eigen beweringen naar voren te schuiven door te steunen op de ervaring van wat ik zelf heb meegemaakt, noch op hetgeen ik bij geestelijke personen te weten ben gekomen of heb vernomen (hoewel ik zowel met het een als met het ander mijn voordeel denk te doen). Zeker voor wat betreft het moeilijker verstaanbare zal ik ter bevestiging en verheldering steunen op het gezag van de

Heilige Schrift.

Hierbij zal ik de volgende methode toepassen. De teksten geef ik eerst in het Latijn en vervolgens ga ik ze verklaren in verband met datgene waarop zij betrekking hebben. Vooraf geef ik eerst alle strofen bij elkaar. Daarna zal ik ze een voor een hernemen om ze uit te leggen, waarbij ik ieder vers afzonderlijk zal verklaren. Hiertoe zal ik de verklaring telkens doen voorafgaan door het vers zelf enzovoort.

Einde van de proloog


BEURTZANG VAN DE ZIEL EN DE BRUIDEGOM

Bruid

1. Waar houdt Gij U verborgen

Beminde, en Ge laat me in zuchten achter?

Gelijk een hert ontvlucht Ge,

Nadat Ge mij gewond hebt;

Ik liep en riep U na en Gij waart spoorloos.

2. Och herders, als gij tóch ginds

Van d’een naar d’andre schaapskooi heuvelop gaat

En ge bij toeval zien mocht

Dien ‘k boven alles liefheb,

Zegt Hem dan, dat ik pijn lijd, kwijn en wegsterf.

3. Al zoekend naar mijn liefde

Ga ik de bergen op en langs de oevers;

Ik wil geen bloemen plukken,

Geen wilde dieren duchten;

Geen sterke burcht of grens kan mij weerhouden.

4. O bossen en struwelen,

Geplant hier door de hand van de Beminde,

O welig groene weide,

Bezaaid met bonte bloemen,

Zegt mij, is Hij door u voorbij gekomen?

Antwoord van de schepselen

5. Bevalligheid verspreidend

In duizendvoud, sneld’ Hij door deze dreven,

En gaandeweg ze aanziende,

Alleen al door zijn aanblik

Liet Hij ze achter Zich bekleed met schoonheid.

Bruid

6. Ach, wie kan mij genezen?

Wil U nu eindelijk gewonnen geven,

En mij ook niet meer zenden

Van nu af aan uw boden,

Toch niet in staat mij, wat ik wens, te zeggen.

7. En alwie zich hier ophoudt,

Verhaalt mij van uw lieflijks, duizendvoudig.

Ze slaan mij nieuwe wonden,

Zodat ik mij voel sterven

Aan een ik weet niet wat, waarvan zij staamlen.

8. Hoe kan het, dat gij voortduurt,

O leven, dat niet leeft, waar ge hebt te leven?

Dat zelf, om aan te sterven,

De pijlen, die u treffen,

Maakt, van wat uw Geliefde in u gewekt heeft.

9. Eerst slaat Ge ’t hart een wonde,

Maar waarom het dan ook niet te genezen?

Waarom het mij te roven,

Als Gij het toch laat liggen

En U niet eigent, wat Ge eerst ontvreemd hebt?

10. Blust Gij dan toch mijn hartstocht,

Want niemand anders kan die immers stillen.

Zien moeten U mijn ogen,

Want Gij zijt er het Licht van,

Voor U alleen wil ik ze ook maar hebben.

11. Ontsluier mij uw bijzijn;

Mijn dood zij ’t U te aanschouwen in uw schoonheid.

Bedenk toch, dat de kwelling

Der liefde nooit een eind neemt,

Dan door ’t beminde bijzijn en zijn aanblik.

12. O kristallijnen bronwel,

Mocht in het zilvren schijnsel van uw wezen

Ge ineens te aanschouwen geven

De zo verbeide ogen,

Waarvan ik binnenin mij ’t vage beeld draag.

