Adonai Elohim, wandelend…

Het boek Genesis in de bijbel vertelt in hoofdstuk 3,8 een interessante anekdote. God wordt voorgesteld als wandelend in de tuin. De Statenvertaling zegt:

SV En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.
WLC

וַֽיִּשְׁמְע֞וּ אֶת־קֹ֨ול יְהוָ֧ה אֱלֹהִ֛ים מִתְהַלֵּ֥ךְ בַּגָּ֖ן לְר֣וּחַ הַיֹּ֑ום וַיִּתְחַבֵּ֨א הָֽאָדָ֜ם וְאִשְׁתֹּ֗ו מִפְּנֵי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהִ֔ים בְּתֹ֖וךְ עֵ֥ץ הַגָּֽן׃ 

Trans. wayyišəmə‘û ’eṯ-qwōl JHWH ’ĕlōhîm miṯəhallēḵə bagān lərûḥa hayywōm wayyiṯəḥabē’ hā’āḏām wə’išətwō mipənê JHWH ’ĕlōhîm bəṯwōḵə ‘ēṣ hagān:

Een paar Hebreeuwse begrippen in deze tekst betekenen het volgende: 

שָׁמַע gehoorzamen, begrijpen, luisteren (komt 1168 x voor in de Bijbel)

קוֹל stem, proclamatie (komt 510x voor in de Bijbel)

יְהֹוָה JHWH, HEERE, God, Godsnaam (komt 6581 x voor in de Bijbel)

אֱלֹהִים Elohim, Godsnaam, goden, engelen (komt 2621 x voor in de Bijbel)

הָלַךְ wandelen (komt 1559x voor in de Bijbel)

גַּן moestuin, kruidhof, lusthof, Bet-haggan, hoven, tuin, hof (komt 42 x voor in de Bijbel)

רוּחַ wind, adem, geest (komt 379 x voor in de Bijbel)

פָּנִים aangezicht, blik, verschijning, tegenwoordigheid, toorn, richting, doel, voorkant, voorzijde (komt 2128 x in de Bijbel)

אָדָם mens, menselijk wezen, lieden, mensheid, man, mannen, Mensenkind (komt 555 x voor in de Bijbel)

אִשָּׁה bijvrouw, de een bij de ander, vrouw, huisvrouw, vrouwen, van vrouwelijk geslacht (komt 781 x voor in de Bijbel)

bron: http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/biblevers?Genesis%203:8

God wandelt in de tuin, in de hof, de moestuin. In de (koele) avondlucht, bij het winderig worden van de dag, de vertalingen zijn divers.1 Soms wordt er ook verwezen naar storm, omdat God’s stem klinkt als een storm. Maar niet ‘God’ wandelt in de tuin, geen abstracte godheid, maar Adonai Elohim. Dat is een dubbele  naam voor God. Het zijn begrippen met een andere status en een andere betekenis. Soms zelfs met kleine accentverschillen in andere teksten waardoor ook de betekenis kan verschuiven. De vertalingen zijn dan ook vaak anders dan je gewend bent en zeker als je ervan uit gaat dat er God staat. Hierover is al veel geschreven. Maar wat mij het meest frappeert in dit fragment is níet de dubbele naam van God, maar het feit dat hij al wandelend wordt voorgesteld in de tuin. Bij het horen van de stem van God (Adonai Elohim) verbergen Adam en zijn vrouw zich in de hof tussen de bomen. 

