BEATUS VENTER

BEATUS VENTER, QUI PORTAVIT, ET UBERA, QUAE SUXISTI LUCAS 11, 27

We lezen vandaag in het evangelie, dat een vrouw tegen onze Heer zei: ‘Zalig is het lichaam dat U droeg, en zalig zijn de borsten die U hebben gezoogd.’ Toen zei onze Heer: ‘je spreekt de waarheid. Zalig is het lichaam dat Mij droeg, en zalig zijn de borsten die Mij hebben gezoogd. Maar nog zaliger is de mens die Mijn woord hoort en het bewaart.’
Letten jullie nu heel goed op dat woord van Christus: ‘Zaliger is de mens die Mijn woord hoort en het bewaart, dan het lichaam dat Mij droeg en de borsten die Mij hebben gezoogd.’ Zou ik dat gezegd hebben en zouden het mijn woorden zijn dat die mens zaliger was die het woord van God hoort en het bewaart, dan Maria het is door de geboorte, waardoor zij Christus’ lichamelijke moeder is- ik zeg nog eens: zou ik dat beweerd hebben, dan zouden de mensen zich zeer verbazen.
Nu heeft Christus het zelf gezegd. Daarom moeten we het van Hem, als van de waarheid, geloven, want Christus is de waarheid. Let nu op wat diegene hoort die het woord van God hoort. Hij hoort Christus geboren uit de Vader, de volkomen gelijkheid aan de Vader en de aanneming van onze menselijkheid verenigd in Zijn persoon, waarachtig God en waarachtig mens, één Christus: dat is het woord dat diegene ten enen male hoort die het woord van God hoort en het bewaart in alle volmaaktheid.
De heilige Gregorius heeft voor ons vier punten opgeschreven waaraan een ieder die het woord van God wil horen en het bewaren zich moet houden. Ten eerste moet hij dood zijn voor elke vleselijke gewaarwording en al het vergankelijke in zichzelf hebben gedood en zelf ook dood zijn voor alles wat vergankelijk is. Ten tweede moet hij geheel en al naar God zijn opgericht met kennis en met liefde en met ware, volkomen innigheid. Ten derde moet hij niemand iets aan doen wat hemzelf pijn zou doen als men het hem aandeed. Ten vierde moet hij vrijgevig zijn in materiële zaken en in geestelijk goed, zodat hij dat alles royaal schenkt. Menigeen schijnt te geven en geeft toch niet waarachtig. Dat zijn zij die hun gaven schenken aan hen die van wat ze geven al meer bezitten dan zijzelf, zodat die er misschien geen enkele behoefte aan hebben; of ze geven opdat men hun met iets van dienst zal zijn of dat men hun iets terug zal geven of omdat ze geëerd willen worden. Een gift van zulke mensen kun je beter een eis dan een geschenk noemen, want ze geven niet waarachtig.
Onze Heer Jezus Christus was, met alle gaven die Hij ons mild geschonken heeft, leeg en arm: met al Zijn gaven zocht Hij niets voor zichzelf, maar verlangde alleen lof en eer voor de Vader en onze zaligheid en Hij leed en gaf zichzelf in de dood uit echte liefde. Wie nu geven wil uit liefde voor God, moet dus materiële goederen uitsluitend omwille van God geven, zodat hij geen wederdienst op het oog heeft, noch tegengeschenk, noch vergankelijke eer, en hij voor zichzelf niets zoekt dan enkel Gods lof en eer en hij omwille van God een hulp wil zijn voor zijn naaste, die in zijn levensonderhoud gebrek lijdt.
Zo ook moet hij geestelijk goed schenken waar hij maar onderkent dat zijn medechristen dat graag ontvangt om zijn leven daarmee omwille van God te verbeteren, en hij moet geen dank of beloning van hem verlangen, noch enig voordeel, en voor zijn dienst ook geen beloning van God, maar alleen verlangen dat God wordt geprezen. Zo moet hij in zijn gave leeg blijven, zoals Christus in alle gaven die Hij ons schonk leeg en arm bleef. Zo geven betekent waarachtig geven. Wie aan deze vier punten beantwoordt, kan er in waarheid op vertrouwen dat hij het woord van God gehoord heeft en het ook heeft bewaard.