13. O wend ze af, Beminde,

Ik neem mijn opvlucht!

Bruidegom

Keer terug, mijn duive,

Daar nu het hert, het wonde,

In ’t zicht komt op de heuvel,

In ’t waaien van uw vlucht schept het zich koelte.

Bruid

14. Mijn Welbeminde, het bergland,

De dichtbeboste, eenzame valleien,

Eilanden, nooit geweten,

De ruisende rivieren,

De fluistring van de strelendzachte winden.

15. De nacht, d’indringend-stille,

Voorafgaand aan het schemerlichte dagen,

Muziek van zuiver zwijgen,

Eenzaamheid vol van klanken,

Het avondmaal, dat opwekt en verliefd maakt.

16. Wilt ons de vossen vangen,

Want onze wijngaard staat al rijk te bloeien;

Wij maken dan intussen

Van roze’ een dichte ruiker,

En niemand mag er op de heuvel komen.

17. Stil, dodewind van. ’t noorden!

Kom, zuidenwind, hernieuwd de liefde wekken.

En adem door mijn bloemtuin,

Dat geur eraan ontstrome,

En de Beminde weide onder de bloemen.

18. O nymphen van Judea,

Zolang uit bloemen en uit rozenstruiken

De geur van amber opstijgt,

Moet ge in de voorstreek blijven

En zelfs niet aan de dorpels durven raken.

19. Verberg U, Allerliefste,

En straal met uw gelaat de bergen tegen.

En wil hier niet van spreken,

Maar let op het geleide

Van haar, die vreemde eilandstreken doorreist.

Bruidegom

20. Gij, vederlichte vogels,

Gij, leeuwen, herten, snelspringende gemzen,

Gij bergen, dalen, oevers,

Gij waatren, winden, hitte,

En angsten van alleen doorwaakte nachten.

21. Bij ’t strelend spel der snaren,

Bij ’t zingen der sirenen: Ik bezweer u

Met woeden op te houden:

Raakt zelfs niet aan de muren,

Opdat de bruid hier rustiger kan slapen.

22. De bruid toch deed haar intree

Binnen de schone tuin van haar verlangens;

Naar harteluste rust zij,

Haar hals ligt achterover

Tegen de zoete arm van de Geliefde.

23. Onder het appellover,

Daar werdt gij nu met Mij als bruid verbonden;

Daar gaf Ik er mijn hand op

En zijt ge hersteld in ere

Daar, waar uw moeder eertijds werd ontluisterd.

Bruid

24. En onze legerstede

Vol bloemen is omringd van leeuwenholen,

Met purper overspannen,

En opgebouwd uit vrede,

Binnen een krans van duizend gouden schilden.

25. Achter U, op uw voetspoor

Snellen de jonge vrouwen aan, de weg op,

Op ’t springen van uw vonken,

Op uwe wijn vol kruiden,

Uw vloeiingen van goddelijke balsems.

26. In d’innerlijkste kelder

Dronk ik van mijn Beminde, en bij ’t heengaan,

Door gans die wijde vlakte,

Wist ik van alles niets meer

En liet mijn kudden lopen, die ‘k eerst hoedde.

27. Daar nam Hij me aan zijn borst en

Daar onderwees Hij me in een kostlijk weten;

En ik gaf Hem daar waarlijk

Mijzelf, niets uitgenomen:

Dáár heb ik Hem beloofd zijn bruid te wezen.

28. Mijn ziel blijft voorbehouden

Aan Hem: al wat ik heb staat Hem ten dienste;

Ik hoed niet meer mijn kudden,

Neem ook geen andre dienst meer:

Mijn dienst bestaat alleen nog in beminnen.

29. Als men mij op de meente

Voortaan niet meer te zien krijgt of kan vinden,

Zegt dan: Ze ging verloren,

En door zich te verlieven

Heeft zij zichzelf verdaan en won toen alles..

