Borges: theologen

DE THEOLOGEN

Nadat ze de tuin hadden platgeslagen en de miskelken en altaren hadden ontwijd, betraden de Hunnen te paard de kloosterbibliotheek en verscheurden de onbegrijpelijke boeken die ze beschimpten en verbrandden, misschien uit angst dat de letters godslasteringen bevatten tegen hun god, wat een ijzeren kromzwaard was. Palimpsesten en codices gingen in vlammen op, maar wat in het hart van de brandstapel, tussen de as, nagenoeg intact bleef, was het twaalfde boek van de Civitas Dei, dat verhaalt hoe Plato in Athene de leer uiteenzette dat, aan het einde der eeuwen, alle dingen hun vorige staat herkrijgen en dat hij, in Athene, voor hetzelfde gehoor, opnieuw die leer uiteen zal zetten. De door de vlammen ontziene tekst genoot bijzondere verering en wie hem lazen en herlazen in die verre provincie, vergaten allengs dat de schrijver die leer alleen maar verkondigde om haar beter te kunnen weerleggen. Een eeuw later vernam Aurelianus, hulppriester van Aquileia, dat aan de oevers van de Donau de splinternieuwe sekte van de Monotonoi (ook annulares genaamd) het geloof aanhing dat de geschiedenis een cirkel is en dat er niets is wat niet is geweest en niet zal zijn. In de bergen hadden het Rad en de Slang het Kruis vervangen. Iedereen was bang, maar iedereen putte troost uit het gerucht dat Johannes van Pannonië, die zich had onderscheiden met een traktaat over het zevende attribuut van God, een dermate verfoeilijke ketterij zou bestrijden.

Aurelianus betreurde deze berichten, vooral het laatste. Hij wist dat zich op theologisch gebied niets nieuws voordoet zonder risico; vervolgens bedacht hij dat de stelling van een circulaire tijd te afwijkend, te verbazend was om het risico groot te maken. (De ketterijen die wij moeten vrezen zijn die welke met de orthodoxie kunnen vervloeien.) Meer kwelde hem de bemoeienis – de bemoeizucht – van Johannes van Pannonië. Twee jaar tevoren had deze zich met zijn breedsprakige De septima affectione Dei sive de aeternitate een zaak toegeëigend waarin Aurelianus was gespecialiseerd; nu ging hij, alsof het probleem van de tijd hem toebehoorde, de annulares de les lezen, wie weet met Procrustiaanse argumenten, met tegengiffen die meer te vrezen waren dan de Slang… Die avond bladerde Aurelianus de pagina’s door van Plutarchus aloude dialoog over het stilvallen van de orakels; in de negenentwintigste alinea las hij een spottende opmerking gericht tegen de Stoïcijnen die geloven in een oneindige wereldencyclus met een oneindig aantal zonnen, manen, Apollo’s, Diana’s en Poseidons. Deze vondst leek hem een gunstig voorteken; hij besloot Johannes van Pannonië voor te zijn en de ketters van het Rad te weerleggen.

Er zijn mannen die de liefde van een vrouw zoeken om haar te kunnen vergeten, om niet langer aan haar te hoeven denken; op vergelijkbare wijze wilde Aurelianus Johannes van Pannonië overtreffen om te genezen van de wrok die deze hem inboezemde, niet om hem kwaad te doen. Getemperd door het werk alleen al, door het vervaardigen van syllogismen en het verzinnen van beledigingen, door de negos en de nequaquam‘s, kon hij die wrok vergeten. Hij richtte uitgebreide, bijna onontwarbare, door terzijdes opgehouden volzinnen op, waarin de slordigheid en de hoeveelheid taalfouten vormen van minachting leken. Hij maakte van de kakofonie een werktuig. Hij voorzag dat Johannes tegen de annulares zou uitvaren met profetische ernst; hij koos, om niet met hem samen te vallen, voor de hoon. Augustinus had geschreven dat Jezus de rechte weg is die ons redt uit het ronde labyrint waarin de goddelozen dwalen; Aurelianus vergeleek hen, opzettelijk banaal, met Ixion, met de lever van Prometheus, met Sisyfus, met die koning van Thebe die twee zonnen zag, met stotteren, met papegaaien, met spiegels, met echo’s, met muilezels in de tredmolen en met tweehoornige syllogismen. (De heidense fabels leefden verlaagd tot versieringen voort.)  Zoals iedere bezitter van een bibliotheek wist Aurelianus zich schuldig aan het feit dat hij deze niet in zijn geheel kende; die polemiek stelde hem in staat jegens vele boeken die hem zijn onachtzaamheid leken te verwijten zijn verplichtingen na te komen. Zo kon hij een fragment inlassen uit Origines’ werk De principiis, waarin wordt ontkend dat Judas Iskariot de Heer opnieuw zal verkopen, en Paulus in Jeruzalem nogmaals getuige zal zijn van de marteldood van Stefanus, en een ander uit Cicero’s Academica priora, waarin de auteur hen bespot die in de waan verkeren dat terwijl hij met Lucullus praat, andere Lucullussen en Cicero’s, in eindelozen getale, precies hetzelfde zeggen, in een oneindig aantal gelijke werelden. Bovendien gebruikte hij Plutarchus’ tekst als wapen tegen de Monotonoi en verklaarde hij hoe schandalig het was dat het lumen naturae voor een afgodendienaar meer waard was dan de woorden van God voor hen. Negen dagen kostte dit karwei hem; de tiende kreeg hij een afschrift toegestuurd van de weerlegging van Johannes van Pannonië.

