Jotie t’Hooft
T’Hooft, Jotie, Verzameld werk. Bezorgd door Marie Lesy, Antwerpen 2011, (De Bezige Bij)
MIJN VRIEND DE ABSTRAKTE BOOM
uit de vale magerte van zijn
vaders gelaat leid ik af dat
hij staat of valt gesteund
door moeders armen en zijn
broers vergiffenis; hijzelf
is slechts een verzameling
van harde en verwarde zinnen
en nooit zal hij eetbare vruchten
dragen.
zijn armen warden s winters
gesnoeid maar hij groeit
niet bij als het lente wordt
integendeel hij krimpt elk
jaar enige sentimeters.
dat wordt zijn dood.
165

UIT DIT DODELIJK LAND
klein zwart schip ben ik
varend tussen de benen van
dag en nacht door en soms
een drenkeling vermalend
alsof dit traag gekraak
van broze stemmen
in de avondmist
het wier van mijn dijen haalt
ooit dat traag en stil de schroef
omwoelt
eens keer ik terug en zal verwonderen
jullie ogen en de haat
geankerd in het zwart paleis van jullie
angst om de haat geankerd
inmijn handen doorboord
door alle woorden alle kussen
alle spuiten alle pillen alle
mensen alle hoeken alle ogen
uit mijn kleine grijze verzameling
aangekomen in dit land nietwaar
was ik een bijzonder vreemde
vogel, mensen, versierd met geuren
en drager van een grote stilte
das kleine moeder je viel toen aan
mijn lemen voeten en fluisterde ontdaan
mijn namen en het grijze land erachter
nietwaar; aangekomen in dit nauwe land
na enige tijd begon je taal te groeien
in mijn stille zinnen en verdrong het
groene zwijgen zodat met de herfst ook
mijn jas, mijn woorden vielen en je lachte
opgesloten in dit land een trechter vol
vervreemd geluid en scherp gelach zal ik
één voor één mijn sombere pluimen laten
om naakt te blijven tonende de rode prikken
in mijn aders en de regenboog van
mijn verdriet
gevangen in dit grijze land dan
zal ik, zal ik niet anders durven
dan je steeds opnieuw te kussen
mijn nagels in je vel verankerd
want mijn vrienden zijn verdord
hun zaad gestold hun woorden afgerond
en beëindigd hun trage schimpscheuten
nu
groeien ze op alle plaatsen waar
wijfjes nestelen en ze zijn zwaar
aan zichzelf verslaafd en aan het bier
waarmee ze hun jaren aanlengen in een
bleke poging van verweer (nog steeds)
nu en dan moet men één van hen chirurgies
van zijn motorfiets verwijderen
hierbij zijn geslachtsorganen rakend
op sinterklaas beven ze even maar
vloeken de nieuwjaarsdagen door
ze herkauwen traag een gedachte
ééns per jaar, en masturberen meer
naarmate het winter wordt; ze
krijgen het koud.
inderdaad zoals u ziet mijn wonden
zijn geheeld tot grillige littekens
en mijn mond is niet langer meer verstard
maar wat onuitwisbaar is;
de wielen van mijn woorden
het bleke schimpen van
mijn linkerhand
vrees echter niet de redding
is steeds aanwezig onder de vorm
van enige eeuwige woorden
uit de coca-catalogus en ik
was dan de kiezels uit mijn hals
ik staar bedaard beschaduwd
want (nu komt het)
je ogen zijn een groen verhaal
van ronde woorden gevangen
tussen onzekere wallen je bent
niettemin sterfelijk
kwetsbaar en meestendeel zeer
ontrouw
soms ben je zorgvuldig samengesteld
uit valse wimpers glazen ogen
plastik borsten nylonhaar en veeg
je haast automatics het stof uit
je raderwerk
dan huil ik maar je blijft weg want
je raderwerk kan roesten en
wat dan?
zal ik dan verbaasd gebaren naar je
vergaan je afsterven tot nog minder stof
zal ik stotteren tot de raven en de meeuwen
die neerwaarts wervelen en mij beschermen
ik verlaten en geankerd in
dit dodelijke land
165-168
DE ZELFMOORD VAN HET ARME MEISJE
(EN WAT DAARAAN VOORAFGING)
gisteren vertelde je me
letterlijk dat het vuur
geheel was opgebrand
vandaar ben je misschien
al leeg en bleek
en nog stiller dan je
altijd was nu zelfs je
trage mompelen is uitge
doofd
en wat
doe
ik
dan herhaaldelijk de spuit
in mijn blauwe arm steken
en vaag de vrouw verdromen
die ik in mijn armen wens,
in mijn kapotgeprikte armen
en dit is het bewijs ik ben
geen windbuil, noch een ballon
wat de ik dan van de ene trip
in de andere stappen klare war
taal wauwelend verwarring zaaiend
in de dekadente afdrukken van mijn
nieuwe gele schoenen, terwijl jij
misschien al geheel bont uitgedoofd
en kouder naarmate de nacht
vordert op bleke voeten en
koude benen je gelaat
was van een stram gehalte en
je stotterende ogen vertelden
niet veel
alleen je woorden waren bleke
warme ballen omfloerste onrust
en terwijl jij geknakt bent leven
wij verder en groeten je van hieruit
ik
mijn duizend vrouwen
De Gedachte
morgen is het vrijdag en
het wordt winter, onthoud
dat goed.
168-169

