Bonaventura itinerarium: De route die de geest naar God voert

Bonaventura itinerarium

Een route:
De weg die de geest naar God voert

 
0. Proloog
0.1 Aanroeping van de Vader van de lichten voor het verkrijgen van de vrede.
0.2 De omstandigheden van het schrijven van dit boek.
0.3 De Seraf met zes vleugels: symbool van de zes trappen van verlichting
0.4 Raadgevingen aan de lezers: studie zonder gebed, wetenschap zonder liefde volstaan niet
0.5 Indeling van het tractaat en laatste aanbevelingen
I. De zes trappen naar God. De trap via de sporen in de wereld
A. De zes trappen naar God
1.1 Noodzaak van gebed voor het bereiken van het uiteindelijke geluk
1.2 De weg van buiten naar binnen, van binnen naar het transcendente
1.3 De driedeling van natuurlijke en schriftuurlijke analogieën
1.4 De drievoudige blik: op de stof, op zichzelf, op het transcendente
1.5 De blik via en in: het ontstaan van zes trappen van opgang naar God
1.6 De zes trappen en de zes vermogens van de ziel
1.7 Noodzaak van Jezus: herstel van de drievoudige blik en de theologie
1.8 Noodzaak van bereidheid van onze kant: gebed, bekering, overweging, beschouwing
B. De eerste trap: God vinden via de sporen van Hem in de wereld
1.9 De wereld als spiegel waardoor wij oversteken naar God
1.10 De blik van de bekijker, de gelovige en de onderzoeker
1.11 De blik van de bekijker: gewichten, getallen en maten
1.12 De blik van de gelovige: begin, verloop en einde van de wereld
1.13 De blik van de onderzoeker: stoffelijke, redelijke en geestelijke wezens
1.14 De zeven zijnswijzen: getuigenissen van Gods macht, wijsheid en goedheid
2. De tweede trap: God beschouwen in zijn sporen in de wereld
2.1 God is door zijn wezen, macht en liefde in de sporen aanwezig
2.2 Wij kunnen dat waarnemen, genieten en oordelen
2.3 Door de vijf zintuigen komen die sporen van macrokosmos in de mens als microkosmos
2.4 Analyse van het waarnemingsproces: het beeld
2.5 Analyse van het genieten: vorm, kracht en werking van het beeld
2.6 Analyse van het oordeel: wat maakt iets schoon, welgevallig en heilzaam?
2.7 De analogie van de geboorte van Gods evenbeeld
2.8 Gods evenbeeld in vorm, kracht en werking
2.9 God uitte daarin zijn kunstenaarschap: wij oordelen volgens die eeuwige wetten
2.10 De zeven soorten getallen: zij normeren het waarnemen, genieten en oordelen
2.11 De twee onderste vleugels: twee trappen naar het indirecte kennen van God (contuitio)
2.12 God transparant in de wereld
2.13 God transparant in de wereld voor ieder mens: niet excuseerbaar
3. De derde trap: God vinden via zijn beeld in onze natuurlijke vermogens
3.1 De ziel als spiegel van God vanwege de drie vermogens: van de voorhof naar het heilige
3.2 De werking van de herinnering: daarin Gods beeld zichtbaar
3.3 De werking van het kenvermogen: de eeuwige in woorden, uitspraken,  gevolgtrekkingen
3.4 De werking van het keuzevermogen: het absolute in het overleg, oordeel en verlangen
3.5 De psychologische triniteit: beeld van de goddelijke Triniteit
3.6 Schema van een trinitaire filosofie
3.7 God is het (zon)licht van de ziel: het verblindt de dwazen
4. De vierde trap: God schouwen in zijn beeld hersteld door de genade
4.1 Vanwege de zondeval ziet de mens God niet meer in zijn verzwakte vermogens
4.2 De noodzaak van Christus: herstel van de vermogens door de drie goddelijke deugden
4.3 De deugden banen de drievoudige weg van zuivering, verlichting en beschouwing
4.4 Aldus krijgt de ziel een hiërarchische structuur en gelijkt zij op de engelen
4.5 Deze trap steunt op de Schrift: de Hiërarch die ons zuivert, verlicht en omhelst
4.6 De Schrift weerspiegelt de drie wegen in de drie wetgevingen en de drievoudige exegese
4.7 De twee middelste vleugels: twee trappen naar het kennen van God in de spiegel van onszelf
4.8 De zuivere liefde van Christus overstelpt de ziel met koosnamen
5. De vijfde trap: God vinden via zijn eerste naam ‘het zijn’
5.1 De twee Cherubs op het verzoendeksel: symbool van de twee hoogste trappen
5.2 De twee namen van God: het Zijn en het Goede
5.3 Het zuivere zijn
5.4 Het oogverblindende zijn
5.5 Zijn zes eigenschappen: eerste, eeuwig, hoogst enkelvoudig, werkelijk, volmaakt en één
5.6 Onderlinge verbondenheid van de eigenschappen
5.7 Paradoxale combinaties: de alpha is de omega
5.8 Iedere combinatie een representatie van God
6. De zesde trap: het schouwen van de Triniteit in zijn tweede naam ‘het goede’
6.1 Het goede als fundament voor het schouwen van de Triniteit
6.2 Het hoogste goed is de hoogste mededeelzaamheid: noodzaak van de Triniteit
6.3 Zes paradoxale eigenschappen: hoogste mededeelzaamheid is hoogste eigenheid, enz.
6.4 Het mysterie van de twee Cherubs: het zijn, het goede, en de verzoening in Jezus-Christus
6.5 Jezus-Christus: eenheid die onverlet laat de tweeheid van eindig en oneindig
6.6 In Jezus les extrêmes se touchent: eenheid en veelheid
6.7 De rust van de eenheid van eindig en oneindig: verlangen naar extase
7. De vervoering: rust voor het verstand, overvloeiing van het liefdegevoel in God
7.1 Terugblik op de zes trappen: het mysterie van het verzoendeksel
7.2 Het Pasen samen met de gekruisigde Jezus
7.3 Het voorbeeld van Franciscus’ Pasen: extase
7.4 Het verstand wordt achtergelaten, het vuur van Christus’ Geest zet ons gevoel in gloed
7.5 Gebed van Dionysius tot de drieëne God: het donkere licht
7.6 Hier is alles maar dan ook alles genade: sola gratia
Bonaventura Doctor Seraphicus

DE WEG DIE DE GEEST NAAR GOD VOERT

 

Proloog
I. Bij dit begin roep ik het Eerste Beginsel aan, van wie alle verlichtingen neerdalen als “van de Vader van de lichten,” en uit wie “iedere voortreffelijke gave en iedere volmaakte gift” voortkomt, de eeuwige Vader; ik roep Hem aan door zijn Zoon, onze Heer Jezus Christus, opdat Hij op voorspraak van de allerheiligste maagd Maria, de moeder van dezelfde God en onze Heer Jezus Christus, en van de zalige Franciscus, onze gids en vader, “de ogen van onze geest mag verlichten”, om “onze schreden te richten op de weg van die vrede,” “die alle begrip te boven gaat.” Deze vrede heeft onze Heer Jezus Christus verkondigd en gegeven, en deze verkondiging heeft onze vader Franciscus herhaald; bij al zijn preken verkondigde hij aan het begin en aan het einde de vrede; bij iedere begroeting wenste hij de vrede toe; bij ieder schouwen hunkerde hij naar de vrede van de extase; hij was als een burger van dat Jeruzalem, waarover die man van vrede, die “met hen die de vrede haatten in vrede leefde,” zei: “Bidt om wat Jeruzalem tot vrede strekt.” Want hij wist dat de troon van Salomo alleen op de vrede kon steunen; er staat immers geschreven: “Op de vrede is zijn woonplaats gevestigd, zijn huis op Sion.”
2. Toen ik nu naar het voorbeeld van de allerzaligste vader Franciscus hunkerend deze vrede zocht, -ik, zondaar, die geheelonwaardig de zevende opvolger na diens heengaan van de allerzaligste vader zelf ben als generale minister van de broeders – toen gebeurde het dat ik op goddelijke ingeving mij op de berg Alverna als op een rustige plek terugtrok, omdat ik verlangde innerlijke vrede te zoeken -het was omstreeks de dag van het heengaan van de Zalige, in het drieëndertigste jaar daarna. Terwijl ik daar verbleef en nadacht over de mogelijkheden die de geest heeft om naar God op te stijgen, kwam mij naast andere dingen dat wonderlijke gebeuren voor de geest, dat de zalige Franciscus zelf overkwam op voornoemde plek, namelijk het visioen van de gevleugelde Seraf, die de gestalte had van de Gekruisigde. Terwijl ik dat overwoog, flitste de gedachte door mijn hoofd dat dit visioen een beeld was van het omhoog geheven worden van onze vader in de beschouwing en van de weg waarlangs men daartoe komen kan.
3. Want in die zes vleugels kan men heel goed de zes verlichtingen zien, die de mens omhoog heffen en waardoor de ziel als langs trappen of paden geschikt gemaakt wordt om in de extatische vervoeringen van de christelijke wijsheid tot vrede te geraken –  De enige weg nu die daartoe leidt, is de zeer vurige liefde tot de Gekruisigde. Deze heeft Paulus, toen hij “naar de derde hemel was weggerukt,” zo in Christus omgevormd, dat hij zei: “Met Christus ben ik aan het kruis gehecht; ik ben het niet meer die leef, maar Christus leeft in mij.” Die liefde heeft ook de geest van Franciscus zo in bezit genomen, dat zijn geest in zijn lichaam zichtbaar werd; hij droeg namelijk gedurende twee jaar voor zijn dood de allerheiligste tekenen van het lijden in zijn lichaam. Het beeld van de zes vleugels van de Seraf duidt dus de zes trappen van verlichting aan, die beginnen bij de schepselen en voeren tot bij God, bij wie niemand op de juiste wijze binnen kan gaan tenzij door de Gekruisigde. Want “wie niet door de deur binnengaat maar op een andere plek naar binnen klimt, hij is een dief en een rover.” Maar “als iemand door deze deur binnenkomt, zal hij in en uit gaan en weidegrond vinden.” Daarom zegt Johannes in de Apocalyps: “Zalig zij die hun kleren wassen in het bloed van het Lam; zij zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten binnengaan in de stad.” Daarmee zegt hij als het ware, dat iemand het Jeruzalem van omhoog door de beschouwing niet kan binnengaan, tenzij hij er door het bloed van het Lam als door een poort binnentreedt. Want voor het goddelijk schouwen, dat tot geestelijke vervoering leidt, verkeert hij volstrekt niet in de goede gesteltenis, tenzij hij met Daniël “een man van verlangens” is. Verlangens nu worden in ons op twee manieren gewekt, te weten door het geroep van het gebed, dat het verzuchtend hart doet steunen, en door het vuur van de beschouwing, waarin de geest zich op de meest directe en intense wijze naar de stralen van het licht keert.
4. Het eerste waartoe ik de lezer daarom uitnodig is het verzuchtend bidden door de gekruisigde Christus, door wiens bloed wij gezuiverd worden van de smetten van de zonde. Al moet namelijk niet denken dat voor hem lezing volstaat zonder zalving (hiermee is bedoeld de werking van Gods Geest; in een modern kerklied heet het: “Hij zalft ons met zijn Geest”), beschouwing zonder devotie, speuren zonder bewondering, overweging zonder geestdrift, ijver zonder vroomheid, kennis zonder liefde, inzicht zonder deemoed, studie zonder de goddelijke genade, de spiegel (van de ziel) zonder de van godswege ingegeven wijsheid. Aan hen dus die door de goddelijke genade erop voorbereid zijn, aan de deemoedigen en vromen, aan de rouwmoedigen en godvruchtigen, aan de “met de olie van de vreugde” gezalfden, de minnaars van de goddelijke wijsheid en degenen die vurig naar haar verlangen, aan hen die vrij willen zijn om God te verheerlijken, Hem te bewonderen en ook te smaken, aan hen leg ik de hier volgende beschouwingen voor. Ik wil hiermee zeggen, dat een van buitenaf voorgehouden spiegel van weinig of geen nut is, als de spiegel van onze geest niet glad en gepolijst is. Oefen dus uzelf, man van God, eerst in het berouwvol stemmen van uw geweten, alvorens de ogen omhoog te richten naar de stralen van de wijsheid die in haar spiegels weerkaatsen, om te voorkomen dat u juist door het aanschouwen van die straling in een diepere ravijn van duisternis zoudt vallen.
5. Het kwam mij goed voor de verhandeling in te delen in zeven hoofdstukken en voor een beter begrip van wat volgt de titels te doen voorafgaan. Ik vraag nu dat meer gelet wordt op de bedoeling van de schrijver dan op wat hij schrijft, meer op de zin van de woorden dan op de ongecultiveerde stijl, meer op de waarheid dan op de bekoorlijkheid, meer op de training van het gevoel dan op de vermeerdering van kennis. Om dit te bereiken is het nodig dat men de beschouwingen die hier volgen niet vluchtig doorneemt maar ze met grote aandacht overdenkt.

