Hoe wij in de handpalm neergeschreven zijn…
Hoe wij in de handpalm neergeschreven zijn,
ik heb het nog niet grondig onderzocht.
Wel schat ik dat het om iets draadloos’ gaat.
Zodra het een van ons alhier te gortig wordt,
bijvoorbeeld in de basiliek de diepdemente vrouw
die, met een tissue en een eeuwigheid te laat,
geschilderd bloed poogt weg te vegen van een houten
wreef, dan gloeit van haar, die niets meer weet,
de naam op in de palm van de hand. Die voelt,
vermoedelijk, hoe koel van lieverlee zijn vlees,
hoe weinig zijn presentia reëel nog scheelt
van onderzodenklam en onverrijsbaar zijn,
en weet: dat ik besta is dat zij streelt.
Uit: Willem Jan Otten,
Op de hoge,
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2003
Eerste tocht de winter uit
Van de winter was ik weer niet jong gestorven
en ik stond dus toen ik ’s morgens uitvoer
bij het eindelijk weer wijde in het krijt.
Het Randmeer mij openvouwde sluis tot sluis.
Er zijn daar staken met ertussen fuiken
wachtend op de man uit Spakenburg,
die ze eens licht en uitschudt in zijn bun.
Er is een onverschilligheid
die maakt dat ik mij opgewacht voel zijn.
Helder, wijde, helder dit niet op.
In het uitgestrekte wil ik opgeborgen zijn
als in het binnenste van een envelop.
Willem Jan Otten,
uit Eindaugustuswind,
Van Oorschot 1998

De intiemste zichtlijn
Ik wilde jou en dat ik missen zou
wist ik al voor het begonnen was.
Jou willen is je missen. Het was missen
op het eerste gezicht. Keek ik je aan
je werd een schaduw voor een vuur.
Mijn laaiende kijken plaatste je op
een toneel, in tegenlicht, en ik moest
gissen naar de man daar binnen in
zijn silhouet, heus, zelfs in bed,
wanneer ik tussen je moedervlekken
sterrenbeelden trok, was het alsof
je lichaam iets verduisterde en ook
je stem en je beramingen, alles maakte
duisterder en daardoor, vreemd is dit,
werd wat er laaide raakbaarder dan
voorheen. Odysseus ver, ik heb je
nooit gekend, en als ik je bedenk
knijp ik weer samen en blindeer.
Uit:”Eerdere gedichten”
door: Willem Jan Otten
Van Oorschot, Amsterdam, 2000
Eindaugustuswind
1
Ook als het waar is wat we weten –
en niets ons wacht, heus, heus –
dan nog wacht mij, zo lang ik leef
en zwaarder kortademiger elk jaar
mijzelf het duin op hijs: de zee, zee.
Steeds onmiskenbaarder is zij dan voorzien,
steeds meer de meesteres die onderwijst
dat niets mij wacht, niets, heus, heus.
Probeer het maar, zegt zij, en denk je
vrij, de duinen op en daarna nergens mij.
2
Er is een omdat en het ruist als het dak
van een sparrebos bij nacht bij eindaugustuswind.
Ik ben gaan liggen op mijn rug met boven mij
een sterrenwak precies als toen ik dertien was.
Het was opnieuw als lag ik denkend in een kuil.
Takken zwarter dan het doodstil uitspansel.
Omdat ik niet mijn eigen macht zal zijn,
omdat mijn strekking steeds een klacht zal zijn,
omdat ik niet begrepen heb wat mij
naar deze onbegrepen plek heeft toegewild,
omdat ik niet mijzelf bevatten kan
als pogend te bevatten – daarom ben ik vrij.
3
Ik heb mij nu zo luid tot u gericht
dat uw zwijgen is gaan klinken
naar de stilte in een bladstil bos
nadat er ’s nachts uit een tent
een kind geroepen heeft en het was
het mijne niet. Ik twijfel niet
aan uw bestaan zo lang u tot mij
zwijgt. Het is aan mij, u laat mij vrij
om uit uw echoënde stilte op te staan.
Willem Jan Otten,
Uit: Eindaugustuswind
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1998
Bwa-pl
Wij bereikten
na een tocht door een druipend bos
het Randmeer.
Het was alsof een slapende haar ogen opende
en ons kende.
Jij zat voorop.
