DUM MEDIUM SILENTIUM

5. DUM MEDIUM SILENTIUM TENERENT OMNIA ET NOX IN SUO CURSU MEDIUM ITER HABERET BOEK DER WIJSHEID 18, 14

Wij vieren hier in de tijd dat de eeuwige geboorte, namelijk: het gebaard hebben en zonder onderbreking in eeuwigheid baren van God, dat diezelfde geboorte nu is gebeurd in de tijd in menselijke natuur. Augustinus zegt: deze geboorte gebeurt aldoor, maar als die niet in mij gebeurt, wat helpt me dat dan? Maar dat ze in mij gebeurt, daar hangt alles van af.
Want jullie moeten begrijpen dat wat ik hier zeg betrekking heeft op een goed, volmaakt mens, die de wegen van God bewandeld heeft en nog bewandelt, en niet op een natuurlijk, ongeoefend mens, want die staat van deze geboorte veraf en weet er niets van. Dit woord spreekt de Wijze: ‘Toen alle dingen zich midden in het zwijgen bevonden en de nacht in haar loop op het midden van haar baan stond, kwam van bovenaf, van de koninklijke troon, een verborgen woord in mij neer.’ Over dit woord zal deze preek gaan.
Drie dingen zijn hier op te merken. Ten eerste: waar God de Vader Zijn woord in de ziel spreekt, waar deze geboorte plaats vindt en waar de ziel voor dat werk ontvankelijk is; want dat moet zijn in het allerlouterste en edelste en subtielste dat de ziel te bieden heeft. Waarlijk, zou God met al Zijn almacht de ziel in haar natuur iets edelers gegeven kunnen hebben en zou de ziel iets edelers van Hem hebben kunnen ontvangen, dan zou God met die geboorte op dat edele hebben moeten wachten. Daarom moet de ziel waarin die geboorte zal plaats vinden zich gelouterd hebben en heel edelleven en in eenheid en heel innerlijk, niet via de vijf zintuigen naar buiten lopen, de menigvuldigheid in van de schepselen, maar geheel innerlijk zijn en vereend en in het louterste: daar is Zijn plaats, voor minder doet Hij het niet.
Het tweede deel van deze preek gaat erover hoe de mens zich tegenover dat werk of dat inspreken en baren moet opstellen: of het voor hem nuttiger is om daaraan mee te werken, zodat hij ertoe bijdraagt en verdient dat deze geboorte in hem plaats vindt en gebeurt, bijvoorbeeld door zich een beeld te vormen in zijn verstand en zijn gedachten en zich daarin te oefenen, door te denken: God is wijs, almachtig en eeuwig, en wat hij verder over God zo kan bedenken – of dát dienstiger en bevorderlijker is voor deze goddelijke geboorte of dat men zich juist aan alle gedachten onttrekt en zich van alle woorden en werken ontdoet en zich van alle beelden en begrippen vrij maakt om God volkomen te ondergaan door passief te blijven en God te laten werken: de vraag dus wat ten aanzien van deze geboorte het meest dienstig is voor de mens.
Het derde punt is het nut van deze geboorte, hoe groot dat is.
Nu eerst een opmerking over het eerste punt: wat ik daarover ga zeggen wil ik voor jullie staven met natuurlijke bewijzen, zodat jullie zelf kunnen begrijpen dat het zo is, hoewel ik de Schrift toch meer geloof dan mezelf; maar het dringt meer en beter tot jullie door als het met een bewijs wordt gestaafd.
Nu nemen we in de eerste plaats dat woord dat zegt: ‘Middenin het zwijgen werd in mij gesproken een verborgen woord.’ Ach, Heer, waar is dat zwijgen en waar is die plaats waar dat woord ingesproken wordt? We zeggen, zoals ik zopas al zei: het is in het louterste dat de ziel te bieden heeft, in het edelste, in de grond, ja, in het zijn van de ziel, dat is: in het verborgenste van de ziel. Dat is de functie ‘zwijgen’, want geen schepsel kwam daar binnen en geen enkel beeld, noch is de ziel daar actief of kennend, noch heeft zij daaromtrent een voorstelling, noch van zichzelf, noch van enige geschapenheid.
