Geestelijk dagboek juli Thomas Merton

Thomas Merton, Wegen naar het paradijs. Een dagboek van wijsheid en geloof, 2001 (Lannoo/Ten Have)

1 juli
HAGIA SOPHIA

I.Dageraad. Het uur van de Lauden

Alle zichtbare dingen dragen een onzichtbare vruchtbaarheid in zich, een gedempt licht, een zachte naamloosheid, een verborgen heelheid. Deze mysterieuze eenheid en gaafheid is de wijsheid, de moeder van alles, natura naturans. In alle dingen leeft een oneindige tederheid en zuiverheid, een stilte die een bron is van handelen en vreugde. Zij borrelt op uit een woordenloze vriendelijkheid en stroomt naar mij toe uit de onzichtbare wortels van al wat geschapen is. Zij verwelkomt mij liefdevol en groet mij met een onbeschrijfelijke eenvoud. Dit is tegelijk mijn eigen bestaan, mijn eigen natuur en de gave in mij van de gedachte en de werking van de Schepper, sprekend als Hagia Sophia, als mijn zuster, de Wijsheid.

* HAGIA SOPHIA (Gr: ‘Heilige Wijsheid’) is een lang, meditatief prozagedicht over de Heilige Wijsheid, de ‘duistere, vrouwelijke kant van God’. Merton tracht het geheim van Gods aanwezigheid in de wereld te doorgronden, een aanwezigheid waarvoor de mens, die het zo druk heeft met zijn eigen gedachten en activiteiten, meestal blind blijft. In zijn meditatie benadrukt Merton echter het feit dat de wijsheid van God aanwezig is en in haar stilte zelfs ‘roept tot allen die het willen horen’. Merton heeft zich voor zijn gedicht vooral laten inspireren door het boek Spreuken, door de Engelse mystica Julian van Norwich (zie 13 mei}, die Jezus ‘Gods wijsheid’ en ‘onze Moeder’ noemde, en ook door Russisch-orthodoxe theologen als V. Lossky en Soloviev.
Het prozagedicht is geschreven op het ritme van het monastieke urengebed en onderverdeeld io vier secties: ‘Dageraad. Het uur van de Lauden’, ‘De vroege morgen. Het uur van de Primen’, ‘De late morgen. Het uur van de Terts’ en ‘Zonsondergang. Het uur van de Completen. Salve Regina’. Hoewel we de tekst in kortere stukjes hebben opgesplitst (van 1 juli tot I3 jul), hebben we deze oorspronkelijke opdeling telkens vermeld.
* * Lauden: het tweede der canonieke getijden, zo genoemd naar de lofpsalmen, waaruit het grotendeels is samengesteld. In de abdij Gethsemani begon de nachtwake (de Metten, gevolgd door de Lauden) om 3 uur ’s nachts.
*** Natrua naturans: de uit zichzelf werkende natuur, de natuur als scheppende kracht

