AVE GRATIA PLENA

 

3. AVE GRATIA PLENA, DOMINUS TECUM LUCAS 1, 28

Dit woord, dat ik in het Latijn heb gesproken, staat geschreven in het heilig evangelie en luidt in onze taal aldus: ‘Wees gegroet jij, vol van genade, de Heer is met jou!’ De Heilige Geest zal van bovenaf neerdalen van de hoogste troon en zal in jou komen
vanuit het licht van de eeuwige Vader.
Drie dingen zijn hieruit af te leiden. Ten eerste de beperktheid van de engelennatuur; ten tweede: dat de engel wist niet waardig te zijn om de moeder Gods bij haar naam te noemen; ten derde: dat hij dat woord niet slechts tot haar sprak, maar tot een grote schare, namelijk tot elke goede ziel die naar God verlangt. Ik zeg: had Maria God niet eerst geestelijk gebaard, dan zou Hij nooit lichamelijk uit haar geboren zijn. Een vrouw zei tot Christus: ‘Zalig is het lichaam dat U droeg.’ Toen zei onze Heer: ‘Niet alleen het lichaam dat Mij gedragen heeft, is zalig; zalig zijn zij die het woord van God horen en het behouden.’ Het is God meer waard om geestelijk geboren te worden uit welke maagd of welke goede ziel ook, dan dat Hij uit Maria lichamelijk werd geboren.
Dat betekent dat wij een eengeboren zoon zijn die de Vader eeuwig heeft gebaard. Toen de Vader alle schepselen baarde, baarde Hij ook mij, en ik stroomde uit met alle schepselen en blijf toch binnen in de Vader. Het is te vergelijken met het woord dat ik nu spreek: dat ontspringt in mij, vervolgens pauzeer ik even bij de voorstelling ervan, daarna spreek ik het uit, en jullie nemen het allemaal op; desondanks blijft het heel eigenlijk in mij. Op die manier ben ik in de Vader gebleven. In de Vader zijn beelden van alle schepselen. Dit houtwerk hier heeft een intelligibel beeld in God. Dat beeld is niet alleen intelligibel, sterker: het is zuiver intellect.
Het grootste goed dat God de mensen heeft gegeven is Zijn menswording. Nu moet ik een verhaal vertellen dat hier goed bij past. Er waren eens een rijke man en een rijke vrouw. Toen overkwam de vrouw een ongeluk waardoor zij een oog verloor; daarover was zij zeer bedroefd. Toen kwam haar man bij haar en vroeg: ‘Vrouw, waarom ben je zo bedroefd? Je moet er niet zo verdrietig om zijn dat je een oog kwijt bent.’ Toen zei ze: ‘Manlief, ik ben niet bedroefd omdat ik een oog kwijt ben; maar ik ben verdrietig omdat ik denk dat jij me nu minder lief zult hebben.’ Toen zei hij: ‘Vrouw, ik heb je lief.’ Niet lang daarna stak hij zelf een van zijn ogen uit en ging naar zijn vrouw en zei: vrouw, opdat je nu gelooft dat ik je lief heb, daarom heb ik me aan
jou gelijk gemaakt; ik heb ook nog maar één oog.’ Dit verhaal staat voor de mens die nauwelijks kon geloven dat God hem zo lief heeft, totdat God zichzelf een oog uitstak en menselijke natuur aannam, dat wil zeggen ‘vlees geworden’ is. Onze Lieve Vrouwe vroeg: ‘Hoe zal dat gebeuren?’ Toen zei de engel: ‘De Heilige Geest zal van bovenaf in jou neerdalen’ van de hoogste troon van de Vader van het eeuwige licht.
‘In pricipio.’ ‘Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven’, ‘een Kind’ overeenkomstig de onvolgroeidheid van de menselijke natuur, ‘een Zoon’ overeenkomstig de eeuwige Godheid. De leermeesters zeggen: alle schepselen hebben het in zich om te willen baren en aan de vader gelijk te willen zijn. Een andere leermeester zegt: elke oorzakelijke activiteit werkt naar haar eindpunt toe om daarin een blijvende rust te vinden. Een leermeester zegt: wat de schepselen beweegt tot activiteit is hun oorspronkelijke zuiverheid en allerhoogste volkomenheid. Vuur als vuur ontvlamt niet: het is zo zuiver en zo onstoffelijk dat het niet ontbrandt;
maar vuur als natuurlijk vuur, dat ontbrandt en voegt aan het droge hout zijn natuur toe en zijn klaarheid, overeenkomstig zijn allerhoogste volmaaktheid. Zo heeft ook God gedaan. Hij heeft de ziel geschapen overeenkomstig Zijn allerhoogste volmaaktheid en heeft in haar al Zijn klaarheid in oorspronkelijke puurheid gegoten, en toch heeft Hij zich niet met haar vermengd. Laatst zei ik ergens: ‘Toen God de schepselen schiep, had Hij toen niet voordien iets voortgebracht dat ongeschapen was en dat het beeld van alle schepselen in zich droeg?’ Dat is de vonk, zoals ik eerder al zei in het klooster der Heilige Makkabeeën- wat jullie kunnen weten als jullie daar niet voor niets geweest zijn ! – dat vonkje is zo aan God verwant, dat het een ondeelbaar enig één is en het draagt het beeld van alle schepselen in zich, beeld zonder beeld en beeld boven alle beeld uit.