Al het werk dat de ziel verricht, verricht zij met de krachten. Wat zij begrijpt, begrijpt zij met het intellect. Wat zij gedenkt, gedenkt zij met het geheugen. Zal zij liefhebben, dan doet zij dat met de wil. En zo werkt zij met de krachten en niet met het zijn. Al haar verrichtingen naar buiten toe zijn aan een middel gebonden. Voor haar gezichtsvermogen moet zij gebruik maken van de ogen, anders kan zij niet zien en niets waarnemen en zo is het met alle andere zintuigen. Bij al haar verrichtingen naar buiten toe gebruikt zij een middel. Maar in het zijn is geen verrichting, want de krachten waarmee zij werkt vloeien weliswaar uit de grond voort, maar in de grond is het middel zwijgen, hier is enkel rust en een woonstee voor deze geboorte en voor dit werk, namelijk dat God de Vader daar Zijn woord spreekt; want het zwijgen is voor niets anders ontvankelijk dan voor het goddelijke zijn, zonder enige bemiddeling. God gaat hier de ziel binnen met al het Zijne, niet met een deel van Hem. Niemand raakt de grond in de ziel aan dan alleen God. Het geschapene kan niet in de grond van de ziel komen, dat moet in de krachten hier buiten blijven. Maar de ziel aanschouwt daar wel het beeld ervan zoals het binnen is ontvangen en onderdak heeft gevonden. Want wanneer de krachten van de ziel in aanraking komen met het geschapene, dan ontlenen ze daaraan een beeld, een gelijkenis, en nemen dat in zich op en trekken die in zich. Daardoor kennen zij het geschapene. Het geschapene kan niet dichter in de ziel komen, noch kan de ziel dicht bij het geschapene komen, tenzij zij gewillig eerst een beeld daarvan in zich ontvangen heeft. En vanuit het aanwezige beeld benadert de ziel de geschapen dingen; want beeld is iets wat de ziel met de krachten in zich opneemt. Of het nu een steen is, een paard, een mens of wat het ook is dat zij wil kennen, zij haalt het beeld tevoorschijn dat zij tevoren in zich heeft opgenomen, ·en zo kan zij zich met dat wat zij wil kennen verenigen.
Wanneer nu de mens op die manier een beeld ontvangt, dan moet dat noodzakelijkerwijs via de zintuigen van buiten naar binnen komen. Daarom is de ziel voor zichzelf zo onbekend als voor niets anders.
Immers de ziel kan, zoals een leermeester zegt, geen beeld van zichzelf opnemen of ontvangen. Daarom kan zij zichzelf niet door middel van iets kennen. Want beelden komen uitsluitend via de zintuigen binnen: daarom kan zij van zichzelf geen beeld hebben. Daar, om kent zij alle andere dingen, maar zichzelf niet. Minder dan van welk ding ook weet zij van zichzelf, vanwege het bemiddelende. En dit moet je weten: zij is van binnen leeg en vrij van al het bemiddelende en van alle beelden, en dat is er ook de oorzaak van dat God zich ongehinderd met haar kan verenigen zonder beeld en gelijkenis. Welke kunde je ook aan een leermeester toeschrijft, het kan niet anders of je moet diezelfde kunde boven mate aan God toekennen. Hoe wijzer en machtiger een meester is, des te directer gebeurt zijn werk en des te eenvoudiger is het. De mens benut veel middelen bij zijn uiterlijke handelingen; voordat hij daarmee naar buiten komt zoals hij ze zich innerlijk heeft voorgesteld, moet hij veel in gereedheid brengen.
De maan en de zon in hun meesterschap doen hun werk, het verlichten, heel snel. Zodra zij hun schijnsel uitgieten, is op hetzelfde ogenblik de hele wereld aan alle einden vallicht. Maar daarboven staat de engel, die heeft bij zijn werk nog minder een middel nodig en heeft ook minder beelden. De allerhoogste serafijn heeft niet meer dan één beeld. Wat allen die onder hem zijn als menigvuldigheid opvatten, dat alles vat hij in één. Maar God heeft geen beeld nodig, noch heeft Hij enig beeld: God werkt in de ziel zonder enig middel, beeld of enige gelijkenis, ja, in de grond, waar nooit een beeld binnenkwam, behalve Hijzelf met Zijn eigen zijn. Daartoe is geen enkel schepsel in staat. Hoe baart God van nature Zijn zoon in de ziel?
In beelden en gelijkenissen zoals de schepselen doen? Op mijn woord: nee! Maar op precies dezelfde manier waarop Hij in de eeuwigheid baart, niet minder en niet meer. Denk je eens in: hoe baart Hij daar? Letten jullie nu op! Kijk, God de Vader heeft een volmaakt inzicht in zichzelf en grondeloos en door en door kent Hij zichzelf door zichzelf, niet door middel van een of ander beeld. En zo baart God de Vader Zijn Zoon in ware eenheid van goddelijke natuur. Kijk, op dezelfde manier en niet op een andere baart God de Vader Zijn Zoon in de grond van de ziel en in haar zijn en verenigt zich zo met haar. Want als daar ook maar enig beeld zou zijn, was er geen werkelijke vereniging; en in de ware vereniging is al haar zaligheid gelegen.
