sleutelwoorden nav Johannes van het kruis

 

SLEUTELWOORDEN/GEDICHTEN BIJ TEKSTEN VAN JOHANNES VAN HET KRUIS

AANRAKING

Hij die pijn lijdt door de liefde,
een door ’t goddelijk geraakte,
is zo anders in zijn zinnen,
dat zijn zinnen hem begeven
Aangeraakt worden is de eerste manier om de eenzaamheid,
de verlatenheid op te
lossen. aan je laten komen.

M. Vasalis: steen

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos wordt als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.

Lucebert: Alles van waarde is weerloos, wordt van aanraakbaarheid rijk.

WONDE

En allen die daar rondlopen
gaan mij van Jou duizend bekoorlijkheden melden,
maar allemaal wonden ze mij nog meer,
en mij laat stervend achter
een ik-weet-niet-wat dat zij blijven stamelen.

H. Faverey: De wond, heropend; zijn hoogmoed:

het wordende zoals het is.
Zijn wond: waarom het zo is en hoe
het dwars door zich heen zo redeloos
niet is. Toch, zodra ik iets hoor
is het water. Zonder water is er geen
leven; zonder dood is er nergens water.
Ofschoon dit alles waar is, moet het
zijn gelogen. Ook hoe de wond
zich herstelt uit als zijn wonden door als
sluwste, als doortrapste wond te blijven
bloeden: uit jouw wonden, mijn wonden.

VERLANGEN

De kleine witte duif is
In de ark met de olijftak weergekomen.
Zij heeft, de kleine tortel,
de vriend van haar verlangen
gevonden aan de groene waterzomen.

Ik leef, maar niet in mijzelf,
en mijn hopen is zo hunk’rend,
dat ik sterf van niet te sterven.

En verlustig ik mij, Heer,
in de hoop U te aanschouwen,
dan verdubbbelt het besef dat
‘k U verliezen kan mijn smart;
waar ik leef in zulk een vrees
en verlang met zo’n verlangen
ga ik dood aan mijn niet-sterven.

H. Keuls:
Het hart weeft steeds aan een onzichtbaar kleed,
De draden zijn gemaakt van vreugd en leed.
Patroon en kleuren wiss’len als seizoenen;
Het hart weet zelf: nooit komt het kleed gereed.

W. Spillebeen:
Woorden zeggen en dingen noemen
daardoor bewoond? Leven zeggen en dood
denken? Honger zeggen en weten
dat niets ooit zegbaar zal zijn?

A. R. Holst:
hoe wij ook naar dode dagen smachten;
hij wint slechts liefde die door zon en nachten
steeds naar de poort van nieuwe tijden streeft.

Gemis is het waarachtige bezit.
Verlangen is het volkomen geluk.
Dit heb ik eindelijk begrepen, dit
is het enige dragelijke juk.

BRON

Ik ken de bron,
haar wellen en haar stromen,
al is het nacht.

J. van Domselaer:
Mochten alle dingen hebben afgedaan
die schuiven tussen minnaar en beminde,
hun onrust, hun drijven, wreed misverstaan
van wat ik wou…Hoe ooit den stroom hervinden,
stroom die zichzelven schept! Want in mij trilt
een blinde hunkering naar ongekende
vlucht, bedroefd, vervoerd, in een geluksellende –
een vreemde drang, die niet wil zijn gestild.

H. Warren:
Honderden spiegels van honderden dagen
hebben vergeefs getracht je te vervormen.
Ik heb je lief, ik heb geen andere goden
meer voor mijn aangezicht. Ik heb je lief
vanaf de stieren uit de grot van Aurignac
tot aan deze versregel van Genet:
‘ik ga de liefde in zoals het water in,
blind, handpalmen vooruit, mijn ingehouden
snikken zwellen jouw hart in mij en
steeds zwaarder wordt het er, steeds eeuwiger.’

SCHOONHEID

Nooit om alle schoon te zamen
geef ik ooit mijzelven prijs;
w‚l aan een weet ik niet wat,
waar men per geluk slechts aankomt.

NACHT

Zonder steun en toch gedragen,
zonder licht en in het donker levend,
raak ik restloos opgeteerd.

