kerstgedicht

INGEKEERD LANDSCHAP

Stenen liggen wang aan wang
rotsen in stil conclaaf
daartussen slingert de verlaten weg

Nergens voetstappen, prenten
geen wolken en in de hemel
vogels evenmin

Niets en niemand in de verste verte
lucht zonder geuren
het licht treft hier alleen zichzelf.

Bernlef

ALLEEN DE SNEEUW

Ik denk aan God en niet zozeer
aan sneeuw. Dat is niet waar.
God denkt aan mij en hij vreet mij op.
Niemand denkt aan om het even wie.
Een kleine kar gaat door de straat.
Sneeuw valt als hij valt.
God is een volkomen vreemde,door niets geplant.
Ik zou mijzelf willen planten als een wilg.
Ik zou mijzelf willen planten als het gras.
Om dan daarop neer te vallen als de sneeuw, zacht.
Het zou inslapen en ik zou Gods deken onthullen, mijn
Huid, en zou verdwijnen over straat, in de nacht.
Gisteren kwam ik langs een deur.
Een klapdeurtje, van knie tot borst.
Ik wilde weten of er een engel was daarbinnen.
Het was alleen een oude man met een sombrero.
Met donkere huid en nog donkerder ogen.
Ik schonk mijn tequila te vol.
Ik sloeg hem achterover.
Het geluid was anders dan
Dat van water uit een kraan.
Ik moet tequila drinken.
Ik moet een boom zijn, geplant in de aarde, en stoot de deur open.
Ik moet de engel tegemoet gaan.

Tomaz Salamun

Sterren plukken

Sterren plukken, frambozen ’s nachts van een struik
uit het donker, het fluweel, de tijd van de eenling.
Zachtheid ademen, warmte omhullen
met barmhartige eenzaamheid, die van geraas verlaten,
spreekt door stilte, rijpend met een geheim,
verder gaan, als op poezevoeten
onsterfelijk gemak kennen, gestolen uit de levensbron
een goddelijk ijzeren rantsoen wordt hier niet uitgedeeld
tussen bestaan en bestaan, tussen niets en niets.
Opgerold liggen op de grond, aarde ruiken,
die goeie broodkorst. Groeien en groeien,
een embryo in de schoot van het grote erbarmen.

Van Amir Gilboa

Advent

De aarde
maakt zich langzaam
aandachtig klaar
voor uw aankomst,

schikt de velden,
het licht van de maan,
en nevel

waar straks
de engel stort
naar de herders.

Ik denk:
in de weide aan de overkant.

Vanmiddag al stond het paard
er doodstil
gebogen naar de grote
donkere ogen van de grond.

Steeds weerlozer
gaan die nu open, –

dieper de oorsprong
die Gij ontsluit

waar Gij in het uwe
Uzelf wordt,

bijna een ik,
haast
uit Uzelf geboren,

een woord,
maar nog niet in ons uitgesproken,

nog een grens
van adem tekort.

G. Smit

Maak ons stil dan als het suizen van de nachtwind

Maak ons stil dan als het suizen van de nachtwind
in het donker gras,
een verre zomernacht –
een man lag wezend in het gras
en hij verstond uw komen –
maak ons stil
als het suizen der geheimen in ons bloed.

Maak ons stil als het trillen,
licht en sterk,
van een kabel die gaat breken.
zo trilt een dolk in hout.
Zo trilt ons hart
wanneer Gij nadert.

Maak ons stil dan
als het sterke dringen
van het goed verdriet,
dat door ons leven trekt
in fijne nerven,
maak ons stil
als het branden van tranen,
dat zwak maakt en wankel,
van geluk.

Maak ons stil dan
als het sidderend rechtstandig zweven
van een vlam –
zuiver staat zij,
bloem van pijn,
verslonden in het hoge feest der vernietiging –
wij allen wachten in het donker,
Vreemdeling,
tot Gij ons terugneemt in Uw branden,
U alleen behoort ons hart.

