Borges over de Kabbala

 

DE KABBALA
Dames en heren:
De uiteenlopende en soms tegenstrijdige doctrines die de naam kabbala voeren, komen voort uit een begrip dat ons westers brein volslagen vreemd is, dat van een heilig boek. Men zal zeggen dat wij een overeenkomstig begrip hebben: dat van een klassiek boek. Ik geloof dat ik makkelijk, met behulp van Oswald Spengler en zijn boek Der Untergang des Abendlandes, zou kunnen aantonen, dat de twee begrippen verschillen.
Laten we het woord klassiek nemen. Wat betekent het etymologisch? Klassiek komt oorspronkelijk van classis: ‘fregat’, ‘eskader’. Een klassiek boek is een geordend boek, zoals alles aan boord dat moet zijn; shipshape, zoals men in het Engels zegt. Afgezien van die betrekkelijk bescheiden betekenis, is een klassiek boek een boek dat uitmunt in zijn soort. Zo zeggen we dat de Quijote, dat de Gommedia, dat de Faust klassieke boeken zijn.
De cultus van zulke boeken mag tot een misschien buitensporig uiterste zijn doorgevoerd, maar heilig is iets anders. De Grieken beschouwden de Ilias en de Odyssee als klassieke werken; naar Plutarchus bericht, bewaarde Alexander altijd, onder zijn kussen, de Ilias en zijn zwaard, de twee syrnbolen- van zijn krijgerschap. Toch kwam het bij geen enkele Griek op dat de Ilias woord voor woord perfect zou zijn. In Alexandrië hielden de bibliothecarissen bijeenkomsten om de Ilias te bestuderen en in de loop van die studie bedachten ze de zo noodzakelijke (en nu helaas soms vergeten) leestekens. De Ilias was een uitmuntend boek; men beschouwde het als het summum van poëzie, maar geloofde niet dat ieder woord, dat iedere hexameter per se bewonderenswaardig was. Dat hoort bij een ander begrip.
Horatius heeft gezegd: ‘Soms slaapt de goede Homerus in.’ Niemand zou zeggen dat, soms, de goede Heilige Geest inslaapt. Muze of niet (het begrip muze is nogal vaag), een Engelse vertaler heeft gemeend dat als Homerus zegt: ‘Een toornige, dat is mijn onderwerp’, ‘An angry man, this is my subject, men het boek niet letter voor letter bewonderenswaardig kon vinden: men vond het wisselvallig en bestudeerde het historisch; zulke werken werden en worden historisch bestudeerd; men plaatst ze binnen een context. Een heilig boek is iets geheel anders.
Tegenwoordig denken wij dat een boek een instrument is om een doctrine te rechtvaardigen, verdedigen, of bestrijden, of er een uiteenzetting of historische schets van te geven. In de Oudheid werd een boek als een surrogaat van het gesproken woord gezien: alleen zo zag men het. Laten we denken aan die passage van Plato waarin hij zegt dat boeken zijn als standbeelden; het lijken levende wezens maar als je ze iets vraagt, kunneri ze geen antwoord geven. Om die moeilijkheid
te verhelpen bedacht hij de Platoonse dialoog, die alle mogelijkheqen van een thema exploreert. Wij hebben ook de heel mooie en heel merkwaardige brief die Alexander van Macedonië, volgens Plutarchus, naar Aristoteles stuurt. Deze heeft juist zijn Metafysica gepubliceerd, dat wil zeggen, verscheidene kopieën .laten maken. Alexander gispt hem, met de woorden dat nu iedereen kon weten wat voorheen de uitverkorenen wisten. Ter verdediging antwoordt Aristoteles, ongetwijfeld gemeend: ‘Mijn traktaat is gepubliceerd en niet gepubliceerd.’ Men dacht niet dat een boek een thema volledig kon uiteenzetten, men hield het voor een soort gids om een mondelinge les te begeleiden. Heraclitus en Plato hebben, om verschillende redenen, Homerus’ werk gegispt. Zulke boeken werden vereerd, maar men beschouwde ze niet als heilig. Dat begrip is specifiek oosters. Pythagoras heeft geen regel tekst nagelaten. Men gist dat hij zich niet aan iets geschrevens wilde binden.