2 juli
HAGIA SOPHIA
I. Dageraad. Het uur van de Lauden (vervolg)
Ik word gewekt, ik word opnieuw geboren wanneer ik de stem van mijn zuster hoor naar mij gezonden uit de diepten van de goddelijke vruchtbaarheid. Laten we even aannemen dat ik een man ben die in een ziekenhuis ligt te slapen. Ik ben inderdaad die man. Het is 2 juli, het feest van Onze-Lieve-Vrouw Visitatie. Een Feest van Wijsheid.
Om half zes ’s morgens lig ik te dromen in een heel rustige kamer als een zachte stem mij uit mijn droom wekt. Ik ben zoals alle mensen die ontwaken uit alle dromen die ooit werden gedroomd in alle nachten van de wereld. Het is als de ene Christus die wakker wordt in elk afzonderlijk zelf, dat afzonderlijk geïsoleerd en alleen is, in alle landen, waar ook ter wereld. Het is als alle geesten die terugkeren naar het bewustzijn uit de tegenstrijdigheid en de verwarring, om zich te verenigen in liefde. Het is als de eerste ochtend van de wereld (toen Adam voor het eerst uit het niet-zijn ontwaakte bij het horen van de zoete stem van de Wijsheid) en als de Laatste Ochtend van de wereld, wanneer alle fragmenten van Adam, op het woord van de Hagia Sophia, zullen opstaan uit de dood en weten waar zij aan toe zijn.
3 juli
HAGIA SOPHIA
I. Dageraad. Het uur van de Lauden (vervolg)
Zo is het ontwaken van een man, op een ochtend, in het ziekenhuis, bij het horen van de stem van een verpleegster. Het is een ontwaken uit de loomheid en de duisternis, uit de hulpeloosheid: Uit de slaap, terwijl hij op een nieuwe wijze de werkelijkheid aanschouwt en die als vriendelijkheid ervaart Het is als gewekt worden door Eva. Als gewekt worden door de gezegende Maagd. Het is als voortkomen uit het oorspronkelijke mets en verschijnen in het licht, in het paradijs. In de frisse hand van de verpleegster is de aanraking van alle leven, de aanraking van de Geest.
4 juli
HAGIA SOPHIA
I. Dageraad. Het uur van de Lauden (vervolg)
Zo roept de Wijsheid tot allen die willen horen (Sapientia clamitat in plateis)*, ze roept vooral de kleinen, de onwetenden en de hulpelozen. Wie is kleiner, wie is armer dan de hulpeloze die slaapt in zijn bed, zonder bewustzijn en zonder verdediging? Wie is meer vol vertrouwen dan hij die zich elke nacht weer aan de slaap moet toevertrouwen? Wat is de beloning voor zijn trouw? Tederheid treedt hem tegemoet als hij het meest hulpeloos is en wekt hem uit zijn slaap, verfrist hem, begint hem te helen. Liefde leidt hem bij de hand, opent voor hem de deuren van een nieuw leven, van een nieuwe dag.
(Maar hij die zichzelf verdedigde, die voor zichzelf vocht toen hij ziek was, die voor zichzelf plannen maakte, zichzelf bewaakte, alleen zichzelf beminde en de hele nacht bij zijn eigen leven de wacht hield, wordt ten slotte geveld door uit­ putting. Voor hem is er geen nieuwheid. Alles is oud en taai.) Als de hulpeloze fris ontwaakt bij het horen van de stem van de genade, is het alsof het leven, zijn zuster, alsof de Gezegende Maagd zijn eigen vlees, zijn eigen zuster), alsof de natuur, wijs geworden door Gods werk en Gods menswording, over hem waakte en hem met een onuitsprekelijke tederheid uitnodigde om te ontwaken en te leven. Dit is wat het bete­ kent de Hagia Sophia te herkennen.
* Sapientia clamitat in plateis: de wijsheid roept luidkeels, buiten op straat, en zij verheft haar stem op de pleinen (Spr. 1 :20).
5 juli
HAGIA SOPHIA
II. De vroege morgen. Het uur van de Primen *
0 gezegende stilte, die overal spreekt! Wij horen haar niet, de zachte stem, de vriendelijke stem genadevol en vrouwelijk. ‘ Wij horen de genade niet. De buigzame liefde, of de geweldloosheid, of het met vergelden horen wij niet. In haar zijn geen redenen en geen antwoorden. Toch is zij de openhartigheid van Gods licht, de uitdrukking van Zijn eenvoud. Wij horen niet de nimmer klagende vergiffenis die het onschuldige gelaat van de bloemen naar de bedauwde aarde doet buigen. Wij zien het Kind niet dat gevangen is in alle mensen en dat niets zegt. Zij glimlacht want al hebben ze haar gebonden, zij kan geen gevangene zijn. Niet dat zij sterk is, of slim: zij weet niet wat gevangenschap is.
* Primen: het eerste van de zogenaamde ‘kleine uren’ in het breviergebed volgens Van Dale. In Gethsemani werd het om 5.30 uur ’s morgens gebeden.

6 juli
HAGIA SOPHIA
II. De vroege morgen. Het uur van dePrimen (vervolg)
De hulpeloze, overgelaten aan de zoete slaap, hem zal de zachtaardige wekken: Sophia. Al wat zoet is in haar tederheid zal hem toespreken, van alle kanten en in alles, zonder ophouden, en hij zal nooit meer dezelfde zijn. Hij zal ontwaakt zijn, niet voor de verovering en het duister genot, naar voor de smetteloze zuivere eenvoud van één bewustzijn in alles en door alles: één Wijsheid, één Kind, één Betekenis, één Zuster.
De sterren verheugen zich, elk vanaf zijn eigen plaats, over het opgaan van de Zon. De hemellichten verheugen zich in die ene 1nan die er ’s morgens op uit trekt om een nieuwe wereld te maken, omdat hij vanuit de verwarde, oerduistere nacht tot bewustzijn kwam. Hij heeft de klare stilte van Sophia in zijn eigen hart gezegd. Hij is eeuwig geworden.
7 juli
HAGIA SOPHIA
III. de late morgen. Het uur van de Terts*