Titels van de hoofdstukken

Eerste hoofdstuk: De trappen van het opstijgen naar God en het beschouwen van Hem door sporen die er van Hem zijn in het heelal.
Tweede hoofdstuk: Het beschouwen van God in de sporen die er van Hem zijn in deze zintuiglijk waarneembare wereld.
Derde hoofdstuk: Het beschouwen van God door zijn beeld dat in de natuurlijke vermogens is ingeprent.
Vierde hoofdstuk: Het beschouwen van God in zijn beeld dat door de genadegaven is herschapen.
Vijfde hoofdstuk: Het beschouwen van de goddelijke eenheid door haar eerste naam: het Zijn.
Zesde hoofdstuk: Het beschouwen van de allerzaligste Drie-eenheid in haar naam: het Goede.
Zevende hoofdstuk: De geestelijke en mystieke vervoering, waarin rust gegeven wordt aan het verstand, en waarin het gevoel door de vervoering geheel in God overgaat.

HIER BEGINT DE BESCHOUWING VAN EEN ARME IN DE WOESTIJN

Hoofdstuk I

De trappen van het opstijgen naar God en het beschouwen van Hem door de sporen die er van Hem zijn in het heelal
1. “Zalig de man, die van U hulp ervaart. Hij heeft, levend in dit dal van tranen, in zijn hart besloten op te stijgen naar de plaats die hij zich heeft voorgesteld.” Omdat de zaligheid niets anders is dan het genieten van het hoogste goed, en het hoogste goed iets is dat ons te boven gaat, kan niemand zalig worden als hij niet boven zichzelf uit stijgt, niet lichamelijk maar met zijn hart. Maar boven onszelf uitstijgen kunnen wij alleen door een verhevener kracht die ons omhoog heft. Want hoezeer wij ons ook instellen om innerlijk omhoog te klimmen, het baat niets, als Gods hulp ons niet ter zijde staat. Gods hulp nu staat hen ter zijde, die erom vragen met een deemoedig en toegewijd hart. En dat is het smekend tot Hem gaan in dit “dal van tranen”; dat geschiedt door een vurig gebed. Het gebed is dus de moeder en de oorsprong van het omhoogstijgen. Daarom Iaat Dionysius in zijn boek De mystieke theologie, wanneer hij ons wil brengen tot de geestelijke vervoering, eerst een gebed voorafgaan. Laten wij dus bidden en tot de Heer onze God zeggen: “Leid mij, Heer, op Uw weg en Iaat mij binnengaan in Uw waarheid; Iaat mijn hart zich verblijden, opdat het Uw naam vreest.”
2. In dit gebed wordt ons hart al biddend verlicht, om de trappen van het opstijgen naar God te Ieren kennen. Het is namelijk zo dat in de toestand waarin wij mensen verkeren, het heelal zelf een ladder is om naar God op te stijgen; en in dat heelal zijn sommige dingen een spoor, andere een beeld; sommige lichamelijk, andere geestelijk, sommige tijdelijk, andere eeuwig, en bijgevolg sommige buiten ons, andere in ons. Om nu tot de beschouwing van het Eerste Beginsel te komen, dat in de hoogste mate geestelijk is en eeuwig en dat boven ons is, moeten wij het spoor, dat lichamelijk is en tijdelijk en buiten ons, volgen – dat is de betekenis van “geleid worden op de weg van God.” Wij moeten binnentreden in onze geest, die het eeuwige beeld van God is, geestelijk en in ons -dat is de betekenis van het “binnengaan in de waarheid van God.” Wij moeten opstijgen naar het eeuwige, in de hoogste mate geestelijke, dat boven ons is, door ons oog te richten op het Eerste Beginsel -dat is de betekenis van “zich verheugen om de kennis van God en de eerbied voor zijn majesteit.”
3. Dit nu is de weg van drie dagen in de woestijn. Dit is de drievoudige verlichting van één dag: de eerste is als de avond, de tweede als de morgen, de derde als de middag. Dit heeft betrekking op de drievoudige wijze van zijn die de dingen hebben: namelijk in de materie, in het denken en in het eeuwige kunstenaarschap. Dit ligt ook uitgedrukt in de woorden: ‘het worde,’ ‘Hij heeft gemaakt’ en ‘het is geworden.’ Dit verwijst tevens naar de drievoudige substantie in Christus, die onze ladder is: te weten de lichamelijke, de geestelijke en de goddelijke.
4. Overeenkomstig deze drievoudige gradatie heeft onze geest drie primaire gerichtheden. De ene richt zich op het lichamelijke dat buiten hem is, en in zoverre wordt hij animaal en zintuiglijk genoemd; de tweede richt zich naar binnen en op zichzelf, en in zoverre wordt hij bewustzijn genoemd; de derde stijgt boven zichzelf uit, en in zoverre wordt hij geest genoemd. Met al deze drie moet hij zich erop instellen om naar God op te stijgen, om Hem zo te beminnen “met heel zijn geest, met heel zijn hart en met heel zijn ziel”; daarin bestaat de volmaakte onderhouding van de wet en tevens de christelijke wijsheid.
5. Maar ieder van de zojuist genoemde wijzen van beschouwen is weer tweeledig, al naar gelang het gaat om het beschouwen van God als Alpha, dan wel als Omega, of naargelang het bij ieder van de genoemde wijzen gaat om het zien van God als door een spiegel dan wel als ineen spiegel; ofwel omdat het zich kan voordoen dat een van die wijzen van beschouwen zich vermengt met de daaraan grenzende, dan wel dat zij zuiver en alleen op zichzelf beschouwd wordt. Daarom is het noodzakelijk dat deze indeling in de drie voornaamste trappen tot een indeling in zes voert. Hetgeen betekent dat, zoals God in zes dagen de totale wereld (macrokosmos) geschapen heeft en op de zevende dag rustte, zo de wereld in het klein (microkosmos) langs zes op elkaar volgende treden van verlichting in volmaakte orde naar de rust van de beschouwing gevoerd wordt. Een beeld hiervan waren de zes treden waarlangs men naar de troon van Salomo opsteeg. De Serafs, die Jesaja zag, hadden ieder zes vleugels. Na zes dagen riep de Heer Mozes vanuit de duisternis. En het was na zes dagen, zoals bij Mattheus staat, dat Christus de leerlingen meenam de berg op en voor hun ogen van gedaante veranderde.
6. Aan de zes trappen van het opstijgen naar God nu beantwoorden zes trappen van vermogens van de ziel, waardoor wij opstijgen van het laagste naar het hoogste, van het uitwendige naar het meest innerlijke, en van het tijdelijke omhoog naar het eeuwige; dat zijn de waarneming, de voorstelling, de rede, het begrip, het inzicht en het topje van de geest of de vonk van de zuivere zin voor het goede. Deze treden zijn ons ingeplant door de natuur, zij zijn misvormd door de zonde, herschapen door de genade; zij moeten gezuiverd worden door gerechtigheid, ingeoefend door wetenschap, vervolmaakt door wijsheid.
7. Want in de oorspronkelijke orde van de natuur was de mens zo geschapen dat hij de rust van de beschouwing kon genieten; daarom “plaatste God hem in het paradijs van de genietingen.” Maar doordat hij zich van het ware licht afkeerde naar het aan verandering onderhevige goede, gaat hij zelf gebukt onder eigen schuld en heel zijn geslacht onder de erfzonde. Deze heeft op twee manieren de menselijke natuur aangetast: zijn geest door onwetendheid, zijn vlees door de begeerte. Daardoor zit de mens verblind en gekromd in de duisternis en is hij niet in staat het licht van de hemel te zien, als de genade niet te hulp komt met gerechtigheid tegen de begeerte en met wetenschap tezamen met wijsheid tegen de onwetendheid. Dit alles geschiedt door Jezus Christus, “die voor ons van Godswege wijsheid geworden is en gerechtigheid en heiliging en verlossing.” Omdat Hij “de kracht van God” is en “de wijsheid van God,” en omdat Hij het mensgeworden Woord is, “vol van genade en waarheid,” heeft Hij “genade en waarheid” bewerkt. Hij heeft namelijk de genade van de liefde ingestort, die, omdat zij voortkomt “uit een zuiver hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof,” heel de ziel met haar drievoudige wijze van kennen, waarover wij boven spraken, in de goede richting doet kijken. Hij heeft de kennis van de waarheid onderwezen in de drie vormen van theologie: de symbolische, de eigenlijke en de mystieke. Door de symbolische Ieren wij de zintuiglijke dingen op de juiste wijze te gebruiken, door de eigenlijke Ieren wij de geestelijke zaken op de juiste wijze te gebruiken en door de mystieke worden wij weggerukt in vervoeringen die de geest te boven gaan.
8. Wie dus naar God wil opstijgen, moet de zonde, die de natuur vervormt, vermijden en de natuurlijke vermogens, waarover boven gesproken is, oefenen met het oog op de genade die deze herschept, -dit geschiedt door gebed. Hij moet ze oefenen in de gerechtigheid die zuivert -dit geschiedt door zijn levenswandel. Hij moet ze oefenen in de wetenschap die verlicht, -dit geschiedt door overweging. Hij moet ze oefenen in de wijsheid, die volmaaktheid brengt, -dit geschiedt door beschouwing. Zoals dus niemand tot wijsheid komt tenzij door genade, gerechtigheid en kennis, zo komt men niet tot beschouwing, tenzij door verlichte overweging, heilige levenswandel en aandachtig gebed. Zoals dus de genade het fundament is van de juiste gerichtheid van de wil en van de verlichting van het heldere verstand, zo moeten wij beginnen met te bidden, vervolgens heilig leven, en ten derde onze gedachten richten op de manifestatie van de Waarheid, en door dit te doen geleidelijk aan opstijgen, totdat wij de hoge berg bereiken, “waar de God der goden gezien kan worden op Sion.”
9. Welnu, omdat men op de ladder van Jacob eerst opstijgt en dan afdaalt, moeten wij de eerste trap van ons opstijgen helemaal onderaan zetten; wij moeten ons heel deze zintuiglijk waarneembare wereld voor ogen plaatsen als een spiegel, om zo over te steken naar God, de allerhoogste Maker. Zo zullen wij de ware Hebreeën zijn, die vanuit Egypte oversteken naar het land dat de Vaderen beloofd is; wij zullen zo ook Christenen zijn, met Christus overstekend “uit deze wereld naar de Vader”; wij zullen zo tevens minnaars van de wijsheid zijn die roept en zegt: “Steekt over naar mij, gij allen die mij begeert en verzadigt u aan mijn vruchten.” “Want uit de grootheid van de gestalte der schepping zal kennis van de Schepper van deze dingen verkregen kunnen worden.”
10. De hoogste macht, wijsheid en welwillendheid van de Schepper licht echter op in de geschapen werkelijkheid, in deze zin dat het uitwendige, lichamelijke zintuig op drie manieren informatie verschaft aan het inwendige. Want het lichamelijke zintuig dient het verstand, dat ofwel redenerend een onderzoek instelt, ofwel vertrouwvol gelooft, ofwel verstandelijk beschouwt. Wanneer het beschouwt, heeft het, het feitelijke bestaan van de dingen voor ogen, wanneer het gelooft de regelmatige gang van de dingen, wanneer het redeneert de machtige voortreffelijkheid van de dingen.
11. In het eerste geval is de blik van de beschouwende op de dingen in zichzelf gericht en hij ziet daarin zwaarte, getal en maat; de zwaarte die zich toont in de plaats, waarheen de dingen neigen, het getal, waardoor zij onderscheiden zijn, en de maat, waardoor zij begrensd worden. -En hierdoor ziet hij in die dingen zijnswijze, schoonheid en orde, alsook hun substantie, hun kracht en hun werking. -Op grond van dit alles kan hij, als op grond van een spoor, oprijzen tot het begrijpen van de macht, de wijsheid en de oneindige goedheid van de Schepper.
12. In het tweede geval richt de blik van de gelovige zich op deze wereld en vestigt hij zijn aandacht op oorsprong, verloop en einde. -Want door het geloof nemen wij aan dat de wereld tot stand gekomen is door het Woord des Levens; door het geloof nemen wij aan dat de tijden van drie wetten elkaar opvolgen en een volkomen geordend verloop gehad hebben, namelijk de tijd van de natuur, die van de Schrift en die van de genade; door het geloof nemen wij aan dat de wereld in een laatste oordeel haar einde moet vinden. In het eerste onderkennen wij de macht van het Hoogste Beginsel, in het tweede zijn voorzienigheid, in het derde zijn rechtvaardigheid.
13. In het derde geval ontwaart de blik van de redenerende onderzoeker, dat sommige dingen alleen maar zijn, andere zijn en leven, weer andere zijn, leven en onderscheiden. Ook ziet hij dat de eerste het minst zijn, de tweede er tussenin staan en de derde het best zijn. Hij ziet verder dat sommige dingen alleen lichamelijk zijn, andere deels lichamelijk deels geestelijk; daaruit maakt hij op dat er dingen zijn die zuiver geestelijk zijn, als zijnde beter en van hogere waarde dan de twee andere – Hij ziet eveneens dat sommige dingen veranderlijk en vergankelijk zijn, zoals de aardse, andere veranderlijk en onvergankelijk, zoals de hemelse; daaruit maakt hij op dat er dingen zijn die onveranderlijk en onvergankelijk zijn, zoals dat wat boven de hemel is. Vanuit deze zichtbare dingen stijgt hij dus op naar de beschouwing van de macht, de wijsheid en de goedheid van God, als zijnde, als levend en kennend, zuiver geestelijk en onvergankelijk en onveranderlijk.
14. Deze beschouwing kan in een breder kader geplaatst worden aan de hand van de zevenvoudige wijze van zijn van de schepselen, die een zevenvoudig getuigenis is van de macht, de wijsheid en de goedheid van God; men kan namelijk bij alle dingen in ogenschouw nemen de oorsprong, de grootte, de veelheid, de schoonheid, de volheid, de werking en de orde. De oorsprong van de dingen in schepping, scheiding en opluistering, zoals in het zesdagenwerk gerealiseerd, verkondigt de goddelijke macht die alles uit het niets te voorschijn roept, de wijsheid die alles duidelijk scheidt, en de goedheid die alles fraai opluistert. De grootte van de dingen is in de massa met zijn lengte, breedte en diepte; zij is in de buitengewone kracht die zich in de lengte, de breedte en de diepte uitbreidt, zoals dit te zien valt in de verspreiding van het licht; zij is in de krachtdadige innerlijke werking, die continu is en om zich heen grijpt, zoals te zien is in de activiteit van het vuur. Deze grootte verwijst duidelijk naar de onmetelijke macht, wijsheid en goedheid van de drie-ene God, die door zijn macht, aanwezigheid en wezen in alle dingen op grenzeloze wijze te vinden is.  De veelheid van de dingen met hun verscheidenheid van geslachten, soorten en individuen, in substantie, in vorm of gestalte, en in krachtdadigheid -iets dat boven iedere menselijke beoordeling uitgaat -is een duidelijke aanduiding en een bewijs van de onmetelijkheid van de drie genoemde eigenschappen in God. De schoonheid van de dingen die is in de verscheidenheid van lichten, figuren en kleuren in de enkelvoudige, de gemengde en ook in de samengestelde lichamen, zoals in de hemellichamen en de mineralen, zoals in gesteenten en metalen, in de planten en in de dieren, verkondigt de drie genoemde eigenschappen duidelijk. De volheid van de dingen, op grond waarvan de materie vol is van vormen vanwege de kiemkrachten die erin zijn, de vorm vol is van kracht vanwege haar actieve vermogen, en de kracht vol is van effecten vanwege haar krachtdadigheid, legt een duidelijk getuigenis af van hetzelfde. De veelvoudige werking, de natuurlijke, de kunstige en de morele, toont in haar geweldige verscheidenheid de onmetelijkheid van die kracht, kunstvaardigheid en goedheid, die namelijk voor alle dingen “de oorzaak van het zijn, de grond van het kennen en de norm van het leven is.” De orde onder het gezichtspunt van duur, plaats en invloed, dat wil zeggen waar het gaat om eerder en later, hoger en lager, voornamer en minder voornaam, verwijst in het boek van de schepping duidelijk naar het primaat, de verhevenheid en de waardigheid van het Eerste Beginsel in zoverre dit een oneindige macht bezit. De orde van de goddelijke wetten, geboden en oordelen in het boek van de Schrift verwijzen naar de onmetelijkheid van de wijsheid. De orde van de goddelijke Sacramenten, weldaden en beloningen in het lichaam van de Kerk verwijzen naar de onmetelijkheid van de goedheid. Zo voert deze orde ons heel duidelijk naar de Eerste, de Hoogste, de Machtigste, de meest Wijze en de Beste.
15. Wie door zo’n grote schittering van de geschapen dingen niet verlicht wordt, is blind; wie door zulk een luid geroep niet wakker wordt, is doof; wie op grond van  deze werken God niet prijst, is van spraak verstoken; wie op grond van zo grote tekenen het Eerste Beginsel niet opmerkt, is dwaas – Open dus uw ogen, spits de oren van de geest, maak uw lippen los en stel uw hart in, om in alle schepselen uw God te zien, te horen, te prijzen, te beminnen en te dienen, te verheerlijken en te eren, opdat niet soms de hele aarde tegen u opstaat. Want daarom “zal de aarde strijden tegen de onverstandigen”; en anderzijds zal er reden tot glorie zijn Voor de verstandigen, die met de Profeet kunnen zeggen: “Heer, Gij zijt Voor mij een bron van vreugde geweest in uw schepping ik zal juichen om het werk van uw handen.” “Hoe geweldig zijn uw werken Heer; Gij hebt alles in wijsheid gemaakt, de aarde is vol van wat u toebehoort.”

