meditatie 7/8 Willem van St. Thierry

Meditatie 7

Verlangen om God te zien van aangezicht tot aangezicht

1. Tot U spreekt mijn hart: ‘Mijn gelaat heeft U steeds gezocht, Heer, uw gelaat wil ik blijven zoeken. Wend uw gelaat niet van mij of, wijs uw knecht niet toornig terug’.

2. Heer God, Gij die aller harten ziet en onderzoekt, mijn gelaat met het uwe vergelijken, lijkt mij al te vermetel en brutaal. Want als Gij in het gericht treedt met uw knecht kan mijn onrechtvaardig gelaat alleen maar vluchten voor uw rechtvaardig gelaat. Maar vurige liefde zal mij verontschuldigen, en vrome nederigheid mijn armoede te hulp snellen, als Gij mij die [deugden] verleent. Ook al vluchten zjj die haten, ik zal met voor uw aanschijn op de vlucht gaan. Liefde veronderstelt vertrouwen en nederigheid voedt dit vertrouwen. Ook al ben ik mij met bewust [beide te bezitten], toch durf ik vertrouwen dat ik uw vriend ben. Want als Gij mij dezelfde vraag stelt als die U weleer aan Petrus stelde: ‘Bemint gij Mij?’, dan antwoord ik beslist en zeg ik vol vertrouwen: ‘Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik U wil beminnen’. Als Gij mij duizendmaal die vraag stelt, zal ik duizendmaal antwoorden, zonder iets anders te zeggen dan: ‘Gij weet dat ik U wil beminnen’. En dit wil ik zo sterk dat mijn hart helemaal niets verlangt dan U te beminnen.

3. Ook de nederigheid wil ik omarmen. Makers van definities bepalen haar als ‘geringschatting van eigen voortreffelijkheid’. Ik weet maar al te goed dat ik niet nederig ben, want zonder het te weten hecht ik mij aan de pietluttigste voortreffelijkheden, of als ze zich ongezocht voordoen, ben ik geenszins gehaast er mij spoedig van los te maken. 

4. Er bestaat nog een andere soort nederigheid, namelijk zelfkennis. Zij doet mij beseffen dat ik onder verdenking sta, als ik beoordeeld word volgens hetgeen ik in mijzelf herken. Onder slechte voortekens, zoals men pleegt te zeggen, treed ik dan voor uw gericht. Maar als dit bij U als deugd geldt, dat mijn zonde mij immer voor ogen staat, dan denk ik wel dat die nederigheid mij niet volledig vreemd is. Want telkens als ik mij  probeer te richten op betere zaken, verschijnt dikwijls ongewild voor de ogen van mijn geest het lelijke gezicht van mijn zonden, zodat ik mezelf daarbij begin te haten.

5. O Heer, wat valt er nog meer te zeggen over de ontluisterde aanblik van mijn geweten? Hoe het ook zij, in welke staat het ook verkeert, heel zijn gelaat verlangt naar uw gelaat, zo sterk dat alles van dit leven, ja, het leven zelf, in vergelijking met deze liefde afkeer en versmading wekt. Het geweten verliest elke zorg voor wat het in zichzelf ziet, als het U maar ziet. Zo zoekt mijn gelaat U – o zo wenselijk om te zien – in deze tussentijd! Uw gelaat blijf ik zoeken en ik smeek U het niet van mij of te wenden. Maar leer me intussen, o eeuwige Wijsheid, dankzij het licht zelf van uw gelaat, wat dit ‘van aangezicht tot aangezicht’ mag betekenen. Want ofschoon dat verlangen van het een naar het ander mij verteert, toch is geen van beide mij voldoende bekend. Ik besef dat, als het Paulus niet gegeven werd U in dit leven van aangezicht tot aangezicht te zien, noch uw beminde leerling U te zien zoals Gij zijt, die mens blijk geeft van weinig gezond verstand die dit toch verhoopt en zoekt. Het werd immers niet verleend aan hem die U zozeer beminde, noch aan hem die zozeer [door U] werd bemind.

