Kunstwerk als ding

Het kunstwerk kan een ding zijn. Bijvoorbeeld een geschilderd landschap. Het is een ding dat, als je geen mond- of voetschilder bent, ontstaan is als gevolg van een handwerk: een ondergrond die bewerkt is met verf. Allemaal heel concreet. Tastbaar, te voelen met je handen, zichtbaar voor je ogen en je kunt er aan ruiken met je neus. Het geeft alleen geen geluid. Dus de oren doen eigenlijk niet mee. Of ze doen wel mee, maar ze horen niets, er is alleen stilte. Het kunstwerk rust in stilte en het geeft geen krimp. Behalve als het in de regen of de zon wordt gezet, dan gaat het materiaal werken en zal het langzaam vervallen. Daar is geen conservering tegen bestand. Een kunstwerk als een schilderij is dus niet iets dat eeuwig zal blijven bestaan. Het is onderworpen aan de tijd en dus vergankelijk. 

We noemen buiten de concrete dingen zoals een schilderij ook andere zaken soms een kunstwerk: denk aan een dans, een muziekstuk, een theateropvoering, een gegroeid levend iets in de natuur of een sedentaire afzetting gevormd door de elementen in deze natuur. Of een kunstwerk opgebouwd uit taalelementen: een gedicht bijvoorbeeld of een roman. Dan slaat het kunstige niet alleen op het proces van creatie, het maken, het schrijven ervan, maar ook op de vorm waarin het verschijnt, de waardering die het ontvangt. Over het dingkarakter ervan valt (soms) te twisten. 

Rainer Maria Rilke noemt een gedicht ook een ding. Een bouwwerk van vormen dat met tekens wordt opgebouwd. Tekens aan elkaar verbonden, tekens zo achter elkaar gezet, zodat op veel manieren betekenis kan worden gegeven. Maar altijd op een wijze dat niet definitief vastligt wat die of de betekenis is: er is altijd meerduidigheid, het kan vaak meerdere kanten op, of meerdere dieptes in. 

Omdat het gedicht een sensueel-fysieke dimensie heeft die niet in één betekenis is te vangen, kun je spreken van een ding. Dit niet kunnen vangen in één betekenis komt door het feit dat de bouwstenen van een gedicht, de tekens, de woorden en de begrippen, naar meer betekenissen verwijzen en als teken niet samenvallen met één betekenis. In hun samenhang onttrekken zij zich aan eenduidigheid, aan de totalitaire eis tot één betekenis. Je krijgt er niet zo goed greep op. Dat moet je ook niet willen. Soms onthult het gedicht een nieuwe lading, een nieuwe laag, pas na jaren. Als je er als het ware rijp voor bent geworden. Hetzelfde zou je kunnen zeggen over sommige religieuze teksten. In de rabbijnse traditie van de schriftuitleg zoals het corpus van de Talmoed, geldt de regel dat elke tijd zijn eigen uitleggers en daardoor zijn eigen betekenissen aandraagt. Wat in de ene tijd geldt hoeft niet (meer) in de andere tijd te gelden want de contexten kunnen veranderen. 

Omdat een gedicht een ding is, kan het niet worden gelezen als een roman, een verhaal, een narratief parcours zoals een krantenartikel of een column. Je ervaart (vaak) een zekere weerstand en die is onoverkomelijk. Gedichten zijn geen consumptiegoederen, geen ‘snacks’ die je zomaar even weg hapt. Dat geldt ook voor andere kunstwerken. Er is rust, ruimte, stilte, tijd voor nodig om het kunstwerk met aandacht in je op te nemen, het te laten rusten in je geest, het te laten spreken tot je gemoed, je gevoelens er aan te koppelen, je emoties die je kunt ervaren hierbij ruimte te geven. Een kunstwerk beschouwen kost tijd om het te ervaren. Het kost aandacht en toewijding om je ermee bezig te houden. Om er stil voor te staan en te kijken. Om er stil voor te staan en het op je in te laten werken. Dan kan er misschien iets gebeuren. Dan overstijgt je waarneming van het werk misschien het moment zelf omdat je geraakt wordt. Er gebeurt iets waardoor tijd en plaats opeens niet meetellen. Je ego-betrokkenheid speelt geen rol, je bewustzijn van jezelf en de presentatie van jezelf is dan niet belangrijk en valt weg. Als je voor een kunstwerk staat en na 2 minuten heb je het gedeeld op social media, dan heb je eigenlijk niets gezien en niets beleefd. Je hebt alleen de informatie gedeeld dat je ervoor stond en wat het met je doet blijft achterwege. Zo kun je een heel museum doorlopen, alles fotograferen en alles delen. Er is eigenlijk niks gebeurd dan het delen van wat informatie. 

