V.E. Frankl, BEGINSELEN VAN DE LOGOTHERAPIE


Inleiding
Lezers van mijn korte autobiografische verslag vragen over het algemeen naar een gedetailleerde uiteenzetting van mijn therapeutische leerstelling. Om aan dit verzoek tegemoet te komen heb ik een korte paragraaf, gewijd aan logotherapie, toegevoegd aan de Amerikaanse editie van dit boek. Dit bleek echter niet voldoende te zijn en ik werd bestormd met verzoeken om een uitgebreide verklaring. Daarom heb ik in latere uitgaven de verklaring van mijn leerstelling geheel herzien en aanzienlijk uitgebreid.
Dat was geen gemakkelijke opgave. Het is een vrijwel ondoenlijke zaak mijn lezers een korte samenvatting te geven van een materie, die in het Duits achttien boekdelen vult. Dit doet mij denken aan een Amerikaanse dokter die eens in mijn kliniek te Wenen verscheen en mij de volgende vraag stelde: ‘Vertelt u eens, dokter, bent u psychoanalyticus?’ Waarop ik antwoorde: ‘Niet precies, ik zou mezelf liever psychotherapeut willen noemen.’ Vervolgens vroeg hij mij: ‘Welke leerstelling huldigt u?’ ‘De logotherapie, gebaseerd op mijn eigen theorie,’ antwoorde ik. ‘Kunt u mij in een zin de betekenis van de logotherapie verklaren?’ vroeg hij, ‘Of althans het verschil tussen de psychoanalyse en de logotherapie?’ ‘Jazeker’, zei ik, ‘maar zoudt u mij dan eerst in één zin willen zeggen wat volgens u de essentie is van de psychoanalyse?’ Deze vraag beantwoorde hij als volgt: ‘Tijdens een psychoanalyse moet de patiënt zich uitstrekken op een divan en de psychoanalyticus dingen vertellen die dikwijls zeer onaangenaam voor hem zijn.’ Hierop reageerde ik ogenblikkelijk met de volgende geïmproviseerde tegenzet: ‘Welnu, bij de logotherapie mag de patiënt rechtop blijven zitten, maar hij moet dingen aanhoren, die soms heel onaangenaam voor hem zijn’.
Natuurlijk was dit antwoord schertsend bedoeld en niet als korte definitie van de logotherapie. Nochtans bevat het een grond van waarheid, gezien het feit dat de logotherapie vergeleken bij de psychoanalyse een minder retrospectieve en introspectieve methode is. De logotherapie richt zich veeleer op de toekomst, dat wil zeggen, op de taken en de zinvolle doelstellingen die de patiënt in zijn toekomst zal moeten verwezenlijken. Tevens ontzenuwt de logotherapie alle vicieuze -cirkelformaties en terugkoppelingsmechanismen, die zulk een grote rol spelen bij de ontwikkeling van neurosen, Op deze wijze wordt de kenmerkende egocentrische houding van de neuroticus veeleer afgebroken dan voortdurend gekoesterd en versterkt.
Natuurlijk is dit een al te vereenvoudigde verklaring, maar toch wordt de patiënt-in-logotherapie, in feite geconfronteerd met, en geheroriënteerd op de zin van zijn leven. Mijn geïmproviseerde definitie van de betekenis van de logotherapie is dus tot op zekere hoogte juist, aangezien de wezenlijk neurotische mens inderdaad tracht zich niet volledig rekenschap te geven van zijn levenstaak. Wanneer hem deze taak onder ogen wordt gebracht, en hij zich volledig daarvan bewust is kan dit in hoge mate bijdragen tot zijn vermogen zijn neurose te overwinnen. De rede waarom ik mijn theorie ‘logotherapie’ heb genoemd is als volgt: Het Griekse woord logos beduidt ‘betekenis’. Logotherapie, of ‘de derde Weense school der psychotherapie’, zoals sommige auteurs mijn leerstelling noemen, richt zich zowel op de betekenis van het menselijk bestaan als op het streven van de mens naar een dergelijke betekenis. Volgens de logotherapie is dit streven naar de zin van zijn leven, de primaire motivatiekracht waarover de mens beschikt. Daarom spreek ik ook van een wil-tot-betekenis, in tegenstelling tot het lustprincipe (of de wil-tot-lust, zoals we eveneens zouden kunnen zeggen), waarop de Freudiaanse psychoanalyse zich richt, en de wil-tot-macht, die in de theorie van Adler wordt benadrukt.

mystiek


De wil-tot-betekenis
Het streven van de mens naar betekenis is een primaire drijfveer in zijn leven en geen ‘secundaire rationalisatie’ van driften. Deze betekenis is zowel uniek als specifiek, aangezien slechts het individu zelf haar kan vervullen, slechts dan zal zij voldoende gewicht hebben om zijn eigen wil tot betekenis te bevredigen. Sommige wetenschappelijke auteurs beweren dat betekenis en waardebepalingen ‘niet meer zijn dan afweermechanismen, reactieformaties en sublimaties’. Persoonlijk zou ik echter niet bereid zijn uitsluitend voor mijn ‘afweermechanismen’ te leven, noch zou ik bereid zijn voor mijn ‘reactieformaties’ te sterven. De mens is echter in staat te leven en zelfs te sterven voor zijn idealen!
Enkele jaren geleden werd in Frankrijk een enquête onder de bevolking gehouden. Het resultaat van deze enquête toonde aan dat 89 procent van de ondervraagden meende dat de mens ‘iets’ nodig had om voor te leven. Bovendien gaf 61 procent van de ondervraagden toe, dat zij iemand of iets in hun leven hadden, waarvoor zij zelfs bereid waren te sterven. Ik hield dezelfde enquête, zowel onder de patiënten als de staf van mijn Weense kliniek en het resultaat was vrijwel identiek aan het resultaat van de enquête die in Frankrijk onder duizenden mensen was gehouden. Het verschil bedroeg slechts 2 procent. Met andere woorden de wil tot betekenis is voor de meeste mensen een feit en geen geloof. Natuurlijk zal de belangstelling van een persoon voor waarden en betekenis in bepaalde gevallen een dekmantel zijn voor verborgen innerlijke conflicten, maar dit zijn toch de uitzonderingen die de regel bevestigen. In dergelijke gevallen is een psychodynamische interpretatie gerechtvaardigd, om op deze wijze te trachten de onbewuste krachten die hieraan ten grondslag liggen te ontdekken. In zulke gevallen hebben wij feitelijk te maken met pseudo-waarden (een goed voorbeeld hiervan is een kwezel, een dweper), die dan ook als zodanig dienen te worden ontmaskerd. Maar dit ontmaskeringsproces moet worden beëindigd zodra men wordt geconfronteerd met het authentieke, het wezenlijke in de mens, ergo, het verlangen naar een zinvol leven. Wanneer de ontmaskering daar niet wordt stopgezet, verraadt de ontmaskeraar zijn eigen wens de geestelijke aspiraties van de ander te kleineren.
Wij moeten ons wachten voor de tendens, waarden uitsluitend te beschouwen in termen van zelfexpressie van de mens. Want logos, of ‘betekenis’, is meer dan oprijzen uit het bestaan, het is veeleer een confrontatie met het bestaan. Indien de betekenis, die door de mens moet worden gerealiseerd, werkelijk niet méér zou zijn dan een vorm van zelfexpressie, of een projectie van zijn wensgedachten, zou zij ogenblikkelijk haar veeleisende, uitdagende karakter verliezen, zij zou de mens niet langer kunnen boeien of binden. Dit geldt niet alleen voor de zogenaamde sublimering van driften, maar eveneens voor de ‘archetypen’ van het ‘collectief onbewuste’ van C. G. Jung. Deze zouden dan eveneens zelfexpressies moeten zijn, namelijk van de totale mensheid. Dit geldt eveneens voor de beweringen van enkele existentialistische denkers, die in de idealen van de mens slechts zijn eigen verzinsels zien. Volgens Jean-Paul Sartre ‘verzint’ de mens zichzelf, ontwerpt hij zijn eigen ‘essentie’, dat wil zeggen, wat hij in wezen is, en tevens wat hij zou moeten zijn, of worden. Ik meen echter dat de betekenis van ons bestaan niet door ons zelf wordt verzonnen, maar veeleer ontdekt.
Psychodynamische onderzoekingen op het gebied van waarden zijn gerechtvaardigd, maar het is de vraag of deze steeds op hun plaats zijn. Wij mogen hierbij vooral niet vergeten dat ieder zuiver psychodynamisch onderzoek in principe slechts een stuwende kracht in de mens kan onthullen. Waarden echter, stuwen een mens niet op, zij drijven hem niet, maar trekken hem. Dat is een verschil en telkens als ik door de deuren van een Amerikaans hotel loop, word ik hieraan herinnerd. Een van beide deuren moet men opentrekken, de ander open duwen. Wanneer ik stel dat de mens wordt getrokken door waarden, wil ik er nadrukkelijk op wijzen, dat dit steeds gepaard gaat met vrijheid, namelijk de vrijheid van een mens tot aanvaarding of verwerping van een aanbod, dat wil zeggen, een potentiële mogelijkheid tot aanvaarding of verwerping.
Het is echter uitgesloten dat er in de mens zoiets bestaat als een morele drang, of een religieuze drang, in het kader van de opvatting dat het wezen van de mens wordt bepaald door zijn principiële driften. De mens wordt nooit gedreven tot moreel gedrag, bij iedere gelegenheid bepaalt hij zelf, opnieuw, zijn morele gedrag. En hij doet dit niet om te voldoen aan een morele drang en zodoende een goed geweten te hebben. De mens spreidt geen hoogstaand moreel gedrag ten toon om een goed geweten te hebben, maar terwille van een doel dat hij zich heeft gesteld, of terwille van een persoon die hij bemint, of ter wille van zijn God. Indien hij zich moreel hoogstaand zou gedragen ter wille van een goed geweten, zou dat op schijnheiligheid duiden en zou hij niet langer een werkelijk moreel verantwoord mens zijn. Ik denk dat zelfs heiligen zich uitsluitend richtten op het dienen van God, en ik betwijfel of ze ooit van plan waren heilig te worden. Er bestaat een gezegde: ‘Een goed geweten is het beste hoofdkussen’ en dit valt niet te betwijfelen, maar dat wil nog niet zeggen dat hoogstaand moreel gedrag niet meer zou zijn dan een slaapmiddel.


