Augustinus: gloeien en hollen

Gloeien als kool
Hollen of stilstaan

GLOEIEN ALS KOOL

U luistert nu naar mijn preek. U luistert met gespitste oren. U komt door het Woord van God in een levendige stemming en deze aansporing is hartverwarmend. Ik doe in uw zielen iets ontbranden: ik zie het en ik herken dat. Maar Iaat die vlam uw harde kern aansteken. Als straks de preek is afgelopen, gaat u immers weg van deze plaats, de stormen tegemoet en de koude van de wereld in. U weet
dat deze wereld lijkt te bruisen van een tegendraads jaarlijks feest. De wind is koud, waarbij men moet vrezen dat de harten van de christenen verkillen en verharden. Laat het Woord van God daarom de kern van uw hart ontsteken, broeders en zusters. Want als die ontvlamt, zullen de stormen waaraan u weldra buiten bloot zult staan, het grotere vuur eerder aanwakkeren. Ze zullen het niet doven, als het tenminste niet zo’n klein vlammetje ,is dat kan worden gedoofd.
Als uw hart alleen maar smeult als een vlaspit, wanneer u roept, het Woord van God bemint en zich erover verheugt, dan gaat u straks weg van hier naar buiten en zal het door de adem uit één mond worden uitgeblazen wanneer iemand u vraagt: ‘Gaat u echt vasten vandaag?’ Het Woord van God zal dan meteen doven, omdat het smeulde als een vlaspit.
Gloeit het echter zoals een houtskoolvuur, dan zullen de rukwinden het vuur aanwakkeren en feller laten branden, hoezeer ze ook de verdorven verleiding recht in uw gezicht blazen. Welnu, mensen gloeien als houtskoolblokken die weer tot leven zijn gekomen. Wanneer houtskoolblokken namelijk gloeien, komen zij in zekere zin uit de doden opnieuw tot leven. Velen gebruiken deze zegswijze
ook in het dagelijks leven. Als zij het haardvuur laten aansteken, zeggen ze: ‘Breng levende blokken hout.’ En met ‘levende’ bedoelen zij dan ‘gloeiende’. Daarmee duiden zij natuurlijk aan dat gedoofde houtskoolblokken als het ware dood zijn.
Als u dus door de vurige liefde van Christus weer tot leven bent gekomen, Iaat dan het verlangen naar Hem in uw harten gloeien, zodat geen enkele rukwind van verleiders het uit kan blazen. Ik weet namelijk wat u zult meemaken wanneer u hier naar buiten gaat. Ik dank God dat u hier bent samengekomen! Want het bevalt mij niet slecht dat u in deze dagen vaker samenkomt. Integendeel, dat bevalt
mij zelfs goed. U hebt zo’n gedragswijze gevonden dat bij u werkelijkheid wordt wat is gezegd: ‘Red ons, Heer onze God, breng ons uit de heidenvolken weer samen.’Z8 Want zij die er andere gewoonten dan u op na houden, storten zich op andere bezigheden en geven zich over aan afwijkende, ijdele genoegens. Zo geven zij u een mogelijkheid om u vrij te maken voor deze samenkomsten. U bent dus
nu samengebracht. Ook al gaat u straks naar buiten, ontmoet u heidenen en komt u met hen in lichamelijk contact, u zult toch steeds uit die heidenvolken samengebracht blijven, als u zich tenminste niet Iaat verleiden tot instemming met hun slechte grappen en grollen. U zult uit de heidenen samengebracht blijven, waar u zich lichamelijk ook bevindt. En ik hoop dat u alleen maar op de straten en pleinen de brutale verleiders hoeft te dulden en niet ook nog eens in
uw eigen huis! Het komt namelijk voor dat een vader wil vasten, maar zoonlief niet; of dat de zoon het wil, maar zijn vader niet; of dat een echtgenoot het wil, maar niet zijn vrouw; of dat de echtgenote wil vasten, maar niet haar man. Wie dan niet wil vasten en dat niet wil omdat hij die dag als een feestdag ziet, is een tegenwind. Maar laat wie vast, zo vurig branden dat hij niet alleen zelf in vuur en vlam kan blijven, maar dat ook een ander door hem wordt aangestoken.