6. Maar toch, als ik David hoor spreken over dat ‘zien van aangezicht tot aangezicht’, hoe kan ik dan wanhopen ooit te krijgen wat ik iemand anders van U hoor verhopen? Ik vergeet geenszins wie ik ben, maar toch blijf ik hopen wegens uw vergevende barmhartigheid. Hoe traag ik in dit alles ook vooruitkom, toch wil ik U in geen geval minder beminnen dan welke minnaar ook. Ofschoon [dit zien] blijkbaar aan Mozes werd geweigerd, wilde David op geen enkele manier wanhopen. Diezelfde David zong en psalmodieerde ondanks alles over Mozes en de andere vaders: Wet door hun ijvaard kregen zij dit land in bezit, en het was niet hun arm die redding bracht maar uw rechterhand, uw arm en uw lichtend aanschijn’. Over zichzelf zegt hij eveneens: ‘Door uw wil kon ik mij luisterrijk onderscheiden door kracht, maar toen hebt Gij uw gelaat afgewend en wist ik mij verslagen.

7. O oneindig liefdevolle [Heer], wend dat gelaat, dat Gij op zeker moment van de heilige David hebt afgekeerd zodat hij zich verslagen wist, naar mij toe en ik zal mij getroost weten. Alvorens Gij uw gelaat immers van hem afkeerde, kon hij zich volgens uw wil luisterijk onderscheiden door kracht. Laat uw rechterhand, uw arm en uw lichtend aanschijn ook mijn  land bezitten, zoals ze weleer het land van de vaderen bezaten in wie Gij welbehagen vond. Want niemand hoor ik zo vaak en zo vertrouwelijk spreken over uw gelaat en over uw aanschijn als deze David. Men kan moeilijk geloven dat hij geen ondervinding had van uw gelaat, daar hij voortdurend bidt daarvan elk oordeel of te lezen. En hij verwacht de volle vreugde te zullen putten uit uw gelaat. Elders prijst hij het volk gelukkig dat nog jubelen kan: zij willen  wandelen, Heer, bidt hij, in het licht van uw gelaat.

8. O God van mijn hart met de meest intense aandacht onderzoek ik uw gelaat, want daarvan kan ik aflezen wat ik denken mag over hetgeen ik gevonden heb. Met de volle instemming van mijn geweten erken ik dan dat dit gelaat van U en uw aangezicht niets anders betekenen dan de kennis van uw waarheid. Als uw zalig volk daarop een blik richt van goede wil, jubelt het van vreugde in de Heilige Geest en viert het een grootjubeljaar van contemplatie en genieting van uw eigen waarheid. Als het wandelt in dat licht, richt het zijn schreden en al zijn daden volgens uw gerechte oordelen.

9. Er is evenwel nog een ander aanschijn en een ander gelaat van uw kennis. Daarover werd tot Mozes gezegd: ‘Mijn aanschijn zal door u niet gezien worden, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven’. Hier is sprake van het zien en het kennen van uw goddelijke majesteit, die men in dit leven het best kent door niet-kennen. Als iemand weet hoezeer hij niet weet, dan bereikt hij in dit leven, wat hem betreft, de hoogst mogelijke kennis.

10. Maar toch, Heer, hebt Gij beschikt dat de duisternissen van onze onwetendheid en menselijke verblinding tot een sluier zouden zijn van dat gelaat. Niettemin zien wij het overal rondom U in uw verbondstent,  in sommige heiligen namelijk die Gij verlicht hebt. Hun tentgenootschap met uw licht en uw vuur maakten hen zelf lichtend en brandend. Door woord en voorbeeld verlichtten zij de anderen en vuurden hen aan. Zij kondigden ons de feestelijke vreugde aan van de alles overtreffende kennis, die wij zullen bezitten in het toekomstige leven, waar Gij gezien zult worden zoals Gij zijt, van aangezicht tot aangezicht!