TE WATER GELATEN
sinds jaren liggend op het strand van proberen
en vervelen; ben ik gaan drogen in alle naden
van mijn lijf.
De zee ken ik slechts van horen; geur van angst
Die nu en dan komt aangewaaid op het lachen
van de meeuwen
dag aan dag reeg zich aaneen; gestrand
als ik was begon ik het zand te tellen
dat in mijn ongeneeslijke wonden kleefde
En zo gingen de dagen voorbij.
Jij hebt nu mijn want bevolkt, mijn zwarte zeilen
gehesen en de inham van je benen
is een vaargeul voor mijn verdriet.
Je bent geheel en al mijn haven geworden,
van waaruit ik wegvaar, de storm tegemoet.
Ik zal zinken.
328-329
SCHREEUWLANDSCHAP
het schreeuwt;
grote vlokken gehuil vallen aardewaarts
bedekken de daken en ruiken aan de nakende
dag,
dag
dag, wordt nacht, langzaam
nauwelijks merkbaar nadervarend; de avond
met zijn zuigende wolken en zijn onzedige
zonsondergang.
Ondergang; gelaten
onderga ik de zon die stijgt
en daalt naar willekeur,
zonder op de uren te letten.
Want de zon heeft geen horloge
nacht, wordt nacht, huiverend
voor zichzelf, verstrikt in
zichzelf, de eigen donkere dekens
van verlangen maar niet geven.
zijn wij kinderen van de nacht?
zonen der duisternis.
nacht, wordt dag, tejatraal
zijn schaamlippen ontvouwend,
de roze lippen, de gouden Uppen,
de heilige ingang van de hemel die
zichzelf voortdurend bevredigd,
want waar moeten wij ons verbergen
als het van binnenuit naar ons komt
alles op zijn weg vernielend,
tot onze kreten toe.
Het schreeuwt;
de straten werden nat en
zullen niet meer drogen
vandaag.
329-330
Voor de deur die ik jaren geleden opende
Voor de deur die ik jaren geleden opende
stand stokstijf de tijd stil,
waardoor ik eeuwig werd en onmenselijk verward,
en doorheen de geblindeerde ramen viel geen
licht en ik leefde zo bruisend tussen de mensen
zoals, en dat weet ik zeker, geen andere god dat kan.
Ook het sterven leerde ik, van de oude meester
Die ik ben en van de Franse dichter die ik vroeger was.
Want dit hol, die zachte holte daar waarbij anderen
Een mond is, groeide eeuwen lang naar zijn uiteindelijke
zachtheid toe.
Niet dat ik u vroeger ooit heb ontmoet; dit is
Uw eerste menselijke inkarnasie, de lange weg
die gij onbewust weet af te leggen
Maakt u nu al moe en gij wilt een moeder zijn
en liedjes zingen en de dagen doen stilstaan,
in mijn armen zetelt gij gerust, hozen van
tijdtrekken voorbij gij dacht hij is het eindelijk
die zacht is van binnen voor mij en keihard
daar waar het nodig is om het leven op afstand te
houden
Maar gij vergat
dat ik zelf het leven was.
En wat voor een.
372-373
[Deze zeven maanden van zoeken naar elkaar, deze zee]
Deze zeven maanden van zoeken naar elkaar, deze zee
van zachtheid, het uitstel van mijn eksekutsie,
het is dankbaarheid verschuldigd.
luister niet naar mij, mijn vuil verleden
dat op koude dagen mijn lippen opspant als een boog.
zegt mij; Weldra wordt de morgen stijf van koude,
zullen de uren van de dag brokkelig hard zijn en
vochtig en koud. En de lucht waar gij nu al zo
oneindig bang voor zijt zal grijs warden van uitputting
en de hele winter zo blijven als een eeuwig teken aan de wand.
Gij zult het hard; wat zeg ik, nog harder te verduren krijgen.
Dat is het wat mijn vuil verleden fluistert in mij,
en wat mij bang maakt ja, maar vastberaden. Want niets is er
nog, dat verloren kan gaan.
373

[Nu ik uit uw huis ben, en weg]
Voor mijn ouders op
zacht en doorzichtig papier
Nu ik uit uw huis ben, en weg,
en wekelijks geworden
woon ik dieper in u, buiten bereik
van uw vangende armen en in de warmte
van uw weldoend hart.
Is het hard geweest, was het bitter
en verbitterend; het is voorbij.
Ik weet wel, het zal nooit geheel verleden zijn,
het woont nog in ons, kleeft nog aan onze wanden
waar het wonden maakte, ons soms zelfs verwonderde
maar mét het harde en het zachte, het kappende
zijn wij, zoals de Leer ons zegt, gestorven
in en voor elkaar, en vrij
uiteindelijk geboren.
388-389
VOOR DE NU GENOTEN WARMTE
(voor Marleen)
Op dode kruispunten warden wij geboren
tussen het gebinte van een lichaam
dat slechts dient om verlaten te warden
langs de wonden eraan toegebracht.
Gewoonlijk staan alle lichten op rood
en missen wij vele trams eer
Wij beseffen; op eigen krachten moeten we
de kosmos doorkruisen.
Langzaam wint deze gedachte veld,
dat wij echter niet mogen bezaaien.
Terwijl gij vanuit uw raam neer kunt kijken
op de mensen die zich haasten van de bakkers
zander brood naar hun huizen zander muren,
en desgewenst kunt gij zelfs de zonsondergang
bekijken, of verdrietig zijn binnen de zachte
wanden van uw warme kamer
Toch puurt gij nog de waarheid niet,
verzamelt ge geen littekens en uw
eiland zal plotseling en voor altijd
vergaan. In de diepten gezonken
zult ge mij en mijn soortgenoten vinden
En voor de nu genoten warmte
zal ik u dan genadig leiden
langs de weg die gij al die
jaren vanuit de hoogte hebt
bekeken.
389-390
GEBED OM NIET TE BIDDEN
De voetboeien van de tijd gooien we moeizaam af
en ruimte wordt weker en verliest zijn betekenis
maar nooit kan ik vergeten hoe mijn wijsheid keelkanker is
wijnrode waarheid kropt in mijn mond als een gezwel
en ankert mijn tanden toe.
Mijn gebed noemt ik besta en ga door en dood
ontscheep voor verder weer en meer;
elektriese ontlading ergens op verlaten liefdeskaaien
plastic plastic onroestbaar gebedenboek
voor enige anale afgoden.
Geruisloos bid ik dus mijn bestaan heelalwaarts
in stilte ben ik bidraket en boor de gaten
der ontsnapping, elke dag even moeizaam
weer opnieuw.
390

VOOR EEN NIET TE HARDE WINTER
Ondanks onze aandacht scheuren wij de hielen
ontvellen onze longen waarmee wij ademen met
moeite tegen het raam dat koel naar buiten
ziet.
Gij die zegt mij te kennen, hoe komt het
Dat ik nu tussen koude muren leef in
deze zieke straat. De meesters rondom
zijn als rottende tanden ons ontvallen
en lieten ons achter verplicht om de
harde hand aan onszelf te slaan,
De zelfgreep, de eigenmoord te volbrengen
en zelfs Zelf te worden, wat in ons op ons
te wachten ligt. Inmiddels warden in dit
seizoen van asse en bladeren de lichamen
mij vertrouwder. Warmer woon ik tussen mijn
gebeente, en bid
Voor een niet te harde winter.
390-391
TO LIVE OUTSIDE THE LAW YOU MUST BE HONEST
(dylan)
Dat betekent wij die de tijd niet meer
tellen moeten op onze tellen letten.
Letterlijk en figuurlijk doven onze
pijpen op de verlaten kamer uit. En
dit alles zonder geluid, de geur blijft
hangen en zelfs zien kunnen wij niet
niet niet niet niets rest ons, Niets.
De nazomer probeert nog de draden
van zijn voortbestaan voort te doen
bestaan aan de hand van een lijkbleke
zon. Maar zoals alle handen opent ook
deze zich zacht doch zeker en tussen
Ons in tuimelt de kilte op een hoop
verdorde hoop naar binnen, klampt zich
aan de handvaten van ons hart vast
en verstijft in zijn verwachten van
redding.
(Hoe droef is het te zien, te zien
sterven zovelen een redeloze kleine
dood; levend dood en begraven in de
blijvende gestalte van het eigen
kleine personage.)
391-392
[Het is al avond, de tijd stapt traag]
Het is al avond, de tijd stapt traag
nog steeds ken ik uw naam niet, na al
die jaren weet ik slechts hoe anderen
u noemen. Ook gij die doof zijt en
kreupel aan beide ogen hebt nog een
rolstoel om te voelen waar gij naartoe
gereden wordt.
Maar ik die alles zie sta met mijn
in alle dimensies verkerende zintuigen
dagelijks de uren op lopende banden
te tellen. Mijn vensters staan open op
de herfst vandaag; op zachte voeten
treed de verrotting toe, verkleurt
Mijn vloerkleden, doet het behang van
mijn stamelen dwarrelen en mijn
vermolmde woorden in wolken stof en
as tot eeuwige zinnen worden.
(De Eenzame Boerderij Met Rookpluim
is omkantelbaar, onbrandbaar en staat
nutteloos te zijn aan de horizon die
aan het einde van het iedere koude nacht
iets dieper inslapende land slechts ligt
ter voorkoming van Kwaad tot Erger.)
Zozeer hebt gij met uw klauwen
In uw eigen borst gekrabd.
392-393
OOK WAT MEN NIET HOORT SPREEKT
Ook wat men niet hoort spreekt. De gespalkte
muilen op de ochtendtrein bijvoorbeeld
stomgeschoten door het voetbalseizoen met
televisie in de tergende ogen en de mond
glasvormig versteven tot volgende weekeindes.
Tussen de trein spreekt ook dit
Menselijk gedender over de doodlopende sporen
van god’s spoorwegnet ons toe met stille
vermoeide zinnen. Over het getik van de Tijd
bom in onze borst en in
bedekte termen over de onafwendbare eksplozie
daarvan, in al onze voegen
De uitgeroeide vreugde, de loosdraaiende schroeven
het ketsend geweer, de weigerige warmte en
het onderhuids getier van een tengere dood,
ons niet eens gegund.
416

