OMNE DATUM OPTIMUM ET OMNE DONUM

OMNE DATUM OPTIMUM ET OMNE DONUM PERFECTUM DESURSUM EST JACOBUS 1, 17

omne
Letten jullie nu goed op! Dit moeten jullie weten: wat zij die zich overgeven aan God en die met alle ijver Zijn wil zoeken van God ontvangen, dat is het beste; zoals je er zeker van bent dat God leeft, evenzeer kun je er op rekenen dat het noodzakelijk het allerbeste moet zijn en dat er op geen enkele manier iets beters bestaat. Mocht het zo zijn dat iets anders jou beter toelijkt, dan zou dat toch niet goed voor je zijn, want God wil het in deze vorm en niet in een andere, en deze vorm moet noodzakelijk voor jou de beste zijn. Wat God ook voor jou beschikt of niet beschikt, ziekte of armoede of honger of dorst of wat ook maar, of wat God jou geeft of niet geeft, dat is voor jou het allerbeste. Ook al bezit je geen van beide, godsvrucht noch een echt zieleleven, maar wat je ook wel of niet bezit, breng jezelf werkelijk zover dat je bij alles Gods eer in gedachten hebt, dan is al wat Hij met jou doet het beste.
Nu zou je kunnen zeggen: ‘Hoe weet ik of iets de wil van God is of niet?’ Dit moeten jullie weten: als het Gods wil niet was, zou het er ook niet zijn. Niet ziek zou je zijn of iets anders, tenzij God het wil. En omdat je dan weet dat het Gods wil is, moet je er zo tevreden, zelfs gelukkig mee zijn, dat je de pijn niet eens als pijn ervaart. Zelfs als die het hevigst was en je zou er onder lijden, dan was dat niet juist, want je moet het van God aanvaarden als voor jou het beste, want het moet voor jou noodzakelijkerwijs het beste zijn. Want Gods wezen hangt eraan dat Hij het beste wil. Daarom moet ik het ook willen en mag er niets zijn dat me beter bevalt. Als er iemand was bij wie ik heel graag in de smaak zou vallen en ik wist dat hij mij het liefst in een grijze mantel
zag, liever dan in iets anders, hoc mooi ook, dan was er geen twijfel aan dat ik die mantel niet met meer vreugde en plezier zou dragen dan iets anders, hoe mooi dat andere ook zou zijn. Als het zo was dat ik bij iedereen in de smaak wilde vallen en wist wat men mij graag hoorde zeggen of zag doen, dan deed ik dat en niets anders. Welnu, bekijken jullie nu zelf eens hoe het met jullie liefde is gesteld! Hebben jullie God lief, dan geeft niets jullie zoveel plezier als dat wat bij Hem het meest in de smaak valt en waardoor Zijn wil het allerbeste aan ons wordt volbracht. Hoe zwaar de pijn of hoe groot het ongemak ook mag lijken, wanneer je daarin niet eveneens een groot behagen kunt scheppen, dan is er iets niet in orde.
Wat ik vaak zeg en wat ook waar is: elke dag bidden we hardop en luid ‘Heer, Uw wil geschiede!’ Maar als Zijn wil geschiedt, dan worden we boos en bevalt Zijn wil ons helemaal niet. Die zou ons juist het allerbest moeten bevallen, wat Hij ook doet. Zij die dat als het beste opvatten hebben met alle dingen vrede. Nu denken en zeggen jullie soms: ‘Ach, was het maar anders gelopen, dat zou beter geweest zijn’; of ‘als dat niet gebeurd was, zou alles er veel beter hebben uitgezien.’ Zolang je zo denkt vind je nooit vrede. Je moet het aanvaarden als het beste. Dat wil dit woord in de eerste plaats zeggen.
Maar het heeft nog een tweede betekenis, let daar met alle aandacht op! Er is sprake van ‘elke gave’. Wat het allerbeste en het allerhoogste is, dat zijn echte gaven in de allereigenste zin van het woord. God schenkt niets zo graag als grote gaven. Ik heb eens op deze plaats gezegd dat God veelliever voor grote zonden vergeving schenkt dan voor kleine. En hoe groter ze zijn, hoe liever en sneller Hij ze vergeeft. En zo is het met de genade en met gaven als deugdzaamheid: hoe groter ze zijn, hoe liever Hij ze schenkt, want Gods natuur hangt eraan dat Hij grote dingen geeft. En daarom, hoe beter de dingen zijn, des te meer ervan is. De edelste schepselen zijn de engelen en die zijn volstrekt geestelijk en hebben geen stoffelijk lichaam en daarvan zijn er het meest en meer dan alle stoffelijke dingen bij elkaar. Gaven in eigenlijke zin zijn grote dingen, en ze zijn het eigenste en innigste van God.