30. Van bloeme’ en emeraldgroen,

Bijeengelezen in de koele morgens,

Zullen wij slingers maken.

Ze ontbloeiden in uw liefde.

Eén enkle haar van mij houdt ze tezamen.

31. Het was die haar, die éne,

Die, spelend op mijn hals, uw ogen boeide;

Gij vestigde er een blik op

En zijt verstrikt gebleven,

En door één oog van mij liet Gij U wonden.

32. Mét dat Gij mij beschouwdet,

Droegen uw oge’ uw schoonheid in mij over:

Daarmee won ik uw liefde,

Verdienden ook de mijne

Dat te aanbidden wat zij in U schouwen.

33. Wil mij dan niet verachten:

Want ook al vondt Gij eerst mijn teint te donker,

Nu kunt Gij mij wel aanzien,

Daar Gij, sinds Gij mij aanzaagt,

Uw gratie en uw schoonheid in mij prenttet.

Bruidegom

34. De kleine witte duif is

In de ark met de olijftak weergekomen.

Zij heeft, de kleine tortel,

De vriend van haar verlangen

Gevonden aan de groene waterzomen.

35. In d’eenzaamheid verbleef zij;

In d’eenzaamheid had zij zich reeds genesteld:

In eenzaamheid geleidt haar

Alleen nog de Beminde,

Ook Zelf in eenzaamheid gewond van liefde.

Bruid

36. Genieten wij elkander,

Geliefde, elkander in uw schoonheid schouwend,

De berg op en de heuvel:

Daar stroomt het zuiver water:

Laat ons het hout nog dieper binnendringen.

37. Wij zullen zonder dralen

Opklimmen naar de hoge rotsspelonken;

Ze zijn er goed verscholen:

Daar treden wij dan binnen

En proeven er de most van de granaten.

38 Daar zult Gij aan mij tonen,

Dat, waarnaar uitgaat heel mijn hartsverlangen;

En onverwijld mij geven,

Aldaar, o Gij, mijn leven,

Wat Gij die andre dag mij reeds verleendet:

39. De wind, die zachtjes ademt,

Het zingen van de zoete nachtegalen,

Het woud in al zijn tover

Van nachtelijke vrede,

Daarbij die vlam, die wel brandt, maar geen pijn doet.

40. Niemand, die ons bespiedde,

Aminadab is ook niet meer verschenen;

’t Verdween wat rondom dreigde,

En het gewapend krijgsvolk

Trok bergaf bij de aanblik van de waatren.

*******


CANCIONES ENTRE EL ALMA Y EL ESPOSO

BEURTZANG TUSSEN DE ZIEL EN HAAR BEMINDE

Omdat wij voor Sint-Jans proza-toelichting op het Geestelijk Hooglied de veertig-strofige versie van het gedicht reeds afdrukten in de ritmische proza-vertaling van de Moniale van Drachten, geven wij hier de versie in negen-en-dertig strofen in de nadichting van P. N. van Eyck; de tekst hiervoor ontlenen we aan: P. N. van Eyck, Verzameld werk, dl. 2, Amsterdam 1958, blz. 228-234; in strofe 5 en 26 wijkt deze tekst af van de vertaling die Van Eyck gaf in zijn bundel Benaderingen, Maastricht 1940, blz. 35-48.


Esposa

1. ¿Adónde te escondiste,

Amado, y me dejaste con gemido?

Coma el ciervo huiste

Habiéndome herido;

salí tras ti clamando, y eras ido.


Zij

1. Waar houdt Gij U verscholen,

Geliefde, die mij achterliet, in stenen,

En, vluchtend hert, ging dolen

Van wie uw pijl deed wenen?

Ik liep U na, en riep, maar Gij waart henen.


2. Pastores, los que fuerdes

allá por las majadas al otero:

si por ventura vierdes

aquel que yo más quiero,

decilde que adolezco, peno y muero.