De gehele heilige christenheid eert en huldigt Onze Lieve Vrouwe om het feit dat zij lichamelijk de moeder van Christus is, en dat is terecht. De heilige christenheid bidt haar om genade, en die kan zij inwinnen, en dat is terecht. En wanneer de heilige christenheid haar zo grote eer bewijst als maar passend is, toch moet de heilige christenheid veel meer lof en eer bewijzen aan degene die het woord van God gehoord en het bewaard heeft, want hij is nog zaliger dan Onze Lieve Vrouwe is doordat zij lichamelijk de moeder van Christus is, zoals Christus zelf heeft gezegd. Zodanige eer en oneindig veel meer ontvangt degene die het woord van God hoort en het bewaart. Deze inleidende woorden heb ik gesproken met de bedoeling dat jullie intussen met elkaar aandachtig zouden worden. Ik wil nu gaan preken.
Drie gedeelten nemen wij uit het evangelie; daarover wil ik voor jullie preken. Het eerste is: ‘Wie het woord van God hoort en het bewaart, is zalig.’ Het tweede is: ‘Wanneer de graankorrel niet in de aarde valt en daarin vergaat, blijft hij alleen. Valt hij echter in de aarde en vergaat daarin, dan brengt hij honderdvoudige vrucht voort.’ Het derde: dat Christus zei: ‘Niemand onder de zonen die uit vrouwen geboren zijn is groter dan Johannes de Doper.’ Nu laat ik de laatste twee eerst weg en spreek over het eerste gedeelte.
En Christus zei: Wie het woord van God hoort en het bewaart, is zalig.’ Let nu met aandacht op de betekenis daarvan! De Vader zelf hoort niets dan dit woord, Hij onderkent niets dan dit woord, Hij spreekt niets dan dit woord, Hij baart niets dan dit woord. In dit woord hoort de Vader en onderkent de Vader en baart de Vader zichzelf en ook dit woord en alle dingen en Zijn godheid tot op de bodem, zichzelf overeenkomstig Zijn natuur en dit woord met dezelfde natuur in een andere persoon.-Ai ja, letten jullie op de wijze van dat spreken! De Vader spreekt onderkennend in vruchtbaarheid Zijn eigen natuur geheel in Zijn eeuwige woord uit. Niet willens spreekt Hij dat woord uit als een wilsdaad, alsof het wordt gesproken en gedaan uit wilskracht en Hij het met dezelfde wilskracht ook kan laten als Hij dat wil. Zo is het niet gesteld met de Vader en Zijn eeuwige woord; integendeel: of Hij wil of niet, Hij moet dit woord spreken en het zonder onderbreking baren; want het is met de Vader als een wortel in de gehele natuur van de Vader overeenkomstig Zijn natuur, zoals de Vader zelf is. Kijk, daarom spreekt de Vader dit woord gewillig maar niet willens uit, en niet vanuit Zijn natuur, maar in Zijn natuur. In dit woord spreekt de Vader mijn geest en jouw geest en de geest van elk mens als gelijk aan dit woord. In dit spreken ben jij en ben ik een natuurlijke zoon van God als datzelfde woord. Want, zoals ik eerder zei, de Vader onderkent niets dan dit woord en zichzelf en de gehele goddelijke natuur en alle dingen in dit woord, en alles wat Hij daarin onderkent is gelijk aan dit woord en is van nature dit woord zelf in de waarheid. Wanneer God jou dit te onderkennen geeft en openbaart, dan geeft Hij jou Zijn leven en zijn Zijn en Zijn godheid waarlijk volkomen in de waarheid. De vader in dit leven, de lichamelijke vader, deelt aan zijn kind zijn natuur mee en geeft het niet zijn eigen leven, noch zijn eigen zijn, want het kind heeft een ander leven en een ander zijn dan de vader heeft. Dat maken ze zelf duidelijk: de vader kan sterven, terwijl het kind kan leven; of het kind kan sterven en de vader leven. Zouden ze samen één leven en één zijn hebben, dan moesten ze noodzakelijkerwijs beiden met elkaar sterven of leven, want hun beider leven en zijn was één. En zo is het niet. En daarom is het eigene van de een vreemd aan dat van de ander en zijn zij gescheiden van elkaar in leven en zijn. Neem ik vuur van een bepaalde plaats en leg dat ergens anders neer, dan is het gedeeld, ook al is het vuur: het ene kan branden en het andere kan uitdoven, of het ene dooft uit en het andere blijft branden; en daarom is het noch één, noch eeuwig.
