Panikkar: over wijsheid (1)

De wijsheid een woning bereiden

Sapientia aedificavit sibi domum

De Wijsheid heeft haar huis gebouwd.

Spreuken 9:1

Het thema van dit boek is al sinds de jaren dertig een mantra voor me, een muziek van woorden. Het heeft me altijd vergezeld en ik heb altijd geprobeerd op het ritme ervan te leven. Niet alleen muziek kan in ons weerklinken; gedachten kunnen dat ook. Het oor is niet het enige lichaamsdeel dat kan horen; ook de geest kan dat, en het hele lichaam, je hele wezen. De taal van de wijsheid is bij machte om het oor, het lichaam en de geest te verenigen. We zijn gewend aan het lezen van woorden. Met het ‘eten’ van woorden zijn we al bijna opgehouden, en het is nog ongewoner om woorden vlees te laten worden en te belichamen, zelfs al zijn beide beelden ontleend aan de Heilige Schrift van de christenen. 

De wijsheid een woning bereiden – dat is een uitnodiging om een gelukkig thuis te scheppen in het hart van de mens. Hoe kunnen we deze woorden vlees laten worden? Ik zou met enkele bespiegelingen over wijsheid een bijdrage willen leveren aan de praktijk van de echte spiritualiteit. De zinsnede hiervoor bevat drie wezenlijke inzichten over het menselijk bestaan. We zullen onze gedachten laten gaan over deze woorden en oog krijgen voor de betekenis ervan voor het hier en nu, zonder haast, zonder vooropgezette ideeën en verwachtingen.

Wijsheid

1. Alle tradities van mensen hebben op verschillende manieren en met verschillende accenten de wijsheid geroemd. De filosofie is er maar een van Het wijsheidsideaal schijnt een onveranderlijke grootheid van de mens te zijn. leder mens en ieder volk graaft diep in een poging iets te vinden wat de naam ‘wijsheid’ verdient. Maar de huidige opvatting van wijsheid is in vergelijking met de traditionele opvattingen nogal verwrongen. Het is altijd makkelijk geweest de wijsheid te vergeten, maar tegenwoordig heeft ze een slechte naam, omdat ze door de technocratie van deze eeuw vervormd is en vervangen door de grote successen van het wetenschappelijke wereldbeeld. De wijsheid is van haar plaats gedrukt door wat we ‘het moderne leven’ noemen. De moderne levensstijl levert ons een overvloed van informatie en ook veel gemakken. De moderne wijsheid doet zich aan ons voor als een rijke, mooie, gestudeerde dame, die geschenken te verdelen heeft, ons gastvrij een comfortabel onderkomen biedt, informatie doorgeeft en ons rijk maakt. De prijs voor al die voordelen is dat ons bestaan veel ingewikkelder geworden is. Dit is echter niet het traditionele beeld van deze dame. We moeten haar opnieuw ontdekken, haar ontsluieren, en op een nieuwe manier naar haar leren kijken. We zijn niet langer vertrouwd met de echte verschijning van de wijsheid; die is verborgen onder de sluier van de cosmetische schoonheid van de wijsheid (zie Job 28:21).

Wetenschappers, zakenlui, politici of experts op het gebied van religie – weinigen van hen proberen nog wijs te worden. In plaats daarvan stellen ze wijsheid gelijk aan een soort praktische voorzichtigheid, als ze zich die moeite al geven. ‘ ‘Ik, de Wijsheid, woon bij de schranderheid’ (Spreuken 8:12), zegt de wijsheid, maar ik ben niet gelijk aan het laatste. De wijsheid eist inzicht, bekwaamheid en intelligentie, maar de wijsheid gaat deze te boven – misschien moet je zeggen dat ze ‘door hen been en over hen been gaat’ – en komt dan op een ander niveau, een andere laag van de werkelijkheid.

Wie thuis is in de bijbelse traditie, kent ook de wijsheidsboeken en de uitspraken over wijsheid van de joodse traditie. Deze oude teksten, die commentaar geven op de omstandigheden in Egypte, zeggen duidelijker wat wijsheid is dan ik het hier kan. Ik hoef die teksten hier niet te herhalen; in plaats daarvan nodig ik de lezer uit voor een persoonlijke bespiegeling. Ik veronderstel een zekere bekendheid met deze vorm van wijsheidsliteratuur; mijn bedoeling is echter niet zozeer een verhandeling te geven over het verleden, maar een verhaal over hoe we de wijsheid kunnen ervaren. Ik wil een beetje spelen met de wijsheid, want ik weet dat de wijsheid het leuk vindt als er met haar gespeeld wordt (Spreuken 8:30-31).

Het woord ‘wijsheid’ is etymologisch verwant aan vidyia, veda, idein, videre, visie, weten. Het Griekse woord sophia en het Latijnse sapientia duiden op ervaring, vaardigheid en smaak. Hoewel het woord ‘wijsheid’ in verschillende talen andere betekenissen heeft vallen de laatste twee aspecten daar altijd onder. De heilige Bonaventura verklaarde dat door het woord sapientia af te leiden van sapor en sapere, van smaak en kennis (Sententiarum II. d.4. dub.2). Daarmee legt hij getuigenis af van een affectieve, met de zinnen en met de smaak samenhangende kant van de wijsheid enerzijds en van de verstandelijke, cognitieve, wetenschappelijke kant van de wijsheid anderzijds. Wijsheid is zowel technè als epistèmè, actie en kennis, praktijk en theorie. ‘Wijsheid is vroomheid’, zegt de bijbel, Augustinus geeft er commentaar op en Bonaventura herhaalt het. Het betekent dat de wijsheid in een kinderlijke relatie staat tot de bron van al het bestaande.

Heraclitus zei al dat sophronein, gezond denken, de hoogste deugd is wijsheid, sophia, bestaat uit zeggen wat waar is en handelen volgens de natuur, terwijl je naar de natuur luistert. ‘Slechts een ding  is wijs’, zegt hij ergens anders, namelijk ‘het inzicht te herkennen dat alles door alles leidt.’ Deze uitspraak doet denken aan de pratityasamutpada, de ‘fundamentele onderlinge verbondenheid van alle dingen’ uit het boeddhisme en aan de sarvam sarvatmakam. het ‘alles hangt met alles samen’ uit het shivaisme. Onze eerste stap brengt ons dus tot het inzicht dat wijsheid een soort geïntegreerde ervaring is, die ons leven vorm geeft.

2. In plaats van de verschillende aspecten van de wijsheid meer in detail te bespreken concentreren we ons nu op wat ‘onwijs’ is en door die tegenstelling ontdekken we wat de wijsheid in deze tijd van ons vergt. Het tegendeel van wijsheid is niet onhandigheid of onwetendheid, want de wijsheid heeft niet alleen met handelen en kennis te maken. Het tegendeel van wijsheid is ook niet domheid.