2. Mocht, herders, welgezinden,

Ge in ’t langs de kooien naar de hoogte zwerven,

Bij toeval Hem daar vinden,

Wiens liefde ik niet kan derven,

Zegt Hem, hoe ‘k wegslink, pijn lijd en moet sterven.


3. Buscando mis amores,

iré por esos montes y riberas;

ni cogeré las flores,

ni temeré las fieras,

y pasaré los fuertes y fronteras.


3. Op zoek naar Liefs verrukken,

Zal ‘k ginds door ’t bergland gaan en de oeverstreken,

Ik zal geen bloemen plukken,

Mij voor geen dier versteken,

Voor burcht en sterke grens mijn tocht met breken.


Pregunta a las criaturas

4. ¡ Oh bosques y espesuras,

plantadas por la mano del Amado!

¡ Oh prado de verduras,

de flores esmaltado!

Decid si por vosotros ha pasado.


Vraag aan de creaturen

4. Struwelen, loverbossen,

Die Liefste’s eigen handen planten deden;

Weiden vol bloemen, mossen,

Rijk smalt van heerlijkheden,

O zegt mij, kwamen door uw groen zijn schreden


Respuesta de las criaturas

5. Mil gracias derramando

paso por estos sotos con presura,

y, yéndolos mirando,

con sola su figura

vestidos los dejó de hermosura.


Antwoord der creaturen

5. Die gunst na gunst verspreidde,

Betrad het haastig om weer snel te ontwijken,

Toch liet Hij hout en weide

Door even rond te kijken


In ’t smetteloze kleed der schoonheid prijken.

Esposa

6. ¡Ay, quien podrá sanarme!

Acaba de entregarte ya de vero;

no quieras enviarme

de hoy más ya mensajero:

que no saben decirme lo que quiero.


Zij

6. Ach, wie kan mij genezen!

Dat Gij a gáns te geven niet meer vlode!

Zend, smeek ik, mij na dezen

Nooit meer een andere bode:

Slechts éne, úw konde heeft mijn ziel van node.


7. Y todos cuantos vagan

de ti me van mil gracias refiriendo,

y todos más me llagan,

y déjame muriendo

un no sé qué quedan balbuciendo.


7. En allen die hier dwalen,

Prijzend uw gunst als liefelijk bovenmaten,

Wonden mij duizendmalen,

Stervend als zij mij laten

Door ‘k weet niet wat waarvan zij stamelpraten.


8. Mas ¿cómo perseveras,

¡ oh vida!, no viviendo donde vives,

y hacienda por que mueras

las flechas que recibes

de lo que del Amado en ti concibes?


8. Maar gij, hoe kunt ge, o leven,

’t Niet-leven waar gij leeft verduren blijven,

In wie de pijlen beven, –

Die u ten dode drijven! –

Van wat uw dromen u als ’t Lief beschrijven?


9. ¿Por qué, pues has llagado

aqueste corazón, no le sanaste?

Y, pues me le has robado,

¿por qué así le dejaste,

y no tomas el robo que robaste?


9. ’t Hart dat Gij zó fel raakte,

Wat draalt uw wrede hand zijn pijn te doven?

Die ’t U toch eigen maakte,

Wat liet Gij ’t weggeschoven,

En neemt de buit niet mee die Ge eerst kwaamt roven?


10. Apaga mis enojos,

pues que ninguno basta a deshacellos,

y véante mis ojos,

pues eres lumbre dellos,

y sólo para ti quiero tenellos.


10. Blus Gij mijn heet benauwen,

Want geen vermag zó veel dat hij het stilde;

Laat U mijn blik aanschouwen,

Waar slechts úw licht in trilde

En die ‘k voor U alleen bewaren wilde.


11. ¡Oh cristalina fuente,

si en esos tus semblantes plateados

formases de repente

los ojos deseados

que tengo en mis entrañas dibujados!