HOLLEN OF STILSTAAN

[1] Bij het voorlezen van het heilig evangelie hoorden we dat de Heer gastvrij werd onthaald door een godvruchtige vrouw die Marta heette. Terwijl zij druk in de weer was met bedienen, zat haar zuster Maria aan de voeten van de Heer en luisterde naar zijn woorden. De een was druk bezig, de ander deed niets; de een gaf, de ander kreeg. Marta, die het vuur uit haar sloffen liep, deed een beroep op de Heer en klaagde dat haar zuster haar niet de helpende hand bood. Maar bij zijn antwoord aan Marta nam de Heer het op voor Maria. Hij was er als Rechter bij geroepen maar werd haar Verdediger. Hij zei: ‘Marta, je maakt je druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet
worden ontnomen.
Wij hebben het beroep op de Heer gehoord en het vonnis van de Rechter. Dit vonnis was zijn reactie op de aanklacht van de een: zo koos Hij partij voor de ander. Want Maria was helemaal gericht op de heerlijke woorden van de Heer. Marta richtte zich helemaal op de vraag wat zij de Heer zou voorzetten, Maria op de vraag wat de Heer háár zou voorzetten. Marta bereidde een maaltijd voor de Heer, Maria genoot van zijn maal. Maria laafde zich dus aan zijn overheerlijke woorden en deed zich volop te goed. Maar haar zuster beklaagde zich bij de Heer. Wat moet Maria bang geweest zijn dat de Heer haar zou zeggen: ‘Sta op, ga je zuster helpen!’ Ze zat juist zo heerlijk te genieten. Het genot van de geest is toch veel groter dan dat van de maag. Maar de Heer heeft haar verontschuldigd en ze kan rustig blijven zitten. En hoe heeft Hij haar dan verontschuldigd? Dat moeten we nader bekijken en bestuderen en onderzoeken zo goed we kunnen: laten ook wij ons te goed doen!
[2] Wat is er aan de hand? Denkt u misschien dat Marta terecht gewezen werd vanwege haar dienstbaarheid? Omdat ze helemaal opging in de gastvrijheid en de Heer met open armen had ontvangen? Hoe kan het dat een vrouw die blij was met zo’n hoge gast, terechtgewezen werd? Als dat terecht is moeten alle mensen die zich inzetten voor de armen daar nu maar mee ophouden. Zij moeten voor zichzelf maar het beste deel kiezen, dat hun niet zal worden ontnomen. Zij moeten zich vrijmaken voor het woord en gretig het heerlijk onderricht opnemen. Zij moeten zich bezighouden met de kennis van het heil. Dan kan het hun niets schelen dat er een vreemdeling in hun buurt is, dat iemand brood of kleding nodig heeft, dat iemand bezocht of vrijkocht of begraven moet worden.
Laat de werken van barmhartigheid maar liggen, laat alleen de kennis tellen. Als dat het beste deel is, waarom pakken we dat dan niet allemaal, nu we in deze kwestie de Heer zelf aan onze kant hebben? We hoeven niet bang te zijn hiermee afbreuk te doen aan zijn rechtvaardigheid: we hebben toch zijn vonnis mee?
[3] Maar nee, zo is het niet. Zoals de Heer het zegt, zo is het. Het is niet wat u denkt, nee, het is wat u zou moeten denken. Let goed op. ‘Je maakt je druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen.’s Jij hebt geen slecht deel gekozen, Marta, maar dat van haar is beter. Waarom beter? Omdat jij je druk maakt om van alles, en zij om maar één ding. Het ene wordt gesteld boven het vele, want het ene komt niet van het vele maar het komt van het ene. Er is van alles gemaakt, maar er is één Maker. De hemel en de aarde, de zee en alles erin, wat is dat veel! Wie kan dat tellen, wie kan dat getal bevatten? Wie heeft dat alles gemaakt?