Hoofdstuk II

Het beschouwen van God in de sporen die er van Hem zijn in deze zintuiglijk waarneembare wereld
1. Maar het is ten aanzien van de spiegel van de zintuiglijk waarneembare dingen niet alleen mogelijk dat men door die dingen als via sporen tot de beschouwing van God komt; dit kan ook in die dingen, in zoverre Hij daarin is door zijn wezen, macht en aanwezigheid. Deze wijze van beschouwen is hoger dan de voorafgaande; daarom komt deze vorm van benadering op de tweede plaats als de tweede trap van beschouwing. Wij moeten daardoor geleid worden naar het beschouwen van God in alle schepselen, die door de lichamelijke zintuigen in onze geest binnenkomen.
2. Men moet nu in acht nemen dat deze wereld, die ‘grote wereld’ (macrokosmos) genoemd wordt, in onze ziel, die ‘wereld in het klein’ (microkosmos) genoemd wordt, binnenkomt door de poorten van de vijf zintuigen, in zoverre die zintuiglijke dingen worden waargenomen, genoten en beoordeeld. Dit wordt duidelijk in wat volgt. In de kosmos onderscheidt men hetgeen voortbrengt, hetgeen Voortgebracht is en hetgeen over deze beide heerst. Hetgeen voortbrengt, dat zijn de enkelvoudige lichamen, te weten de hemellichamen en de vier elementen. Want alles wat geboren en voortgebracht wordt door de werking van een natuurlijke kracht, wordt geboren en voortgebracht uit de elementen door de kracht van het licht dat de tegenstellingen van de elementen in de gemengde dingen verzoent. Voortgebracht zijn de lichamen die uit de elementen samengesteld zijn, zoals de mineralen, de planten, de dieren en het lichaam van de mens. Hetgeen over deze beide lichamen heerst, zijn de geestelijke substanties; dit kunnen zijn de substanties die volledig met het lichaam verbonden zijn, zoals de zielen der redeloze dieren, of die welke er zodanig mee verbonden zijn dat ze ook ervan gescheiden kunnen worden, zoals de geest van met rede begaafde levende wezens, of die welke totaal van het lichamelijke gescheiden zijn, zoals de hemelse geesten, die de filosofen Intelligenties, en die wij Engelen noemen. Volgens de filosofen is het hun taak de hemellichamen te bewegen; en daarom wordt aan hen het beheer van het heelal toegeschreven. Zij krijgen van de eerste oorzaak, dat is God, een kracht ingestort, die zij krachtens hun beheerstaak weer laten doorstromen; een taak die het voortbestaan van de natuur der dingen beoogt. Naar de opvatting van de theologen evenwel wordt aan hen het bestuur over het al toegekend in opdracht van de Hoogste God, en wel met het oog op de werken van het herstel. Daarom worden zij genoemd: “diendende geesten, gezonden ten dienste van hen die de erfenis van het heil ontvangen.”
3. De mens, die ‘wereld in het klein’ genoemd wordt, heeft dus vijf zintuigen; dit zijn als het ware vijf poorten, waardoor de kennis van alles wat in de zintuiglijke wereld aanwezig is in zijn ziel binnenkomt. Want door het zien komen de lichtende lichamen aan de hemel en verder alles wat kleur bezit binnen; door de tastzin de vaste lichamen die van aarde zijn; door de drie zintuigen daartussenin komen de lichamen daartussenin binnen, zoals door de smaakzin de waterachtige, door het gehoor de luchtachtige, door de reuk de dampachtige; deze laatste hebben iets van de natuur van het vochtige, iets van die van de lucht en iets van die van het vuur of het warme, zoals blijkt uit de geur die uit specerijen los komt. Er treden door deze poorten zowel enkelvoudige lichamen binnen als samengestelde, die uit de eerste zijn gemengd. Wij nemen echter niet alleen de objecten waar die bij ieder zintuig apart horen, te weten: licht, geluid, geur, smaak, en de vier primaire hoedanigheden die door de tastzin worden waargenomen, maar ook die welke de zintuigen gemeen hebben, te weten, getal, grootte, vorm, rust en beweging. Omdat nu “al wat bewogen wordt, door iets anders bewogen wordt,” en er dingen zijn die uit zichzelf bewogen worden en rusten, bij voorbeeld de dieren, worden wij, wanneer wij door onze vijf zintuigen de bewegingen van lichamen waarnemen, tot de kennis van de geestelijke bewegers geleid; zo worden wij door het effect tot de kennis van de oorzaken gevoerd.
4. Heel deze zintuiglijke wereld komt dus met haar drie soorten van dingen door de waarneming in de menselijke ziel binnen. Het zijn deze zintuiglijke dingen die buiten ons zijn, die het eerst door de poorten van de vijf zintuigen in de ziel binnenkomen. Zij komen binnen, zeg ik, niet met hun substanties maar door hun afbeeldingen, die eerst in de ruimte tussen ding en waarnemer zijn ontstaan, en vanuit die tussenruimte in het orgaan, en van het uitwendige orgaan in het inwendige, en van daaruit in het waarnemingsvermogen. Zo wordt door de vorming van het beeld in de tussenruimte en vanuit die ruimte in het orgaan, en door de toewending van het waarnemend vermogen naar dat beeld, de waarneming van al die dingen die de ziel buiten zich waarneemt tot stand gebracht.
5. Als deze waarneming iets betreft dat bij ons past, volgt het genieten. Het zintuig
schept genoegen in het object dat door het daarvan afgeleide beeld is waargenomen, ofwel vanwege de schoonheid -, met name bij het zien -, ofwel vanwege de bevalligheid -met name bij het ruiken en het horen, of vanwege de heilzaamheid, – met name bij smaken en tasten in de eigenlijke zin van het woord. Alle genieting vindt haar oorzaak in juiste verhouding. Maar ieder beeld (dat tot ons komt) heeft het karakter van vorm, van kracht en van werking, al naar gelang het gaat om het beginsel, waaruit het voortkomt, het middentraject dat het aflegt en het eindpunt waarheen het zich beweegt. Daarom wordt die juiste verhouding ofwel gevonden in de gelijkenis, daar waar zij het karakter heeft van gestalte of vorm, -en dan spreekt men van schoonheid; want “schoonheid is niets anders dan gelijke getalsverhouding,” of “een bepaalde positie van delen, gepaard met bekoorlijkheid van kleur.” Of de juiste verhouding wordt gevonden daar waar zij het karakter heeft van vermogen of kracht -en dan spreekt men van bevalligheid, wanneer namelijk de werkende kracht tot het ontvangende zintuig niet in ongeproportioneerde verhouding staat; want alles wat extreem is doet de zintuigen pijn, maar in het gematigde vinden zij genoegen. Of zij wordt gevonden daar waar zij het karakter heeft van krachtdadigheid en inwerking; deze is dan in de goede verhouding, wanneer het actieve beginsel door zijn inwerking de behoefte van de ontvanger vervult; dat betekent dat het deze onderhoudt en voedt; en dit is vooral te constateren bij de smaak en de tastzin. Zo treden door het gelijkende beeld in drie vormen van genieting de bekoorlijke uitwendige dingen door het genoegen de ziel binnen.
6. Op dit waarnemen en genieten volgt het oordeel; daarbij wordt niet alleen geoordeeld of iets wit is of zwart, want dat is een zaak van één zintuig afzonderlijk, en ook niet alleen of het heilzaam is of schadelijk, want dat is een zaak van het inwendige zintuig. Het gaat er ook om dat geoordeeld wordt en verantwoording wordt afgelegd, waaróm iets genoegen schept. In deze beoordelingsact wordt namelijk gevraagd naar het waarom van de genieting, die het object in dit zintuig teweeg brengt. Dit is zoveel als vragen naar de reden waarom iets schoon, welgevallig en heilzaam is. Dan zal men bevinden, dat deze ligt in de gelijkheid in verhoudingen.  Deze gelijkheid is dezelfde in grote en kleine dingen, zij wordt niet groter door afmetingen, en zij verandert of verdwijnt niet met dingen die veranderen, en zij wordt niet anders door bewegingen. Zij ziet dus af van plaats, tijd en beweging. Bijgevolg is zij onveranderlijk, niet te omschrijven en niet te omgrenzen; zij is zonder meer geestelijk. Het oordeel is dus een act die de zintuiglijk vorm, die door de zintuigen op zintuiglijk niveau is waargenomen, door ze te zuiveren en door af te zien van de stof, doet binnengaan in het verstandelijk kenvermogen. Zo komt heel deze wereld door de drie voornoemde werkingen via de poort van de zintuigen in de menselijke ziel binnen.
7. Dit nu zijn allemaal sporen, waarin wij onze God kunnen schouwen. Want het beeld dat wij waarnemen is een gelijkenis die in de ruimte tussen ons en het object is ontstaan, en vervolgens is het in ons waarnemingsorgaan geprent; door deze inprenting voert het ons naar zijn oorsprong, dat is het te kennen object. Hiermee wordt duidelijk het volgende gesuggereerd: dat verheven Eeuwige Licht brengt uit zichzelf een gelijkenis of afstraling voort die geheel gelijkend is, van dezelfde substantie en even eeuwig; en Hij die “het beeld is van de onzichtbare God,” “de afstraling van zijn heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen,” Hij die overal is door zijn eerste geboorte (uit de Vader) -zoals een (zintuiglijk) object een gelijkenis van zichzelf voortbrengt in de hele tussenruimte -Hij verenigt zich door de genade van de éénwording met een individueel rationeel wezen, zoals het beeld zich verenigt met het zintuiglijk orgaan. Door die éénwording wil Hij ons terugvoeren naar de Vader als naar de bron, het beginsel en het doel van alles. Zo hebben dus alle kenobjecten het vermogen om een beeld van zichzelf voort te brengen, en daarmee verkondigen zij luid, dat in hen als in een spiegel de eeuwige geboorte gezien kan worden van het Woord, Evenbeeld en Zoon, die van eeuwigheid uit God de Vader uitstroomt.