11. O bronwel, kristallijnen,

Deedt plotseling ge uit uw zilveren spiegelingen

Mij de ogen tegenschijnen,

Waarnaar mijn dromen dingen,

En van wier beeld in ’t hart mijn aderen zingen!


12.¡ Apártalos, Amado,

que voy de vuelo!


El Esposo

vuélvete, paloma,

que el ciervo vulnerado

par el otero asoma

al aire de tu vuelo, y fresco toma.


12. Neen, wend hen af, Beminde,

Mijn ziel begint haar vlucht! –


Hij

Keer weder, duive,

Dat, wond, het hert u vinde

Waar hem uw wiekslag wuive,

Hoog op de heuveltop, en koelte snuive.


Esposa

13. Mi Amado, las montañas,

los valles solitarios nemorosos,

las ínsulas extrañas,

los ríos sonorosos,

el silbo de los aires amorosos,


Zij

13. Mijn Lief: de bergekruinen,

De eenzame, woud-doorzongen schaduwdalen,

De uitheemse eilandtuinen,

De heldere stroomverhalen,

Der winden diep-verliefde fluistertalen.


14. la noche sosegada

en par de los levantes de la aurora,

la música callada,

la soledad sonora,

la cena que recrea y enamora.


14- De stille nacht bij ’t neigen

Der schemering naar ’t eerste dag-beginnen,

Muziek van zingend zwijgen,

Eenzaamheids hoorbaar zinnen,

Het avondmaal dat opwekt en doet minnen.


15. Nuestro’ lecho florido,

de cuevas de leones enlazado,

en púrpura tendido,

de paz edificado,

de mil escudos de oro coronado.


15. Ons leger, ’t bloem-bestrooide,

Omringd door holen waar de leeuwen wonen,

’t Met purperzijde omplooide:

Bed, peluws vrede-tronen,

Met duizend gouden schilden die hen kronen!


16. A zaga de tu huella

las jóvenes discurren al camino,

al toque de centella,

al adobado vino,

emisiones de bálsamo divino.


16. Waar hen uw spo’ren voeren,

Zoeken de meisjes naar uw pad te spoeien,

Naar ‘t vuur van uw beroeren,

Uw kruidwijn om te ontgloeien,

Die goddelijke balsem uit doen vloeien.


17. En la interior bodega

de mi Amado bebí, y, cuando salía

por toda aquesta vega,

ya cosa no sabía,

y el ganado perdí que antes seguía.


17. Waar ’t Lief mij ’t best ‘kon geven,

Zijn diepste kelder, dronk ik: heengetogen,

Was over veld en dreven

Alles mij vreemd voor de ogen, –

Verlaten, had mijn vee zich wegbewogen.


18. Allí me dió su pecho,

alii me enseñó ciencia muy sabrosa,

y yo le di de hecho

a mí, sin dejar cosa;

allí le prometí de ser su esposa.


18. Daar, aan zijn borst genomen,

Mocht ik in haar zijn zoetste wijsheid lezen,

Ben ík tot Hém gekomen

En gaf mij zonder vrezen;

Daar heb ik Hem beloofd zijn vrouw te wezen.


19. Mi alma se ha empleado,

y todo mi caudal, en su servicio;

ya no guardo ganado,

ni ya tengo otro oficio,

que ya sólo en amar es mi ejercicio.


19. Mijn ziel, en al mijn krachten,

Hebben zich Hem geheel ten dienst gegeven:

Op ’t vee kan ‘k niet meer achten,

Naar ander werk niet streven,

Want liefde is nu mijn enige taak gebleven.


20. Pues ya si en el ejido

de hoy más no fuere vista ni hallada,

diréis que me he perdido;

que, andando enamorada,

me hice perdidiza, y fuí ganada.