Maar zoals ik zopas zei: de Vader van het hemelrijk geeft jou Zijn eeuwige woord, en in dat zelfde woord geeft Hij jou Zijn eigen leven en Zijn eigen zijn en Zijn godheid geheel en al; want de Vader en het woord zijn twee personen en één leven en één zijn, ongedeeld. Wanneer de Vader jou opneemt in dat licht om dit licht onderkennend te aanschouwen in dit licht op precies dezelfde wijze zoals Hij zichzelf en alle dingen overeenkomstig Zijn vaderlijke macht onderkent in dit woord- dat woord van rede en waarheid- dan geeft Hij jou de macht om met Hemzelf jouzelf en alle dingen te baren, Zijn eigen kracht als gelijk aan dat woord. Zo ben je met de Vader en in de kracht van de Vader voortdurend jezelf en alle dingen barende in een tegenwoordig Nu. In dit licht kent, zoals ik heb gezegd, de Vader geen onderscheid tussen jou en Hem, noch enig voorrecht groter of kleiner dan tussen Hem en Zijn eigen woord. Want de Vader en jij en alle dingen en dat woord zijn één in dit licht.
Nu ga ik in op het tweede tekstgedeelte, waar onze Heer zegt: ‘Wanneer de graankorrel niet in de aarde valt en daarin vergaat, blijft hij alleen en brengt geen vrucht voort. Valt hij echter in de aarde en vergaat hij daarin, dan brengt hij honderdvoudige vrucht voort.’ Honderdvoudig, dat betekent in geestelijke zin zoveel als vrucht zonder tal. Wat is echter die graankorrel die daar in de aarde valt, en wat is die aarde waarin hij moet vallen? Zoals ik het bij deze gelegenheid duidelijk wil maken: het is de geest, die graankorrel, een menselijke ziel noemt men die, en de aarde waarin die moet vallen, dat is het hooggeloofde menszijn van Jezus Christus; want dat is de edelste akker die ooit uit aarde werd geschapen of gereed gemaakt voor welke vruchtbaarheid ook Deze akker heeft de Vader zelf en het woord zelf en de Heilige Geest toebereid. Ai ja, wat was de vrucht van deze kostbare akker van het menszijn. van Jezus Christus? Dat was Zijn edele ziel vanaf het moment dat het gebeurde dat door Gods wil en door de kracht van de Heilige Geest het edele menszijn en het edele lichaam gevormd werd in het lichaam van Onze Lieve Vrouwe om tot mens uit te groeien en de edele ziel geschapen werd, zodat op een en hetzelfde moment lichaam en ziel werden verenigd met het eeuwige woord. Zo snel en zo waarachtig gebeurde die vereniging: zodra lichaam en ziel begrepen: Hij is, op hetzelfde moment begreep Hij zichzelf als verenigde menselijke en goddelijke natuur, als waarachtig God en waarachtig mens, één Christus die God is.
Letten jullie nu op de wijze van Zijn vruchtbaarheid! Voor deze keer noem ik Zijn edele ziel nu een graankorrel die in de aarde van Zijn edel menszijn omkwam door lijden en doen, door droefenis en sterven, zoals Hij zelf, toen Hij moest lijden, deze woorden sprak: ‘Mijn ziel is ten dode toe bedroefd.’ Daarbij bedoelde Hij niet Zijn edele ziel voor zij het hoogste goed onderkent en aanschouwt, waarmee Hij in de persoon verenigd is en dat Hij, overeenkomstig die vereniging in de persoon, zelf is: dat was het wat Hij onafgebroken aanschouwde in Zijn allerhoogste lijden met Zijn opperste kracht, even aanwezig en omvattend als hij nu doet; daar kon geen droefenis of pijn of dood naar binnen vallen. Dat is waarachtig waar. Want toen het lichaam van pijn aan het kruis stierf, leefde Zijn edele geest in die aanwezigheid. Maar voor de edele geest als denkvermogen verenigd was met de zintuigen en het leven van Zijn heilig lichaam, noemde onze Heer Zijn geschapen geest een ziel in zoverre zij het lichaam leven gaf en met de zintuigen en het denkvermogen was verenigd. Op die manier en slechts in zoverre was Zijn ziel ‘ten dode toe bedroefd’ met het lichaam, want het lichaam moest sterven.
Zo zeg ik dan nu over dat sterven, dat de graankorrel, Zijn edele ziel, op tweeërlei wijze in het lichaam stierf. Enerzijds, zoals ik zopas zei, op een wijze dat de edele ziel de gehele goddelijke natuur met het eeuwige woord onderkent en aanschouwt. Vanaf het moment dat Hij, naar lichaam en ziel verenigd, geschapen werd, stierf de ziel dus in de aarde, in het lichaam, op een wijze dat zij niets meer met dat lichaam te maken had, behalve dat zij daarmee verenigd was en leefde. Maar haar leven was met het lichaam boven het lichaam direct en zonder hindernis in God. Op die manier stierf zij in de aarde, in het lichaam, zo dat hij daarmee niets meer te maken had, behalve dat zij ermee was verenigd.