Die was belachelijk kort; Aurelianus keek er minachtend naar en vervolgens angstig. Het eerste deel was een commentaar bij de slotverzen van hoofdstuk IX uit de Brief aan de Hebreeërs, waarin wordt gezegd dat Jezus niet vele malen werd geofferd sinds het begin van de wereld, maar slechts één maal gedurende het verstrijken der eeuwen. In het tweede werd het bijbelse mandaat aangevoerd over de ijdele omhaal van woorden bij de heidenen (Mattheus 6:7) en die passage uit het zevende boek van Plinius met de overweging dat in het uitgestrekte heelal geen twee gezichten gelijk zijn. Johannes van Pannonië verklaarde dat er ook geen twee zielen gelijk zijn en dat de verachtelijkste zondaar kostbaar is als het bloed dat Jezus Christus voor hem vergoot. De daad van één mens (beweerde hij) weegt zwaarder dan alle negen concentrische hemelsferen, en de gedachte dat ze verloren kan gaan en terugkeren is klinkklare onzin. De tijd maakt niet opnieuw wat wij verliezen; het blijft in de eeuwigheid bewaard voor de zaligheid maar ook voor de vlammen.  Het traktaat was helder, universeel; het leek niet opgesteld door een concrete persoon, maar door een willekeurig mens of, misschien, door alle mensen.

Aurelianus ervoer een bijna fysieke vernedering. Hij dacht erover zijn eigen werk te vernietigen of te veranderen; vervolgens stuurde hij het met wrokkige eerlijkheid naar Rome zonder een letter te wijzigen. Maanden later, toen het concilie van Pergamum bijeenkwam, was Johannes van Pannonië (zoals te voorzien) de theoloog die belast werd met het bestrijden van de dwalingen van de Monotonoi; zijn geleerde, gematigde weerlegging was voldoende om te zorgen dat Euphorbos, de aartsketter, tot de brandstapel werd veroordeeld. Dit is gebeurd en zal opnieuw gebeuren, zei Euphorbos. Jullie steken geen vuur aan, jullie steken een labyrint van vuur aan. Als zich hier alle brandstapels die ik ben geweest zouden verenigen, zouden ze niet op de aarde passen en zouden de engelen met blindheid geslagen zijn. Dit heb ik vele malen gezegd. Daarna schreeuwde hij, want de vlammen hadden hem bereikt.