J. van Domselaer:
O beeld dat mij te zeer ontbreekt
ik tast de gronden af naar u,
waar gij mij kunt behoren, waar ik
in u vergaan kan, zegevierende,
die alle weten hebt gevangen
in uw aanzijn en teniet gedaan,
brand zonder weifeling, feilloos gestuwd
naar eigen eis van zelf geheel te zijn,
dwingend verschenen, dat er niets overblijft-
ik zoek, niet u te grijpen, slechts gegrepen
in uw bezit te zijn, uw macht te zijn.

W. de M‚rode:
Misschien heb jij ’t verschrikkelijke beseft
dat je God overal zoekt en nergens treft,
tot Zijn gelaat de duisternis deed wijken
en jij, Hem ziende, duister moest bezwijken?

H.C. ten Berge:
Die niets het zijne noemde
voordat hij zichzelf had opgegeven
stond ontledigd op de keien
in een donkere nacht:
dichter zonder beelden
imker zonder bijen.

Alleen en naamloos schrijft hij
in de stil geworden nacht
spreekt hij traag, gehinderd
door een zieke tond
zijn half verdoofde zinnen uit:
‘Er is geen keus, er is geen toeval
niemand kan nog dood of leven met zijn engel ruilen
niemand kan zijn lamp hier in het donker
in de aarde vinden.’

H. Oosterhuis:
Ik radeloos gelukkige
mijn ziel
zee onder schotsen fonkelend
zwart licht
gesternte onder puin en as
begraven onzienlijk licht
steekvlammen dun als berglucht
mijn gewrichten
dooraderend verwilderend
ontschaduwd licht
zenuwenziel
die gaten schroeit
als arendsogen
in mijn gezicht.

Ziel
kleinste onbekende
doe mij gaan
door deze nacht
dit waanlandschap
dit onbestaan
tot waar wie op mij wacht
die achter namen woont
hartslag doodstilte duur
van dit ontvonkt moment
die wonden is dorst
lafenis de ongevonden
vondeling de zielsbeminde
die mij kent.

G. Smit:
Misschien, nu is het nacht, een
diepzeeschelp van zuchten, een
zwarte waterval, voorzichtig
naar buiten gaan.

Rechtstaan en luisteren,
scherp, naar alles wat zingt en kreunt,
joelt en hijgt en gilt in
het donker.

Dicht aan de zwarte grond,
het langzame dier aarde,
door zijn aderen kreunt
zijn heimwee.

Rechtstaan en willen leven,
van diep onder de grond af aan,
verbonden met al wat samen ijlt
door het heelal.


Aangekomen midden in de nacht, muziek
van gisteren verregend, morgen achter donker,
alleen aan mijn tafel, moet ik al wat verborgen
bleef open woorden geven, stemmen die niet

overslaan om vroeger, tekens van hier,
uitspraak van oorsprong, kreet om verwonderd
opzien naar in vrijheid geboren worden,
uitzetten van een eindeloos grensgebied.

EENZAAMHEID

Want ten slotte werkt het verlaten
als een vijl.

VUUR

In de serene nacht,
met de vlam die verteert,
maar geen pijn doet.

O vlam van liefde levend
die teder wondt
van mijn ziel de diepste kern!
want nu ben je niet schrijndend
voltooi als je wilt
breek het weefsel
van dit zoet ontmoeten!

O schroeien zoet!
O genadige verwonding!
O hand zacht!
O aanraking heerlijk!
dat naar leven eeuwig smaakt
en alle schuld betaalt!
dodend, dood in leven hebt gewisseld.

O lampen van vuur
in wier schitteringen
de diepe groeven van het voelen
dat duister was en blind
– met vreemde pracht
warmte en licht geven ze samen
aan hun Beminde!

Hoe mild en liefelijk
ontwaak je in mijn boezem
war heimelijk alleen jij verblijft!
En in je ademen kostelijk
van goed en glorie vol
– hoe heerlijk maak je mij verliefd!

C. Nooteboom:
En toch. Onder de bomen broeide het zaad
Van het vuur dat
Opspring, losbrak, rondrende als
een dolgeworden wolf, schreeuwend en
Bijtend naar nesten en spinrag.

Wat bleef was van as, en de wind,
Toen hij kwam, raakte de
Ijzeren glans in het kool van de bomen,
Strooide zijn lucht in de
Stilte, en

Uitgebloeid was de bloem van het
Vuur.