Nu zouden jullie kunnen zeggen dat van nature er niets dan beelden zijn in de ziel. Nee, beslist niet! Want als dat zo zou zijn, zou de ziel nooit zalig kunnen worden; immers als God een schepsel zou kunnen maken waaraan jij volkomen zaligheid zou ontlenen, dan zou God niet de hoogste zaligheid zijn en niet het beste einddoel, wat toch Zijn natuur is en Zijn wil om het begin en het einde te zijn van alle dingen. Geen schepsel kan de zaligheid zijn. Daarom ook kan geen schepsel de volmaaktheid zijn, want op het volmaakt zijn (dat wil zeggen: in alle deugden) volgt het volmaakte leven, en daarvoor is het noodzakelijk dat je moet zijn en wonen in het zijn en in de grond, daar moet God jou aanraken met Zijn enkelvoudige zijn zonder bemiddeling van welk beeld ook. Ieder beeld bedoelt niet zichzelf en verwijst niet naar zichzelf, het wijst en duidt altijd op datgene waarvan het het beeld is. En zolang je nog beelden hebt van wat van buiten jou is, beelden van de schepselen die via de zintuigen naar binnen getrokken worden en die steeds verwijzen naar datgene waarvan ze het beeld zijn, is het onmogelijk dat je door welk beeld ook zalig zou kunnen worden.
Het tweede punt is: past het de mens om zelf hier iets te doen waardoor hij het bereikt en verdient dat die geboorte in hem plaats vindt en volbracht wordt; de vraag of het niet beter is dat de mens hiertoe bijdraagt door zich een beeld te vormen van God of door zich God in te denken, of dat de mens in een zwijgen en in een stilte en in een rust blijft en God zo in hem spreekt en werkt, en hij enkel wacht op Gods werk in hem? Ik zeg echter, wat ik al eerder zei: deze laatste houding, zoals ik die beschreef, is alleen voorbehouden aan goede en volmaakte mensen, die het wezen van alle deugd aan zich en in zich hebben getrokken, zodat de deugden wezenlijk uit hen stromen zonder hun toedoen en, voor alles, het hoogwaardige leven en de edele leer van onze Heer Jezus Christus in hen leeft. Die zullen weten dat het het allerbeste is en het alleredelste waartoe men kan komen in dit leven, dat je zwijgt en God laat werken en spreken. Waar alle krachten onttrokken zijn aan hun werkzaamheden en beelden, daar wordt dit woord gesproken. Daarom staat er ‘midden in het zwijgen werd het verborgen woord tot mij gesproken’.
En daarom: hoe meer je in staat bent om alle krachten in één samen te trekken en in een vergeten van alle dingen en hun beelden zoals je die in je hebt opgenomen, en hoe meer je het geschapene vergeet, des te dichter ben je bij dat woord, des te ontvankelijker ben je ervoor. Zou je ten aanzien van alle dingen helemaal onwetend kunnen worden, ja, zou je kunnen geraken tot een niet-weten van je eigen leven, dan zou je ervaren wat Paulus overkwam die daarover zei: ‘Of ik in het lichaam was of niet, dat weet ik niet, God weet het wel.’ Toen had zijn geest alle krachten zo helemaal in zich getrokken dat het lichaam voor hem iets vergetens was; wen werkten noch geheugen, noch verstand, noch de zintuigen en krachten wier taak het is om het lichaam te leiden en toe te rusten; levensvuur en lichaamswarmte werden getemperd, waardoor het lichaam niet afnam in die drie dagen dat hij niet at of dronk. Zo overkwam het ook Mozes toen hij op de berg veertig dagen vastte en hij werd er niet zwakker van: op de laatste dag was hij nog even sterk als op de eerste. En evenzo zou de mens al het zintuiglijke moeten ontwijken en al zijn krachten naar binnen richten en komen tot een vergeten van alle dingen en van zichzelf. Daarover zei een leermeester, Anselmus, tot de ziel: ‘Onttrek je aan de onrust van uiterlijke activiteiten, vlucht daarvan weg en verberg je voor het gewoel van innerlijke gedachten, want die veroorzaken onvrede.’ Daarom: wil God Zijn woord spreken in de ziel, dan moet zij in vrede en in rust zijn, en dan spreekt Hij Zijn woord en zichzelf in de ziel uit, en niet een beeld, maar zichzelf.