Heel vaak blijkt de dwaas of idioot de wijze te zijn, zelfs in de westerse literatuur. Volgens de etymologie zijn de’Engelse woorden dumb (dom) en dumb (stom in de zin van niet kunnen praten) verwant, evenals de Duitse equivalenten dumm en stumm, en het Nederlandse dom en stom, waarvan het laatste evenals het Engels beide betekenissen heeft. Deze woorden zijn weer verwant met woorden als stamelen en stotteren. Heel vaak is de wijze stil. Het is voor onze tijd verhelderend en belangrijk te horen wat Heraclitus schreef, een uitspraak die behoort tot het beste dat de westerse traditie te bieden heeft. Het tegendeel van wijsheid is alwetendheid,   polymathia. Om precies te zijn, de bron van alles-te-weten is in waarheid ‘non-wijsheid’. Deze bron is het resultaat van het verlangen veel te weten. Dit verlangen is, zou Boeddha er meteen aan toevoegen, de bron van het lijden. Maar als het in een persoon bestaat, meet die het niet onderdrukken. Toch levert alles-te-weten volgens Heraclitus geen begrip op en word je er niet wijs van. 

De opmerking van Heraclitus had al in zijn eigen tijd, de vijfde eeuw v. Chr., een polemisch karakter. Heraclitus richtte zich hiermee tegen Xenophanes en zelfs tegen Pythagoras. De opmerking bekritiseerde instellingen waar de methode van specialisatie gebruikt werd om wijsheid te verwerven. Deze belangrijke polemiek wordt alleen maar radicaler in het licht van de moderne ontwikkeling van de filosofie. Men zou kunnen zeggen dat Heraclitus als het ware vooruitliep op Descartes door te benadrukken dat werkelijke wijsheid onmogelijk wordt waar kennis in vakjes moet worden opgedeeld om iets over de wereld en haar samenstellende delen te weten te komen. Heraclitus sprak zich uit tegen de versnippering van kennis, tegen analyse als noodzakelijk instrument om tot begrip te komen. Hierdoor is hij van zeer groot belang voor deze tijd.

Het heeft iets pervers zoals we bestookt worden met informatie, alsof we die nodig hebben om als mensen te kunnen leven. Wat we de vooruitgang van de wetenschap noemen, is niets anders dan de groei van gespecialiseerde wetenschappen die zich steeds meer onderverdelen maar ons steeds minder kunnen verlichten. Het echte probleem is echter dat het gebruiken van deze methode nu van ons verwacht wordt en dat we de ermee verbonden analytische weg als ‘natuurlijk’ zijn gaan beschouwen. We zeggen ‘onderzoek’, maar we bedoelen interventie in de natuur.

Ongeacht wat de moderne wetenschap is, en ongeacht de voordelen die ze de elites in de wereld te bieden heeft, kennis die in stukjes gehakt kan worden, die alleen maar vermeerderd kan worden door te blijven splitsen als men eenmaal die weg is ingeslagen, is helemaal geen wijsheid. We vinden steeds meer onderverdelingen, doen meer ontdekkingen, en krijgen steeds interessanter en aantrekkelijker resultaten. Maar uiteindelijk kunnen we de stukjes niet meer in elkaar Passen, net als een kind dat een stuk speelgoed uit heeft gehaald. We kunnen niet meer spelen omdat we te zeer in beslag worden genomen door het analyseren van de diverse onderdelen waarin we de werkelijkheid hebben ontleed.

De holistische attitude is verloren gegaan omdat de persoon herleid is tot rede, rede tot intellect, intellect tot het vermogen tot classificeren en tot het opstellen van wetten over de werking van dingen. Deze vorm van kennis verdient ongetwijfeld een plaats in het leven en is zelfs nuttig. Het probleem is ook niet de kennis zelf maar onze neiging om de analytische weg in te slaan en zo te vergeten dat alles één geheel vormt. We noemen dat het vergeten van het zelf, het atman, het vergeten van het geheel waarvan het middelpunt door ons hen gaat. (Om hier niet verstrikte te raken in een diepgravende filosofische discussie laat ik het vergeten van het zijn buiten beschouwing, maa ik neem aan dat Heidegger dit probleem ook gezien heeft).

De eenvoud van de wijsheid is niet een kunstmatige versimpeling van het leven maar de ontdekking dat ik in aanraking kom met de hele werkelijkheid. Het betekent ook dat ik de waarheid kan naderen en me er een voorstelling van kan maken, gesteld dat ik mezelf niet uit het oog verlies, mezelf er onderwijl niet uit losmaak, en de werkelijkheid niet probeer te objectiveren, waardoor ik mezelf in een af gesneden subject zou veranderen. Een ervaring van de samenhang treedt alleen op als theorie en praktijk op elkaar aansluiten, als mijn behoefte aan kennis niet losstaat van mijn bestaan. Ze treedt op als mijn hart zijn zuiverheid bewaart. Vele tradities leren dat het nastreven van kennis, de kennis van goed en kwaad, de erfzonde van de mensheid was (Genesis 2: 17). Zonde betekent hier het afwijzen en de scheiding van de onderlinge verbondenheid van al het bestaande. 

De tweede stap van onze overpeinzing brengt ons dus dichter bij onszelf. Hij laat ons zien dat de wijsheid, als eenmakende benadering van het leven, afhankelijk is van onze transparantie en de echtheid van ons leven. Wijsheid is persoonlijke harmonie en de echtheid van ons leven. Wijsheid is persoonlijke harmonie met de werkelijkheid, eenheid met het bestaan. Tao, hemel God, niets…

3. Wijsheid en waarheid zijn geen van beide exclusieve intellectuele waarden. Hiervoor is al gezegd dat wijsheid een uit de praktijk stammende levenshouding is, waarvoor dus zowel begrip als handelen nodig is, sapere en sapor. Zelfs de kennis van de wijsheid geen zuiver rationele handeling maar een aanraking van de werkelijkheid, een realisatie, die te vergelijken is met niet-weten. Zowel de oosterse als de westerse filosofie herinneren ons voortdurend aan dit feit. De traditie van het Avondland die bekend is als apofatisme, verlicht niet-weten (docta ignorantia) of de ‘wolk van niet-weten’ is meer dan vijfentwintighonderd jaar oud. ‘Wie in dit leven in contact met God wil komen, wordt verenigd met hem als totaal onbekende. ‘ (unitur ei sicut omnino ignoto) zei Dyonisius de Areopagiet.” Thomas van Aquino bevestigde deze uitspraak nadrukkelijk. Thomas was ervan overtuigd dat het hoogste dat een mens over God te weten kan komen, is dat we God niet als God kennen. En Evagrius Ponticus riep uit: ‘Gezegend hij die de oneindige onwetendheid heeft gevonden’ (agnosia).