Ik heb eens gezegd: datgene wat als iets eigenlijks verwoord kan worden, moet van binnenuit komen, in de geest zijn gevormd en zo geuit worden, en niet van buitenaf naar binnen, doch uit het innerlijk naar buiten komen. Want het eigenlijke leeft in het binnenste van de ziel. Daar zijn alle dingen voor jou tegenwoordig, innerlijk levend en zoekend en op hun best en in hun zuiverste vorm. Waarom bespeur je daar niets van? Omdat je er niet thuis bent. Hoe edeler iets is, des te algemener is het. Mijn zintuigen heb ik gemeen met de dieren en het leven met de bomen. Het zijn, dat mij nog innerlijker toebehoort, deel ik met alle schepselen.
De hemel is groter dan alles wat eronder is; daarom is hij ook edeler. Hoe edeler de dingen zijn, des te omvangrijker en algemener zijn ze. De liefde is edel, omdat zij algemeen is.
Moeilijk lijkt het gebod van onze Heer dat wij onze medechristenen moeten liefhebben als onszelf. Grof denkende mensen beweren gewoonlijk dat het zo bedoeld zou zijn: men moet hen liefhebben om dezelfde goede eigenschappen waarom men zichzelf liefheeft Maar zo is het niet! je moet hen gewoonweg evenveel liefhebben als jezelf, en dat is niet moeilijk. Want als jullie er goed op letten heeft liefde meer het karakter van een beloning dan van een gebod. Het gebod lijkt zwaar, maar de beloning is begerenswaardig. Wie God liefheeft zoals hij Hem nu eenmaal moet en zal liefhebben, of hij wil of niet, en zoals alle schepselen Hem liefhebben, die moet ook zijn medemens liefhebben als zichzelf en zich in diens vreugden verheugen als in zijn eigen vreugde en hem evenveel eer toewensen als zichzelf, en moet de vreemdeling liefhebben als zijn vriend.
En op die manier leeft de mens te allen tijde in vreugde, in ere en in voorspoed, precies alsof hij in de hemel was, en zo is hij vaker verheugd dan wanneer hij zich enkel over het goeds dat hij zelf bezit kan verheugen. En heus, dit moeten jullie weten: als je meer plezier beleeft aan je eigen eer dan aan die van een ander, dan is er iets niet in orde.
Je moet weten dat als je iets voor jezelf zoekt, je God nooit zult vinden, omdat je niet zuiver en alleen God zoekt. je zoekt dan iets met God en doet alsof je van God een kaars hebt gemaakt om daarmee iets te zoeken; als men in zo’n geval het gezochte ding heeft gevonden, gooit men de kaars weg. Zo doe jij ook: wat je met God zoekt dat is niets, wat het ook zijn moge, hetzij voordeel of beloning of iets innerlijks of wat ook; je zoekt een niets, daarom vindt je ook niets. De reden dat je niets vindt is dat je een niets zoekt. Alle schepselen zijn een louter niets. Ik zeg niet dat ze onaanzienlijk zijn of slechts een iets zijn: ze zijn een louter niets.
Wat niet aan het zijn deelheeft, dat is niet. Schepselen hebben geen zijn, want hun zijn hangt aan de tegenwoordigheid van God. Zou God zich een ogenblik van de schepselen afwenden, dan zouden zij alle tenietgaan. Ik heb wel eens gezegd, en het is waar ook, dat als iemand tegelijk met God ook de hele wereld erbij kreeg, hij niet meer zou bezitten dan wanneer hij God alleen had. Zonder God zou geen enkel schepsel méér bezitten dan een mug zonder God zou bezitten, niet meer en niet minder.