Het Rad viel ten overstaan van het Kruis, 1 maar Aurelianus en Johannes zetten hun geheime strijd voort. Ze vochten beiden in hetzelfde leger, begeerden dezelfde beloning, bestreden dezelfde Vijand, maar Aurelianus schreef geen woord dat er niet schandelijk op uit was Johannes voorbij te streven. Zijn duel was onzichtbaar; als de overvloedige aanwijzingen mij niet bedriegen, komt de naam van de ander geen enkele maal voor in de vele boekdelen van Aurelianus die zijn ondergebracht in Migne’s Patrologie. (Van de werken van Johannes zijn maar twintig woorden bewaard gebleven.) Beiden keurden de banvloeken van het tweede concilie van Konstantinopel af; beiden vervolgden de arianen, die de goddelijke herkomst van de Zoon ontkenden; beiden schaarden zich achter de orthodoxie van de Topography Christiana van Cosmas, volgens welke de aarde vierhoekig is, net als het Hebreeuwse tabernakel. Helaas verspreidde zich een nieuwe stormachtige ketterij over de vier hoeken van de aarde. Ontstaan in Egypte of Azië (want de getuigenissen verschillen en Bousset wil de argumenten van Harnack niet onderschrijven), overstroomde ze de oosterse provincies en deed heiligdommen verrijzen in Macedonië, in Carthago en in Trier. Ze leek overal te zijn; er werd gezegd dat in de diocese Brittannië de kruisen waren omgedraaid en dat in Gaesarea het beeld van de Heer was vervangen door een spiegel. De spiegel en de obool waren emblemen van de nieuwe scheurmakers.

De geschiedenis kent hen onder vele namen (speculares, abysmales, kaïnieten), maar de gebruikelijkste van allemaal is histriones, die Aurelianus hun gaf en die zij onbeschaamd overnamen. In Frygië noemde men hen schijngestalten, net als in Dardanië. Johannes van Damascus noemde hen vormen; hierbij dient te worden opgemerkt dat de passage bij Erfjord geen genade vond. Er is geen ketterijkenner die niet verbijsterd gewaagt van hun buitenissige gebruiken. Vele histriones hingen het ascetisme aan; een enkeling verminkte zichzelf, net als Origines; anderen woonden onder de grond, in de riolen; weer anderen (de nebukadnezars van Nitrië) ‘graasden als runderen en hun haar groeide als bij een adelaar’. Van zelfkastijding en zelfontzegging gingen zij dikwijls over op misdaad; bepaalde gemeenschappen duldden roof; andere doodslag; weer andere sodomie, incest en bestialiteit. Ze waren allemaal godslasterlijk; ze vervloekten niet alleen de christelijke God, maar ook de geheime godheden van hun eigen pantheon. Ze vervaardigden gewijde boeken waarvan de geleerden de verdwijning hebben betreurd. Sir Thomas Browne schreef, omstreeks 1658: ‘De tijd heeft de ambitieuze Histrionische Evangeliën vernietigd, niet de Affronten waarmee hun Goddeloosheid werd bekritiseerd’: Erfjord heeft gesuggereerd dat die ‘affronten’ (in een Griekse codex bewaard gebleven) de verloren evangeliën zijn. Dat is niet te begrijpen als we de kosmologie van de histriones niet kennen.

In de hermetische boeken staat geschreven dat wat beneden is gelijkstaat aan wat boven is; in de Zohar, dat de lagere wereld een afspiegeling is van de hogere. De histriones baseerden hun leer op een ontaarding van die idee. Ze beriepen zich op Mattheus 6:12 (vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’) en 11:12 (‘het koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaan’) om aan te tonen dat de aarde invloed heeft op de hemel, en op 1 Corinthiërs 13:12 (‘nu zien wij door een spiegel, in raadselen’) om aan te tonen dat alles wat wij zien vals is. Ze bedachten, misschien aangestoken door de Monotonoi, dat ieder mens twee mensen is en dat de ware de ander is, die in de hemel is. Ook bedachten ze dat onze handelingen een omgekeerde afspiegeling teweegbrengen, zodat als wij waken, de ander slaapt, als wij ontucht plegen, de ander kuis is, als wij stelen, de ander gul is. Als wij dood zijn, zullen wij ons met hem verenigen en zullen wij hem zijn. (Een zekere echo van die doctrinaire ideeën klonk na bij León Bloy.) Andere histriones redeneerden dat de wereld zou ophouden als het tal van haar mogelijkheden was uitgeput; aangezien herhalingen zich niet voordoen, kan de rechtvaardige de laaghartigste handelingen uitbannen (bedrijven) om te zorgen dat deze de toekomst niet besmeuren en om de komst van het koninkrijk van Jezus te bespoedigen. Die stelling werd verworpen door andere sekten, die volhielden dat de geschiedenis van de wereld zich in ieder mens moet voltrekken. De meesten zullen, als Pythagoras, door vele lichamen moeten verhuizen voor zij hun verlossing deelachtig worden; sommigen, de protheïsten, ‘zijn in het bestek van een enkel leven leeuwen, draken, everzwijnen, water en een boom’. Demosthenes gewaagt van de zuivering via het slijk die de ingewijden in de Orfische mysterien moesten ondergaan; op vergelijkbare wijze zochten de protheïsten de zuivering via het kwaad. Zij waren net als Carpocrates van mening dat niemand de kerker zal verlaten voor hij de laatste obool heeft betaald (Lucas 12:59), en zij plachten hun boetelingen zand in de ogen te strooien met dit andere bijbelvers: ‘Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed’ Johannes 10:10). Ook zeiden ze dat het op satanische hoogmoed duidde geen schurk te zijn … Vele, uiteenlopende mythologieën sponnen de histriones; sommigen predikten het ascetisme, anderen ongebondenheid, allen verwarring. Theopompus, een histrioon uit Berenice, wees alle fabels van de hand; hij zei dat ieder mens een orgaan is dat door de godheid is gestuurd om de wereld te ervaren.