Ik legde mijn hand
op de warme kokosnoot van je schedel.
Het licht keek ver je ogen in.
Ik zei: dit nu is water.
Wa-ter.
Wa-ter.
Wa-ter zei ik nog een keer.
En jij zei: bwa-pl
Je zei het nog een keer.
Het was zeker, zoontje van mij,
dat wij hetzelfde niet begrepen.
Willem Jan Otten
Uit: Eindaugustuswind
uitgegeven door Van Oorschot in 1998.

Op de hoge
Liep augustus op zijn einde,
sloot de badmeester de hokjes af,
fietste neuriënd september in.
Niemand was er dan ook bij
dat ik de plank betrad. Ik was
geblinddoekt als een deserteur.
Dit zijn de stappen bang bang bang.
In het Bosbad op de hoge
zweet men het peentje bangverlang.
De zon stond even laag als ik en stond
op punt van zakken in de grond.
Wie mij naar boven had gebracht?
Ach mijn lief. En ik wist: morgen
word ik wakker maar ontkomen
kan ik niet. Uit de schoonspringdroom
ontwaakt men met de schoonspringdroom.
Ik wist: ik maak ze nu dan dus.
De aanstalten. Ik sta precies
zo hoog als nodig om bevreesd te zijn.
Dit is de toegedachte afstand tot
het lussenwevend water doopselzacht.
Het heeft me altijd opgewacht –
maar waarom vrees ik dan ineens het bad
alsof het heel snel leeggelopen is?
Dat zo ik sprong – ik wil, ik wil –
ik vallen zou en niets mij ving?
Willem-Jan Otten,
Uit: Op de hoge,
G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2003
Odyseus 1
Welkom in de zaal van jaloezie.
Er laait een vuur. Er hangt
Een niet te buigen boog. Honden
Leggen tongen naast hun mond.
Haal diep adem en ga dáár staan
waar Penelope zou zijn verschenen
(uit het niets waar schoonheid
altijd uit verschijnt), en vang
de flits waarin je haar nog bent,
incasseer de blikken van de vrijers,
één voor één. Hun oogwit blikkert
als het jouwe zoals dat blikkerde
toen jij daar lag, likkend aan
haar laatste glimp als aan de rand
van een tequilaglas. Oppervlak
was zij, fantoom in tegenlicht.
De rest heet: de finale van het epos.
Roei je evenbeelden uit, en eis haar op.
Jij bent haar wederhelft,
Rond nu dus af haar tergende gewacht.
Willem Jan Otten
Uit: Eerdere gedichten,
Van Oorschot, Amsterdam, 2000
Pinkstertoernooi
De wolken zijn uiteengeveegd.
De onbedaarlijke groene bomen
om het sportveld ruisen ruisen
dat er in het struikgewas
iets nimmer pluis zal zijn geweest
De knuppel, weggesmeten
door de homerun-antilliaan
klinkt als een klok en zingt
een aluminiumklare aria.
In het verre veld daar staat
omringd door bijna niets dan wind
en dromend van de ene pluk
de hemel uit, zijn benjamin.
Pas nu hoort die de tik.
De bal, hij klimt en klimt.
Willem Jan Otten
Uit: Eindaugustuswind
uitgegeven door Van Oorschot in 1998
Een dobbelsteen die in het Frans denken kon
Een ongeschoolde dobbelsteen kreeg steeds,
als hij gerammeld werd, de geest.
En hem gewerd: le coup de dé, c’est moi.
Hij merkte het meteen. De worp werd val.
Al heb ik niet te willen welke zijde
van mij boven komt: ik ben ik en val.
Geen zoete broodjes maken het besef
nog ongeseft. Ik ben ik en val.
Hmpf. Onuitsprekelijk
mijn verzuchting. U bent U
en wat te werpen valt.
Dat U leze, werper, mijn getal.

Vier gebedsresten
1
U stond weer hoog.
U zei weer niets.
U wierp Uw plestik
vaatjes County Clare
Uw vloedlijn op.
U kromp ons in elkaar,
U onverschillige
gebedenmoordenaar.
2
De wind liet voor het dag werd los
en legde zich bij nacht nog neder
bij de altstem van het sparrenbos.
Eens breekt hij aan,
de windstilte immens.
Zo zal het gaan. Wakker
schiet je van geen wind.
Het klamboegaas zal open naar
verlaten daglicht staan.