God heeft alles gemaakt, en zie, het was heel goed.’Heel goed was wat Hij maakte: hoeveel beter is dan de Maker?
Laten we nu eens kijken naar onze zorgen om van alles. Dienstbaarheid is nodig om mensen te verzorgen. En waarom? Omdat er eenmaal honger bestaat, en dorst. Lijden roept om medelijden. U deelt uw brood met hongerigen, omdat u hongerigen op uw weg aantreft. Schaf de honger eens af, als u kunt: met wie deelt u dan nog uw brood? Schaf het reizen af: aan wie verleent u dan gastvrijheid? Schaf de naaktheid at wie kunt u dan nog kleden? Weg met de ziektes: wie kunt u dan nog bezoeken? Weg met de gevangenschap: wie kunt u dan nog vrijkopen? Weg met de ruzies: wie kunt u dan nog met elkaar verzoenen? Weg met de dood: wie kunt u dan nog begraven? In de tijd die komen gaat zal al die ellende er niet meer zijn. Dan zijn al die goede zorgen dus ook niet meer nodig!
Daarom deed Marta er goed aan zich te bekommeren om de lichamelijke noden van de Heer -hoe moet ik het noemen: noden, wensen, gewenste noden? – en te zorgen voor zijn sterfelijk lichaam.
Maar wie zat er in dat sterfelijk lichaam? ‘In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. ‘ Kijk hiernaar luisterde Maria. ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.”o Kijk, daarvoor zorgde Marta. Maria heeft dus het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.” Zij koos voor wat blijvend is en dat zal haar dus niet worden ontnomen. Zij wilde zich met slechts één ding bezighouden en dat had ze al: ‘Voor mij is het goed nabij God te zijn.”” Zij zat aan de voeten van ons Hoofd: hoe lager haar plaats, hoe meer zij ontving. Water stroomt naar het laagste punt van het dal; het komt van de heuveltoppen naar beneden.
De Heer veroordeelt werken op zich dus niet, maar Hij maakt onderscheid tussen de verschillende taken. Hij zegt: ‘Je maakt je druk over van alles, maar slechts één ding is nodig.” Daar heeft Maria al voor gekozen: de veelheid van zorgen is van voorbijgaande aard, de eenheid van liefde blijft. Wat zij heeft gekozen zal haar dus niet worden ontnomen. Maar wat jij, Marta, hebt gekozen –dat volgt hier natuurlijk uit, dat lezen we tussen de regels door -wat jij hebt gekozen zal je worden ontnomen. Maar het zal je worden ontnomen voor je eigen bestwil, want je krijgt er iets beters voor terug: het zwoegen zal je worden ontnomen, je krijgt er rust voor terug. Jij bent nog op zee, zij is al in de haven.
[4] U ziet waar het bij deze twee vrouwen om gaat, beste mensen, en volgens mij hebt u het al door. Ze zijn de Heer allebei dierbaar, Hem allebei even lief, allebei zijn leerling. U ziet en begrijpt iets belangrijks, u allen die begrijpt wat u moet horen en weten, en ook wie van u dat niet begrijpt: deze twee vrouwen stellen twee levens voor. Ze staan voor het huidige en het toekomstige leven, een leven van werken en van rust, van verdriet en van geluk, het tijdelijke en het eeuwige leven. Twee levens die ik zo kort mogelijk beschreven heb. Het is aan u om er eens uitvoeriger bij stil te staan.
Hoe ziet het ene leven eruit? Ik noem het niet slecht, niet verkeerd, niet misdadig, niet losbandig, niet gewetenloos. Wel is het moeizaam, vol verdriet en angst, en zwaar beproefd. Ik heb het over het rechtschapen leven dat bij Marta hoorde. Bekijk dat leven nu eens zo goed u kunt. U moet er zoals ik al zei wat uitvoeriger bij stilstaan dan ik er nu over spreek. Een slecht leven kwam niet voor in dat huis, niet bij Marta en niet bij Maria. En als het er al ooit was vluchtte het weg bij binnenkomst van de Heer.
