Eckhart: levenslessen – traktaten

 

Eckhart: levenslessen – traktaten p.32-65

Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen. De traktaten, Groningen 1999 (Historische uitgeverij)

 

OVER HET WARE VERTROUWEN EN OVER DE HOOP

Echte en volmaakte liefde is te herkennen aan vaste hoop en vertrouwen op God; aan niets kun je beter merken of er sprake is van echte liefde dan aan vertrouwen. Want wie een ander heel echt liefheeft, vertrouwt hem dientengevolge. Alles waarop je bij God vertrouwt, vind je ook werkelijk in Hem en duizendmaal meer. En zoals je God nooit teveel kunt liefhebben, zo kun je Hem ook nooit teveel vertrouwen. Wat je ook doet, niets is zo zinvol als groot vertrouwen hebben in God. Nooit liet Hij na grote dingen te doen met hen die een sterk vertrouwen in Hem kregen. Aan die mensen heeft Hij bewezen dat vertrouwen voortkomt uit liefde; liefde immers bezit niet alleen vertrouwen, maar ook een werkelijk weten en een onbetwijfelbare zekerheid.

OVER TWEEERLEI ZEKERHEID BETREFFENDE HET EEUWIGE LEVEN

In dit leven is er tweeërlei weten betreffende het  eeuwige leven. Het eerste is dat God zelf het de mens zegt of het hem door een engel verkondigt of in een bijzonder lichtend inzicht openbaart; dat gebeurt maar zelden en bij weinig mensen.

Het andere weten is onvergelijkelijk beter en nuttiger, en het valt vaak alle volmaakt liefhebbende mensen ten deel. Het heeft ermee te maken dat de mens uit liefde voor God en uit vertrouwelijkheid met Hein zo op Hem vertrouwt en van Hem zo zeker is, dat hij eenvoudigweg niet kan twijfelen. Hij krijgt die zekerheid omdat hij God in alle schepselen zonder onderscheid liefheeft. En al lieten alle schepselen hem in de steek en zwoeren ze tegen hem samen, ja, liet zelfs God hem in de steek, hij zou z’n vertrouwen niet verliezen. Want liefde kan niet wantrouwen, zij vertrouwt dat het goed komt. Aan de liefhebbende en de beminde hoef je niets te vertellen, want met liet gevoel van vriendschap is tegelijk al het weten gegeven van wat goed en zalig is. Zo ben je er zeker van dat, zo lief als je God hebt, Hij jou onvergelijkelijk meer liefheeft en vertrouwt. Want Hijzelf is het vertrouwen, daar moet je in Hem zeker van zijn, zoals allen die Hem liefhebben daar zeker van zijn.

Deze zekerheid is oneindig groter, vollediger en waarachtiger dan dat eerst genoemde weten en kan niet misleiden. Dat gezegd gekregen weten kan daarentegen wel misleidend zijn en kan gemakkelijk een valse openbaring zijn. Deze zekerheid echter voel je in alle krachten van je ziel en kan niemand misleiden die God waarlijk liefheeft; dan bestaat er geen twijfel voor je, zomin als je aan Godzelf kunt twijfelen, want liefde verdrijft elke vrees. “De liefde kent geen vrees”, zoals Paulus zegt, en er staat ook geschreven: “De liefde bedekt tal van zonden.” Want waar gezondigd wordt kan geen echt vertrouwen noch liefde zijn, liefde immers dekt de zonde helemaal toe, zij weet niets van zonden. En wel niet zo, dat je niet gezondigd zou hebben, maar zo, dat zij zonden helemaal uitwist en teniet doet als waren ze er nooit geweest. Want Gods daden zijn zo volmaakt en overvloedig, dat Hij wie Hij vergeeft helemaal en volledig vergeeft en ook veel liever het grote dan het geringe, en dit schept volledig vertrouwen. Dit houd ik voor onvergelijkelijk veel beter en lonender en het is ook meer waar dan het eerste weten. Want zonde en dergelijke staan er niet bij in de weg. Al wie God op gelijke wijze liefhebben, beoordeelt Hij ook op gelijke wijze, of iemand nu veel of weinig heeft misdreven. Maar wie veel vergeven wordt, moet meer liefhebben, zoals onze Heer Christus zei: “Wie meer wordt vergeven, hebbe meer lief.”

OVER DE WARE BOETEDOENING EN HET ZALIGE LEVEN

Veel mensen menen dat uiterlijke dingen, zoals vasten, barrevoets lopen en dergelijke vormen van boetedoening, van groot belang zijn. De ware en allerbeste boetedoening die tot de grootste verbetering leidt is deze, dat je je geheel en al afwendt van alles wat niet echt God en goddelijk in jou en in alle schepselen is, en dat je je helemaal en volkomen en zonder voorbehoud keert naar de lieve God met een onwankelbare liefde, een volle aandacht en een groot verlangen. Hoe meer je dat doet, bij welke bezigheid ook, des te meer ben je gerechtvaardigd; naar de mate van dat meer en meer is de boetedoening waarachtiger en wast zij meer zonden af en doet zij zelfs straf teniet. Ja, zou je je snel in korte tijd met alle kracht en afschuw afwenden van de zonden en je met alle kracht tot God keren, dan zou je, ook al had je alle zonden begaan die sinds Adam ooit zijn begaan en nog ooit begaan zullen worden, voor dat alles volkomen vergeving krijgen en straffeloos worden, zodat je, als je nu zou sterven, voor Gods aangezicht zou verschijnen.

Dat is de ware boetedoening, en die hangt heel in het bijzonder en volmaakt samen met het waardige lijden in volmaakte boetedoening van onze Heer Jezus Christus. Hoe meer je je daarin inleeft, des te meer vallen alle zonden en alle straf voor de zonde van je af. Ook moet je het tot gewoonte maken, dat je je bij alles wat je doet het leven en de daden van onze Heer Jezus Christus indenkt met heel Zijn doen en laten, lijden en leven, en Hem daarbij steeds voor ogen houdt, zoals Hij ons voor ogen had.

Deze boetedoening betekent: een gemoed dat in God van alle dingen volkomen is ontheven; en onbevangen moet je die dingen doen waarin je dat het meest bereikt en bezit. Staat een of andere uiterlijke handeling, hetzij vasten, waken, lezen of zoiets, je daarbij in de weg, laat dat dan met een gerust geweten na, want God let niet op wat je doet, maar uitsluitend op de liefde, de intentie en de gezindheid in wat je doet. Want Hem is niet veel gelegen aan onze daden, maar alles aan onze gezindheid bij wat we doen, namelijk dat wij Hem alleen in alles liefhebben. Wie aan God niet genoeg heeft is al te hebzuchtig. Voor al je werk moet het een voldoende beloning zijn dat jouw God ervan weet en dat jij Hem voor ogen hebt; wees daarmee steeds tevreden. Ook is het zo, dat naarmate je Hem ongestoorder en eenvoudiger voor ogen hebt, alles wat je doet je eigenlijker van zonden bevrijdt. Houd ook in gedachtenis dat God een algemene verlosser van de hele wereld was, en daarvoor ben ik Hem meer dankbaarheid verschuldigd dan wanneer Hij alleen mij had verlost. Zo moet ook jij een algemene verlosser zijn van alles wat je met je zonden aan jezelf hebt bedorven; leg jezelf met dat alles volkomen in Hem, want met je zonden heb je alles bedorven wat van jou is: hart, zinnen, lichaam, ziel, krachten en wat van en in jou is, het is alles heel ziek en bedorven. Vlucht daarom naar Mem in wie geen gebreken zijn, maar enkel alle goeds is, opdat Hij een algehele verlosser zal zijn van je verdorvenheden, innerlijk en uiterlijk.