De wijsheid van de Oepanisjaden leert ons dat we niet moeten streven naar het veelvuldige maar naar datgene waardoor we, als het gevonden is, alles kunnen begrijpen. Is er zoiets? Waaraan kan ik dat herkennen waardoor het begrip van alles komt, dat het begrijpen van alles mogelijk maakt? Vele, misschien bijna alle traditie hebben gewezen op het belang van het actieve en transformerende karakter van begrip: je wordt watje begrijpt, tegelijkertijd begrijp je alleen dat wat je worden wilt. De middeleeuwse scholastici zeiden het zo: Je berijpt alleen wat je liefhebt. Het belangrijkst van alles is het wordingsproces dat het contact met de werkelijkheid tot stand brengt.

Omdat zowel waarheid als wijsheid een existentieel karakter hebben, horen ze bij elkaar. De Ramayana zegt: ‘Het is zelfs zo dat de oude wijzen en de Goden de waarheid (satyam) eerden: wie in deze wereld de waarheid spreekt, betreedt de hoogste van alle woningen’ (11, 109, 11). Een andere passage luidt: ‘Wijsheid (satyam) is God in de wereld. Op de wijsheid wordt altijd het recht gegrondvest. In de wijsheid is alles geworteld. Er is niets hogers’  (11, 109, 13). ‘Op de wijsheid (satyam) rust de aarde, want door de wijsheid schijnt de zon, door de wijsheid waait de wind, alles is afhankelijk van de wijsheid’ (Vriddha-Kanakja V, 19). In een passage van de Mahabharata staat: ‘Door de wijsheid wordt de wet (dharma) instandgehouden, door ijver en oefening wordt kennis (yidya) instand gehouden, door netheid wordt de schoonheid instand gehouden’ (V, 1132). De christelijke scholastiek stelt eenvoudig dat je ‘moet vertrekken vanuit het verstand en moet aankomen bij de wijsheid’. De waarheid leidt naar de wijsheid, maar niet vanzelf of alleen.

Het verlangen van mensen naar wijsheid komt overal voor, en het schijnt het meest kenmerkende verlangen van de mens te zijn. Planten houden van licht, dieren willen gelukkig zijn. Mensen willen ook wel gelukkig zijn, maar veel dieper en intenser. De mens is Mens omdat hij of zij wijsheid kan verwerven en daarnaar verlangt. Het derde oog, verlichting, satori, de wederopstanding – het zijn allemaal symbolen voor de wijsheid. We kunnen wel zeggen dat, zo opgevat, wijsheid een onveranderlijke menselijke eigenschap is. Wijsheid verwerf je niet door veel te weten maar door niet te weten. Je moet dwars door het verstand gaan, het niet ontkennen of negeren maar het overstijgen. Alleen dan is kennis geen obstakel dat je verhindert om te leven. De Kena-Oepanisjad zegt het heel hardvochtig: ‘Het wordt niet begrepen door degenen die het kennen maar door degenen die het niet kennen’ (11, 3). Deze uitspraak gaat nog verder dan wat Socrates zei. De betekenis ervan is dat degenen die weten, niet begrijpen. Dus zijn degenen die weten dat ze niet weten, nog steeds aan de kant van de wetenden, zodat ze niet werkelijk begrijpen. Paulus zou ze ‘de wijzen van deze wereld’ noemen. Zij zijn de geleerden, de professoren, en alle anderen die zichzelf tot wijzen hebben uitgeroepen, die weten dat ze niet weten. Maar als ze weten dat ze niet weten, kunnen ze niet gelukkig zijn. Alleen degenen die zo onwetend zijn dat ze zich van hun onwetendheid niet bewust zijn, zijn wijs. Er is hier geen enkele mimte voor pretenties.

Deze uitspraak is geen paradox maar een diep-menselijke ervaring, die iedereen kan hebben. Het is de totale ontkenning van wat voor elitaire opvatting over wijsheid dan ook. De bijbel zegt dan ook dat iedereen de wijsheid mag naderen om gesterkt te worden door haar vruchten (Spreuken 9:3 e.v., Wijsheid van Jezus Sirach 24:19). Paulus voerde echter een scheiding in het denken van het christendom in die zich onderscheidt van veel andere tradities in de geschiedenis van religies,. Paulus spreekt over twee soorten wijsheid: de sofia van de wereld of het vlees en de sofia van God, de goddelijke wijsheid, die voor altijd een mysterie zal blijven. Het door Paulus gemaakte onderscheid heeft tot een dualisme in de christelijke traditie geleid dat veel christenen nog steeds niet geheel te boven gekomen zijn. Dit onderscheid was in de situatie van Paulus wellicht nog realistisch en gunstig, maar het leidde tot een speciale ontwikkeling binnen de religieuze geschiedenis waardoor belangrijke kenmerken van de wijsheid in de loop van de tijd aan het gezicht onttrokken werden, met verstrekkende gevolgen.

Deze derde stap levert ons geen stevige greep op de wijsheid op. ‘Zij die weten, spreken niet en wie spreken, weten niet’ (Tao Te Tjing, 56, zie ook 81). Wie meent ‘er te zijn’, moet oppassen dat hij niet struikelt, waarschuwt Paulus. De straatrover, de zondaar, de slaaf… zullen uiteindelijk gered worden, terwijl de monnik, de asceet en de (schijnbare) heilige volgens legenden uit de hele wereld verloren gaan. Het is niet de persoon die wil maar die wordt ‘gekozen’, leren de Oepanisjaden, het shivaïsme en het Christendom. Het derde punt brengt ons dan ook bij de zuivere genade, waartegenover de menselijke wil machteloos staat.

Een woning

1. Een woning is geen kledingstuk. Een woning is ook geen individuele aangelegenheid of een soort privé-verlossing. Ze is er niet voor mij. Ik kan niet gewoon de wijsheid in beslag nemen, haar manipuleren en ervan genieten. Ik kan haar niet gewoon gebruiken, zelfs niet voor een goed doel, ook kan ik haar niet uitputten of misbruiken. Het verstand daarentegen valt te manipuleren en is als wapen te gebruiken. Je kunt worstelen met het verstand en de overwinning behalen, je kunt iemand die minder goed ingelicht is, overdonderen en overtuigen. Hetzelfde geldt voor de rede. Maar het zou tegen de aard van de wijsheid indruisen om haar als wapen te gebruiken, als instrument om een bepaald doel te bereiken. Wijsheid is niet een object. Wijsheid is niet eens nuttig, is nergens goed voor. Wijsheid is geen dienaar. Ze is volkomen overbodig. Ze komt alleen voor in overvloed waar ze uit haar volheid kan overvloeien. Je kunt jezelf niet tooien met wijsheid, je kunt de wijsheid niet verwerven, haar niet veroveren, grijpen en verstaan en haar dan misschien voor een goede zaak benutten. Kortom, geen enkele vorm van individualisme zal ooit de wijsheid vinden.