Van Veld Een zullen de laatste gasten
gisteren op huis zijn aangegaan.
Het is in de binnentent nog nacht.
In het ebbend zwijgen
eindelijk te horen ware,
als de herinnering aan
een kind inslapend in
een tent die gisteren
nog naast je stond:
het zoogdier zee.
Het ademt uit.
Het ademt zich
van nu af uit
Dat één verdwijnen zou
was het schandaal.
Dat jij verdwijning denken wou
en leven kon daarna.
Achter alles vloekt een a
je aan tot ja, tot ja.
3
Het daalt tenslotte neer,
regel voor regel per gedicht,
naar eens en altijd al gekend
de zware stalen deur en die bent U.
Sinds U in Uw slot viel
bent U in Uw slot gaan vallen
ver beneden in mijn slaap,
als was mijn slaap de onuitputtelijke
schacht waar in gevallen moet,
als is daar onder onder in
terwijl ik vallend slaap
de deur, maar die besef ik pas
als hij gesloten wordt terwijl
ik droomde dat ik vallend sliep.
Dit alles speelt zich af, natuurlijk,
in Uw voortgeduurd verleden tijd.
De deur heb ik dus nooit gezien.
Ik viel en hoorde (maar het bleef
bladstil) hoe met een dreun
en door en door van staal
U werd gesloten, oftewel
U viel zich dreunend in
Uw slot en ik viel voort,
dwarrelend zowat, een vlok
ver van zijn sneeuw, en voort
val ik en schreeuw: te laat,
te laat, U bent nu dicht,
en daar ontwaak ik straks dus van,
en nooit ontloop ik nog de klank,
en niet zal ik bevatten dat ik mij,
voor mij, mijn diepstgelegen deur,
zal trachten nooit te sluiten,
zelfs al sloot U mij voor U.
Mijn dichtste deur, mij, zelf,
denk ik mij in, en door, en toe,
want langs Uw rand op tijd,
precies op Uw gezette tijd,
gleed U die voor ons uit
begonnen was Uw dwarrelval,
Uw door U aangestoten val.
4
Geneuried heb je het vandaag:
weent niet, ze is niet dood, ze slaapt.
Ze lag aan de voet van het duin
met haar handen gevouwen op haar maag
en over haar ogen een badhanddoek rood.
Kom je het eens te neuriën, ook jij,
je bent niet dood, ween niet, je slaapt?
Is dit per slot jouw grote geloof?
Hoor harder, pasgedoopte, hoor
wat in het boek geneuried staat,
het onvergeeflijk weerlegbaar feit:
ze is niet dood, ze slaapt, ze slaapt.
Willem Jan Otten Gedichten · Uitgeverij Van Oorschot

Tot een visdief
Laatje vleugels los,
laat allebei je fijn
besluiteloze vleugels
los, fuck alle lekkere
zwerkzwenklussen boven
de o zo ondoorgrondelijke
vaart en boor je
senkrecht in het niet
te vatten element –
al ware de witvis
rapper dan je val,
dwars door de spiegel
kliefde jij, per duik
maak jij jezelf af.
Vidocque
Ik kom hem elke ochtend tegen
in de lage zon om twintig over zeven
bij het uitlaten van de hond.
Hij komt me tegemoet want nam
het bospad andersom en losjes
zwaait hij met zijn riem en roept
met onbetwist gezag Vidocque,
of gooit een tak die hij dan met
zijn ogen volgt. Een ding aan hem
is vreemd, althans zo menen sommigen
van ons: hij heeft geen hond.
Losjes zwaait hij met zijn riem
en roept Vidocque en gooit een tak
en is de man die wij niet zijn,
wij echte wandelaars met echt
een hond die komt zodra wij roepen
bij zijn echte naam met in zijn mond
een tak, een die zich lijnen laat
voor echt het laatste blokje om.
Wat ons misschien vooral bevreemdt
is hoe hij roept. Niet smekend, dus,
niet schril van ijl ter hoofd te zijn,
hij roept zoals men roept en zeker
weet dat, met een sliertje kleefkruid
aan zijn vacht maar met de tak,
getreden zal volstrekt Vidocque.
Annunciatie
Van de beginne was er in haar tuin
een nacht vlak naast het fietsenhok
net tussen rozenperk en buurmanmuur,
een plek oogluikend onbeseft,
een achterzijde van de maan.