F. Bourgonje:
De onbevlogen paarden van de nacht
wachten op morgen. Dicht
is de stal. Vergeefs
wachten op licht.

Zwart zijn de paarden die branden
– vuur is het woord dat ontstaat
dat bij het vliegen gloeit
in mijn handen –

Vasalis:
Over dit aadmend oppervlak
heb ik maar licht en snel gelopen
fluistrend: laat mij nog even leven.
Nu waait de wind de diepten open
onder mijn voeten groeit het wak…
Ik hield van u, o groene weiden,
mijn eigen zwaarte laat mij glijden
tot waar de dood mijn vuren blust
in de oude wateren der rust.

P. van Ostaijen:

ANGST
IS
de dans van de geworden dingen naar het

Ontworden

VLAMMENDE
LOGOS

Angst voor de Vlam

EENHEID

VLAM

GELIEFDE

Na een waagstuk van mijn liefde
– ik had de hoop niet opgegeven –
vloog ik op, zo hoog, zo hoog,
dat ik haalde wat ik najoeg.
WIND

Stil, noordenwind, die dood brengt!
kom, zuidenwind, hernieuwd de liefde wekken,
adem door mijn tuin,
en mogen zijn geuren zich verspreiden,
en weiden zal de Beminde tussen de bloemen.

H. Faverey:
Maar waarom zich te koesteren
in de afglans van weer een andere
illusie, zich uit te strekken
onder een boom
die geen schaduw werpt. Roept
een blinde om een blinddoek
de zee soms om zout?

Vol overgave omhelst zijn pijnboom het vuur;
sidderend spreidt de pauw zijn staart;

maar de roos in je haar keert niet terug
aan haar stengel; en de zonen van de wind
lachen om een bruid uit zand.

H. Andreus:
Wind is geen wind, bloemen is geen bloem, aarde is geen aarde.
Ik jaag de wind en ik word gejaagd over de aarde.
Ik snijd een bloem en in geur en ik sterf.
ik geef de aarde vorm en ik begin mijn weg in de ruimte.

Noordenwind:
De wind komt uit het noorden
hol en zwart van regen,
terwijl ik hier in mijn kamer,
de lamp over mijn schouder,
meelevende witte kraanvogel,
woord na woord opteken, –
maar het gaat niet om wat woorden
uitgespaard op de nacht
niet om de vormen van licht,
ook al heb ik die beschreven
in maten en in soorten.

G. Achterberg:
Windmorgen, gij beweegt in mij
met bomen de vergetelheid;
het dwalend woord raakt aangeroerd,
eeuwig bereid
te vinden wat het toebehoort,
gelijk een kind, de moeder kwijt,
zoekt met de ganse zekerheid
van vinden, tegelijkertijd
verloren en verblijd.

De nacht der ziel

Eens op een donkere nacht
In huiverend liefdesvuur ontbrand,
O uitgelezen kans!
Verliet ik ongezien
Mijn huis dat stil en vredig was.

Door donkerte beschut,
Vermomd, langs de geheime trap,
O uitgelezen kans!
In donkerte en verborgenheid,
Mijn huis dat stil en vredig was.

Die uitgelezen nacht,
Verstolen, niemand die mij zag
Noch had ik zelf een duimbreed zicht,
Geleid slechts door het licht
Dat in mijn hart was aangevlamd.

Dat vuur wees mij de weg
Scherper dan het licht omstreeks het middaguur,
Naar waar ik werd verwacht door hem
Die mij vertrouwd was,
Op een plaats waar niemand zich liet zien.

O nacht, jij was mijn gids,
Nacht innemender dan ochtendgloren;
Nacht, jij bracht
Minnaar en beminde samen;
De beminde in de Minnaar opgegaan.

Op mijn bloeiende borsten
Die voor hem alleen waren bewaard
Bleef hij sluimeren,
En ik, ik streelde hem,
En uit de ceders waaierde de nachtwind aan.

De nachtwind van de tinnen, die
-toen ik zijn haren spreidde-
Met zijn hand mijn hals
Sereen een wond toebracht
Waardoor mijn zinnen een voor een bezweken.