De benaming ‘woning’ of oikos in de Septuaginta betekent helemaal niet wat men er tegenwoordig onder zou verstaan: een min of meer behaaglijk onderdak dat – ons etymologisch gezien – ‘beschermt’ en alle gemakken biedt waardoor we een prettig en tot op zekere hoogte vreugdevol leven kunnen leiden. ‘Een woning bouwen voor de wijsheid’ betekent niet: de wijsheid een onderdak te bieden waar ze kan wonen. Het is een teken van de moderne cultuur die zo bezeten is van getallen, dat in bijna alle steden de huizen, en soms ook de straten, van hun naam beroofd zijn of er nooit een gehad hebben; in plaats daarvan hebben huizen nu een nummer.

‘Een woning bouwen’ betekent niet dat ik kan voorzien in een soort woningnood op het moment dat ik me in het bezit weet van de zeven sleutels van het een of andere pand, waar ik kan profiteren van de baten van de ‘wijsheid’. De vaak genoemde dakloosheid van de moderne mens is een gevolg van het feit dat de wetenschappelijke kosmologie het individu geen menselijke woning kan aanbieden.

De wereld van de wetenschap is geen woning. Het individu verdwaalt in de kwantitatieve woestenij van een ‘uitdijend’ heelal en de miljoenenjaren lange keten die ons verbindt met onze dierlijke voorouders. Het individu is dakloos geworden omdat het wetenschappelijke wereldbeeld de menselijke dimensie uit het oog heeft verloren en nog meer door het feit dat dit wetenschappelijke wereldbeeld niet is opgetrokken door wijsheid maar door extrapolerende berekening. Het is geen wonder dat de moderne samenleving een hoge mobiliteit heeft. Miljoenen toeristen zijn alleen maar aan het rondtrekken, tochtjes aan het maken, inwoners van de Verenigde Staten verhuizen gemiddeld eens in de vierjaar. Een woning die niet door de wijsheid is gebouwd, is helemaal geen woning.

De eerste dimensie van een woning is de wereld als ons vaderland. De wereld is een woning voor ons allemaal: voor de daklozen, de armen, het hele volk. Bonaventura noemt de wijsheid, geheel in franciscaanse stijl, rijk aan facetten, zodat ze op allerlei manieren kan worden ervaren en mistig wordt voor de trotsen en helder voor de nederigen. 22 Wijsheid is niet ingewikkeld, ze is niet de som van de vele facetten van kennis, zelfs niet van een veelheid ervaringen. Je kunt wijsheid niet opstapelen of vermeerderen. Uit wijsheid valt nooit munt te, slaan. De woning is eerder een herberg voor karavanen, met binnenplaatsen voor de pelgrims uit deze wereld. Misschien mag ik de ‘afzondering’ (Abgeschiedenheit) van Meester Eckhart uitleggen als een uitsluiting van alle vormen van exclusivisme.

De mens leeft in een bewoonde en bewoonbare wereld. Je kunt de wijsheid niet ervaren als je niet de hele wereld als je vaderland ziet. Dit is moeilijker voor de moderne mens, maar soms wel minder gevaarlijk dan voor eerdere generaties, omdat de gemiddelde moderne mens leeft in een wereld zonder engelen, geesten, goden, winden en andere dergelijke wezens. De stadsmens leeft niet met de dieren in het bos. Daarom zijn we niet in staat om de wereld als een woning te ervaren door onszelf te zien als afzonderlijke atomen in een kwantitatief universum. Wij kunnen niet langer ervaren wat eens de astrologie leerde en waar Gregorius de Grote zijn trotse, commentaar op gaf: ‘De mens is er niet voor de sterren, maar de sterren zijn er ter wille van de mens.’  Thomas van Aquino benadrukte deze opvatting nog: ‘De wijze regeert zelfs over de sterren.’ Beiden erkennen dus het uitgangspunt van de astrologie, namelijk dat het individu verbonden is met de sterren. Zij wijzen alleen de onderwerping van de mens aan de sterrenbeelden af.

Kortom: de ware woning van de wijsheid is ons heelal, onze wereld, of nog concreter: Moeder Aarde. Dat bedoel ik ook met het woord ‘ecosofie’, dat niet te verwarren is met ‘ecologie’. Dit is niet de plaats om kritiek te geven op de behoefte van deze cultuur om deze planeet te verlaten, een behoefte die we door de moderne techniek als een zekere mogelijkheid kunnen gaan zien. Men zou dit kunnen opvatten als een fuga mundi (vlucht uit de wereld), maar een dergelijke vlucht zou niet een verlaten zijn van de aarde maar een vlucht voor het eigen zelf. Dit syndroom bevat een zeer belangrijk idee, dat ook van belang is voor ons onderwerp: als niet op je gemak voelt op aarde, als de aarde niet een woning is voor de wijsheid, is het niet verbazend als je gaat dromen van interstellaire reizen en je je voorstelt dat je de aarde verlaat. Dan is de aarde alleen een soort deken, waardoor we als gevolg van Newtons wet van de zwaartekracht worden aangetrokken, of waar we op ‘zitten’; we hebben er dan geen diepere relatie mee. De sjamaan verlaat om totaal andere redenen het fysieke lichaam om zijn reis naar de hemel te beginnen. De sjamaan verlaat de aarde met als enig doel er weer terug te keren en iets van de verborgen wijsheid mee terug te brengen om daar anderen mee te kunnen helpen. Zo’n tocht is niet een vlucht, want de aarde blijft de woning; De moderne ruimtereizen daarentegen zijn een antropologische vervreemding, die men niet moet verwarren met de drang van de Argonauten.

2. ‘Woning’ betekent ook ‘huis’, iets wat gebouwd moet worden. Spreuken 9:1 heeft het niet over een ‘woonplaats’. Daar gaat het over het bouwen van een tempel, een huis, een woning – oikodomeo, aedificare, oikia, aedes. Je zou het kunnen vertalen met ‘een woning bewoonbaar maken’ en die uit te rusten als een woning door die te betrekken. Een onbewoonbare of (tijdelijk) onbewoonde woning is helemaal geen woning, net zoals een lied geen lied is als het nooit gezongen wordt. Maar het gaat ons hier niet om het metapolitieke aspect van de activiteit van het wonen maar om het politieke aspect. (Politiek betekent hier de openbare activiteit van het individu [politeuma], de menselijke activiteit in de polis, en niet het werkterrein van de politicus.)

Onze tekst noemt het een ‘woning’, niet een grot of een greppel – en zeker niet de hel, een verborgen plek of een esoterisch mysterie. Het echte mysterie is open en toegankelijk. Werkelijke wijsheid is eenvoudig en misschien is het daarom wel zo moeilijk om er de hand op te leggen, maar elitair is wijsheid beslist niet. ‘Want er is niets verborgen, dan om geopenbaard te worden’ (Marcus 4:22).