In mijn essay God in de leegte. Leegte als theotopie, uit 2022 citeer ik de dichter Durs Grünbein, die over poëzie en het gedicht behartenswaardige dingen heeft geschreven. Maar ook de visie van Paul Celan is de moeite waard om over na te denken. Over het gedicht zegt Celan in een toespraak: 

Das Gedicht ist einsam. Es ist einsam und unterwegs. Wer es schreibt, bleibt ihm mitgegeben. Aber steht das Gedicht nicht gerade dadurch, also schon hier, in der Begegnung – im Geheimnis der Begegnung.
Das Gedicht will zu einem Andern, es braucht dieses Andere, es braucht ein Gegenüber. Es sucht es auf, es spricht sich ihm zu.
Jedes Ding, jeder Mensch ist dem Gedicht, das auf das Andere zuhält, eine Gestalt dieses Anderen.
Die Aufmerksamkeit, die das Gedicht allem ihm Begegnenden zu widmen versucht, sein schärferer Sinn für das Detail, für Umriß, für Struktur, für Farbe, aber auch für die “Zuckungen” und die “Andeutungen”, das alles ist, glaube ich, keine Errungenschaft des mit den täglich perfekteren Apparaten wetteifernden (oder miteifernden) Auges, es ist vielmehr eine aller unserer Daten eingedenk bleibende Konzentration.
“Aufmerksamkeit” – erlauben Sie mir hier, nach dem Kafka-Essay Walter Benjamins, ein Wort von Malebranche zu zitieren -, “Aufmerksamkeit ist das natürliche Gebet der Seele.” 

Paul Celan

Een andere auteur, Robert Walser, zo Byung-Chul Han, noemt een gedicht als een lichaam, een lichamelijk ding. Het is een lichaam dat bijna achteloos op papier verschijnt door het spel van het spelen met woorden. Een keuze van woorden zonder vooropgezet plan, zonder concept, zonder idee vooraf. Wat dan ontstaat is eigenlijk een creatie van het toeval. Dat wat je toevalt aan woorden en aan begrippen en de combinaties die je dan maakt. Dat kan heel verrassend zijn, heel bijzonder. Het valt je als het ware toe. Daarom zijn gedichten in mijn ogen die met een bepaald vooropgezet idee worden geschreven vaak zo kaal en nietszeggend. Ze koppelen ook woorden aan elkaar maar de betekenis stuurt je in een bepaalde richting, een visie, een opvatting, een oordeel. Er moet een zekere zin en zinvolheid geproduceerd worden, er moet iets worden verduidelijkt of van commentaar worden voorzien. Het gedicht wordt zo een vehikel om een mening te verkondigen. Dan kun je nog beter een fiets hebben, die spreekt niet uit zichzelf maar brengt je wel verder weg en draagt je onder het rijden. 

Byung-Chul Han, die ik hier enigszins parafraseer, schrijft in zijn essay Undinge over de werkzaamheid van de dichter – zichtbaar zoals bij Walser: 

Der Dichter überlässt sich einem fast unbewussten Prozess. Das Gedicht wird gewoben aus Signifikanten, die von der Fron befreit sind, Sinn zu produzieren. Der Dichter ist ohne Ideen. Eine mimetische Naivität zeichnet ihn aus. Er ist darauf bedacht, mit den Worten einen Körper, ein Ding zu formen. Die Worte als Haut umschließen nicht eine Bedeutung, sondern sie spannen sich straff um den Körper. Dichten ist ein Liebesakt, ein erotisches Spiel mit dem Körper.

