ALLIU GLÎCHIU DINC MINNENT

 

ALLIU GLÎCHIU DINC MINNENT SICH UNDER EINANDER

Een leermeester zegt: ‘Alle gelijke dingen hebben elkaar lief en verenigen zich met elkaar, en alle ongelijke dingen ontlopen elkaar en hebben een afkeer van elkaar.’ Nu zegt een leermeester dat er niets zo aan elkaar ongelijk is als hemel en aarde. In zijn
natuur heeft het aardrijk ondervonden dat het ver van de hemel is en daaraan ongelijk. Daarom is het van de hemel weggevlucht tot op de laagste plaats, en daarom is het aardrijk onbeweeglijk, zodat het de hemel niet nadert. De hemel, in zijn natuur heeft waargenomen dat het aardrijk hem is ontvlucht en de laagste plaats heeft bezet. Daarom giet de hemel zich bevruchtend helemaal in het aardrijk uit, en volgens de leermeesters houdt de brede, wijde hemel nog niet de omvang van een naaldpunt achter, maar geeft zich helemaal bevruchtend aan het aardrijk. Daarom wordt het aardrijk de vruchtbaarste schepping onder alle tijdelijke dingen genoemd.
Hetzelfde zeg ik van de mens die zich in zichzelf en in God en in al het geschapene tenietgedaan heeft. Die mens heeft de laagste plaats ingenomen, en in hem moet God zich helemaal uitgieten, of Hij is God niet. Ik zeg het bij de waarachtige waarheid en bij de eeuwige waarheid en bij de altijddurende waarheid dat God zich in ieder mens, die zichzelf tot op de bodem heeft opgegeven, helemaal met al zijn vermogen uitgiet, en wel zo, dat Hij in Zijn leven, noch in Zijn zijn, noch in Zijn natuur, noch in Zijn godheid ook maar iets achterhoudt: Hij moet dat allemaal bevruchtend uitgieten in die mens die zich aan Hem heeft overgelaten en de laagste plaats heeft ingenomen.
Toen ik vandaag hiernaartoe ging, dacht ik eraan hoe ik voor jullie zo verstaanbaar zou kunnen preken dat jullie me goed zouden begrijpen. Toen bedacht ik een vergelijking, en als jullie die zouden kunnen begrijpen, dan zouden jullie de zin en de diepere betekenis begrijpen van wat ik in mijn preken steeds bedoelde te zeggen. Die vergelijking betreft mijn ogen en een stuk hout. Sla ik mijn oog op, dan is het een oog; sluit ik het, dan is het hetzelfde oog. Het kijken voegt aan het stuk hout niets toe en haalt er niets af. Nu moeten jullie heel goed opletten! Gebeurt het echter dat mijn oog één en enkelvoudig is in zichzelf en wordt geopend en met een blik gericht wordt op het stuk hout, dan blijven ze ieder voor zich wat ze zijn, en toch worden ze in de werkzaamheid van het kijken zo één, dat je naar waarheid zou kunnen zeggen: ooghout, en het stuk hout is mijn oog. Zou nu dat stuk hout zonder materie zijn en even puur geestelijk als het zien van mijn oog, dan zou je naar waarheid kunnen zeggen dat in de werkzaamheid van het kijken het stuk hout en mijn oog bestonden in één zijn. Als dat waar is van lichamelijke dingen, hoe veel te meer is het dan waar voor geestelijke dingen.
Jullie moeten weten dat mijn oog veel meer gemeen heeft met het oog van een schaap dat zich aan de overkant van de zee bevindt en dat ik nooit heb gezien, dan dat mijn oog iets gemeen heeft met mijn oren, waarmee het toch een zijnseenheid vormt. En dat komt omdat het oog van een schaap dezelfde werkzaamheid heeft als mijn oog; daarom is de overeenkomst tussen die beide wat hun werkzaamheid betreft groter dan die tussen mijn ogen en oren, want die hebben afzonderlijke verrichtingen.
Ik heb nu en dan gesproken over een licht dat zich in de ziel bevindt en dat ongeschapen is en niet geschapen kan worden. Dit licht probeer ik steeds in mijn preken aan te raken, en dit licht neemt God zonder tussenkomst en onverhuld en onbedekt, zoals Hij in zichzelf is, op. Dat moet begrepen worden als de werking van de inbaring. Het is de waarheid als ik zeg dat dit licht meer eenheid met God heeft dan met welke kracht ook waarmee het een zijnseenheid deelt. Want jullie moeten weten dat dit licht in het zijn van mijn ziel niet edeler is dan de laagste kracht of de allergrofste kracht, zoals het gehoor of het gezichtsvermogen, of krachten die gevoelig zijn voor honger of dorst, vorst of hitte; en dat komt omdat het zijn enkelvoudig is. Als je de krachten in het zijn onderkent, dan zijn ze alle één en even edel; maar wanneer je de krachten met betrekking tot hun verrichtingen beschouwt, dan is de ene veel edeler en veel hoger dan de andere.
Daarom zeg ik: als de mens zich van zichzelf en van alle geschapen dingen afwendt in de mate waarin je dat doet, in die mate word je vereend en gezaligd in de vonk in je ziel die nooit aan tijd of plaats raakte. Deze vonk weerspreekt al het geschapene en wil niets dan God onverhuld, zoals Hij in zichzelf is. Noch met de Vader, noch met de Zoon, noch met de Heilige Geest, noch met de drie Personen voor ze elk in hun eigenheid bestaan, neemt de vonk genoegen. Ik zeg naar waarheid dat dit licht niet genoegen neemt met de eenheid van de vruchtdragende aard der goddelijke natuur. Ik wil het nog sterker zeggen, wat nog verwonderlijker klinkt: ik zeg bij de waarachtige waarheid en bij de eeuwige waarheid en bij de altijddurende waarheid, dat dit licht niet genoegen neemt met het enkelvoudige, stilstaande, goddelijke zijn, dat niet geeft en niet neemt, nee, het wil weten waar dat zijn vandaan komt; het wil in de enkelvoudige grond, in de stille woestenij, waar geen enkel onderscheid naar binnen ziet, noch de Vader, noch de Zoon, noch de Heilige Geest; in het innerlijkste, waar niemand thuis is, daar neemt dat licht genoegen, en daar is het innerlijker dan het in zichzelf is; want deze grond is een enkelvoudige stilte, die in zichzelf onbeweeglijk is, en door deze onbeweeglijkheid worden alle dingen bewogen en worden al die levens ontvangen die weldenkend in zichzelf leven.
Dat wij aldus weldenkend leven, daartoe helpe ons de altijddurende waarheid waarover ik gesproken heb. Amen