Vergeet het beste niet

D. SÖLLE: TOEN IK ACHT JAAR GELEDEN (Meditatie : Vergeet het beste niet)

Toen ik acht jaar geleden voor het eerst grootmoeder werd, had ik het gevoel dat deze nieuwe rol – en intussen heb ik drie kleinkinderen – het mij hoe dan ook makkelijker zou maken ouder te worden. Ook werd ik me eens te meer bewust dat ik nog iets wil doorgeven van wat voor mijn generatie belangrijk is. Ik wil niet dat mijn volk het fascisme vergeet. Theodor W. Adorno heeft gezegd dat ‘de allereerste eis die aan opvoeding moet worden gesteld is dat er niet nogmaals een Auschwitz komt. Deze eis gaat zozeer vooraf aan alle andere dat ik niet geloof haar te hoeven of te moeten motiveren’.
Dit fundamentele gevoel kan en wil ik niet kwijtraken. Ik verzet mij ertegen dat deze Duitse gebeurtenis gelijk wordt gesteld aan andere – bijvoorbeeld in de ‘Historikerstreit’ -, dat tegenwoordig wordt gedaan alsof zij door vergelijking te relativeren valt en dat wordt gezegd dat andere volken precies hetzelfde deden. Alle onzin die daarover wordt verbreid, vind ik onverdraaglijk. In die zin verzet ik me echt tegen het ouder-worden en zegt: Er zijn dingen die je nooit kunt vergeten! Herinnering, collectieve herinnering, is geen luxe, maar het geheim van bevrijding. Vergeet niet! Dat is voor de oudere vrouw die ik intussen ben iets dat ik wil doorgeven. Alleen wie herinnering heeft, heeft ook toekomst en hoop. Ik zie mezelf als schakel in de ketting, als golf in een grote golfbeweging: ik ben niet alles, ik ben een deel. Niet ik draag de wortel, maar de wortel mij, zoals Paulus zegt (Romeinen 11:18). Dat maakt me heel rustig.
Een spreuk uit de Duitse boerenoorlogen zegt: ‘Verslagen trekken we naar huis, laat het nageslacht het maar uitvechten’. Ernst Bloch haalde deze spreuk graag aan. Hier wordt een verband tussen herinnering en toekomst gezien – en het verslagen-worden, de nederlagen voor de gerechtigheid zijn niet vergeefs. Ik denk in dit verband aan een Iers sprookje over de verschrikkelijke beproevingen waaraan mensen worden onderworpen als zij achter een prins of een prinses aanzitten. De koningszoon met wie ik zojuist bevriend ben geraakt, moet een stal schoonmaken die sinds 120 jaar vol mest ligt, en telkens wanneer hij een schep mest naar buiten gooit, vliegen er door elk van de veertig open ramen weer drie scheppen met stinkende gier naar binnen. Waar ontstaat theologie zoals ik haar zie? Ik geloof dat zij in feite ontstaat in de stal, die stinkt van het onrecht van de geschiedenis. Daar staan wij met onze veel te kleine scheppen en praten met elkaar. Levende theologie ontstaat niet los van de situatie en valt niet loodrecht als ‘Woord Gods’ uit de hemel naar beneden. Zij continueert zich in het elkaar trouw blijven van de erbij betrokkenen. Ik zie het geloof nog altijd met een mengeling van vertrouwen en angst, hoop en twijfel – die de Jezus van de evangeliën groot of klein geloof noemde – als een kracht ten leven, als een zoektocht naar de ware prins en een streven naar het Koninkrijk Gods. Een gesprek in de volle zin van het woord ontstaat dan als mensen in een grauwe, geestloze tijd met elkaar de honger naar geest delen. De verzadigden hoeven niet meer met elkaar te praten. Mijn leven is dus het leven van een theologische arbeidster die anderen iets van het verdriet van God en de blijdschap van God probeert door te geven. Misschien is mijn taal ‘vromer’ geworden, maar daaraan heeft niet alleen mijn subjectieve ontwikkeling bijgedragen, zoals ik haar hier heb getracht te schetsen, maar ook mijn betrokkenheid bij de wereldwijde christelijke beweging naar een conciliair proces waarin gerechtigheid, vrede en het behoud van de schepping eindelijk weer duidelijk het hart van geloof vormen. Ik denk dat ik tegenwoordig, theologisch gesproken, minder alleen sta dan jaren geleden, en dat ik dat mag zeggen is een vorm van geluk: Gracias a Dios! Het was 1990 toen de Deutschlandfunk mij uitnodigde een bijdrage te leveren voor een van zijn programma’s door in een brief aan mijn kinderen onder woorden te brengen ‘wat in het leven echt van belang is’. Volwassenen moesten doorgeven wat hun troost gaf, wat niet vergeten mocht worden en wat niet verloren mocht gaan. Daarop schreef ik de volgende woorden:

“Lieve kinderen, in sagen en sprookjes, zoals ik ze jullie vroeger vaak heb verteld, komt een motief voor van een arme schaapherder die op een dag door een klein grijs mannetje heel ver weg naar een geheimzinnige berg wordt gebracht. De deur van de berg springt open en binnen glinsteren de prachtigste schatten hem tegemoet. Maar terwijl de schaapherder nog druk bezig is zijn zakken vol te proppen, spreekt een stem: ‘Vergeet het beste niet!’ En dan slaat in de sage de deur achter hem met donderend geweld dicht en de schatten in zijn zakken vergaan tot stof. Ik heb nooit helemaal goed begrepen wat ‘het beste’ eigenlijk is. Misschien de bloemen bij de toegang tot de berg? Misschien een onooglijke oude lamp zoals die van Aladin? Misschien de sleutel om terug te komen? Of misschien alleen de wens terug te komen en niet te vergeten?
Vergeet het beste niet! Mij heeft, dat weten jullie alle vier, de stem van het kleine grijze mannetje ver weggelokt uit het gewone leven naar de religie, weg van de ‘ontwikkelden onder haar verachters’ en steeds nader tot een misschien wel eerder joods dan dogmatisch-christelijk geloof. En van alles wat ik jullie in de vijandschap waarmee het leven jullie treft en zal blijven treffen graag had meegegeven is dit het moeilijkst over te dragen. Mijn schatten kan ik jullie niet zomaar vermaken. God liefhebben met heel het hart, met heel de ziel en met alle krachten, – dat kan ik niet als een erfdeel doorgeven. Mijn pogingen jullie christelijk op te voeden hadden weinig kansen; het instituut stond me daarbij steeds weer in de weg en de Kerk was en is maar zelden het vertrouwen waard. Maar ook ben ik me er terdege van bewust hoe ikzelf heb gefaald gebruiken en symbolen geloofwaardig te maken en liederen en gebeden bij het leven van alledag te betrekken. Het is net alsof wij ouders geen bewoonbaar religieus huis hadden aan te bieden, alleen een vervallen. Dat jij, Mirjam, als jongste, je niet hebt laten confirmeren – hoewel je toch niet minder dicht bij de berg der schatten woont en het grijze mannetje misschien ook wel eens hoort – is slechts een zichtbare uitdrukking van dit probleem dat levende kinderen tegenwoordig met hun christelijke ouders hebben. Misschien ben ik er daarom wel voor teruggeschrokken jullie in het christendom te lokken – het woord ‘opvoeden’ is waarschijnlijk volkomen verkeerd in dit verband.
Maar ik zou – georganiseerde religie of geen georganiseerde religie – willen dat jullie allemaal een beetje vroom worden. Vergeet het beste niet! Daarom bedoel ik dat jullie God soms loven, niet altijd – dat doen alleen praatjesmakers en hovelingen van God -, maar toch soms, als jullie heel gelukkig zijn zodat het geluk helemaal vanzelf in dankbaarheid overgaat en jullie ‘Halleluja’ of het grote ‘Oem’ van de Indiase religie zingen.
Eén van jullie, ik geloof dat het Caroline was zei op een keer bij een bezoek aan een van die vreselijke kerken waar we jullie op vakantie steeds weer binnensleep ten, droog: ‘Er is geen God in’. Juist dat mag in jullie leven niet het geval zijn, ‘God’ moet ‘erin zijn’, aan zee en in de wolken, in de kaars, in de muziek en natuurlijk in de liefde. Zonder grond in de grond van het bestaan is er geen echte blijdschap, dan heeft ons blij-zijn altijd te maken met gebeurtenissen of dingen, maar de echte blijdschap, de blijdschap om het leven, om het geluk te mogen leven is geen blijdschap omdat er aardbeien zijn of omdat je schoolvrij heb of omdat er een geweldige bezoeker is. De echte blijdschap is zonder waarom, ‘sunder warumbe’, zoals mijn beste vriend uit de middeleeuwen, meester Eckhart, zegt.
Als ik jullie alleen maar – sterke moeder of geen sterke moeder – een beetje van deze sunder warumbe-blijdschap zou kunnen meegeven, zou dat al heel veel zijn. Dan zou ik getroost afzien van mijn ongeoorloofde hoogst bijzondere wensen, van dat te veel willen verlangen dat moeders eigen is – zoals dat jullie in je leven meester Eckhart nog eens zullen lezen – en het liefst me terugveranderen in het kleine grijze mannetje en onder louter fonkelende stenen in de blauwe grot zitten en zeggen: ‘Vergeet het beste niet!’

Jullie oude mama”

 

polder

 

If you want to buy one of this paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a piece, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Collectioners in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

More information about my work and my paintings, and my vison on art, you can find on: www.canandanann.nl