De ketters van de diocese van Aurelianus behoorden tot hen die beweerden dat de tijd geen herhalingen duldt, niet bij hen die beweerden dat iedere daad zijn weerspiegeling heeft in de hemel. Dat was een eigenaardig detail; in een rapport aan de autoriteiten in Rome maakt Aurelianus er gewag van. De prelaat die het rapport zal ontvangen was biechtvader van de keizerin; het was niemand onbekend dat dat veeleisende ambt hem het innerlijke genot van de speculatieve theologie verbood. Zijn secretaris – een voormalig medewerker van Johannes van Pannonië, nu met hem gebrouilleerd – genoot de faam een zeer punctueel opspoorder van ketterijen te zijn; Aurelianus voegde een uiteenzetting over de ketterij van de histriones toe, zoals die tot uiting kwam tijdens hun geheime bijeenkomsten in Genua en Aquileia. Hij schreef twee alinea s; toen hij de gruwelijke stelling dat geen twee ogenblikken gelijk zijn wilde neerschrijven, stokte zijn pen. Hij kwam niet op de formulering die hij nodig had; de vermaningen van de nieuwe leer (‘Wil je zien wat geen mensenogen hebben gezien? Kijk naar de maan. Wil je horen wat geen oren hebben gehoord? Luister naar de schreeuw van een vogel. Wil je aanraken wat geen hand heeft aangeraakt? Raak de aarde aan. Ik zeg voorwaar dat God de wereld nog moet scheppen’) waren te gekunsteld en metaforisch om over te nemen. Ineens kwam hem een gebed van twintig woorden voor de geest. Hij schreef het verheugd op; onmiddellijk daarna werd hij verontrust door het vermoeden dat het van iemand anders was. De volgende dag herinnerde hij zich dat hij het vele jaren daarvoor had gelezen in de Adversus annulares die Johannes van Pannonië had opgesteld. Hij verifieerde het citaat; daar stond het. Hij werd gekweld door onzekerheid. Die woorden veranderen of weglaten betekende de uitdrukking verzwakken; ze laten staan, iemand plagiëren die hij verafschuwde; de bron aangeven, hem aanbrengen. Hij smeekte om goddelijk hulp. Tegen het begin de tweede schemering gaf zijn beschermengel hem een tussenoplossing in. Aurelianus handhaafde de woorden, maar hij zette er deze aankondiging voor: Wat de aartsketters nu blaffen ter verwarring van het geloof, werd in onze eeuw eerder lichtvaardig dan zondig gezegd door een zeer geleerd man.

Daarna gebeurde het gevreesde, het verwachte, het onvermijdelijke. Aurelianus moest verklaren wie de man in kwestie was; Johannes van Pannonië werd ervan beschuldigd ketterse opvattingen aan te hangen.

Vier maanden later plaatste een smid van de Aventinus, onder invloed van de dwalingen van de histriones, op de schouders van zijn zoontje een grote ijzeren bol met de bedoeling dat zijn dubbelganger zou wegvlieden. Het kind stierf; de afschuw die door die misdaad werd gewekt, verplichtte de rechters van Johannes tot onberispelijke strengheid. Deze wilde niets terugnemen; hij herhaalde dat ontkenning van zijn stelling neerkwam op vervallen tot de verderfelijke ketterij van de Monotonoi. Hij begreep niet (hij wilde niet begrijpen) dat spreken over de Monotonoi spreken was over het al vergetene. Met enigszins seniele halsstarrigheid strooide hij met de meest briljante volzinnen uit zijn oude polemieken; de rechters wilden niet eens horen wat hen ooit had verrukt. In plaats dat hij probeerde zich te zuiveren van de geringste smet van histrionisme, deed hij zijn best om aan te tonen dat de stelling waarvan ze hem beschuldigden strikt orthodox was. Hij ging in debat met de mannen van wier vonnis zijn lot afhankelijk was en beging de opperste tactloosheid dit met vernuft en ironie te doen. Op 26 oktober werd hij, na een drie dagen en drie nachten lange discussie, veroordeeld tot de dood op de brandstapel.