Walsers Materialismus besteht darin, dass er das Gedicht als Körper auffasst. Die Dichtung arbeitet nicht an der Sinnbildung, sondern an der Köperbindung. Signifikanten verweisen in erster Linie nicht auf ein Signifikat, sondern verdichten sich an ihm vorbei zu einem schönen, geheimnisvollen Körper, der verfuhrt. Die Lektüre ist keine Hermeneutik, sondern eine Haptik, eine Berührung, eine Liebkosung. Sie schmiegt sich an die Haut des Gedichtes. Sie genießt seinen Körper. Das Gedicht als Körper, als Ding gibt eine besondere Präsenz zu spüren, und zwar diesseits der Repräsentation, der sich die Hermeneutik widmet.

In mijn Essay over God in de leegte heb ik stilgestaan bij de gedachten van Durs Grünbein (in Epilogos: Horizon): Durs Grünbein schrijft in het hoofdstuk ‘Das Punktum des Gedichts’, (je zou kunnen zeggen, het hart, de kern van het gedicht, dat waar het om draait), (dat wat je raakt) het volgende, als hij het heeft over de vraag waarom hij dichter is geworden en wat het gedicht en het dichten voor hem betekent: 

“Diese kurze Spanne Leben, der Moment zwischen Nichts und wieder Nichts, und wie alle sich gegenseitig bewachen und kontrollieren, dass möglichst wenig nach draussen ins Transzendente dringt. Zwischen Irgendwo und Nirgendwo dieses kleine Apropos, das sich mit einem Namen schmückt, einem zufälligen Namen. Und daran knüpft sich das Ich? Daran soll sich der Mensch gebunden fühlen ein Leben lang? 

Ich bin an den Gedichten auch darum hängengeblieben, weil mich das Problem des primären Ausdrucks nie losgelassen hat. Etwas unmittelbar zu sagen—jetzt, hier, direkt—in aller Eigensinnigkeit einer (meiner) partikularen Sprache der Poesie, die nicht die der Wissenschaft ist, nicht die der Religion, nicht die des Mythos, nicht die der Philosophie und die mich doch in der Welt zu Hause sein lässt. Die Klärung der dringlichsten Fragen für die Ausdruckskunst (Literatur) ist am ehesten in der Dichtung zu leisten, scheint mir. 

*

Gedichte aber kann man eigentlich nur im Freien schreiben — draussen, wo das Auge sich in der Betrachtung der Welt vom Diktat der Sprache, die im Gehirn spukt, von den symbolischen Formen erholt. Sprache, die allein uns allem näherbringt und uns gleichzeitig von allem entfernt.”(pag. 90)

Hij noemt het schrijven van gedichten daarom een paradoxaal gebeuren, een vorm van concentratie en van oplossen, van verzamelen en van loslaten. De dichter komt dichter bij zichzelf, zit zichzelf meer op de huid, maar verwijdert zich ook meteen weer van zichzelf. Omdat elk mens het dichtst bij zichzelf is, zo Grünbein, is er een vorm van communicatie nodig die iedereen kan verstaan omdat het iedereen betreft. Maar daardoor heeft bijvoorbeeld het gedicht ook iets fragmentarisch, het is gebrekkig, kwetsbaar, onvolmaakt. Maar dat beschouwt de dichter als een pré: 