Een ‘God’ (Adonai Elohim) die wandelt, die (als het avond is) tegen de avond een luchtje gaat scheppen. Maar dat níet in stilte doet, want zijn stem wordt gehoord. Het horen van zijn stem is aanleiding om zich te verstoppen. Ze verstoppen zich voor het aangezicht van God. Is de stem van God een geruis als donder? Het zou zo maar kunnen. En wat is zijn aangezicht, hoe ziet dat eruit? Alleen al door het letterlijk nemen van de tekst en de vragen die je hier kunt stellen, blijkt deze tekst helemaal niet zo vanzelfsprekend en eenvoudig te zijn. De nieuwsgierigheid wordt geprikkeld maar je krijgt vanuit de tekst eigenlijk geen antwoord. Je kunt wel vragen stellen maar het antwoord blijft uit. Betekent dat, dat je dan ook maar geen vragen moet stellen of dat je geen domme vragen moet stellen, of vragen die niet ter zake zijn? Ik vermoed van niet. Elke vraag doet als het ware een poging om verder door te dringen in de tekst maar soms is de tekst te (hermetisch) gesloten zodat de vraag afketst. Een deur die niet valt te openen, een muur die niet valt af te breken, of een niets dat geen verdere inhoud toelaat. Misschien is dat wel een goede toegang tot deze teksten: de betekenissen houden een keer op, ze stranden, ze komen niet verder, ze worden niet dieper, niet verdiept, omdat er niets is om je tanden in te zetten, er is niets om verder te komen, om te verdiepen. Tuin, wind, stem, Adonai Elohim, aangezicht, mens, vrouw en bomen. Dat is het dan. Wandelen, horen, verstoppen. Een paar werkwoorden en een paar zelfstandige naamwoorden. Daarmee wordt het verhaal verteld. Als je nou God mensachtig zou uitbeelden, al wandelend, dan leg je een betekenis in de tekst die er niet is. Er staat nergens dat God lijkt op een mens, en wandelen is niet synoniem met een wandelende mensachtige. Maar de verzoeking is groot om toch in deze valkuil te trappen. Kijk naar afbeeldingen in de geschiedenis van de kunst die dit thema hebben opgepakt: schepping, de tuin en de zondeval. God als oude man met baard, Adam en Eva beiden naakt of een beetje bedekt met vijgenblad. Toch is het eigenlijk kolder om zich zo God voor te stellen want ook het begrip ’aangezicht’ betekent niet dat deze God een menselijk aangezicht zou hebben. Misschien is God wel een soort donderwolk, een schaduw, een flard mist, een vurige wolk, een onvatbaar en onaantastbaar verschijnen waar je geen grip op krijgt en ook geen grip op kunt krijgen. 

Als ik deze tekst lees vanuit de ontmoeting van Mozes met God, het neerdalen van de wolk op de berg Horeb, de wolk boven of naast de ingang van de tent van samenkomst (Exodus 33,9-11), dan word ik weer verleid om God een menselijke gestalte te geven omdat Mozes met God spreekt, zoals een mens met een andere mens spreekt. Maar ook dit is geen argument en geen bewijs om God menselijk af te beelden. En vers Exodus 33,20 zegt dat je het gezicht van God niet mag zien want dan blijf je niet in leven. Het aangezicht van God zien, het goddelijk gezicht oog in oog zien kost je het leven. Hoe zit dat dan bij ons verhaal uit Genesis? Daar wordt niks gezegd over een vroege dood van onze hoofdpersonen als zij zich verbergen voor Gods aangezicht. God roept hen tevoorschijn en zij komen te voorschijn. Ik neem aan voor zijn aangezicht. Ze worden toegesproken en bestraft. Het horen van zijn stem is voldoende om meteen actie te ondernemen: zich verbergen voor zijn aangezicht, wetende dat ze in overtreding zijn. In het verhaal van Mozes trouwens is alleen sprake van Adonia, wat met Heer, Heere, wordt vertaald. Mozes krijgt wel de gunst om God van achteren te zien, als de Heer voorbij gaat. God zegt: als ik voorbij ben gegaan haal ik de hand weg en kun je mij van achteren zien. 