In dat huis waar de Heer gastvrijheid kreeg bleven dus twee levens over, voorgesteld door twee vrouwen: allebei rechtschapen, allebei het bewonderen waard. Het ene een leven van werken, het andere van rust. Zonder misdaad en zonder luiheid. Allebei rechtschapen, allebei het bewonderen waard, zoals ik al zei, maar het ene een leven van werken, het andere van rust. Zonder misdaad, want daar moet je voor oppassen bij een leven van werken. Zonder luiheid, want daar moet je voor oppassen bij een leven van rust. Er
waren in dat huis dus twee levens, en bovendien de bron van het leven zelf.’
Marta verbeeldde het heden, Maria de toekomst. Wat Marta deed, dat doen wij hier. Wat Maria deed, daar hopen we op. Laten we dit leven hier goed leiden, zodat we dat andere volledig zullen bezitten. Maar hoe groot is nu, zolang we nog hier zijn, ons deel aan dat andere leven -als we er al deel aan hebben? Hoe groot is het deel dat we hebben van dat andere leven? En wat is dat dan voor deel? Ja, ook nu maken we daar al iets van mee! Ver van uw bezigheden, vrij van huiselijke beslommeringen bent u hier samengekomen, staat u daar en luistert. Voor zover u dat doet lijkt u op Maria. En voor u is het makkelijker te doen wat Maria deed, dan voor mij wat Christus deed. Maar als ik u iets over Christus vertel dan is dat wel uw voedsel, omdat het van Christus komt. Hij is ons gemeenschappelijk brood waarvan ook ik leef, als ik al leef. Maar we leven weer op nu u blijft staan in de Heer: Is niet in mij, maar in de Heer. Want noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft.
[5] Goed, in hoeverre krijgt u nu deel aan dat andere leven door te luisteren en uw verstand te gebruiken? Hoeveel begrijpt u van het leven waarvoor Maria model stond? Laat de duisternis van deze tijd voorbijgaan. ‘Vroeg in de morgen,’ staat er, ‘zal ik voor U staan en U aanschouwen.’ En ook: ‘Blijdschap en vreugde schenkt U mij als ik U hoor, en mijn nederig gebeente springt Op.’Nederig gebeente dat is zoiets als de ledematen van iemand die op de grond zit. Dat was het geval met Maria: zij had zich nederig opgesteld, en haar honger werd gestild.
Zij zat. Waarom heb ik dan net gezegd: ‘Vroeg in de morgen zal ik voor U staan en U aanschouwen’? De morgen verwijst naar de komende tijd. Maar hoe kun je dan zitten en staan tegelijk? Als de duisternis van deze tijd voorbij is, ‘zal ik voor U staan en naar U kijken,’ zegt de psalmist, ‘voor U staan en U aanschouwen.”o Hij zegt niet: ‘Ik zal zitten…’ Hoe kan een zittende Maria model staan voor zoiets verhevens, terwijl er geschreven staat: ‘Ik zal voor U staan en U aanschouwen?’ U moet hier niet van in de war raken. Het gaat hier alleen maar om iets wat fysiek onmogelijk is. Van een lichaam kun je natuurlijk niet verlangen dat het op een en hetzelfde moment staat en zit. Want als het zit staat het niet en als het staat zit het niet.
Het lichaam kan niet beide tegelijk. Maar als ik nu laat zien dat de geest dat wel kan, dan hoeven we toch niet meer te twijfelen? Want als zoiets nu al mogelijk is, wordt het later voor de mens nog veel makkelijker, wanneer alle moeilijkheden voorbij zijn. Goed, een voorbeeld ter verduidelijking. Paulus zegt zelf ‘We leven weer op, nu u blijft staan in de Heer.’ Deze grote apostel nee, Christus zelf gebood ons via de apostel om te blijven staan. Waarom zegt diezelfde apostel, of liever Christus via de apostel, ook tegen ons: ‘Laten wij in ieder geval op de ingeslagen weg blijven. Hier staat ‘staan’, daar staat ‘lopen’. En lopen is nog niet genoeg. Nee, er staat: ‘Rén om te winnen.’