De Zon brandt aan de hemel als het gelaat van God, maar wij weten dat Zijn gelaatsuitdrukking niet wreed is. Het licht van de Zon wordt verspreid in de lucht en het licht van God wordt verspreid door Hagia Sophia.
De Verblindende in de zwarte duisternis zien wij niet. Hij spreekt ons zacht toe in tienduizenden dingen, waarin Zijn licht één volheid en één Wijsheid is. Zo schijnt Hij niet op hen maar vanuit hen. Zo is de liefdevolle vriendelijkheid van de wijsheid.
Alle volmaakte vormen van de geschapen dingen zijn ook in God: en daarom is Hij tegelijk Vader en Moeder. Als Vader is Hij eenzaam machtig, door duisternis omringd. Als Moeder wordt Zijn schittering verspreid. Zijn glans omhelst al zijn schepselen met genadevolle tederheid en licht. De verspreide schittering van God is Hagia Sophia. Wij noemen haar Zijn ‘heerlijkheid’. In Sophia wordt Zijn macht enkel ervaren als genade en als liefde.
(Toen de reclusen van het veertiende-eeuwse Engeland hun kerkklokken hoorden en naar buiten keken over de kale heu vels en moerassen onder de vriendelijke lucht, spraken zij in hun hart tot ‘Jezus, onze Moeder’. Het was Sophia die in hun kinderlijk hart was ontwaakt.)
* Terts: het tweede van de vier kleine uren van het brevier­ gebed. Oorspronkelijk op het derde uur van de dag gebeden, volgens Van Dale. In Gethsemani werd het om 7·45 uur ’s morgens gebeden.
8 juli
HAGIA SOPHIA
III. De late morgen. Het uur van de Terts (vervolg)
Misschien is Sophia, in een zeer primitief opzicht, de onbekende, de duistere, de naamloze Ousia. Misschien is zij zelfs de goddelijke natuur, één in Vader, Zoon en Heilige Geest. En misschien is zij onopvallend in het eindeloze licht en wacht zij er zelfs niet op als licht gekend te worden. Dat weet ik niet. Uit de stilte wordt het licht gesproken. Wij horen of zien het niet tot het gesproken wordt.
In het naamloze begin, zonder begin, was het licht. Wij hebben dit begin niet gezien. Ik weet niet waar zij is, in dit begin. Ik spreek niet van haar als een begin, maar als een verschijning, een openbaring.
Nu komt de Wijsheid van God, Sophia, naar voren, ‘machtig reikend van einde tot einde’. Zij wil ook het ongeziene draaipunt zijn van de hele natuur, het middelpunt en de betekenis van al het licht dat in alles en voor alles is. Dat wat het armste en nederigste is, dat wat het meest verborgen is in alle dingen is niettemin het opvallendst, het duidelijkst aanwezig in hen, want het is hun eigen zelf dat voor ons staat, naakt en onbezorgd.
* Ousia: aard, wezen, werkelijkheid (Bartelink, GrieksNederlands woordenboek, uitgegeven door Het Spectrum).
9 juli
HAGIA SOPHIA
III. De late morgen. Het uur van de Terts (vervolg) Sophia, het vrouwelijke kind, speelt in de wereld, opvallend en ongezien, speelt altijd voor het aanschijn van de Schepper. Zij vindt haar vreugde bij de kinderen van de mensen, zij is hun zuster. De kern van het leven die in alle dingen bestaat, is tederheid, genade, maagdelijkheid, het licht, het leven beschouwd als passief, als ontvangen, als gegeven, als genomen, als onuitputtelijk hernieuwd door de gave van God. Sophia is gave, is geest, Donurn Dei. Zij is door God gegeven en zij is God zelf als gave. God als alles, en God herleid tot niets: onuitputtelijk niets-zijn. Exinanivit semetipsum. Nederigheid als bron van nooit ontbrekend licht. Hagia Sophia in alle dingen is het goddelijke leven, weerspiegeld in hen, als een spontane deelname, als hun uitnodiging op het bruiloftsfeest. Sophia is Gods delen van Zichzelf met alle schepselen. Zijn uitstromen, en de liefde waarmee Hij wordt gegeven en gekend, omhelsd en bemind.
* Zij vindt haar vreugde bij de kinderen van de mensen (Spr. 8:31).
* Exinanivit semetipsum: ‘Hij/zij heeft zichzelf leeggemaakt.’
10 juli
HAGIA SOPHIA
III. De late morgen. Het uur van de Terts (vervolg)
Zij is in alle dingen zoals de lucht die het zonlicht ontvangt. In haar bloeien zij. In haar verheerlijken zij God. In haar verheugen zij zich Hem te weerspiegelen. In haar zijn zij verenigd met Hem. Zij is de eenheid tussen hen. Zij is de liefde die hen verenigt. Zij is het leven als communio, het leven als dankzegging, het leven als lofprijzing, het leven als feest, het leven als heerlijkheid.
Omdat haar ontvangen volmaakt is, is er in haar geen smet. Zij is liefde zonder smet en dankbaarheid zonder zelfingenomenheid. Alle dingen loven haar door zichzelf te zijn en door te delen in het bruiloftsfeest. Zij is de bruid en het feest en de bruiloft.
11 juli
HAGIA SOPHIA
III. De late morgen. Het uur van de Terts (vervolg)