J. van Schagen uit ‘Litanie van de Knar’

IN HET LAATROOD

In het laatrood slapen de namen:
een
wekt je nacht
en voert hem, met witte staven langs-
tastend aan de zuidwand van het hart,
onder de dennen:
een, van menselijke gestalte,
schrijdt naar de pottenbakkerstad toe,
waar de regen zijn intrek neemt als vriend
van een uur van het meer.
In het blauw
spreekt zij een schaduwbelovend boomwoord,
en je lieve naam
rekent zijn letters daartoe.

Paul Celan

UTOPIA

Het eiland waar alles wordt opgehelderd.

Hier kan men op vaste bewijsgrond staan.

Er zijn geen andere wegen dan de toegangsweg.

De struiken buigen door van alle antwoorden.

Hier groeit de boom van het Juiste Vermoeden
met eeuwig ontwarde takken.

De verblindend simpele boom van het Begrijpen
bij de bron die Ah Dus Zo Zit Het heet.

Hoe dieper het bos in, des te breder
het Dal der Vanzelfsprekendheden.

Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.
De Echo neemt ongeroepen het woord
en verheldert graag de geheimen van de werelden.
Rechts de grot waar de Betekenis ligt.
Links het meer van de Diepe Overtuiging.
De Waarheid maakt zich los van de bodem en drijft zachtjes omhoog.

Boven het dal torent de Onwankelbare Zekerheid op.
Vanaf haar top strekt zich het Wezen der Dingen uit.

Ondanks al deze verlokkingen is het eiland onbewoond
en de vage voetsporen die je op de kusten ziet
wijzen zonder uitzondering in de richting van de zee.

Alsof men hiervandaan alleen vertrekt
en onherroepelijk in het diepste onderzinkt.

In een leven dat niet te doorgronden is.

Wyslawa Zsymborska

Laatste dagen

De laatste dagen en de laatste vragen

van het geleden jaar staan voor de deur,

de bomen kouder en de dromen

ouder 
maar de verwachting

nog vol gloed en kleur 
want wij geloven:

het licht van boven is niet te doven

stelt niet teleur

voor alle vragen van alle dagen

achter de einder achter de deur.

 

Anton van Wilderode (1918-1998) 
uit: Op hoop van vrede (Altiora 1988)

Qu’il vive!

Ce pays n’est qu’un vœu de l’esprit, un contre-sépulcre.
Dans mon pays, les tendres preuves de printemps et les oiseau mal habillés sont préférés aux buts lointains.
La vérité attend l’aurore à côté d’une bougie. Le verre de fenêtre est négligé. Qu’importe à l’attentif.
Dans mon pays, on ne questionne pas un homme ému.
Il n’y pas d’ombre maligne sur la barque chavirée.
Bonjour à peine, est inconnu dans mon pays.
On n’emprunte que ce qui peut se rendre augmenté.
Il y a des feuilles, beaucoup de feuilles sur les arbres de mon pays. Les branches sont libres de n’avoir pas de fruits.
On ne croit pas à la bonne foi du vainqueur.
Dans mon pays, on remercie.

Lang leve!

Dit land is slechts een geestelijke wens, een tegen-graf.
In mijn land geeft men de voorkeur aan de zachte bewijzen van de lente en de schamel geklede vogels boven de verre doelen.
De waarheid wacht op het ochtendgloren naast een kaars. Het vensterglas is vaal. Wat maakt het de waakzame uit.
In mijn land stelt men de aangedane man geen vragen
Geen kwaadaardige schaduw valt op de gekantelde boot.
Een half welkom is onbekend in mijn land.
Men leent alleen wat men met toegift terug kan geven.
Bladeren, veel bladeren hebben de bomen van mijn land. De takken staat het vrij om geen vruchten te dragen.
Men vertrouwt de oprechtheid van de overwinnaar niet.
In mijn land zegt men dank je wel.
René Char
Uit : La Bibliothèque est en feu. De bibliotheek in vlammen