Alleen de kat die in de vroegte
als het huis nog sliep het luik
uit sloop en in het eerste licht
de plek passeerde bleef soms even
staan en kromde snel zijn rug,
wat zeggen wil, de kat maar dan
gedacht door in het huis de enige
die er nog woonde, de mevrouw die
op de wachtlijst voor de aanleun stond.
Ook heden droomt zij deze plek zoals
begrepen door de kat en schiet dan
wakker in het eerste kiertje van
de nacht. De stilte van het huis
die kent zij goed, haar man is sinds
een jaar of wat de matineuze
zeepbel pats zodra zij naar hem tast,
de kinderen allang bewoners van
hun eigen huizen met een tuin
waarin beslist een nacht – maar
zoveel stilte als vanochtend
heeft zij eigenlijk nog nooit
beseft, waarom vandaag, waarom
juist nu. Zij scharrelt overeind,
ontdaan, zelfs in paniek.
Wat wist de kat, denkt zij,
het is alsof zij in haar droom
dwars door de ogen van de kat
een misdaad heeft gezien, een hand
die groeide uit de nachtelijke
grond. Bevend trekt zij rats
de luxaflex omhoog – de kat
is heen. De tuin is nat en ligt
onaangeraakt te wachten op
het eerste schuine licht waarin
insecten zullen dansen om zichzelf.
Waarom pas nu, waarom merkt zij hem
nu pas op, het scherm, het lijkt
uit nergens neergedaald, gehangen
aan zichzelf als aan een parachute,
het wittebloempjesscherm zich heffend
boven hoog het fietsenschuurtje
uit. Wat is dit voor methode,
engel uitgebot, om als haar ochtend
naakt haar laatste schrik te zijn?

U hebt mij laten gaan
U hebt mij laten gaan de weg van alle taal,
ik, opgeborreld uit uw nergens, ik,
precies ter grootte van het woordje ik, geweld
kwam ik en klonk als blup en moest toen op
in deze zin die al uit stromen was gegaan
van boven naar benee en naar de leegte oostwaarts
ook, ofschoon ik steeds een regel lager
doorgelezen kon zo lang u las althans,
maar u las sowieso zo lang ik was, zelfs
toen ik sloom meanderde en wilde talmen bij
het ene punt waarop ik in het zicht van
het omspoelende mij stelselmatig onbeantwoord
meende want mijn vraag werd kolossaal: waarom
was u mijn wel en ik uw blup – juist toen
moest ik er niet aan twijfelen dat u mij las,
jouw wel was ik om uit jou teruggeweld te zijn.
Hoe Bahamontes tweevoetig aan zijn einde denkt
Kwam de klimmer
Bahamontes
tot de haarspeld
aangeklommen
rolt de klimmer
Bahamontes
van zijn zadel
rolt hij af op
het ravijn stelt
hij plotseling
de vraag is dit
hier eigenlijk
parcours kan dit
niet even goed
de Straatweg zijn
met wat voor waar
borg ben ik ooit
op weg gegaan
het duurt nog maar
een tel dan ben
ik zaliger
zal ik dan van
mijn levensdag
nooit weten of
zij boven voor
mij klaar staat de
Huez met haar
massages en
haar flesjes en
haar te strakke
truitjes ach ach
fluitend ben ik
zonder waarborg
weggegaan ach
waarom ben ik
na een uurtje
niet gekeerd terug
naar het koele
klaterende
dal het mossig
pleintje met de
parasollen
sorbets ice-tea
daar was daar moet
daar is geweest
iemand iemand
die mij vasthield
bij mijn zadel
mij het zetje
gaf dat moet er
was een laatste
iemand die mij
daar het laatste
zetje gaf het
laatste dat het
eerste was ik
keek niet om maar
zag wel in de
ooghoekbocht dat
in de wirwar
van de start een
rug de massa
in verdween ik
was op weg ik
vraag waarom was
ik op weg wat
wist ik van de
aankomst als ik
aankwam en wat
kan ik weten
van de aankomst
zonder aankomst
zonder iemand
zonder ja de
iemand die mij
toen het zetje
gaf het laatste
dat het eerste
was hoe zal i
weten wie hij
was hij kent mijn
wil hij weet waar
om ik klom waar
om ik wilde dat
ik klom want o
alleen als ik
gewild heb dat
hij mij daar toen
het zetje gaf
het laatste dat
het eerste was
pas als ik mij
dat zetje geef
alsnog die zet
misschien ben ik
dan wie ik ben
degeen dus die
uit klimmen ging
Bahamontes
zonder waarborg
klimmen ging je
klom je zonder
en er was geen
iemand anders
[p. 88]
dan de iemand
die jou zegde
Bahamontes
zegde hij zeer
onverstaanbaar
Bahamontes
Klim
Willem Jan Otten Gedichten · Uitgeverij Van Oorschot
Tot mijn ochtendlijk spiegelbeeld
Ook vanmorgen was jouw blik op mij gericht.