HOE DE MENS VREDE KAN HEBBEN, WANNEER HIJ ZICH NIET IN MOEILIJKE OMSTANDIGHEDEN BEVINDT ZOALS CHRISTUS EN VEEL HEILIGEN; HOE HIJ GOD MOET NAVOLGEN

Als mens kun je in nood komen en bang worden, omdat je niet in staat bent, noch de drang voelt, om zo’n streng en moeizaam leven te leiden als dat van onze Heer Jezus Christus en de heiligen. Wie zich daaraan dus ongelijkwaardig acht, meent vaak heel ver van God af te staan en Hem niet te kunnen volgen. Dat moet niemand doen! Op geen enkele manier moet de  mens zich ooit ver van God wanen, noch vanwege gebreken, noch vanwege zwakte of wat ook. Houden je gebreken je ooit op zo’n afstand dat je je niet kunt voorstellen dichtbij God te zijn, dan moet je toch de nabijheid van God beseffen. Want het is helemaal verkeerd als de mens God ver van zich af plaatst; immers, of de mens nu ver weggaat of naderbij komt, God gaat nooit ver weg, Hij blijft altijd dichtbij staan; en al kan Hij niet binnen blijven, dan gaat Hij toch niet verder weg dan tot voor de deur.

Zo is het nu ook met de strikte navolging. Let goed op hoe die kan zijn. Je zult merken en wel gemerkt hebben waartoe je door God het meest wordt aangemaand; want niet iedereen wordt langs dezelfde weg tot God geroepen, zoals Paulus zegt. Vind je dus dat jouw dichtstbij zijnde weg niet in uiterlijke daden en grote moeite of in ontbering ligt -waaraan dus eenvoudigweg niet veel is gelegen, tenzij je ertoe in het bijzonder door God wordt gedreven en je de kracht ertoe hebt zonder jezelf innerlijk in verwarring te brengen – vind je dus die behoefte niet in jezelf, wees dan hele- l maal tevreden en trek het je niet aan.

Je zou kunnen vragen: ‘als daaraan niet veel is gelegen, waarom hebben onze voorvaderen, veel heiligen, het dan gedaan!” Bedenk dan: onze Heer heeft hun die levenswijze gegeven en gaf hun ook de kracht in die levenswijze stand te houden, zoals Hij dat graag van hen zag; en zo viel hun het beste ten deel. Want God heeft het heil voor de mens niet gebonden aan een bepaalde levenswijze.

Elke levenswijze heeft haar eigen mogelijkheden; God heeft aan elke goede levenswijze de juiste kracht gegeven en die is geen enkele goede levenswijze ontzegd. Want als iets goed is, staat dat niet haaks op iets anders wat goed is. Mensen moeten bij zichzelf vaststellen dat ze onrecht doen door op het volgende te letten.

Het komt voor dat ze een goed mens zien of over hem horen spreken, maar hij heeft een andere levenswijze dan zij: dan is voor hen alles verloren. Hun eigen levenswijze bevalt hun niet meer, ze vinden die, noch hun eigen gezindheid, meer goed. Dat is onterecht! Je moet nooit letten op iemands levenswijze, maar op zijn goede intentie, en niemands levenswijze verachten. Niemand kan maar op één manier leven en alle mensen samen niet op één manier, noch één mens op alle manieren of op de manier van een ieder. Een ieder houde zich aan zijn goede levenswijze en betrekke daarin alle andere en neme daarin al het goede en alle levenswijzen als het ware op. Wisseling van levenswijze maakt die onzeker en je gemoed onstandvastig. Want of je het nu zoekt in de ene levenswijze of de andere maakt niets uit, mits die maar goed en prijzenswaardig is en alleen God voor ogen houdt.

Er is niet één weg voor alle mensen. En zo is het ook met navolging van zulke strenge heiligenlevens. Hun levenswijze moet je liefhebben en bewonderen, maar je hoeft die niet na te volgen. Nu zou je kunnen zeggen: “Onze Heer Jezus Christus leefde op de allerhoogste manier, en het is terecht dat we die altijd moeten navolgen.” Dat is wel waar. Onze Heer moet je natuurlijk volgen, maar toch niet op alle manieren. Onze Heer vastte veertig dagen. Niemand moet zich aanmatigen Hem daarin te volgen. Christus heeft veel dingen gedaan waarvan Hij bedoelde dat wij Hem geestelijk na moeten volgen en niet lichamelijk. En daarom moet je je erop toeleggen Hein in de geest te kunnen volgen, want Hij heeft meer oog voor onze liefde dan voor onze daden. Wij moeten Hein op onze eigen manier navolgen.

Hoe? Let op: in alles. -Hoe en op welke manier? Zoals ik vaker heb gezegd: ik acht een geestelijke daad veel hoger dan een lichamelijke. In welke zin? Christus heeft veertig dagen gevast. Volg Hem daarin door waar te nemen waartoe je het meest geneigd of bereid bent, en verlaat je daarop en neem jezelf goed waar. Vaak is het betamelijker dat je onbekommerd van zo’n neiging of behoefte afziet dan dat je je van alle voedsel zou onthouden. Zo is het vaak moeilijker voor je om een bepaald woord binnensmonds te houden dan om helemaal niet meer te spreken. En zo is het voor iemand vaak moeilijker om een smaadwoordje, dat niets te betekenen heeft, te verdragen dan een flinke klap die hij heeft verwacht, en valt het hem veel zwaarder om in een menigte alleen te zijn dan in de eenzame omgeving, en gaat het hem moeilijker af om iets onbelangrijks na te laten dan iets gewichtigs of om een onaanzienlijke arbeid te verrichten in plaats van een waarmee hij eer kan inleggen. Zo kun je als zwak mens onze Heer heel goed navolgen en kun je en hoef je je nooit ver van Hem verwijderd te voelen.

 

HOW HET DE MENS PAST OM TE GAAN MET FIJNE SPIJZEN, DEFTIGE KLErEN EN VROLIJK  GEZELSCHAP, WAARMEE HIJ VAN NATURE OMGEVEN IS

Over spijzen noch kleren moet je je zorgen maken dat ze te goed voor je zouden zijn, maar wen wel je zielegrond en je gemoed eraan om er ver boven te staan. Want niets mag jouw begeerte of jouw liefde opwekken dan God alleen; al het andere daar moet je boven staan. Waarom?