Existentiële frustratie
De wil-tot-betekenis van een mens kan eveneens gefrustreerd worden. In dit geval spreekt de logotherapie van ‘existentiële frustratie’. De term ‘existentieel’ kan op drie verschillende wijzen worden gebruikt: (1) met betrekking tot het bestaan zelf, dat wil zeggen de specifiek menselijke wijze van bestaan; (2) de betekenis of de zin van het bestaan; en (3) het streven naar een concrete betekenis in het individuele bestaan, of wel, de wil-tot-betekenis.
Existentiële frustratie kan aanleiding geven tot het ontstaan van een neurose. De logotherapie noemt dit soort neurosen ‘noögenische neurosen’ in tegenstelling tot neurosen in de normale zin van het woord, dat wil zeggen, psychogenische neurosen. Noögenische neurosen wortelen niet in de psychologische maar in de ‘noölogische’ (van het Griekse woord ‘noos’ dat ‘geest’ betekent) dimensie van het menselijk bestaan. Deze logotherapeutische term, heeft tevens betrekking op alles wat verband houdt met de ‘geestelijke’ kern van de menselijke persoonlijkheid. Men dient er zich echter rekenschap van te geven dat de term ‘geestelijk’ binnen het kader van de logotherapie, niet in eerste instantie een religieuze betekenis heeft, maar verwijst naar de specifiek menselijke dimensie.


Noögenische neurosen
Noögenische neurosen ontstaan niet uit conflicten tussen stuwkrachten en driften, maar uit conflicten tussen diverse waarden, met andere woorden, uit morele conflicten, of, in algemenere zin, uit geestelijke problemen. Bij dergelijke problemen speelt existentiële frustratie dikwijls een belangrijke rol.
Het is evident dat de psychotherapie in het algemeen, niet de juiste therapie is bij de behandeling van noögenische neurosen, maar veeleer de logotherapie, die de moed heeft door te dringen tot de geestelijke dimensie van het menselijk bestaan. In feite beduidt het Griekse woord logos niet alleen ‘betekenis’, maar tevens ‘geest’. Geestelijke zaken, zoals het streven van de mens naar een zinvol bestaan, evenals de frustratie van dit streven, worden in de logotherapie beide benaderd in geestelijke termen. Zij worden ernstig opgevat, niet herleid tot onbewuste bronnen en dus evenmin uitsluitend benaderd in driftmatige termen.
Wanneer een medicus faalt onderscheid te maken tussen de geestelijke en de driftmatige dimensie, kan dit tot een gevaarlijke verwarring leiden Het volgende voorbeeld zal dit wellicht duidelijk maken: Een hooggeplaatst Amerikaans diplomaat kwam naar mijn kliniek in Wenen om de psychoanalytische behandeling voort te zetten, die hij vijf jaar tevoren was begonnen, onder leiding van een analyticus in New York. Ik stelde hem allereerst de vraag, waarom hij meende een analyse te moeten ondergaan, en naar aanleiding waarvan hij vijf jaar geleden in analyse was gegaan. Het bleek dat de patiënt niet tevreden was met zijn loopbaan en dat het hem moeilijk viel zich te verenigen met de internationale politiek van de V.S. Zijn analyticus had hem echter herhaaldelijk voorgehouden dat hij moest trachten zich met zijn vader te verzoenen, aangezien de regering van de Verenigde Staten, evenals zijn meerderen ‘slechts’ voorstellingen van de vader waren en dat zijn ontevredenheid over zijn werk zetelde in het feit dat hij een onbewuste haat koesterde tegenover zijn vader. Gedurende die vijfjarige analyse werd de patiënt voortdurend aangespoord de interpretaties van zijn analyticus te aanvaarden, zodat hij tenslotte niet langer in staat was door de bomen van symbolen en voorstellingen, het bos van de realiteit te zien. Na enkele gesprekken werd het duidelijk, dat zijn wil-tot-betekenis gefrustreerd werd door zijn loopbaan en dat hij feitelijk verlangde naar een ander soort werk. Aangezien er geen reden was, waarom hij zijn huidige beroep niet zou opgeven en een ander zou kiezen, besloot hij dit te doen en de resultaten waren zeer bevredigend. Onlangs deelde hij mij mede, dat hij nu reeds vijf jaar zeer tevreden is met zijn nieuwe werkkring. Ik betwijfel zelfs of men hier van een neurose kon spreken, daarom meende ik ook dat deze man in het geheel geen behoefte had aan psychotherapie, zelfs geen logotherapie om de eenvoudige reden dat hij in het geheel geen patiënt was. Niet ieder conflict hoeft per definitie neurotisch van aard te zijn.’ Een bepaalde hoeveelheid conflicten is normaal en zelfs gezond. Ook lijden is niet steeds een pathologisch verschijnsel, lijden is soms veeleer een menselijke prestatie dan een neurotisch symptoom, vooral wanneer het lijden voortkomt uit existentiële frustratie. De opvatting dat het streven van de mens naar de zin van zijn leven, of zelfs zijn twijfel aan die zin, steeds voortkomt uit, of het gevolg is van een geestelijke stoornis, moet ik met grote stelligheid van de hand wijzen. Existentiële frustratie is op zichzelf pathologisch noch pathogenisch van aard.’ De bezorgdheid van een mens, zijn wanhoop zelfs, over de zinloosheid van zijn leven is een spirituele nood, maar beslist geen geestesziekte. Wanneer een medicus deze eerste gesteldheid van de patiënt interpreteert in termen van de tweede, kan het gebeuren dat hij de existentiële wanhoop van zijn patiënt begraaft onder een berg verdovende middelen. Zijn taak is echter, de patiënt te helpen deze existentiële groei – en ontwikkelingscrisis te boven te komen.
De logotherapie stelt zich tot taak de patiënt te helpen de zin van zijn leven te ontdekken. Voor zover de logotherapie de patiënt de verborgen logos van zijn bestaan doet inzien, is dit een analytisch proces. Tot op dit punt vertoont de logotherapie gelijkenis met de psychoanalyse. Bij haar pogingen iets wederom tot bewustzijn te brengen, beperkt de logotherapie zich echter niet uitsluitend tot de driftmatige feiten binnen het individueel onbewuste, doch haar werkterrein omvat tevens spirituele realiteiten, zoals de potentiele betekenis van het individuele bestaan, dat eveneens dient te worden gerealiseerd, evenals de wil tot betekenis van de patiënt moet worden bevredigd. ledere analyse, ook de analyse die de noölogische en spirituele factoren bij het therapeutisch proces verwaarloost, tracht echter de patiënt bewust te maken van de feitelijke verlangens die in het diepst van zijn wezen leven. De logotherapie wijkt af van de psychoanalyse voor zover zij de mens veeleer beschouwt als een wezen dat primair belang hecht aan het vervullen van een betekenis en het realiseren van waarden, dan aan de bevrediging van zijn neigingen en driften, aan de taak de tegenstrijdige eisen van zijn Es, zijn Ich en zijn Über-Ich tot overeenstemming te brengen, of uitsluitend aan de aanpassing aan maatschappij en milieu.


Noö-dynamiek
Vanzelfsprekend zal het streven van de mens naar betekenis en waarden, veeleer innerlijke spanningen dan innerlijk evenwicht veroorzaken. Met name dergelijke spanningen zijn echter onontbeerlijk voor de geestelijke gezondheid. Ik durf te beweren, dat niets ter wereld een mens dermate effectief kan helpen zelfs de gruwelijkste levensomstandigheden te verdragen, als de wetenschap dat zijn leven inhoud en betekenis heeft. Er ligt grote wijsheid besloten in de woorden van Nietzsche: ‘Hij die een reden tot leven heeft kan vrijwel alle levensomstandigheden dragen.’ Ik zie in deze uitspraak een motto dat voor iedere psychotherapie geldt. In de Naziconcentratiekampen heeft men geconstateerd (Amerikaanse psychiaters kwamen later in Japan en Korea tot dezelfde conclusie), dat gevangenen die wisten dat hun nog een taak te wachten stand in het leven, beslist grotere overlevingskansen hadden.
Wat mijzelf betreft, toen ik werd gevangengenomen en naar het kamp Auschwitz gebracht, werd het manuscript van mijn boek, dat gereed was om ter perse te gaan, geconfisqueerd.1 Het staat vast dat mijn verlangen dit manuscript te herschrijven, mij heeft geholpen de ontberingen en kwellingen van het concentratiekamp te overleven. Toen ik tyfus kreeg heb ik bijvoorbeeld, op kleine vodjes papier veel aantekeningen gemaakt, die mij van pas zouden komen bij het herschrijven van mijn boek, als ik de bevrijding tenminste zou halen. Ik ben ervan overtuigd dat de reconstructie van mijn verloren manuscript, daar in die lugubere barakken van een Beiers concentratiekamp, mij inderdaad heeft geholpen een dreigende crisis te voorkomen.
Het is dus duidelijk dat geestelijke gezondheid is gebaseerd op een zekere mate van spanning, de spanning tussen hetgeen men reeds heeft bereikt en hetgeen men nog moet voltooien, of de kloof tussen hetgeen men is en hetgeen men moet worden. Zulk een spanning is inherent aan de mens en daarom ook onmisbaar voor zijn geestelijk welzijn. Wij moeten dus ook zonder aarzeling de mens uitdagen tot het vervullen van een potentiele levensbetekenis. Slechts op deze wijze kunnen wij zijn latente wil-tot-betekenis activeren. Ik beschouw het als een gevaarlijke misvatting van de geestelijke hygiëne, aan te nemen dat de mens primair behoefte heeft aan evenwichtigheid, of ‘homeostase’, zoals men in de biologie zegt, dat wil zeggen, aan een spanningsloze toestand. De mens heeft in feite geen behoefte aan een spanningsloze toestand, maar aan het streven en de strijd om een waardevol doel te bereiken. Hij heeft niet zozeer afvoer van spanningen nodig, als wel de stimulans van een potentiele betekenis, een doelstelling die hij dient te vervullen. De mens heeft geen behoefte aan homeostase, maar wel aan ‘noödynamiek’, dat wil zeggen, de geestelijke dynamiek in een polair spanningsveld, waarbij de ene pool wordt gevormd door de betekenis die in vervulling moet gaan, en de andere door de mens die dit waar moet maken. Men moet vooral niet denken dat dit uitsluitend onder normale condities geldt, integendeel, bij neurotische personen treedt deze behoefte nog sterker aan het licht. Wanneer een architect een vervallen boog wil versterken, verhoogt hij het gewicht dat op de boog rust, daar de afzonderlijke delen van de boog dan vaster opeen worden gedrukt. Therapeuten die de geestelijke gezondheid van hun patiënt voor ogen hebben, zouden evenmin bevreesd moeten zijn hun last te vergroten, door middel van heroriëntatie op de zin van het leven.
Nu de heilzame invloed van heroriëntatie op de zin en betekenis is bewezen, wil ik een ogenblik stilstaan bij de schadelijke invloed van het gevoel waarover zoveel patiënten tegenwoordig klagen, het gevoel namelijk van de volstrekte zinloosheid van hun bestaan. Zij missen de gewaarwording van een betekenis die de moeite waard is om voor te leven. Het gevoel van innerlijke leegte laat hun geen rust. Zij bevinden zich in de situatie, die ik het ‘existentiële vacuüm’ noem.