Zou het zo kunnen zijn dat er gedurende de geschiedenis de relatie met God van wandelend in de tuin tot en met neerdalend op de Horeb en de tent van samenkomst, en de grot waar Hij aan voorbij gaat, een accentverschuiving heeft plaatsgevonden. Bij Mozes wandelt God niet meer in een tuin. Zo intiem als deze hof wordt het niet meer. Bij Mozes is de woestijn plek van ontmoeting en samenkomst. Een tegengesteld stuk land in vergelijking met een vruchtbare hof. Maar ook daar is Godsontmoeting mogelijk, misschien precies daar en nergens anders! Zo wordt de lijn voortgezet die in Genesis is gestart. De mens staat in relatie tot God en God wendt zich tot de mens, spreekt en luistert, er zijn gesprekken. Misschien is dat dan ook de kern van dit soort verhalen: God is een God voor mensen – God is ten nauwste verbonden aan deze mensen en laat dit zien, doet de mens dit ervaren. En als we denken dat die God te veraf en te abstract is, wordt hij in de bijbel voorgesteld als wandelend, als sprekend, luisterend, als betrokken God. Expliciet wordt daarbij in de geboden vermeld om die God hoe dan ook op geen enkele manier te verbeelden (Exodus 20,4), ook niet in de vorm van andere goden. Dit verbod heeft echter niet het gevolg dat God helemaal los van de mens wordt omschreven zodat er van wandelen en spreken en luisteren geen sprake zou (kunnen) zijn. Er is een verhaal van een rabbijn bekend die spontaan in huilen uitbarstte, als hij telkens weer deze passages las van een God die spreekt. Een God die het niet beneden zijn stand (ook weer zo menselijk) acht om met de mens te spreken, dus ook met hem. Die emotie werd hem telkens te veel. Ik kan daar wel inkomen, God zo dichtbij ervaren dat je erdoor emotioneel geraakt wordt. Mooi toch dat dát kan in een relatie waarin je van de kant van God in ons leven zelden of nooit iets zult vernemen, maar waarin door het vertellen ervan iets kan ontstaan van relatie die verder gaat dan het aanhoren van een mooi sprookje. Als het toch eens waar zou kunnen zijn…Die hoop wordt dan gewekt en als de mens gaat leven in het door God uitgezette spoor, dan ontdekt hij of zij vanzelf waartoe die weg zal voeren. 

John W Hac

5 december 2018

Notes:

1 The text says they heard the sound of the LORD God walking in the garden in the cool of the day. This verse is difficult to translate and has been the subject of a lot of confusion. The phrase in the ESV in the cool of the day reads in the Hebrew leruach hayom. The phrase is most literally rendered ‘at the wind of the day.’ It is usually translated ‘in the cool of the day’ because the windy part of the day is in the late afternoon in Palestine and it usually cools off the land. Other translations are ‘at the time of the evening breeze’ (HCSB, NRSV), ‘in the evening breeze’ (The Message), ‘at the breezy time of the day’ (NET), ‘during the cool part of the day’ (NCV), and ‘when the cool evening breezes were blowing’ (NLT). The LXX simply has deilinon (at evening). Deilinos is used 5 other times in the LXX always referring to the time of the evening sacrifices (Ex. 29:39, 41; Lev. 6:13; 1Kings 18:29; 2Chr. 31:3). In most of these verses they translate from the Hebrew erev. This is the typical Hebrew word for evening. The typical LXX and NT word for evening is espera. Deilinos is not used in the NT. It seems the LXX translators saw this event in 3:8 as occurring around the time of the day when the evening sacrifices would later be instituted (i.e. around twilight). Some have argued that the phrase should be translated as ‘the wind of the storm’ suggesting a storm theophany where Yahweh is coming to judge the couple after their first sin. Jeffrey Niehaus (Pratico and Van Pelt: Basics of Biblical Hebrew, pp. 397-9) claims the word yom which is almost exclusively translated as ‘day’ has an Akkadian equivalent of umu which can mean either ‘day’ or ‘storm.’ While it does make good theological sense to think of Yahweh coming mightily in judgment, this interpretation is not the simplest. There appears to be no other place in the OT where yom should be translated as ‘storm.’ It is true that qol (sound) could be translated more intensely as ‘thunder’ as in Ex. 19:19. It is also true that mithhalek (the hithpael participal form of walking) could be translated more intensely as ‘walking back and forth’ as in Esther 2:11 and here in the YLT. In fact, in most of the 7 other uses of mithhalek, the word connotes a majestic powerful walk of a king either human (1Sam 12:2) or God Himself (Deut. 23:15). With all of these data before us, perhaps the best interpretation is a mixture of the two. There seems to be no textual or contextual evidence that God is merely taking His usual stroll through the garden to chat with Adam and Eve. Rather He appears to be majestically walking through the garden accompanied potentially by peals of thunder as He comes to meet His creatures to deal with their disobedience. This storm comes at the usual windy part of the day near twilight, but the couple is hiding as this is obviously no typical tempest. Of the other eight uses of chava (hide) in the intensive reflexive hithpael stem that refer to a person or people, all of them refer to the subject as hiding themselves out of fear of death. It stands to reason here that Adam has recalled God’s promise of death in 2:17 and is hiding for his life. http://thestonescryout.com/the_fallcurse/genesis_3_exegetical_commentary

het oneindige
opdracht om te gaan