“Das Gedichteschreiben ist ein paradoxer Vorgang, Sammlung und Auflösung in einem. Wer Gedichte schreibt, kommt sich selbst näher und entfernt sich im selben Schwung wieder von sich. Verse sind ein hochauflösendes Darstellungsmittel der Existenz. Da jeder sich selbst der Nächste ist, braucht es eine Form, die aus dieser Tatsache etwas Mitteilenswertes macht, das jeder verstehen kann, gerade weil es jeden betrifft. lm Idealfall schafft Dichtung das besser als jede andere Weise der Durchsage, wenn auch meist nur in Bruchstücken, augenblickshaft. Das klingt, ich weiss es, nach einer Poetik für Eintagsfliegen. “In dieser Fragilität, Kurzatmigkeit, in der ihr eigenen Selbstwidersprüchlichkeit liegt ein seltsamer Trost, der die Menschen im Gedicht erreicht, und sei es nur punktuell. Es liegt auch ein Trost darin. Mich haben Gedichte gerade darum, als Funksignale aus dem Innersten eines einzelnen Lebens, oft trösten können. Die ältesten aus antiken Zeiten genauso wie das jüngste, das ein neugeborener Dichter erst gestern schrieb – in gleich welcher Muttersprache. Es ist der Drang, der sich mitteilt, die Konzentration in der Kunst, sich überhaupt mitzuteilen. »Ich ziehe das Lächerliche des Schreibens dem Lächerlichen des Nicht-Schreibens vor«, schrieb Wislawa Szymborska, die bei unserer kurzen Begegnung in Krakau die ganze Zeit lächelte.” (Pag. 91)

Ik blijf nog wat langer bij deze interessante auteur stilstaan omdat hij in mijn ogen de spijker op de kop slaat als hij wijst op de taal van het gedicht, de woorden die worden ingezet en de betekenissen die aan het licht kunnen komen. 

“Das Gedicht spricht in gewöhnlicher Sprache. Es kann nicht beanspruchen, eine tiefere Sprache, eine eigentliche Sprache, eine primäre Sprache zu sprechen – es muss sich mit den herkömmlichen Worten begnügen und weiss nicht mehr als der Leser. Dabei ist diese gewöhnliche Sprache, in der das Gedicht spricht, alles andere als trivial, weil es eine Sprache ist, die sich dem Unbekannten zuwendet, die sich den Vielheiten stellt, die so zahlreich sind wie die Subjekte, aus denen sie spricht. Das gleiche gilt für die Worte: Auch sie sind so zahlreich in ihrer Anwendung wie die Kontexte, in denen sie stehen. Die Worte im Gedicht sind alles andere als eindimensional. Vielmehr ist ihre Räumlichkeit durch die Beweglichkeit und den Orientierungssinn ihrer Sprecher gegeben, ob diese nun biographisch bedingt sind (der Wanderer, der Weltreisende, der Abenteurer, der Vertriebene) oder oh sie rein nur der Phantasie entspringen (der Provinzdichter, der Blinde, der regionale Universalist). Dies festzustellen heisst noch nicht viel, aber es könnte der Anfang einer Basistheorie sein, wie sie Wittgenstein in seinen verstreuten Bemerkungen Über Gewisstheit vorführt.” (Pag. 95)

Met woorden kun je spelen, je kunt genieten van je ontdekkingen, je combinaties, je nieuwe vormen die spelenderwijs op papier komen. Hetzelfde geldt voor het werken met verf, de combinatie van kleuren en van materialen. De vreugde van het experimenteren, de toepassing van nieuwe technieken, werkvormen, werken met nieuwe en andere hulpmiddelen, instrumenten…het maakt het schilderen tot een vreugdevolle bezigheid. Als het hoofd ertussen zit, als je je hebt voorgenomen om iets uit te beelden en je bent niet tevreden met het resultaat, als je voortdurend gefrustreerd wordt omdat het niet lukt wat je wilt, dan ben je niet aan het schilderen, maar dan ben je schilderkundig gezien aan het piekeren. Schilderen doe je niet met je hoofd maar met je handen. Geef de hand dus de vrijheid, laat de hand begaan. Vrijgelaten door het hoofd kan die hand heus wel het geziene weergeven en als je een zekere techniek nodig hebt, moet eerst daar maar eens goed op gaan oefenen. De herhaling zal je leren hoe je de techniek goed onder de knie kunt krijgen. 