Aurelianus woonde de terechtstelling bij, omdat hij als hij dat niet deed toegaf schuldig te zijn. De plaats van foltering was een heuvel, waar, op de groene top, een paal diep in de grond geslagen was, met rondom vele takkenbossen. Een gerechtsdienaar las het gerechtelijk vonnis voor. Onder de noenzon lag Johannes van Pannonië met zijn gezicht in het stof, terwijl hij een dierlijk gejank uitstiet. Hij klauwde in de aarde, maar de beulen sleurden hem mee, kleedden hem uit en bonden hem ten slotte vast aan de schandpaal. Op zijn hoofd zetten ze een kroon van stro die in zwavel was gedoopt; naast hem een exemplaar van het verderfelijke Adversus annulares. Het had de nacht ervoor geregend en het hout brandde slecht. Johannes van Pannonië bad in het Grieks en daarna in een onbekende taal.

Het vuur zou hem al verzwelgen, toen Aurelianus zijn ogen durfde op te slaan. De vuurtongen stopten; Aurelianus zag voor de eerste en laatste keer het gezicht van de gehate. Het herinnerde hem aan iemand, maar hij kon niet thuisbrengen aan wie. Toen verdween het in de vlammen; toen schreeuwde hij en het was alsof er een brand schreeuwde.

Plutarchus heeft verhaald dat Julius Caesar huilde om de dood van Pompeius; Aurelianus huilde niet om die van Johannes, maar hij voelde wat iemand zou voelen zodra hij is genezen van een ongeneeslijke ziekte, die inmiddels een deel van zijn leven was geworden. In Aquileia, in Efeze, in Macedonië, liet hij de jaren over zich heen gaan. Hij onderzocht de onherbergzame grensgebieden van het Imperium, de mistroostige moerassen en de bespiegelende woestijnen, in de hoop dat de eenzaamheid hem zou helpen zijn lot te begrijpen. In een kloostercel in Mauritanië, in een nacht boordevol leeuwen, overdacht hij wederom de complexe beschuldiging tegen Johannes van Pannonië en rechtvaardigde hij, voor de zoveelste keer, het vonnis. Meer moeite kostte het hem zijn slinkse aangifte te rechtvaardigen. In Rusaddir hield hij de anachronistische preek Licht der lichten, ontstoken in het vlees van een verdoemde. In Hibernia, in een van de hutten van een door het woud omsloten klooster, verraste hem, tegen de dageraad, het gedruis van de regen. Hij moest denken aan een nacht in Rome, toen dat minutieuze geluid hem eveneens had verrast. Een bliksemschicht zette twaalf uur ’s middags de bomen in brand en Aurelianus kon sterven zoals Johannes was gestorven. Het eind van het verhaal is alleen in metaforen te vertellen, aangezien het zich afspeelt in het koninkrijk der hemelen, waar geen tijd bestaat. Misschien zou je kunnen zeggen dat Aurelianus met God sprak en dat Deze zo weinig belang stelt in religieuze verschillen dat Hij hem aanzag voor Johannes van Pannonië. Dat zou echter een verwarring in het goddelijk brein insinueren. Het is juister te zeggen dat Aurelianus in het paradijs ontdekte dat voor de onpeilbare goddelijkheid hij en Johannes van Pannonië (de rechtzinnige en de ketter, de verfoeier en de verfoeide, de aanklager en het slachtoffer) één enkele persoon waren.

Noten:

1 Bij runische kruisen bestaan de twee vijandige emblemen in verstrengelde vorm naast elkaar.

Jorge Luis Borges, Werken in vier delen, Deel 1, De Aleph en andere verhalen. Vertaling Barber van de Pol, Amsterdam 2003, (De Bezige Bij), Pag. 298-309

*****

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.