Taal van Oost en West

 

Taal van Oost en West om realiteit aan te duiden

Een van de meest spannende filosofische dialogen die ik onlangs las was het gesprek van Martin Heidegger met een Japanse gast, professor Tezuka van de keizerlijke universiteit te Tokio. Het gesprek vond plaats in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Dit gesprek ging over de taal. De taal die het Oosten gebruikt en die het Westen gebruikt in denken en in filosofie om de werkelijkheid te duiden. Wat me raakte in deze dialoog was vooral de zorgvuldigheid en de voortdurende aarzeling om ervaringen in woorden en begrippen te gieten vanuit het besef dat elk begrip de reikwijdte van een ervaring ervan kan afknellen. Als twee duellerende woordkunstenaars gaan de sprekers in de tekst op elkaar in en verduidelijken zo hoe vanuit het Oosten en vanuit het Westen begrippen aan elkaar kunnen raken en hoe ze als ze over stilte, over leegte en over het ‘niets’ gaan elk een eigen dynamiek en “Vorverständnis” hebben.
Wat mij vooral raakte was het feit hoe het transcendente in de ervaring van de werkelijkheid zoals dat in Japan beleefd wordt op een mooie manier ter sprake kwam in de omschrijvingen van beide filosofen. Ik citeer een klein fragment waarin de volheid en de schoonheid van het benaderen van de taal vanuit het Oosten zichtbaar wordt. F (Heidegger) vraagt naar het Japanse equivalent van het begrip taal en hij krijgt dan dit antwoord van zijn gast (J).

J (nach weiterem Zögern) Es heißt <<Koto ba>>.
F Und was sagt dies?
J ba nennt die Blätter, auch und zumal die Blütenblätter. Denken Sie an die Kirschblüte und an die Pflaumenblüte.
F Und was sagt Koto?
J Diese Frage ist am schwersten zu beantworten. Indessen wird ein Versuch dadurch erleichtert, daß wir das Iki zu erläutern wagten: das reine Entzücken der rufenden Stille. Das Wehen der Stille, die dies rufende Entzücken ereignet, ist das Waltende, das jenes Entzücken kommen läßt. Koto nennt aber immer zugleich das jeweils Entzückende selbst, das einzig je im unwiederholbaren Augenblick mit der Fülle seines Anmutens zum Scheinen kommt.
F Koto wäre dann das Ereignis der lichtenden Botschaft der Anmut.(pag 142)

Een vertaling van dit fragment is bij voorbaar een zich wagen op glad ijs omdat de verdere context van dit verhaal ontbreekt. Maar waar ik de nadruk op zou willen leggen is het feit dat taal in Japan zoiets betekent als het onder de indruk zijn van de bloesem van een kersen- of pruimenboom. Het moment dat de bloesemblaadjes loslaten en door de wind zweven is voor de Japanners reden om vrij te nemen en te genieten van dit fenomeen. Bertus Aafjes schreef al in de bundel “Mijn ogen staan scheef” dat als een Japanner bloeiende kersenbomen gaat zien hij een dichter, een dronkaard, een filosoof wordt. Hij ziet geen bloesem zondermeer, hij ziet een levensbeschouwing, aldus Aafjes. Wat hier heel direct en nuchter door Aafjes wordt uitgedrukt komt in de woorden van Tezuka en Heidegger heel aarzelend aan het licht. Stel je een eens voor het samengaan van kersen- en pruimenbloesemgeur en het effect dat dit heeft op je geest en je gevoel.
J Ein Stillendes müßte sich ereignen, was das Wehen der Weite in das Gefüge der rufenden Sage beruhigte.
F Überall spielt das verhüllte Verhältnis von Botschaft und Botengang.
J In unserer alten japanischen Dichtung singt ein unbekannter Dichter vom ineinanderduften der Kirschblüte und Pflaumenblüte am selben Zweig.
F So denke ich mir das Zueinanderwesen von Weite und Stille im selben Ereignjs der Botschaft der Entbergung der Zwiefalt.
J Doch wer von den Heutigen könnte darin einen Anklang des Wesens der Sprache hören, das unser Wort Koto ba nennt, Blütenblätter, die aus der lichtenden Botschaft der hervorbringenden Huld gedeihen?(Pag 153)

