De dood van de ander

 

DE DOOD VAN DE ANDER
Blanchot gelooft in een eindige gemeenschap, samensteld uit onvolledige, eindige wezens. De onvolledigheid van het bestaan beschouwt hij niet als een verlies. Onvolledigheid is een constitutief beginsel van de gemeenschap. Het gebrek of gemis wil niet opgeheven worden,  maar is veeleer op zoek naar een ‘exces’ dat ‘dieper wordt naarmate het wordt opgevuld’.
De gemeenschap is een gave van het woord, die nimmer de zekerheid kan verschaffen ooit door de ander te worden ontvangen, hoewel alleen de ander het verzoek om te spreken mogelijk maakt. Dat is vergelijkbaar met wat Derrida in zijn tekst over religie” de ‘fiduciaire’ of testimoniale’ bron van de godsdienst noemt: de basisvoorwaarde van de communicatie, het geloof dat mijn woord door de ander zal worden ontvangen. We kunnen maar iets zeggen als we geloven dat de anderen ons woord zullen ontvangen (en het dus mogelijk ook niet ontvangen). We moeten onszelf op het spel zetten, extatisch buiten onszelf plaatsen, om zo aan ‘ex-sisteren’ toe te komen. In het bestaan, in de communicatie doet elk wezen een beroep op een ander. Meer zelfs: om te bestaan ga ik naar de ander toe, die macht krijgt over mijn leven en mij eventueel kan negeren. Het is pas door die eventuele ontzegging’ dat ik mij bewust word van het feit dat ik geen afgescheiden individu kan zijn. Wat ons bovenal buiten onszelf plaatst, volgens Blanchot, is de  dood van de ander. In zijn ‘Onuitsprekelijke gemeenschap’ schrijft hij dat de dood van de ander de enige dood is die me werkelijk aangaat. Het is het gebeuren dat het meest aanspraak op mij maakt: de dood van de ander brengt me buiten mezelf en ‘vormt de enige scheiding die mij, hoe onmogelijk ook, kan openen naar het Opene van de gemeenschap’. Door de dood van de ander is een immanente, gesloten gemeenschap onmogelijk. Nancy heeft het over de onmogelijkheid werk te maken (faire oeuvre) van de dood (of de gemeenschap); de ont-werking’ (désoeuvrement) schrijft zich in als gemeenschap. Blanchot zegt: ‘het leren kennen van de dood van de ander als een eeuwige en ondraaglijke afwezigheid; mijzelf aan deze dood blootstellen en overgeven, enz. Op dit punt raken we de uiterste vorm van de communautaire ervaring: de gemeenschap van hen die geen gemeenschap vormen’. Dat is de ‘ware’ gemeenschap van de eindige subjecten die wij allen zijn. Ethiek begint wanneer het gelaat van de ander plots mijn bestaan op losse schroeven zet en mij tot verantwoordelijkheid oproept. Dit radicaal uitgangspunt van Emmanuel Levinas neemt Blanchot als het ware in zijn denken mee, wanneer hij stelt dat het uiteindelijk de ‘dood van de ander’ is die een eenwording van de gemeenschap onmogelijk maakt. Anders gezegd: door geconfronteerd te worden met de dood van de ander, word ik als eindig subject op mijn ‘onvolledigheid’ (eindigheid) teruggeworpen, en tegelijk blootgesteld aan de andersheid van de ander. Daar, in die onmogelijkheid tot eenwording, in die ‘ont-werking’, gebeurt er gemeenschap.

Streven 1998 nr. 7 pag. 638-639