NU WEET IK
Nu ken ik de nacht, nu weet ik
hoe zich de duisternis ontvouwt en opstijgt
hoe flarden koude als doden
langs de kasseien ritselen als de nacht
op zijn diepste is, dat wil zeggen nooit
meer lijkt te zullen ophouden.
Dat weet ik nu, en dat ik vlak onder mijn vel
Soms nog de nodige warmte vind hoe te overleven
heb ik geleerd, hoe men rap en toch rustig
het leven voor Het Leven moet ontwijken
en hoe men wankelend maar wakker steeds weer
kan ontkomen.
In de glazen bol Ik, aan de grenzen, daar
waar het geheugen faalt en wij slechts nog
hijgend en hortend de ogen richten op het
steeds duidelijker onbereikbare doel
in deze kosmos. Waarvoor wij leven moeten leveren
als een doffe veldslag in het water.
Soms echter, liefste, als de zon vermoeid
en rijp in onze schoot komt gevallen,
en in de vale kamer
op uw gelaat een straal van mat en mager licht.
onnoemelijk, dan streel ik de littekens
die uit elke wonde in mijn vel de blijvende,
blekere les moesten trekken, en weet niet meer.
416-417
BESTE VRIEND
kalmte
kent gij niet, nooit vallen uw ogen dicht
of dempt ge uw gesprek; langs de zenuwpezen
trappelt de waarheid in u om bevrijding, vecht
tegen de takken en twijgen die uw zwijgen
in zich draagt, klaagt gij nooit dan alleen
Even, vlak voor zonsopgang misschien of
langs de reien als vergeten neigingen
u weer parten spelen en gij spartelend
tegen uw zelf om genade vraagt, mijn
hand zult ge blijven weigeren,
Keer op keer, zelfs als stad en dorp
uw keel hebben toegenepen en uw eigen
onbewoonbaarheid u aan mij en mijn verdriet
herinnert. Zwaaien met de flarden hard
op speed spurtend in de absurditeit verdwijnen
‘There’s no today for us, nothing is there
for us to share but yesterday’
(Brian Ferry)
419
ELEGIE
Lieve grootmoeder die sterft in een witte bloempot
op eeuwige vensterbank van het ziekenhuis, glimlach
die samen met het laatste leven langs je valse tanden
in de nikkelen braakbak glijdt, de pijn
die zich in je ingewanden oprolde en stierf,
de witste handen ter wereld die je uitwasten
afdroogden en wegzetten.
De ene traan die achterwege bleef
De gouden armband die je nooit hebt gekregen,
Het geld dat je nooit hebt verspild
De kinderen die je nooit hebt gebaard
en die rond je hijgende bed staan
met grote angstogen naar de lakens starend.
Het oor, dat toesmelt en stolt
Het oog, dat in zijn kas zinkt
De handen, die zich sluiten willen, en openvallen.
Onze gemeenschappelijke adem die stokt
Onze miljarden handen die bonzen
tegen de wanden van hetzelfde hart.
462
NAMEN
Ik draag ze als een doem.
Mijn stofnaam mens
Een mager woord, een woeker,
Een overschrijden van de grens.
Mijn eigen naam, die niemand kent
De som van al mijn trilling
Van mijn lot equivalent
Tegelijk mijn warmte en verkilling.
Plaatsnamen, zaaknamen. Liefdesnamen
Die nooit voorbij zouden gaan,
Waarvan sommige al vergeten zijn
Terwijl wij andere beramen.
Dat alles binnen de taal,
Keelklank, eeuwenoude kwaal:
Slechts een naam legt iets bloot
De eeuwenoude roepnaam Dood.
630
VRIENDEN
Net als mij vroeger drijft hen nog
De dronkenschap, verzachtende zatheid.
Geen middel heiligde mijn doel, toen,
Geen moeheid bedolf het verlangen.
Hun vele huiveringen hoorde ik,
Het spalken van hun muilen
Op stramienen van verdriet
Eens kleurde hun gekakel mij mede.
Het rangschikken der gramschap was lastig
Met mijn vermorzelde vingers en de mortel
Van talloze herinneringen uit kuilen
Waar de gesperde kaaimannen wachtten:
Mijn vlees voedt nu al vele gieren
Tussen hun stamelen sta ik stil
Geschouderde man in een kamer
Rechthoekig, wezen in wording.
630-631
OOGSTTIJD
Daar ik een vermorzeld mens ben, liefste
Leg ik me behoedzaam neder
En tracht in het gebied dat ik verken
Geen sporen na te laten.
Mijn razernij lijkt afgelopen,
Ik zwijg, ik leer begrijpen:
Terwijl de zomer in ons loeit
Hoor ik de herfst zijn sikkel slijpen:
Mijn lichaam laaft jou even,
Verdrijft je uit je enge cel
Naar een terrein van louter beven
Dat ook mij verovert in mijn vel,
Intussen gaan maaiers op het veld te keer
En in de schuren houten vlegels
Op, en neer
Want niets ontkomt de regels.
631
HERFST 1975
Eerst zetten zwaluwen op de draden
De noten van het gekend gezang,
Dan komen meeuwen landinwaarts
En de laatste vruchten smaken wrang:
Wind bladert in de kruinen
En leest het dode lover af
Belegert onze dorre tuinen
En scheidt het koren van het kaf.
Kind, die in de bossen noten raapt
Hoor de dood in onze schedel kruipen
En zie hoe wij het geluk besluipen
Dat binnen in die bittere bolster slaapt.
631-632