Omdat het zou getuigen van innerlijke zwakte als je de steun van een uiterlijke  aankleding nodig had; het is jouw innerlijk dat aan het uiterlijke richting moet geven zoals het alleen jou past. Met andere woorden: hoe je uiterlijke omstandigheden ook veranderen, je kunt ze vanuit je innerlijke grond als goed aanvaarden, zodat je je erin kunt vinden en hun verandering graag en gewillig kunt accepteren. Zo is het ook met spijzen en vrienden en verwanten en met alles wat God je geeft of ontneemt.

En zo acht ik het beter dan wat ook, dat de mens zich helemaal aan God overgeeft wanneer Hij hem wil belasten met smaad of moeite of ander lijden, dat hij dat met vreugde en dankbaarheid aanvaardt en zich meer door God dan door zichzelf laat leiden. Leer daarom in alles van God, dan komt liet goed met je! Op die manier mag je ook eer en comfort accepteren. Zou je echter in oncomfortabele en oneervolle omstandigheden terecht komen, moest je ook die verdragen en zelfs met graagte. En daarom mogen met recht en reden diegenen voortreffelijk eten, die evengoed bereid zijn om te vasten.

Dat nu veroorzaakt dat God Zijn vrienden uittilt boven groot en veel lijden. Wat Zijn onmetelijke trouw anders niet zou dulden, om reden dat juist in het lijden zoveel zegen gelegen is en het Hem niet past de zijnen iets te laten verzuimen wat goed voor hen is. Maar Hij stelt zich tevreden met een goede en juiste wil; anders zou Hij hun geen enkel leed laten ontgaan vanwege de ontelbare zegeningen die in het lijden zijn gelegen. Wees dus tevreden zolang God zich tevreden stelt; behaagt Hem iets anders van jou, wees ook dan tevreden. Want de mens moet God innerlijk zo toegedaan zijn met zijn hele wil, dat hij over zijn gedrag noch zijn daden erg bezorgd is. Met name moet je al het uitzonderlijke mijden, in je kleding, je spijzen, je woorden -zoals hoog van de toren blazen-of uitzonderlijk gedrag dat geen nut heeft. Anderzijds moet je weten dat niet al het uitzonderlijke voor jou verboden is. Bij bepaalde mensen tref je soms een vorm van uitzonderlijkheid aan die je moet koesteren; want wie een uitzonderlijk mens is, moet soms ook bijzondere dingen doen op verschillende manieren.

Je moet je innerlijk zo in onze Heer Jezus Christus hebben ingeleefd en verplaatst, dat er in jou een weerschijn te vinden is van Zijn daden en Zijn goddelijke beeltenis; en je moet voorzover mogelijk al Zijn daden in je meedragen als waren liet de jouwe. Jouw daden moet Hij tot de Zijne maken. Doe je werk met aandachtige toewijding en met je gehele gezindheid;  wen je gemoed daaraan onder alle omstandigheden, en wel zo, dat je je in al je daden omvormt in Hem.

WAAROM GOD VAAK TOELAAT DAT MENSEN DIE WERKELIJK GOED ZIJN DIIZWIJLS VERHINDERD WORDEN OM HET GOEDE TE DOEN

De getrouwe God laat vaak toe dat Zijn vrienden zwak worden, opdat zij ieder houvast verliezen waar zij op kunnen steunen of zich aan vastklampen. Want het zou voor een liefhebbend mens een grote vreugde zijn, als hij tot vele en grote dingen in staat was, door zich te onderscheiden in waken of vasten of andere oefeningen en uitzonderlijke, grote en zware dingen; dat is voor hem een grote vreugde en een stuur en een hoop, zodat zijn daden hem een houvast bieden en hem tot steun en toeverlaat zijn. Dat nu wil onze Heer hem afnemen, want Hij alleen wil hem tot steun en toeverlaat zijn. En dat doet Hij enkel vanuit Zijn eenvoudige goedheid en barmhartigheid. Niets dan Zijn eigen goedheid zet Hem tot daden aan; onze daden dragen er niets toe bij of God ons iets geeft of met ons doet. Daarvan wil God dat Zijn vrienden loskomen, en om die reden berooft Hij hen van dat houvast, opdat Hij hun enige houvast zal zijn. Want Hij wil hun iets groots geven en wil dat uitsluitend vanuit Zijn vrije goedheid; en Hij moet  hun  troost en toeverlaat zijn, en zij moeten zichzelf als een louter niets ervaren en beschouwen in alle grote gaven van God. Hoe naakter en lediger het gemoed in God valt en door Hem wordt opgevangen, des te dieper wordt de mens in God verplaatst en voor God ontvankelijk in al Zijn kostbare gaven. Want enkel op God moet de mens bouwen.

OVER HET LICIIAAM VAN ONZE HEER, HOE MEN DAT VAAK MOET ONTVANGEN EN OP WELKE WIJZE EN MET WELKE TOEWIJDING

Wie het lichaam van onze Heer graag tot zich wil nemen, moet niet letten op wat hij in zichzelf voelt of bespeurt of op hoe groot zijn innigheid of toewijding zijn, maar hij moet waarnemen hoe het met zijn wil en zijn gezindheid staat. Je moet niet veel gewicht  hechten aan wat je voelt, doch belangrijk vinden wat je liefhebt en wat je nastreeft.

Wie vrij naar onze Heer wil kunnen gaan, moet in de eerste plaats zijn geweten onbelast vinden door verwijt van zonden. Ten tweede moet zijn wil op God gericht zijn, zodat hij niets anders in de zin heeft en hij ook niets anders begeert dan God en het volmaakt goddelijke, en hem mishaagt wat aan God ongelijk is. Aan de mate waarin hij daarin zwakker of sterker staat, zal hij ook merken hoe ver hij van God af is of hoe dicht Hem genaderd. Ten derde moet het zo zijn, dat zijn liefde voor het sacrament en voor onze Heer daardoor steeds meer groeit en dat zijn eerbied door het vaak ter communie gaan niet minder wordt. Want wat voor de ene mens liet leven betekent, is voor een ander de dood. Daarom moet je bij jezelf er goed op letten of jouw liefde voor God groeit en je je eerbied niet verliest; hoe vaker je dan het sacrament tot je neemt, des te beter word je en is het ook beslist veel beter en nuttiger. Laat je daarom jouw God nooit uit je hoofd praten of preken; want hoe meer hoe beter en God des te liever. Onze Heer verlangt er immers naar om in en met de mens te wonen.

Nu zou je kunnen zeggen: “Och, Eerwaarde, ik vind mezelf zo leeg en koud en traag, ik durf daarom niet naar onze Heer te gaan!”