Gisteren werd op de hogeschool onder belangrijke geestelijken een vraag behandeld. ‘Mij verwondert het, zei ik, dat de Schrift zo vol van betekenis is, dat niemand in staat is ook maar het kleinste woord te doorgronden. En als jullie me nu vragen, daar ik een enig zoon ben die de hemelse Vader eeuwig heeft gebaard, of ik dan in alle eeuwigheid zoon geweest ben in God, dan zeg ik: ja en nee; ja, een zoon voorzover de Vader mij eeuwig heeft gebaard, geen zoon overeenkomstig de ongeborenheid.’
‘In principio.’ Hier is ons te verstaan gegeven, dat wij een enig zoon zijn, die de Vader eeuwig heeft gebaard uit de verborgen duisternis van de eeuwige verborgenheid, binnenblijvend in het eerste begin van de eerste louterheid die de volheid is van alle louterheid. Daar heb ik eeuwig gerust en geslapen in het verborgen kennen van de eeuwige Vader, binnenblijvend ongesproken. Uit die louterheid heeft Hij mij als Zijn
eengeboren zoon tot een evenbeeld van Zijn eeuwige vaderschap gebaard, opdat ik vader zal zijn en Hem baar, uit wie ik ben geboren. Vergelijkenderwijs, zo alsof iemand voor een hoge bergwand stond en riep: ‘Ben je daar?’ en de weergalm en echo riep terug: ‘Ben je daar?’ Zou hij roepen: ‘Kom tevoorschijn!’ zou de weergalm ook zeggen: ‘Kom tevoorschijn!’ Ja, wie in dat licht een stuk hout ziet, het zou een engel worden en met intellect begaafd, en niet slechts met intellect begaafd, het zou louter intellect worden in de oorspronkelijke louterheid, die een volheid is van alle louterheid. Zo doet God: Hij baart Zijn eengeboren Zoon in het hoogste deel van de ziel. In een en dezelfde beweging waarin Hij Zijn eengeboren Zoon baart in mij, baar ik Hem terug in de Vader. Op dezelfde manier waarop God de engel baarde in de tegenbeweging waarop Hij door de maagd werd gebaard.
Al heel wat jaren geleden dacht ik er opeens aan of me ooit gevraagd zou worden hoe het komt dat geen enkele grasspriet op de ander lijkt, en het gebeurde werkelijk dat me gevraagd werd waarom ze zo verschillend zijn. Toen zei ik: ‘Het is nog veel verbazingwekkender dat alle grassprieten zo op elkaar lijken.’
Een leermeester zei: ‘Dat alle grassprieten zo ongelijk zijn, komt door de overvloedigheid van Gods goedheid, die Hij overvloedig in alle schepselen stort, opdat Zijn heerschappij des te duidelijker wordt geopenbaard.’ Toen zei ik: ‘Het is verbazingwekkender hoe gelijk alle grassprieten zijn’, en zei: ‘Zoals alle engelen één enige engel zijn in de oorspronkelijke eerste louterheid, zo zijn alle grassprieten in die eerste louterheid één, en alle dingen zijn daar één.’
Toen ik hiernaartoe kwam, dacht ik er intussen aan dat de mens in het tijdelijke zo ver kan komen, dat hij God kan dwingen. Als ik me hier ergens in de hoogte zou bevinden en ik zou tegen iemand zeggen: ‘Kom naar boven’, dan zou dat lastig voor hem zijn. Maar als ik zeg: ‘Ga maar hier zitten’, kan hij dat makkelijk doen. Wanneer de mens zich verdeemoedigt, dan kan God zich vanwege Zijn eigen goedheid niet inhouden en moet Hij zich laten zinken en uitgieten in de deemoedige mens, en aan de allergeringste geeft Hij zich het allermeest en geeft Hij zich volledig. Dat God zich geeft is Zijn wezen, en Zijn wezen is Zijn goedheid, en Zijn goedheid is Zijn liefde. Alle lief en leed komt voort uit liefde.