EEN STERFHUIS
(in memoriam Gerard T’Hooft)
Zo wordt, na zijn dood, de mens verdeeld.
In zijn huis waar de stilte dichter wordt
Bedrijven zelf Heiner wordende wezens
De laatste, de kortste rituelen.
Het elektries licht is er zwakker
En zwarte gaten in de muren mompelen
Al stiller en verbaasder over het verteren
Dat verdergaat. Over het doven.
Hij die ons uitspreekt hoort ons ook
Terwijl wij wandelen en ons vergissen:
Onder onze voeten legt hij lichamen stil
In de eindeloze omarming van aarde
Om uit te blazen van het vergapen.
632
ALLE ZIELIGEN
Een oude zon schijnt in de vergeelde berken
Waar zwart geklede mensen lopen in het gras
Tussen de taxushaag en wat gebarsten zerken
Treurig zoekend naar iets dat hen eigen was.
Dat het dood is, en dat zij het niet merken…
Gevouwen handen en gevallen bladeren. Zand.
Modder op de bruine foto’s in het marmer.
God, die beitelt met een vaste hand
En aan ons alien: slechts even zijn we warmer
Dan de kou die ons omringt, dan ons verstand
Dat zegevieren moet, maar dat alleen verzint.
s Anderendaags, de witte bloemen bruingevroren
In de ontstane stilte komt de dood, het oude kind
Hoofdschuddend wandelen langs zijn gemaaide koren.
632-633
OH, AL DE BALZALEN VAN MIJN JEUGD
Oh, al de balzalen van mijn jeugd
Zijn nu bestoft en door velen verlaten.
De vrienden die er bleven zijn mij vreemd,
Maken geluid door de barst in hun gelaten.
Onder de slingers en het licht van weleer
Zetten zij de polka verder van de dromen,
De quick-step van het verjaarde zeer
Cirkels dansend om nooit aan te komen.
Dancings waarin spreken spasme wordt
Vriendschap sjacheren met moederkoren
En waar mijn hart toen is verdord
Want de zachtheid ging erin verloren
Aan mijn dorst naar geilheid en glamour.
Ik ben vrucht en kan slechts vallen;
Gij roept mij toe: ‘l’amour, toujours l’amour’
Maar ik zie u: likkebaarden, lallen.
633
I don’t have any reasons
I left them all behind
I’m in a New York state of mind
(Kraftwerk)
De dichter is een gedicht, 24 uur per dag. De dichter is
een alchemist die van het lood des dagelijksen leven het
goud weet te maken. Zijn gedichten spreken voor zichzelf.
735
SCHULDBEKENTENIS
Ja, ik geef het toe, ik beken het openlijk:
mijn lichaam was altijd een toren zonder uitkijk.
Ik heb hem steen voor steen in folianten gepend
ik heb mij geplooid naar de tijd en de trend.
De stenen die ik uit de wand verwijderd heb
zijn de woorden waar ik dit gedicht mee schep;
ik kijk naar de wereld waarin gij woont
en al zie ik onscherp en ben ik vreselijk stoned
er is iets dat mij niet ontgaan kan:
mijn toren is gebouwd in mijn eigen toren.
Ik weerhield mijn lijf niet in de groei tot man
maar ik zaag geduldig aan de pijlers die mij schoren.
Het lijkt niet erg duidelijk misschien
mijn keel snoert dicht en mijn tong heb ik gebroken
toen ik spreken leerde. Ik heb niemand ontzien.
Ik ben wereld, in mij is onstuitbaar de doodsbloem
ontloken.
735-736
ODE AAN DE NACHT
De duisternis is de ware mantel der liefde
waar alchemisten al eeuwen naar zoeken
en ik weet zeker dat het hen griefde
indien ze wisten dat men haar wil opdoeken.
Hoe haten wij alien dat helder licht
welk men tot in de verste hoeken heeft gezet
want het beschijnt zo overduidelijk ons gezicht
dat vol haat zit, waar men anders niet zo op let.
O nacht, o nacht, zo schaars zijn uw bewonderaars
en er is nochtans nacht genoeg voor alle mensen.
Maar het verstand en de moraal, die verdorven leraars
hebben de aandacht gericht op klaardere wensen.
Niet ik. Ik baad zo gaarne in uw schaduwen
en kan mij enkel in uw arm gelukkig weten.
Het zijn uw flonkeringen die mij voortstuwen
maar ze duren zo kort. Al weer begint daglicht
mijn ingewanden te vreten.
736

ALS JIJ DOODGAAT
Als jij doodgaat zal ik ook.
Als jij voor korte tijd bevroren
en dan leeg vat zonder geest
erin maar stil erboven zwevend
begraven bent, komt ik langs.
Ik zal vaak langskomen, en heb ik
geen kleed dat langs de halmen ruist
en dat je dan zou horen en weten
ik heb alleen mijn nerveuze, slepende
stap, als jij doodgaat zal ik ook.
757
Uit:
T’Hooft, Jotie, Verzameld werk. Bezorgd door Marie Lesy, Antwerpen 2011, (De Bezige Bij)
Pa’ Césary Corky
what for the rush and bloody pain
what for the blooming and the rain
what for the quest and odyssey
what for the swimming and the sea, see
there b no shore or beach that anyone
can reach
and breathe, inhale, exhale, and love
all seems to ooze the stress that greed has carved in us
surely our species should be meek
before our motherearth’s volcanoes
storms and huracanes
tornadoes, floods and tremors
and there we b secreting poisons for all leggeds, wingeds,
fish and even trees
what for the rush and bloody pain
we’ll surely die, but then
we dig deeper in our heartmindspiritbody
and nurture glow and warmth
and light and peace and patience
and gladness and gardens
and gather all in oneness
and end the pain and bloody rush
desiring naught
expecting naught
missing naught
simply being being
we truly have no choice…though
we imagine, dream, hope, want
being all that we are we are all that is
and that is all there b
césar and corky
this b my writ to chávez y gonzález
carnales de las sonrisas grandes
de las carcajadas llenas
de murales
de cuadros, ensayos
matadors de pendejadas
terminators of guandajos and juanabees
hermanos, jefes
your “death” is but our “birth”
porque amasteis
entregasteis
y hoy, como siempre,
sois imprescindibles
Alurista

Luna
lunatuna
fluttering
below belly
pasiones swooping
down deep
gathering storms
treasuring
rainergías pacíficas
marítimas, montañescas
abotona tu vientre, maja
easles b ready
to capture flight
entre tus aguas claras
allow flow
…reflect…
clama la milpa
eye your center
cherish thigh
hug torso
b one
with duende within
discover
sun risa raza roja
Alurista
From Depths to Light: A Journey of Self-Creation
Begin with the depths, where shadows reside,
In the darkness, where secrets confide.
For it is from pain that growth finds its start,
The journey to self, a courageous art.
Embrace the worst, those wounds deep within,
For within them lies strength, waiting to begin.
In the cracks of brokenness, resilience takes root,
As we rise from the ashes, in pursuit.
Unearth the buried fragments of the past,
With introspection, the die is cast.
Explore the depths, unravel the unknown,
Discovering the parts of you yet to be shown.
From the chaos within, clarity will rise,
Like a phoenix, ascending the skies.
Each scar and struggle, a lesson to learn,
Transforming pain into wisdom we yearn.
Embrace the shadows, they hold the key,
To unlocking the self, wild and free.
From the depths, let resilience unfurl,
Creating a self, a masterpiece of the world.
In the darkest moments, find your own light,
Illuminate the path, with all your might.
Begin with the worst, embrace the strife,
For in the depths, lies the essence of life.
So, embark on the journey, brave and true,
Unveil the layers, discover what’s new.
With each step forward, the self will arise,
A testament to growth, a beautiful surprise.
Begin with the worst and deepest within,
Paraphrasing Jung, let your journey begin.
For in the process of creating yourself,
You’ll find strength and purpose, unparalleled wealth.
Subhajit Panda
Bron:
More poems:
Poems of Hope and Resilience | Poetry Foundation