Echt esoterisch onderricht is niet gewoon een andere leer, het is de verborgen zijde van het exoterische onderricht, het blijft onzichtbaar voor hen die ogen hebben maar niet kunnen zien (zie Jesaja 6:9 e.v, Matteus 13:13, Marcus 4:22 e. v., Johannes 12:40, enzovoort). ‘Het grote geheim is dat er geen geheim is’, staat te lezen in een ‘mysterieuze’ door het shivaïsme overgeleverde tekst uit Kashmir. ‘De geheimen van het hart die de persoon wil verbergen, worden voor allen zichtbaar’, zegt de Chung Jung (I, 1, 3).

De belangrijkste christelijke herformulering van de joodse bronnen is dat de wijsheid niet langer als het voorrecht van de geleerden, de aristocraten, de uitverkorenen, de ‘vromen’, de rechtvaardigen wordt gezien – zelfs niet als dat van de wijzen. De verlossing is er voor iedereen’ en wijsheid kan worden verkregen door prostituees, Samaritaanse vrouwen, tollenaars, onbesnedenen en in de eerste plaats door de gewone, arme mensen, de anawim (zie bijvoorbeeld Matteus 11:25). Dat feit verklaart misschien waarom Paulus een dubbele betekenis voor het woord ‘wijsheid’ invoerde. De wijsheid heeft een zichtbare woning: ‘Ook steekt men geen lamp aan en steekt haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor alien, die in het huis zijn’ (Matteus 5:15, vergelijk Marcus 4:21, Lucas 8:16). Een woning is net zomin een grot voor de ‘volmaakte’ als een kasteel voor de bevoorrechte, het is een huis voor alien (zie Johannes 14:2). Volgens Bonaventura ‘kan onze ziel door de wijsheid bewoond worden alsof ze een tempel was’. Hij voegt eraan toe dat de wijsheid daardoor ‘de dochter van God wordt, de bruid van God, en Gods vriendin’. Vandaar dat een woning niet alleen de aarde is, niet deze geheime schuilplaats zoals we zouden kunnen zeggen, maar een huis, een echte hoeve. Het is een plaats om te blijven, waar we ons kunnen vestigen, een thuis waar we onszelf kunnen zijn, waar we menselijke relaties met allerlei dingen kunnen onderhouden. We hoeven deze wijsheid niet te verbergen, ook hoeven we haar niet te beschermen of te verdedigen. Zoals een vrij mens zijn dagelijkse zaken zonder wapens kan regelen, heeft een echte woning in een waarachtig menselijke samenleving geen elektronisch of ander beveiligingssysteem nodig. Ware wijsheid heeft geen lijfwacht nodig, zelfs geen copyright. Als ze wordt uitgenodigd in een huis vol wapens, slaat ze meteen op de vlucht.

3. In heilige geschriften staat te lezen dat de wijsheid een dubbele woning heeft. Aan de ene kant is het mensenhart (Hebreeuws: leb) een woning voor de wijsheid (Spreuken 2:1), hier stelt het hart de totale persoon voor. Het hart wordt opgevat in een verstandelijke, spirituele en fysieke zin, het volgt het ritme van de natuur en staat op hetzelfde moment in contact en in symbiose met andere harten. Aan de andere kant is de hele aarde ook een woning voor de wijsheid (Spreuken 8:22-31). Daarom is een woning niet gewoon een huisje of een bepaalde gemeente of een beschaving, maar het mensenhart en de grote wijde wereld. ‘In het hart van de verstandige ligt de wijsheid’, zegt de bijbel (Spreuken, 14:33), en de aarde is zijn woonplaats (Spreuken 8:2 e. v.) De Rig Veda zegt: ‘Door zorgvuldig te overwegen in hun hart vonden de wijzen het verband tussen bestaan en niet bestaan’ (X, 129, 4). Een Oepanisjad zegt het nog preciezer: ‘Waarheid (wijsheid) wordt begrepen met het hart; want het is zeker dat de waarheid (wijsheid) haar woning maakt (haar basis, wortels heeft) in het hart.’

De Chinese, Indiase en christelijke tradities spreken over het hart van de wereld en ontdekken een duidelijke overeenkomst met het menselijk hart: ‘Juist zo groot als de wereldruimte (akasha) is de ruimte in het hart (antar-hriday’akashd). In het hart liggen de hemel en de aarde, vuur en wind, zon en maan, bliksem en sterren, wat (onder ons) is en wat niet (onder ons) is; alles is erin vervat’ (CU VIII, 1, 3).

Een andere Oepanisjad herhaalt wat later een algemeen gedeelde overtuiging zou worden: ‘Het hart is werkelijk brahman… Het hart heeft een woning (ayatana – waar je binnengaat en blijft), de ruimte (akasha), zijn basis (pratishtha) die je moet herkennen om stabiel te kunnen zijn … Het hart is de basis van al het bestaande; alle dingen vertrouwen op het hart’ (BU IV, 1, 7).

De Semitische volkeren weten dat het hart (Hebreeuws: leb; Akkadisch: libba) ook in verband staat met ruach (de persoonlijke menselijke geest), nefesh (ziel, leven), neshamah (adem), de nieren en het sterfelijke lichaam. Voor de Afrikaanse culturen lijkt dat ook op te gaan. Kortom, het hart is het middelpunt van de persoon en als zodanig is het de zetel van de wijsheid. Het middelpunt heeft dezelfde afstand tot alle punten op de cirkel. De wijze is volgens de Chinese klassieken gelijkmoedig, eerlijk en onbevooroordeeld. Samenvattend: de wijsheid is niet een kwestie van specialisatie.

Wijsheid zonder haar woning is geen wijsheid maar een abstractie, een woord. De wijsheid moet vlees worden, ze moet geworteld zijn. Een woning zonder fundering is onmogelijk! Zonder persoonlijke ervaring, zonder de woning van de wijsheid, is wijsheid niets. Bewonen is de bestaansvorm van de wijsheid. Je woont ergens wanneer je ergens vertoeft, de plaats verkent. Je woont niet zomaar ergens, je woont in of op een zeker waar. Dit waar is de aarde, het thuis, het menselijk hart. De wijsheid is altijd slechts een gast. Gastvrijheid was met reden altijd de eerste plicht van mensen jegens hun buren. Je zou de wijsheid moeten ontvangen zoals een moeder zwanger wordt. Maar we kunnen de wijsheid niet alleen ter wereld brengen, net zoals een vrouw niet alleen zwanger kan worden. Voor elke bevruchting is een baarmoeder nodig. De woning is de baarmoeder voor de wijsheid. De wijsheid woont net zo in ons als de incarnatie ervaren wordt door christelijke mystici: ‘En het heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1:14) – maar vaak zet ze alleen maar een tent op (eskenosen) omdat we ons hart niet voor haar openen als een echte woning.

In de westerse traditie van de twaalfde eeuw biedt Hugo van St. Victor een korte formule van wat sinds de dagen van Augustinus een algemeen gedeelde zienswijze was. Er zijn, zegt hij, drie huizen: de hele wereld, de samenleving van de mensen en de persoonlijke ziel. Alledrie zijn woningen van de godheid, de ‘huizen van God’. We zouden dat kunnen vertalen met: het goddelijke, het menselijke en het kosmische hebben dezelfde woning. Een woning maken voor de wijsheid komt neer op geworteld zijn in de haard van de werkelijkheid.