Ik bleef, vergat mijzelf,
Gezicht tegen mijn Minnaar aangevlijd;
Alles hield op, ik raakte mij kwijt,
Mijn zorgen liet ik varen
Tussen witte lelies, in vergetelheid.

vert. H.C. Ten Berge

HET GEDICHT VAN DE NACHT

In een nacht, aardedonker,
in brand geraakt en radeloos van liefde,
– en hoe had ik geluk! –
ging ik eruit en niemand
die ’t merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.

In ’t donker, geheel veilig
langs de geheime trap en in vermomming,
– en hoe had ik geluk! –
in ’t donker, ongezien ook,
want alles in mijn huis lag reeds te slapen.

In de nacht die de kans geeft,
in het geheim, zodat geen mens mij zien kon
en ook ikzelf niets waarnam:
ik had geen ander leidslicht
dan wat er in mijn eigen binnenst brandde.

Dat was het dat mij leidde
– zekerder dan het zonlicht op de middag –
daarheen waar op mij wachtte,
van Wie ik zeker zijn kon
en op een plaats waar niemand ooit zou komen.

O nacht die mij geleid hebt!
O nacht, mij liever dan het morgengloren!
O nacht die hebt verenigd
Beminde met beminde,
beminde, opgegaan in de Beminde!

Aan mijn borst, wei vol bloemen,
Hem alleen, onbetreden voorbehouden,
daar is Hij ingeslapen
en heb ik Hem geliefkoosd
en gaf de waaier van de ceders koelte.

De koelte van de tinnen
kwam, onderwijl ik door zijn haren heenstreek,
met haar hand licht en rustig,
mij aan de hals verwonden
en stelde al mijn zinnen buiten werking.

Mijzelf liet ik, vergat ik;
ik drukte het gelaat aan mijn Beminde;
het al stond stil, ik liet mij gaan,
liet al mijn zorgen liggen:
Tussen de witte leli‰n vergeten.
vert. H. Peters

HET GEDICHT VAN DE NACHT
vert. H. Oosterhuis

Toen zo ver ik zien kon
geen vuur brandde
geen licht gloorde
alsof licht nog nooit geroepen was
vuur nog niet uitgevonden
ben ik gegaan
mijn ziel in mij
een gloeiende draad
een laaiende strohalm.

Door spiegelgangen
ben ik gegaan
door open deuren naar buiten
de brandtrap af
de valkuil van de slaap voorbij
mijn ziel in mij
een gloeiende draad
een laaiende strohalm.

Zou zon bestaan
zouden sterrenwegen
opduiken begaanbaar
zou droomachtig mooi
boven mij
de stad van de maan –
of zou ‚‚n enkele
man met ogen van
weerlicht mij wenkende
hoog aan de hemel staan
ik zou niet gaan in
dat licht.

Ik radeloos gelukkige
mijn ziel
zee onder schotsen fonkelend
zwart licht
gesternte onder puin en as
begraven onzienlijk licht
steekvlammen dun als berglucht
mijn gewrichten
dooraderend verwilderend
ontschaduwd licht
zenuwenziel
die arendsogen schroeit
in mijn gezicht.

Ziel
kleinste onbekende
doe mij gaan
door deze nacht
dit waanlandschap
dit onbestaan
tot waar wie op mij wacht
die achter namen woont
hartslag doodstilte duur
van dit ontvonkt moment
die wonder is dorst
lafenis de ongevonden
vondeling de zielsbeminde
die mij kent.
LIEFDE

GEESTELIJK HOOGLIED

ZIJ
Waar houdt Gij u verscholen,
Geliefde die mij achterliet, in stenen,
En, vluchtend hert, ging dolen
Van wie uw pijl deed wenen?
Ik liep U na, en riep, maar Gij waart henen.

Mocht, herders, welgezinden,
Ge in ’t langs de kooien naar de hoogte zwerven,
Bij toeval H‚m daar vinden,
Wiens liefde ik niet kan derven,
Zegt Hem, hoe ‘k wegslink, pijn lijd en moet sterven.

Op zoek naar Liefs verrukken,
Zal ‘k ginds door ’t bergland gaan en de oeverstreken,
Ik zal geen bloemen plukken,
Mij voor geen dier versteken,
Voor burcht en sterke grens mijn tocht niet breken.

