Borges over de eeuwigheid

 

J.L. Borges: DE GESCHIEDENIS VAN DE EEUWIGHEID
I
In de passage van de Enneaden waarin Plotinus het wezen van de tijd wil peilen en definiëren, staat dat we eerst de eeuwigheid moeten kennen, zoals iedereen weet het model en het archetype van de tijd. Deze vermaning, des te ernstiger naarmate we haar serieus nemen, lijkt alle hoop op enig begrip tussen ons en de man die het schreef de grond in te boren. De tijd is voor ons een probleem, misschien het vitaalste van de hele metafysica; de eeuwigheid is een spel of een vermoeide vorm van hoop. In Plato’s Tïmaios lezen we dat tijd een beweeglijk beeld van eeuwigheid is; maar dat is hooguit een compromis dat niemand van de overtuiging zal afbrengen dat de eeuwigheid een van tijdssubstantie gemaakt beeld is. Het is dat beeld, dat grove, door menselijke onenigheid verrijkte woord, dat ik hier historisch wil schetsen.
Ik keer de methode van Plotinus om (de enige manier om iets aan hem te hebben) en memoreer eerst de duistere kanten die inherent zijn aan de tijd: een metafysisch, natuurlijk mysterie dat vooraf moet gaan aan de eeuwigheid, die een vrucht van het menselijk brein is. Eén zo’n duistere kant, niet de meest taaie, niet de minst mooie, is de onmogelijkheid om de richting van de tijd te bepalen. Het algemene geloof wil dat hij van het verleden naar de toekomst stroomt, maar het tegenovergestelde geloof, zoals dat in de poëzie van Miguel de Unamuno is vastgelegd, is niet minder logisch: ’s Nachts ontspringt de stroom van uren aan haar bron, de eeuwige ochtend… 1
Beide opvattingen zijn even geloofwaardig -en even onverifieerbaar. Bradley wijst ze alle twee af en komt met een eigen hypothese: de toekomst, zuiver een spinsel van onze hoop, uitsluiten en het ‘nu’ terugbrengen tot de agonie van het huidige moment dat uiteenvalt in het verleden. Zo’n tijdsregressie pleegt te corresponderen met dalende of flauwe stemmingen, in zoverre dat alle intensiteit zich voor ons gevoel naar de toekomst toe uitstrekt… Bradley wijst de toekomst af; een van de filosofische scholen van India wijst het heden af omdat het ongrijpbaar zou zijn. De sinaasappel zal zo van de tak vallen, of ligt al op de grond, aldus deze vreemde vereenvoudigers. Niemand ziet hem vallen.
De tijd brengt meer moeilijkheden mee. Een daarvan, misschien de grootste, het relateren van de individuele tijd van ieder mens aan de algemene tijd van de wiskunde, is door de recente relativiteitsdrukte genoegzaam verkondigd, en iedereen weet het nog, of weet nog dat hij het tot voor kort wist. (Ik vat die moeilijkheid, met enige vervorming, samen: als tijd een mentaal proces is, hoe bestaat het dan dat duizenden mensen, of al waren het er maar twee, dat delen?) Een andere is door de Eleaten aangewend om de beweging te ontkennen: Het is onmogelijk dat er in een tijdsbestek van tachtig jaar veertien minuten voorbijgaan, want eerst moeten er zeven voorbij zijn en vóór die zeven drieënhalf en vóór die drieënhalf één en driekwart.. en zo tot in het oneindige.. zodat die veertien minuten nooit om zijn. Russell weerlegt dat argument door te wijzen op het reële en zelfs alledaagse van oneindige getallen die echter per definitie ineens komen en niet als de slotterm van een eindeloos optelproces.
Die ongewone getallen van Russell zijn een mooi voorproefje op de eeuwigheid, die zich evenmin laat definiëren via optelling van haar delen. Geen van de verschillende eeuwigheden die de mens ooit heeft uitgedacht -die van het nominalisme, die van Irenaios, die van Plato -is een werktuiglijke aaneenlassing van verleden, heden en toekomst. Het is eenvoudiger en magischer: het is de simultaneïteit van die tijden. De volksmond en dat verbazingwekkende woordenboek dont chaque édition fait regretter la précédente schijnen er niet van op de hoogte, maar zó zagen de metafysici de eeuwigheid. De objecten van de geest volgen elkaar op -lees ik in boek van de Enneaden -, nu Socrates.. dan een paard… altijd één geïsoleerd ding dat men vat en duizenden die verloren gaan; maar de Goddelijke Intelligentie omvat alle dingen tegelijk. Het verleden zit in het heden.. evenals de toekomst. Niets gaat voorbij in die wereld, waarin alle dingen voortbestaan.. kalm in de gelukzaligheid van hun conditie.
Ik ga over tot een beschouwing van die eeuwigheid, waarvan alle andere zijn afgeleid. Weliswaar is Plato er niet de geestelijke vader van -hij heeft het in een bepaald boek over de ‘oude, heilige filosofen’ die hem waren voorgegaan -maar hij biedt een schitterende weergave en zelfs een uitbreiding van wat deze voorgangers hadden bedacht. Deussen vergelijkt hem met de zonsondergang: hartstochtelijk laatste licht. Alle Griekse eeuwigheidsopvattingen komen in zijn boeken samen, nu eens afgewezen, dan weer tragisch opgesmukt. Daarom noem ik hem vóór, lrenaios, die de tweede eeuwigheid opstelt: die welke bekroond is met de drie verschillende maar onontwarbare personen. Plotinus zegt met opmerkelijk vuur: ieder ding in de intelligibele hemel is eveneens hemel daar is de aarde hemel zoals de dieren, de planten, de mannen en de zee het zijn. Wat zij zien is een wereld die niet verwekt is. Iedereen bekijkt zich in de anderen. Er is niets in dit rijk dat niet doorschijnend is. Niets is ondoordringbaar, niets is duister en licht ontmoet licht. Iedereen is overal, en alles is alles. Ieder ding is alle dingen. De zon is alle sterren, en iedere ster is alle sterren en de zon. Niemand loopt daar als op een vreemde aarde. Dat eenstemmige heelal, die apotheose van assimilatie en verwisseling, is nog geen eeuwigheid; het is een grenshemel, nog niet helemaal vrij van getal en van ruimte. De volgende passage uit boek V wil tot beschouwing van de eeuwigheid, tot de wereld van de universele vormen aanzetten: Laten zij die zich verwonderen over deze wereld -haar capaciteit, haar schoonheid, de orde in haar aanhoudende beweging, de manifeste of onzichtbare goden die haar bereizen, de duivels, bomen en dieren -hun gedachten verheffen naar die Werkelijkheid waarvan dit alles de kopie is. Zij zullen daar de intelligibele vormen zien, niet met gekende eeuwigheid maar eeuwig, en zij zullen ook haar kapitein zien, de pure intelligentie, en de onbereikbare Wijsheid, en de ware leeftijd van Chronos waaraan de naam Volte is. Alle onsterfelijke dingen zijn daar, alle intellect, iedere god en iedere ziel. Alle plekken zijn daar, waarheen zal zij gaan? Zij is aanwezig in het geluk, waartoe dan verandering en wisselvalligheid bewezen? Zij heeft die situatie aanvankelijk niet ontbeerd maar hem later verworven. De dingen behoren haar toe in één enkele eeuwigheid: die eeuwigheid die de tijd nabootst terwijl hij rond de ziel draait, altijd deserteur van een verleden, altijd pretendent van een toekomst.