Dan zeg ik: des te meer heb je het nodig om tot jouw God te gaan. Want door Hem word je vurig aangestoken en warm, en in Hem word je geheiligd en met Hem alleen verbonden en verenigd. In het sacrament immers, en nergens anders zo eigenlijk, vind je de genade, dat jouw lichamelijke krachten worden gebundeld en verenigd door de verheven kracht van de lichamelijke tegenwoordigheid van onze Heer in Zijn lichaam; en wel zo, dat al je verstrooide zinnen en gemoedsgesteldheden hierin worden verzameld en verenigd, en voorzover ze ieder afzonderlijk jou te zeer terneerslaan, worden ze hier opgericht en God geordend aangeboden. En door de inwonende God worden ze aan innerlijke woon gewend en afgewend van tijdelijke dingen en de daaruit voortvloeiende lichamelijke hindernissen. Ze staan open voor goddelijke dingen en zo wordt jouw lichaam, gesterkt door Zijn lichaam, vernieuwd.

Want wij moeten in Hem veranderd en geheel verenigd worden, zodat het Zijne het onze wordt en al het onze het Zijne, ons hart en het Zijne één hart en ons lichaam en het Zijne één lichaam. Zo dus moeten onze zinnen en onze wil, onze gezindheid, krachten en ledematen in Hem binnengedragen worden, opdat wij Hem ervaren en gewaar worden in alle krachten van lichaam en ziel.

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Ach Eerwaarde, ik bespeur in mezelf niets groots, enkel armoede. Hoe zou ik dan tot Hein durven gaan?”

Voorwaar, wil je in je armoede echt verandering aanbrengen, ga dan naar de overvloedige schat van alle onmetelijke rijkdom, dan word je rijk. Want je moet beseffen dat Hij alleen de schat is die jou kan voldoen en vervullen. Zeg dus: “Ik wil tot U gaan, opdat Uw rijkdom mijn armoede ten volle vergoedt en Uw onmetelijkheid mijn leegte vult en Uw onmetelijke, onbegrijpelijke godheid mijn al te armelijke, verdorven menszijn vult.”

“Ach Eerwaarde, ik heb te veel gezondigd dan dat ik er boete voor kan doen!”

Ga juist daarom tot Hem, Hij heeft boete gedaan voor alle zonden. In Hem kun je de hemelse Vader het waardige offer brengen voor al je schuld.

“Ach Eerwaarde, ik zou graag loven en ik kan het niet!”

Ga tot Hem, alleen Hij neemt de dank aan voor de Vader en is de onmetelijke, in waarheid gesproken en volkomen lofprijzing van alle goddelijke goedheid. Kortom, wil je van alle gebreken worden bevrijd en met deugden en genadeblijken worden bekleed en tot in de oorsprong worden geleid en gebracht met alle deugden en genadeblijken, zorg er dan voor dat je het sacrament waardig en dikwijls tot je kunt nemen; zo kom je tot eenheid met Hem en word je met Zijn lichaam geadeld. Ja, in het lichaam van onze Heer wordt de ziel zo dicht in God gevoegd, dat tussen die beiden de engelen, cherubijnen noch serafijnen, enig verschil kennen of kunnen ontdekken. Want waar zij God aanraken, raken zij de ziel aan, en waar de ziel, daar God. Er bestaat geen nauwere vereniging, want de eenheid van de ziel en God is veel inniger dan die van lichaam en ziel, hoewel die toch samen een mens vormen. Die eenheid is veel inniger dan, wanneer iemand een druppel water in een wijnvat liet vallen, die van water en wijn, terwijl toch geen schepsel nog het water van de wijn meer zou kunnen onderscheiden.

Nu zou je kunnen zeggen: “Hoe kan dat nou? Ik voel helemaal niets!”

Wat doet dat ertoe. Hoe minder je voelt en hoe sterker je geloof is, des te loffelijker is je geloof en achtenswaardiger, want een volledig geloof is meer dan een gevoelsmatig vermoeden. In het geloof bezitten wij een waar weten. Werkelijk, ons ontbreekt het enkel aan een waar geloof. Dat het ons toeschijnt dat we het goede meer in het ene dan in het andere bezitten, is slechts een kwestie van niet terzake doende opvattingen, want het ene biedt niet meer dan het andere. Wie dus steeds hetzelfde gelooft, ontvangt steeds hetzelfde en bezit hetzelfde.

Nu zou je kunnen zeggen: “Hoe kan ik het hogere geloven, terwijl ik me daartoe niet capabel acht, maar ongeschikt en tot te veel zaken geneigd?”

Kijk, dan moet je twee dingen bij jezelf vaststellen die ook onze Heer eigen waren. Hij bezat de hoogste en de laagste krachten; die hadden elk een taak: Zijn hoogste krachten waren in het bezit en het genot van eeuwige zaligheid, maar de laagste krachten waren tegelijkertijd op aarde in Zijn grote lijden en strijden. En de ene taak zat de ander bij zijn doelstelling niet in de weg. Zo moet het ook in jou zijn, dat de hoogste krachten verheven zijn in God en hem volledig aangeboden en toegevoegd zijn. Maar heus, al het lijden moet je toewijzen aan het lichaam en de laagste krachten en de zinnen. De geest echter moet zich met alle kracht verheffen en bevrijd in zijn God verzinken. Het lijden van de zinnen en de laagste krachten noch hun aanvechting raken de geest, want hoe groter en sterker de strijd, des te groter en prijzenswaardiger de overwinning en de eer, overwonnen te hebben. Hoe groter de aanvechting is en de aanzet tot ondeugd sterker, terwijl je die toch overwint, des te eigener is jouw deugd en God des te liever. Daarom: wil je jouw God waardig ontvangen, bezie dan hoe je hoogste krachten op jouw God zijn gericht en hoe jouw wil op zoek is naar Zijn wil en wat je van Hem verwacht en hoe standvastig jouw trouw aan Hem is.

Wie zo het kostbare lichaam van onze Heer ontvangt, ontvangt bijzonder grote genade, en hoe vaker hoe nuttiger. Ja, wie bij machte zou zijn het lichaam van onze Heer tot zich te nemen met zo’n aandachtige toewijding en concentratie dat hij het onderste engelenkoor zou kunnen bereiken, hij hoefde het lichaam wellicht slechts een enkele maal te ontvangen om al tot in het tweede koor opgetrokken te worden. Ja, met zo’n toewijding zou je het kunnen ontvangen, dat je waardig geacht wordt voor het achtste of negende koor.

Daarom: zouden twee mensen leven op precies dezelfde manier en zou een van hen het lichaam van onze Heer slechts een keer vaker met zo’n waardigheid hebben ontvangen, hij zou voor de ander altijd als een stralende zon zijn en met God een bijzonder band van eenheid bezitten.

Dit ontvangen en zalige genieten van het lichaam van onze Heer beperkt zich niet tot het uiterlijk in ontvangst nemen van het sacrament, maar bestaat vooral uit een geestelijk genieten met een begerend gemoed dat op eenwording is geconcentreerd. De mens kan erop vertrouwen dat hij daardoor rijker wordt aan genade dan wie ook op aarde. Dat kan de mens wel duizend maal per dag of meer doen, waar hij ook is en of hij nu ziek is of gezond. Maar net als bij het sacrament moet men er op de goede manier toe voorbereid zijn en er sterk naar verlangen. Bezit je dat verlangen niet, dan moet je jezelf daartoe prikkelen en je voorbereiden en je dienovereenkomstig gedragen; zo word je heilig in de tijd en zalig in de eeuwigheid. Want God opzoeken en Hem volgen, dat is eeuwigheid. Die geve ons de Leraar der waarheid en de Minnaar van kuisheid en het Leven der eeuwigheid. Amen.