Het vrouwelijke principe in de wereld is de onuitputtelijke bron van de scheppende verwezenlijkingen van de heerlijkheid van de Vader. Het is Zijn openbaring in stralende schittering! Maar het blijft ongezien, door slechts enkelen in een glimp opgevangen. Soms is er helemaal niemand die het kent. Sophia is Gods genade in ons. Zij is de tederheid waarmee de oneindig mysterieuze kracht van de vergeving de duisternis van onze zonden omkeert naar het licht van de genade. Zij is de onuitputtelijke bron van vriendelijkheid, het lijkt wel of zij, in zichzelf, helemaal genade is. Zo verricht zij in ons een groter werk dan dat van de Schepping: het werk van het nieuw zijn in de genade, het werk van de vergiffenis, het werk van de omvorming van stralend licht naar stralend licht, tamquam a Domini Spiritu *. Zij is in ons het meegaande en tedere tegendeel van de macht, de gerechtigheid en het scheppende dynamisme van de Vader.
* Tamquam a Domini Spiritu: ‘Als het ware vanuit/ door de Geest van de Heer.’
12 juli
HAGIA SOPHIA
IV. Zonsondergang. Het uur van de Completen. Salve Regina •
Welnu, de Gezegende Maagd Maria is het enige geschapen wezen dat in haar leven belichaamt en verkondigt al wat in Sophia is verborgen. Daarom kunnen we zeggen dat zij de per­ soonlijke verschijning van de Sophia is, die voor God veeleer Ousia is dan Persoon.
Natura wordt in Maria zuivere Moeder. In haar is Natura zoals ze was sinds de oorsprong uit haar goddelijke geboorte. In Maria is Natura de alwijze en geopenbaard als een voorzichtige, alles beminnende, zuivere persoon: geen Schepper, geen Verlosser, maar een volmaakt Schepsel, een volmaakt
Verloste, de vrucht van heel Gods grote macht, de volmaakte uitdrukking van wijsheid in genade. Het is zij, het is Maria, Sophia, die in droefheid en vreugde, volledig bewust van wat ze aan het doen is, de tweede persoon, de Logos, kroont met de kroon van Zijn menselijke natuur. Zo opent haar instem1ning de deur van de geschapen natuur, van de tijd, van de geschiedenis, voor het Woord van God.
* Completen: liturgisch avondgebed, laatste der getijden van de dag volgens Van Dale. In alle cisterciënzer monasteria wordt dit officie besloten met de mooie Mariahymne ‘Salve Regina’. In Gethsemani werden de completen gebeden om 6,10 uur ’s avonds.
13 juli
HAGIA SOPHIA
IV. Zonsondergang. Het uur van de Completen. Salve Regina (slot)
God treedt Zijn schepping binnen. Dankzij haar wijze jawoord, haar gehoorzaam begrijpen, de zachte en vruchtbare instemming van de Sophia, treedt God zonder publiciteit binnen in de stad van hebzuchtige mensen. Zij kroont Hem niet met wat glorierijk is, maar wel met wat groter is dan glorie: het enige dat groter is dan glorie is zwakte, nietigheid, armoede. Zij zendt de oneindig Rijke en Machtige uit als een arme en hulpeloze, in Zijn zending van onuitsprekelijke genade, om voor ons te sterven aan het kruis. De schaduwen vallen. De sterren verschijnen. De vogels beginnen te slapen. De nacht omhelst de stille helft van de wereld. Een zwerver, een berooide doolaard met stoffige voeten, vindt zijn weg langs een nieuwe straat. Een thuisloze God verloren in de nacht, zonder papieren, zonder identificatiebewijs, zelfs zonder nummer, een frêle, waardeloze banneling ligt/ troosteloos verlaten, neer onder de zoete sterren van de wereld en vertrouwt zichzelf toe aan de slaap.
14 juli
MIJ ONTBREEKT NIETS
Af en toe herinner ik me met verbazing dat ik me tegelijkertijd leeg en vervuld voel en tevreden omdat ik leeg ben. Mij ontbreekt niets. De Heer leidt mij. Meer ter zake: het gebed dat zich naar God toe worstelt in duisternis, in beproeving droombeelden neerhalend.
15 juli
DE TAAK VAN DE EENZAME
Een eenzame te zijn maar geen individualist: niet slechts begaan met de vervolmaking van zijn eigen leven (wat, zoals Marx inzag, een onwelvoeglijke luxe is, overlopend van illusies). Je eenzaamheid behoort aan de wereld en aan God. Zijn dit slechts woorden?
De eenzaamheid heeft haar eigen speciale taak: een verdieping van het bewustzijn waaraan de wereld behoefte heeft. Een strijd tegen de vervreemding. De echte eenzaamheid is zich diep bewust van de behoeften van de wereld. Zij houdt de wereld niet op afstand.
16 juli
DEZE WERELD IS DE PLAATS WAAR DE LIEFDE OVERWINT
(Het probleem van de secularisatie van de geschiedenis). Confronteert de moderne christen met de algemeen verspreide bekoring van ‘een gnostische aftocht uit de geschiedenis’ of een regressieve eschatologie die de Heer eenvoudigweg smeekt meteen te komen om alles te veroordelen. ‘Alleen de radicale christen’, zegt Altizer (verwijzend naar Blake), ‘kan deze bekoring weerstaan door het geloof dat een totaal gevallen geschiedenis ten slotte een verlossende Epifanie van Christus is. Dit is een fascinerende zin. Maar wat betekent het precies? Niet de Parousia van de Rechter van boven en buiten de geschiedenis maar een immanente, dialectische aanvaarding en omkering van de ‘gevallen geschiedenis’ …