20. ‘Zij laat zich zien noch horen,’ –

Zegt, heet het zó ter meent uit aller monden:

‘Zij heeft zichzelf verloren,

Liep liefde-dronken rond en

Scheen de ondergang nabij, maar wás gevónden.’


21. De flores y esmeraldas,

en las frescas mañanas escogidas,

haremos las guirnaldas,

en tu amor florecidas,

y en un cabello mío entretejidas.


21. Van bloem en emeraude,

Een keur, in koele uchtenden te vinden,

Wier bloei uw min bedauwde,

Zullen wij kransen winden,

En met een haar van míj tezamenbinden.


22. En solo aquel cabello,

que en mi cuello volar consideraste,

mirástele en mi cuello,

y en él preso quedaste,

y en uno de mis ojos te llagaste.


22. Dat ene van mijn haren,

Dat los Ge en golvend in mijn hals zaagt hangen,

Trof, in mijn hals, uw staren,

En daar bleeft Ge in gevangen, –

Een van mijn ogen wondde U met verlangen.


23. Cuando tú me mirabas,

su gracia en ml tus ojos imprimían;

por eso me adamabas,

y en eso merecían

los míos adorar lo que en ti vían.


23. Toen uw blik op mij rustte,

Drukten uw ogen in mijn hart uw gratie;

Haar was ’t die Ge in mij kuste,

Zij, voor uw hoge statie,

Gaf aan mijn ogen ’t recht tot adoratie.


24. No quieras despreciarme,

que, si color moreno en mí hallaste,

ya bien puedes mirarme

después que me miraste,

que gracia y hermosura en mí dejaste.


24. Wil mij niet lelijk smaden,

Want zo ‘k eerst donker was voor uw gedachten,

Nu kunt Ge uw blik verzaden,

Daar sinds zij mij betrachtten,

Uw ogen gratie mij en schoonheid brachten.


25. Cogednos las raposas,

que está ya florecida nuestra viña,

en tanto que de rosas

hacemos una piña,

y no parezca nadie en la montiña.


25. Vangt ons de dartele vossen,

Want onze wijngaard bloeit al, onvolprezen,

Wijl we uit de rozetrossen

Een tuil tezamen lezen,

En op de heuvel zij geen mens te vrezen.


26. Deténte, cierzo muerto;

ven, austro, que recuerdas los amores,

aspira par mi huerto,

y corran sus olores,

y pacerá el Amado entre las flores.


26. Staak, ijswind, uw verkillen!

Kom, gij die liefde wekt naar alle zijden,

Auster, mijn tuin doortrillen

En al zijn geur verspreiden:

Mijn Liefste zal er tussen bloemen weiden.


Esposo

27. Entrado se ha la esposa

en el ameno huerto deseado,

y a su sabor reposa,

el cuello reclinado

sobre los dulces brazos del Amado.


Hij

27. Nu is mijn Vrouw hem binnen,

De hof, die liefelijke, een droom voor de ogen!,

In vrede boven zinnen,

Haar hals zacht weggebogen

Op Liefs zoete armen, aan zijn borst getogen.


28. Debajo del manzano,

allí conmigo fuiste desposada,

allí te di la mano,

y fuiste reparada

donde tu madre fuera violada.


28. Onder het appel-lover,

Daar werd uw hart met Mij tot trouw verbonden,

Daar gaf Ik Me aan u over,

En gij hebt heil gevonden,

Waar ’t onheil eens uw moeder had geschonden.


29. A las aves ligeras,

leones, ciervos, gamos saltadores,

montes, valles, riberas,

aguas, aires, ardores

y miedos de las noches veladores:


29. Hoort, vogels, wufte galen,

Leeuwen, damherten, en springende hinden,

Stranden en bergen, dalen,

Hitten, wateren, winden,

Nachtvrezen, schrik voor wie de slaap niet vinden:


30. Por las amenas liras

y canto de sirenas os conjure

que cesen vuestras iras,

y no toquéis al muro,

por que la esposa duerma más seguro.