KEERPUNT
De vele veranderingen in het verleden,
ons zuchten tijdens het afscheid;
tien jaar lang wist geen enkel bericht
onze werelden opnieuw te binden
gouden schalen op een altaar van sandelhout
– is alles goed met jou?
een stenen hut, een meditatiekussen
– precies het juiste voor mij
het warme licht van de lentezon
moet de sneeuw op mijn slapen nog smelten;
pas als het droomspel verbroken wordt
ontvouwt zich in mij zijn heldere zin
vaak was jij daarin aanwezig
en bemoedigde mij op mijn droomtocht,
maar wanneer ik nu achter me kijk:
is daar iemand, op die Weidse Vlakten?
Baochi Jizang
(17e eeuwse vrouwelijke Zen-meester) Bron: Grant, Beata: Eminent nuns; women Chan masters of seventeenth-century China. Honolulu 2008, p. 139

Roberta Dapunt
Dapunt, Roberta, dies mehr als Paradies, la terra più del paradiso, Bozen 2016 (Folio Verlag Wien)
Pag. 8
Mai come ora mi fu necessario il silenzio
e il pianto a sconfinare i sensi,
Ie lacrime, spazi colmi di inconfondibile solitudine.
Come un quadro pende dal chiodo
esse pendono obbedienti dal mio sguardo dissacrato,
perché non vedo che dissecarsi ogni senno
e qualsiasi ragione affamarsi di follia.
Povera la mente che difende terra infertile,
buona soltanto a ricordare come ridevo
e rimanevo contenta di me,
perché potevo ed era un facile guadagno,
in premio a ciò che ero, il mio sorriso.
Ora qualunque labbro urlerebbe di scontento,
non vi è parola, nessun verso che tenga.
Sto dormendo e piano muoio da lungo tempo
e gratuitamente scrivo e mi dico poeta,
urtandomi contro i grandi che amo.
Unico riparo sarebbe forse finire il morire?
Abbracciando finalmente la vita.
Perché solo è il corpo ad amare la terra più del paradiso,
nient’altro che la carne a mangiare il pane e bere il vino.
Io non ho motivo di mietitura,
poiché dentro non mi cresce l’erba.
Io non ho causa di poesia,
ché per essa mi marciscono Ie parole in bocca
prima ancora di averle raccolte.
Mehr denn je jetzt bin ich bedürftig der stille
und des weinens weitend die sinne,
der tränen, räume reich an einzigartiger einsamkeit.
Wie ein bild hängt an dem nagel
hängen sie abhängig an meinem geschau entzaubert,
denn ich sehe nichts als den geist sich entgeistern
und den verstand sich nähren vom närrischen.
Armes besinnen das unurbares land verteidigt,
nur dazu gut zu bewahren wie ich lachte
und wie zufrieden ich mich machte,
denn ich meisterte und es war leichter erwerb,
belohnend das was ich war, mein lächeln.
Jede lippe plärrte vor missfallen jetzt,
nirgendwo wort, kein vers besteht.
Schlafe und sterbe klanglos seit langem
und schreibe für nichts und nenne mich dichterin,
renne an die grossen die ich Iiebe.
Einziges entrinnen wäre vielleicht das enden beenden?
Umarmend endlich das leben.
Denn allein ist der leib zu lieben dies mehr als paradies,
allein ist das fleisch zu essen das brot und trinken den wein.
Mich bewegt nichts zum schnitt,
denn drinnen wächst mir nicht gras.
Mir gibt nichts grund für poesie,
wegen der mir modern die worte im mund
die noch gar nicht gelesenen.
Pag. 10
il ritorno dai pascoli
È cammino casto il ritorno dal Fanes,
zoccolo che pesta lento ogni fine di estate.
E cosi siamo soli nell’ampio paesaggio,
ci facciamo villani dai riservati silenzi,
accodati alle mucche per rispetto
verso il loro sentiero saputo.
Io guardo commossa e sono fortunata persona,
ma se solo potesse l’anima
stare nel tondo ventre di vacca,
come a settembre un vitello al ritorno.
Con la quiete rivolta in avanti,
senza sapere per dove ma sicura di un approdo,
cullata e nel caldo, verso un fieno tagliato di nuovo
ogni qualvolta finisce l’erba.
die rückkehr von den almen
Ein gemessener schritt ist die rückkehr von der Fanes,
huf der behutsam tritt immer zum ende des sommers.
Und so sind wir allein in der weite,
werden zu leibern aus umgrenzter stille,
eine reihe mit den rindem aus achtung
vor ihrem eingefleischten weg.
Ich betrachte bewegt und bin erfüllte person,
aber wenn nur die seele vermöchte
zu sein im gerundeten kuhbauch,
wie im september ein kalb während der rückkehr.
In aller ruhe gewendet nach vorne,
ohne zu wissen wohin doch versichert einer ankunft,
gewiegt und im warmen, zu einem heu von neuem gemäht
wenn das gras heuer aufhört.