De omkering van de geschiedenis is geen verwerping van de geschiedenis ten voordele van iets wat totaal buiten de geschiedenis staat. De omkering komt van binnen de geschiedenis, in haar vaak verscheurende realiteit, geaccepteerd als de focus van het heil en de Epifanie. De wereld van Auschwitz, Vietnam en de bom moet niet worden vervloekt en verstoten als het privé-domein van de duivel. Juist deze wereld moet worden aanvaard als de plaats van de overwinning van de liefde niet door de veroordeling van het kwaad maar door de vergiffenis ervan. Als we de omvang van het kwaad onderkennen, is dit zeker geen gemakkelijke waarheid!
17 juli
TERUGKEREN NAAR DE VADER
Eén ding vooral is belangrijk: de ‘terugkeer naar de Vader’. De Zoon kwam in de wereld en stierf voor ons, verrees en steeg op naar de Vader. Hij zond ons zijn Geest opdat wij in Hem en met Hem naar de Vader zouden kunnen terugkeren. Opdat wij rein door al het vergankelijke en onbesliste heen zouden gaan: terugkeren naar de Oneindige, de Oorsprong, de Bron, de Ongekende, naar Hem die bemint en weet, naar de Zwijgende, de Barmhartige, de Heilige, naar Hem die het Al is. Iets anders zoeken, zich om iets anders bekommeren is slechts dwaasheid en zwakheid, want dit is de gehele betekenis en het hart van elk bestaan en daarin krijgen alle zorgen van het leven, alle behoeften van de wereld en van de mensen hun ware betekenis: alles wijst naar die ene, grote terugkeer naar de Bron.
18 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING – 1
De heuvels zijn blauw en heet. Diep in de vallei ligt een bruin, stoffig veld. Ik hoor een machine, een vogel, een klok. De wolken zijn hoog en enorm. Het onvermijdelijke straalvliegtuig scheurt erdoorheen, deze keer wellicht vol met passagiers van Miami naar Chicago. Welke passagiers? Daarover hoef ik mij niet uit te spreken. Ze maken geen deel uit van mijn wereld; hoog boven mij zitten ze druk doende in hun kleine, geïsoleerde, willekeurige salon die niet eens schijnt te bewegen en die hen op een onverklaarbare manier in Florida van de grond lichtte, hen nu een tijdje met tijdloze cocktails in de lucht houdt om hen daarna weer neer te laten in Illinois. De zwevende ‘ onderbreking van het moderne leven in een contemplatie die je ergens heen voert! Er zijn ook nog andere werelden boven mij. Andere straalvliegtuigen zullen overvliegen, met andere contemplaties en andere modaliteiten van aandacht.
19 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING – 2
Ik heb het SAC-vliegtuig, met de bom aan boord, laag over me heen zien vliegen en toen ik uit de bossen omhoogkeek, zag ik meteen de gesloten opslagruimte van de metalen vogel met het wetenschappelijke ei in zijn borst. Een schoot die zich gemakkelijk en mechanisch opent. Ik denk niet dat deze technologische moeder ooit vriendschap kan sluiten met iets van wat ik geloof. Toch leef ik, zoals iedereen, in de schaduw van deze apocalyptische cherubijn. Hij ziet onpersoonlijk op mij toe. Zijn nummer herkent mijn nummer. Bereiden die nummers zich erop voor eens samen te vallen in de welwillende geest van een computer? Dit gaat me niks aan want ik leef in de bossen om me eraan te herinneren dat ik zo vrij ben geen nummer te zijn. Je kunt immers nog altijd kiezen.
20 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING- 3
Ik besta onder de bomen, ik wandel in de bossen, uit noodzaak. Ik ben tegelijk een gevangene en een ontsnapte gevangene. Ik kan je niet uitleggen waarom mijn reis, die in Frankrijk begon, hier in Kentucky eindigt. Het maakt niets uit. Heb ik een ‘dag’? Breng ik mijn ‘dag’ door op ‘een of andere plek’? Ik weet dat hier bomen zijn. Ik weet dat hier vogels zijn. Ik ken de vogels eigenlijk heel goed want ze leven als herkenbare kop­ pels (telkens twee van vijftien tot twintig verschillende soorten) in de onmiddellijke omgeving van mijn hut. Ik deel deze specifieke plek met hen: we vormen een ecologisch evenwicht. Deze harmonie geeft het idee ‘plek’ een nieuwe inhoud.
Wat de kraaien betreft: die maken deel uit van een ander patroon. Ze zijn vraatzuchtig en eigengereid, als de mensen. Ze zijn niet met zijn tweeën, ze zijn met velen. Ze vechten met elkaar en met de andere vogels. Ze zijn in voortdurende staat van oorlog.
21 juli
DAG VAN EEN VREEMDELING – 4
Dit is geen kluis- het is een huis. (‘Wie was toch die kluis die ik gisteravond bij jou zag?’) Ik draag een doodgewone broek. Mijn voornaamste bezigheid bestaat erin te leven. Mijn gebed is ademhalen. Wie zei daar ‘zen’? Was je mond schoon als je