Voorbereiding

1. Een woning is er niet zomaar. In zoiets wordt door de natuur niet voorzien; het is een product van de cultuur. We hebben hiervoor al gezegd dat je in een woning moet wonen. Een leeg huis is geen thuis. Volkomen theoretische wijsheid is geen wijsheid. De wijsheid neemt niet haar intrek in een onbewoond huis. Maar voordat je een huis betrekt, meet je het – misschien tegelijkertijd – bouwen en meubileren: je moet het bewoonbaar maken.

In sommige bijbelteksten staat dat de vrouw een woning voor de wijsheid bereidt (Spreuken 14:1). In dezelfde zin verwoorden Indiase teksten dat de vrouw het thuis onderhoudt zoals het dharma waakt over de welvaart (rijkdom). Het bouwen van een thuis is dus geen werk voor technici, maar lijkt meer op het ter wereld brengen van een kind. In de Atharva Veda staat dat het huis gevormd wordt door het ritueel en gebouwd wordt door de wijzen (IX, 3, 19). Hoe kun je eigenlijk een thuis bereiden?

Je moet in elk geval nooit op zoek gaan naar de wijsheid. Het enige wat je kunt doen, is haar een woning bereiden. Het adagium ‘streef naar wijsheid’ kan niet betekenen dat we de wijsheid moeten najagen als ware ze een object, een ding waar je jacht op kunt maken.

Wijsheid is niet het eind van een lange bedevaart. Volgens de bijbel overtreft de wijsheid parels in schoonheid (zie Spreuken 3:15, Boek der Wijsheid 7:29-30, Job 28:18 en Spreuken 31:10). Kijkend naar andere tradities horen we Chuang-tzu zeggen dat we deze wonderbaarlijke parel alleen onopzettelijk kunnen vinden. Elke vorm van zoeken zou vingerafdrukken op de parel achterlaten en hem van zijn glans beroven, net zoals wanneer je aan de vleugels van een vlinder zit. Je moet je door de parel laten verbazen, je erdoor laten veranderen. Geen macht van de rede, geen inspanning, geen zoeken kan tot dit resultaat leiden. Het zoeken naar de wijsheid zou de onafhankelijkheid van de wijsheid bezoedelen en haar soevereine vrijheid door het slijk halen. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel ik wil de heerser zijn over de wijsheid en haar als mijn dienares behandelen; van alles eisen, kennis, macht, verstrooiing begeren en die dingen zelfs krijgen – maar ik kan mezelf ook laten doordringen, verlichten en bewonen door de wijsheid. In het laatste geval ligt het initiatief bij de wijsheid, zoals het in de natuurlijke orde ook hoort, en alles wat ik verder zou vinden, zou voor mij niet langer ware wijsheid zijn. ‘Wie mij vindt, vindt het leven’ (Spreuken 8:35). Daarom moet niet de wijsheid worden gevonden maar het leven, niet een herwonnen voorwerp, maar je eigen, echte leven. Wijsheid is niet een object. Je kunt er niet naar op zoek gaan. Het is passend dat we geen macht hebben als we voor de wijsheid staan. Tenslotte heeft de wijsheid zelf geen macht. Wijsheid verleent alleen gezag, verleent dat aan degenen die zich spontaan door haar laten bezoeken. Wijsheid is geen doel van het verstand of van de geest. Deze uitspraak was een van de hoofdleringen van Boeddha: elke vorm van begeren, zelfs het verlangen naar het nirvana, vernietigt zowel de zoeker als het gezochte. Op dit punt kan een taalkundig onderscheid tussen spontane aspiratie (de ‘spiratie’, de adem van de geest zelf: Betrachtung; vergelijk tractare, trachten, aspire) en bewust verlangen nuttig zijn.

We kunnen het voorgaande illustreren aan de hand van een (iets aangepast) Chinees verhaal van Huang po (Hsi-yiin), een negende eeuwse Chan-meester. Dit verhaal gaat over een eenzame zoeker die aan de voet van een berg staat en het intens en wanhopig uitschreeuwt om maar de wijsheid te vinden. Tenslotte hoort hij een stem van de berg komen die een antwoord lijkt te geven. Hij hoort de stem heel duidelijk en dus beklimt hij de berg. Als hij bovenaan gekomen is, is alles rustig – geen stem, geen geluid. Teleurgesteld daalt hij de berg weer af, en omdat hij uit de boeken geleerd heeft dat je niet snel moet opgeven, begint hij weer te schreeuwen – of te bidden, zoeken, onderzoeken, zich in te spannen. Weer hoort hij de stem en weer beklimt hij de berg – niets! Zo gaat het een tijdje door. Als hij tenslotte afdaalt en het opgeeft, hoort hij niets anders. Dan komt hij erachter dat hij niets anders dan de echo van zijn eigen stem heeft gehoord. Zou ik dit verhaal moeten vergelijken met dat van Prometheus? Voorbereiden betekent wachten.

2. Je voorbereiden is dan ook niet eenjacht op wijsheid, maar betekent klaarstaan. Strikt genomen hebben we het niet over een soort voorbereiding met het oog op wat gaat komen. De wijsheid valt niet te manipuleren, zelfs niet in de slimme hebbelijkheden van je verwachtingen. Hoop heeft niets met de toekomst te maken, het heeft te maken met de onzichtbare kanten van de werkelijkheid en niet met de dingen die komen gaan.

Onze tekst vertelt niet of het voldoende is dat je voorbereid bent, dat de wijsheid automatisch komt zodra we er klaar voor zijn. In plaats daarvan zegt hij dat de wijsheid zelf een woning zal klaarmaken. Wij hoeven ons er niet mee te bemoeien. Eike vorm van door onze wil gestuurde egocentrische spiritualiteit is verdacht.

Ons aandeel in de voorbereiding bestaat eruit de wijsheid ons vertrouwen te schenken, wat betekent dat we vertrouwen krijgen in de werkelijkheid, een houding die door de klassieken beschreven is als, om maar wat te noemen, rita, dharma, kosmos, taxis en ordo. Om voorbereid te zijn moetje een zuiver hart hebben, een idee dat geïllustreerd zou kunnen worden door de afzondering (Abgeschiedenheit) van de mystici van het Rijnland en de shunyata van de boeddhistische Prajnaparamita-traditie. We horen de wijsheid niet  te forceren en moeten geen resultaten verwachten van onze daden.