Pag. 12
mie mani
Vi guardo sposso silenziose mani,
vi guardo e non vedo niente, non sento niente. \Non un verso di pcnsicro, non un verso di pensiero, non una carezza
a voi che tanto amate i fiori e i fieni.
E com’è difficile incontrarvi al mattino,
mani aperte, mie mani vuote,
ora che al freddo rimangono Ie nevi bagnate e la nebbia,
anche voi così malate e lasciate
a un tempo voluto in questa stanza
che solo riscaldo per qualche poesia.
Tra i fumi di larici e abeti
siedo figura comoda e vi rimpiango:
toccaste il corvo nero sopra il tettuccio d’un crocefisso,
sotto da un ‘al tra parte
altre mani mi segnavano in viso
la vostra appartenenza a questo luogo.
Mani profumate, mie mani cafone
e io che nemmeno so alzarvi a un’orazione.
Padrona stolta e vigliacca sono,
buona a farvi tremare davanti a un rosario,
per mia incapacità, per i miseri inchiostri lasciati.
Per questo sopra il quaderno rimanete ad aspettarmi,
come un granito ostinato non alzate alcun movimento.
meine hände
Ich schau euch oft an stille hände,
ich schaue euch an und sehe nichts, hör nichts.
Nicht den vers eines gedankens, nicht ein liebkosen
euch die ihr die blumen und die heue so liebt.
Und wie schwer ist es euch morgens zu finden,
meine offenen hände, leeren hände,
jetzt da in der kälte der nasse schnee bleibt und der Nebel,
auch ihr so krank und überlassen
einer gewünschten zeit in diesem zimmer
das ich nur wärme für wenig gedichte.
Zwîschen dem rauchen von lärchen und fichten
sitz ich figur ohne tun und weine um euch:
habt betastet die schwarze krähe auf dem dach des kruzifix,
unten von einer anderen seite
zeichneten andere hände mir ins gesicht
eure teilnahme an diesem ort.
Duftende hände, meine behäbigen hände
und ich die euch nicht einmal zum gebet beben weiss.
Gebieterin bin ich feige und dumm,
gut euch erzittern zu lassen vor einem rosenkranz,
aus meiner unfähigkeit, meinem verlassen der elenden tinten.
Deshalb bleibt ihr auf dem heft und wartet auf mich,
wie beharrlicher granit lüftet ihr keine bewegung.
Pag. 14
la mia confessione fedele
Curo i prati come il pavimento della mia casa,
guardo l’erba come il tappeto sul quale
allignano i figli e un tempo contento.
Non vi è obbligo di appartenenza.
Ogni filo d’erba è una spettanza,
il diritto per l’umiltà di un altro
che l’ha preceduto e che io ho falciato,
raccolto e scelto per necessità e dottrina.
Pulire i prati è levare loro i sassi e contarli,
come un atto di compassione
ad ogni riverenza che gli concedi.
È raccogliere terra sputata dal fondo e seminarla,
di nuovo, in segno di generosità verso essa.
È forse un lavoro ingrato e fermo al punto di partenza
ma è anche la mia confessione fedele,
la coscienza che mi riconosco addosso,
di essere qui anche per questo.
mein glaubensbekenntnis
Ich hege die wiesen wie die dielen meines hauses,
schaue auf das gras wie auf den teppich auf dem
die kinder wurzeln und eine heitere zeit.
Es gibt keine pflicht zum besitz.
Jeder grashalm ist eine zuwendung,
dank der bescheidenheit eines anderen
der vor ihm war und den ich geschnitten,
gelesen und ausgelesen babe aus notwendigkeit und vorschrift.
Die wiesen pflegen ist ihnen die steine ausklauben und zählen,
wie ein akt von mitfühlen
bei jedem achten das du ihnen zeigst.
Ist vom grund ausgespuckte erde sammeln und sie säen,
von neuem, sich ihr grosszügig zeigen.
Ist vielleicht eine undankbare arbeit und steht still immer am anfang
aber ist auch mein glaubensbekenntnis,
das gewissen das ich mir zuweise,
da zu sein auch für das.
pag. 19
di ritorno dalla stalla
In questo buio compatto è perpetuo novembre.
Sei tu Dio? Omnipresente sconosciuto.
Perché io so che tu sei,
lo sanno i miei sensi
quando tornano dalla stalla.
Tutto è qui nella riservatezza rurale che ripeto
mattina e sera, spesso unico sentiero
che pesto come a passeggia verso casa.
Tutto è qui. Qui è l’avvenire,
qui è tempo che passa e la morte che viene,
in questo gesto comune è la mia alleanza
posta fieno su fieno,
letame dopo letame,
solitudine por solitudine,
nell’amore alla vita, perché vita è l’unico supporto,
qui su questo percorso, umile gioia dei giorni.
auf dem rückweg vom stall
In diesem dichten dunkel ist dauernder november.
Bist du Gott? Allüberall und unbekannt.
Weil ich weiss dass du bist,
meine sinne es wissen
wenn sie zurückkehren vom stall.
Alles ist da in dem ländlichen versteck das ich wiederhole
morgens und abends, oftmals einziger weg
den ich stapfe als spaziergang zum haus.
Alles ist da. Da ist was wird,
da ist die zeit die geht und der tod der kommt,
in diesem gemeinsamen tun ist mein bund
gehäuft heu auf heu,
mist über mist,
alleinsein und alleinsein,
in der liebe zum leben, nur das leben kann tragen,
auf diesem schritt für schritt, freude einfacher tage.
Roberta Dapunt

Pag. 22
penitenziale
Mi dolgo dei miei peccati,
dei giorni vuoti delle notti insonni,
mi dolgo dei miei confini,
degli spazi angusti nella mente,
della mia carne che abbonda.
Mi dolgo di essere verde più delle verdi erbe
e di non essere pianta di questo luogo.
Mi dolgo di essere raspa più di ogni raspa
fino a raschiare l’odore, scrostare dal secchio
l’odore acre del latte munto ieri.
Mi dolgo di essere più cielo del cielo,
inchiodata all’universo e non poter uscire
e mi dolgo di essere letame più del letame sparso,
illudendomi di essere un arazzo cafone.
Mi dolgo di essere roccia più della roccia
invalicabile vetta, la mia è via solitaria
sul granito ostinato lascia l’eco al silenzio.
Mi dolgo di non dolermi affatto nei versi e in poesia,
non mi rammarico, non mi dispiace e rincresce ,
e nemmeno gioisco o mi compiaccio e mi soddisfo.
Mi dolgo. Di non essere il grano di un consumato rosario
sostenere tra congiunte mani il ritmo calato di un’Ave Maria
e infine avvertire per poco un sollievo dell’Amen depositario.
busszeilen
Mich reuen meine sünden,
meine Ieeren tage, die schlaflosen nächte,
mich reuen meine grenzen,
die engsten räume im denken,
mein fleisch das ausschweift.
Mich reut grün zu sein mehr als die grünen gräser
und nicht pflanze zu sein von diesem ort.
Mich reut raspel zu sein mehr als jede raspel
bis zum abschaben des geruchs, vom kübel kratzen
des strengen geruchs der gestern gemolkenen milch.
Mich reut mehr himmel zu sein als der himmel,
genagelt ans weltall und ohne aus zu können
und mich reut mist zu sein mehr als der gestreute mist,
mir vorgaukelnd ein grober teppich zu sein.
Mich reut fels zu sein mehr als der fels
unübersetzbarer gipfel, meiner ist ein einsamer weg
aufbeharrlichem granit bleibt das echo der stille.
Mich reut mich gar nicht zu reuen in versen und in poesie,
ich bedauer nicht, ich groll nicht mich grämt nicht
und ich frohlocke nicht oder freu mich und geb mich zufrieden.
Mich reut. Kein korn sein in einem rosenkranz abgegriffen
in den gefalteten händen die fallende folge eines Ave Maria
und zuletzt etwas erleichterung finden vom Amen aufgehoben.
Pag. 24
io e l’Avemana
Passi quest’autunno oltre la mia carne,
a testa china valichi il mio cuore.
En tri a f orza dai miei pori, ingrassi
il buio ossuto del novembre,
che in questa indifferente sera
la compieta suona a passo d’agonia.
lo che per mestiere pesto fino a stalla
un corteo silente di foglie morte,
riuscissi io a rivolgermi al cielo,
agli occhi azzurri del divino.
Essere il tocco obbediente del battaglio,
cessare per sempre i versi di Babele
e farmi mia piacevole clemenza
la campana cauta dell’Avemaria.
Angelica essa, demone io,
incompatibili amanti per opposta causa,
per quel suo diritto di rigoglio al cielo,
per il mio di rimanermi in corpo,
sebbene io all’Avemaria confidi
un parto d’ali nel mio contento
e le mie labbra incerte deviate al cielo.
ich und das Avemaria
Du drängst diesen herbst mir ins fleisch,
mit gesenktem kopf fährst du in mein herz.
Du kommst mit gewalt durch meine poren, düngst
das knochige dunkel des november,
dass an diesem gleichgültigen abend
die komplet tönt im takt der agonie.
Ich die ich aus beruf zum stall stapfe
eine stille prozession der toten blätter,
gelänge es mir mich zum himmel zu wenden,
zu den hellblauen augen des göttlichen.
Zu sein der gehorchende schlag des klöppels,
aufzugeben für immer die verse von Babel
und zu machen mir meifle genehme gnade
die sachte glocke des Avemaria.
Es engelisch, dämon ich,
unvereinbare liebende aus gegensätzlichem grund,
aus seinem recht dem himmel zuzuwachsen,
aus dem meinen mir im körper zu bleiben,
auch wenn ich dem Avemaria zuspreche
flügel zu gebären in meiner freude
und die zweifelnden lippen gezweigt zum himmel.
pag. 30
inverno
Arrivo a lumi spenti e quindi al buio di ogni sera
me ne entro nel silenzio.
Il messale che conosco è un ricovero di vacche,
una greppia da riempire, il suono umile del fieno
in bocca a chi sa ruminare.
Ho le mani profumate dei cafoni, me le tengo
e spargo paglia come il sangue per un ideale.
Il mio cervello è fine e separato
come gli occhi tondi delle bestie
che non vedono lontano.
Piove umido il cielo in una stalla
piovono pure i pensieri e le voglie insoddisfatte.
Poi finiscono e chiudo l’uscio e me ne vado
e lascio il buio e un altro giorno a terminare.
winter
Ich komme heim ausgehen der lampen und so jeden abend beim dunkel trete ich ein in die stille.
Das messbuch das ich kenne ist ein kuhstall,
eine krippe zum füllen, der bescheidene ton des heus
im mund derer die wiederkäuen wissen.
Habe die duftenden hände der bauern, behalte sie mir
und streue stroh lebenssaft für etwas hohes.
Mein gehirn ist fein und entzwei
wie die runden augen des viehs
die nicht weit sehen.
Es regnet in einem stall feucht vom himmel
es regnen auch die gedanken und die ungestillten verlangen.
Dann hören sie auf und ich schliess die tür und trete hinaus
und lasse das dunkel und einen weiteren tag enden.