‘zen’ zei. Als je een meditatie voorbij ziet komen, schiet haar neer. Wie zei daar ‘liefde’? Liefde is iets voor in de film. Het geestelijke leven is iets waar mensen zich zorgen over n1aken wanneer ze het zo druk hebben met andere zaken, dat ze den­ ken dat ze eigenlijk geestelijk zouden moeten zijn. Het geestelijke leven is schuldgevoel. Hier in de bossen kun je het Nieuwe Testament zien; dat wil zeggen: de wind waait door de bomen en je ademt hem in. Heb je het begrepen? Ik nodig niemand uit het te proberen. Ik suggereer niet dat op een goede dag de boodschap komt om ‘nu’ te zeggen. Het zijn mijn zaken niet.
22 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING – 5
Ik sta op om kwart over twee in de ochtend, in het donkerste en stilste van de nacht. Dit is misschien te wijten aan een of andere aandoening. In de primordiale verlorenheid van de nacht vind ik mezelf, de eenzaamheid, het bos, vrede, een wakkere geest in de duisternis, wachtend op wat licht, niet helemaal verzoend met dit vroege ontwaken. Een licht verschijnt, en in het licht een icoon. Er is nu in die uitgestrekte duisternis een kleine, lichtende ruimte met psalmen erin. Stil en moeiteloos als planten groeien de psalmen in dit voor hen onontbeerlijke licht. De planten houden zich recht op hun stelen, die slechts één innerlijke samenhang hebben: mededogen, of liever: het grote mededogen. Magna misericordia. In de vormeloosheid van de nacht en de stilte spreekt een woord zichzelf uit: mededogen. Het is omringd door andere woorden van minder belang: ‘Vernietig ongerechtigheid’, ‘Was mij’ I Zuiver mij ‘Ik ken mijn ongerechtigheid’. Peccavi. Inhoudsloze, onbelangrijke begrippen voor de wereld van handel, oorlog, politiek, cultuur, enzovoort. Begrippen waarvoor ook mensen van de kerk zich vaak weinig interesseren.
23 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING – 6
Andere woorden: Bloed, Bedrog, Boosheid. De weg die niet deugt. De weg van het bloed, het bedrog, de boosheid, de oorlog. Buiten liggen zuidwaarts de heuvels in de duisternis. De weg over de heuvels is bloed, duisternis, bedrog, boosheid, dood: het rassengeweld in Birmingham, Mississippi. Nog dichterbij: de atoomstad (Oak Ridge, Tennessee), vanwaar elke dag een vrachtwagen vertrekt met splijtstof die zorgvuldig wordt opgeslagen naast het goud in de ondergrondse kelder die het hart van deze natie is. ‘Hun mond is als een geopend graf; hun tong wordt door leugens bewogen; hun hart is een gapende afgrond.’ Bloed, leugens, vuur, een geopend graf, een afgrond. Mededogen, het grote mededogen. De vogels ontwaken. Gauw wordt het dag. Over een uur of twee zullen de steden ontwaken en zullen de mensen opnieuw genieten van de brede, lichtende glimlach van productie en handel
24 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING- 7
Monniken zijn, zoals algemeen bekend , ongehuwd en van alle monniken zijn kluizenaars het meest ongehuwd. Niet dat ik iets tegen vrouwen heb. Ik zie geen reden waarom een man niet tegelijkertijd van God en van een vrouw zou kunnen houden. Als God jaloers zou worden op vrouwen, waarom heeft Hij ze dan überhaupt gemaakt? Er wordt veel gepraat over een gehuwde clerus. Interessant. Er werd tot dusver nog niet zoveel gezegd over gehuwde kluizenaars. Hoe dan ook, mijn huis hangt vol iconen van de Heilige Maagd.
Je zou kunnen zeggen dat ik besloten heb met de stilte van het bos te trouwen. De zachte, donkere warmte van de hele wereld zal mijn vrouw moeten zijn. Uit het hart van die duistere warmte komt het geheim dat alleen in de stilte te horen is, maar het is de wortel van alle geheimen die minnaars elkaar toefluisteren in hun bedden, overal ter wereld. Dus ben ik misschien wel verplicht de rust, de stilte, de armoede, het maagdelijke punt van zuiver niet-zijn dat de kern is van elke andere liefde te bewaren. In het holst van de nacht en zonder commentaar tracht ik dit plantje te kweken. Ik begiet het in stilte met psalmen en profetieën. Het wordt de meest zeldzame boom van de tuin, de oorspronkelijke paradijs boom, tegelijk de axis mundi, de kosmische as, en het kruis. Nulla silva talem profert*. Er is maar één zo’n boom. Hij kan niet vermenigvuldigd worden. Dat is niet interessant.
* Uit de Goede· Vrijdaghymne Crux fidelis. Het hele vers luidt: Nulla silva talem profert/Fronde, flore, germine/Dulce liguum … Geen woud beeft ooit voortgebracht / met een bloei van bloem en lover/zulk zalig hout …
25 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING- 8
– Waarom in de bossen wonen?
– Wel, je moet toch ergens wonen.
– Word je nooit eenzaam?
– Soms wel ja.
– Ben je boos op de mensen?
– Nee.
– Ben je boos op het klooster?
– Nee.
– Wat denk je over de toekomst van het monachisme?
– Niets. Daar denk ik niet over na.
– Is het waar dat je slechte rug aan yoga te wijten is?
– Nee.
– Is het waar dat je in het geheim zen beoefent?
– Wablief? Ik spreek geen Engels.