Let nu goed op wat ik zeg! Zou iemand goud geven ter waarde van duizend mark om daarmee kerken en kloosters te laten bouwen, dan was dat een groots gebaar. Toch zou iemand voor wie duizend mark weinig betekende veel meer gegeven hebben, hij zou veel meer hebben gedaan. Toen God alle schepselen schiep waren ze van zo weinig waarde en zo nauw, dat Hij er zich niet in kon bewegen. Maar de ziel maakte hij zo gelijk aan zichzelf en zo even ruim, dat Hij zich aan de ziel kon geven; want aan wat Hij haar verder zou geven hecht zij geen waarde. Zoals Hij aan zichzelf toebehoort, zo moet God zich aan mij geven als mij eigen, anders is er niets wat mij ten deel valt of wat mij smaakt. Wie Hem zo werkelijk wil ontvangen moet zichzelf helemaal hebben losgelaten en zichzelf hebben verlaten. Zo iemand ontvangt van God zonder uitzondering alles wat Hij heeft en even eigen als Hij het heeft en als Onze Lieve Vrouwe en allen die in de hemel zijn het op gelijke wijze en als iets eigens bezitten. Wie zich zelf zo hebben verlaten en losgelaten die ontvangen ook in gelijke mate terug en niet minder. In de derde plaats wordt er gesproken van ‘de Vader van de lichten’. In het woord ‘vader’ is zoonschap begrepen, en het woord ‘vader’ drukt een zuiver voortbrengen uit, dat wil zeggen: één leven voor alle dingen.
De Vader baart Zijn Zoon in Zijn eeuwige zelfkennis, en zo baart de Vader Zijn Zoon in de ziel als in Zijn eigen natuur en als geheel eigen aan de ziel, en Zijn zijn hangt eraan, dat Hij Zijn Zoon in de ziel baart, of Hem dat nu een lust is of een last. Mij werd eens gevraagd wat de Vader in de hemel doet. Toen zei ik: Hij baart Zijn Zoon, en dat werk is voor Hem zo’n genoegen en bevalt Hem zo goed, dat Hij nooit iets anders doet dan Zijn Zoon baren, en uit Hen beiden bloeit de Heilige Geest op. Waar de Vader Zijn Zoon in mij baart, ben ik die zoon en geen ander; wel zijn we voor we mens zijn een ander, maar daar ben ik die zoon en geen ander.
‘Waar wij zonen zijn, daar zijn wij werkelijk erfgenaam.’ Wie die waarheid onderkent weet wel, dat het woord ‘vader’ een zuiver voortbrengen en zonen hebben inhoudt. Daarom zijn we hier in die Zoon en zijn die zoon zelf.
Tenslotte nog iets over de woorden ‘zij komen van boven’. Nu heb ik zopas gezegd: wie iets van boven wil ontvangen moet noodzakelijk onderaan staan, namelijk echt deemoedig zijn. En dit moeten jullie naar waarheid beseffen: wie niet echt onderaan staat krijgt niets en ontvangt, hoe klein het ook mag zijn, niets. Als je je eigenbelang op het oog hebt of je bent op iets gespitst of hebt het op iemand voorzien, dan sta je niet onderaan en ontvang je ook niets; maar stel je jezelf onderaan, dan ontvang je geheel en al. Het is Gods natuur om te geven, en Zijn zijn hangt eraan ons te geven als we onderaan staan. Doen wij dat niet en ontvangen we niet, dan doen we Hem geweld aan en doden we Hem. Kunnen we dat Hemzelf niet aandoen, dan doen we het toch onszelf aan, voor het onszelf betreft.
Zorg ervoor dat je je in echte deemoedigheid aan God ondergeschikt maakt en God in je hart en in je kennen hoog verheft, zodat je Hem geeft al wat Hem behoort. ‘God, onze Heer, heeft Zijn Zoon in de wereld gezonden.’ Ik heb al eens op deze plaats gezegd: God zendt Zijn Zoon in de volheid des tijds naar de ziel wanneer zij alle tijd achter zich heeft gelaten. Wanneer nu de ziel vrij is van tijd en plaats, zendt de Vader Zijn Zoon in de ziel. Dat nu is de betekenis van de woorden: ‘De allerbeste gave en de volmaaktheid komen van boven neer van de Vader der lichten.’
Dat wij bereid worden om die beste gaven te ontvangen, daartoe helpe ons God, de Vader der lichten. Amen.