8. Evenzo suggereert het beeld dat doet genieten, als zijnde schoon, bevallig en heilzaam, dat in dat Eerste Beeld de primaire schoonheid, bevalligheid en heilzaamheid is; in Hem is namelijk de hoogste evenredigheid en gelijkheid met Degene die Hem voortbrengt; in Hem is een kracht, die niet via een zintuiglijk beeld maar door de waarheid de waarnemer ten deel valt; van Hem gaat een inwerking uit die heilzaam is en genoegzaam en die ieder gemis in de waarnemer wegneemt. Als dan “het genieten bestaat in het samentreffen van wat bij elkaar past,” en het Evenbeeld van God alleen het karakter heeft van in de hoogste mate schoon, bevallig en heilzaam te zijn, en Het één is (met de Vader) in een ware, innige en volledige eenheid die alle bevattingsvermogen vervult, dan mag duidelijk zijn dat in God alleen de oorspronkelijke, ware genieting is, en dat wij door alle genietingen tot het zoeken van die genieting geleid worden.
9. Op een nog verhevener en directer wijze echter voert het oordeelons tot een zekerder schouwen van de eeuwige waarheid. Als namelijk het oordeel tot stand komt door een redeneren dat voorbijziet aan plaats, tijd en veranderlijkheid, en daarmee aan uitgebreidheid, opeenvolging en verandering, en dit geschiedt op grond van een denken dat onveranderlijk is en onbegrensd in ruimte en tijd; als verder alleen het eeuwige onveranderlijk is en onbegrensd in tijd en ruimte, en al het eeuwige God is of in God; -als wij dus alles waarover wij met grote zekerheid oordelen met zulk een redeneren beoordelen, dan is duidelijk dat Hij de grond van alle dingen is, het onfeilbaar richtsnoer, en het licht van de waarheid waarin alles oplicht op een wijze die onfeilbaar is, niet te verdelgen, niet te betwijfelen, niet te weerleggen, niet te onderwerpen aan enig oordeel, onveranderlijk, onaantastbaar, oneindig, ondeelbaar en geestelijk. Derhalve, omdat de wetten waarmee wij met zekerheid oordelen over al de zintuiglijke dingen die voorwerp van ons kennen worden, onfeilbaar zijn en niet te betwijfelen voor het verstand van degene die ze vat, en niet te delgen uit de herinnering van hem die ze zich te binnenbrengt, altijd present als ze zijn; en omdat ze onweerlegbaar zijn en niet onderhevig aan het verstand van iemand die oordeelt – want, zoals Augustinus zegt, “niemand oordeelt over deze wetten maar iedereen oordeelt ermee,” -daarom moeten zij onveranderlijk en onvergankelijk zijn, omdat zij noodzakelijk zijn; ze moeten onaantastbaar zijn, omdat zij onbegrensd zijn, en oneindig, omdat ze eeuwig zijn; en daarom moeten zij ondeelbaar zijn, omdat zij geestelijk en onlichamelijk zijn, niet gemaakt maar ongeschapen, eeuwig bestaande in het eeuwige kunstenaarschap, waaruit en waardoor en in overeenstemming waarmee al het schone gevormd wordt. Daarom kan men ook niet met zekerheid oordelen tenzij door dat kunstenaarschap dat niet alleen de vormgevende kracht was die alles voortbracht, maar die ook alles bewaart en onderscheidt. Het is het Zijnde dat de vorm in alles bewaart en het richtsnoer dat alles stuurt en waardoor onze geest alles oordeelt wat door de zintuigen in ons binnentreedt.
10. Deze beschouwing kan in een breder kader geplaatst worden, wanneer wij de zeven verschillende soorten getallen in de beschouwing betrekken, waarlangs men als over zeven trappen naar God kan opstijgen, zoals Augustinus laat zien in zijn boek De ware godsdienst en in het zesde boek van zijn verhandeling over De muziek. Daar geeft hij verschillende soorten getallen aan, die trapsgewijs van deze zintuiglijke werkelijkheid opstijgen tot de Schepper van alles, zodat God in alles kan worden gevonden. Hij zegt namelijk dat er getallen zijn in de stoffelijke dingen, vooral in klanken en stemmen, en hij noemt deze ‘klinkend’; getallen die daarvan zijn geabstraheerd en in onze zintuigen opgenomen, en die noemt hij ‘binnentredend’; getallen die vanuit de ziel in het lichaam naar voren komen, zoals dat zich voordoet in gebaren en dans, en die noemt hij ‘naar buiten tredend’; getallen in de genietingen van de zinnen, doordat de aandacht zich richt op het (voorstellings)beeld dat is opgenomen, en deze noemt hij getallen ‘van het gevoel’; getallen die in het geheugen bewaard worden, en die noemt hij getallen ‘van het geheugen’; ook zijn er getallen, waarmee wij over alle eerder genoemde oordelen, en die noemt hij getallen ‘van het oordeel’; deze zijn, zoals gezegd, noodzakelijkerwijs boven de geest uitgaand, omdat zij onfeilbaar en niet aan enig oordeel te onderwerpen zijn; door deze laatste worden in onze geest de getallen ‘van de kunst’ gedrukt; deze neemt Augustinus echter niet op in de scala, omdat zij één geheel vormen met de getallen ‘van het oordeel’. Uit deze komen de ‘naar buiten tredende’ voort, waaruit de getal-rijke vormen van de kunstwerken geschapen worden; zo vindt een ordelijke afdaling plaats van het hoogste via het midden naar het laagste. Naar deze (getallen ‘van het oordeel’) stijgen wij ook trap na trap op, van de ‘klinkende’, via de ‘binnentredende,’ ‘die van het gevoel’ en ‘die van het geheugen.  Omdat dus alles schoon is en op enigerlei wijze te genieten, en schoonheid en genieting niet kunnen bestaan zonder evenredigheid, en evenredigheid allereerst in getallen te vinden is, daarom moet alles vol getal zijn. En om die reden is het getal het voornaamste voorbeeld in de geest van de Schepper” en in de dingen is het het voornaamste spoor dat leidt naar de Wijsheid. En omdat dit voor iedereen volkomen duidelijk is en aan God het meest nabij, leidt het ons als het ware langs zeven verschillende wegen tot zeer dicht bij God, en maakt het, dat Hij gekend wordt in alle lichamelijke en zintuiglijk waarneembare dingen, wanneer wij hun rijkdom aan getallen waarnemen, en van de getal-rijke verhoudingen genieten en door de wetten van de getal-rijke verhoudingen in staat zijn onweerlegbaar te oordelen.
11. Uit deze eerste twee trappen, waarlangs wij tot het schouwen van God in zijn sporen geleid worden, als waren het de twee vleugels die tot de voeten (van de Seraf) reiken, kunnen wij afleiden dat alle schepselen van deze zintuiglijke wereld de ziel van de beschouwende en wijze mens naar de eeuwige God leiden; want van dat eerste zeer machtige, zeer wijze en zeer goede beginsel, van die eeuwige oorsprong, van dat eeuwige licht en die eeuwige volheid, van die kunstvaardigheid die schept en voorbeeld is en ordent, zijn zij de schaduwen, de weerklank en de afbeelding; zij zijn de sporen, de evenbeelden en de schouwspelen, die ons worden voorgehouden om God te schouwen, en de tekenen die ons van Godswege gegeven zijn; zij zijn, zeg ik, voorbeelden of liever afbeeldingen, voorgehouden aan onze nog onontwikkelde en aan de zintuigen gebonden geest, opdat deze door het zintuiglijke dat hij ziet, wordt gebracht tot het geestelijke dat hij niet ziet, als door tekenen naar hetgeen door die tekenen wordt aangeduid.
12. Die schepselen nu van deze zintuiglijke wereld zijn een teken van het onzichtbare in God, deels omdat God de oorsprong, het voorbeeld en het doel van heel de schepping is, en ieder effect een teken is van zijn oorzaak, en een afbeelding van het voorbeeld, en de weg teken van het doel waarnaar hij leidt. Deels zijn zij dit door wat zij zelf voorstellen, deels door profetische voorafbeelding, deels door werking van engelen, deels door een daaraan toegevoegde instelling. Want ieder schepsel is van nature een zekere afbeelding of gelijkenis van die eeuwige Wijsheid; maar dit geldt speciaal van dat schepsel dat in het boek van de Schrift door de geest van profetie is aangewend als een voorafbeelding van geestelijke zaken; en nog meer speciaal van die schepselen, in wier gestalte Hij door middel van engelen wilde verschijnen; het meest speciaal echter van die welke Hij heeft willen instellen als teken; dit schepsel heeft niet alleen het karakter van teken in de gewone zin, maar ook dat van sacrament.
13. Uit dit alles volgt dat “de onzichtbare dingen van God vanaf de schepping van de wereld door het geschapene met het verstand worden geschouwd,” zodat zij die dit niet willen zien en God niet in al deze dingen willen kennen, zegenen en beminnen, “niet te verontschuldigen zijn,” omdat zij niet overgebracht willen worden “van de duisternis naar het wonderlijke licht van God.” “God zij echter gedankt door Jezus Christus, onze Heer,” “die ons van de duisternis heeft overgebracht naar zijn wonderlijk licht”; want door die van buiten af gegeven lichten worden wij in de juiste gesteltenis gebracht om weer voor de spiegel te treden van onze geest, waarin het goddelijke oplicht.