11. Intussen zijn er, dankzij hun getuigenis, bliksemschichten van uw Waarheid over heel de wereld geflitst. Die hemelschichten verspreiden hun licht tot vrteugde van alle mensen die gezonde ogen hebben, maar tot verstoring en verwarring van allen die de duisternis meer beminnen dan het licht. Want die openbaring van uw Waarheid, door wie ze ook gebeurt, heeft hier op aarde dezelfde uitwerking als uw zon die Gij laat opgaan over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Ofschoon zij de zuiverheid van haar eigen natuur bewaart, bedient ze zich toch van elk materiaal dat ze aantreft: slijk wordt verhard, bijenwas wordt week, en elk oog wordt verlicht, zowel het oog van de ziende als dat van de blinde. De ziende, opdat hij verlicht wordt en nog scherper zou waarnemen; de blinde daarentegen, opdat hij in zijn verblinding blijft steken. Zo gebeurde het ook door U, God van wijsheid en Licht van waarheid, toen U in de wereld kwam, die wereld die door U was geschapen. Elke mens die in de wereld komt hebt Gij verlicht, maar de duisternissen hebben U niet erkend. Aan allen echter die U wel ontvingen, U en het licht van uw Waarheid, hebt Gij de kracht gegeven om kinderen van God te worden.

Van Saint-Thierry, Willem, Godsliefde. Meditaties, Gulden Brief , Leven van Bernardus, Budel 2016, (Damon), pag. 131-135

Meditatie 8

Confrontatie van het eigen gelaat met Gods gelaat

1. O zon van gerechtigheid die voor allen het licht van uw gelaat en de luister van uw waarheid laat stralen, Gij nodigt uw bruid uit – wie zij ook moge zijn – met de woorden: ‘Laat mij toch uw gelaat zien, mijn zuster’.  En dadelijk verlangt de ziel van goede wil voor U te verschijnen in uw heiligdom. Aan haar wordt vanuit de hemel vrede toegezegd. De ziel van degene die een broeder van Christus is, wordt ‘zijn zuster’ genoemd, wat ze in volle waarheid ook is. In uw Licht wil of het licht aanschouwen. Als zij zich als zondaar bekent, toont zij U het aangezicht van haar ellende en zoekt daarbij het gelaat van uw erbarmen. Indien zij heilig is, snelt zij naar U met het gelaat van haar gerechtigheid. En dan vindt zij bij U een gelaat dat op het hare lijkt, want als oprechte Heer houdt Gij van gerechtigheid. De ziel evenwel die de blik heeft van een hoer, weigert te blozen van schaamte en vlucht weg voor de waarheid, maar loopt tegen uw uitermate strenge gerechtigheid aan.

2. Want de mensenziel staat voor U met evenveel gezichten als zij verschillende gevoelens heeft. Gij, o Waarheid, vangt al deze gevoelens op en terwijl Gij U aan elk van die gevoelens aanpast, blijft Gij in Uzelf onveranderlijk. Vrome nederigheid vindt in U een soortgelijke genade; vurige liefde vindt bij U geurige olie als brandstof; de rouwmoed van een nederig hart vindt bij U de daarvoor bereide gerechtigheid. Maar de blik van een hoer vindt er haar verwarring.

3. Op die manier, opperste Gerechtigheid, kunnen de in U en de waarheid elkander ontmoeten wanneer de oprechte ziel tot nederige belijdenis komt en zo in de waarheid van haar menselijke gerechtigheid staat. Aan deze ziel die zich in belijdenis eerlijk opent, kan uw ware gerechtigheid dan terecht barmhartigheid betonen. Terwijl zij U de kus aanbiedt van een eerlijke belijdenis, vangt Gij haar op met een kus van vrede.