Hij wilde dat zijn denken na zijn dood voortleefde en zich verder vertakte in het brein van zijn leerlingen. Daar komt het magister dixit vandaan, dat altijd verkeerd wordt gebruikt. Magister dixit betekent niet ‘zo sprak de meester’, dus de discussie is gesloten. Een pythagoreeër heeft een leer verkondigd die misschien niet paste in de traditie van pythagoras, bij voorbeeld de leer van de cyclische tijd. Als ze hem ‘dat past niet in de traditie’ voorwierpen, antwoordde hij magister dixit, wat hem in staat stelde iets nieuws in te voeren. Pythagoras dacht destijds dat boeken binden, of, in de woorden van de Schrift, dat de letter doodt en de geest tot leven wekt.
In het hoofdstuk uit Der Untergang des Abendlandes dat gewijd is aan de magische cultuur, wijst Spengler erop, dat het prototype van een magisch boek de Koran is.
Voor de oelema’s, voor de mohammedaanse schriftgeleerden, is de Koran niet een boek als de andere. Het is een boek (dit is ongelooflijk maar het is zo) van vóór de Arabische taal; men kan het historisch noch filologisch bestuderen, want het is van vóór de Arabieren, vóór de taal waarin het is gesteld en vóór het universum. Men neemt zelfs niet aan dat de Koran het werk van God is; het is dichterbij en mysterieuzer. Voor de orthodoxe muzelmannen is de Koran een attribuut van
God, zoals Zijn toorn, Zijn goedertierenheid of Zijn gerechtigheid. In de Koran zelf is sprake van een mysterieus boek, de moeder van het boek, het hemelse archetype van de Koran, dat zich in de hemel bevindt en door de engelen wordt vereerd.
Aldus de notie van een heilig boek, die alleszins verschilt van de notie van een klassiek boek. In een heilig boek zijn niet alleen de Woorden heilig maar ook de letters waaruit deze bestaan. Die gedachte hebben de kabbalisten toegepast op de bestudering van de Schrift. Ik vermoed dat de modus operandi van de kabbalisten te danken was aan hun verlangen gnostische denkbeelden in te lijven bij joodse mystiek, teneinde zich te rechtvaardigen met de Schrift, teneinde orthodox te zijn. We kunnen in ieder geval heeloppervlakkig (ik heb nauwelijks het recht hierover te spreken) zien wat de modus operandi van de kabbalisten is of geweest is, die hun vreemde wetenschap in praktijk begonnen te brengen in Zuid-frankrijk, in Noord-Spanje -in Catalonië -, en vervolgens in Italië, in Duitsland en een beetje overal.
Zij kwamen ook naar Israël, al waren ze daar niet van afkomstig; ze stamden, veeleer, af van gnostische en kathaarse denkers.
De idee is deze: de Pentateuch, de Thora, is een heilig boek. Een oneindige intelligentie heeft zich verwaardigd tot de menselijke taak een boek te redigeren. De Heilige Geest heeft zich verwaardigd tot de literatuur, wat even ongelooflijk is als veronderstellen dat God zich heeft verwaardigd mens te worden. Maar de wijze waarop hij zich hier verwaardigde is intiemer: de Heilige Geest verwaardigde zich tot de literatuur en schreef een boek. In zo’n boek kan niets toevallig zijn. In ieder menselijk geschrift zit iets toevalligs. De bijgelovige verering waarmee de Quijote, Macbeth of het Chanson de Roland wordt omringd, alsmede zovele andere boeken, over het algemeen één per land, behalve Frankrijk, dat zo’n rijke literatuur heeft dat zij, minstens, twee klassieke tradities aanvaardt, is bekend; daar zal ik echter niet op ingaan. Welnu; als een Cervanteskenner het in zijn hoofd zou halen te zeggen: de QJlijote begint met twee eenlettergrepige woorden die op n eindigen (en en un), en gaat verder met één van vijfletters (lugar), met twee van twee letters (de la), met één van vijf of zes letters (Mancha), en hij het vervolgens in zijn hoofd zou halen daar conclusies aan te verbinden, dan zou men onmiddellijk denken dat hij gek is. De Bijbel is op die wijze bestudeerd.