Hoofdstuk III

Het beschouwen van God door zijn beeld dat in de natuurlijke vermogens is ingeprent.
I. De twee trappen, hierboven besproken, die ons naar God leiden door zijn sporen, waardoor Hij in alle schepselen oplicht, hebben ons zover gebracht dat wij weer binnentraden bij onszelf, dat wil zeggen in onze geest, waarin het beeld van God oplicht. Daarom moeten wij nu als derde stap bij onszelf binnen treden, waarbij wij als het ware de voorhof daarbuiten verlaten en trachten in het Heilige, dat is het voorste gedeelte van de tabernakel, door een spiegel (de ziel) God te zien. Daar zal bij wijze van kandelaar het licht van de waarheid schijnen op het gelaat van onze geest, omdat daarin het beeld van de allerzaligste Drieëenheid weerspiegeld wordt. Treed dus binnen bij uzelf en zie, hoe uw geest zichzelf allervurigst bemint. Hij zou zichzelf echter niet kunnen beminnen als hij zichzelf niet zou kennen; en hij zou zichzelf niet kennen als hij zichzelf niet in herinnering had, want wij vatten niets met ons verstand wat niet in onze herinnering aanwezig is. Hieruit ziet u, niet met het oog van het lichaam maar met het oog van het verstand dat uw ziel een drievoudig vermogen heeft. Bezie dus van deze drie vermogens de werkingen en hun onderlinge relaties, en u zult God door uzelf als door een beeld kunnen zien; dat is de betekenis van zien “door een spiegel in raadselen.”
2. De werking van de herinnering ligt in het vasthouden en weer voor ogen stellen niet alleen van wat aanwezig is, het lichamelijke en tijdelijke, maar ook van de elkaar opvolgende dingen, van de enkelvoudige en van de altijd zijnde dingen. Want de herinnering houdt de dingen uit het verleden vast door het geheugen; die uit het heden door ze op te nemen, de toekomstige door ze te voorzien. Zij houdt ook de enkelvoudige dingen vast, zoals de beginselen van kwantitatieve grootheden, de uit één geheel en de uit deeltjes bestaande, zoals de punt, het ogenblik en de eenheid, zonder welke het onmogelijk is zich dat waaraan zij ten grondslag liggen te herinneren of te denken. Zij houdt eveneens de beginselen en de axioma’s van de wetenschappen vast als dingen die altijd zijn en altijd in het geheugen blijven; want zolang zij in het bezit van het verstand is, kan de herinnering deze dingen nooit in die mate vergeten dat zij bij het horen ervan ze niet goedkeurt en ermee instemt, niet als iets dat zij voor het eerst verneemt maar als iets dat zij als ingeboren en vertrouwd herkent. Dit blijkt duidelijk, wanneer men iemand de uitspraak voorhoudt: “Van alles geldt dat het ofwel bevestigd of ontkend kan worden,” of “leder geheel is groter dan een deel ervan,” of welk ander axioma ook, dat men met de innerlijke rede niet kan tegenspreken. Op grond nu van de eerste activiteit waarmee de herinnering op een bepaald moment alle tijdelijke dingen, die van het verleden, het heden en de toekomst vasthoudt, is zij een beeld van de eeuwigheid, want het ondeelbare heden van de eeuwigheid strekt zich uit over alle tijd. Op grond nu van de tweede is duidelijk dat zij niet alleen van buitenaf gevormd wordt door voorstellingsbeelden, maar ook van bovenaf door enkelvoudige vormen (ideeën) te ontvangen, die niet kunnen binnenkomen door de poorten van de zintuigen of de voorstellingen van zintuiglijke dingen. Op grond van de derde is het zo dat voor de herinnering een onveranderlijk licht aanwezig is, waarin zij zich onveranderlijke waarheden herinnert. Zo blijkt in de werkingen van de herinnering dat de ziel zelf een beeld is van God en een gelijkenis, die zo voor zichzelf aanwezig is en Hem aanwezig heeft, dat zij Hem in werkelijkheid vat en door dit vermogen “Hem vatten kan en deel aan Hem kan hebben.”
3. De werking van het denkvermogen is gelegen in het vatten door het verstand van woorden, uitspraken en gevolgtrekkingen. Het verstand vat de betekenis van woorden, wanneer het begrijpt wat iets is door middel van een definitie. Maar een definitie komt tot stand door middel van het hogere (begrip), en dit wordt weer door het nog hogere gedefinieerd, totdat men komt bij het hoogste en meest algemene. Indien men dit hoogste niet kent, kan men het lagere niet vatten in een definitie. Als men dus niet weet wat het zijnde op zichzelf is, kan men geen volledige kennis hebben van de definitie van een speciaal wezen.  Ook kan men het zijnde op zichzelf niet kennen als men het niet kent met zijn hoedanigheden, namelijk één, waar en goed. Nu kan het zijnde gedacht worden als onvolledig en volledig, als onvolmaakt en volmaakt, als een zijnde in mogelijkheid en als een zijnde in werkelijkheid, als een zijnde in relatie tot iets en als zijnde zonder meer, als gedeeltelijk zijnde en als geheel zijnde, als voorbijgaand zijnde en als blijvend zijnde, als zijnde door iets anders en als zijnde uit zichzelf, als zijnde vermengd met niet-zijnde en als zuiver zijnde, als afhankelijk zijnde en als absoluut zijnde, als later zijnde en als eerder zijnde, als veranderlijk zijnde en als onveranderlijk zijnde, als enkelvoudig zijnde en als samengesteld zijnde. Aangezien “het missen van iets of het tekort aan iets alleen maar begrepen kan worden vanuit het hebben ervan,” kan ons verstand, wanneer het de zin van enig geschapen zijnde tot op de bodem wil nagaan, daartoe niet komen, als het niet geholpen wordt door de kennis van het meest zuivere, meest werkelijke, meest volkomen en absoluut zijnde. Dit is het zijnde zonder meer, dat eeuwig is, waarin de zijnsgronden van alle dingen in hun zuivere staat aanwezig zijn. Hoe immers zou het verstand weten dat iets gebrekkig en onaf is, als het geen enkel begrip zou hebben van het zijnde zonder enig gebrek. Hetzelfde geldt van de andere boven genoemde hoedanigheden. Het verstand wordt verder geacht alleen dan de betekenis van een uitspraak waarlijk te vatten, wanneer het met zekerheid weet dat deze waar is. En dit weten betekent weten dat het zich niet kan vergissen in deze kennis. Het verstand weet namelijk dat die waarheid niet anders kan zijn. Het weet dus dat die waarheid onveranderlijk is. Maar onze geest zelf is veranderlijk. Daarom kan hij die waarheid die hem in zulk een onveranderlijke gestalte oplicht niet zien tenzij door een licht dat totaal onveranderlijk straalt; en dit licht kan onmogelijk een veranderlijk schepsel zijn. Hieruit volgt dat onze geest kennis bezit van dat licht, “dat ieder mens verlicht die in deze wereld komt,” dat is: “het ware licht” en “het Woord dat in het begin bij God was.” Ons verstand vat tenslotte werkelijk de zin van een gevolgtrekking, wanneer het ziet dat de conclusie noodzakelijk volgt uit de premissen, en dit niet alleen wanneer het noodzakelijke maar ook wanneer het contingente termen betreft, bij voorbeeld: ‘ als de mens loopt, beweegt de mens.’ Dit noodzakelijke verband neemt het verstand waar, niet alleen in de dingen die zijn, maar ook in die niet-zijn. Zoals immers in het geval van een mens die bestaat geldt: ‘als de mens loopt, beweegt hij,’ zo ook van de mens die niet bestaat.  Het noodzakelijke karakter van zulk een gevolgtrekking komt dus niet voort uit het bestaan van iets in de stoffelijke realiteit, want die is contingent; en ook niet uit het bestaan ervan in de ziel, want dan zou het iets denkbeeldigs zijn, als het namelijk niet in de werkelijkheid bestond. Derhalve komt het voort uit het feit dat er een voorbeeld is in het eeuwige kunstenaarschap. Daaraan ontlenen de dingen hun onderling op elkaar afgestemd zijn en hun onderlinge relatie en vertegenwoordigen zo dat eeuwige kunstenaarschap. Het is dus zoals Augustinus in zijn werk over De ware godsdienst zegt: Het licht van ieder die naar waarheid redeneert wordt ontstoken aan die Waarheid en streeft ernaar tot haar te komen. Hieruit blijkt duidelijk dat er een verband bestaat tussen ons verstand en de eeuwige waarheid zelf, aangezien het niets met zekerheid als waar kan vatten, als het niet door haar onderricht wordt. U kunt dus in uzelf de waarheid zien die u onderricht geeft, als de begeerten en de zintuiglijke voorstellingen u niet hinderen en zich als een wolk plaatsen tussen u en de lichtstraal van de waarheid.
4. De werking van het keuzevermogen is te zien in het overleg, het oordeel en het verlangen. Overleg bestaat in het onderzoeken wat beter is, dit of dat. Maar beter kan alleen gezegd worden in zoverre iets dichter bij het beste komt; dit dichterbij komen bestaat in een grotere gelijkenis. Niemand weet dus of iets beter is dan iets anders, als hij niet weet dat het meer op het beste lijkt. Maar niemand weet dat iets meer op iets anders lijkt, als hij dit andere niet kent. Immers, ik weet niet dat deze persoon op Piet lijkt, als ik van Piet niets weet of hem niet ken. Dus moet ieder die overlegt noodzakelijk een begrip van het hoogste goed ingeprent gekregen hebben. Een zeker oordeel over zaken die voorwerp van overleg zijn veronderstelt een of andere wet. Niemand kan een zeker oordeel vellen op grond van een wet, als hij er niet zeker van is dat die wet juist is en dat hij die wet zelf niet aan een oordeel hoeft te onderwerpen. Maar onze geest oordeelt wel over zichzelf. Omdat hij nu niet kan oordelen over de wet, krachtens welke hij oordeelt, is die wet boven onze geest verheven; en krachtens die wet oordeelt onze geest, omdat deze hem ingeprent is. Nu is niets hoger dan de menselijke geest tenzij alleen Hij die hem geschapen heeft. Derhalve raakt ons overleggend vermogen bij het oordelen, wanneer het de zaken echt grondig doorzoekt, aan goddelijke wetten. Het verlangen richt zich allereerst op datgene wat de meeste aantrekkingskracht erop uitoefent. De meeste aantrekkingskracht oefent datgene uit wat het meest bemind wordt. Het meest bemind is het geluk. Maar men kan niet gelukkig zijn tenzij men het beste en het laatste doel bereikt heeft. Dus streeft het menselijk verlangen iets alleen na, omdat het, het hoogste goed is, of omdat het daartoe leidt of omdat dat het een zekere gelijkenis daarmee vertoont. Zo groot is de kracht van het hoogste goed, dat door een schepsel niets bemind kan worden tenzij op grond van het verlangen naar dit hoogste goed. En dit schepsel vergist zich en begeeft zich op dwaalwegen, wanneer het de afbeelding en de gelijkenis ervan voor de waarheid houdt. Zie dus hoe de ziel God nabij is en hoe het geheugen naar de eeuwigheid leidt, het denken naar de waarheid, het keuzevermogen naar de hoogste goedheid, ieder volgens zijn werking.
5. Door de orde, de oorsprong en de onderlinge relatie van deze vermogens leidt de zielons binnen in de allerzaligste Drie-eenheid zelf.  Want uit de herinnering ontstaat het kennen als haar telg; wij kennen immers dan wanneer de gelijkenis die in de herinnering is duidelijk voor het oog van ons verstand opdaagt; en dit is niets anders dan het (inwendige) woord. Uit herinnering en kennis komt de adem van de liefde voort als de band tussen die twee. Deze drie, namelijk de geest die voortbrengt, het woord en de liefde, zijn in de ziel als herinnering, verstand en wil; en deze zijn één in wezen, geheel gelijk en even oud, en zij doordringen elkaar over en weer. Als God derhalve een volmaakte geest is, heeft Hij herinnering, verstand en wil; Hij heeft zowel een Woord dat is voortgebracht als een Liefde die is geademd; deze zijn noodzakelijkerwijs onderscheiden, omdat de een door de ander wordt voortgebracht, maar dit is geen wezenlijk en ook geen accidenteel onderscheid, dus is het een onderscheid in personen. Wanneer dus onze geest zichzelf beschouwt, dan stijgt hij als door een spiegel op tot de beschouwing van de zalige Drie-eenheid van Vader, Woord en Liefde, drie personen, even eeuwig, volkomen gelijk en één in wezen; zodat ieder in ieder van de anderen is en de een toch de andere niet is, maar die drie één God zijn.
6. Tot deze beschouwing omtrent haar drie-ene Beginsel komt de ziel op grond van de drieheid van haar vermogens, waardoor zij een beeld van God is; en zij wordt daarbij geholpen door het licht van de wetenschappen; deze vormen en vervolmaken haar en roepen op drievoudige wijze het beeld van de allerzaligste Drie-eenheid op. Want alle filosofie betreft ofwel de natuur, of de rede of de zeden. De eerst gaat over de oorzaak van het zijn, en voert dus naar de macht van de Vader; de tweede over de grond van het kennen en voert dus naar de wijsheid van het Woord; de derde over de norm van leven, en voert dus naar de goedheid van de Heilige Geest. Verder wordt de eerstgenoemde verdeeld in metafysica, wiskunde en natuurkunde. De eerste handelt over het wezen van de dingen, de tweede over getallen en figuren, de derde over de natuur, de krachten en de werkingen die ervan uitgaan. Daarvan voert de eerste naar het Eerste Beginsel, de Vader, het tweede naar zijn Beeld, de Zoon, de derde naar de Gave van de Heilige Geest. De tweede wordt verdeeld in de grammatica, die de mens in staat stelt zich uit te drukken, de logica, die hem de scherpzinnigheid geeft om te argumenteren, de retorica die de vaardigheid schenkt tot overtuigen of ontroeren. Dit is eveneens een verwijzing naar het mysterie van die allerzaligste Drie-eenheid. De derde wordt verdeeld in de filosofie van eenling, familie en staat. De eerste duidt het oorsprongsloze van het Eerste Beginsel aan, de tweede de verwantschapsverhouding van de Zoon, de derde de vrijgevigheid van de Heilige Geest.
7. AI deze wetenschappen hebben vaste en onwankelbare regels die als lichtstralen vanuit de eeuwige wet in onze geest neerdalen. Daarom kan onze geest, door zoveel straling overgoten en verlicht, als hij niet blind is, uit zichzelf gebracht worden tot het schouwen van dat eeuwige licht. De straling van dit licht en de beschouwing ervan richt het oog van de wijzen in bewondering omhoog, maar de niet-wijzen, die niet geloven om tot inzicht te komen, brengt het in verwarring. Zo gaat het woord van de profeet in vervulling: “U Iaat een wonderlijk licht schijnen van de eeuwige bergen; alle dwazen van hart zijn in verwarring gebracht.”