Dionysius zegt: ‘God heeft geen beeld of gelijkenis van zichzelf, want Hij is wezenlijk het goede, de waarheid en het zijn.’ God verricht alles wat Hij doet in zichzelf en uit zichzelf in één ogenblik. jullie moeten niet denken dat God, toen Hij hemel en aarde maakte en alle dingen, vandaag het ene en morgen het andere maakte. Toch schrijft Mozes dat wel. Maar hij wist zelf wel beter: hij deed het omwille van de mensen die het anders niet hadden kunnen begrijpen en verstaan. Niet meer dan één ding deed God: Hij wilde en zij werden. God werkt zonder middel en zonder beeld. Hoe meer
iij zonder beeld bent, des te meer ben je ontvankelijk. voor Zijn inwerking, en hoe meer je bent ingekeerd tot zelfvergetelheid, des te dichter ben je daar bij.
Daartoe vermaande Dionysius zijn leerling Timotheus en zei: ‘Lieve zoon Timotheus, je moet je met een onbekommerd gemoed boven jezelf en boven al je machten en boven het kenvermogen en het verstand en boven zijnsvormen en zijn uit werpen in de verborgen stille duisternis, opdat je komt in een kennen van de ongekende godsbeeldloze God.’ Er moet zijn een onttrekken aan alle dingen. God versmaadt het om in beelden te werken.
Nu zou je kunnen vragen: ‘Wat bewerkt God dan zonder beeld in de grond en in het zijn?’ Dat kan ik niet weten, want de krachten kunnen enkel in beelden iets opnemen, want alleen in het beeld dat ze ervan hebben kunnen zij de dingen alle begrijpen en kennen. Ze kunnen een vogel niet kennen in het beeld van een mens, en daarom, omdat alle beelden van buitenaf binnen komen, is het werk van God voor hen verborgen, en dat is voor hen het allernuttigste. Maar in hun niet-weten worden ze tot een wonder aangetrokken en jagen ze dat na, want ze beseffen wel dat dat bestaat, maar weten niet hoe en wat het is. Want zodra de mens de hoedanigheid van de dingen kent, is hij ze moe en zoekt hij weer iets anders om te ervaren, en terwijl hij er steeds hevig naar verlangt die dingen te kennen, wil hij zich toch niet daarop blijvend richten, daarom: het ongekende kennen, dat houdt de ziel blijvend op zich gericht en dat jaagt zij na.
Daarover zegt de Wijze: ‘Midden in de nacht, toen alle dingen in stilte zwegen, toen werd tot mij gesproken een verborgen woord.’ Dat kwam zoals een dief, heimelijk. Hoe bedoelt hij dat: een woord, toen het was verborgen? Het ligt immers in de aard van het woord dat het openbaart wat verborgen is. Hij bedoelt: ‘Het opende zich en straalde voor mij om mij iets te openbaren en verkondigde mij God’; daarom heet het een woord. Maar: ‘het was voor mij verborgen wat het was’, en dat was zijn heimelijk komen in een fluistering en een stilte om zich te openbaren. Kijk, daarom moet en zal men het achterna lopen, zolang het verborgen is.
Het liçhtte op en was toch verborgen, dat betekent dat we ernaar zuchten en hunkeren. Paulus zegt dat wij dit moeten najagen tot we het op het spoor zijn en nooit ophouden voor we het in de greep hebben. Toen hij in de derde hemel was opgetrokken tot in de verkondiging Gods en alle dingen had gezien en terug gekomen was, had hij niets vergeten, maar het lag voor hem zo diep in zijn grond dat zijn verstand er niet bij kon komen: het was voor hem toegedekt.
Daarom moest hij het in en niet buiten zichzelf achterna lopen en zien te bereiken. Het is helemaal binnenin, niet buiten, maar volstrekt binnenin. En omdat hij dat wel wist, zei hij: ik ben er zeker van dat de dood noch enige nood mij kan scheiden van hetgeen ik in me vind.’
Daarover deed een heidens leermeester een mooie uitspraak tegenover een andere leermeester: ‘Ik word iets in me gewaar wat licht geeft in mijn verstand; ik ervaar wel dat het iets is, maar wat het is kan ik niet begrijpen, alleen komt het me voor dat, als ik het zou kunnen grijpen, ik de hele waarheid zou kennen.’ Toen zei de ander: ‘Geloof me, jaag dat na! Want als je het zou kunnen grijpen, bezat je samenvatting van allo goedheid en een eeuwig leven.’ In die zin sprak ook Augustinus: ‘Ik word iets in me gewaar dat als een voorspel voor mijn ziel oplicht: zou dat in mij tot voltooiing en bestendiging gebracht worden, dan moet dat eeuwig leven zijn.’ Het verbergt zich en vertoont zich toch; maar het komt als een dief, en dat betekent dat het aan de ziel alles wil ontnemen en ontstelen. Maar door zich een beetje te vertonen en te openbaren wil het de ziel prikkelen en haar achter zich aan trekken en haar van zichzelf beroven en aan zichzelf ontstelen.