Je zegt, bij voorbeeld, dat hij begint met de Ietter bet, de initiaal van Breshit. Waarom is het ‘in den beginne schiep goden de hemelen en de aarde’, met het werkwoord in het enkelvoud en het onderwerp in het meervoud? Waarom is de eerste letter een bet? Omdat die beginletter, in het Hebreeuws, hetzelfde moest zeggen als b -de beginletter van bendición, zegening, in het Spaans, en de tekst niet mocht beginnen met een letter die zou corresponderen met een verwensing; het begin moest een zegening zijn. Bet Hebreeuwse beginletter van brajá, wat zegening betekent. Er is nog een heel merkwaardige omstandigheid, die invloed moet hebben gehad op de kabbala: God, wiens woorden het instrument van zijn werk vormden (zoals de grote schrijver Saavedra Fajardo zegt), schept de wereld door middel van woorden; God zegt er zij licht en er was licht. Vandaar kwam men tot de conclusie dat de wereld werd geschapen door het woord licht of door de intonatie waarmee God het woord licht uitsprak. Als hij een ander woord had’ gezegd, met een andere intonatie, zou het resultaat niet het licht zijn geweest, zou anders zijn geweest.
Wij komen bij iets dat even ongelooflijk is als hetgeen tot nu toe is gezegd. Bij iets dat ons westers brein moet schokken {dat het mijne schokt), maar dat ik mijn plicht acht te vertellen. Wanneer wij aan woorden denken, denken wij historisch gezien dat woorden aanvankelijk klank waren en daarna letters werden. In de kabbala (wat ontvangst, traditie betekent), daarentegen, veronderstelt men dat de letters eerst komen; dat de letters de instrumenten van God waren, niet de woorden die door de letters worden aangeduid. Net of je, tegen iedere ervaring in, zou denken dat het schrift eerder kwam dan de dictie van de woorden. In dat geval is niets toevallig in de Schrift: alles moet bepaald zijn. Bij voorbeeld het aantal letters van ieder bijbelvers.
Vervolgens worden equivalenties tussen de letters verzonnen. Men behandelt de Schrift als betrof het een cijferschrift, een geheimschrift, en er worden verschillende regels bedacht om haar te lezen. Men kan iedere letter van de Schrift nemen en zien dat die letter de eerste is van een ander woord en dat andere, aangeduide woord lezen. En zo voor iedere letter van de tekst.
Ook kunnen twee alfabetten worden gevormd: één, zeg, dat van a tot I en twee dat van rn tot z, of wat dat ook was in Hebreeuwse letters; men beschouwt de bovenste létters gelijkwaardig aan de onderste. Dan kan men de tekst (om het Griekse woord te gebruiken) boustróphedon lezen: dat wil zeggen van rechts naar links, dan .van links naar rechts, dan van rechts naaf links. Ook kan men de letters een etalswaarde toekennen. Dat alles vormt een geheimschrift, kan worden ontcijferd en de uitkomsten zijn behartigenswaardig, daar ze moeten zijn voorzien door Gods intelligentie, die oneindig is. Zo komt men, via die vorm van geheimschrift, via die inspanning, die herinnert aan Poe’s Gouden Scarabee, tot de Leer. Ik vermoed dat de leer er was vóór de modus operandi. Ik vermoed dat het met de kabbala net zo is als met de filosofie van Spinoza: de geometrische orde kwam later. Ik vermoed dat de kabbalisten werden beïnvloed door de gnostici en dat zij die vreemde modus, het ontcijferen van letters, hebben gezocht om alles te kunnen koppelen aan de Hebreeuwse traditie. De curieuze modus operandi van de kabbalisten is gebaseerd op een logische premisse: de idee dat de Schrift een absolute tekst is, en in een absolute tekst kan niets toeval zijn.