Pag. 38
rosario in dicembre
Cosi fermi aspettiamo in piedi,
finché una voce di religiosa qualità
fa strada a un lamentoso compenso
e quella voce stringe un suono uniforme,
il coro costante prosegue, le mani incrociate
stringono alla pietà un lieve sudore.
Ed è voce di vita con la testa china sul tavolo,
immenso campo il suo dolore
e il viso un percorso incerto
mentre fuori è tempo di neve.
Non siamo pronti al pianto ogni volta che si traversa,
nessuno che del cimitero sia desideroso,
lo sconforto ei è testimone.
Niente ali per il paradiso,
né una vanga per l’inferno ei è concessa,
ma un rosario e al confine dell’orazione
un Padre Ave Gloria a chi di noi altri
sarà il prossimo a morire.
rosenkranz aus dezember
So ohne uns zu rühren harren wir auf den beinen,
bis dass eine stimme mit andächtiger färbung
vorwärts führt zu einem Iautklagenden erlös und
diese stimme dringt einen monotonen ton,
der sichere gesang setzt ein, die verkreuzten finger
entringen der frömmigkeit einen leichten schweiss.
Und sie ist stimme des lebens mit dem kopf gesenkt zum tisch,
riesengrosses land ihr schmerz
und das gesicht eine suchende reise
während draussen schneewetter ist.
Nicht vorbereitet wir auf das weinen mal für mal wenn wer geht,
keiner der den friedhof begehrte,
die untröstlichkeit ist uns zeuge.
Nicht flügel ins paradies,
keine schaufel in die hölle steht uns zu,
ein rosenkranz aber und an der grenze des gedenkens
ein Vater Gegrüsset Ehre dem der unter uns anderen
der nächste sein wird zu sterben.
Pag. 40
un altro inverno
Non so come né perché io abbia dentro la neve,
come un bianco talento ti ho sempre, inverno.
Tua invalicabile stagione ho nel cuore,
l’ordine opposto dell’estate in cui nacqui.
Era agosto, fra il sudore di mia madre
e le mani capaci di sua madre,
feci un umile ingresso nella loro contenta esistenza
cercando i miei primi respiri fino a dormire
e dormivo contenta.
Ma questo fiato ora è bufera
che so e so dire con certezza,
perché soffia contro la mia ombra,
soffia via ogni riflesso di cielo.
E non vedo e non so più parlare che di questo,
soltanto di questo mi riesce di scrivere
fino a congelare dentro di me
ogni luogo e finalmente fermarmi.
weiter winter
Weiss nicht wie noch warum ich innen schnee habe,
wie eine weisse gabe habe ich dich in mir, winter.
Deine unüberwindbare jahreszeit hab ich im herzen,
die umkehr des sommers meiner geburt.
Es war august, war der schweiss meiner mutter
und waren die geübten hände ihrer mutter,
bescheiden trat ich in ihr zufriedenes dasein
meine ersten atemzüge suchend bis zum schlafen
und ich schlief zufrieden.
Aber dieser hauch ist jetzt sturm
den ich weiss und weiss mit sicherheit sagen,
denn er bläst gegen meinen schatten,
bläst jede entgegnung des himmels weg.
Und sehe nicht und weiss nicht mehr zu sprechen als dies,
nur dies gelingt mir zu schreiben
bis zum einfrieren in mir
jeden ort und endlich einhalten mich.