Daarover zei de profeet: ‘Heer, ontneem hun hun geest en geef hun Uw geest daarvoor in de plaats.’ Dit bedoelde ook de liefhebbende ziel toen ze zei: ‘Mijn ziel smolt weg en vloeide uit toen de geliefde zijn woord sprak.’ Dat is: toen hij binnenging, moest ik minder worden. Dat bedoelde ook Christus toen Hij zei: ‘Wie iets prijsgeeft om Mijntwille, die zal het honderdvoudige terug ontvangen, en wie Mij wil hebben, die moet zich van zichzelf en alle dingen losmaken, en wie Mij wil dienen,
die moet Mij volgen, hij moet niet het zijne volgen.’ Nu zou je kunnen zeggen: ‘Wat nou, Eerwaarde, u wilt de natuurlijke gang van de ziel omkeren! Het is immers de natuur van de ziel dat zij via de zintuigen en in beelden de dingen in zich opneemt, wilt u die gang van zaken omkeren?’ Zeker niet! Wat weet je ervan welk een adel God in die natuur heeft gelegd, die nog niet goed is beschreven, maar nog verborgen is? Want zij die over de adel van de ziel hebben geschreven waren toen nog niet verder gekomen dan hun natuurlijke verstand hen droeg; ze waren nooit tot in de grond gekomen: daarvan moest voor hen veel verborgen zijn en ongekend blijven. Daarom zei de profeet: ‘Ik wil zitten en wil zwijgen en wil horen wat God in mij spreekt.’
Omdat het zo verborgen is, daarom kwam dit woord in de nacht, in de duisternis. Johannes zegt: ‘Het licht schijnt in de duisternis, het kwam tot het zijne, en allen die het ontvingen werden overmachtig Gods zonen: hun werd de macht gegeven om Gods zonen te worden.’ Letten jullie dan nu op het nut en de vrucht van dit heimelijke woord en deze duisternis. Niet alleen de Zoon van de hemelse Vader wordt geboren in die duisternis die de Zijne is: ook jij wordt daar geboren als kind van dezelfde hemelse Vader en van niemand anders, en Hij geeft ook jou de macht. Letten jullie nu op hoe groot het nut daarvan is. Wat alle leermeesters ooit aan waarheid leerden met hun eigen verstand en begrip of ooit nog zullen leren tot aan de jongste dag,
ze hebben nooit ook maar het minste begrepen van dit weten en van deze grond. Mag het dan een onweten en een ongekendheid heten, toch heeft het meer in zich
dan al het weten en kennen daarbuiten; want dit onweten lokt en trekt je weg van alle weetbaarheden en ook van jezelf. Dat bedoelde Christus toen Hij zei: ‘Wie
zichzelf niet verloochent en niet vader en moeder verlaat en alles wat uiterlijk is, die is mij niet waardig.’
Alsof Hij zeggen wilde: wie niet alle uiterlijkheden van de geschapen wereld achter zich laat, die kan in deze goddelijke geboorte niet ontvangen of geboren worden. Maar door jezelf te beroven van jezelf en van alles wat uiterlijk is, daardoor wordt het je in waarheid gegeven. En naar waarheid geloof ik en ben ik er zeker van dat mensen die daarin standhouden nooit van God gescheiden kunnen worden, door niets en niemendal, op geen enkele wijze. Ik zeg: zij kunnen op geen enkeIe manier tot doodzonde vervallen. Eerder zouden ze de smadelijkste dood sterven, zoals ook de heiligen die ondergingen, dan dat ze de allergeringste doodzonde zouden begaan. Ik zeg: ze kunnen zelfs geen dagelijkse zonde begaan of bewust voor zichzelf of bij anderen toelaten als ze dat kunnen verhinderen. Ze worden zo sterk en met zo’n gewenning tot die geboorte gelokt en getrokken, dat zij zich nooit tot een andere weg kunnen wenden, ze richten al hun zinnen en krachten daarop.
Tot deze geboorte helpe ons God die telkens opnieuw menselijk wordt geboren, opdat wij zwakke mensen in Hem goddelijk worden geboren; daartoe helpe Hij ons eeuwig. Amen.