VRAAG AAN DE CREATUREN
Struwelen, loverbossen,
Die Liefste’s eigen handen planten deden:
Weiden vol bloemen, mossen,
Rijk smalt van heerlijkheden,
O zegt mij, kwamen door uw groen zijn schreden?

ANTWOORD DER CREATUREN
Die gunst na gunst verspreidde,
Betrad het haastig om weer snel te ontwijken,
Toch liet Hij hout en weide
Door even rond te kijken
In ’t smetteloze kleed der schoonheid prijken.

ZIJ
Ach, wie kan mij genezen!
Dat Gij u g ns te geven niet meer vlode!
Zend, smeek ik, mij na dezen
Nooit meer een andere bode:
Slechts ‚ne, £w konde heeft mijn ziel van node.

En allen die hier dwalen,
Prijzend uw gunst als liefelijk bovenmaten,
Wonden mij duizendmalen,
Stervend als zij mij laten
Door ‘k weet niet wat waarvan zij stamelpraten.

Maar gij, h¢e kunt ge, o leven,
’t Niet-leven w ar gij leeft verduren blijven,
In wie de pijlen beven,-
Die ten dode drijven!-
Van wat uw dromen u als ’t Lief beschrijven?

’t Hart dat Gij z¢ fel raakte,
Wat draalt uw vrede hand zijn pijn te doven?
Die ’t U toch eigen maakte
Wat liet Gij ’t weggeschoven,
En neemt de buit niet mee die Ge eerst kwaamt roven?

Blus Gij mijn heet benauwen,
Want geen vermag z¢ veel dat hij het stilde;
Laat U mijn blik aanschouwen,
Waar slechts £w licht in trilde
En die ‘k voor U alleen bewaren wilde.

O bronwel, kristallijnen,
Deedt plotseling ge uit zilveren spiegelingen
Mij de ogen tegenschijnen,
Waarnaar mijn dromen dingen,
En van wier beeld in ’t hart mijn aderen zingen!

Neen, wend hen af, Beminde,
Mijn ziel begint haar vlucht!

HIJ
Keer weder, duive,
Dat, wond, het hert u vinde
Waar hem uw wiekslag wuive,
Hoog op de heuveltop, en koelte snuive.

ZIJ
Mijn Lief: de bergekruinen,
De eenzame, woud-doorzongen schaduwdalen,
De uitheemse eilandtuinen,
De heldere stroomverhalen,
Der winden diep-verliefde fluistertalen.

De stille nacht bij ’t neigen
Der schemering naar ’t eerste dag-beginnen,
Muziek van zingend zwijgen,
Eenzaamheids hoorbaar zinnen,
Het avondmaal dat opwekt en doet minnen.

Ons leger, ’t bloem-bestrooide,
Omringd door holen waar de leeuwen wonen,
’t Met purperzijde ontplooide:
Bed, peluws vrede-tronen,
Met duizend gouden schilden die hen kronen!

Waar hen uw sporen voeren,
Zoeken de meisjes naar uw pas te spoeien,
Naar ’t vuur van uw beroeren,
Uw kruidewijn om te ontgloeien,
Die goddelijke balsem uit doen vloeien.

Waar ’t Lief mij ’t best kon geven,
Zijn diepste kelder, dronk ik: heengetogen,
Was over veld en dreven
Alles mij vreemd voor de ogen,-
Verlaten, had mijn vee zich wegbewogen.

Daar, aan zijn borst genomen,
Mocht ik in haar zijn zoetste wijsheid lezen,
Ben ¡k tot H‚m gekomen
En gaf mij zonder vrezen:
Daar hebt ik Hem beloofd zijn vrouw te wezen.

Mijn ziel, en al mijn krachten,
Hebben zich Hem geheel ten dienst gegeven:
Op ’t vee kan ‘k niet meer achten,
Naar ander werk niet streven,
Want liefde is nu mijn enige taak gebleven.

‘Zij laat zich zien noch horen,’-
Zegt, heet het z¢ ter meent uit aller monden:
‘Zij heeft zichzelf verloren,
Liep liefde-dronken rond en
Scheen de ondergang nabij, maar w s gev¢nden.’

Van bloem en emeraude,
Een kleur, in koele ochtenden te vinden,
Wier bloei uw min benauwde,
Zullen wij kransen winden,
En met een haar van m¡j tezamenbinden.