DE IJVER

Als je het lichaam van onze Heer tot je wilt nemen, moet dat zonder veel bezorgdheid kunnen gebeuren. Daarom is het passend en heel nuttig om tevoren te biechten, ook als je je van geen schuld bewust bent, omwille van de vrucht van het sacrament  van de biecht. Maar zou je je aan iets hebben schuldig gemaakt en je zou uit angstige bezorgdheid niet ter biecht willen gaan, ga dan naar jouw God en verklaar je schuldig tegenover Hein met groot berouw en laat dat genoeg zijn tot je de innerlijke rust hebt om te biechten. Ben je intussen de gedachten aan die zonde en de wroeging erover kwijt geraakt, dan mag je denken dat God haar ook is vergeten. Je moet eerder God biechten dan de mensen en, als je schuldig bent, de biecht ten overstaan van God zwaar laten wegen en jezelf zeer berispen. Daar moet je niet lichtvaardig overheen stappen en het achterwege laten door jezelf alleen maar uiterlijk te pijnigen, want slechts hoe je gezind bent is van belang en is goddelijk en goed.

Je moet leren, in de dingen die je doet zelf innerlijk vrij te zijn. Voor een ongeoefend mens is het iets ongewoons – want het vereist veel ijver-om zo ver te komen, dat veelheid noch bezigheid hinderen en God voor hem aanwezig is en hem op ieder moment en in elke menigte standvastig en onverhuld toestraalt. Dat vereist gerichte ijver en speciaal twee dingen: ten eerste, dat je je innerlijke goed gesloten houdt, opdat je gemoed tegen beelden uit de buitenwereld beschermd is, zodat ze daarbuiten blijven en er niet mee aan de loop gaan en er omgang mee hebben en er zich in nestelen. Ten tweede: dat je je niet overgeeft aan je innerlijke voorstellingen, of dat nu ideeën zijn of emoties, noch aan voorstellingen van de buitenwereld of aan iets anders waarvan je je bewust bent; dat je je daardoor niet laat afleiden en je niet laat verstrooien door al het veelvoudige. Al je krachten moet je daaraan doen wennen en daarop richten en je van je eigen innerlijk bewust zijn.

Nu zou je kunnen zeggen: ‘De mens moet zich op de buitenwereld richten, wanneer hij daar iets wil doen; immers elke handeling verlangt haar eigen vormgeving.’ Dat is waar. Maar voor de geoefende mens is de uiterlijke vormgeving niet iets uiterlijks, omdat voor de innerlijk levende mens alles een innerlijk goddelijke ~ bestaansvorm bezit. Dit is bovenal noodzakelijk: de mens moet zijn geest door oefening geheel en al aan God wennen, dan wordt het in zijn binnenste altijd goddelijk. Aan de geest is niets zo eigen, in aanwezigheid en nabijheid, als God. Nooit kiest hij een andere richting. Tot het geschapene wendt hij zich niet zonder dat hem geweld wordt aangedaan en onrecht; daar wordt hij gebroken en bedorven. Is hij aldus in een jong mens, of in een ander mens, misvormd geraakt, dan moet hij met grote ijver weer worden bijgeschaafd en moet men er alles aan doen dat hij weer de goede richting kiest en omhoog wordt getrokken. Want hoe van nature God ook eigen is aan de geest, heeft die eenmaal de verkeerde richting gekozen en zijn basis gevonden in de geschapen natuur en is hij van vergankelijke beelden vervuld en daaraan gewend, dan raakt hij verzwakt en verliest hij de macht over zichzelf. De geest wordt dan zo gehinderd om het hogere na te streven, dat alle inspanning daartoe nauwelijks toereikend is voor werkelijke ommekeer. En heeft zijn inspanning al succes, dan blijft toch een constante controle noodzakelijk.

Bovenal moet je erop toezien, dat oefening een vanzelfsprekende gewoonte voor je wordt. Als oefening geen echte gewoonte is geworden en je zou doen alsof dat wel het geval was en je dienovereenkomstig gedragen, dan zou je jezelf bederven en kwam er niets van je terecht. Maar heb je je eenmaal alles ontwend en van alle dingen afstand genomen, dan belet daarna niets je om oprecht te zijn in de dingen die je doet en vrij te zijn in genieting of ontbering. Maar voor een ongeoefend mens geldt, dat als hij van iets houdt en daar zin in heeft en zijn wil daarop richt, eten of drinken of iets anders, dat voor hem niet zonder schade zal blijven. Je moet je eraan wennen, in niets het jouwe te zoeken of te bedoelen en in alles enkel God te vinden en te aanvaarden. Nooit heeft God een gave geschonken om je die te laten bezitten en je daarbij te laten uitrusten. Maar alle gaven die Hij ooit in de hemel en op aarde schonk, schonk Hij opdat Hij één enkele gave zou kunnen schenken: zichzelf namelijk. Met al die andere gaven wil Hij ons voorbereiden tot die gave die Hijzelf is. Alles wat God ooit in de hemel of op aarde deed, deed Hij omwille van één daad, opdat Hij die ten uitvoer zou kunnen brengen, namelijk zichzelf zalig maken, opdat Hij ons zalig zou kunnen maken. Daarom zeg ik: in alle gaven en in alles wat er gebeurt moeten wij God leren zien, en met niets moeten we ons tevreden stellen en bij niets blijven staan. Op geen enkele manier is er voor ons stilstand in dit leven, en die is er voor geen mens ooit geweest, hoever hij ook kwam. Bovenal moeten we ons te allen tijde en telkens opnieuw openstellen voor de gaven van God. Ik wil het even hebben over iemand die heel graag iets van onze Heer wilde ontvangen. Ik zei tegen haar, dat ze niet ,goed was voorbereid en dat, als God het haar onvoorbereid zou geven, de gave zou bederven.

Een vraag: waarom was ze niet goed voorbereid? Ze had toch een goede wil, en het is toch zo, dat die alles vermag en dat daarvan alles volkomen afhangt? Dat is waar. Er zijn twee aspecten te onderscheiden aan de wil: enerzijds kan de wil toevallig en onbewust zijn, anderzijds beslissend en creatief en bewust aangewend. Heus, het is niet voldoende dat je innerlijk onthecht bent op het moment dat je je bij God wilt voegen; je moet een goed geoefende innerlijke onthechting bezitten, die er ook vóór dat moment was en daarna ook blijft. Dan kun je grote dingen van God ontvangen en God in de dingen. Maar ben je onvoorbereid, dan bederf je de gave en met de gave ook God. Dat  is de reden dat God ons niet steeds iets kan geven als we erom vragen. Het ligt niet aan Hem, want Hij heeft duizendmaal meer haast om ons te geven dan wij om te ontvangen. Maar wij doen Hem geweld aan en onrecht door Hem met ons onvoorbereid zijn te hinderen in Zijn natuurlijke handelen.