Weidsheid en stilte, die samengaan in een beeld, een ervaring, een gevoel. Niet alleen in het landschap aan je voeten, de verte die je tegemoet wenkt, de nevel die opstijgt uit het dal, de toppen aan de horizon, maar vooral en intensief in het ontvangen van de geur van de bloesem. De geur die je in een andere dimensie plaatst waarin, ik noem het hét sacrale, ervaarbaar wordt. Daarmee wordt meteen duidelijk dat het aanvoelen en het verwoorden van de werkelijkheid vanuit deze optiek heel andere beelden oplevert dan vanuit een Westerse benadering. Welke filosofie van het ervaren van het sacrale heeft het aangedurfd om op geur en ervaring van geur te bouwen? Om op nevel in de bergen en het tikken van regendruppels op een blad of in een vijver ter vertrouwen om het sacrale te duiden? Het is voor het Oosten dan ook niet vreemd dat de ervaring waar het om draait vaag blijft, dat wil zeggen niet in begrippen en woorden is te vatten. Het willen doorgronden, het willen weten en kennen van die ervaring slaat bij voorbaar de plank mis omdat de verkeerde instrumenten worden ingezet als het met de ratio gebeurt in plaats van met het hele lichaam. Onze gesprekspartners zijn daar duidelijk over.
J Uns Japaner befremdet es nicht, wenn ein Gespräch das eigentlich Gemeinte im Unbestimmten läßt, es sogar ins Unbestimmbare zurückbirgt.
F Dies gehört, meine ich, zu jedem geglückten Gespräch zwischen Denkenden. Es vermag wie von selbst darauf zu achten, daß jenes Unbestimmbare nicht nur nicht entgleitet, sondern im Gang des Gespräches seine versammelnde Kraft immer strahlender entfaltet.
J An diesem Glückhaften fehlte es wohl unseren Gesprächen mit dem Grafen Kuki. Wir Jüngeren forderten ihn zu unmittelbar heraus, unser Wissenwollen durch handliche Auskünfte zufrieden zu stellen.
F Das Wissenwollen und die Gier nach Erklärungen bringen uns niemals in ein denkendes Fragen. Wissenwollen ist stets schon die versteckte Anmaßung eines Selbstbewußtseins, das sich auf eine selbsterfundene Vernunft und deren Vernünftigkeit beruft. Wissenwollen will nicht, daß es vor dem Denkwürdigen verhoffe. (Pag 100)

 

Daarom ook spreekt mij het Japanse landschap aan in het schilderen ervan omdat de weergave een vaag duiden is, een heen wijzen, een formulering in verf of inkt van een vermoeden, niet van een zekerheid. Met sumi-e krijgen de streken waarmee het landschap wordt neergezet een raadselachtigheid die door de geest zelf wordt aangevuld maar niet volledig ingevuld. Het vermoeden, de intuïtie, het verkennend voelen worden aangesproken, niet de geest die wil weten en begrijpen. Dat is genoeg, het is voldoende om er in op te gaan, om te ervaren dat het sacrale zich niet laat vangen in een beeld of in een begrip. Luister naar de regen op het dak, ervaar de zachte val van de sneeuwvlok, ruik de nevel in de ochtend en de geur van paarden. Het is zoveel meer dan woorden kunnen uitdrukken en toch zijn de ervaringen reëel en bieden ze een kader om in op te gaan. Ook dat is mystiek, dit durven toelaten, dit tot deel van je leven laten zijn waarin ook jij mag gloren als de ochtend. Dat is toch ook een mooie metafoor voor deze kerst; een glorierijk kerstfeest!

John Hacking
18 december 2015

Martin Heidegger. Unterwegs zur Sprache, Pfullingen 1959 (Verlag Günther Neske) (Pag. 83-155)