Het existentiële vacuüm
Het existentiële vacuüm is een wijd verspreid verschijnsel van de twintigste eeuw. Dit is te begrijpen. Het zou het gevolg kunnen zijn van een tweevoudig verlies dat de mens heeft geleden sedert hij wezenlijk mens is geworden. Aan het begin van de geschiedenis van de mensheid heeft de mens enkele elementaire dierlijke driften verloren, waarop het dierlijk gedrag berust en waardoor het dier wordt beschermd. Van een dergelijke bescherming is de mens, evenals van het Paradijs, voor eeuwig verstoken. De mens moet telkens opnieuw zijn keuze bepalen. Bovendien heeft de mens gedurende zijn recente ontwikkeling nog een ander verlies geleden, aangezien de tradities, die zijn gedrag schraagden, thans in hoog tempo worden afgebroken. Zijn driften stimuleren hem niet langer tot een bepaald gedrag, de traditie legt hem geen gedragsregels meer op en soms weet hij zelf niet meer wat hij nu eigenlijk wil. In plaats daarvan wenst hij of wel zich te gedragen zoals anderen zich gedragen (conformisme), of wel te doen wat anderen van hem verlangen (totalitarisme).
In de neurologische afdeling van mijn kliniek in Wenen heeft de medische staf statistische gegevens verzameld onder de patiënten en de verpleegkundige staf. Hieruit bleek dat 55 procent van de ondervraagden in meerdere of mindere mate in een existentieel vacuüm verkeerde. Met andere woorden, meer dan de helft van de ondervraagden beschouwde het leven niet langer als zinvol.
Dit existentiële vacuüm manifesteert zich vooral in de vorm van verveling. En in dit licht kunnen wij Schopenhauer begrijpen, wanneer hij beweert dat de mensheid blijkbaar gedoemd is eeuwig te schommelen tussen twee uitersten: smart en verveling. Tegenwoordig wordt het merendeel van de psychiatrische problemen eerder veroorzaakt door verveling dan smart. Bovendien neemt de ernst van deze problemen hand over hand toe, aangezien de groeiende automatisering vermoedelijk zal leiden tot steeds meer vrije tijd voor de gemiddelde arbeider. Het is zo jammer dat de meeste mensen niet weten wat ze met al hun onlangs verworven vrije tijd moeten doen.
Laten wij bijvoorbeeld eens denken aan de ‘Zondag neurose’, de neerslachtigheid die zich meester maakt van mensen die zich de onvrede van hun bestaan realiseren wanneer de drukke werkweek ten einde is en zij hun innerlijke leegte gewaarworden. Meerdere gevallen van zelfmoord zijn te herleiden tot een existentieel vacuüm. Algemene verschijnselen als alcoholisme en jeugdmisdadigheid zijn uitsluitend te herleiden tot een existentieel vacuüm. Dit geldt eveneens voor de crisis die gepensioneerden en bejaarden ondergaan.
Het existentiële vacuüm manifesteert zich bovendien dikwijls onder diverse maskers en vermommingen. Soms wordt de gefrustreerde wil-tot-betekenis vervangen door een verlangen naar macht, zelfs in zijn primitiefste vorm, namelijk het verlangen naar geld. In andere gevallen wordt de plaats van de gefrustreerde wil-tot-betekenis ingenomen door de wil-tot-lust. Dat is dan ook de reden waarom existentiële frustratie dikwijls eindigt in seksuele compensatie. In dergelijke gevallen kunnen wij constateren dat de libido het existentiële vacuüm domineert.
Bij neurotische patiënten kunnen wij een analoog verloop waarnemen. Er bestaan bepaalde terugkoppelingsmechanismen en vicieuze-cirkelformaties, waarop ik later zal terugkomen. Men kan echter steeds weer waarnemen dat deze symptomen zijn doorgedrongen tot een existentieel vacuüm, waarin zij snel tot ontwikkeling komen. Bij dergelijke patiënten worden wij niet geconfronteerd met een noögenische neurose. Toch zullen wij er niet in slagen de patiënt te helpen zijn problemen te overwinnen, als wij de psychotherapeutische behandeling niet vervangen door logotherapie. Door het existentiële vacuüm op te vullen, kunnen wij instorting van de patiënt voorkomen. Daarom is logotherapie niet alleen de aangewezen behandelingsmethode voor noögenische neurosen, maar eveneens voor psychogenische en met name somatogenische (pseudo-) neurosen. In dit opzicht is de volgende uitspraak van Magda B. Arnolds2 zeer juist: ‘Iedere therapie moet, hoe beperkt ook, tevens logotherapie zijn’.
Thans zullen wij overwegen hoe wij moeten antwoorden, wanneer een patiënt ons vraagt wat de betekenis van zijn leven dan wel mag zijn.

Krüge


De Betekenis van het leven
Ik geloof niet dat een arts deze vraag in algemene termen kan beantwoorden, want de betekenis van het leven verschilt van mens tot mens, van dag tot dag en van uur tot uur. Het gaat dus niet om de zin van het leven in het algemeen, maar om de specifieke zin van het individuele leven, op een bepaald tijdstip. Wanneer de vraag in algemene zin zou worden gesteld, zou men haar kunnen vergelijken met de vraag die een schaakkampioen eens werd gesteld: ‘Grootmeester, wat is volgens u de beste zet van de wereld?’ Er bestaat geen ‘beste’ en zelfs geen ‘goede’ zet, los van een bepaalde spelsituatie en de persoonlijkheid van de tegenspeler. Dat geldt eveneens voor het menselijk bestaan. Men moet niet zoeken naar een abstracte betekenis van het leven. Ieder mens heeft zij eigen specifieke roeping of levenstaak, om een concrete opdracht te vervullen. In dat opzicht is hij onvervangbaar, noch kan zijn leven worden herhaald. Daarom is de levenstaak van ieder mens even uniek als zijn specifieke mogelijkheid deze te vervullen.
Aangezien iedere levenssituatie een uitdaging is voor de mens en hem voor een probleem stelt, dat hij dient op te lossen, zou men de vraag naar de betekenis van het leven feitelijk kunnen omkeren. Uiteindelijk zou de mens niet moeten vragen naar de betekenis van zijn leven, maar erkennen dat hij degene is die wordt ondervraagd. Kort samengevat: ieder mens wordt door het leven ondervraagd en hij kan zich slechts verantwoorden tegenover het leven, door zijn eigen leven te verantwoorden. Hij kan slechts gehoor geven aan het leven door verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen leven. Daarom beschouwt de logotherapie verantwoordelijkheid als kern, de essentie van het menselijk bestaan.