De andere wijze van haar sterven in de aarde, in het lichaam, was, zoals ik zopas zei, toen zij het lichaam leven gaf en met de zintuigen was verenigd: toen was zij samen met het lichaam vol moeite en pijn en ongemak en droefenis ‘ten dode toe’, zodat noch zij met het lichaam, noch het lichaam met haar om zo te zeggen, rust en harmonie en onvergankelijke bevrediging vond zolang het lichaam sterfelijk was. En dit is dus de andere wijze waarop de graankorrel, de edele ziel, stierf om harmonie en rust.
Slaan jullie nu acht op de honderdvoudige en ontelbare vrucht van die graankorrel! De eerste vrucht is deze, dat Hij aan de Vader en de hele goddelijke natuur lof en eer heeft gegeven doordat Hij zich met zijn hoogste krachten nooit ook maar een ogenblik of op een bepaald punt heeft afgewend, noch om wat het denkvermogen te melden had, noch om wat het lichaam moest lijden: zo bleef Hij ondanks alles te allen
tijde de godheid aanschouwen met onafgebroken, weer in de godheid teruggeboren lofprijzing der Vaderlijke heerschappij. Dat is de ene wijze van Zijn vruchtbaarheid, van de graankorrel, uit de aarde van Zijn edel menszijn. De andere wijze is deze: al het vruchtbare lijden van Zijn heilig menszijn, dat Hij heeft geleden in r dit leven aan honger, aan dorst, aan koude, aan hitte, aan wind, aan regen, aan hagel, aan sneeuw, aan allerlei pijn en bovendien de bittere dood, dat offerde Hij allemaal aan de hemelse Vader ter ere; dat is voor Hemzelf een lofprijzing en een vruchtbaarheid voor alle schepselen die hem willen navolgen door te leven uit Zijn genade met al hun kracht. Kijk, dat is de andere vruchtbaarheid van Zijn heilig menszijn en van de graankorrel van Zijn edele ziel, die daarin vruchtbaar geworden is tot lof van Hemzelf en ingevolge de volkomenheid van Zijn menselijke natuur.
Nu hebben jullie gehoord hoe de edele ziel van onze Heer Jezus Christus vruchtbaar geworden is in Zijn heilig menszijn. Nu moeten jullie er vervolgens op letten hoe ook de mens daartoe komen kan. Wie zijn ziel, de graankorrel, werpen wil in de akker van het menszijn van Jezus Christus opdat zij daarin sterft en vruchtbaar wordt, diens wijze van sterven moet ook tweeërlei zijn. De ene wijze moet lichamelijk zijn, de andere geestelijk. De lichamelijke moet je aldus begrijpen: wat je ook lijdt aan honger, aan dorst, aan koude, aan hitte, of omdat men je veracht en je lijden erg onverdiend is, op welke manier God dat ook maar beschikt, je moet het gewillig en opgewekt aanvaarden, precies alsof God je voor niets anders geschapen heeft dan voor lijden en voor ongemak en voor moeite, en je moet daarin niets voor jezelf zoeken, noch in de hemel, noch op aarde, en al dat lijden moet zo klein voor je lijken als een druppel water vergeleken met de wilde zee.
Als zo gering moet je al je lijden achten in vergelijking met het grote lijden van Jezus Christus. Zo wordt de graankorrel, jouw ziel, vruchtbaar in de edele akker van het menszijn van Jezus Christus en sterft daarin, zodat hij zichzelf helemaal opgeeft. Dat is de ene wijze van vruchtbaarheid van de graankorrel die gevallen is in de akker en de aarde van het menszijn van Jezus Christus.