Bij alle gaven moet je leren, je van jezelf te ontdoen en niets eigens te behouden of te zoeken, geen nut of lust, geen innigheid of zoetheid, beloning noch hemelrijk noch de eigen wil. Nooit gaf of geeft God zich in een Hem vreemde wil. Hij geeft zich slechts in Zijn eigen wil. Waar God Zijn wil aantreft, daar geeft Hij zich en laat Hij zich binnengaan met al wat Hij is. En hoe meer wij aan onze wil ontgroeien, des te waarachtiger groeien wij in Zijn wil. Daarom is het niet genoeg dat we onszelf en alles wat we hebben en kunnen een enkele keer opgeven, maar we moeten onszelf dikwijls vernieuwen en ons zo vereenvoudigen en in alles onthechten.

Ook is het van belang, dat je je niet in gemoede tevreden stelt met deugden zoals gehoorzaamheid, armoe en dergelijke, maar je moet ze in praktijk brengen en je zo door middel van hun resultaat oefenen en jezelf op de proef stellen en verlangen en wensen door anderen op de proef gesteld en geoefend te worden. Want liet is niet genoeg dat je deugdzaam handelt of gehoorzaam kunt zijn of armoede en vernedering kunt aanvaarden of deemoedig en gelaten kunt zijn, maar je moet je daarop toeleggen en niet ophouden tot je je die deugd wezenlijk en grondig hebt eigen geinaakt. Is het zo ver, dan blijkt dat hieruit: als iemand bovenal tot deugdzaamheid is geneigd en zonder het expliciet te willen deugdzaam handelt, ook zonder vooropgezet plan daarmee iets groots en rechtvaardigs te doen, en zo  de deugd als liet ware uit zichzelf handelt en uit liefde voor zichzelf en om geen andere reden – dan bezit zo iemand de deugd volmaakt en niet eerder. Zo lang moet je leren jezelf los te laten, totdat je niets eigens meer behoudt. Alle tumult en onvrede komen voort uit de eigen wil, of je het merkt of niet. Je moet jezelf met al het jouwe, in een zuiver ontstijgen aan eigen wil en begeren, neerleggen in de goede en liefste wil van God, met alles wat je wilt en begeert.

Een vraag: moet men zich bewust ook het zoete gevoel van Gods nabijheid ontzeggen? Kunnen daarbij niet ook traagheid en te weinig liefde een rol spelen? Ja, maar er is een groot verschil. Want of traagheid of echte onthechting en gelatenheid een rol spelen, is te merken aan je trouw aan God, wanneer die even groot is in je innerlijke gelatenheid als in het sterkste gevoel. Zodat je in gelatenheid precies zo handelt als je vanuit een gevoel zou doen, en niet minder, en je je evenzeer van hulp en troost onthoudt als wanneer je Gods aanwezigheid zou voelen. Voor de goede mens die de juiste wil bezit kan geen tijd te kort zijn. Want als het met die wil zo is gesteld dat hij alles wil wat hij kan – nu niet alleen, maar ook als hij duizend jaar zou leven – dan levert dat zoveel op als ging het om daden van duizend jaar wilskracht: ten overstaan van God heeft hij die dan verricht.

HOE MEN GOD MOET VOLGEN EN OVER DE JUISTE WIJZE

Wie een nieuw leven of aan nieuw werk begint, moet tot zijn God gaan en met kracht en toewijding van Hem verlangen, dat Hij het beste en het aangenaamste en waardevolste voor hem beschikt en daarbij geen eigenbelang voor ogen hebben doch enkel de liefste wil van God en anders niet. Wat God dan voor hem beschikt moet hij als direct van God afkomstig aanvaarden en voor het beste houden dat hem kan overkomen en er volstrekt vrede mee hebben.

Bevalt hem later een andere bestaanswijze beter, dan moet hij denken: deze bestaanswijze heeft God je gegeven, die moet voor Hem dus de beste zijn. Daarin moet hij God vertrouwen en hij moet alle goede bestaanswijzen laten samenvallen in de zijne en op die manier de dingen accepteren zoals ze zijn. Want wat God aan goeds gegeven heeft aan de ene bestaanswijze, dat kun je ook in alle andere goede bestaanswijzen vinden. Je moet dus die ene bestaanswijze niet als enig in zijn soort opvatten, maar als de samenvatting van alle andere goede bestaanswijzen. Want de mens moet altijd maar één ding doen, hij kan nooit alles tegelijk.

Eén ding moet het zijn, en in dat ene moet je al het andere mee weten. Want als je alles zou willen doen, zowel het ene als het andere, en je zou jouw bestaanswijze opgeven en een andere kiezen die je nu veel beter beviel, heus, je zou wankelmoedig worden en onrustig. Zoals je ook eerder een harmonisch mens wordt, wanneer je, de wereld verlatend, tot een bepaalde orde toetreedt, dan hij die van de ene orde naar de andere overstapt, hoe heilig die laatste ook moge zijn; en dat komt door de veranderlijkheid in het bestaan. Je moet een bepaalde goede bestaanswijze kiezen en daarbij blijven, en daarin als het ware alle andere goede bestaansvormen onderbrengen; je moet van mening zijn dat je de jouwe van God hebt gekregen en niet vandaag aan de ene en morgen aan een andere beginnen, en niet bang zijn dat je zo iets misloopt. Want met God kun je niets mislopen; zomin als God iets verzuimen kan, kan de mens ooit met God iets verzuimen. Aanvaard daarom het ene van God, en betrek daarop alles wat goed is.

Is er echter geen harmonie omdat het ene het andere niet verdraagt, dan is dat een zeker teken dat God er de hand niet in heeft gehad. Iets goeds staat niet vijandig tegenover iets anders goeds. Zoals onze Heer zei: “Elk koninkrijk dat in zichzelf is verdeeld, moet te gronde gaan.” En ook zei Hij: “Wie niet voor Mij is, die is tegen Mij, en wie niet met Mij verzamelt, die verstrooit.” Zo moet dit een zeker teken zijn voor je: wanneer het ene goede het andere, of misschien zelfs iets wat minder goed is, niet verdraagt en zelfs vernielt, dan heeft God daarin de hand niet gehad. In plaats van te vernielen zou het opbouwend moeten zijn.