De essentie van het leven
Dit accent op verantwoordelijkheid komt tot uitdrukking in het categorische logotherapeutische gebod: ‘Leeft dus alsof u reeds voor de tweede maal leeft en alsof u op het punt staat dezelfde fout te begaan, die u de eerste maal heeft begaan!’ Volgens mij kan niets het verantwoordelijkheidsgevoel van een mens meer prikkelen dan deze stelregel, die hem allereerst uitnodigt zich voor te stellen dat het leven reeds verleden tijd is en vervolgens, dat het verleden alsnog veranderd en verbeterd kan worden. Een dergelijk bevel confronteert hem met de eindigheid van het leven en met de onherroepelijkheid van zijn beslissingen omtrent zichzelf en zijn leven.
De logotherapie tracht de patiënt volledig bewust te maken van zijn verantwoordelijkheid, daarom ook moet zij hem de keuze laten waarvoor, tegenover wie en wat, hij zich verantwoordelijk acht. Een logotherapeut is bij gevolg minder geneigd dan andere psychotherapeuten, de patiënt waardebepalingen voor te houden, want hij zal de patiënt nooit toestaan de verantwoordelijkheid voor zijn beslissingen af te schuiven op zijn therapeut.
Het is dus de taak van de patiënt te beslissen of hij zijn levenstaak vertaalt in termen van verantwoordelijkheid tegenover de maatschappij, of tegenover zijn eigen geweten. De meesten beschouwen zich echter verantwoordelijk tegenover God, zij interpreteren hun eigen leven niet uitsluitend in termen van een opgelegde levenstaak, maar houden tevens rekening met de leermeester die hun deze zaak heeft opgelegd.
De logotherapie beleert noch predikt, zij is even verwijderd van logische beredeneringen als van zedenpreken. In figuurlijke zin is de rol van de logotherapeut veeleer te vergelijken met die van een oogspecialist, dan van een schilder. Een schilder tracht ons een beeld te geven van de wereld zoals hij die ziet, een oogspecialist tracht ons in staat te stellen de wereld te zien zoals die werkelijk is. De logotherapeut tracht het gezichtsveld van zijn patiënt te verruimen, zodat hij zich bewust wordt van het gehele spectrum van betekenissen en waarden. De logotherapie hoeft de patiënt geen oordeel op te dringen, aangezien de waarheid zelf zich opdringt en tussenkomst overbodig maakt.
Wanneer ik stel dat de mens een verantwoordelijk schepsel is, die de potentiële zin van zijn leven moet verwezenlijken, moet ik hier nadrukkelijk aan toevoegen dat de ware zin van het leven eerder moet worden gezocht in de wereld, dan in de mens zelf, of in zijn eigen psyche, als het ware in zijn eigen gesloten circuit. Om dezelfde reden is het wezenlijke doel van het menselijke bestaan niet te vinden in zelfverwezenlijking. Het menselijke bestaan is in wezen zelftranscendentie en niet zelfverwezenlijking. Zelfverwezenlijking is trouwens als doelstelling onmogelijk om de eenvoudige reden dat zelfverwezenlijking steeds onbereikbaarder wordt naarmate de mens er meer naar streeft. Want de mens kan zich slechts tot op dezelfde hoogte verwezenlijken als hij zich gebonden acht de betekenis van zijn leven te verwezenlijken. Met andere woorden als doelstelling kan zelfverwezenlijking niet worden bereikt, het kan evenwel worden bereikt als neveneffect van zelftranscendentie. Men kan de wereld niet beschouwen als een vorm van zelfexpressie, noch als een instrument of middel tot zelfverwezenlijking. In beide gevallen verandert een Weltanschauung (wereldbeschouwing) in een Weltentwertung (wereldminachting).
Wij hebben thans aangetoond dat de betekenis van het leven voortdurend aan verandering onderhevig is, doch nimmer ophoudt te bestaan. Volgens de logotherapie kunnen wij deze levensbetekenis op drie verschillende wijzen ontdekken: (1) door het stellen van een daad, (2) door een bepaalde waarde te ondergaan, (3) door te lijden. De eerste methode, door middel van prestatie en succes, is evident. De beide overige methoden zullen wij nader beschouwen.
De tweede methode om de zin van het leven te ontdekken, verloopt door middel van het ervaren of ondergaan van iets (natuur of cultuur), of iemand (de liefde).


De betekenis van de liefde
Alleen door de liefde kan een mens doordringen tot het innerlijk van een medemens, tot de kern van zijn persoonlijkheid. Niemand kan zich volledig bewust zijn van het wezen van een ander mens, tenzij hij hem bemint. De geestelijke liefdesdaad stelt hem in staat de essentiële eigenschappen van de geliefde persoon te ontdekken en zelfs meer dan dat: hij ontwaart zijn potentiële mogelijkheden, die nog wachten op verwezenlijking. Door zijn liefde stelt de beminnende mens de beminde persoon bovendien in staat zijn potentiële mogelijkheden te verwezenlijken, door hem bewust te maken van hetgeen hij kan zijn en kan worden. De logotherapie beschouwt liefde niet als een nevenverschijnsel3 van seksuele driften, in de zin van de zogenaamde sublimering. Liefde is een even primair verschijnsel als seksualiteit. Normaliter is seksualiteit een expressie van liefde. Seksualiteit is gerechtvaardigd, zelfs verheven, zodra en zolang zij een uiting van liefde is. De liefde wordt dus niet beschouwd als een nevenverschijnsel van de seksualiteit, maar als een expressiemogelijkheid van de allerintiemste verbondenheid, die men liefde noemt.
Een derde mogelijkheid om de zin van het leven te ontdekken is door middel van lijden.


De betekenis van het lijden

Wanneer een mens wordt geconfronteerd met een onvermijdelijke situatie, wanneer hij het onafwendbare lot onder ogen moet zien, bijvoorbeeld bij een ongeneeslijke ziekte zoals een inoperabele kanker, juist dan wordt hem de laatste kans geboden om de hoogste waarde te verwezenlijken, de diepste zin te vullen. Want het allerbelangrijkste is onze houding ten opzichte van het lijden, de wijze waarop wij ons lijden dragen.
Hier volgt een duidelijk voorbeeld: Op een dag verzocht een reeds oudere huisarts mij om een consult, omdat hij aan ernstige depressies leed. Hij had zijn echtgenote, die hij innig beminde, twee jaar tevoren verloren en hij kon dit verlies nog steeds niet aanvaarden. Hoe zou ik hem kunnen helpen? Wat moest ik tegen hem zeggen? Welnu ik besloot hem geen opbeurende woorden toe te voegen, maar ik confronteerde hem met de volgende vraag: ‘Wat zou er zijn gebeurd, dokter, als u het eerste was gestorven en uw echtgenote u had moeten overleven?’ ‘Oh dat zou een ramp voor haar zijn geweest’, antwoorde hij, ‘wat zou ze hebben geleden!’ Waarop ik antwoordde: ‘Ziet u wel, dokter, dat lijden is haar bespaard gebleven. U heeft haar dit lijden bespaard, maar thans wordt u de rekening gepresenteerd, want nu treurt u om haar. ‘ Zwijgend stond hij op uit zijn stoel, drukte mij de hand en verliet mijn spreekkamer. Op de een of andere wijze is lijden niet langer lijden op het moment dat men zich de betekenis van het lijden realiseert, bijvoorbeeld in de zin van een offer.
Dit was natuurlijk geen therapie in de ware zin van het woord, aangezien zijn wanhoop in de eerste plaats geen geestesziekte was en aangezien ik, in de tweede plaats, zijn lot niet kon veranderen, ik kon zijn echtgenote niet tot leven wekken. Maar op dat ogenblik gelukte het mij zijn houding tegenover zijn onverbiddelijke lot inzoverre te wijzigen, dat hij vanaf dat tijdstip ten minste de zin van zijn lijden begreep. Een van de beginselen van de logotherapie is, dat de belangrijkste doelstelling van de mens niet is, lust te verwerven of pijn te vermijden, maar de zin van zijn leven te ontdekken. Daarom is de mens ook steeds tot lijden bereid, mits zijn lijden zin heeft.
Vanzelfsprekend heeft lijden uitsluitend zin, wanneer het beslist onafwendbaar is, dat wil zeggen dat kanker die door middel van een operatieve ingreep kan worden verholpen, niet door de patiënt mag worden aanvaard als zijn kruis. Dit zou eerder op masochisme dan op heldhaftigheid duiden.
De traditionele psychotherapie heeft zich steeds ten doel gesteld de mens zijn arbeidsvermogen en levensvreugde te doen herwinnen, de logotherapie heeft eveneens deze doelstellingen voor ogen, maar tracht tevens het vermogen van de patiënt tot lijden, indien dit nodig mocht zijn, te activeren, door de betekenis van het lijden op te sporen. In dit verband verklaart Edith Weisskopf-Joelson, hoogleraar in de psychologie aan de Universiteit van Georgia, in haar verhandeling omtrent logotherapie,4 dat ‘onze huidige mentale-gezondheidsfilosofie nadrukkelijk stelt, dat mensen gelukkig behoren te zijn, dat ongelukkigheid een teken is van gebrek aan aanpassingsvermogen. Een dergelijke waardebepaling kan resulteren in het feit dat de last van onvermijdelijk ongeluk verzwaard wordt door ongelukkigheid omdat men ongelukkig is’. En in een andere wetenschappelijke verhandeling5 spreekt zij de hoop uit dat de logotherapie een tegenwicht zal kunnen vormen, tegen bepaalde ongezonde tendensen in de cultuur van de Verenigde Staten, waar een ongeneeslijk zieke nauwelijks de kans wordt geboden trots te zijn op zijn lijden en dit eerder verheffend dan degraderend te beschouwen’, zodat hij ‘niet alleen ongelukkig is, maar zich bovendien schaamt omdat hij ongelukkig is.’
Een mens kan in een situatie verkeren waarin hij verstoken is van de mogelijkheid zijn werk te verrichten en van zijn leven te genieten, maar onafwendbaar leed mag nooit of te nimmer over het hoofd worden gezien. Moedig aanvaard lijden verleent tot het allerlaatste ogenblik zin aan het leven. Met andere woorden: de betekenis van het leven is een onvoorwaardelijke betekenis, aangezien deze zelfs de potentiële betekenis van het lijden omvat.
Ik herinner mij een ervaring die voor mij misschien wel de meest schokkende kampervaring was. In het concentratiekamp waren de overlevingskansen slechts 1 op 20, zoals men via de statistieken kan verifiëren. Het leek onmogelijk, laat staan waarschijnlijk, het manuscript van mijn eerste boek, dat ik bij de aankomst in Auschwitz onder mijn jas had verstopt, veilig te stellen. Daarom moest ik het verlies van mijn geesteskind ondergaan en vervolgens te boven komen. Het kwam mij voor dat niets en niemand mij zou overleven, geen lichamelijk en geen geesteskind van mij! Ik werd dus geconfronteerd met de vraag of mijn leven onder deze omstandigheden nog wel zin had.
Ik wist toen nog niet dat ik weldra antwoord zou krijgen op deze vraag, waarmee ik zo hevig worstelde. Bij die gelegenheid moest ik mijn eigen kleren afstaan en ontving ik in ruil daarvoor de versleten lompen van een kampbewoner, die direct na aankomst op het station van Auschwitz naar de gaskamer was gezonden. In plaats van mijn manuscript vond ik in de zak van mijn pas verworven jas een bladzijde uit een Hebreeuws gebedenboek, met het voornaamste Joodse gebed – Shema Yisrael. Hoe zou ik een dergelijk toeval anders hebben kunnen interpreteren dan als een uitdaging om mijn denkbeelden te beleven in plaats van op papier te zetten?
Enige tijd later meende ik weldra te zullen bezwijken. Toch had ik ook in deze kritieke situatie andere problemen dan mijn kameraden. Zij vroegen zich af: ‘Zullen wij het kamp overleven? Want als dit niet zo is, heeft ons lijden geen zin.’ Mij stond echter de vraag voor ogen: ‘Heeft al dit lijden, al dit sterven om ons heen enige betekenis? Want als dit niet zo is, heeft overleven evenmin betekenis, aangezien een leven dat afhankelijk is van het toeval — of men weet te ontsnappen of niet — uiteindelijk niet de moeite waard is te worden geleefd.’