DE REIS VAN DE DRIE KONINGEN

Het was een koude tocht,
En de slechtste tijd van het jaar
voor een reis, voor zulk een verre reis.
De wegen modderig, het weer guur,
de winter op zijn strengst.
De kamelen, die hun knieën ontvelden, hun hoeven bezeerden,
werden onhandelbaar
en legden zich neer in de smeltende sneeuw.
Menigmaal dachten we met spijt terug
aan onze zomerpaleizen op bloeiende berghellingen,
aan meisjes, in zijde gehuld, die gekoelde wijn ronddienden.
Onze kameeldrijvers vloekten, kankerden,
weigerden dienst, riepen om brandewijn en vrouwen.
Onze kampvuren wilden niet branden. onderdak was moeilijk
te vinden,
de steden waren vijandig, de dorpen stug,
de gehuchten smerig en verschrikkelijk duur :
het was een ellendige tocht.
Tenslotte reisden wij de gehele nacht door,
sliepen zo nu en dan langs de wegkant
en hoorden gedurig in onze oren zingende stemmen, zeggend :
jullie onderneming is waanzin.

Eindelijk, toen het licht werd, daalden we neer in een luw dal.
vochtig, onder de sneeuwlijn, geurend naar groeizaamheid:
een beek snelde voort, een watermolen duister,
er waren drie bomen onder een bewolkte lucht,
en een oud wit paard galoppeerde door een weiland.
Wij kwamen bij een herberg met wijngaardranken boven de
stoep.
Zes handwerkslieden dobbelden bij de open deur om zilverlingen
en zes voetknechten schopten lege wijnzakken over de vloer.
Maar niemand kon ons inlichtingen verschaffen, en zo gingen
we verder,
en bereikten des avonds, geen uur te vroeg,
de plaats van bestemming; het was (dat mag ik wel zeggen) de
moeite waard.

Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden
en zou het over willen doen, maar ik stel,
dit vooropgesteld,
één vraag: was het doel dat ons dreef
geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker,
daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood
zag,
dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter
was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood.
Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken,
maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde
tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen.
Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.

T.S. Eliot – Vertaling M. Nijhoff

Abel sta op

Abel sta op
het moet opnieuw worden gespeeld
dagelijks moet het opnieuw worden gespeeld
dagelijks moet het antwoord nog vóór ons liggen
het antwoord moet ja kunnen zijn
als jij niet opstaat Abel
hoe zou het antwoord
dat enig belangrijke antwoord
ooit veranderen
wij kunnen alle kerken sluiten
en alle wetboeken afdanken
in alle talen der aarde
als jij maar opstaat
en het ongedaan maakt
dat eerste verkeerde antwoord
op de enige vraag
waar het op aankomt
sta op
dat Kaïn zegge
dat hij zeggen kan
Ik ben jouw hoeder
broeder
hoe zou ik niet jouw hoeder zijn
Sta dagelijks op
opdat het nog vóór ons ligt
dit ja ik ben hier
ik
jouw broeder
opdat de kinderen van Abel
niet langer bang zijn
omdat Kaïn geen Kaïn wordt
ik schrijf dit
ik een kind van Abel
en ben dagelijks bang
voor het antwoord
de lucht in mijn longen wordt minder
terwijl ik wacht op het antwoord

Abel sta op
opdat het anders aanvangt
tussen ons allen

de vuren die branden
het vuur dat brandt op de aarde
moet het vuur van Abel zijn

en aan de staart van alle raketten
moeten de vuren van Abel zijn

Hilde Domin (1912-2006)

BEDE

Wij worden ondergedompeld
en gewassen met het water van de zondvloed,
wij worden door en door nat
tot op de huid van ons hart.
De vraag naar het landschap
aan deze kant van de tranengrens
deugt niet,
de wens tot behoud van de bloesemlente,
de wens verschoond te blijven,
deugt niet.
Wat deugt is de bede
dat bij zonsopgang de duif
de twijg brengt van de olijfboom,
Dat de vrucht zo bont zij als de bloesem,
dat de blaadjes van de roos op de grond
nog een lichtende kroon vormen.
En dat wij uit de vloed,
dat wij uit de leeuwenkuil en de vurige oven
steeds gewonder en steeds gezonder
telkens opnieuw
worden teruggegeven
aan onszelf.

Hilde Domin

 

drie wijzen bij maria

 

My paintings on:

On Saatchi 

On Weebly  

On Behance

Texts about my art: Blog