Onderweg, toen ik hiernaartoe moest gaan, bedacht ik dat ik eigenlijk niet wilde gaan, omdat ik uit liefde vast in tranen zou uitbreken. Wanneer jullie uit liefde in tranen zijn geraakt, is dat niet erg. Lief en leed komt voort uit liefde. De mens moet God niet vrezen, want wie Hem vreest ontvlucht Hem. Een schadelijke vrees is dat. Maar wie vreest dat hij God verliest, bezit de juiste vrees. De mens moet Hein niet vrezen, hij moet Hem liefhebben, want God heeft de mens lief met Zijn gehele hoogste volkomenheid. De leermeesters zeggen dat alle dingen het in zich hebben om te willen baren en zich aan de Vader gelijk te maken, en ze zeggen: ‘De aarde ontvlucht de hemel; vlucht zij omlaag, dan komt zij omlaag bij de hemel; vlucht zij omhoog, dan komt zij aan de onderzijde van de hemel.’ Hoe ver de aarde ook omlaag vlucht, de hemel stroomt in haar en drukt zijn kracht in haar en maakt haar vruchtbaar, of haar dat nu lief is of niet. Zoals de aarde doet ook de mens als hij meent God te ontvluchten, en hij kan Hem toch niet ontvluchten: in alle hoeken en gaten openbaart Hij zich. De mens meent God te ontvluchten en loopt Hem in de schoot. God baart Zijn eengeboren Zoon in jou, of dat je lief is of niet, of je nu slaapt of waakt, Hij doet het Zijne. Ik had het er laatst over wiens schuld het is dat de mens dat niet proeft, en zei dat het de schuld was van niet terzake doende vuiligheid-dat
is: de geschapen dingen-die op zijn tong plakte, zoals het iemand vergaat wie alle spijzen bitter zijn en wie niets smaakt. Wat heeft er schuld aan dat het eten ons niet smaakt? Dat het zout ontbreekt, dat heeft er schuld aan. Het zout is de goddelijke liefde. Bezaten wij de goddelijke liefde, dan zou God ons smaken en al het
werk dat God ooit verrichtte, en dan ontvingen we alle dingen van God en zouden we al hetzelfde werk verrichten dat Hij verricht. In die gelijkheid zijn wij allen één enig zoon.
Toen God de ziel schiep, schiep Hij haar naar Zijn hoogste volkomenheid, opdat zij een bruid zou zijn van de eengeboren Zoon. Toen de Zoon dit onderkende, wilde Hij uitgaan uit de verborgen schatkamer van de eeuwige vaderlijkheid, waarin Hij eeuwig geslapen heeft, ongesproken binnenblijvend. ‘In principio.’ In het eerste begin van de eerste louterheid heeft de Zoon de tent van Zijn eeuwige glorie opgeslagen en is naar buiten gekomen uit het allerhoogste, omdat Hij Zijn vriendin wilde verhogen, met wie de Vader Hem in der eeuwigheid had gehuwd, opdat Hij haar zou terugbrengen
in het allerhoogste waaruit zij afkomstig is. En op een andere plaats staat beschreven: ‘Zie, jouw koning komt tot je.’ Daarom ging Hij naar buiten en kwam springend als een reebokje en leed Zijn pijn uit liefde; en Hij kwam enkel naar buiten om weer naar binnen te willen gaan in Zijn kamer met Zijn bruid. Deze kamer is de stille duisternis van het verborgen vaderschap. Toen Hij uitging uit het allerhoogste, wilde Hij met Zijn bruid weer ingaan in het allerlouterste en wilde Hij haar het verborgen geheimenis van Zijn verborgen godheid openbaren, waar Hij met zichzelf met alle schepselen rust.
‘In principio.’ Dat betekent in onze taal zoveel als een begin van alle zijn, zoals ik op de hogeschool zei; ik zei verder nog: ‘Het is een einde van al het zijn, want het eerste begin is er omwille van het laatste einde.’ Ja, God rust niet daar, waar Hij het eerste begin is; Hij rust daar, waar Hij het einde en het tot rust gekomen zijn is van al het zijn; niet dat dit zijn daar tot niets wordt, integendeel: het wordt daar in zijn laatste einde voleindigt naar zijn hoogste volmaaktheid. Wat is dat laatste einde? Dat is de verborgen duisternis der eeuwige godheid en is ongekend en werd nooit gekend en zal nooit gekend worden. God blijft daar in zichzelf ongekend, en het licht van de eeuwige Vader heeft daar eeuwig naar binnen geschenen, en de duisternis begrijpt niets van het licht. Dat wij tot deze waarheid komen, daartoe helpe ons de waarheid waarover ik gesproken heb. Amen.