4. Dit is de kus tussen Bruidegom en bruid. Om haar gelaat uw kus op waardige wijze te laten ontvangen, hebt Gij uw gelaat, Heer, laten bespuwen. Om haar gelaat mooi en welgevallig te maken, liet Gij uw eigen gelaat bont en blauw slaan door de kaakslagen van mensenvuisten en door de striemen van rietstokken. Uw gelaat werd in de ogen van mensen met smaad verzadigd, om haar gelaat in uw ogen schoon en behaaglijk te maken. Meer nog, Gij bereidde voor haar een bad met uw kostbaar bloed, opdat de kinderen van God zich daarin zouden wassen. Afschuwelijke dingen hebt Gij ondergaan voor ons, die ons zo afschuwelijk hadden misdragen. Geen enkel gelaat van boetvaardigheid zou ooit genoeg eerherstel kunnen bieden aan het gelaat van uw opperste gerechtigheid, als uw persoonlijke onschuld aan alles wat Gij voor ons geleden hebt geen meerwaarde had gegeven. Omdat Gij de Zoon van God zijt, werd gij verhoord omwille van uw piëteit.

5. Voor mijn handen die deden wat ze niet moesten doen, Heer, werden immers uw handen met nagelen doorboord. Uw voeten [werden doorboord] voor [de zonden van] mijn voeten. Uw ogen [sloten zich in de dood] wegens de ongeordendheid van mijn blikken, en uw oren wegens mijn [doof gehoor. Uw zijde werd door een soldaat met een lans doorstoken opdat dankzij uw wonde, uit mijn onzuiver hart eindelijk alle boosheid zou wegvloeien die het deed branden van begeerte en die mijn kracht al te lang ondermijnde. Ten slotte bent U gestorven opdat ik zou leven, werd U begraven opdat ik zou verrijzen. Dit alles is de kus waarmee Gij in tederheid uw bruid omhelst. Dit is de omhelzing waarmee Gij in liefde uw vriendin omarmt. Wee de mens die deze kus moet ontberen. Wee de mens die zich uit die omhelzing heeft losgemaakt. Door zijn belijdenis heeft de goede moordenaar op het kruis deze kus verdiend.  Petrus heeft deze kus ontvangen, toen de Heer naar hem keek op het ogenblik van zijn verloochening; hij ging naar buiten en weende bitter. En velen onder hen die U kruisigden hebben zich na uw passie tot U bekeerd; in deze kus werden zij met U verenigd. Die Maria, uit wie tevoren zeven duivels waren uitgedreven, jubelde het in dezelfde omhelzing uit, terwijl de valse leerling die U verraadde, er zich in zijn boosheid uit losrukte.  Tollenaars en zondaars lieten zich opnemen in deze omhelzing, toen Gij hun disgenoot en vriend werd. Daar [vinden wij] ook Rahab, de bekeerde hoer, Babel dat U leert kennen, de vreemde volken, Tyrus en de zwarte Ethiopiërs.

6. Heer, waarheen toch trekt Gij allen die Gij zo omhelst en bindt, tenzij naar uw hart? Want uw hart is dat zoete manna van uw goddelijkheid dat Gij van binnen bewaart, o Jezus, in de gouden urne van uw ziel die alle wijsheid te boven gaat. Zalig wie door uw omhelzing daarbinnen worden getrokken. Zalig allen die Gij geborgen hebt in de verborgenheid van die geheime bergplaats, in het diepste van uw hart, zodat zij onder de schaduw van uw vleugels bescherming vinden tegen de verwarring van de mensen. Laat ze geen andere hoop koesteren dan te mogen vluchten onder uw beschermende en koesterende vleugels. Wie in de geheime bergplaats van uw hart worden geborgen, schuilen onder uw machtige vleugelen. Daar vinden zij een weldoende slaap. Geplaatst tussen twee bestemmingen, verblijdt hen een zoete verwachting: de verdienste van een heilig geweten en de verwachting van de beloning die Gij in het vooruitzicht hebt gesteld. Nooit geven zij uit kleinmoedigheid op en nooit morren zij uit ongeduld.