Het benadrukken van de pluraliteit in bovenstaande alineá.’s kan misleidend zijn. Het ideale universum waartoe Plotinus ons uitnodigt, haakt niet zozeer naar verscheidenheid, als wel naar volte; het is een uitgelezen repertorium dat geen herhaling of pleonasme duldt. Het is het onbeweeglijke, verschrikkelijke museum van de Platoonse archetypen. Ik weet niet of sterfelijke ogen (de visionaire blik of de nachtmerrie daargelaten) het hebben gezien en evenmin of de Griek van lang geleden die het uitdacht zich er ooit een voorstelling van heeft gemaakt, maar ik voel er iets in van een museum: stil, monsterlijk en geclassificeerd… Het gaat om een persoonlijk idee waar de lezer zich niets aan gelegen hoeft te laten liggen; hopelijk laat hij zich wel iets gelegen liggen aan een algemene schets van de Platoonse archetypen of eerste oorzaken of ideeën, die de eeuwigheid bevolken en bepalen. De ruimte voor een uitvoerige bespreking van de Platoonse leer ontbreekt hier, maar enkele opmerkingen van propaedeutische aard zijn wel mogelijk. De laatste, vaste realiteit van de dingen is voor ons de materie -de ronddraaiende elektronen die astronomische afstanden afleggen in de eenzaamheid van de atomen -; voor wie in staat zijn als Plato te denken is het de soort, de vorm. In boek III van de Enneaden lezen we dat de materie irreëel is: het is slechts holle passiviteit die de universele vormen opvangt zoals een spiegel dat zou doen; de vormen brengen de materie in beweging en bevolken haar zonder haar te veranderen. De volte van de materie is precies die van een spiegel, die voorwendt vol te zijn maar leeg is; het is een hersenschim die niet eens verdwijnt, omdat zij zelfs het vermogen om op te houden mist. Fundamenteel zijn de vormen. Daarover heeft Pedro Malón de Chaide veel later, in navolging van Plotinus, gezegd: God handelt als hadt gij een achthoekige goudstempel met op een kant een leeuw uitgesneden, op een andere kant een paard, op weer een andere kant een adelaar, en zo voort; en als druktet gij de leeuw op een stuk was, op een ander stuk de adelaar, op weer een ander stuk het paard,. stellig is alles wat op het was staat ook op het goud, en gij kunt slechts afdrukken wat daarop staat uitgesneden. Maar er is een verschil en dat is dat het op het was uiteindelijk was is, dus weinig waard,. op het goud is het goud, en veel waard. Bij de schepselen zijn deze kwaliteiten eindig, dus weinig waard; bij God zijn zij van goud, zijn zij God zelf.
Daaruit kunnen we afleiden dat de materie niets is. Wij vinden zo’n criterium slecht en zelfs onbegrijpelijk, en toch passen wij het voortdurend toe. Een hoofdstuk van Schopenhauer is niet het papier uit de Leipziger drukkerijen, niet de drukinkt, niet de krullen en halen van het gotische schrift, niet de som van alle klanken die erin voorkomen, zelfs niet de mening die wij erover hebben; Miriam Hopkins is gemaakt van Miriam Hopkins, niet van de stikstof of mineralen, koolhydraten, basen en zuren, die de vergankelijke substantie vormen van die tere zilveren schim of intelligibele essentie van Hollywood. Dergelijke welwillende illustraties kunnen ons ertoe aanzetten de Platoonse leer te dulden. Wij kunnen deze als volgt formuleren: Individuen en dingen bestaan voor zover ze deel hebben aan de soort die hen insluit, die hun duurzame werkelijkheid is. Ik zoek het geschiktste voorbeeld: dat van de vogel. De gewoonte van de vogel om in zwemmen te vliegen, zijn geringe omvang, de gelijkenis met zijn soortgenoten, zijn oude verbondenheid met beide schemeringen, die van het begin van de dagen en die van hun einde, de omstandigheid dat je hem meer hoort dan ziet –dat alles brengt ons er toe de soort voorop te stellen en de individuele vogel als nagenoeg onbeduidend te beschouwen,2 Keats kan terecht denken dat de nachtegaal die hem in vervoering brengt dezelfde is als die welke door Ruth werd gehoord in de korenvelden van Bethlehem, in Judea; Stevenson verheft één vogel die de eeuwen verteert: de tijdverslindende nachtegaal. Schopenhauer, de hartstochtelijke, scherpzinnige Schopenhauer, draagt een motivering aan: de pure, lichamelijke actualiteit van dieren, hun onwetendheid van dood en herinneringen. En hij voegt er, niet zonder glimlach, aan toe: Wie mij hoort beweren dat de grijze kat die nu op de binnenplaat speelt dezelfde is als de kat die hier Vijfhonderd jaar geleden neersprong en langs sloop, mag van mij denken wat hij wil; nog dwazer is het te denken dat het om een wezenlijk andere kat gaat, En dan: Het lot en leven van leeuwen vraagt om een leonitas, een leeuwheid, wat in de tijd beschouwd één onsterfelijke leeuw is die zich handhaaft door middel van de oneindige wederopvoering van de individuele leeuwen, met hun voortplanting en hun dood de hartslag van die onvergankelijke gestalte, En daarvoor: Een oneindige duur is aan mijn geboorte voorafgegaan; wat was ik intussen? In metafysische termen zou ik mezelf kunnen antwoorden: ‘ben altijd ik geweest; dat wil zeggen, iedereen die in die tijd ik heeft gezegd, was niemand anders dan ik.’