Metaklinische problemen
Steeds frequenter wordt de medicus geconfronteerd met de vraag: ‘Wat heeft het leven te betekenen? Wat is de zin van lijden?’ Een psychiater wordt tegenwoordig steeds vaker benaderd door patiënten die hem met menselijke problemen in plaats van met neurotische symptomen confronteren. Mensen die thans bij de psychiater aankloppen, zouden vroeger raad hebben gevraagd aan een dominee, priester of rabbijn, maar tegenwoordig zijn zij wars van gestelijken, zodat de medicus wordt geconfronteerd met filosofische vragen in plaats van emotionele conflicten.

mystiek
homage aan gerard richter


Een logodrama
Het volgende incident wil ik hier citeren. Op een dag werd de moeder van een jongen die op elfjarige leeftijd was overleden, na een poging tot zelfmoord opgenomen in mijn kliniek. Mijn collega, Dr. Kocourek, verzocht haar zich bij een therapeutische groep aan te sluiten en toevallig kwam ik een kamer van de kliniek binnen, waar onder zijn leiding een psychodrama werd opgevoerd. Zij vertelde haar verhaal. Toen haar kleine jongen overleed, bleef zij achter met een gehandicapte oudere zoon, die aan kinderverlamming leed. De arme jongen moest in een rolstoel worden verplaatst. Zijn moeder kwam in opstand tegen het lot, maar toen zij, samen met hem, zelfmoord trachtte te plegen, verijdelde haar invalide zoon deze poging, want hij hield van het leven! Voor hem had het leven nog steeds zin. Waarom dan niet voor zijn moeder? Hoe zou haar leven nog betekenis kunnen hebben? En hoe zouden wij haar kunnen helpen zich deze betekenis te realiseren?
Ik trachtte te improviseren, mengde mij in de discussie en ondervroeg een andere vrouw uit de groep. Ik vroeg haar hoe oud zij was en zij antwoordde: ‘Dertig.’ ‘Nee,’ zei ik, ‘u bent geen dertig maar tachtig jaar en u ligt op uw sterfbed. Thans kijkt u terug op uw leven, een kinderloos, maar financieel en maatschappelijk geslaagd leven.’ Vervolgens verzocht ik haar zich voor te stellen hoe zij zich zou voelen in een dergelijke situatie. ‘Wat zou u denken in een dergelijke situatie? Wat zou u tegen uzelf zeggen?’ En ik citeer van een geluidsband, die bij die gelegenheid werd opgenomen: ‘Oh, ik ben met een miljonair getrouwd. Ik heb een weelderig en comfortabel leven geleid en ik heb er gebruik van gemaakt! Ik heb met vele mannen geflirt! Maar nu ben ik tachtig jaar en ik heb geen kinderen. Wanneer ik thans als oude vrouw, terugblik in het verleden, vraag ik mij af waartoe het allemaal heeft gediend. Ik moet toegeven dat mijn leven een mislukking is geweest!’
Vervolgens verzocht ik de moeder van de gehandicapte zoon zich een soortgelijke terugblik op haar leven voor te stellen. Hier volgen haar woorden die werden opgenomen op de geluidsband: ‘Ik verlangde naar kinderen en mijn wens werd vervuld. Een van mijn zonen stierf, maar de andere, de gehandicapte zoon, zou naar een inrichting zijn gestuurd als ik de zorg voor hem niet op me had genomen. Hij is invalide en hulpeloos, maar hij blijft mijn zoon. Ik heb getracht een goed mens van hem te maken.’ Toen barste zij in tranen uit en vervolgde even later: ‘Wat mijzelf betreft: ik kan in vrede terugdenken aan mijn leven, want mijn leven was vol betekenis en ik heb getracht de zin van mijn leven te vervullen. Ik heb mijn best gedaan — ik heb mijn best gedaan voor mijn zoon. Mijn leven is geen mislukking!’ Terwijl zij haar leven, als het ware vanaf haar sterfbed beschouwde, realiseerde zij zich de betekenis van dit alles, zelfs de betekenis van haar lijden. Maar door middel van deze ervaring was het eveneens tot haar doorgedrongen dat een kort leven, zoals het leven van haar overleden zoon, zó rijk aan vreugde en liefde kan zijn, dat het wellicht van meer betekenis is dan een leven dat tachtig jaar heeft geduurd.
Vervolgens richtte ik mij tot de gehele groep, met de vraag of een aap, die werd gebruikt voor de ontwikkeling van het poliomyelitis serum en die dus voortdurend puncties moest ondergaan, ooit in staat zou zijn, de zin van zijn lijden te begrijpen. De groep was unaniem van mening dat dit uitgesloten was, omdat de aap met zijn beperkte denkvermogen nooit het menselijke denkniveau zou kunnen bereiken, dat wil zeggen, het enige niveau waarop lijden zinvol kan zijn. ‘En hoe is het dan met de mens gesteld?’ vroeg ik vervolgens. ‘Bent u ervan overtuigd dat met de wereld van de mens het eindpunt is bereikt in de evolutie van de kosmos? Is het niet denkbaar dat er nog een andere dimensie zou kunnen bestaan, een andere wereld buiten het bereik van deze wereld? Een wereld die antwoord zou kunnen geven op de vraag naar de betekenis van het menselijk lijden?’


De suprabetekenis
Deze uiteindelijke betekenis overschrijdt uiteraard de intellectuele vermogens van de mens. De logotherapie spreekt in deze context van een suprabetekenis. In tegenstelling tot de leerstelling van enkele existentialistische filosofen, wordt geenszins van de mens geëist zijn zinloze leven te dragen, maar wel zijn onvermogen de onvoorwaardelijke betekenis van zijn leven in rationele termen te begrijpen. Logos reikt verder dan logica.
Een psychiater die verder reikt dan het begrip suprabetekenis, zal vroeg of laat door de vragen van zijn patiënten in het nauw worden gebracht, zoals ik In het nauw werd gebracht door een vraag van mijn zesjarige dochter. ‘Waarom noemen wij God eigenlijk „de goede God”?’ Waarop ik antwoordde: ‘Enkele weken geleden was jij ziek, je had mazelen en de goede God heeft je genezen. ‘ Maar mijn dochtertje was niet tevreden met dit antwoord en ‘velde’ mij met de opmerking: ‘Ja maar, papa, vergeet niet dat hij mij ook de mazelen heeft bezorgd!’ Wanneer een patiënt echter religieuze overtuigingen koestert, kan zonder bezwaar gebruik worden gemaakt van het therapeutisch effect van zijn godsdienstige overtuigingen, waardoor hij kracht kan putten uit zijn geestelijke bronnen. Om dit doel te bereiken zal de psychiater zich soms in de plaats van de patiënt stellen. Ik heb dat tenminste eenmaal gedaan, toen een Oost-Europese rabbijn zich tot mij wendde en mij zijn levensgeschiedenis vertelde. Zijn eerste vrouw en hun zes kinderen waren in Auschwitz vergast en nu bleek zijn tweede echtgenote onvruchtbaar te zijn. Ik merkte op dat de voortplanting niet de enige betekenis van het leven is, aangezien in dat geval het leven zelf zinloos zou zijn en iets dat op zichzelf zinloos is, kan onmogelijk door voortzetting aan betekenis winnen. Maar deze rabbijn werd door zijn orthodox-joodse zienswijze tot wanhoop gebracht bij de gedachte dat hij geen zoon zou hebben die na zijn dood de Kaddish6 voor hem zou zeggen. Ik gaf de moed echter niet op. In een laatste poging hem te helpen, vroeg ik hem, of hij niet hoopte zijn kinderen in het hiernamaals weer te zien. Maar bij deze vraag barste hij in tranen uit en nu bleek ook de werkelijke reden van zijn wanhoop. Hij zei dat zijn kinderen, die als onschuldige martelaren? waren gestorven, thans de hoogste plaats in de hemel innamen. Maar hij, oude zondaar, mocht niet verwachten dat hem eveneens een dergelijke verheven plaats zou worden toegewezen. Koppig vervolgde ik echter: ‘Is het niet mogelijk, rabbi, dat hierin nu juist de betekenis schuilt van het feit dat u uw kinderen heeft overleefd? Deze jaren van lijden kunnen u zuiveren van uw zonden, en zo zult u dus, hoewel u niet onschuldig bent zoals uw kinderen waren, eenzelfde plaats in de hemel waardig kunnen worden. Staat niet in de psalmen geschreven dat God al uw tranen bewaart8 Uw lijden is dus wellicht niet zinloos geweest.’ Het was mij gelukt hem een nieuw gezichtspunt te geven en voor het eerst in vele jaren drukte zijn lijden hem minder zwaar.