7. Ook mensen die elkaar hartstochtelijk kussen, delen elkaars adem en geest. Zij vinden het fijn elkaars zoete geur te ruiken waarmee ze helemaal worden doordrongen. Heer, ik wil mijn geest helemaal in U laten overvloeien: weiger niet hem helemaal te aanvaarden, welke bedorven reuk hij ook verspreidt. Doe op uw beurt de Uwe geheel in mij overvloeien, want uw Geest verspreidt overal zijn eigen geur. Dankzij zijn zoetheid zal de mijne niet langer zijn kwade reuk verspreiden. Allerliefste Heer, moge uw zoete geur voortaan bestendig in mijn innerlijk blijven. Dit alles geschiedt, wanneer wij doen wat Gij ons voorgeschreven hebt te doen tot uw gedachtenis: geen zoeter, geen krachtiger middel hadt Gij kunnen bedenken om het heil te bevorderen van uw zonen. Telkens wij het onbederfelijk gastmaal eten en drinken van uw vlees en bloed, brengen wij dit, als uw zuivere herkauwers, als vanuit het ingewand van onze herinnering opnieuw in onze mond door de zoetheid van de overweging. En met steeds nieuwe gevoelens van devotie herkauwen wij uw mysteries, om daaruit steeds nieuwe en blijvende krachten te putten voor ons heil. Daarna bergen wij teder de gedachtenis zelf in ons hart, van wat Gij voor ons gedaan hebt, wat Gij voor ons geleden hebt.

8. Zo zegt Gij tot de ziel die naar U verlangt: ‘Open wijd uw mond en Ik zal hem verzadigen’. En zij die uw zoetheid dan smaakt en ervaart in dat groot en onvatbaar sacrament, wordt zelf omgevormd in wat zij eet: zij wordt been van uw gebeente en vlees van uw vlees. Zo gaat het gebed in vervulling dat Gij juist voor uw lijden tot uw Vader hebt gericht: dat de Heilige Geest, uit kracht van de genade, hier in ons precies hetzelfde zou bewerken wat Hij, uit kracht van zijn natuur, voor alle eeuwigheid is, in de Vader en in U, zijn Zoon; dat wij op dezelfde manier, in U beiden, één mogen zijn zoals Gij beiden één zijt.

9. Heer, zo vertoont zich uw gelaat aan het gelaat van de ziel die naar U verlangt. Zo kust Gij met uw mond de mond van de bruid die U bemint. Zo omhelst Gij liefdevol de bruid die U wil omhelzen, die naar U verlangt en die tot U zegt: ‘Mijn beminde is van mij en ik ben van Hem: midden tussen mijn borsten mag Hij komen rusten’. En ook: ‘Mijn hart heeft U gezegd: altijd heeft mijn gelaat U gezocht’. Want als het gelaat van onze  ziel iets anders zoekt dan uw gelaat, dan verliest de ziel haar natuurlijk gelaat en wordt een soort dierlijk masker.

10. Wie zou niet naar uw gelaat zoeken? Wie wil daar niet ziek van zijn? Wie wil daar niet naar smachten? Wie wil daar niet voor bezwijken? Wie wil daar niet voor sterven? Ontferm U, Heer! Bij deze zoektocht naar uw gelaat zou ik beslist gestorven zijn – ik weet niet welke dood – als uw troostrijk bezoek mijn geest niet in bescherming had genomen. Maar uw vijanden vergaat het helemaal anders bij de verschijning van uw gelaat: het wordt voor hen een oven van vuur. De zondaar krijgt daarbij wat hij verdient: de droesem van de beker, valstrikken, vuur, zwavel en stormen in de geest. Elke hoogmoedige botst dan tegen de kracht waarmee Gij de hovaardigen weerstaat. De hipocriet wordt ontmaskerd door het licht van uw waarheid, welke hij haat. En allen die onder het eigen gelaat hun specifieke ondeugden bergen, hebben een gebrandmerkt geweten, het lijkt of zij een gemeenschappelijk gelaat delen, dat van de onboetvaardigheid. En Gij ontvangt hen met het gelaat van uw gerechtigheid, die juist oordeelt. En alle haters van het recht worden geconfronteerd met uw haat voor onrecht.