Hoofdstuk IV

De beschouwing van God in zijn beeld, dat door de genadegaven is herschapen.
I. Het is ons evenwel gegeven het Eerste Beginsel niet alleen te beschouwen op onze weg door onszelf, maar ook in onszelf. En dit laatste is verhevener dan het voorafgaande. Daarom vormt deze wijze van bespiegeling de vierde trap van onze beschouwing. Nu mag het vreemd lijken, dat, hoewel aangetoond is dat God onze geest zo nabij is, slechts zo weinigen ertoe komen het Eerste Beginsel in zichzelf te beschouwen. De reden daarvan is echter duidelijk. Omdat de menselijke geest door zorgen afgeleid wordt, treedt hij niet in zichzelf door de herinnering; omdat hij beneveld is door voorstellingsbeelden, gaat hij niet in zichzelf terug door het denken; omdat hij verleid wordt door begeerten, keert hij niet in zichzelf terug door verlangen naar innerlijk genot en geestelijke vreugde. Omdat hij zo totaal in de zintuiglijke dingen gevangen zit, kan de geest niet opnieuw in zichzelf als beeld van God binnentreden.
2. Aangezien iemand noodzakelijkerwijs daar blijft liggen waar hij is neergevallen, “tenzij iemand komt en hem helpt opstaan,” kon onze ziel niet volkomen uit dat  zintuiglijke omhoog geheven worden om in zichzelf zicht te krijgen op zichzelf en op de eeuwige Waarheid, als niet de Waarheid, door in Christus de menselijke gestalte aan te nemen, voor haar de trap werd, die de vroegere trap, die in Adam gebroken was, herstelde. Iemand mag daarom nog zo verlicht zijn door het licht van de natuur en de wetenschap die hij verworven heeft, hij kan niet in zichzelf binnentreden, om in zichzelf “te genieten in de Heer,” tenzij door tussenkomst van Christus, die zegt: “Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnenkomt, zal hij gered worden en in- en uitgaan en weidegrond vinden.” Tot die deur nu naderen wij alleen, wanneer wij in Hem geloven, op hem hopen en Hem beminnen. Als wij dus opnieuw willen komen tot het genieten van de waarheid evenals in het paradijs, dan is het noodzakelijk dat wij binnengaan door het geloof in, de hoop op en de liefde tot de middelaar tussen God en mensen, Jezus Christus, die als het ware de boom van het leven is in het midden van het paradijs.
3. Het beeld van onze geest moet dus met het bovenkleed van de drie goddelijke deugden omhangen worden. Hierdoor wordt de ziel gezuiverd, verlicht en vervolmaakt en zo wordt het beeld herschapen en gelijkvormig gemaakt aan het Jeruzalem van omhoog; het gaat deel uitmaken van de strijdende Kerk, die, naar het woord van de Apostel, kind van het hemelse Jeruzalem is. Hij zegt immers: “Dat Jeruzalem van omhoog is vrij, en het is onze moeder.” De ziel is nu vervuld van geloof, hoop en liefde jegens Jezus Christus, die het vleesgeworden, ongeschapen en van de Geest vervulde Woord is, -“Hij is de weg, de waarheid en het leven.” En doordat zij door haar geloof vertrouwt op Christus als het ongeschapen Woord, dat Woord en afstraling is van de Vader, krijgt zij het geestelijke gehoor en gezicht terug; het gehoor om de woorden van Christus op te nemen, het gezicht om stralingen van zijn licht te zien. Doordat zij in hoop ernaar hunkert om het van de Geest vervulde Woord op te nemen, krijgt zij door haar verlangen en haar gevoel de geestelijke reuk terug. Doordat zij met haar liefde het vleesgeworden Woord omarmt, waarbij zij door hem met vreugde vervuld wordt en door een extatische liefde in Hem overgaat, krijgt zij smaak en tastzin terug. En na deze zinnen herwonnen te hebben kan zij, wanneer zij haar bruidegom ziet, hoort, ruikt, smaakt en omhelst, een zang aanheffen evenals de bruid van het Hooglied. Dit lied werd gemaakt om de ziel te oefenen in de beschouwing op deze vierde trap, waartoe niemand in staat is tenzij degene die het ontvangt; want zij is meer gelegen in gevoelservaring dan in een overweging van het verstand. Want nu de inwendige zinnen hersteld zijn om het hoogst schone waar te nemen, het hoogst harmonische te horen, het hoogst geurige te ruiken, het hoogst zoete te proeven en het hoogst aangename te ervaren, wordt de ziel op deze trap ingesteld op geestelijke vervoeringen; en dit door toewijding, bewondering en geestdrift, overeenkomstig die drie uitroepen in het Hooglied. Daarvan komt de eerste voort uit een bijzonder grote toewijding, waardoor de ziel wordt als een kolom van geurige rook van mirre en wierook, de tweede uit een buitengewone bewondering, waardoor de ziel wordt als de dageraad, de maan en de zon, in overeenstemming met de steeds grotere verlichtingen, die de ziel omhoog voeren tot bewondering van de bruidegom die zij ziet; de derde uit een overmaat van geestdrift, waardoor de ziel, geheelleunend op haar geliefde, overvloedig de genoegens ervaart van een allerheerlijkste genieting.
4. Wanneer onze geest zover gekomen is, krijgt hij een heilige structuur, om daarin omhoog te stijgen en zo te lijken op dat Jeruzalem van omhoog, waarin niemand kan binnentreden als het niet eerst zelf door de genade in zijn hart neerdaalt, zoals Johannes in zijn Apocalyps gezien heeft. Het daalt dán in het hart neer, wanneer door het herscheppen van het beeld, door de theologische deugden en door de genietingen in de inwendige zinnen en de vervoeringen die hem omhoog heffen, onze geest een heilige structuur gekregen heeft omdat hij namelijk gezuiverd, verlicht en vervolmaakt wordt.  Zo wordt hij ook getekend door negen opeenvolgende trappen, wanneer in zijn innerlijk successievelijk tot stand komen melding, beoordeling, geleiding, ordening, sterking, beheersing, opneming, openbaring, en zalving, die in hun ordening beantwoorden aan de negen rangen van engelen; en wel zo dat de eerste drie van genoemde trappen betrekking hebben op de natuur in de menselijke geest, de drie volgende op de eigen inspanning, de laatste drie op de genade. Wanneer de ziel dit alles verworven heeft, treedt zij binnen in zichzelf en daarmee in het Jeruzalem van omhoog. Daar ziet zij de rangen van engelen en in hen ziet zij God, die in hen wonend al hun werken verricht. Daarom zegt Bernardus tot Eugenius: “God bemint in de Serafs als liefde, kent in de Cherubs als waarheid, zetelt in de Tronen als gerechtigheid, heerst in de Hoogheden als majesteit, regeert in de Heerschappijen als vorst, beschermt in de Machten als heil, werkt in de Krachten als kracht, openbaart in de Aartsengelen als licht, is in de engelen aanwezig als zorg.” Op grond van dit alles wordt God gezien als alles in allen, doordat Hij geschouwd wordt in de geesten, waarin Hij woont door de gaven van zijn overvloedige liefde.
5. Op deze trap van beschouwing is de studie van de Heilige Schrift, die ons van Godswege gegeven is, van speciaal en uitzonderlijk belang, zoals de filosofie dit was op de vorige. De Heilige Schrift gaat immers hoofdzakelijk over de werken van het herstel. Daarom handelt zij vooral over geloof, hoop en liefde; door deze deugden en heel speciaal door de liefde, wordt de ziel herschapen. Over deze laatste zegt de Apostel dat zij “het doel van het gebod is,” wanneer zij “voorkomt uit een zuiver hart, een goed geweten en een oprecht geloof.” Zij is “de volheid van de Wet,” zoals dezelfde Apostel zegt. En onze Verlosser zegt dat heel de Wet en de Profeten hangen aan de twee geboden van de Liefde, namelijk die tot God en die tot de naaste. Deze twee worden beoefend in de ene bruidegom van de Kerk, Jezus Christus, die tegelijk naaste is en God, tegelijk broeder en Heer, tegelijk koning en vriend, tegelijk ongeschapen en vleesgeworden Woord, onze Schepper en Herschepper, als Alpha en Omega. Hij is ook de hoogste Heiligmaker, die zijn bruid zuivert, verlicht en vervolmaakt, dat wil zeggen de hele Kerk en iedere heilige ziel.
6. Over deze Heiligmaker dus en over de heilige structuur van de Kerk gaat heel de Heilige Schrift. Door haar worden wij in de zuivering, verlichting en vervolmaking onderwezen, en dit volgens de drievoudige wet die in haar is overgeleverd, namelijk die van de natuur, de Schrift en de genade; of liever volgens haar drie hoofddelen, namelijk de wet van Mozes die zuivert, de profetische openbaring die verlicht en de onderrichting van het evangelie die tot volmaaktheid brengt; of nog liever volgens haar drievoudige geestelijke zin: de tropologische, die zuivert en zo tot deugdzaam leven leidt, de allegorische, die verlicht en zo tot helder inzicht voert, de anagogische, die tot volmaaktheid brengt door geestelijke vervoering en de heerlijke ervaring van de wijsheid; en dit in de lijn van de bovengenoemde drie goddelijke deugden en de herschapen geestelijke zinnen en de drie boven vermelde vormen van vervoering en de werkingen die de geest een heilige structuur geven, waardoor onze geest naar zijn eigen innerlijk terugkeert, om daar God te schouwen in de stralende glans van het Heilige, en daarin als in een bruidsbed slaapt en vrede en rust vindt, terwijl de bruidegom ons bezweert haar niet te wekken voordat zij uit eigen wil tevoorschijn treedt.
7. Door deze twee tussentrappen keren wij in onszelf, om in ons zelf God te schouwen als in de spiegels van de geschapen beelden. Zij zijn als de vleugels die uitgespreid waren voor de vlucht en die de middenplaats innamen. Wij kunnen hieruit begrijpen dat wij naar het goddelijke geleid worden enerzijds door de vermogens van de rationele ziel zelf, die haar van nature zijn ingeplant, met name in de activiteiten van hun kennen en in de gerichtheid en de aanleg ervan. -Dit leert ons de derde trap. Wij worden er ook heen geleid door de herschapen vermogens van de ziel, en wel door de als genade geschonken krachten, de geestelijke zinnen en de geestelijke vervoeringen. -Zo leert ons de vierde trap. Wij worden eveneens geleid door de werkingen die een heilige structuur veroorzaken, namelijk die van zuivering, verlichting en vervolmaking van de menselijke geest; door de voortschrijdende openbaringen van de Heilige Schrift die ons geschonken zijn door de engelen, naar dat woord van de Apostel: “de Wet is gegeven door engelen in de hand van een middelaar.” Tenslotte worden wij erheen geleid door de hiërarchieën, d.i. de reeks heiligende trappen die in onze geest moeten worden opgericht zoals in het hemelse Jeruzalem.
8. Wanneer onze ziel van al dit geestelijke licht is vervuld, wordt zij door de goddelijke Wijsheid als huis van God bewoond; zij is dochter van God geworden, zijn bruid en vriendin; zij is lidmaat van het hoofd Christus geworden, zijn zuster en mede-erfgename; zij is ook tempel van de Heilige Geest geworden, gefundeerd op het geloof, opgebouwd door de hoop en aan God gewijd door de heiligheid van geest en lichaam. Dit alles komt tot stand door de zeer zuivere liefde van Christus, die “in onze harten wordt uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is”; zonder deze geest kunnen wij de geheimen van God niet kennen. Zoals immers niemand kan weten “wat in de mens is tenzij de geest van de mens, die in hem is, zo weet ook niemand wat in God is tenzij de geest van God.” Laten wij dus geworteld en gegrondvest zijn in de liefde “om met alle heiligen te kunnen begrijpen, wat de lengte is” van de eeuwigheid, “wat de breedte is” van de vrijgevigheid, “wat de hoogte is” van de majesteit, “en wat de diepte is” van de wijsheid die oordeelt.