De vergankelijkheid van het leven
Niet alleen verdriet en lijden, maar ook sterven en dood doen het leven soms zinloos schijnen. Ik stel echter nadrukkelijk dat slechts mogelijkheden werkelijk vergankelijke levensaspecten zijn. Op het moment dat deze echter worden verwezenlijkt, zijn het realiteiten geworden. Want niets uit het verleden is onherroepelijk verloren, integendeel, alles blijft onherroepelijk bestaan.
De vergankelijkheid van ons bestaan maakt het leven dus geenszins zinloos, maar stelt ons verantwoordelijk, want alles is gebaseerd op het feit dat wij onze, in wezen vergankelijke, mogelijkheden zullen realiseren. De mens kiest voortdurend uit een heel scala van mogelijkheden. Welke mogelijkheden zullen gedoemd zijn nooit te bestaan en welke zullen worden gerealiseerd? Welke keuze heeft een verwezenlijkte mogelijkheid voor altijd tot een onsterfelijk ‘voetspoor in het zand des tijds’ gemaakt? Ieder ogenblik moet de mens besluiten, in voor- en tegenspoed, hoe het monument van zijn leven zal zijn.
Meestal is de mens zich slechts bewust van de vergankelijkheid en vergeet hij het verleden, waarin al zijn daden, zijn vreugden en ook zijn lijden zijn opgeslagen. Niets wordt te niet gedaan, niets wordt uitgewist. Ik zou haast willen zeggen dat geweest zijn, de zekerste zijnswijze is.
De logotherapie, die de essentiële vergankelijkheid van het leven erkent, is niet pessimistisch maar activistisch. Om deze uitspraak nader te verklaren zouden wij kunnen zeggen: Een pessimist is een mens, die met angst en weemoed ziet hoe zijn dagkalender, waarvan hij dagelijks een blad scheurt, steeds dunner wordt. Maar de mens die de problemen van het leven actief het hoofd biedt, zal op de achterzijde van ieder afgescheurd kalenderblad enige dagboekaantekeningen maken, alvorens het zorgvuldig op te bergen bij de voorgaande. Trots en blij zal hij terugzien op de schat van ervaringen, die in deze aantekeningen zijn vastgelegd, op het volle rijke leven dat hij heeft geleefd. Hij merkt wel dat hij ouder wordt, maar zou hij daarom treuren? Heeft hij reden om jaloers te zijn op jonge mensen, of om weemoedig terug te denken aan zijn eigen vervlogen jeugd? Waarom zou hij een jong mens moeten benijden? Om de mogelijkheden die een jong mens heeft, de toekomst die hem wacht? ‘Nee, dank je wel,’ zal hij denken. ‘In plaats van mogelijkheden heb ik realiteiten in mijn verleden, niet alleen de realiteit van het werk dat ik heb verricht en liefde die ik heb beleefd, maar tevens van het leed dat ik heb geleden,’

mystiek


De logotherapie als methode
Een reële angst, zoals doodsangst, kan niet worden weggenomen door een psychodynamische interpretatie. Van de andere kant kan een neurotische angst, zoals bijvoorbeeld pleinvrees, niet worden genezen door middel van filosofisch begrip. De logotherapie heeft echter eveneens voor dergelijke gevallen een speciale methode ontwikkeld. Om te kunnen begrijpen, wat er precies gebeurt bij de toepassing van deze methode, zullen wij uitgaan van een conditie die dikwijls voorkomt bij neurotische personen, namelijk anticiperende angst. Het is kenmerkend dat deze angst juist veroorzaakt hetgeen de patiënt vreest. Iemand die bijvoorbeeld vreest te zullen blozen, wanneer hij een zaal vol mensen betreedt, zal inderdaad blozen. In dit verband zou men als variant op de uitdrukking ‘de wens is de vader van de gedachte’, kunnen zeggen ‘de angst is de moeder van het gebeuren’.
Op dezelfde wijze echter als angst juist veroorzaakt wat men vreest, maakt een gedwongen voornemen iets dat men vurig wenst onmogelijk. Deze extreme, of ‘hyper-intentie’, doet zich met name veelvuldig voor bij de seksuele neurose. Hoe meer een man zijn viriliteit wenst te demonstreren, of een vrouw haar vermogen een orgasme te bereiken, des te moeilijker zullen zij hierin slagen. Lust is en blijft een nevenverschijnsel, een bijproduct, dat vernietigt en bedorven wordt, zodra het tot doel wordt gesteld.
Behalve extreme voornemens, zoals hierboven beschreven, kan extreme aandacht, of ‘hyper-reflectie’ zoals men dit in de logotherapie noemt, eveneens pathogenisch zijn. Het volgende klinische rapport zal mijn bedoeling waarschijnlijk kunnen verduidelijken. Een jonge vrouw vertelde mij dat ze frigide was. Uit haar anamnese bleek dat zij in haar jeugd door haar vader seksueel was misbruikt. Het was echter niet deze traumatische ervaring zelf, die de seksuele neurose had veroorzaakt. Dit kwam weldra aan het licht, toen bleek dat deze patiënte door het lezen van populaire psychoanalytische lectuur, voortdurend in angstige spanning wachtte op de vreselijke gevolgen die deze traumatische ervaring eens voor haar zou hebben. Deze anticiperende angst resulteerde zowel in het extreme voornemen haar vrouwelijkheid te bewijzen, als in een extreme aandacht voor zichzelf in plaats van haar seksuele partner. Dit was voldoende om deze patiënte de topervaring van de seksuele lust te onthouden, aangezien in dit geval het orgasme tot object van aandacht en voornemen werd gemaakt en dus onmogelijk het spontane effect van de aandacht voor de seksuele partner kon zijn. Nadat zij korte tijd in logotherapie was geweest, waren haar extreme aandacht en haar extreme voornemen ‘gedereflecteerd’, zoals men dit in de logotherapie noemt. Toen haar aandacht wederom op haar seksuele partner was gericht, was er geen sprake meer van enige frigiditeit.9
De logotherapie baseert haar methode, de ‘paradoxale intentie’, op het tweeledige feit dat angst juist het gevreesde veroorzaakt en dat hyperintentie het gewenste uitsluit. Bij deze benadering wordt de fobische patiënt verzocht zich het gevreesde voor te nemen, ook al is het maar een enkel ogenblik.
Ik herinner mij het volgende geval. Een jonge arts raadpleegde mij vanwege zijn angst voor transpireren. Telkens als hij vreesde te transpireren, veroorzaakte deze anticiperende angst een zweetuitbarsting. Om deze cirkelformatie te doorbreken, adviseerde ik de patiënt, zodra hij een zweetuitbarsting kreeg, zich bewust voor te nemen de mensen te tonen hoe geweldig hij kon transpireren. Een week later vertelde hij mij dat hij, wanneer hij iemand ontmoette die zijn anticiperende angst opwekte, bij zichzelf zei: ‘De vorige keer heb ik maar een halve liter gezweten, maar nu zal ik minstens drie liter zweten!’ Hij had vier jaar onder deze fobie geleden, maar thans was hij, na één logotherapeutische behandeling, in staat zich binnen een week voorgoed daarvan te ontdoen.
De lezer zal hebben opgemerkt dat deze procedure bestaat uit het zodanig omkeren van de houding van de patiënt, dat zijn angst wordt vervangen door een paradoxale wens. Op deze wijze wordt de angst ontzenuwd.
Een dergelijke procedure moet zich echter kunnen bedienen van de specifiek menselijke gave tot relativering, die inherent is aan gevoel voor humor. Deze elementaire gave – relativering van de eigen persoon – wordt steeds verwezenlijkt wanneer de logotherapeutische methode, ‘paradoxale intentie’ wordt toegepast. Gelijktijdig wordt de patiënt in staat gesteld afstand te nemen van zijn eigen neurose. In het boek van Gordon W. Allport, The Individual and His Religion (New York: The Macmillan Co., 1956) treft men op pag. 92 een overeenkomstige uitspraak aan: ‘De neuroticus die geleerd heeft zichzelf uit te lachen is wellicht op weg naar zelfbeheersing, zelfs naar genezing.’ Paradoxale intentie is de empirische validatie en de klinische toepassing van Allports uitspraak.
Enkele voorbeelden uit de praktijk zullen deze methode wellicht nog kunnen verduidelijken. De volgende patiënt van beroep boekhouder was reeds door vele doctoren in diverse klinieken behandeld, echte zonder therapeutisch succes. Toen hij in mijn kliniek kwam verkeerd hij in een staat van uiterste wanhoop en gaf toe dat hij speelde met de gedachte aan zelfmoord. Hij leed reeds enkele jaren aan schrijfkrampen en dreigde zijn betrekking te verliezen. Onmiddellijke kortstondige therapie was dus het enige middel dat verbetering zou kunnen brengen in zijn situatie. Bij de aanvang van de behandeling adviseerde mijn assistent de patiënt, precies het tegenovergestelde te doen van hetgeen hij normaliter deed, namelijk, zo slordig mogelijk, in plaats van zo regelmatig en leesbaar mogelijk te schrijven. Hij kreeg de raad zichzelf voor te houden: ‘Nu zal ik ze eens tonen wat een krabbelaar ik ben!’ en op het ogenblik dat hij bewust slordig probeerde te schrijven, lukte hem dat niet, ‘ik trachtte te krabbelen, maar ik kon het eenvoudig niet,’ vertelde hij de volgende dag. Binnen achtenveertig uur werd de patiënt op deze wijze genezen van zijn schrijfkramp en ook gedurende de observatie­ periode, na zijn behandeling, keerde deze niet terug. Hij is thans weer een gelukkig mens, die normaal zijn werk kan verrichten.
Mijn collega van de laryngologische afdeling van het Poliklinisch Ziekenhuis, vertelde mij van een soortgelijk geval op het terrein van het spraakvermogen. Het betrof het ergste geval van stotteren, dat hij in zijn lange praktijkjaren had ontmoet. Voor zover deze stotteraar zich kon herinneren, had hij slechts eenmaal in zijn leven normaal kunnen spreken. Dat overkwam hem op twaalfjarige leeftijd, toen hij in de tram reed, zonder kaartje te hebben gekocht. Toen de conducteur dat ont­dekte, trachtte de jongen een boete te ontlopen door het medelijden van de man op te wekken. Hij wilde hem tonen dat hij maar een arme stotterende jongen was. Maar op het ogenblik dat hij bewust trachtte te stotteren, slaagde hij daar niet in. Onbewust had hij de paradoxale intentie­ methode toegepast, evenwel niet voor therapeutische doeleinden.
Deze voorstelling van zaken mag echter niet de indruk wekken dat paradoxale intentie uitsluitend doeltreffend is bij monosymptomatische gevallen. Mijn medewerkers in het Poliklinisch Ziekenhuis te Wenen, zijn er zelfs in geslaagd, middels toepassing van deze logotherapeutische methode, hulp te bieden aan ernstige en langdurige gevallen van dwangneurose. Ik denk bijvoorbeeld aan een vijfenzestigjarige vrouw, die reeds zestig jaar leed aan een dermate ernstige vorm van dwangneurose, dat ik meende haar slechts via een lobotomie enige verlichting te kunnen schenken. Mijn medewerker paste echter een logotherapeutische behandeling toe, door middel van paradoxale intentie en twee maanden later kon deze patiënte weer een normaal leven leiden. Voordat zij in de kliniek werd opgenomen, had zij mij bekend dat het leven haar een hel toescheen. Gehandicapt door haar dwangmatigheid en haar bacteriologische obsessie, kon zij tenslotte het werk in huis niet langer verrichten en bleef de hele dag in bed liggen. Het zou onjuist zijn te beweren dat zij thans geen neurotische symptomen meer vertoont, want soms krijgt zij nog dwangmatige denkbeelden. Zij is echter in staat zichzelf ‘uit te lachen’, zoals zij zelf zegt, met andere woorden, om paradoxale intentie toe te passen.
Paradoxale intentie kan eveneens met succes worden toegepast op gevallen van slapeloosheid. Angst voor slapeloosheid10 resulteert in een hyper-intentie tot slapen, die het de patiënt juist onmogelijk maakt om in te slapen. Om deze angst te overwinnen, adviseer ik de patiënt meestal, niet te proberen om te slapen, maar integendeel te trachten zo lang mogelijk wakker te blijven. Met andere woorden, de hyper-intentie tot slapen, voortvloeiend uit de anticiperende angst dat men hierin niet zal slagen, dient te worden vervangen door de paradoxale intentie om wakker te blijven, die weldra zal worden gevolgd door de slaap.
Paradoxale intentie is een zeer effectieve methode bij de behandeling van dwangneurosen en fobieën, met name wanneer anticiperende angst de grondslag vormt van deze stoornissen. Bovendien is de therapeutische behandeling van korte duur. Hieruit dient men echter niet te concluderen dat een dergelijke kortstondige therapie ook zal resulteren in een eveneens kortstondig therapeutisch effect. Een van de ‘triviale illusies van de Freudiaanse orthodoxie’, en ik citeer wijlen Emil A. Gutheil,11 ‘is dat de duurzaamheid van het resultaat overeenstemt met de lengte van de therapie’. In mijn archief bevindt zich de anamnese van een patiënt die meer dan twintig jaar geleden behandeld werd volgens de paradoxale intentiemethode, het therapeutisch effect van deze behandeling bleek echter permanent te zijn.
Het is zeer opmerkelijk dat paradoxale intentie doeltreffend is, ongeacht de aetiologische basis van het geval in kwestie. Dit stemt overeen met de volgende verklaring van Edith Weisskopf-Joelson:12 ‘Hoewel de traditionele psychotherapie steeds heeft gesteld, dat therapeutische behandelingen dienen te worden afgestemd op aetiologische bevindingen, is het mogelijk dat bepaalde factoren een neurose veroorzaken in de kinderjaren, die door geheel andere factoren in de volwassenheid wordt genezen.’
Complexen, conflicten, trauma’s enz., die zo dikwijls worden beschouwd als de oorzaken van neurosen, zijn dikwijls niet meer dan neurotische symptomen. Een zandbank die bij eb zichtbaar wordt, is bepaald niet de oorzaak van het lage getij, maar het lage getij is de oorzaak van het feit dat de zandbank zichtbaar wordt. En wat zou melancholie anders zijn dan een emotioneel laag getij? Evenzo zijn schuldgevoelens die zo duidelijk op de voorgrond treden bij ‘endogene depressies’ (niet te verwarren met neurotische depressies!) niet de oorzaak van dergelijke depressies. Het tegendeel is waar, aangezien dit emotioneel lage getij dergelijke schuldgevoelens aan de oppervlakte van het bewustzijn doet verschijnen, het brengt deze slechts naar voren. Afgezien van constitutionele factoren, hetzij van somatische, hetzij van psychische aard, schijnen terugkoppelingsmechanismen zoals anticiperende angst, tot de belangrijkste pathogenische factoren te behoren die neurosen kunnen veroorzaken. Naar aanleiding van een bepaald symptoom ontstaat een fobie, de fobie activeert het symptoom en het symptoom versterkt op zijn beurt de fobie. Een soortgelijke kettingreactie doet zich voor bij gevallen van dwangneurosen, waar de patiënt worstelt met de denkbeelden die hem achtervolgen13 Hierdoor versterkt hij echter hun kracht, aangezien druk een verhoogde tegendruk uitlokt. Wederom is versterking het symptoom! Wanneer de patiënt zijn obsessies echter niet langer bestrijdt, maar ze ridiculiseert via een sarcastische benadering, middels toepassing van paradoxale intentie, wordt de vicieuze cirkel doorbroken, de symptomen nemen af en verdwijnen tenslotte. In het gunstige geval waar een existentieel vacuüm ontbreekt, zal de patiënt er niet alleen in slagen te spotten met zijn neurotische angst, maar deze uiteindelijk geheel kunnen negeren.
Zoals wij hebben gezien, moet anticiperende angst worden bestreden door middel van paradoxale intentie, hyper-intentie en hyper-reflectie via de dereflectie. De reflectie is echter uitsluitend mogelijk middels reoriëntatie van de patiënt op zijn specifieke roeping en levenstaak.14 Betrokkenheid, niet zelfbetrokkenheid, kan de vicieuze cirkel doorbreken en de neuroticus genezen!