In het gesprek werd toen de volgende opmerking gemaakt: er bestaat geen twijfel over dat de getrouwe God ieder mens altijd van zijn beste kant beziet. Dat is zeker waar, en nooit beziet Hij iemand als liggend die Hij liever staande zou aantreffen; want de goedheid van God bekijkt alles van de positiefste kant. Toen werd er gevraagd, waarom God hen, van wie Hij weet dat ze uit de genade van de doop zullen vallen, niet van hier wegneemt en als kind laat sterven, voordat zij tot hun volle verstand zijn gekomen; Hij weet immers dat ze zullen vallen en niet weer opstaan. Dat zou toch het beste voor hen zijn? Toen zei ik: God is niet een vernieler van iets goeds, maar Hij is een volbrenger. God is niet een vernietiger van de natuur, maar haar volbrenger. Ook de genade vernietigt de natuur niet, maar volbrengt haar. Zou God nu de natuur zo in de aanvang vernietigen, dan werd haar geweld aangedaan en onrecht; dat doet God niet. De mens heeft een vrije wil waarmee hij het goede en het kwade kan kiezen en God legt hem de keuze voor tussen het kwade doen, en dat betekent de dood, en goeddoen, en dat betekent leven. De mens moet vrij zijn en meester van zijn daden, onvernield en ongedwongen. Genade vernietigt de natuur niet, doch voleindigt haar. De verheerlijking vernietigt de genade niet, doch voleindigt haar, want verheerlijking is volbrachte genade. Zo is er in God niets wat ook maar iets vernietigt dat deel heeft aan het zijn. Want Hij is een voleindiger van al wat is. Zo moeten ook wij niet een klein goed in ons vernietigen omwille van een groter goed, noch een kleine handelwijze omwille van een grotere, maar we moeten die zo goed mogelijk volbrengen.

Zo was er sprake van iemand die een nieuw leven wilde beginnen en toen zei ik: de mens moet in alles een godzoekende en godvindende worden te allen tijde en op alle plaatsen en bij alle mensen op alle manieren Daarin kun je steeds beter worden en steeds meer slagen en aan je groei daarin zal geen einde komen

OVER HET INNERLIJKE EN UITERLIJKE WERKEN

Gesteld dat je je in jezelf wilt terugtrekken met al je inwendige en uitwendige vermogens, en in die toestand heb je geen enkele voorstelling of aandrang om iets te doen, hetzij iets in jezelf of iets naar buiten toe; dan moet je er goed op letten of er niet toch iets is dat door jou gedaan wil worden. Maar is het zo, dat je je tot geen enkel werk voelt aangetrokken en je niets op je wilt nemen, dan moet je jezelf ertoe dwingen iets te doen, innerlijk of uiterlijk – want nooit moet je je bij iets neerleggen, hoe prettig dat ook lijkt; door hard te zijn voor jezelf en door jezelf te dwingen, zodat het lijkt ;alsof er meer aan je gewerkt wordt dan dat je zelf werkt, kun je leren mee te werken met je God. Niet dat je daarmee je innerlijk moet ontlopen of ontvallen of liet moet loochenen,  integendeel, je moet leren in en met en vanuit je innerlijk je werk te doen, en wel zo, dat je innerlijkheid in je manier van werken doorbreekt en alles wat je doet geworteld is in je innerlijk, zodat je je eraan went om werkelijk vrij te zijn in je handelen. Op wat je innerlijk doende bent moet je je oog richten en van daaruit de andere dingen doen, zoals lezen, bidden of, op gepaste tijden, praktische werkzaamheden verrichten. Zijn deze laatste echter storend voor waar je innerlijk aan werkt, volg dan je innerlijk. Vormen ze daarentegen een eenheid met jouw innerlijk, dan is dat het beste, want dat betekent dat je samenwerkt met God.

Nu de vraag: hoe is zo’n meewerken nog mogelijk op het  moment dat de mens aan zichzelf en al zijn handelen is ontheven en alle voorstellingen en activiteiten, lof en dank of wat de mens ook maar bezig kan houden wegvallen- zoals de heilige Dioiiysius immers zei: “Diegene spreekt het allermooist over God die vanuit de volheid van innerlijke rijkdom het allermeest over Hem kan zwijgen.”

Een antwoord: één werkzaamheid blijft er voor de mens terecht en altijd over, namelijk het tenietdoen van zichzelf. Toch kan de mens zichzelf nooit in die mate tenietdoen of verkleinen dat God er niet aan te pas hoeft te komen om het in hem te voltooien. Eerst dan is de deemoed volkomen genoeg als God de mens door middel van hemzelf heeft gedeemoedigd, zo en niet eerder is het voor de mens en ook voor de deugd voldoende.

Een vraag: hoe moet God dan de mens door middel van hemzelf tenietdoen? Het schijnt toch zo te zijn, dat het tenietdoen van de mens juist betekent: een verhoging door God. Want het evangelie zegt: “Wie zichzelf vernedert, die zal verhoogd worden.” Antwoord: ja en nee! De mens moet zichzelf vernederen, en toch is dat niet voldoende, tenzij God het doet; hij zal verhoogd worden, maar niet alsof het vernederen en het verhogen twee verschillende dingen zijn. Want de hoogste hoogte van de verhoging ligt in de diepe grond van de deemoedigheid. Want hoe dieper en gezonkener de grond, des te hoger en onmetelijker de verhoging en de hoogte, en hoe dieper de bron is, des te hoger; de hoogte en de diepte zijn één. Daarom, hoe meer je jezelf kunt vernederen, des te hoger ben je. Zoals onze Heer zei: “Wie de meeste wil zijn, worde de minste onder u!” Wie het een wil zijn, moet het andere worden. Dit zijn wordt alleen gevonden in het worden. Wie de minste wordt, is in waarheid de meeste; wie echter de minste geworden is, die is nu dadelijk de allermeeste. En zo wordt het woord van de evangelist waar en gaat het in vervulling: “Wie zich vernedert, die wordt verhoogd!” Want ons gehele zijn is geborgen in een niets-worden.

“Zij zijn rijk aan alle deugden geworden”, staat er geschreven. Werkelijk, dat kan alleen maar, als je je eerst van alles hebt ontdaan. Wie alles wil ontvangen, moet alles weggeven. Dat is een gelijkwaardige ruil en adequate uitwisseling, zoals ik een tijd geleden eens gezegd heb. Omdat God zichzelf en alle dingen aan ons wil geven in vrij eigendom, wil Hij ons al wat ons eigen is helemaal ontnemen. Ja waarlijk, God wil absoluut ! niet dat we zelfs maar zoveel eigens bezitten als er in mijn ogen liggen kan. Want al wat Hij ons ooit gegeven heeft aan natuurlijke gaven of uit genade, gaf Hij enkel omdat Hij wilde dat wij niets eigens zouden bezitten; en op geen enkele manier heeft Hij Zijn moeder, noch enig ander mens of schepsel in die zin iets eigens laten bezitten. En daarom ontneemt Hij ons dikwijls zowel het lichamelijke als het geestelijke goed, namelijk om enerzijds ons te beleren, anderzijds ons juist daarvan te voorzien. Want eer moeten wij niet als ons eigendom beschouwen, doch komt slechts Hein toe. Zo moeten  wij voorts met al ons bezit omgaan als was het ons geleend en niet geschonken, en niets als ons eigendom beschouwen, ons lichaam niet, noch onze ziel, zinnen en   vermogens, noch uiterlijk goed of eer, noch vrienden, verwanten, huis, hof, helemaal niets.