Han noemt het kunstwerk geen drager van gedachten en concepten. Het is veelmeer iets dat hieraan vooraf gaat, of dat bij de creatie ervan los ervan staat. Conceptuele kunst is dus eigenlijk geen kunst als het concept leidend is om het werk te maken. Wat druk je dan uit? Een idee, een gedachte, een mening? So what. Het is er dan een onder velen. Niks nieuws onder de zon, niks bijzonders, kunstmatig en niet kunstzinnig. Han schrijft en dat geldt ook voor de poëzie, het gedicht als ding: 

Das Kunstwerk als Ding ist kein bloßer Träger von Gedanken. Es illustriert nichts. Kein klares Konzept, sondern ein unbestimmtes Fieber, ein Delirium, eine Intensität, ein nicht artikulierbares Drängen oder Begehren leitet den Ausdrucksprozess. In dem Aufsatz Der Zweifel Cézannes schreibt Maurice Merleau-Ponty: »Der Ausdruck darf also nicht die bloße Wiedergabe eines schon klaren Gedankens sein, denn klar sind nur die Gedanken, die schon von uns oder anderen ausgesprochen wurden. Die >Konzeption< darf der >Ausführung< nicht vorangehen. Vor dem Ausdruck gibt es nur ein unbestimmtes Fieber […].« Ein Kunstwerk bedeutet mehr als alle Bedeutungen, die sich ihm entnehmen ließen. Dieser Bedeutungsüberschuss verdankt sich paradoxerweise dem Verzicht auf Bedeutung. Er geht auf den Überschuss des Signifikanten zurück.

Ik kan daar mee instemmen. Als een kunstwerk bedoeld is om een idee weer te geven, om een mening te verkondigen wordt het al heel snel ideologie. Dan gaat het niet meer om het kunstwerk maar om het idee erachter of om de inhoud van het concept die het kunstwerk inpalmt als boodschapper. Han stelt dat informatie de stilte van het kunstwerk verstoort. Het verliest zijn magie, of de magie die het kan uitstralen wordt het werk onthouden. De magie, de aantrekkingskracht kan zich niet manifesteren want het gaat om iets anders: om een mening, een idee, een (politieke of morele) opvatting. Het kunstwerk heeft dan geen geheim, geen geheimen meer, het wordt zo plat als een dubbeltje. Informatie verdraagt zich niet met het geheim, het zijn tegenspelers. Het kunstwerk verleidt dan niet meer, informatie heft elk geheim op. 

Zo zijn de kunstmatige gemaakte digitale werken, gebaseerd op digitale verwerkingsmethoden, in mijn ogen géen kunstwerken. Misschien kunstig tot stand gekomen, maar ze hebben geen charme, ze vormen geen geheim, ze hebben niks magisch. Het enige wat dan telt – zo blijkt ook uit de ophef erover – is de financiële vertaling ervan – de toegekende waarde in valuta – als object om mee te speculeren op een dolgedraaide markt. Dat is gewoon een andere gestalte van het kapitalisme en de consumptie van goederen. Met kunst heeft dit niks van doen. Maar dat geldt in mijn ogen ook voor de absurde bedragen die neergeteld worden voor een oude of nieuwe meester. Als het kunstwerk in de molen van de commercie terecht komt verliest het veel van zijn glans. Maar dat is mijn persoonlijke opvatting. Het wordt dan een ding onder de dingen – een hebbeding, meer ook niet. 

John Hacking 

24 januari 2023

Bronnen:

Byung-Chul Han, Undinge. Umbrüche der Lebenswelt, Berlin 2021, (Ullstein), Pag. 72-78

Citaat: Paul Celan:  Internet – geraadpleegd 7 februari 2022: https://web.archive.org/web/20020225223144/http://www.geocities.com/Athens/Chariot/3474/prose/inhalt.htm#page1 – zie ook Paul Celan, Verzameld werk. Vertaald en toegelicht door Ton Naaijkens, Amsterdam 2021, (Athenaeum-Pola& Van Gennep) (nieuwe vertaling) pp. 256-258

Citaten Durs Grünbein, Aus der Traum(kartei). aufsätze und Notate, Berlin 2019, (Suhrkamp), pag. 90-91; 95

Hacking, John, God in de leegre. Leegte als theotopie, Nijmegen 2022, te vinden in: 4 essays: https://levenshorizonten.com/4-essays-over-god/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.