11. Omdat zij [door hun gedrag] bewezen dat ze van geen God wilden weten, hebt Gij, Heer, hen prijsgegeven aan hun tegendraadse gezindheid zodat zij alles doen wat niet te pas komt. Hun daden zijn te schandelijk om er tegenover U zelfs maar gewag van te maken; maar ze verrichten ze toch voor uw ogen zonder enige schaamte noch respect. Hun kwade begeerten en de dochters daarvan, hun zonden met het bijhorend gevolg van kinderen en kleinkinderen, dat zijn de schakels waarmee zij een stevige ketting smeden, een lange en rampzalige ketting van zonden,  die als ijzersterke ringen aaneengeschakeld zijn. Een ketting die nu wel prettig rinkelt, maar die de gevangenen onlosmakelijk vastklinkt. Op die manier worden zij naar de hel gesleurd: daar waar niemand U nog belijdt o God, waar geen hoop meer is en waaruit niemand weerkeert.

12. Het is zelfs de vraag of het voor de verdoemden in de hel op enige manier  mogelijk is te beseffen welk groot geluk het betekent van U te mogen genieten. En ook als hun enig besef daarvan wordt gegeven, dan bestaat er volgens mij in de hel geen erger foltering dan het moeten derven van de aanschouwing van uw gelaat. Maar, helaas, zij die verschrikkelijke zonden hebben bedreven, zullen ook verschrikkelijk worden gestraft. Uw kostbaar bloed, Christus, zal het gemoed van de onboetvaardigen onmogelijk te hulp kunnen komen. Integendeel, zij zullen de schuld dragen van het door U vergoten bloed, omdat zij door te zondigen en geen berouw te tonen uw bloed met voeten hebben getreden. Dit is het gelaat van uw toorn waarvoor uw Profeet beeft; hij siddert als hij het gelaat ziet van allen die volgens het woord van de Apostel ‘een verschrikkelijk vonnis te wachten staat, en ook een verterend vuur dat gretig Gods vijanden wil verteren’.

13. Heer onze God, rechter van levenden en doden, ziehier de twee kudden op de dag van uw eindoordeel: een aan uw rechter- en een aan uw linkerhand. Geplaatst in het midden tussen deze twee bestemmingen, tussen deze twee erfdelen, bij welke kant zal ik dan verschijnen: die van de dood of die van het leven, die van de ondergang of die van de redding, die van de toorn of die van de genade? O Waarheid, Waarheid, bij de glorie en de majesteit van uw gelaat, wil mij dat gelaat toch niet verbergen Maar laat zijn flitsende stralen mij helemaal doorlichten opdat ik in dat licht het licht moge zien. Laat mij daarin mijn gelaat leren kennen dat het uwe zoekt, alsook uw gelaat dat het mijne zoekt. Moge er dan in mij enige waarheid te vinden zijn die te vergelijken valt, Heer Jezus, met de volle waarheid die in U is, als ik tenminste verzaak aan de oude mens van mijn vroegere levenswandel, die te gronde ging aan zijn bedrieglijke begeerten. Ik weet in ieder geval, o Waarheid, dat ik U zoek, maar of ik U wel volkomen oprecht zoek, dat weet ik niet.

14. Dit is dan mijn gelaat dat naar U gekeerd is, en dat getekend is door mijn grote armoede en mijn grote verblinding. Hoewel uw troostvolle bezoeken mijn ziel af en toe verblijden, weet ik maar al te goed wie ik vroeger  was, maar wie ik nu ben weet ik allerminst. Dit ene vraag ik de Heer, dat is heel mijn verlangen: zoals het gelaat van mijn armoede dat naar U uitkijkt getekend is door angst, moge zo het gelaat van uw barmhartigheid meer en meer over mij lichten, totdat het heel mijn armoede en heel mijn duisternis heeft opgeslorpt.

Van Saint-Thierry, Willem, Godsliefde. Meditaties, Gulden Brief , Leven van Bernardus, Budel 2016, (Damon), pag. 136-143