Hoofdstuk V

Het beschouwen van de goddelijke eenheid door haar eerste naam: het Zijn
1. Het is mogelijk God te schouwen niet alleen buiten ons en binnen ons, maar ook boven ons: buiten ons door een Spoor, binnen ons door een beeld, en boven ons door een licht, dat als een stempel op onze geest gedrukt is en dat het licht is van de eeuwige Waarheid, want “onze geest wordt direct gevormd door de Waarheid zelf.” Zij nu, die zich geoefend hebben in de eerste wijze van beschouwen zijn reeds binnengetreden in de voorhof vóór de tabernakel, zij die de tweede beoefend hebben, zijn in het Heilige binnengegaan; zij die zich in het derde oefenen, treden met de Hogepriester in het Heilige der Heiligen binnen. Daar zijn boven de ark de cherubs van de glorie die het verzoendeksel overschaduwen. In deze Cherubs zien wij de twee manieren of trappen van het beschouwen van het onzichtbare en eeuwige in God; de ene richt zich op het wezenlijke in God, de ander op het eigene van de personen.
2. De eerste beschouwingswijze richt de blik eerst en vooral op het zijn zelf en zegt dat de eerste naam van God is ‘Hij die is.’ De tweede richt de blik op het Goede zelf en zegt dat dit de eerste naam van God is. De eerste beschouwing heeft hoofdzakelijk betrekking op het Oude Testament, dat vooral de eenheid van het goddelijk wezen verkondigt. Daarom wordt tot Mozes gezegd: “Ik ben die ik ben.” De tweede op het Nieuwe Testament dat de veelheid van personen aangeeft door te dopen “in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.” Daarom heeft onze leermeester Christus, toen hij de jongeman die de Wet onderhouden had tot de evangelische volmaaktheid wilde opwekken, de benaming ‘goed’ allereerst en in strikte zin aan God toegekend. Hij zei: “niemand is goed tenzij God alleen.” Dus volgt Damascenus Mozes, wanneer hij zegt: de eerste naam van God is ‘Hij die is,’ en volgt Dionysius Christus, wanneer hij zegt: de eerste naam van God is ‘de Goede.’
3. Wie dus het onzichtbare in God in de eenheid van zijn wezen wil beschouwen, moet zijn blik allereerst richten op het zijn zelf; hij moet beseffen dat dit zijn in zichzelf zo absoluut zeker is dat het niet gedacht kan worden niet te zijn; want dat allerzuiverste zijn laat zich alleen maar denken als totaal ontkomen aan het niet-zijn, zoals ook het niets zich alleen laat denken als totaal ontkomen aan het zijn. Zoals dus het algehele niets niets van het zijn en de hoedanigheden daarvan heeft, zo heeft anderzijds het zijn zelf niets van het niet-zijn, noch in werkelijkheid noch in mogelijkheid, noch in de objectieve waarheid noch in onze gedachten. Omdat nu het niet-zijn het missen van het zijn is, kan het alleen door het zijn in ons denken komen. Het zijn echter komt niet in ons door iets anders, want wat gedacht wordt, wordt ofwel gedacht als niet-zijnde, of als zijnde in mogelijkheid of als zijnde in werkelijkheid. Als dus het niet-zijnde alleen gevat kan worden door het zijnde, en het zijnde in mogelijkheid alleen door het zijnde in werkelijkheid, en ‘zijn’ de naam is voor de zuivere verwerkelijking van het zijnde, dan is het het ‘zijn’ dat allereerst in het denken komt, en dat zijn is zuivere verwerkelijking. Maar dit is niet het zijn van iets aparts, dat een beperkt zijn is, omdat het vermengd is met mogelijkheid; en ook geen analoog-zijn, omdat dit het minste aan realiteit bezit, omdat het allerminst is. Rest dus, dat dit zijn het goddelijk zijn is.
4. Merkwaardig blind dus is het verstand, dat geen oog heeft voor wat het het eerste ziet en zonder hetwelk het niets kan kennen. Maar zoals het oog dat gericht is op een verscheidenheid van kleuren het licht niet ziet, waardoor het al het overige ziet; en als het het ziet, het dit niet opmerkt; zo is het ook met onze geest. Gericht als hij is op de bijzondere en algemene zijnden, merkt hij het zijn zelf dat buiten alle categorieën staat niet op, ook al doet dit zich het eerst aan de geest voor en het andere alleen door dat zijn. Zo blijkt, hoe waar het woord is dat zegt: “zoals het oog van de vleermuis zich gedraagt ten opzichte van het licht, zo gedraagt zich het oog van onze geest ten opzichte van de dingen die in de realiteit het meest duidelijk zijn.”  Want gewend als het is aan de duisternis van de zijnden en aan de voorstellingsbeelden van de zintuiglijke dingen, krijgt het, wanneer het het licht zelf van het hoogste zijn ziet, de indruk dat het niets ziet. Het begrijpt niet dat juist deze duisternis de hoogste verlichting van onze geest is, zoals ons oog het gevoel heeft niets te zien, wanneer het in het zuivere licht kijkt.
5. Richt uw oog dus, als u kunt, op het zuiverste zijn zelf; dan blijkt u, dat dit niet kan worden gedacht als iets wat ontvangen is van een ander; en zo wordt het noodzakelijkerwijs gedacht als iets wat in alle opzichten het eerste is, iets wat noch uit het niets kan zijn noch uit wat dan ook. Wat anders toch zou door zichzelf kunnen zijn, als het zijn zelf niet door zichzelf en uit zichzelf is? Dan blijkt u ook dat het alle niet-zijn mist en daarom nooit begint en nooit eindigt, maar eeuwig is. Dan blijkt u tevens dat het niets in zich heeft tenzij het zijn zelf, en dat het daarom met niets samengesteld is, maar volkomen enkelvoudig. Dan blijkt u dat het niets mogelijks in zich heeft, omdat alles wat mogelijk is op enigerlei wijze iets van het niet-zijn in zich heeft; en dat het daarom in de hoogste mate werkelijk is. Dan blijkt dat het niets heeft van een tekort, en daarom hoogst volmaakt is. Tenslotte zal u blijken dat het niets heeft van verscheidenheid, en daarom in de hoogste mate één is. Het zijn dus, dat het zuivere zijn is en het zijn zonder meer en het absolute zijn, is het eerste, eeuwige, volkomen enkelvoudige, hoogst werkelijke, hoogst volmaakte en in de hoogste mate ene zijn.
6. En deze dingen zijn dermate zeker, dat door geen denkend wezen het zijn zelf als daaraan tegengesteld gedacht kan worden; en het ene hiervan brengt  noodzakelijkerwijs het andere mee. Want juist omdat het zonder meer zijn is, daarom is het ook zonder meer eerste; omdat het zonder meer eerste is, daarom is het niet door een ander voortgebracht en kan het ook niet door zichzelf ontstaan; dus is het eeuwig. Evenzo, omdat het het eerste is en eeuwig, daarom is het niet uit andere dingen samengesteld, dus volkomen enkelvoudig. Evenzo omdat het het eerste is en eeuwig en volkomen enkelvoudig, daarom is het verwerkelijking zonder dat het met mogelijkheid vermengd is, en daarom is het hoogste werkelijkheid. Evenzo omdat het het eerste is, eeuwig, volkomen enkelvoudig en hoogste werkelijkheid. daarom is het hoogst volmaakt; aan zoiets ontbreekt totaal niets en kan ook niets worden toegevoegd. Omdat het het eerste is, eeuwig, volkomen enkelvoudig, hoogste werkelijkheid en hoogst volmaakt, daarom is het in de hoogste mate één. Want een uitnemendheid in allerlei opzichten kan toegekend worden aan alle mogelijke dingen. Maar wat zonder meer uitnemend genoemd wordt, dat moet noodzakelijk aan één iets toebehoren. Als God dan de naam van het eerste, eeuwige, volkomen enkelvoudige, hoogst werkelijke, hoogst volmaakte is, dan is het onmogelijk te denken dat Hij niet is en evenmin dat Hij niet één enkel wezen zou zijn. “Hoor dus, Israël, uw God is de ene God.” Als u dit in zuivere eenvoud van geest ziet, dan zult u door een straling van het eeuwige licht overgoten worden.
7. Maar er is iets dat u in een staat van nog grotere bewondering zal brengen. Want het zijn zelf is eerste, maar ook laatste; het is eeuwig, maar ook in hoogste mate in het heden; het is hoogst enkelvoudig, maar ook meest omvattend; het is hoogst werkelijk, maar ook volkomen onveranderlijk; het is hoogst volmaakt, maar ook onmetelijk; het is in de hoogste mate één en toch alzijdig. Al u zich hierover met een zuivere geest verwondert, zult u door een nog groter licht overgoten worden, wanneer u namelijk ook nog ziet dat het juist daarom laatste is, omdat het eerste is. Want omdat het eerste is, doet het alwat het doet omwille van zichzelf; en daarom is het noodzakelijkerwijs het laatste doel; het is begin en voltooiing, alpha en omega. Het is juist daarom in de hoogste mate in het heden, omdat het eeuwig is. Want omdat het eeuwig is, vloeit het niet voort uit iets anders en is het niet aan verval onderhevig, en gaat het niet over van het een in het ander; derhalve heeft het geen verleden en geen toekomst, maar alleen een heden. Het is daarom meest omvattend, omdat het volkomen enkelvoudig is. Want omdat het volkomen enkelvoudig in wezen is, daarom is het meest omvattend in kracht; immers naarmate kracht meer een eenheid is, in die mate is zij meer grenzeloos. Het is juist daarom volkomen onveranderlijk, omdat het in de hoogste mate werkelijk is. Want omdat het in de hoogste mate werkelijk is, is het zuivere verwerkelijking. En wat zo is, verwerft niets nieuws, verliest niets van wat het heeft; en is daarom niet aan verandering onderhevig. Het is juist daarom onmetelijk, omdat het hoogst volmaakt is. Want omdat het hoogst volmaakt is, kan men niets denken dat beter is of edeler of waardiger, en daarom niets dat groter is; wat zo is, is onmetelijk. Het is juist daarom alzijdig, omdat het in de hoogste mate één is. Want wat in de hoogste mate een is, is het alomvattende beginsel van alle veelheid; en daarom is het de alles omvattende werkoorzaak, voorbeeldige oorzaak en doeloorzaak, zoals het “oorzaak van zijn is, grond van kennis en norm van leven.” Het is dus alzijdig, niet als het wezen van alles, maar als van alle wezens de meer dan voortreffelijke en meest universele en in de hoogste mate voldoende grond; omdat de kracht van deze grond in wezen hoogste eenheid is, daarom is zij in haar werking in de hoogste mate oneindig en veelvoudig.
8. Laten wij dit nogmaals onder woorden brengen. Omdat dus het meest zuivere en absolute zijn, dat zonder meer is, het eerste en het laatste is, daarom is het van alles de oorsprong en het doel dat de voltooiing brengt. Omdat het eeuwig en in hoogste mate in het heden is, daarom omvat het alle duur en doordringt deze; het is alsof het tegelijk het middelpunt en de omtrek ervan is. Omdat het volkomen enkelvoudig en meest omvattend is, daarom is het volledig in alles en volledig buiten alles, en daarom is het “een intelligibele (bovenzinnelijke) bol, waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is.” Omdat het het meest werkelijk en onveranderlijk is, daarom is het “zelf onbewogen en doet het alles bewegen.” Omdat het geheel volmaakt en onmetelijk is daarom is het in alles zonder ingesloten te zijn, buiten alles zonder uitgesloten te zijn, boven alles zonder er bovenuit te steken te zijn en onder alles zonder neer te liggen. Omdat het in de hoogste mate één en alzijdig is, daarom is het “alles in alles”; ook al betekent ‘alles’ veelheid en is het zelf volledig één; en dit, omdat het door zijn hoogst enkelvoudige eenheid, zijn meest zuivere waarheid en meest oprechte goedheid in het bezit is van alle krachtdadigheid, alle voorbeeldigheid en alle mededeelzaamheid; daarom “is alles uit Hem door Hem en in Hem,” en wel omdat Hij almachtig, alwetend en algoed is; en wie dit volkomen ziet, is gelukkig, zoals tot Mozes gezegd is: “ik zal u al het goede laten zien.”