Ik vermoed dat die eeuwige Leeuwheid de goedkeuring van mijn lezer kan wegdragen; hij zal iets van verheven opluchting voelen bij die ene leeuw, vermenigvuldigd in de spiegels van de tijd. Van zo’n beeld van een eeuwige humanitas verwacht ik dat niet: ik weet dat ons ik dat afwijst en het liever onbevreesd uitstrooit over het ik van de anderen. Een slecht teken; Plato oppert nog veel hachelijker universele vormen. Bij voorbeeld de Tafelheid of intelligibele Tafel, die in de hemel staat: een vierpotig archetype dat alle meubelmakers van de hele wereld, gedoemd tot illusie en frustratie, voor ogen staat. (Ik kan dit niet helemaal afwijzen: zonder een ideaalbeeld van een tafel waren wij nooit tot concrete tafels gekomen.) Of de Driehoekigheid: een eminente driezijdige veelhoek die zich niet in de ruimte bevindt en die niet wil worden gedegradeerd tot iets gelijkzijdigs, ongelijkzijdigs of gelijkbenigs. (Ook dit verwerp ik niet; het is de driehoek van onze meetkundeschriften.) Andere voorbeelden: de Behoefte, de Rede, het Uitstel, de Betrekking, de Overweging, de Omvang, de Orde, de Traagheid, de Houding, de Verklaring, de Wanorde. Van zulke tot vorm verheven denkgemakken weet ik niet meer wat ik moet vinden; ik denk dat niemand ze zonder de hulp van dood, koorts of waanzin kan aanvoelen. Ik vergat een archetype dat alle andere omvat en verheft: de eeuwigheid, waarvan de tijd een verbrokkelde kopie is. Ik weet niet of mijn lezer argumenten behoeft om Plato’s leer te ontkrachten. Ik kan ze volop aandragen: bij voorbeeld de onverenigbare koppeling van soortnamen en abstracte woorden die in het tehuis van de archetypische wereld sans gêne samenwonen; of het stilzwijgen van hun uitvinder over de manier waarop de dingen de universele vormen deelachtig worden; of de argwanende gedachte dat die aseptische archetypen zelf ook onderhevig zijn aan vermenging en verscheidenheid. Ze zijn niet onoplosbaar: ze zijn even verward als de schepselen van de tijd. Gemaakt als ze zijn naar het beeld van deze schepselen, herhalen zij precies de afwijkingen die ze willen oplossen. Hoe zou bij voorbeeld Leeuwheid het kunnen stellen zonder Hoogmoed en Rossigheid, Bemaandheid en Beklauwdheid? Op die vraag bestaat geen antwoord en kan ook geen antwoord bestaan: laten wij van de term leeuwheid geen kracht verwachten die de kracht van dat Woord zonder suffix ver zou overtreffen.3
Ik ga terug naar de eeuwigheid van Plotinus. Boek V van de Enneaden bevat een zeer algemene inventarisatie van de bestanddelen die haar vormen. De Gerechtigheid is er, evenals de Getallen (tot hoeveel?) en de Deugden en de Handelingen en de Beweging, maar niet de dwalingen en de onrechtmatigheden, wat ziekten zijn van een materie waarin een Vorm is ontaard. Niet als melodie, maar als Harmonie en als Ritme is de Muziek er. Van pathologie en akkerbouw bestaan geen archetypen, omdat ze niet nodig zijn. Ook financiën, strategie, retoriek en bestuurskunst blijven buitengesloten -al stammen ze, in de tijd, in zekere zin af van Schoonheid en Getal. Er zijn geen individuen, er is geen oorspronkelijke vorm van Socrates, zelfs niet van een Groot Man of van een Keizer; er is, in het algemeen, de Mens. Daarentegen zijn alle geometrische figuren er. Wat de kleuren aangaat alleen de primaire: er is geen Grijs of Purper of Groen in die eeuwigheid. Dit zijn in opklimmende reeks haar oudste archetypen: het Verschil, de Gelijkheid, de Beweging, de Rust en het Zijn.
Wij hebben een eeuwigheid bekeken die armer is dan de wereld. Rest ons te zien hoe onze Kerk haar heeft geadopteerd en haar heeft bedacht met een rijkdom die alles te boven gaat wat de jaren overbrengen.

II
Het beste document over de eerste eeuwigheid is boek V van de Enneaden; dat over de tweede, de christelijke, boek XI van Augustinus’ Belijdenissen. De eerste is ondenkbaar zonder de Platoonse these; de tweede zonder het beroepsmatige mysterie van de Drieëenheid en de discussies over voorbeschikking en verdoemenis.
Het onderwerp zou nog op geen vijfhonderd foliovellen uitputtend te behandelen zijn: ik hoop dat deze twee, drie octavoblaadjes niet overdadig overkomen. We kunnen zonder veel risico stellen dat de verordening van ‘onze’ eeuwigheid slechts enkele jaren viel na de chronische ingewandsziekte die Marcus Aurelius velde, en dat het decor van dat duizelingwekkende mandaat het ravijn van Fourvière was, destijds Forum Vetus geheten, en nu beroemd om zijn kabelbaan en zijn basiliek. Die dwang-eeuwigheid was, het gezag van de man die het opstelde – bisschop lrenaios – ten spijt, veel meer dan een ijdel priesterlijk parament of een kerkelijke luxe: het was een beslissing en het was een wapen. Het Woord is verwekt door de Vader, de Heilige Geest door de Vader en het Woord; de gnostici plachten uit die twee onbetwistbare geschiedfeiten af te leiden dat de Vader voor het Woord kwam, en beiden voor de Heilige Geest. Die gevolgtrekking tastte de Drieëenheid aan. Irenaios legde uit dat het dubbele proces -verwekking van de Zoon door de Vader , uitstorting van de Geest door beiden -zich niet in de tijd heeft voltrokken, maar in één klap verleden, heden en toekomst uitput. Die uitleg werd aanvaard en geldt nu als dogma. Zo werd de eeuwigheid uitgevaardigd, terwijl ze voordien amper werd geduld in de schaduw van een of andere niet geautoriseerde tekst van Plato.