De collectieve neurose
Ieder tijdperk heeft zijn eigen collectieve neurose en ieder tijdperk heeft behoefte aan een eigen therapie om deze te bestrijden. De massa-neurose van deze tijd, het existentiële vacuüm, zou men een persoonlijke vorm van nihilisme kunnen noemen, want nihilisme is de bewering dat het leven zinloos is. De psychotherapie zal deze stand van zaken echter nooit massaal kunnen beheersen, als zij niet buiten de invloedsfeer blijft van de nihilistische filosofie. Wanneer dit niet het geval is, zal zij eerder een symptoom van de massaneurose zijn, dan een potentiële geneesmethode. De psychotherapie zou in dat geval niet alleen een nihilistische filosofie weergeven, maar eveneens, zij het onbewust en ongewild, een karikatuur in plaats van een reëel beeld van de mens.
Allereerst schuilt er gevaar in de stellingname ‘de-mens-is-slechts’, de theorie dat de mens slechts het resultaat is van biologische, psychologische en sociologische voorwaarden, of het produkt van erfelijkheid en milieu. Een dergelijke opvatting maakt de mens tot een robot in plaats van een menselijk wezen. Dit neurotische fatalisme wordt aangewakkerd en versterkt door een psychotherapie die de vrije wil van de mens ontkent.
Natuurlijk is de mens eindig en zijn vrijheid beperkt. Hij is niet vrij van voorwaarden, maar hij is vrij een eigen standpunt in te nemen ten opzichte van deze voorwaarden. Zoals ik eens heb gezegd (‘Waardedimensies in het Onderricht’, een televisiefilm in kleur, uitgebracht door Hollywood Animators, Inc., voor de California Junior College Association): als professor op twee terreinen, de neurologie en de psychiatrie, realiseer ik mij volkomen in hoeverre de mens is onderworpen aan biologische, psychologische en sociologische voorwaarden. Maar behalve professor op twee terreinen, ben ik eveneens overlevende van vier concentratiekampen en in die hoedanigheid heb ik tevens kunnen constateren tot op welke ongekende hoogte de mens in staat is het hoofd te bieden aan de allerergste voorwaarden.