26 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING – 9
Het is voor mij noodzakelijk dat ik het eerste lichtpunt van de dageraad zie. Het is noodzakelijk om geheel alleen aanwezig te zijn bij de verrijzenis van de dag, in de onbeschreven stilte als de zon verschijnt. Op dat volkomen neutrale ogenblik ontvang ik van de oostelijke bossen, de rijzige eiken, het ene woord ‘dag’, dat nooit hetzelfde klinkt. Het wordt nooit gesproken in een mij bekende taal.
27 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING – 10
Rituelen. De koffiekan uitspoelen in de regenton. De aanbouw voorzichtig naderen vanwege de koninklijke slang die daar graag opgerold slaapt op een van de balken … De Koninklijke slang in de aanbouw toespreken en hem zeggen dat hij daar eigenlijk niet hoort te zijn. De formele, rituele vraag stellen, die rond deze tijd, iedere ochtend gesteld moet worden: ‘Ben jij daarbinnen?’
Andere rituelen: spuiten in de slaapkamer (kakkerlakken en muggen). Alle ramen aan de zuidkant sluiten (hitte). De ramen aan de noordkant en de oostkant openen [koelte). De zonneschermen neerlaten. Water halen. Rozenkrans. Uurwerk. Bibliotheekboek terugbrengen. Het is tijd om het menselijke ras te gaan bezoeken.
28 Juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING- 11
Ik vertrek onder de dennenbomen. De vallei is nu al heet. ( … ) De zoete geur van de bossen. De koele westenwind onder de eiken. Op deze plaats op het pad heb ik een giftige koperkop gedood. En daar zag ik eens een vos voorzichtig en sierlijk lopen met een konijn in zijn muil. Een eekhoorn vermaakt zich ergens boven mij in de lucht. Van boom naar boom. De koketterie van het vliegen. Bij het warme bol en de oude schapenstal kom ik in de open vlakte. Daar is de abdij, achter de talloze ramen gonst het van activiteit.
De langwerpige, gele zijkant van het klooster kijkt uit op de zon boven een steile helling met fruitbomen en bijenkorven. Zwetend klauter ik naar het noviciaat, ik zet mijn veldfles op de cementen vloer. De klok luidt. Ik heb taken en verplichtingen, want hier ben ik een monnik. Als ik ze volbracht heb, keer ik terug naar de bossen waar ik niemand ben …
29 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING- 12
In de hitte van de middag keer ik terug met een versgevulde veldfles, door het maïsveld, voorbij de schuur, onder de eiken, over de heuvel, onder de dennenbomen, naar de hete hut. Leeuweriken vliegen zingend op uit het hoge gras. Een hommel zoemt onder de brede schaduwrijke dakrand. Ik zit in het koele achterkamertje, waar de woorden niet langer weerklinken, waar alle betekenissen opgenomen zijn in de consonantia, de harmoniuuze samenzang van hitte, dennengeur, zachte wind, getjilp, en die ene centrale, krachtige noot, die je niet hoort, die je niet prevelt. Er zijn geen verplichtingen meer. In de stilte van de middag is alles ondoorgrondelijk aanwezig in die ene centrale, krachtige noot, waarnaar elk gerucht afdaalt of opstijgt, waarnaar elke betekenis verlangt om waarachtig vervuld te zijn. Vragen wanneer de noot zal weerklinken is de namiddag verliezen: de noot heeft al weerklonken en alle dingen zoemen nu met haar resonantie.