Het juiste verband en verschil tussen de drie hypostasen van de Heer geldt nu als een onwaarschijnlijk probleem, en die onbeduidendheid lijkt de repliek aan te tasten; toch mag aan de grootsheid van het resultaat niet getwijfeld worden, al was het maar om de hoop te voeden: Aetemitas est merum hodie, est immediata et lucida fruitio rerum infinitarum. En evenmin aan het emotionele en polemische belang van de Drieëenheid.
Vandaag de dag beschouwen katholieke leken de triniteit als een oneindig deugdelijk maar ook oneindig saai lichaam; vrijzinnigen zien het als een ijdele theologische helhond, een bijgeloof dat vanzelf door de vele vooruitgangen in de Republiek zal worden uitgeroeid. De drieëenheid stelt natuurlijk meer voor dan dergelijke formules. Op het eerste gezicht komt het denkbeeld van een vader, een zoon, en een geest, verbonden binnen een enkelorganisme, over als een geval van verstandsverbijstering, een gedrocht dat alleen kan zijn gebaard door de gruwel van een nachtmerrie. De hel is puur fysieke gewelddadigheid, maar de drie onontwarbare Personen brengen een verstandelijke gruwel, een verstikte, bedrieglijke oneindigheid teweeg als bij twee tegenover elkaar opgestelde spiegels. Dante wilde ze aanduiden via de opeenstapeling van doorschijnende kringen, in wisselende kleur; Donne met een dichte kluwen onontwarbare slangen. ‘Toto coruscat trinitas mysterio’, schreef St. Paulinus; ‘In volle mysterie schittert de Drieëenheid.’
Los van de verlossingsgedachte moet het onderscheid tussen de drie personen in één willekeurig overkomen. Als behoefte van het geloof wordt het fundamentele mysterie niet minder, maar gloort er ook iets van een bedoeling, een functie. Wij begrijpen dat Jezus als we afzien van de Drieëenheid -of althans van de Tweeëenheid – zou veranderen in een gelegenheidsbode, een geschiedkundig incident, in plaats van de onvergankelijke, aanhoudende toehoorder van onze verering. Als de Zoon niet ook de Vader is, is de verlossing geen rechtstreeks werk van God; als Hij niet eeuwig is, zal ook Zijn offer, Zijn afdaling tot mens en Zijn dood aan het kruis, dat niet zijn. ‘Niets minder dan een oneindige voortreffelijkheid heeft een ziel die tot in eeuwigheid verloren was kunnen redden’, benadrukte Jeremias Taylor. Zo laat het dogma zich rechtvaardigen, al suggereert de opvatting dat de Zoon door de Vader is verwekt, en de Heilige Geest aan beiden is ontsproten, onverminderd een prioriteit, nog afgezien van de erfschuld die aan die metaforische condities kleeft. De theologie besluit, in een poging ze uit elkaar te houden, dat er geen reden voor verwarring is, aangezien de uitkomst van de ene de Zoon is en van de andere de Geest. Eeuwige verwekking van de Zoon, eeuwige schepping van de Heilige Geest, luidt de hovaardige uitspraak van lrenaios: de uitvinding van een tijdloos feit, van een verminkt zeitloses Zeitwort, dat wij kunnen verwerpen of aanhangen, maar niet ter discussie kunnen stellen. Aldus wilde lrenaios het monster redden, en het is hem gelukt. Wij weten dat hij een vijand van de filosofen was; een van hun wapens bemachtigen en tegen hen keren, moet hem een krijgshaftig genoegen hebben bezorgd.
Voor een christen valt de eerste seconde van de tijd samen met de eerste seconde van de Schepping – wat ons het (onlangs door Valéry gereconstrueerde) schouwspel bespaart van een ledige God die in de ‘vorige’ eeuwigheid loze eeuwen afwindt. Emanuel Swedenborg (Vera christiana religio, 1771) zag in een uithoek van de onstoffelijke wereld een hallucinatorisch standbeeld waardoor allen zich verslonden wanen ‘die zinneloos en vruchteloos tobben over de staat van de Heer vóór Hij de wereld schiep’.
De christelijke eeuwigheid begon vanaf het moment dat lrenaios haar had ingesteld af te wijken van de alexandrijnse. Vaneen afzonderlijke wereld veranderde zij zo goed en zo kwaad als het ging in een van de negentien attributen van het goddelijk brein. Toen ze eenmaal aan de volksverering waren prijsgegeven, dreigden de archetypen te veranderen in goden of engelen; weliswaar werd daarmee niet hun realiteit – altijd nog groter dan die van gewone schepselen – ontkend, maar zij werden gereduceerd tot eeuwige ideeën binnen het scheppend Woord. Bij dit denkbeeld van de universalia ante res zal Albertus Magnus blijven stilstaan: hij acht ze eeuwig en voorafgaand aan de dingen van de Schepping, maar alleen op de wijze van ingevingen of vormen. Hij scheidt ze zorgvuldig van de universalia in rebus -dat zijn dezelfde goddelijke begrippen die zich al in verschillende gedaanten in de tijd geconcretiseerd hebben -maar vooral ook van de universalia post res, de begrippen die door inductief denken zijn herontdekt. De tijdelijke onderscheiden zich van de goddelijke in zoverre dat ze geen scheppingskracht bezitten, maar verder in niets; het vermoeden dat de categorieën van God wel eens niet precies dezelfde als die van het Latijn zouden kunnen zijn, past niet in de scholastiek… Maar ik merk dat ik vooruitloop.