Er zijn geen absolute teksten; in ieder geval zijn menselijke teksten het niet. Bij proza let je meer op de betekenis van de woorden; bij het vers, op de klank. Hoe kan in een tekst die geredigeerd is door de Heilige Geest, een moment van zwakte, een enkele barst worden verondersteld? Alles moet fataal zijn. Van die fataliteit hebben de kabbalisten hun systeem afgeleid. Als de Heilige Schrift niet een oneindig geschrift is, waarin onderscheidt zij zich dan van al die menselijke geschriften, waarin verschilt het Boek Koningen dan van een geschiedenisboek, waarin het Hooglied van een gedicht? Wij moeten veronderstellen dat ze allemaal een oneindig aantal betekenissen hebben. Scotus Eriugena heeft gezegd dat de Bijbel een oneindig aantal betekenissen heeft, zoals de changeant pluimage van een pauw.
Een ander idee is dat er vier betekenissen zitten in de Schrift. Het systeem zou als volgt kunnen worden uitgedrukt: eerst is er een Wezen analoog aan de God van Spinoza, behalve dat de God van Spinoza oneindig rijk is; de En soph, daarentegen, zouden wij oneindig arm vinden. Het gaat om een Oerwezen en van dat Wezen kunnen wij niet zeggen dat het bestaat, want als wij zeggen dat het bestaat dan bestaan ook de sterren, bestaan dé mensen, de mieren. Hoe kunnen zij
tot diezelfde categorie behoren? Nee, dat Oerwezen bestaat niet. Wij kunnen ook niet zeggen dat het denkt, want denken is een logisch proces, je gaat van een premisse naar een conclusie. Wij kunnen ook niet zeggen dat het iets wil, want iets willen is voelen dat het ons ontbreekt. Ook niet, dat het handelt. De En soph handelt niet, want handelen is zich een doel stellen en dat ten uitvoer brengen. Bovendien, als de En soph oneindig is (verschillende kabbalisten vergelijken hem met de zee, die een symbool van het oneindige is), hoe kan hij dan nog iets willen? En wat voor iets zou hij kunnen scheppen behalve nog een oneindig Wezen dat in hem zou opgaan? Aangezien de schepping van de wereld helaas noodzakelijk is, hebben wij tien emanaties, de Sefirot, die uit Hem voortkomen, maar niet na Hem komen.
De idee van dat eeuwige Wezen dat altijd die tien emanaties heeft gehad, is moeilijk te vatten. Die tien emanaties vloeien uit elkaar voort. De tekst zegt ons dat zij corresponderen met de vingers van de hand. De eerste emanatie heet de Kroon en is te vergelijken met een lichtstraal die uit de En soph voortkomt, een lichtstraal die hem niet vermindert, een onbegrensd wezen dat je niet minder kunt maken. Uit de Kroon komt nog een emanatie voort, daaruit nog een, daaruit nog een, en zo tot het getal tien vol is. Iedere emanatie is drieledig. Door een van de drie delen staat zij in verbinding met het Hogere Wezen; het tweede is de kern, het wezenlijke; door het derde kan zij in verbinding komen met de lagere emanatie.
De tien emanaties vormen een mens die de Adam Kadmon, de Archetype Mens, heet. Die mens bevindt zich in de hemel en wij vormen zijn weerschijn. Uit die mens, van die tien emanaties, vloeit een wereld voort, vloeit er nog een voort, tot vier toe. De derde is onze stoffelijke wereld en de vierde is de wereld van de hel. Zij zitten alle besloten in de Adam Kadmon, die de mens en zijn microkosmos omvat: alle dingen.