30. Bij ’t lokspel van de snaren

En ’t zingen der Sirenen, hoort, hoe ‘k vrage,

Dat gij uw toom laat varen

-En niets dit huis belage,

Opdat mijn Vrouw niet wakker schrikke en klage.


Esposa.

31. ¡Oh ninfas de Judea!

En tanto que en las flores y resales

el ámbar perfumea,

morá en los arrabales,

y no queráis tocar nuestros umbrales.


Zij

31. Judea’s nimfen-reien,

Wijl bloem en rozelaar in bloei hier prijken,

Vol reuk van specerijen,

Blijft in de buitenwijken:

Tot onze drempels mag uw tred niet reiken.


32. escóndete, Carillo,

y mira con tu haz a las montañas,

y no quieras decillo;

mas mira las compañas

de la que va par ínsulas extrañas.


32. Kom, Liefste, U zelf versteken

En wend uw ogen naar der bergen tinnen,

Wil van ’t geheim niet spreken,

Maar zie de gezellinnen

Van wie vreemd land doortrekt om U te minnen!


Esposo

33. La blanca palomica

al arca con el ramo se ha tornado;

y ya la tortolica

al socio deseado

en las riberas verdes ha hallado.


Hij

33. ’t Wit duifje is van haar dolen

Nu met de twijg naar de ark teruggekomen;

Reeds vond ze, in ’t loof verscholen,

De tortel van haar dromen

Dicht bij de stroom, in ’t groen van de oeverbomen.


34. En soledad vivía,

y en soledad ha puesto ya su nido,

y en soledad la guía

a solas su Querido,

tambíen en soledad de amor herido.


34. Eenzaam was heel haar leven,

En eenzaam waar zij zich haar nest bereidde;

Door eenzaamheid omgeven,

Toen, eenzaam, ’t Lief haar leidde,

Eenzaam, toen ’t Lief haar wondde dat zij schreide.


Esposa

35. Gocémonos, Amado,

y vámonos a ver en tu hermosura

al monte o al collado,

do mana el agua pura;

entremos más adentro en la espesura.


Zij

35. Verblijden we ons, Beminde,

En gaan we onszelf, op berg of heuvelklingen,

In úwe schoonheid vinden,

Waar zuivere wateren springen;

Daar laat ons ’t dichtste struikgewas doordringen,


36. Y luego a las subidas

cavernas de la piedra nos iremos,

que están bien escondidas,

y allí nos entraremos,

y el mosto de granadas gustaremos.

36. En ware ons eerste zorgen

Te spoeden naar de hoge rots-spelonken,

In ’t kreupelhout verborgen;

Dat wij daar nederzonken

En er de most van de granaten dronken!


37. Allí me mostrarías

aquello que mi alma pretendía,

y luego’ me darías

allí tú, vida mía,

aquello que me diste el otro día:


37. Daar zoudt Gij me alles tonen,

Waartoe mijn ziel zich voelde heengedreven

Om met Ú saam te wonen:

Daar zoudt Ge mij, mijn leven,

Wat Ge mij éens gaaft dadelijk nogmaals geven.


38. El aspirar del aire,

el canto de la dulce filomena,

el soto y su donaire,

en la noche serena,

con llama que consume y no da pena.


38. Der lucht diepe ademhalen,

’t Bosje in zijn liefelijkheid van kleur en lijnen,

De zoete zang der galen, –

In heldere nacht, bij ’t schijnen

Der vlam die ’t hart verteert, maar niet doet pijnen.


39. Que nadie lo miraba . . .

Aminadab tampoco parecía ..

y el cerco sosegaba . ..

y la caballería

a vista de las aguas descendía. . .


39. Want alles bleef verdoken,

En ook Aminadab schúwt deze gaarden:

’t Beleg werd onderbroken, –

Toen zij de stroom ontwaarden,

Stegen de ruiterbenden van hun paarden.