De theologische handboeken staan niet met speciale toewijding bij de eeuwigheid stil. Ze beperken zich ertoe voorop te stellen dat het gaat om de gelijktijdige, algehele intuïtie van alle tijdsfracties en verder pluizen ze de Hebreeuwse geschriften na op bedrieglijke uitlatingen, waar het lijkt of de Heilige Geest heel slecht heeft gezegd wat de commentator goed zegt. Met dat oogmerk plegen ze de volgende verklaring aan te voeren, die getuigt van illustere minachting of puur van een lang leven: ‘Eén dag in het aangezicht des Heren is als duizend jaar en duizend jaren zijn als een dag’, of deze imposante woorden, die Mozes hoorde en die de naam van God zijn: ‘Ik Ben Die Ik Ben’, of de woorden die de Heilige Johannes, voor en na de kristallen zee en het scharlaken beest en de vogels die het vlees van oversten eten, op Patmos vernam: ‘Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde’.4 Zij plegen ook de volgende definitie van Boëthius aan te halen (uitgebroed in het gevang, wie weet de vooravond van zijn dood door het zwaard): Aeteritas est interminabilis vitae tota et perfecta possessio, wat me beter bevalt in de bijna wellustige herhaling van Hans Lassen Martensen: Aeternitas est merum hodie, est immediata et lucida fruitio rerum infinitarum. Blijkbaar versmaden zij, daarentegen, de duistere eed van de engel die op de zee en op de aarde stond (Openbaring 10:6): ‘en zwoer bij Hem, die leeft tot in alle eeuwigheden, die de hemel geschapen heeft en al wat daarin is en de aarde en al wat daarop is en de zee en al wat daarin is: er zal geen tijd meer zijn.’ Het is waar dat ‘tijd’ in dit vers zoveel betekent als ‘uitstel’.
De eeuwigheid bleef als attribuut van het onbeperkt goddelijk brein bestaan, en het is maar al te bekend dat generaties theologen dat brein zouden bewerken, naar hun beeld en gelijkenis. Niets is zo prikkelend als het debat over voorbeschikking ab aetemo. Vierhonderd jaar na het Kruis kwam de Engelse monnik Pelagius op de aanstootgevende gedachte dat onschuldigen die ongedoopt sterven zalig kunnen worden.5 Augustinus, bisschop van Hippo, wees deze opvatting van de hand met een verontwaardiging die zijn uitgevers toejuichen. Hij noteerde de dwalingen van die leer die rechtvaardigen en martelaren verfoeien: de loochening van het feit dat wij allemaal al in de mens Adam gezondigd hebben en verdoemd zijn, de misdadige veronachtzaming van het feit dat die dood van vader op zoon overgaat via vleselijke voortplanting, de versmading van het bloedige zweet, van de bovenaardse doodsstrijd en van de laatste kreet van Hem Die stierf aan het kruis, de verwerping van de geheime genades van de Heilige Geest, de intoming van de vrijheid van de Heer. De Brit was zo stoutmoedig geweest zich op de gerechtigheid te beroepen; de Heilige -altijd opzienbarend en forensisch -geeft toe dat krachtens de gerechtigheid alle mensen zonder pardon het vuur verdienen, maar dat God heeft besloten sommigen te redden, krachtens Zijn ondoorgrondelijke wil, of, zoals Calvijn het veellater, niet zonder boudheid, zou zeggen: omdat het nu eenmaal zo is (quia voluit). Dat zijn de voorbeschikten. Schijnheiligheid of schaamte bij de theologen heeft het gebruik van dat woord voorbehouden aan hen die zijn uitverkoren tot de hemel. Voorbeschikten tot de eeuwige kwelling mogen niet bestaan: weliswaar gaat wie niet begunstigd is naar het eeuwige vuur, maar het betreft hier een omissie van de Heer, niet een speciale wilsdaad… Deze oplossing gaf het eeuwigheidsbegrip nieuw leven.
Generaties afgodendienaars hadden de aarde bewoond, zonder de gelegenheid Gods woord te verwerpen of te omhelzen; het was even brutaal je voor te stellen dat zij zonder dat zalig konden worden, als in twijfel te trekken dat sommigen van hen, die om hun deugdzaamheid bekend stonden, van de hemel uitgesloten zouden zijn. (Zwingli gaf in 1523 uitdrukking aan zijn persoonlijke hoop de hemel te zullen delen met Hercules, met Theseus, met Socrates, met Aristides en met Seneca.) Het was voldoende het negende attribuut van de Heer (dat van Zijn alwetendheid) wat ruimer op te vatten en de moeilijkheid was bezworen. Er werd verkondigd dat deze alwetendheid de kennis van alle dingen inhield: dus niet alleen van de werkelijke, ook van de mogelijke. Men ploos de Heilige Schrift na op een plek die zo’n oneindige aanvulling zou billijken, en men vond er twee: de eerste in I Koningen waar de Heer tot David zegt dat de mannen van Keilab hem zullen uitleveren als hij de stad niet verlaat; de tweede in het Evangelie naar Mattheus, waar een vloek wordt uitgesproken over twee steden: ‘Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïde! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben.’ Met die tweevoudige steun konden de potentiële modi van het woord de eeuwigheid betreden: Hercules bewoont de hemel samen met Ulrich Zwingli omdat God weet dat Hercules zich aan het kerkjaar gehouden zou hebben; maar de hydra van Lerna is gedoemd buiten, in de duisternis, te blijven omdat voor God vaststaat dat zij het doopsel zou hebben geweigerd.