Pag. 42
tëmp da maza
I te acompagnëii a n momënt su de liberté
nês corius dl dezëmber,
fej ji sot les aundles farbes tla nëi de stleta crëta
y tomes ia lascian sentënzes paromes.
Bun odur de jenier sura düta ćiasa,
te n cheder d’angonia resta la scodela
ma plö l’giat oramai i va do a tüa striara,
an alda ćiantan.
Chît insnöt dan nauz untic,
te tai straifëia craut y liagnes.
Bun pro a ći co é tut ia,
al é da i dè sau a na fadia insuza.
Cür la nëi corusc scraiënć te plaza
śëgn che inć’la nöt defora jera.
Pag. 43
schlachttag
Ich begleite dich zu einem augenblick freiheit
du nase dezember erschnüffelnd,
grab hinein die falben klauen in den listigen schnee
& stürz spruch aus blut hinterlassend.
Wohlig duftets von krammet übers ganze haus,
in einem bild der qual steht die schale
nur noch die katze die geht auf deiner spur,
man hört singen.
Es ist still diese nacht vor dem glänzenden trog,
auf dem teller vereint kraut & wurst.
Ein wohlergehen dem das gefallen ist,
nach würze verlangt das ausgelaugte.
Der schnee deckt bald die farben im hof
jetzt da auch draussen die nacht gefriert.
Pag. 44
maialatura
Ti accompagno a un solo istante di libertà
grugno curioso del dicembre,
affonda le unghie falbe nell’infida neve e cadi
lasciando uvei giudizi.
In tutta casa il profumo buono del ginepro,
dentro a un quadro d’agonia rimane la scodella
il gatto segue il tuo vestigio,
si sente cantare.
È quiete stasera di contro al trogolo untuoso,
nel piatto rasenti crauti e luganighe.
Salute all’abbattuto,
all’insipida fatica bisogna dar sapore.
E la neve nel cortile avvolge i vividi colori
ora che pure la notte fuori gela.
Pag. 45
fock o’stechn
I gea mit diar nu af an stickl zun d’rleasn
schmeckatr dezembrriasl,
grobsch di geeln krolln in woachn schnea inne
unt follsch um unt losch inz s’horte gricht.
Guatn wacholdrgruch in gonzn haus,
ingroump fan vrreckn blaib di schissl
iatz geat di kotz nu dai spur nooch,
ma heart an gsong.
Z’nocht ban gsolpm troug blaibs staat,
s ‘tallr plaanlt mit kraut unt wurscht.
Guats af deïn der fir deis ollz stirb,
afn oanen der s’lobe gschinnt drwirzt.
Unt dr schnea deckt s’grelle afn platzl zua
Zun zoachn dass a di nocht draussn gfriart.
Pag. 55
Ved, il tempo che si concentra
qui dentro questa stanza,
amico mio che t’invento,
comprime i giorni fino a soffocarli.
Questa è la mia vita
e da essa io ti sto scrivendo.
Io non ho altro,
da me non parte nient’altro.
Leggimi quindi. Rimani e siedi.
In fondo non chiedo nient’altro
che essere guardata in faccia
e negli occhi spalancati.
Pag. 63
Sieh, die zeit zieht sich zusammen
hier drinnen im zimmer,
erfundener freund du,
sie zwängt die tage bis sie ersticken.
Dies ist mein leben
und aus diesem tu ich dir schreiben.
Ich habe nichts anderes,
von mir geht nichts anderes aus.
Lies mich also. Bleib und sitz.
Im grunde frag ich nichts anders
als angeschaut werden ins gesicht
und die augen die aufgerissenen.
Roberta Dapunt
Dapunt, Roberta, Synkope. Syncope, Übersetzungen von Alma Vallazza und Werner Menapace, Wien Bozen 2021, (Folio Verlag)

Pag. 5
über das Fleisch und über die Sprache
In diesem Fleisch habe ich die Jahre verwurzelt, sie erzogen.
In diesem Körper die Materie meiner Gedanken
und die Wörter und die Fragen.
Auf dieser Haut das Umfeld ihrer Antworten,
bis sie sich spannte, Vokale und Konsonanten.
Jedem Knochen meines Gerippes wies ich einen Buchstaben zu
und sodann die Wörter, jedes einzelne habe ich gehegt
und ich habe gelernt,
während ich heranwuchs, wurde das Fleisch zu Wort.
Ein Gefüge von Gliedern, geordnet schwollen sie an,
weiteten sich ihre Höhlungen, und von dort horchte ich,
und es war die Stimme meines Körpers. Die mich rief,
und ich taub für das, was sie sagte, bis
ich die Lippen an ihre Mündungen legte,
organische Beziehung, ich formte die Sprache
und sie nahm den Geschmack wahr
und so redete ich schliesslich zu ihr.
Pag. 7
Della carne e della lingua
In questa carne ho radicato gli anni, li ho educati.
In questo corpo la materia dei miei pensieri
e le parole e le domande.
Su questa pelle l’ambiente delle loro risposte,
fino a contrarla, le vocali e le consonanti.
Ho consegnato ad ogni esso della mia struttura
una lettera
e da lì le parole, una ad una le ho nutrite e ho appreso,
Mentre
crescevo la carne si faceva verbo.
Composte membra, ordinate si sono gonfiate,
dilatate le loro cavità e da lì io ho ascoltato,
ed era voce del mio corpo. Che mi chiamava
e io sorda alle sue espressioni, finché
ho appoggiato le labbra alla loro imboccatura,
organica relazione, ho forgiato la lingua
ed essa ha compreso il gusto
e così finalmente io le ho parlato.
Pag. 9
über das Fleisch und über die Sprache
In diesem Fleisch babe ich die Jahre verwurzelt, sie erzogen.
In diesem Körper die Substanz meiner Gedanken,
die Wörter und die Fragen.
Auf dieser Haut das Umfeld ihrer Antworten,
die Selbst- und Mitlaute, bis sie sich kräuselte.
Jedem Knochen in meinem Gerüst teilte ich einen Buchstaben zu,
dann die Wörter, einzeln zog ich sie auf und begriff,
ich wachse und das Fleisch wird Wort.
In Form und Ordnung gebracht, schwollen die Gliedmassen an,
weiteten sich ihre Hohlräume und da begann ich zu hören,
dass es die Stimme meines Körpers war. Die mich rief,
doch ich war taub und verstand ihre Ausdrücke nicht,
bis ich meine Lippen an ihre Mündungen hielt,
ein organisches Fühlen, ich schmiedete die Sprache
und sie erkannte den Geschmack
und also endlich sprach ich sie an.
Uit: Dapunt, Roberta, dies mehr als Paradies, la terra più del paradiso, Bozen 2016 (Folio Verlag Wien)

HERFSTAVOND
Nu het hele universum
zich kleurt met regen
ziet men nauwelijks meer zijn vorm
vanaf de overzijde van de rivier
klinkt ver weg
de dreun van soetra-gezang
op de Tsuke-berg
gaan in dit nachtelijk duister
talloze monniken in meditatie
maar bij deze steenhoop
wie zal hier bezemen
de herfstwolken?
Pao Jung (9e eeuw),
BRON: O’CONNOR, MIKE AND JOHNSON, R. STEVE: WHERE THE WORLD DOES NOT FOLLOW;
De maan schijnt en miljarden
kadavers rotten
onder de aardkorst.
Ik, die uit hen oprijs
ga hen binnenkort vergezellen – allen.
Waar drijft de maan?
Op de golven van mijn geest.
.
Takahashi, Shinkichi
Bron: Triumph of the sparrow; zen poems of Shinkichi Takahashi. Chicago 1986, p. 141
GAIA 坤
man is a sketch
the heartbeats of sand a fatal dream
more reticent than a room
ocean leaks down along the beautiful waist of a glass
more ignorant than light more like a single night than love
language gives you the theme
sand grips you in slow motion
a pair of tiny dancing breasts
deny dying in death
the more delicately a moment is depicted the shorter it becomes
the more a bright window between the legs hears
a glass of wine next door
lies teach you
create a dark truth in your own eyes
ocean’s pattern placed above a non-human aim
more familiar with destruction than bird claws
in dreams under golden skin a murmuring
grain of
unreachable by even the prettiest finger
sand
Yang Lian
Bron:
Yang Lian, Concentric Circles, translated by Brian Holton & Agnes Hung-Chong Chan, Highgreen, Tarset, Northumerland 2005, (Bloodaxebooks)
坤 aarde (uit hemel en aarde)