Het gaat niet om een museumstuk van de fIlosofiegeschiedenis; ik geloof dat dit systeem een toepassing heeft: het kan ons van dienst zijn om te denken, om te proberen het universum te begrijpen. De gnostici waren er vele eeuwen vóór de kabbalisten; zij hebben een overeenkomstig systeem, dat een onbepaalde God postuleert. Uit die God die Pieroma (Volte) heet, vloeit nog een God voort (ik volg hier de perverse versie van Irenaeus), en uit die God vloeit nog een emanatie voort, en uit die emanatie nog een, en daaruit nog een, en elk daarvan vormt een hemel (er is een toren van emanaties). Wij komen bij het getal driehonderdvijfenzestig, want de astrologie loopt er doorheen. Als we bij de laatste emanatie komen, die waarin het deel goddelijkheid neigt naar nul, stuiten we op de God die jehova heet en die deze wereld schept. Waarom schept hij deze wereld zo vol dwalingen, zo vol gruwel, zo vol zonden, zo vol lichamelijke pijn, zo vol schuldgevoel, zo vol misdaden? Omdat de Goddelijkheid gaandeweg is afgenomen en, aangekomen bij jehova, deze onvolmaakte wereld schept. Wij hebben hetzelfde mechanisme bij de tien Sefirot en bij de vier werelden die hij zal scheppen. Die tien emanaties boeten, naarmate zij verder af raken van de En soph, van het onbegrensde, van het occulte, van de occulten -zoals de kabbalisten het in hun overdrachtelijke taal noemen -, aan kracht in, tot zij gekomen zijn bij die welke deze wereld schept, deze wereld waarin wij ons bevinden, zo vol dwalingen, zo blootgesteld aan ongeluk, zo kortstondig in ons geluk. Zo’n absurde gedachte: is het niet; wij staan tegenover een eeuwig vraagstuk, namelijk dat van het kwaad, schitterend behandeld in het Boek Job, volgens Froude het meesterwerk van alle literaturen. U zult zich de geschiedenis van job herinneren. De rechtvaardige mens die wordt geplaagd, de mens die zich wil rechtvaardigen ten overstaan van God, de mens die wordt veroordeeld door zijn vrienden, de mens die denkt dat hij zich gerechtvaardigd heeft en ten slotte spreekt God hem toe uit de wervelwind. God zegt tegen hem dat Hij de menselijke maten te buiten gaat. Hij geeft twee voorbeelden, de olifant en de walvis, en zegt dat Hij ze heeft geschapen. Wij moeten, zegt Max Brod, voelen dat de olifant, Behemoth (‘de dieren’), zo groot is dat zijn naam in het meervoud staat, en verder kan Leviathan twee monsters zijn, de walvis en de krokodil. God zegt dat Hij even onbevattelijk is als die monsters en niet door mensen kan worden gemeten.
Tot hetzelfde komt Spinoza, wanneer hij zegt dat menselijke attributen geven aan God is alsof een driehoek zou zeggen dat God bij uitstek driehoekig is. Zeggen dat God rechtvaardig is, goedertieren is, is even antropomorfisch als beweren dat God een gezicht, ogen of handen heeft.
Wij hebben, dus, een hogere Godheid en wij hebben ook lagere emanaties. Emanaties lijkt het onschadelijkste woord om God lriet de schuld te geven; om de schuld, zoals Schopenhauer zei, niet bij de koning te leggen maar bij de ministers, en om die emanaties deze wereld te laten voortbrengen. Er zijn enkele verdedigingen van het kwaad beproefd. Om te beginnen de klassieke verdediging van de theologen, volgens welke kwaad een negatief begrip is en spreken van ‘het kwaad’ eenvoudigweg spreken van de afwezigheid van goed inhoudt; wat, voor iedereen met gevoel, evident onwaar is. De eerste de beste lichamelijke pijn is even krachtig of krachtiger dan welk genot ook. Ongeluk is niet de afwezigheid van geluk, het is iets positiefs; als wij ongelukkig zijn ondergaan wij het als een vorm van ongeluk.
Er is een heel elegant maar heel onwaar argument van Leibniz om het bestaan van het kwaad te verdedigen. Stellen wij ons twee bibliotheken voor. De eerste omvat duizend exemplaren van de Aeneis, dat een perfect boek verondersteld wordt te zijn en het misschien ook is. De andere telt duizend boeken van ongelijke kwaliteit, waaronder de Aeneis. Welke van de twee is beter? Overduidelijk de tweede. Leibniz komt tot de conclusie dat het kwaad nodig is voor de verscheidenheid van de wereld.