Wij nemen de werkelijke feiten waar en stellen ons de mogelijke (en de toekomstige) voor; bij de Heer past zo’n onderscheid, dat bij onwetendheid en bij tijd hoort, niet. Zijn eeuwigheid registreert in een keer (uno intelligendi actu) niet alleen alle ogenblikken van deze overvolle wereld, maar ook die welke hun plaats zouden hebben als zelfs het meest vluchtige zou veranderen -en ook alle onmogelijke. Zijn combinatorische, stipte eeuwigheid is veelovervloediger dan het heelal. In tegenstelling tot de Platoonse eeuwigheden, die vooral het gevaar lopen bloedeloos te zijn, dreigt deze eeuwigheid te lijken op de laatste bladzijde van Ulysses en zelfs op het voorgaande hoofdstuk, dat één lang verhoor is. Majestueuze gewetenswroeging van Augustinus heeft die stortvloed ingedamd. Zijn leer wijst de verdoemenis althans verbaal af; de Heer fixeert zich op de uitverkorenen en gaat aan de verdoemden voorbij. Hij weet alles, maar Hij laat Zijn aandacht liever verwijlen bij de deugdzame levens. Johannes Scotus Eriugena, paleisleraar van Karel de Kale, vervormde die gedachte glorieus. Hij predikte een onbepaalbare God; hij onderwees een wereld van Platoonse archetypen; hij onderwees een God Die de zonde noch de vormen van het kwaad waarneemt; hij onderwees de vergoddelijking, de uiteindelijke terugkeer van de geschapen dingen (met inbegrip van de tijd en de duivel) tot hun oorspronkelijke eenheid met God. Divina bonitas consummabit malitiam, aeterna vita absorbebit mortem, beatitudo miseriam. Die gemengde eeuwigheid (die in tegenstelling tot de Platoonse eeuwigheden de individuele levens insluit; die in tegenstelling tot de orthodoxe geloofsleer iedere onvolkomenheid en rnisère afwijst) werd door de synode van Valencia en die van Langres veroordeeld. De divisione naturae libri V, het controversiële werk dat haar predikte, werd in het openbaar verbrand. Een verstandige maatregel, die de belangstelling van de bibliofielen heeft aangewakkerd en mogelijk maakte dat Eriugena’s boek tot in onze jaren zou doordringen. Het universum vraagt om eeuwigheid. De theologen weten wel dat als de aandacht van onze Lieve Heer ook maar één seconde zou afdwalen van mijn schrijvende rechterhand, deze in het niets zou terugvallen, als ware hij getroffen door een lichtloze bliksem. Daarom beweren zij dat het behoud van deze wereld een voortdurende schepping is en dat de woorden ‘behouden’ en ‘scheppen’, hier beneden zo vijandig, in de Hemel synoniemen zijn.

III
Tot zover, in haar chronologische volgorde, de geschiedenis van de eeuwigheid. Van de eeuwigheden beter gezegd, aangezien het menselijk verlangen achtereenvolgens twee vijandige dromen droomde met die naam: een, de realistische, die met vreemde liefde hunkert naar de kalme archetypen van de geschapen dingen; twee, de nominalistische, die de waarheid van de archetypen ontkent en in één seconde alle bijzonderheden van het heelal wil bundelen. De eerste is gebaseerd op het realisme, een leer die ons zo vreemd is dat ik alle interpretaties, inclusief de mijne, want rouw ; de tweede op de rivaliserende leer, het nominalisme, dat de waarheid van de individuen en het conventionele van de soorten benadrukt. Tegenwoordig lijken we allemaal op de spontane, stupide prozaïst van Molière en zijn we nominalist ‘sans le savoir’: het is als het ware een onbewuste premisse van ons denken, een ingeburgerd axioma. Vandaar dat commentaar erop zo zinloos is.
Tot zover, in haar chronologische volgorde, de conflictieve, curiale gang van de eeuwigheid. Mannen in een ver verleden, mannen met een baard en een mijter, hebben haar uitgedacht, openlijk, om ketterijen tegen te gaan, en heimelijk, om op de een of andere manier het voortgaan van de uren te stelpen. ‘Leven is tijd verliezen: wij kunnen niets terugkrijgen of behouden, alleen in de vorm van eeuwigheid’, lees ik bij de door Emerson beïnvloede Spanjaard Jorge Santayana.
Daar hoef ik maar die vreselijke passage van Lucretius naast te leggen, over het leugenachtige van de geslachtsdaad: ‘ Als de dorstige die in zijn droom wil drinken en vormen van water uitput die hem niet laven en die verzengd van de dorst omkomt midden in een rivier: zo bedriegt Venus de gelieven met schijnbeelden; het zien van een lichaam verzadigt hen niet en zij kunnen er niets van nemen of behouden, al laten zij hun handen ook besluiteloos over elkaars lichaam dwalen.
Ten slotte, als het geluk zich in hun lichaam aankondigt en Venus zich opmaakt om de akkers van de v rouw te besproeien, drukken de gelieven zich angstig tegen elkaar, de tanden hartstochtelijk aaneen; vergeefs, want zij slagen er niet in zich in de ander te verliezen of één zelfde wezen te zijn.’ De archetypen en de eeuwigheid -twee woorden -stellen zekerder bezittingen in het vooruitzicht. Vaststaat dat de idee van opeenvolging iets ondraaglijk arms is en dat de mens, met zijn grootmoedige lusten, alle minuten van de tijd en de hele verscheidenheid van de ruimte wil.
Het is bekend dat de identiteit van een persoon in zijn geheugen zetelt en dat waanzin volgt als dit wordt weggevaagd. Voor het universum geldt hetzelfde. Zonder een eeuwigheid) zonder een gevoelige) geheime spiegel die alles opneemt wat er in de zielen is gebeurd) is de universele geschiedenis verloren tijd) en daarmee onze persoonlijke geschiedenis -wat ons onaangenaam tot spoken reduceert. De grammofoonplaat van Berliner of de heldere cinematograaf) louter beelden van beelden) idolen van andere idolen) zijn niet voldoende. De eeuwigheid is een rijkere uitvinding. Weliswaar is zij niet te vatten) maar de nederige opeenvolgende tijd is dat evenmin. De eeuwigheid ontkennen) veronderstellen dat de jaren) beladen met steden) rivieren) vreugden) volledig worden weggevaagd) is niet minder ongelofelijk dan je haar totale redding voorstellen.