Let op, geliefde broeders en zusters, en probeer het te begrijpen: hij gebiedt ons te lopen én hij gebiedt ons te blijven staan. En het is niet zo dat we moeten stoppen met lopen als we blijven staan, of moeten ophouden met staan als we doorlopen, nee: we moeten tegelijkertijd blijven staan én doorrennen. Wat betekent dat dan, dat we moeten blijven staan én doorrennen? We moeten standvastig blijven én vorderingen maken.
De psalmist zegt: ‘Leer mij uw wegen kennen, Heer.”s Wat moeten we op de wegen die Hij ons leert kennen, anders doen dan lopen? En verder: ‘Leid mij op uw weg, Heer. Wat willen we daar anders dan lopen? Maar aan de andere kant willen we bijna vastgeklonken worden op één plek: ‘Sta niet toe dat mijn voeten zich bewegen.’ En ergens anders klinkt het blij en dankbaar: ‘Hij heeft niet toegestaan dat mijn voeten zich bewogen.”8 Stel dat we de psalmist zouden vragen: ‘Waarom wilde u de wegen van de Heer leren kennen? Waarom wilde u dat de Heer u op zijn weg leidde, maar wilt u tegelijkertijd dat uw voeten zich niet bewegen, ja, bent u dankbaar dat uw voeten zich niet mochten bewegen? Hoe kunt u lopen zonder uw voeten te bewegen?’ Dan zou hij ons antwoorden: ‘Ik liep want ik deed iets, ik ben blijven staan want ik viel niet terug.’
Verbaas u dus niet, broeders en zusters. U ziet, wat het lichaam niet kan lukt de geest wel. Wat het lichaam betreft: als u loopt, blijft u niet staan; als u blijft staan, loopt u niet. Wat uw geest, uw geloof, uw bedoelingen betreft: blijf staan én loop. Blijf standvastig en maak vorderingen. Want we leven weer op nu u blijft staan in de Heer.
En ook: ren om te winnen. Zo kunt u dus, lieve mensen, zitten en staan tegelijk. Zitten, want wij zullen onze Schepper vanuit een nederige positie aanschouwen. En staan, want wij zullen blijven in eeuwigheid.
[6] Ik ga nog een stap verder: wij zullen ook liggen, wat weer iets anders is dan zitten of staan. Wij zullen liggen… Ik zou het woord niet durven zeggen als de Heer het niet zelf had beloofd: ‘Hij zal hen aan tafel doen aanliggen.’31 Hij beloofde zijn dienaren een hoog loon: ‘Hij zal hen aan tafel doen aanliggen,’ staat er, ‘en hen komen bedienen.’ Zo’n leven wordt ons beloofd: de Heer zal ons aan tafel doen aanliggen en ons komen bedienen. Hij had dat ook al gezegd toen Hij het geloof van die centurio bewonderde en prees: ‘Ik zeg u dat velen uit oost en west zullen komen en aan tafel zullen aanliggen met Abraham, Isaak en Jakob in het koninkrijk der hemelen.’
Een grote belofte, een grandioze beloning. Laten we ons best doen om die te verdienen. Moge de Heer ons helpen om daar te komen en aan zijn tafel aan te liggen, waar Hij ons zal bedienen. Wat is aanliggen anders dan uitrusten? Wat is bedienen anders dan van voedsel voorzien? En wat is dat voor voedsel, wat is dat voor drank? Niets anders dan de Waarheid zelf. Dat voedsel maakt ons sterker en wordt zelf niet minder. Het voedt ons en heelt ons door zijn voedzaamheid. Het wordt niet verteerd door degene die het tot zich neemt. Nee, het maakt heel en het blijft heel.
Gelooft u niet dat God ons zo kan voeden? Worden uw ogen niet op dezelfde manier gevoed door het licht hier? Uw ogen worden gevoed door het licht. Hoeveel mensen er ook kijken, het blijft even sterk. Hoe weinig mensen er ook kijken, het blijft even sterk. Het licht voedt de ogen en wordt zelf niet minder. J e neemt er iets van op en het wordt niet minder. Je haalt er iets van af en het gaat niet stuk. Dat kan het licht doen voor de ogen. En God zou dat niet kunnen doen voor mensen die veranderd zijn? Dat kan Hij, dat kan Hij echt.