Een ander voorbeeld dat men pleegt te geven is dat van een schilderij, een mooi schilderij, zeg van Rembrandt. Op het doek komen donkere plekken voor die kunnen corresponderen met het kwaad. Leibniz schijnt, als hij het voorbeeld van de doeken of dat van de boeken geeft, te vergeten dat één ding is .dat er slechte boeken in een bibliotheek staan, en een ander dat die boeken bestaan, of zijn. Zijn wij een van die boeken dan betekent dat de hel.
Niet iedereen beschikt over de opgetogenheid –en ik weet niet of die permanent was -van Kierkegaard, die heeft gezegd dat als er één ziel in de hel nodig was voor de verscheidenheid van de wereld, en die ziel was de zijne, hij vanuit de krochten van de hel de lof van de Almachtige zou zingen. Ik weet niet of het makkelijk is zo te voelen; ik weet niet of Kierkegaard na enkele minuten hel nog zo gedacht zou hebben. Maar de idee verwijst, zoals u ziet, naar een wezenlijk vraagstuk, dat van het bestaan van het kwaad, dat de gnostici en de kabbalisten op dezelfde wijze oplossen.
Ze lossen het op door te zeggen dat het universum het werk is van een gebrekkige Godheid, waarvan de fractie goddelijkheid neigt naar nul. Dat wil zeggen, van een God die niet de God is. Van een God die in de verte van God afstamt. Ik weet niet of ons brein kan werken met zulke weidse en vage termen als God, als Goddelijkheid, of met Basilides’ gnostische leer van de driehonderdvijfenzestig emanaties. Toch kunnen wij de idee van een gebrekkige godheid aanvaarden, van een godheid die deze wereld moet kneden van ongunstig materiaal. En dan zitten we al bij Bernard Shaw, die gezegd heeft ‘God is in the making’ , ‘God is in de maak’.
God is iets dat niet tot het verleden behoort, dat misschien niet tot het heden behoort: het is de Eeuwigheid. God is iets dat toekomst kan zijn: als wij grootmoedig zijn, ook als wij intelligent zijn, als wij scherpzinnig zijn, zullen wij God helpen vormen.
In Het onvergankelijke vuur van We11s volgt het argument dat van het Boek Job en de held lijkt op Job. Deze held droomt, wanneer hij verdoofd is, dat hij een laboratorium binnengaat. De installatie is armoedig en er is een oude man aan het werk. De oude man is God; hij toont zich nogal geïrriteerd. ‘Ik doe wat ik kan,’ zegt hij, ‘maar ik moet werkelijk strijd leveren met erg moeilijk materiaal.’ Het kwaad zou het voor God onhandelbare materiaal zijn en het goede zou goedheid zijn. Het goede zou echter, op den duur, bestemd zijn te zegevieren en zegeviert al. Ik weet niet of
wij in vooruitgang geloven; ik denk van wel, althans in Goethes spiraalvorm: wij gaan en keren weer, maar alles bij elkaar worden wij beter. Hoe kunnen wij zo praten in deze tijd van zoveel wreedheden? Toch, er worden tegenwoordig mensen gevangen genomen en in de gevangenis, mogelijk in concentratiekampen, gestopt; maar de gevangenen zijn vijanden. Ten tijde van Alexander van Macedonië leek het vanzelfsprekend dat een zegevierend leger alle overwonnenen doodde en dat een verslagen stad met de grond gelijk werd gemaakt. Misschien verbeteren wij in intellectueelopzicht ook. Een bewijs daarvan zou dit zo nederige feit zijn dat wij ons interesseren voor wat de kabbalisten dachten.