Dat is wat de Bhagavad Gita (ffl,4; IV, 18-21; XVII, 49) en andere wijsheidsdoctrines ons leren. De Gita zegt – mogelijk is dat een verwijzing naar boeddhistische leringen (vergelijk Dighanikaya, Ill, 275) – dat de persoon wijs (boeddhiman) is als ze boven haar daden staat. Je bereidt jezelf niet voor op wijsheid. Je leeft zoals je wilt leven, moet, zou moeten leven, leeft gewoon, ongeacht de goede kanten en mogelijke voordelen van je daden. Je zou hier het prachtige zen-verhaal kunnen noemen over de meester die eet als hij eet en slaapt als hij slaapt en verder niets doet, of dat voor de verlichte rivieren weer rivieren zijn, bergen weer bergen en de markt weer de markt is. Wijsheid is gratis, het is een cadeau, een puur geschenk. Ons klaarstaan voor wijsheid is een doel op zich, niet een middel waardoor we wijsheid kunnen verwerven. De persoon kan alleen maar gevonden worden door de wijsheid, niet andersom. Of om het nog wat preciezer te zeggen: we hoeven alleen geen hindernissen op te werpen. En nog preciezer: we moeten handelen alsof we de wijsheid aan haar lot overlaten, de wijsheid laten zijn wat ze bedoeld is te zijn, ongeacht of ze ons komt zoeken of niet. Moest de wijsheid niet vrij zijn? Willen we haar opsluiten in de kooi van onze verwachtingen? Het is moeilijk geworden voor ons, kinderen van een patriarchale beschaving, om de middenweg te bewandelen die ligt tussen passiviteit en activiteit. Hebben we niet gezien dat de middelen waarmee we zelfbeheersing verwierven, ons bepaalde deugden eigen maakten, of een zekere graad van perfectie bereikten (om de woorden van de oude scholen te gebruiken), ook de grootste hindernissen konden worden bij onze pogingen om echt te leven? Zijn betekent heel eenvoudig zijn, het zijn aan zichzelf overlaten, niet verstoord door geweld, activiteiten, gedachten; de activiteiten van het zijn aan zichzelf overlaten. Het zou volkomen misplaatst zijn om zo’n houding als quiëtisme te zien, ook al ligt het gevaar van een zekere quïetistische starheid altijd op de loer. Maar waar leven is, is ook gevaar.

We spreken hier over de kunst van vertrouwen, ervaren, waarnemen en respecteren van het zijn. Als we besluiten met dingen te experimenteren, eindigen we met het gebruik van geweld en verliezen we ons geduld. We worden ongeduldig omdat we niet in harmonie zijn met de ritmen van het bestaan en omdat deze ritmen voor ons niet genoeg zijn. Ze zijn niet genoeg voor ons omdat we het bestaan niet willen nemen zoals het is, wat erop neerkomt dat wijzelf niet willen zijn. In dit ongeduld wordt ons doodsverlangen zichtbaar – thanatos, met zijn eigen ritme, dat ons naar een onbewuste doodsdrift trekt. Bestaan is niet statisch, het heeft zijn eigen innerlijke ritme, en dat ritme moet je ontdekken. Je voorbereiden betekent hopen.

3. Maar hoe kan deze manier van voorbereiden eruitzien? Je voorbereiden betekent niet veroveren, studeren, regelen. Het gaat hier om de vrouwelijke houding van bereid zijn, de kunst van goed vertrouwen, van gerust zijn? Je voorbereiden betekent niet de wijsheid overweldigen door haar te zoeken of de stille hoop te koesteren dat de wijsheid ons komt opzoeken. Wijsheid heeft vrijheid nodig om voor zichzelf een woning te kunnen bereiden. Deze vrijheid heeft een naam, die in vele wijsheidstradities gegeven is, al heeft die naam in sommige kringen een slechte naam gekregen. Die naam is genade.

Je kunt genade niet uitdelen. Niemand kan genade verstrekken; dat zou oneerlijk zijn (hier begint de verwarring die tot uitdrukking komt in de macht en kracht van Gods bevelen en het idee van God als koning). Je kunt genade wel ontvangen. Deze gedachte is ons vreemd, want slechts ontvangen stemt niet overeen met de gedienstige houding van de ondergeschikte. In deze situatie is vrees geen deugd. Alleen door de liefde kunnen we ontvangen en de liefde brengt vruchten voort van wat je ontvangen hebt. We willen vechten voor vrede, maar zijn zelden bereid vrede gewoon te krijgen.

We willen voor elk artikel de volle prijs betalen, voor elke maat, en noemen dat gerechtigheid; maar we kunnen nauwelijks iets aannemen wat ons gratis aangeboden wordt. We willen voor alles een oorzaak, zelfs een reden vinden, maar we zijn niet erg bereid iets aan te nemen wat ons gewoon uit genade gegeven wordt.

In één woord: we willen van alles, maar we willen er niet onze wil voor opgeven. Misschien kunnen we dat niet meer. Ons niet-willen is nog steeds een soort van willen. Het koninkrijk van de genade ligt buiten alles wat we willen en niet willen. Wijsheid is puur genade.

De Tao Te Tjing zegt (25):

Er is een ding dat zonder meer volmaakt is. Het was er al voordat de hemel en de aarde ontstonden. Zo rustig, zo alleen. Het staat apart en verandert nooit. Het draait maar verandert niet van positie. Je zou het de moeder van de wereld kunnen noemen. Maar ik weet er echt de naam niet van. Ik noem het gewoon tao … De man vindt zijn weg door de aarde, de aarde door de hemel, de hemel door tao, tao door zichzelf.

We moeten ergens onze bespiegelingen afbreken, en op dat punt begint het koninkrijk van de wijsheid. Het voorbereiden van een woning lijkt nu wel een vicieuze cirkel: als ik een woning wil maken, vernietig ik die meteen; als ik het niet wil, gebeurt er ook niets. Als ik de wijsheid voor zichzelf een woning laat maken, zal ik me ervan bewust zijn dat ze dat uiteindelijk ook doet en dat we daar dan samen wonen. Hoe zou ik dat niet kunnen willen? Hoe kan ik voorkomen dat ik door dat willen al de wijsheid terugbreng tot mijn eigen verwachtingen, en zo haar vrijheid inperk? Het is de kunst deze circulus vitiosus, deze kortsluiting, te transformeren tot een circulus vitalis, een levende cirkel. Alles is afhankelijk van de bron, de reden waarom we zoeken, de bron van onze vragen, onze spontaniteit in het leven. Men vroeg Jezus: ‘Waar houdt Gij verblijf?’ (Johannes 1 :38) De vraagstellers waren vast en zeker vertrouwd met de vragen uit de wijsheidstraditie: ‘Maar waar vindt men de wijsheid?’, ‘Waar komt de wijsheid vandaan?’, ‘Waar is haar woning?’, ‘Waar woont ze?’ (zie Job 28:12, 20) Maar de vraag die de mensen aan Jezus stelden, was hier geen herhaling van, de vraag was al een antwoord, namelijk verlegenheid. Jezus had hen immers gevraagd: ‘Wat zoekt gij?’ Maar ze wisten niet wat ze wilden. Ze werden alleen maar aangetrokken door zijn stralende figuur. Jezus’ antwoord was niet noëtisch (evenmin als het antwoord van de engel in Lucas 1 :34-35): ‘Komt en gij zult het zien’, zei Jezus (Johannes 1 :39). Zo zien we dat praktijk en ervaring er allebei toe doen, er is geen makkelijk recept voor wijsheid. 