Letten jullie nu op de tweede wijze van vruchtbaarheid van die graankorrel, de geestelijke! Dat is: alle geestelijke honger en bitterheid waar God hem in laat vallen moet hij geduldig ondergaan; zelfs als hij alles doet wat hij innerlijk en uiterlijk kan, moet hij niets verlangen. En zou God hem tot niets laten worden of in de hel werpen, moet hij willen noch verlangen dat God hem bewaart in zijn ‘iets’ of dat Hij hem behoedt voor de hel, maar hij moet God al wat Hij wil met zich laten doen, alsof jij niet bestond: zo’n macht moet God hebben in alles wat jij bent als Hij heeft in Zijn eigen ongeschapen natuur. Dan is er nog iets anders nodig. Dat is: als God jou om je innerlijke armoede zou nemen en je zou begiftigen met innerlijke rijkdom en met genade
en jou zo verregaand met zich zou verenigen als jouw ziel dat aankan, dan moet je van die rijkdom leeg blijven en aan God alleen de eer geven, even leeg als jouw ziel was toen God haar maakte van niets tot iets. Dit is de andere wijze van vruchtbaarheid die de graankorrel, jouw ziel, heeft ontvangen van de aarde van het mens  zijn van Jezus Christus, die zelf in alle hoogheid van Zijn godsgenot leeg bleef, zoals Hijzelf tegen de Farizeeën zei: ‘Zocht ik Mijn eer, dan was Mijn eer niets. Ik zoek de eer van Mijn Vader die Mij gezonden heeft.’ De derde tekst van deze preek is wat onze Heer zei: ‘Johannes de Doper is groot; hij is de grootste die ooit opstond onder alle zonen van de vrouwen. Zou echter iemand geringer zijn dan Johannes, dan zou die in de hemel groter zijn dan hij.’ Ai ja, let nu op hoe wonderlijk en merkwaardig die woorden van Jezus Christus zijn, dat Hij de grootheid prees van Johannes, als de grootste die ooit opstond uit het lichaam van een vrouw, en toch zei Hij: ‘Zou iemand geringer zijn dan Johannes, dan zou die in het hemelrijk groter zijn dan hij.’ Hoe moeten we dat begrijpen? Dat zal ik jullie uitleggen.
Onze Heer spreekt zichzelf niet tegen. Toen Hij Johannes prees omdat hij groter was, bedoelde Hij dat hij klein was in echte deemoedigheid: dat was zijn grootheid. Dat kunnen we afleiden uit wat Christus zelf zei: ‘Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en deemoedig van hart.’ Hoe deemoedig Johannes ook was, toch had die deugd een maat, en boven die maat uit was hij niet deemoediger of groter of beter dan hij was. Nu zei onze Heer: ‘Zou iemand geringer zijn dan Johannes, dan zou die in het hemelrijk groter zijn dan hij’, alsof Hij zeggen wilde: zou er iemand door die deemoedigheid willen heenbreken, al was het maar een haartje of nog minder, en dus ietsje deemoediger zijn dan Johannes, dan zou hij in het hemelrijk eeuwig groter zijn.
Letten jullie nu goed op! Johannes noch een van de andere heiligen is ons voorgezet als een einddoel om na te volgen, of als een bereikte maat, waar wij onder moeten blijven. Alleen Christus, onze Heer, is ons einddoel ter navolging en onze maat, waar we onder moeten blijven en waar we mee verenigd zullen worden als gelijken in al Zijn eer, wanneer ons die vereniging toekomt.
Er is geen heilige in het hemelrijk zo heilig of zo volmaakt, dat zijn leven wat deugden betreft niet bemeten was, en naar die maat is zijn eeuwig leven groot, en aan die maat is zijn hele volmaaktheid gebonden. Waarachtig in waarheid: zou er één mens zijn die de maat zou doorbreken van de hoogste heilige die in deugden geleefd en daardoor zijn zaligheid heeft verkregen- zou er één mens zijn die door die maat van deugd een ietsje heen zou breken, hij zou om zo’n deugdzaamheid nog heiliger en nog zaliger zijn dan die heilige ooit werd. Ik zeg bij God – het is zo waar als God leeft: er is geen heilige in de hemel zo volmaakt, dat je niet de wijze van zijn heiligheid zou kunnen doorbreken met heiligheid en met leven en in de hemel boven hem uit zou kunnen komen en eeuwig blijven. Daarom zeg ik: zou iemand deemoediger en geringer zijn dan Johannes, hij zou in het hemelrijk eeuwig groter zijn dan hij. Dit is ware deemoed, dat een mens zich onthoudt van alles wat hij, als natuur uit niets tot iets geschapen, doende en latende is, om louter te wachten op een licht van genade. Dat men zich rekenschap geeft van zijn doen en laten, dat is echte deemoed van de natuur. Deemoedigheid van de geest is, dat hij al het goede dat God hem steeds bewijst net zo min vanzelfsprekend vindt of zich toe-eigent als hij deed toen hij nog niet was. Dat wij zo deemoedig mogen worden, daartoe helpe ons God. Amen.

bron: Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen II. Preken, Groningen 2001 (Historische uitgeverij)