Hoe begon de eeuwigheid? Augustinus gaat aan dat probleem voorbij) maar signaleert iets dat een oplossing lijkt te bieden: de deeltjes verleden en toekomst die in ieder heden zitten. Hij geeft een voorbeeld: het voordragen van een gedicht. ‘Voor ik begin) zit het gedicht in mijn voorkennis; zodra ik klaar ben) in mijn geheugen; maar op het moment dat ik het opzeg, strekt het zich voor zover het al gezegd is in mijn geheugen uit en in mijn voorkennis voor zover ik het nog moet zeggen. Wat met het gedicht in zijn geheel gebeurt) gebeurt met ieder vers en met iedere lettergreep. Zo is het volgens mij ook met de langere episode waar het gedicht deel van uitmaakt) en met het individuele leven, dat bestaat uit een reeks episoden) en met de mensheid) die een reeks individuele levens is.) Die constatering van de innerlijke band tussen de diverse tijden van de tijd impliceert echter opeenvolging, wat niet samengaat met een model van eenstemmige eeuwigheid. Ik denk dat heimwee dat model is geweest. De mens, die ver van zijn land met ontroering terugdenkt aan gelukzalige mogelijkheden, ziet deze sub specie aeternitatis, terwijl hij helemaal vergeet dat de verwezenlijking van één van die mogelijkheden de andere zou uitsluiten of uitstenen. Bij hartstocht neigt de herinnering naar het tijdloze. Wij brengen de gelukkige momenten uit een verleden onder in één beeld; de wisselend rode zonsondergangen waar ik iedere avond naar kijk, zullen in mijn herinnering één enkele zonsondergang zijn. Met plannen maken gaat het net zo: de meest onverenigbare verwachtingen kunnen ongehinderd naast elkaar bestaan. Met andere woorden: de stijl van het verleden is de eeuwigheid. (Waarschijnlijk ligt in de insinuatie van het eeuwige -van het immediata el lucida fruitio rerum infinitarum -de verklaring voor het bijzondere genoegen dat opsommingen verschaffen.)

IV
Rest me alleen nog de lezer mijn persoonlijke theorie van de eeuwigheid te vertellen. Het is een povere eeuwigheid, al. zonder God of andere baas, en zonder archetypen. Ik heb haar in het boek El idioma de los argentinos (De taal van de Argentijnen), van 1928, uiteengezet. Ik schrijf over wat ik toen zei; de titel boven de pagina was Sentirse en muerte (Zich in de dood voelen), ‘Ik wil hier een ervaring vastleggen die ik enkele avonden geleden had: een kleinigheid, die te vluchtig en extatisch is om het een avontuur te noemen, en te irrationeel en gevoelig voor een gedachte. Het gaat om een tafereel en het woord ervoor: een woord dat ik eerder heb uitgesproken, maar tot dan toe niet met volledige overgave had ondergaan. Ik zal het hier schetsen, met de bijkomstigheden van tijd en ruimte die het te kennen gaven.

Het zit als volgt in mijn geheugen. De middag die aan de bewuste avond voorafging was ik in Barracas, een buurt waar ik niet vaak kwam, en die zo ver lag van de buurten waar ik later doorheen liep, dat dát al een vreemde smaak aan die dag gaf. Ik had geen bepaald plan voor de avond; omdat de atmosfeer heel rustig was, besloot ik wat te wandelen en te mijmeren. Ik wilde geen doel aan die wandeling verbinden; ik hield mijn horizon zo open mogelijk om de verwachting niet te vermoeien met het dwangmatige vooruitzicht op iets specifieks. Ik liep in de zwakke maat van het mogelijke, op goed geluk, zoals dat heet; ik aanvaardde, zonder enig bewust vooroordeel, behalve dat ik de avenues en de brede straten meed, de meest duistere invitaties van het toeval. Toch dreef een soort vert rouw elijke aantrekkingskracht me steeds verder weg naar buurten waarvan ik de naam altijd wil onthouden en die me respect inboezemen. Ik bedoel niet mijn eigen buurt, het precieze kader van mijn kinderjaren, maar de nog geheimzinnige naaste omgeving: een grensgebied dat ik in woorden volledig, maar in werkelijkheid nauwelijks heb bezeten, naburig en mythologisch tegelijk. De keerzijde, de rug van het bekende, dat is wat die voorlaatste straten voor mij vertegenwoordigen, bijna even wezenlijk onbekend als het onderaardse cement van ons huis of ons onzichtbare skelet. De wandeling bracht me bij een hoek. Ik ademde avond in, in zeer serene bedachteloosheid. Mijn visioen, beslist niet gecompliceerd, leek nog vereenvoudigd door mijn vermoeidheid. Het typische maakte het onwezenlijk. De straat bestond uit lage huisjes, en al was het eerste woord dat in aanmerking kwam misschien “armoede”, het tweede was ongetwijfeld “geluk”. De straat was zo arm en zo aanminnig als maar kan. Geen enkel huis waagde zich tot de straat; de vijgeboom verduisterde de gevel; de portiekjes -hoger dan de gestrekte muurlijnen -leken gemaakt van de oneindige substantie van de avond. De stoep verhief zich steil boven de straat; de straat was van elementaire modder, modder van Zuid-Amerika waarover nog geen conquista was gegaan. Aan het eind zakte het steegje, al half pampa, af naar de Maldonado. Boven de troebele, chaotische aarde was het of een roze muur geen maanlicht herbergde, maar innerlijk licht uitstraalde. Niets zal de tederheid beter kunnen benoemen dan dat roze. Ik stond naar die eenvoud te kijken. Ik dacht, ongetwijfeld hardop: Dit is hetzelfde als dertig jaar geleden… Dat tijdstip giste ik: in andere landen pas geleden, maar hier, aan deze veranderlijke kant van de wereld, al heel ver weg. Misschien zong er een vogel en voelde ik voor het beest een kleine liefde, van vogelformaat; maar waarschijnlijker is dat in die duizelingwekkend wordende stilte geen ander geluid klonk dan het eveneens tijdloze getirp van de krekels. De voor de hand liggende gedachte ik ben in de achttiende eeuw was niet langer een verbale benadering van wat ik voelde, maar verdiepte zich tot werkelijkheid. Ik voelde me dood, ik voelde me een abstracte waarnemer van de wereld: een onbestemde angst doordrenkt met weten, wat de helderste vorm van metafysica is. Nee, ik dacht niet dat ik was opgezwommen tegen de zogenaamde wateren des Tijds; veeleer waande ik me de bezitter van de verborgen of ontbrekende betekenis van het onbevattelijke woord eeuwigheid.