Maar hoe kunnen we een woning bouwen voor de wijsheid als we die niet kunnen herkennen, als we er niets van weten? Ik weet niet van tevoren of de wijsheid komt of een spook, een bedrieger, een leugenaar, een dief, een onwelkome gast. Onze gastvrijheid is alleen echt als we niet van tevoren weten wie onze gast is, als we niet kiezen; ze is niet echt als we alleen de wijzen, de gelovigen, de leden van onze eigen sociale kaste aanvaarden. Gastvrijheid is echt als we de gast accepteren, ongeacht aanzien of verschijning en zonder enige vorm van onderscheid. Zelfs Abraham wist niet zeker wie hem opzochten (Genesis 18): drie engelen of drie dieven, hij kon het niet weten. Voorwaardelijke gastvrijheid is geen gastvrijheid maar zakendoen, bijvoorbeeld toerisme. 

Zulke roemruchte gasten waren een koningsdochter, een engel, de duivel, een leeuw, Christus zelf. Alle tradities vertellen ons dat als we de vreemdeling uitnodigen, de onbekende, het onooglijke, het onbegrijpelijke binnenlaten, de ruimte ontstaat waar een openbaring kan optreden. Deze vorm van gastvrijheid is een vorm van overgave, een risico. Het kan gevaarlijk worden als we zonder criteria en zonder onderscheid voor alles en iedereen ruimte maken om een woning in te richten. Daar loert het gevaar. Het is maar wat makkelijk om te zeggen dat we de wijsheid een woning willen bereiden, dat we de wijsheid onderdak willen bieden en daar alles voor over hebben, dat we ons hart willen openen voor de wijsheid, zodat die ons kan louteren en transformeren. Maar we weten niet hoe wijsheid eruitziet, wat ze is, en waar ze eerder geweest is. Dat is het risico, de stap in het duister, de vrijheid zelf. Onze ‘alchemische’ activiteit moet de gast gaan transformeren die aanvankelijk misschien helemaal de wijsheid niet was. 

Als we deze stap gezet hebben, wordt ontvangen werkelijk een bevruchting. Dan betekent het bereiden van een woning voor de wijsheid het ontvangen van de vreemdeling, het onbekende, dat wat er duidelijk dreigend uitziet; bereiden betekent het ontvangene de kans geven knoppen te vormen, te bloeien, tot ontwikkeling te ko-men, geboren te worden. Zelfs de natuurlijke geboorte van een kind volstaat niet als vergelijking met deze activiteit. Het moet een theandrische activiteit zijn. Het is een worstelen met de gast, met dat wat getransformeerd kan worden tot wijsheid, met God, met de engel, met het Jij. In één woord: het gaat om de polariteit als zodanig -niet om twee afzonderlijk ontwikkelde karakters tegenover elkaar maar om een werkelijke polariteit, die vanzelf ontstaan is en waardoor al het andere pas kan bestaan. Wijsheid is onbekend totdat wij, het Ik en het Jij, elkaar ontmoeten. Het is geen wijsheid voordat ik het ontvangen heb. Ik kan haar niet ontvangen en ze kan mij niet doordringen zolang ik er niet mee worstel, haar opneem en er op de een of andere manier een intieme uitwisseling mee krijg: in deze polariteit is de transformerende kracht van de bevruchting gelegen. Dit is de metamorfose, de transformatie van de vicieuze cirkel in een levende cirkel, een circulus vitalis. Het spreekt vanzelf dat we door wilskracht alleen geen kind kunnen verwekken. Daar komt nog een andere persoon bij kijken – en de liefde niet te vergeten. We hebben al gezegd dat wij geen bewijzen hebben en dat de ander zich niet kan legitimeren. Alles blijft open, en steeds blijft er de mogelijkheid van een vergissing. Worstelen voor de vrijheid is altijd open en nederig. Er bestaat echter wel een innerlijke ervaring waardoor we de wijsheid als zodanig kunnen herkennen. Die ervaring heeft de namen vrede, vreugde en vrijheid. Vandaar dat we de wijsheid aan haar vruchten kunnen herkennen (zie Matteus 7:16, 20). Wijsheid heeft ook een uiterlijk kenmerk. Zo zegt Chuang-tzu (IV, 1) van de wijze: ‘Hij heeft alleen zijn innerlijke oog en oor nodig om in iets door te dringen, en gebruikt daarvoor geen redeneringen van het verstand. ‘ En hij vervolgt: ‘Zo iemand wordt bezocht door de onzichtbaren, zodat zij een woning in hem kunnen bereiden; hoeveel meer zal hij dan door anderen bezocht worden. Op deze wijze kan de wereld getransformeerd worden’ (vertaling van R. Wilhelm).

Een woning voor de wijsheid bereiden: we praten hier over een grondhouding, die tegenwoordig meer nodig is dan ooit tevoren. Het betekent in negatieve zin dat we onze tijd niet moeten verdoen met allerlei dingen, ook al zijn ze misschien belangrijk en prettig, die niet tot wijsheid leiden, geen verlossing brengen en waardoor de vreugde niet kan verschijnen. We weten dit allemaal al heel lang. We hoeven er niets aan toe te voegen, maar ons alleen het oude te herinneren. Tenslotte weten we alles van deze waarheid, we hebben er alleen geen tijd voor.

Er is een islamitische legende die vertelt dat Allah besloot de aartsengel Gabriel nog eens naar de aarde te sturen, toen hij zag en besefte in welke ellende zijn volk verkeerde en hoe de mensen de grond bewerkten. Hij dacht: de koran is in zekere zin te lang en te moeilijk, Gabriel zal hem nog eens in heel eenvoudige woorden moeten vertellen. Het zal de natuurramp keren, de gelovigen directer maken en hun geloof effectiever en het fundamentalisme wordt overbodig. En zo vertrok Gabriel met zijn eenvoudige, simpele, wijze boodschap. Hij ging overal heen, gebruikte alle hulp die hij van de hemelse scharen kon krijgen en keerde na een hele tijd terug in de hemel. Zijn vleugels zaten onder de modder en hij was volkomen uitgeput. Allah vroeg hoe hij, Gabriel, het er vanaf had gebracht en of hij zijn boodschap had overgebracht. ‘Zeker’, zei Gabriel, ‘maar de mensen hadden geen tijd om ernaar te luisteren!’ De oplossing is heel eenvoudig, maar we kunnen die alleen in alle rust vinden

bron:

Raimon Panikkar, Waar wijsheid woont, Deventer 1997, (Ankh-Hermes bv), pag. 12-32 (zonder de voetnoten) 

El Fulgor
El Fulgor XII

Een gedachte over “Panikkar: over wijsheid (1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.