Dat ene van mijn haren,
Dat los Ge en golvend in mijn hals zaagt hangen,
Trof, in mijn hals, uw staren,
En daar bleeft Ge in gevangen.-
Een van mijn ogen wondde U met verlangen.

Toen £w blik op mij rustte,
Drukten uw ogen in mijn hart uw gratie;
Haar was ’t die Ge in mij kuste,
Zij, voor uw hoge statie,
Gaf aan m¡jn ogen ’t recht tot adoratie.

Wil mij niet lelijk smaden,
Want zo ‘k eerst donker was voor uw gedachten,
Nu kunt Ge uw blik verzaden,
Daar sinds z¡j mij betrachten,
Uw ogen gratie mij en schoonheid brachten.

Vangt ons de dartele vossen,
Want onze wijngaard bloeit al, onvolprezen,
Wijl we uit de roze trossen
Een tuil tezamen lezen,
En op de heuvel zij geen mens te vrezen.

Staak, IJswind, uw verkillen,
Kom gij die liefde wekt naar alle zijden,
Auster, mijn tuin doortrillen
En al zijn geur verspreiden:
Mijn Liefste zal er tussen bloemen weiden.

HIJ
Nu is mijn Vrouw hem binnen,
De hof, die lieflijke, een droom voor de ogen!
In vrede boven zinnen.
Haar hals zacht weggebogen
Op Liefs zoete armen, aan zijn borst getogen.

Onder het appel-lover,
Daar werd uw hart met Mij tot trouw verbonden,
Daar gaf Ik Me aan u over,
En g¡j hebt heil gevonden,
Waar ’t onheil eens uw moeder had geschonden.

Hoort, vogels, wufte galen,
Leeuwen, damherten, en springende hinden,
Stranden en bergen, dalen,
Hitten, wateren, winden,
Nachtvrezen, schrik voor wie de slaap niet vinden:

Bij ’t lokspel van de snaren
En ’t zingen der Sirenen, hoort, hoe ‘k vrage,
Dat gij uw toon laat varen
En niets dit huis belage,
Opdat mijn Vrouw niet wakker schrikke en klage.

ZIJ
Judea’s nimfen-reien,
Wijl bloem en rozelaar in bloei hier prijken,
Vol reuk van specerijen,
Blijft in de buitenwijken:
Tot onze drempels mag uw tred niet reiken.
Kom, Liefste, U zelf verstreken
En wend uw ogen naar der bergen tinnen,
Wil van ’t geheim niet spreken,
Maar zie de gezellinnen
Van wie vreemd land doortrekt om U te minnen!

HIJ
’t Witte duifje is van haar dolen
Nu met de twijg naar de ark teruggekomen;
Reeds vond ze, in ’t loof verscholen,
De tortel van haar dromen
Dicht bij de stroom, in ’t groen van de oeverbomen.

Eenzaam was heel haar leven
En eenzaam waar zij zich haar nest bereidde;
Door eenzaamheid omgeven,
Toen, eenzaam, ’t Lief haar leidde,
Eenzaam, toen ’t Lief haar wondde dat zij schreide.

ZIJ
Verblijden we ons, Beminde,
En gaan we onszelf, op berg of heuvelklingen,
In £we schoonheid vinden,
Waar zuivere wateren springen;
Daar laat ons ’t dichtste struikgewas doordringen.

En ware ons eerste zorgen
Te spoeden naar de hoge rots-spelonken,
In ’t kreupelhout verborgen;
Dat wij daar nederzonken
En er de most van de granaten dronken!

Daar zoudt Gij me alles tonen,
Waartoe mijn ziel zich voelde heengedreven
Om met £ saam te wonen:
Daar zoudt Ge mij, mijn leven,
Wat Ge mij ‚ens gaaft dadelijk nogmaals geven.

Der lucht diepe ademhalen,
’t Bosje in zijn liefelijkheid van kleur en lijnen,
De zoete zang der galen,-
In heldere nacht, bij ’t schijnen
Der vlam die ’t hart verteert, maar niet doet pijnen.

Want alles bleef verdoken,
En ook Aminadab sch£wt deze gaarden:
’t Beleg werd onderbroken,-
Toen zij de stroom ontwaarden,
Stegen de ruiterbenden van hun paarden.

vert. H. Peters