Zoals jij naar mij kijkt zo keek er geen.
Jij bent steevast de eerste die mij naar de ogen
ziet en monstert mij, niet vol van sympathie,
afwachtend eerder, waaks wellicht, je vraagt je
elke ochtend af: wat zei de nacht hem aan,
slaagt hij er in weer handen wassend op
te duiken uit zijn droomvertogen schuld,
en op zijn ingeslagen leven voort te gaan?
Watje is hij, bloot bloot knietje
dankend dat hij nog niet is beproefd.
Niet zodra daagt hem dat ik daar voor hem sta,
of ik verdwijn, weg uit zijn blik, en word dezelfde
die mij ziet, we zijn weer één en stellen niet
de vraag die in een mum daarvoor nog stak:
hoe is het mogelijk dat ik levenslang
aan wat jij van mij weten moet ontkwam?
De eerste stap is de stap er uit
Sinds heugenis stond hij tegen zijn heelal geleund
de verdekte man van flanel. Hij heeft zich opgeste
bij de doorzichtige deur waarachter in vreze wordt gewalst.
Hij leunt en leunt, maar in de deur daar is geen glas.
Hij staat geleund en converseert soms over Manuela Kant.
Door de ogen van zijn spiegelbeeld werpt hij zijn blikken
glijdend langs de armen van de dichtstbijzijnde vrouw.
In de weerkaatsing komt hij snel en zonder blozen klaar.
Ridicuul zal hij nooit zijn, de man die wil wat kan
Er is geen glas. Er was in zo een deur nog nimmer glas.

Late pasen
Er is de warme, geile wind
die halverwege mei vanaf het plein
het zaad mijn raam langs jaagt.
In luxe voorjaarslicht
verdord geraakt te zijn
tot lilliputtersjudaspenning
opgehangen aan de hoogste iep,
vergetende dat afwachting
zelfs maar bestaat, verdurend
dat wij zouden dorren tot
de droogste pit – en toen de wind.
We lieten los en werden elk
de enige die losgelaten was,
wij uitgestorte zwevers richting
einde van de warme wind,
wij even onbedaarlijk vrij
als tussen laatste ruk en klaar
de nooit volop bevreesde man
die alles kennen en dan dragen zal
wat tussen onbedwingbaar opgehitst
en neergesmakt hem dagen zal,
je gaat er aan om te bestaan.
Bwaff
Waar ik voor boog terwijl ik naast hem zat
en hij zo nu en dan zijn ogen opsloeg uit
een stribbeling die, zo bezwoer hij, pijnloos
was, een zeker zinken, als een zee die zinkt
steeds weer in wat zij altijd kent maar nooit
beseft zo lang zij tot besef zich heft?
De vader hier in deze fluisterende kamer
is der dagen zat, ja heus. Buig nu dan toch
mijn knie en leer mij even ongelooflijk zijn als u,
één woord van u en bwaff hij is gezond.
Tweede bwaff
Word wat u bent, en oor, o opgezonden woord –
zoals een o van rook komt zweven uit een mond
en o die wordt uw mond – ontferm u over ons.
De winter uit
Je hebt op schoot
een baby, van de buren,
niet van ons.
Is het gebeurd
wat ik vanmorgen
heb bespeurd?
Het bad liep vol
vanmorgen vroeg.
Ik dorst te weten dat
wat jij als een gedicht
nog net verzweeg:
ze is er weer,
bij ons, bij ons.
Ik hield mijn mond.
Het bad liep vol
vanmorgen vroeg.
Jij neuriede.
Daarop gorgelden
de graven leeg.