30 juli
DE DAG VAN EEN VREEMDELING – 13
Ik veeg. Ik spreid een deken uit in de zon. Ik maai het gras achter de hut. Ik schrijf in de hitte van de namiddag. Straks zal ik de deken binnenhalen en mijn bed opmaken. De zon zit achter de wolken. De dag loopt ten einde. Misschien komt er regen. In de abdij luidt een klok. Een devote cisterciënzer tractor gromt in de vallei. Nog even en ik zal brood snijden, avondmaal houden, psalmen zeggen. Bij zonsondergang, als de vogels zingen bij het raam en als in de vallei de nacht valt, zal ik in de achterkamer zitten.( … ) De vogels zoeken hun nest op. ‘Ik zit op de koele stromat op de vloer en kijk naar het bed waarin ik nu ga slapen, helemaal alleen onder de icoon van de Geboorte. Ondertussen passeert de metalen cherubijn van de Apocalyps hoog boven mij. Hoog in de wolken koestert hij zijn ei en zijn boodschap.

31 juli
NACHTBLOEIENDE CACTUS
Ik ken mijn tijd, die duister is, stil en kort
Want slechts voor één nacht en onaangekondigd ben ik hier.

Als de zon rijst boven de koperen valleien word ik slang.

Hoewel ik mijn ware zelf slechts in het donker toon
en aan geen mens
(Overdag verschijn ik immers als slang)
Behoor ik noch de nacht toe noch de dag.
Zon en stad zien nimmer mijn diepe witte kelk,
Kennen niet mijn tijdloze moment van leegte:
Mijn mildheid blijft onbeantwoord.

Als ik kom, licht ik mijn plotselinge eucharistie op
Uit de grondeloze vreugde der aarde
Rein en totaal gehoorzaam ik ’s werelds lichaam
Ik ben onontwarbaar en gaaf, geen kunst maar bewerkte passie
Uitgelezen diep behagen van wezenlijke wateren
Heiligheid van vorm en minerale vreugde:

Ik ben de hoogste zuiverheid van maagdelijke dorst.

Ik toen noch verberg mijn waarheid
Alleen door goddelijke gave
Wordt mijn onschuld vaag ontwaard
Als een onverklaarbare witte holte.

Hij die mijn zuiverheid ziet
Durft er niet over te spreken.
Wanneer ik eens en voorgoed mijn smetteloze kelk open
Bevraagt niemand mijn stilte:
De alwetende vogel van de nacht vliegt op uit mijn mond.

Heb je hem gezien? Dan- al is mijn vreugde vlug voorbij-
Leef Je voorgoed in zijn echo:
Nooit zul je nog dezelfde zijn.

 

 

el fulgor