Kritiek op het pan-determinisme
Men heeft de psychoanalyse dikwijls beschuldigd van panseksualiteit. Ik betwijfel of dit verwijt ooit terecht is geweest. Er bestaat echter een opinie die naar mijn mening veel onjuister en gevaarlijker is, namelijk het ‘pan-determinisme’. Hiermede bedoel ik de opvatting omtrent de mens, die geen rekening houdt met het menselijk vermogen een eigen houding te kiezen ten opzichte van iedere conditie. De mens is niet geheel en al geconditioneerd en gedetermineerd, maar bepaalt zelf of hij zich onderwerpt of het hoofd biedt aan bepaalde condities. Met andere woorden — de mens is uiteindelijk vrij en onafhankelijk. Het is niet waar dat de mens eenvoudig bestaat, hij beslist voortdurend zelf, van minuut tot minuut, hoe zijn leven zal zijn, wat hij zal worden.
Evenzo staat het ieder mens vrij, op ieder gewenst moment te veranderen. Daarom kunnen wij zijn toekomst slechts voorspellen binnen het ruime kader van een statistisch groepsoverzicht, de individuele persoonlijkheid blijft echter in wezen onvoorspelbaar. De basis voor enige voorspelling wordt gevormd door biologische, psychologische en sociologische voorwaarden. Een van de belangrijkste kenmerken van de mens is echter zijn vermogen zich boven dergelijke voorwaarden te verheffen en ze te transcenderen. Op dezelfde wijze zal de mens uiteindelijk zichzelf transcenderen — de mens bezit het vermogen tot zelftranscendentie. Het geval van Dr. J. zal dit wellicht duidelijk aantonen. Hij was de enige mij bekende mens, die ik een satanische figuur zou willen noemen. Hij werd in die tijd ‘de massamoordenaar van Steinhof) genoemd (Steinhof is de naam van het grote psychiatrische ziekenhuis in Wenen). Toen de Nazi’s hun euthanasieprogramma doorvoerden, kreeg hij de leiding en hij deed zijn werk met zulk een fanatieke overgave, dat hij trachtte geen enkele psychotische patiënt aan de gaskamer te laten ontkomen. Toen ik na de oorlog terugkeerde in Wenen (aangezien ikzelf aan de gaskamer in Auschwitz was ontsnapt), informeerde ik wat er was geworden van Dr. J. ‘Hij was door de Russen opgesloten in een isoleercel in Steinhof’, werd mij verteld. ‘Maar de volgende dag stond de deur van zijn cel open en Dr. J. was sedertdien spoorloos.’ Later verkeerde ik in de veronderstelling dat hij, evenals vele anderen, met hulp van vrienden zijn weg naar Zuid-Amerika had gevonden. Maar op een dag werd ik geraadpleegd door een voormalig Oostenrijks diplomaat, die lange jaren in gevangenschap had doorgebracht achter het ijzeren gordijn, eerst in Siberië en vervolgens in de beruchte Ljubljanka gevangenis te Moskou. Terwijl ik hem aan een neurologisch onderzoek onderwierp, vroeg hij mij eensklaps of ik Dr. J. toevallig kende. Ik antwoordde bevestigend en hij vervolgde: ‘Ik heb hem in Ljubljanka leren kennen. Hij is daar, op ongeveer veertigjarige leeftijd gestorven aan blaaskanker. Maar tot aan zijn dood is hij de beste kameraad geweest die men zich maar kan voorstellen! Hij was alle gevangenen tot troost. Hij stond op een zeer hoog moreel niveau. Hij is de beste vriend geweest, die ik in al die lange jaren van gevangenschap heb gehad!’
Dit is het verhaal van Dr. J. ‘de massamoordenaar van Steinhof’. Hoe zou men dan het gedrag van een mens durven voorspellen! Men kan de bewegingen van een machine, van een automaat voorspellen, men zou desnoods nog kunnen trachten de mechanismen of het ‘dynamisme’ van de menselijke psyche te voorspellen. Maar de mens is meer dan uitsluitend psyche.
Pan-determinisme is blijkbaar een besmettelijke ziekte waarmee opvoeders zijn ingeënt. Dit geldt zelfs voor velen die een godsdienst belijden en die zich blijkbaar niet realiseren dat zij op deze wijze de grondslag van hun eigen overtuigingen ondermijnen. Want indien men de vrije bepaling van de mens, vóór of tegen God, vóór of tegen de medemens, niet erkent, wordt God een begoocheling en opvoeding een illusie. Voor beide overtuigingen is vrijheid voorondersteld, anders zijn beide misvattingen.
Vrijheid is echter niet het enig zaligmakende. Vrijheid is slechts de helft van het verhaal, de helft van de waarheid. Vrijheid is in feite niet meer dan het negatieve aspect van het totale verschijnsel. Verantwoordelijkheid is het positieve aspect. Vrijheid dreigt zelfs te degenereren tot willekeur, wanneer zij niet ten nauwste verbonden blijft met verantwoordelijkheid.

mystiek


Het psychiatrisch credo
Niets vermag de mens dusdanig te conditioneren, dat hem niet de geringste vrijheid overblijft. Zelfs in de greep van een neurose of psychose beschikt de mens nog steeds over een laatste rest vrijheid. De diepste kern van de persoonlijkheid wordt door een psychose zelfs niet aangetast. Ik denk in dit verband aan een man van een jaar of zestig, die bij mij werd gebracht van wege zijn auditieve hallucinaties, waaraan hij reeds vele tientallen jaren leed. Het bleek dat iedereen in zijn omgeving hem voor een idioot hield. Maar welk een merkwaardige charme ging er van deze mens uit! In zijn jeugd had hij priester willen worden. Hij had zich echter moeten tevredenstellen met de enige vreugde, die hij kon beleven — zondags zingen in het kerkkoor. Zijn zuster die hem begeleidde, verklaarde dat hij soms zeer opgewonden raakte, maar op het laatste ogenblik wist hij zich steeds weer te beheersen. Ik kreeg belangstelling voor de psychodynamiek van dit geval, want ik meende dat de patiënt sterk gefixeerd was op zijn zuster. Ik vroeg hem dus, hoe hij erin slaagde zijn zelfbeheersing te herwinnen. ‘Voor wie doet u dat?’ Enkele seconden bleef het stil, toen antwoordde de patiënt: ‘Voor God.’ Op dat ogenblik werd de diepte van zijn persoonlijkheid zichtbaar en op de bodem van die diepte leefde, ongeacht zijn geringe intellectuele gaven, een authentiek geloof.
Een ongeneeslijk psychotisch mens verliest wellicht zijn bruikbaarheid, maar behoudt zijn menselijke waardigheid. Dat is mijn psychiatrisch credo. Zonder deze overtuiging zou ik het niet de moeite waard vinden psychiater te zijn. Voor wie? Uitsluitend terwille van de beschadigde hersenmachine, die niet hersteld kan worden? Wanneer de patiënt niet méér was dan dat, zou euthanasie gerechtvaardigd zijn.


Een gerehumaniseerde psychiatrie
Reeds al te lang, om exact te zijn reeds vijftig jaar, heeft de psychiatrie getracht de menselijke geest te interpreteren als een mechanisme, en bij gevolg de therapie van geestesziekten als een techniek. Ik meen dat deze tendens thans ten einde is gekomen. Thans beginnen zich aan de horizon de contouren af te tekenen van een gehumaniseerde psychiatrie, in plaats van een ‘verpsychologiseerde’ geneeskunde.
Een medicus die zichzelf nog steeds beschouwd als een technicus, zal echter moeten toegeven dat hij zijn patiënt beschouwt als een machine en geen aandacht heeft voor de mens die achter de ziekte schuilt!
Een mens is niet een ding tussen andere dingen, dingen bepalen elkaar maar de mens bepaalt uiteindelijk zichzelf. Wat hij wordt — binnen de grenzen van begaafdheid en milieu — heeft hij van zichzelf gemaakt. In de concentratiekampen bijvoorbeeld, in deze levende laboratoria en testlokalen, hebben wij kunnen waarnemen dat sommige van onze kameraden zich gedroegen als zwijnen en anderen als heiligen. De mens draagt beide mogelijkheden in zich, welke van deze beide wordt verwezenlijkt is afhankelijk van zijn besluit, maar niet van zijn levensvoorwaarden.
Onze generatie is realistisch, want wij hebben de mens leren kennen zoals hij wezenlijk is. Ten slotte is het de mens die de gaskamers van Auschwitz heeft uitgevonden, maar het is ook de mens die deze gaskamers waardig heeft betreden, met het Onze Vader of het Shema Yisrael op de lippen.

mystiek


NOTEN

  1. Het betreft hier de eerste versie van mijn boek, waarvan de Engelse vertaling in 1955 werd uitgegeven door Alfred A. Knopf, New York, onder de titel The Doctor and the Soul: An Introduction te Logotherapy.
  2. Magda B. Arnold en John Gasson, The Human Person, Ronald Press, New York, 1954, p. 618.
  3. Een verschijnsel dat optreedt ten gevolge van een primair verschijnsel.
  4. ‘Some Comments on a Viennese School of Psychiatry’, The Journal of Abnormal and Social Psychology, 51, 701-703, 1955.
  5. ‘Logotherapy and Existential Analysis’, Acta Psychotherap., 6, 193-204.
  6. Een gebed voor de doden
  7. Le Kiddoesj ha-Sjem, d.w.z. ter wille van de heiliging van Gods Naam.
  8. ‘Mijn omzwervingen hebt Gij te boek gesteld, doe mijn tranen in Uw kruik; zijn zij niet in Uw boek?’ (Ps. 56,9).
  9. Voor de behandeling van seksuele impotentie kent de logotherapie een specifieke methode, gebaseerd op de hier bechreven theorie van hyperintentie en hyper-reflectie (Viktor E. Frankl, ‘The Pleasure Principle and Sexual Neurosis’, The International Journal of Sexology, Vol. 5, nr. 3, pp. 128-130, 1952). Deze methode kan uiteraard niet uitgebreid worden behandeld in dit korte overzicht van de logotherapie.
  10. Meestal is de angst voor slapeloosheid te wijten aan de omstandigheid, dat de patiënt niet weet dat het organisme zichzelf, zonder hulp, voorziet van de minimum hoeveelheid noodzakelijke slaap.
  11. American Journal of Psychotherapy, 10:134, 1956
  12. ‘Some Comments on a Viennese School of Psychiatry’, The Journal of Abnormal and Social Psychology, 51, 701-703, 1955.
  13. Dit wordt dikwijls gemotiveerd door de vrees van de patiënt dat zijn obsessies tot een psychose zullen leiden. De patiënt realiseert zich echter niet, dat een dwangneurose hem juist beschermt tegen een formele psychose.
  14. Deze overtuiging wordt gedeeld door Allport, die eens verklaarde: ‘Naarmate het streven zich verplaatst van het conflict naar een onbaatzuchtig doel wordt de totaliteit van het leven gezonder, zelfs al verdwijnt de neurose zelf nooit geheel en al (loc. cit. p. 95).
    Pag. 159
    bron:
    Folkertsma Stichting voor Talmudica, Adam waar ben je? Hilversum 1983 (Folkertsma) pag, 132-159
mystiek
sacraal landschap 5e kruiswoord

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.