Je hebt op schoot
de babybuur, plons plons
en ach, hou nu mijn mond.
Een arm die nooit niet op mij lag
Zij is op reis maar uit de eerste morgen
van ons levenslange leven in één leven
daar kwam in mijn doezel opgeweld: haar arm,
vederduiflichtdalende gelegd op mij.
Ik sliep beslist en iets sprak door me heen
en zei: je leven is van mij. Maar nu was zij
niet eens in bed, toch sprak het weer door mij:
je leven is van mij. Geen juk is lichter
dan van hem die, met haar arm op mij, dit zei.
Korte toespraak tot mijn zonen wanneer zij op kamers gaan wonen
Zonen, tweemaal heb ik heel de mensheid voortgebracht zien zijn.
Allebei de keren kwam zij naakt en kledder voort uit Von,
hangend aan haar poten als gestroopt als een konijn
tussen duim en vingers van een stoïcijn die haar een lel
verkocht en zij bleek jullie, telkens één, een dubbelklappend,
krijtend, alles vergend dier met, wisten wij meteen, een ziel.
Er is een ja dat alle nee omvaamt en in zich draagt,
het is gekreten voor je weet wat krijten is, het klinkt als nee,
maar krijt van ja, het is, jawel, het is als alle amens samen,
de laatste zucht is het te baren door het onuitsprekelijkst gebed.
We hebben ja gezegd, ons eerste naakte amen was er eerder zelfs
dan onze naam, en steevast zal de kwestie zijn: waar hebben wij
ons ja vandaan, wie heeft ons opgescheept met meer dan wij?
Vraag waar je mee begonnen bent, vrees in de weeënstorm
van zeker nee, wanneer je alles weet wat zeker wordt geweten,
vrees daar je ja en zeg haar nieuw geboren en ten einde na.
Willem Jan Otten Gedichten · Uitgeverij Van Oorschot

Bij het vernemen dat de esdoorn door de nieuwe eigenaar toch is gerooid
In het midden van herinnering, verschreven tuin,
daar stond een boom. Hij hoorde bij ’t verkochte huis
waar zonen zijn geboren, dummies vol geschreven,
mosselen in wijn gekookt, klepper kattenluik.
Hij stond er toen we onze intrek namen,
niemands eigendom een wachter als de maan.
Wij lieten hem staan, hij zou ons bewaren.
Spoelt per gelukszoeker een esdoorn aan,
een nachtelijk geruis door het slaapkamerraam,
een koerend duivenpaar elk jaar,
een wemeling van blad recht boven de kinderwagen,
een grote gons eind mei om bloesem van myriaden bij,
een vogelhuisje zonder mezen gespijkerd in de stam,
staat er een boom in iedereen die verder moest,
is hij wat nooit mee mee het graf in gaat,
als de maan staat hij niemands eigendom op wacht.
Willem Jan Otten (1951)
uit: Genadeklap (2018)
Hoe verder…
Hoe verder van haar laatste eisprong,
eind twintigste eeuw, des te minder
ik haar ken, mijn reisgenoot.
Steeds minder vat ook op de zondagmiddag
eind maart negentien achtenzeventig,
dertig jaar geleden, toen zij zei:
ja, van jou met jou wil ik een kind.
Raar, dat lidwoord, hoeveel kinderen
konden er wel niet in een kind.
Ze was naar Noord gegaan, alleen,
‘om na te denken’. In Durgerdam
had tegen een huis een omafiets gestaan,
zitje voorop, leeg. Dat is uw methode:
er niet zijn. Zij leefde toen al sterk met tekens.
Haar ja pakte uit als een ware conceptie,
er zij licht, in die orde van grootheid,
gecreëerd werd hoe dan ook een vader,
en man die tot dan niet had bestaan.
Niet op te helderen haar vertrouwen.
Uit: Gerichte gedichten, Van Oorschot, Amsterdam, 2011.
Ik heb mij nu zo luid tot u gericht
Ik heb mij nu zo luid tot u gericht
dat uw zwijgen is gaan klinken
naar de stilte in een bladstil bos
nadat er ’s nachts uit een tent
een kind geroepen heeft en het was
het mijne niet. Ik twijfel niet
aan uw bestaan zo lang u tot mij
zwijgt. Het is aan mij, u laat mij vrij
om uit uw echoënde stilte op te staan
Willem Jan Otten