Hoofdstuk VI

Het beschouwen van de allerzaligste Drieëenheid in haar naam: het Goede
I. Na het wezenlijke (in God) overdacht te hebben, moeten wij het oog van ons verstand omhoog richten om onze beschouwing op de allerzaligste Drie-eenheid te richten, opdat zo de tweede Cherub naast de eerste geplaatst wordt. Zoals nu voor het zien van het wezenlijke het zijn zelf het grondbeginsel is en de naam waardoor al het andere gekend wordt, zo is voor het beschouwen van de uitstromingen (in God) het goede zelf het allerdiepste fundament.
2. Zie dus en merk op: wat zonder meer is, is zeer goed; het is het beste dat gedacht kan worden; en dit is zodanig dat men niet met recht kan denken dat het niet is.  Want algemeen geldt: zijn is beter dan niet-zijn. Het is ook zodanig dat men het niet met recht anders kan denken dan als drievoudig en één. Want het goede, zo wordt gezegd, deelt zichzelf mee. Dus deelt het hoogste goede zichzelf in hoogste mate mee. Dit in de hoogste mate meedelen moet noodzakelijkerwijs daadwerkelijk en diep innerlijk zijn, wezenlijk en persoonlijk, natuurlijk en vrijwillig, vrijuit en noodzakelijk, zonder gebrek en volmaakt. Wanneer er dus in het hoogst goede niet van eeuwigheid een daadwerkelijk en wezensgelijk proces van voortbrenging zou zijn, en een even edele persoon, zoals daar een voortbrengen is door verwekking en ademing -er is dus sprake van een beginsel dat van eeuwigheid medebeginsel is -, zodat er een geliefde was en een medegeliefde, een zoon en een geademde, dat is Vader, Zoon en Heilige Geest, dan zou er geen hoogste goed zijn, omdat het niet in de hoogste mate zichzelf zou meedelen. Want een zichzelf meedelen in de tijd, zoals dat in de schepping geschiedt, is niet meer dan een stip of een punt in verhouding tot de onmetelijkheid van de eeuwige goedheid. Er kan dus ook een andere wijze van meedelen gedacht worden, die groter is dan deze; namelijk zulk een waarbij degene die meedeelt de ander aan heel zijn wezen en natuur deelachtig maakt. Er zou dus geen sprake van hoogste goed zijn, als het deze vorm van meedelen zou kunnen missen, hetzij in werkelijkheid hetzij in het denken. Als u dus met het oog van de geest de zuivere goedheid kunt zien, die de zuivere verwerkelijking is van het beginsel dat in belangeloze liefde bemint met een liefde die onverschuldigd, een die verschuldigd is en een die een menging is van deze twee -dit is een meedelen in de volste zin van natuur en wil, een meedelen in de vorm van het Woord, waarin alles gezegd wordt, en in de vorm van de Gave, waarin de overige gaven geschonken worden -dan kunt u zien dat op grond van de hoogste  mededeelzaamheid van het goede er noodzakelijk een Drieëenheid is van Vader, Zoon en Heilige Geest. In Hen moet op grond van de hoogste goedheid de hoogste mededeelzaamheid zijn, en op grond van de hoogste mededeelzaamheid de hoogste eenheid in wezen, en op grond van de hoogste eenheid in wezen de hoogste onderlinge gelijkvormigheid, en op grond daarvan de hoogste onderlinge gelijkheid en bijgevolg de hoogste mede-eeuwigheid, en op grond van al het eerder genoemde de hoogste onderlinge innigheid, waardoor de een noodzakelijk in de ander is door de hoogste wederzijdse doordringing en de een met de ander werkt in de totale ongedeeldheid van substantie, kracht en werking van deze allerzaligste Drieëenheid.
3. Maar wanneer u dit overweegt, zie er dan op toe dat u niet meent de Onbegrijpelijke te begrijpen. Want u moet bij deze zes eigenschappen nog iets anders bedenken, hetgeen het oog van onze geest met een geweldige verbazing zal vervullen. Want hier gaat de hoogste mededeelzaamheid samen met eigenheid van personen, de hoogste eenheid in wezen met veelheid van personen; de hoogste gelijkvormigheid met onderscheid in personen, de hoogste onderlinge gelijkheid met rangorde, de hoogste mede-eeuwigheid met uitstroming, de hoogste onderlinge innigheid met zending. Wie zal bij het zien van zoveel wonderlijke dingen niet verbaasd staan? Maar wij begrijpen met de grootste zekerheid dat dit alles in de allerzaligste Drieëenheid is, wanneer wij ons oog richten op de meer dan alleruitmuntendste goedheid. Als daar immers hoogste gemeenschappelijkheid en ware zelfmededeling is, dan is daar ware oorsprong en waar onderscheid. En omdat het geheel wordt meegedeeld, niet een deel, daarom wordt datgene wat de persoon heeft ook als geheel gegeven; dus zijn degeen die uitstroomt en degeen die voortbrengt weliswaar naar eigenschappen onderscheiden maar toch wezenlijk één. Omdat zij dan naar eigenschappen onderscheiden worden, daarom hebben zij persoonlijke eigenschappen alsmede een veelheid van personen; een uitstromen van de oorsprong en een ordening niet van wat later komt maar van oorsprong; een zending niet in termen van plaatselijke verandering maar van genadige inblazing, krachtens het gezag dat hij die voortbrengt heeft, het gezag van hem die zendt ten opzichte van de gezondene. Omdat zij echter wezenlijk één zijn, daarom moet er eenheid zijn in wezen en vorm, in waarde en eeuwigheid, in bestaan en onbegrensdheid. Wanneer u dus deze dingen ieder op zichzelf beziet, dan kunt u daarin de waarheid zien. Wanneer u ze tezamen neemt, dan zult u daardoor tot de hoogste bewondering omhoog gevoerd worden. Om uw geest dus in bewondering naar een wonderlijk schouwen te laten opstijgen, moet u dit alles tegelijk in ogenschouw nemen.
4. Want dat duiden ook de Cherubs aan, die elkaar aankeken. En ook is niet zonder geheimenis dat zij elkaar aankeken, terwijl hun gezicht gekeerd was naar het verzoendeksel. Daarmee wordt bewaarheid, wat de Heer bij Johannes zegt: “Dit is het eeuwig leven dat zij U, de enige ware God, kennen en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.” Want wij moeten niet alleen vol bewondering zijn voor de wezenlijke en persoonlijke eigenschappen van God in zichzelf, maar ze ook zien in relatie tot de meer dan bewonderenswaardige vereniging van God en mens in de eenheid van de persoon van Christus.
5. Als u immers een Cherub bent door het beschouwen van het wezenlijke in God, en u zich erover verwondert dat het goddelijke tegelijk eerste en laatste is, eeuwig en in hoogste mate in het heden, volkomen enkelvoudig en het meest omvattend of onbegrensd, overal helemaal en nooit te vatten, hoogst werkelijk en nooit bewogen, hoogst volmaakt en zonder iets te veel of te weinig, maar toch onmetelijk en grenzeloos oneindig, in de hoogste mate één en toch alzijdig, omdat het alles in zich heeft, alle kracht, alle waarheid en alle goed; -zie dan naar het verzoendeksel (Christus) en sta verbaasd dat in Hem het eerste beginsel verbonden is met het laatste, God met de mens die op de zesde dag geschapen is; het eeuwige verbonden met de tijdelijke mens, geboren uit de Maagd in de volheid van de tijden; het volkomen enkelvoudige met het hoogst samengestelde, het hoogst werkelijke met dat wat in de hoogste mate aan lijden en sterven onderhevig was, het hoogst volmaakte en onmetelijke met het geringe, het hoogst ene en alzijdige met een individueel wezen, dat samengesteld is en van anderen onderscheiden, de mens Jezus Christus.
6. Maar als u de andere Cherub bent door het schouwen van het eigene van de personen en gij u erover verbaast dat mededeelzaamheid gepaard gaat met eigenheid, eenheid in wezen met veelheid, onderlinge gelijkvormigheid met persoonzijn, onderlinge gelijkheid met ordening, mede-eeuwigheid met voortbrenging, onderlinge innigheid met zending omdat de Zoon gezonden is door de Vader, en de Heilige Geest door beiden; de Geest die niettemin altijd met Hen is en nooit van Hen wijkt; -zie dan naar het verzoendeksel en verbaas u erover, dat de ene persoon in Christus samengaat met drieheid van personen (in de Triniteit) en tweeheid van naturen; dat daar is: volledige eensgezindheid gepaard gaande met meerheid van wil; een gemeenschappelijke benoeming als God en mens gepaard gaande met veelheid van eigenschappen; een gemeenschappelijke aanbidding gepaard met veelheid van adeldom; gemeenschappelijke verheerlijking met veelheid van waardigheid, gemeenschappelijke heerschappij met veelheid van machten.
7. In deze beschouwing is de volmaakte verlichting van de geest vervat; deze ziet namelijk als op de zesde dag, hoe de mens gemaakt is naar het beeld van God. Immers, een beeld is een tot uitdrukking gebrachte gelijkenis. Wanneer nu onze geest in Jezus Christus, die van nature het beeld is van de onzichtbare God, onze mensheid zo wonderlijk verheven ziet en zo onzegbaar verenigd; wanneer hij ziet hoe met elkaar verenigd zijn het eerste en het laatste, het hoogste en het laagste, de omtrek en het middelpunt, de Alpha en Omega, het veroorzaakte en de oorzaak, de Schepper en het schepsel, dat is het boek van binnen en van buiten beschreven, dan is hij met iets volmaakts in aanraking gekomen. Hij bereikt zo met God op de zesde trap, als op de zesde dag, de volmaaktheid van zijn verlichtingen; en er rest hem niets anders meer dan de dag van rust, waarop het scherp ziende oog van de menselijke geest door de geestelijke vervoering rust vindt “van al het werk dat hij verrichtte.”

Hoofdstuk VII

De geestelijke en mystieke vervoering, waarin rust gegeven wordt aan het verstand, en waarin het gevoel door de vervoering geheel in God overgaat
1. Zes beschouwingen zijn nu dus ten einde gevoerd. Zij zijn als de zes trappen van de echte troon van Salomo, waarlangs men tot de vrede komt en waarin de ware vreedzame in vreedzame gesteltenis rust vindt als in het innerlijke Jeruzalem. Zij zijn ook als de zes vleugels van de Cherub, waarop de geest van de ware beschouwer, in het volle licht van de wijsheid van boven, zich omhoog kan verheffen. Zij zijn eveneens als de zes eerste dagen, waarop de geest zich dient te oefenen, om uiteindelijk te komen tot de rust van de sabbat. Onze geest heeft daarbij God gezien buiten zichzelf; zowel door de sporen van Hem als in die sporen; en in zichzelf; zowel door het beeld van Hem als in dit beeld; en boven zichzelf; zowel door de gelijkenis van het goddelijk licht die over ons oplicht als in het licht zelf; voorzover de toestand van onderweg-zijn en de graad van geoefendheid van onze geest dit toelaten. En nu onze geest op de zesde trap tenslotte ertoe gekomen is in het eerste en hoogste beginsel en in de middelaar tussen God en mensen, Jezus Christus, datgene te zien waarvan in de geschapen werkelijkheid geen gelijkenis te vinden is, wat alle scherpzinnigheid van het menselijk verstand te boven gaat, nu rest onze geest nog om, deze dingen beschouwend, zich te verheffen en uit te stijgen, niet alleen boven deze zintuiglijke wereld maar ook boven zichzelf. Bij die opgang is Christus de weg en de deur, is Christus de ladder en het voertuig; Hij is als het verzoendeksel, geplaatst boven de ark van God, en het geheimenis dat van eeuwigheid verborgen was.
2. Wie zijn gelaat geheel naar dit verzoendeksel (Christus) keert en met geloof, hoop en liefde, met toewijding, bewondering, geestdrift, waardering, lof en gejuich, opziet naar Hem die hangt aan het kruis, hij maakt met Hem het Pascha, dat is de doortocht, mee; hij zal zo met behulp van de staf van het kruis de rode zee doorgaan en vanuit Egypte de woestijn in trekken, waar hij “het verborgen manna” kan smaken, en met Christus rusten in het graf, als iemand die naar het uiterlijk dood is, maar toch ervaart, voorzover dit mogelijk is zolang hij nog op weg is in dit leven, wat op het kruis door Christus tot de moordenaar die naast hem hing gezegd is: “Heden zult gij met mij zijn in het paradijs.”
3. Dit werd ook aan de heilige Franciscus getoond, toen hij in de vervoering van de beschouwing verkeerde op de hoge berg -waar ik hetgeen ik hier schreef heb  overwogen -en hem een aan het kruis gehechte Seraf met zes vleugels verscheen, zoals ik en vele anderen van de metgezel die toen bij hem was hebben gehoord. Door de vervoering van de beschouwing ging hij daar in God over; en is hij is tot voorbeeld van volmaakte beschouwing gesteld, zoals hij tevoren een voorbeeld van actie geweest was; zo werd hij als een tweede Jakob en een tweede Israël. God wilde namelijk door hem alle waarlijk spirituele mannen uitnodigen tot zulk een overgang en geestelijke vervoering, en dit meer door zijn voorbeeld dan door zijn woorden.
4. Wil deze overgang volmaakt zijn, dan moet men daarbij alle verstandelijke activiteiten achter zich laten, en zich in het diepste van zijn gevoel geheel verplaatsen in God en zich in Hem laten omvormen. Dit is een zeer verborgen geheimenis, dat niemand kent behalve wie het ontvangt, niemand ontvangt behalve wie het verlangt, niemand verlangt behalve wie in het diepst van zijn hart ontvlamd wordt door het vuur van de Heilige Geest, die door Christus naar de aarde gezonden is. Daarom zegt de Apostel dan ook dat deze geheimenisvolle wijsheid door de Heilige Geest geopenbaard is.
5. Omdat dus de natuur hier niets vermag en de menselijke inspanning weinig, moeten wij weinig aandacht besteden aan onderzoek, en veel aan zalving, weinig aan het spreken, en zeer veel aan innerlijke vreugde, weinig aan woord en geschrift, en alle aandacht aan de gave van God, de Heilige Geest; weinig of geen aandacht moeten wij schenken aan het schepsel, alle aandacht aan het scheppende Wezen, aan Vader, Zoon en Heilige Geest; waarbij wij met Dionysius tot de Drieëne God zeggen: “Boven-wezenlijke, boven-goddelijke Drieëenheid, meer dan allerbeste bewaker van de Christenen in de kennis van God, voer ons naar de bovenmate onkenbare, bovenmate lichtende, allerverhevenste top van de geheimenisvolle woorden; waar de ongekende, volmaakte en onveranderlijke mysteriën van de Godskennis gehuld zijn in de duisternis van een zwijgen, dat in het verborgene onderricht, een duisternis die meer is dan licht, en die in de diepste donkerte, die boven de grootste helderheid uitgaat, méér dan stralend is, en waarin alles licht wordt; een duister dat met de straling van onzichtbare dat méér dan goede is de onzichtbare geest méér dan vervult.” Dit zeggen wij tot God. Tot onze vriend, voor wie deze woorden geschreven worden, willen wij met dezelfde Dionysius zeggen: “U, vriend, ga krachtig voort op de weg van het geheimenisvolle schouwen; Iaat achter u de zintuigen en de verstandelijke activiteiten, de tastbare en onzichtbare dingen, alle niet-zijnde en zijnde, en breng uzelf, voorzover dit mogelijk is, langs de weg van niet-weten, terug naar de eenheid met Hem die boven ieder wezen is en boven alle kennis. Want alleen wanneer u uzelf en alle andere dingen uitrijst in de onmeetbare en aan alles ontstegen vervoering van een zuivere geest, zult u, alles verlatend en los van alles, opstijgen naar de bovenwezenlijke straling van de goddelijke duisternis.”
6. Al u nu vraagt, hoe dat kan geschieden, ga dan te rade bij de genade, niet bij de leer, bij het verlangen, niet bij het verstand, bij het verzuchtende gebed, niet bij het bedrijvige lezen, bij de bruidegom, niet bij de leraar, bij God, niet bij de mens; bij de duisternis, niet bij de helderheid, niet bij het licht maar bij het vuur dat de mens totaal in vlam zet en hem overbrengt naar God door zeer vurige gevoelens en de zalvingen van de vervoering. Dat vuur is namelijk God en zijn vuuroven is in Jeruzalem, en Christus heeft deze doen branden door de gloed van zijn allervurigste lijden. Dit vuur neemt alleen hij werkelijk waar die zegt: “Mijn ziel heeft verkozen te hangen, mijn gebeente te sterven.” Wie deze dood bemint kan God zien. Want zonder twijfel waar is het woord dat zegt: “Een mens zal mij niet zien en in leven blijven.”  Laten wij dus sterven en binnengaan in de duisternis; leggen wij het zwijgen op aan zorgen, aan begeerten en voorstellingen; laten wij met de gekruisigde Christus overgaan uit deze wereld naar de Vader, opdat wij, wanneer de Vader ons getoond is, met Filippus zeggen: “Dit is ons genoeg.” En mogen wij met Paulus horen: “Mijn genade is u genoeg.” Laten wij met David juichen en zeggen: “Mijn vlees en hart zijn weggekwijnd. De God van mijn hart zijt Gij, God, mijn erfdeel voor eeuwig.” “Gezegend zij God in eeuwigheid, en heel het volk zal zeggen: Zo zij het, zo zij het. Amen.”

 

cropped-l1220774.jpg