Waarom begrijpt u het nog niet? Omdat u zich druk maakt over van alles.De taken van Marta zorgen ervoor dat u, of liever, wij allemaal, het heel druk hebben. Want wie van ons is gevrijwaard van de plicht om te helpen? Wie kan op adem komen bij al deze zorgen? Laten we naar eer en geweten onze plicht doen, en laten we het met liefde doen. Dan zal het moment aanbreken dat wij aan tafel gaan en dat de Heer ons zal komen bedienen. Hij zou ons niet bedienen als Hij niet eerst van hier naar de Vader was gegaan. Hij was namelijk nog hier toen Hij die belofte deed. We moeten niet denken dat Hij
zich een dienaar zal betonen zoals wij ons die voorstellen. Daarom staat er geschreven: ‘Hij zal heengaan om hen te bedienen.’De evangelist Johannes zegt over dit heengaan: ‘Toen het uur aanbrak dat Jezus vanuit deze wereld naar de Vader zou gaan…’ En ergens anders: ‘Ik ben al zo lang bij u, en u kent Mij nog steeds niet?’ Als Filippus had geweten wat hij nog te horen zou krijgen, had hij geantwoord: ‘Ik ken U niet omdat U nog niet naar de Vader bent gegaan.’ Om dezelfde reden zei de Heer na zijn verrijzenis tegen Maria Magdalena: ‘Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader.’
[7] Daarom, lieve mensen, bezweer ik u, spoor ik u aan, vermaan, gebied, ja smeek ik u: laten we samen verlangen naar dat leven. Laten we er samen heen rennen, zodat we door onze volharding kunnen blijven staan. Het uur komt -en dat uur zal geen einde nemen -waarop de Heer ons aan tafel laat aanliggen en bedient.
Wat zal Hij ons anders voorzetten dan zichzelf? Waarom vraagt u wat u te eten krijgt? U hebt de Heer zelf. Want waarmee zullen wij ons anders kunnen voeden, waarmee anders dan met het Woord? ‘In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’ Wat is aanliggen anders dan uitrusten? Wat is eten anders dan het onuitsprekelijk geluk Hem te aanschouwen? Er staat: ‘Aan uw rechterzijde bevindt zich het geluk.’
De psalmist zegt: ‘Ik heb één verzoek aan de Heer, ik ken slechts één verlangen.’ Ik houd mij niet bezig met vele dingen. Nee, ‘ik heb één verzoek aan de Heer, ik ken slechts één verlangen: wonen in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om te genieten van de pracht van de Heer.’45 Dat is niet direct het geluk van iemand die werkt. ‘Maak u vrij en weet dat…’ wat precies? ‘…dat Ik de Heer ben.’ Een groots vooruitzicht, een grandioos aanschouwen. En dat ‘ga aan tafel en eet’, is dat niet hetzelfde als ‘maak u vrij en weet’? Wij moeten dus niet proeven met de tong en evenmin denken aan Venusfeesten, om het zo maar eens te zeggen.48 Die dingen zijn van voorbijgaande aard: we kunnen er niet omheen maar mogen er niet van houden. Als u daarmee Marta’s taak wilt vervullen, wees dan
bescheiden en barmhartig: bescheiden in uw leven, barmhartig in uw geven.
Werken is van voorbijgaande aard, de toekomst brengt rust. Maar die rust bereik je alleen maar door te werken. Het schip is onderweg en bereikt het vaderland. Maar je kunt het vaderland alleen maar bereiken per schip. Want wij varen echt, als je kijkt naar de golven en stormen van deze wereld. Toch weet ik zeker dat wij niet zullen zinken, want wij worden gedragen door het hout van het kruis.

Augustinus SERMO 104

My paintings on:

On Saatchi 

On Weebly  

On Behance

Texts about my art: Blog