Wij hebben een open geest en zijn bereid niet alleen het verstandige van anderen, maar ook het domme van anderen, alle bijgeloof van anderen te bestuderen. De kabbala is niet alleen niet een museumstuk, maar een soort metafoor van het denken. Ik zou het nu willen hebben over een van de mythen) over een van de merkwaardigste legenden van de kabbala. Die over de golem, die heeft geïnspireerd tot Meyrinks beroemde roman die mij weer inspireerde tot een gedicht. God neemt een kluit aarde (Adam betekent rode aarde), blaast hem leven in en schept Adam, die voor de kabbalisten de eerste golem zou worden. Hij is geschapen door het goddelijk woord, door een ademtocht leven; en zoals men in de kabbala zegt dat de naam God de hele Pentateuch is, behalve dat de letters door elkaar zijn geschud, zo zou iemand, als hij de naam van God bezat of als hij het Tetragrammaton begreep -Gods naam van vier letters -en deze correct zou weten uit te spreken) een wereld kunnen scheppen en ook een golem, een mens) kunnen scheppen. De legenden over de golem zijn mooi benut door Gershom Scholem in zijn boek Het symbolisme van de kabbala, dat ik zojuist heb gelezen. Ik geloof dat het het helderste boek over dit onderwelp is, want ik heb geconstateerd dat het bijna zinloos is om naar de oorspronkelijke bronnen te zoeken. Ik heb de mooie en ik denk juiste vertaling (ik ken, uiteraard, geen Hebreeuws) van de Sefer jetsira of het Boek der schepping, gelezen, van de hand van León Dujovne. Ik heb een versie van de Zohar of het Boek der schittering gelezen. Die boeken werden echter niet geschreven om de kabbala te onderwijzen, maar om haar te insinueren; in de hoop dat een student in de kabbala ze misschien leest en zich er door gesterkt voelt. Ze zeggen niet de hele waarheid: net als de gepubliceerde en niet gepubliceerde traktaten van Aristoteles.
Laten we teruggaan naar de golem. Men veronderstelt dat als een rabbijn de geheime naam van God leert of komt te ontdekken en hem uitspreekt boven een lemen mensenfiguur, deze tot leven komt en golem heet. In een van de versies van de legende wordt op het voorhoofd van de golem het woord EMET geschreven, dat waarheid betekent. De golem groeit. Er is een moment dat hij zo groot is dat hij boven zijn eigenaar uitsteekt. Deze vraagt hem zijn schoenen vast te
maken. De golem bukt en de rabbijn blaast en slaagt er in de aleph of eerste letter van EMET uit te wissen. Blijft over MET, dood. De golem verandert in stof.
In een andere legende scheppen een rabbijn of een paar rabbijnen, een paar tovenaars, een golem en sturen hem naar een andere meester, die tot een dergelijke schepping in staat is maar boven zulke ijdelheden staat. De rabbijn spreekt tot hem maar de golem antwoordt niet, omdat het vermogen om te spreken en te begrijpen hem is ontzegd. De rabbijn vonnist: Jij bent een apparaat van de tovenaars; keer weer tot je stof.’ De golem valt in stukken.
Tot slot nog een legende die door Scholem wordt verteld. Vele leerlingen (het is één mens niet gegeven het Boek der Schepping te bestuderen en te begrijpen) slagen er in een golem te maken. Hij wordt geboren met een dolk in zijn handen en vraagt zijn scheppers hem te doden ‘want als ik leef word ik misschien als een afgodsbeeld vereerd’. Voor Israël, evenals voor het protestantisme, is afgoderij een van de grootste zonden. Zij doden de golem.
Ik heb enkele legenden verhaald maar wil terug naar het begin, naar die leer die mij behartigenswaardig lijkt. In ieder van ons zit een deeltje goddelijkheid. Deze wereld kan, overduidelijk, niet het werk zijn van een almachtige en rechtvaardige God, maar hangt van ons af. Dat is de les die de kabbala ons leert, afgezien van het feit dat het een curiositeit is die door geschiedschrijvers of grammatici wordt bestudeerd.
Evenals Hugo’s grote gedicht ‘Ce que dit Ia bouche d’ombre’, heeft de kabbala de leer onderwezen die de Grieken apokatástasis noemden, volgens welke alle schepselen, met inbegrip van Kaïn en de Duivel, na lange zielsverhuizingen, opnieuw zullen opgaan in de goddelijkheid waaruit zij ooit zijn voortgekomen.

El Fulgor
El Fulgor VII