Pas later slaagde ik er in die impressie te definiëren. Ik omschrijf het nu als volgt: die zuivere voorstelling van homogene dingen -avondrust, oplichtend muurtje, landelijke geur van kamperfoelie, oeroude modder -is niet alleen identiek aan wat zoveel jaren geleden op deze hoek was; het is dat zelfde, zonder gelijkenis en herhaling. Tijd is, voor zover we die identiteit al aanvoelen, een illusie: het feit dat een moment niet te onderscheiden of los te maken is van zijn schijnbare gisteren of anders van zijn schijnbare vandaag, is voldoende om het begrip uiteen te doen vallen. Het is duidelijk dat het aantal van zulke momenten in een mensenleven niet oneindig is. De elementaire momenten -die van fysiek lijden en fysiek genot, die van de opkomende slaap, die van het luisteren naar muziek, die van grote intensiteit of grote tegenzin – zijn nog onpersoonlijker. Ik trek bij voorbaat deze conclusie: het leven is te ann om niet ook onsterfelijk te zijn. Maar wij zijn zelfs niet zeker van deze armoede, want de tijd is weliswaar makkelijk weerlegbaar op het gevoelsmatige, maar niet’ op het verstandelijke vlak, waar het begrip opeenvolging onlosmakelijk mee verbonden is. Moge, dus, het even ontwaarde beeld beklijven in deze stemmingsanekdote en het ware moment van extase en de mogelijke insinuatie van eeuwigheid, waarmee die avond mij zo rijkelijk bedeelde, in de toegegeven besluiteloosheid van deze pagina.’
Het voornemen deze biografie van de eeuwigheid dramatisch belang te verlenen, noopte mij tot bepaalde vervormingen: Zo vat ik een ontstaanstijd van eeuwen in vijf, zes namen samen.
Die Philosophie der Griechen, von Dr. Paul Deussen. Leipzig, 1919.
Select Workf of Plotinus. Translated by Thomas Taylor. London , 1817.
Passages Illustrating Neoplatonism. Translated with an introduction by E.R. Dodds. London, 1932.
La philosophie de Platon, par Alfred Fouillée. Paris, 1869.
Die Welt als Wille und Vorstellung, von Arthur Schopenhauer. Herausgegeben von Eduard Grisebach. Leipzig, 1892.
Die Philosophie des Mittelalters, von Dr. Paul Deussen. Leipzig , 1920.
Las confesiones de San Agustín. Versión literal por el P. Angel C. Vega. Madrid, 1932. A Monument to Saint Augustine. London, 1930.
Dogmatik, van Dr. R. Rothe. Heidelberg, 1870.
Ensayos de crítica filosófica, de Menéndez y Pelayo. Madrid, 1892.

noten:
1. De scholastische opvatting van de tijd als het stromen van het potentiële in het actuele is aan deze idee verwant. Denk aan de eeuwige objecten van Whitehead, die ‘het rijk van de mogelijkheid’ vormen en de tijd betreden.
2. Levend, zoon van Wakker, de onwaarschijnlijke, metafysische Robinson uit de roman van Aboe Bakr abn Tofail, berust erin alleen vruchten en vissen te eten die veel op zijn eiland voorkomen, terwijl hij steeds zorgt dat geen enkele soort uitsterft en het universum niet door zijn toedoen verarmt.
3. Ik wil geen afscheid nemen van het (schijnbaar ijzige) platonisme zonder deze opmerking, waarvan ik hoop dat iemand haar nog eens ter hand neemt en billijkt: Het generische kan intenser zijn dan het concrete. Ik beschik over illustratieve voorbeelden. Toen ik, als kleine jongen, de zomer doorbracht in het noorden van de provincie, werd mijn belangstelling getrokken door de onafzienbare vlakte en de mannen die in hun keuken van hun maté zogen, maar ik kon mijn geluk niet op toen ik ontdekte dat die onafzienbaarheid de pampa was en dat die mannen gaucho’s waren. Evenzo vergaat het de fantasierijke mens die verliefd wordt. Het generische (de naam die je steeds herhaalt, het type, het land van herkomst, het aanbiddelijke leven dat die geliefde wordt toegedacht) is belangrijker dan de individuele trekken, die worden geduld dank zij het voorgaande. Het extreme voorbeeld, van iemand die verliefd wordt van horen zeggen, komt heel veel voor in de Perzische en Arabische literatuur. Een koningin beschreven horen -haren als de nachten van scheiding en verdrijving, maar een gelaat als een stralende dag, borsten als ivoren bollen die de manen verlichten, een tred die de antilopen beschaamt en de wilgen tot wanhoop brengt, zware heupen die haar beletten overeind te blijven, voeten smal als de punt van een lans -en verliefd worden tot gelukzaligheid of dood erop volgt, is één van de traditionele thema’s van de Duizend-en-één-nacht. Men leze het verhaal van Badrbasim, de zoon van Sjahriman, of dat van Ibrahim en Tamila.
4. De gedachte dat de tijd van de mensen zich niet laat meten met die van God, valt ook op in een van de islamitische tradities van de mi’raadj-cyclus. Zoals bekend werd de Profeet door de stralende merrie al-Boerak meegevoerd naar de zevende hemel en sprak hij in iedere hemelkring met de aldaar wonende patriarchen en engelen en trok hij door de Eenheid en voelde hij een kou die zijn hart deed bevriezen, toen de Heer op zijn schouder klopte. De hoef van al-Boerak schopte bij het verlaten van de aarde een kruik vol water om; bij zijn terugkeer tilde de profeet de kruik op en er was geen druppel verloren gegaan.
5. Jezus Christus had gezegd: ‘Laat de kinderen tot mij komen.’ Uiteraard werd Pelagius ervan beschuldigd, dat hij zich tussen de kinderen en Jezus wrong en ze aldus aan de hel uitleverde. Net als de naam Athanasius (Satanasius) gaf zijn naam aanleiding tot woordspelingen; iedereen zei dat Pelagius een zee (pelagus) van verderf moest zijn.

 

If you want to buy one of this paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a piece, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Collectioners in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

More information about my work and my paintings, and my vison on art, you can find on: www.canandanann.nl