Wat bedoelt God daarmee, dat Hem hieraan zoveel gelegen is? Hij wil nu eenmaal uitsluitend en alleen zelf het eigenste van ons zijn. Dat wil Hij en bedoelt Hij en Zijn enige wens is het om dat te kunnen en mogen zijn. Daarin liggen Zijn grootste geluk en vreugde. En hoe meer en hoe omvangrijker Hij dat kan zijn, des te groter is Zijn geluk en vreugde. Hoe meer dingen wij als het ons eigene bezitten, des te minder hebben we Hem als de ons eigene; hoe minder wij aan alle dingen hangen, des te meer hebben we Hem met al wat Hij voor ons doen kan. Daarom plaatste onze Heer in Zijn  zaligsprekingen de armoede van de geest aan het hoofd en Hij noemde die als eerste, ten teken dat alle zaligheid en volmaaktheid geheel en al daarvan afhangen. En waarlijk, zou er een grond zijn waarop al het goede gebouwd zou kunnen worden, dan niet zonder die armoede van de geest. In ruil voor onze innerlijke onafhankelijkheid ten aanzien van de dingen die buiten ons zijn, wil God ons alles wat in de hemel is in eigendom geven, de hemel met al z’n kracht, ja, met alles wat ooit daaruit voortvloeide en wat alle engelen en heiligen bezitten, zodat ons dat even eigen is als hun, ja, ons eigener dan welk ander ding ook. Wanneer ik omwille van Hem mijzelf verwijder uit mezelf, zal God in ruil daarvoor, met al wat Hij is en voor mij kan doen, helemaal de mij eigene zijn, mij eigen precies zoals Hij zichzelf eigen is, niet meer en niet minder. Duizendmaal meer zal Hij mij eigen zijn dan verworven bezit dat in een kist wordt bewaard of dan ooit een mens eigen aan zichzelf kan worden. Nooit werd er iets zo eigen als God de mij eigene zal zijn met al wat Hij kan en is.

Dit eigene moeten we verdienen door hier afstand te doen van wat onszelf eigen is en wat niet Hem is; en hoe volmaakter en bezitlozer deze armoede is, des te eigener dat eigene. Die beloning mag niet onze bedoeling zijn of ons oogmerk, en nooit mogen we bekijken of er iets te verwerven of te ontvangen valt anders dan door liefde voor de deugd. Want hoe geringer de bezittelijkheid, des te eigener is het bezit, zoals de edele Paulus zegt: ‘Alsof we niets hebben, zo moeten we hebben en alles bezitten.” Diegene heeft van zichzelf afstand gedaan wiens begeerte en wil niet meer gericht zijn op zichzelf of op iets wat buiten hem is, ja, zelfs niet op God of enig ander ding.

Wil je weten wat werkelijk een arm mens is? Diegene is waarlijk arm van geest, die alles kan missen wat niet noodzakelijk is. Daarom zei hij die naakt in de ton zat tegen Alexander de Grote, die de hele wereld onder zich had: “Ik ben een veel machtiger heer dan jij; want ik heb meer versmaad dan jij in je bezit hebt. Wat jij belangrijk vindt om te bezitten, is voor mij te gering om zelfs maar te versmaden.” Diegene is veel gelukzaliger die alles kan ontberen en niets nodig heeft, dan hij die alles in bezit heeft vanuit een grote behoefte. De beste mens is hij die kan missen wat hij niet echt nodig heeft. Daarom, wie het allermeest missen kan en versmaden, die heeft zichzelf het meest onthecht. Het lijkt wel iets groots, wanneer iemand omwille van God duizend  goudguldens geeft en met zijn geld veel kluizenarijen en kloosters bouwt en de armen voedt; ja, dat is wel groots. Maar veel gelukzaliger is hij die evenveel omwille van God zou versmaden. Diegene bezit een waar hemelrijk die omwille van God va alles afstand kan doen, wat God hem ook geeft of niet geeft.

Nu zeg je: “Maar Eerwaarde, zouden mijn gebreken niet een hindernis vormen en zou ik mezelf daarmee niet in de weg staan?” Als je gebreken hebt, bid dan vaak tot God of het Hem een eer is en welgevallig om ze je af te nemen, want zonder Hem kun je niets beginnen. Neemt Hij ze van je weg, dank Hem dan; doet Hij dat niet, aanvaard dat dan om Zijnentwil, maar beschouw je gebreken dan niet als iets zondigs, doch als een belangrijke oefening in geduld om er een beloning mee te verdienen. Of Hij Zijn gave nu geeft of niet, je moet er vrede mee hebben. Hij geeft aan een ieder wat het beste voor hem is en bij hem past. Om een jas voor iemand te maken moet je eerst de maat nemen; wat de een past, past de ander helemaal niet. Iedereen krijgt aangemeten wat hem past. Zo geeft God aan een ieder wat Hij vindt dat het beste en passendste voor hem is. Heus, wie Hem dat  helemaal toevertrouwt, die ontvangt en bezit in het geringste evenveel als in het allergrootste. Wilde God mij hetzelfde geven als aan Paulus, ik zou het, als Hij dat wilde, graag aannemen. Maar nu Hij me dat niet wil geven – want voor maar erg weinigen wil Hij dat ze die kennis bezitten tijdens hun leven- en Hij me die dus niet geeft, is Hij me toch even lief en zeg ik Hem evenveel dank en ben ik even tevreden nu Hij me die onthoudt, als wanneer Hij me die wel gaf. Is het me zo, alsof Hij me die kennis had gegeven, genoeg en lief, dan is het goed met me gesteld. Waarlijk, zo moet ik voldoende hebben aan de wil van God: bij alles wat God zou willen doen of geven, zou Zijn wil mij zo lief en waardevol moeten zijn, dat die voor mij niet minder betekende dan iets wat Hij me gaf of voor me deed. Zo zouden alle gaven en alle daden van God voor mij zijn, en geen mens, hoe hij z’n best ook deed en zich zou inspannen, zou me die kunnen afnemen. Hoe kan ik dan klagen, als alle denkbare gaven mij toebehoren? Werkelijk, zozeer heb ik voldoende aan wat God voor mij doet of mij geeft of niet geeft, dat al kon ik voor een stuiver het leven krijgen dat ik me als ideaal zou voorstellen, ik die niet wilde betalen.

Nu zeg je: “Ik vrees, dat ik niet voldoende ijver  kan opbrengen en te weinig doorzettingsvermogen heb!” Daar moet je onder lijden en het met geduld dragen, en het beschouwen als een oefening en er vrede mee hebben. God verdraagt graag smaad en ongemak en wil graag Zijn dienst en lof missen, als zij die Hem liefhebben en Hem toebehoren maar vrede hebben in zichzelf. Waarom zouden dan wij geen vrede hebben, wat Hij ons ook geeft of wat we ook missen? Zo staat geschreven en spreekt onze Heer: “Zalig zij die lijden omwille van de gerechtigheid.” Waarlijk, zouden een dief, die men op het punt staat op te hangen en die dat door diefstal heeft verdiend, en een moordenaar, die men terecht wil gaan radbraken, tot inzicht kunnen komen en bij zichzelf zeggen: kijk, je wilt dit omwille van de gerechtigheid ondergaan, want jou wordt recht gedaan”, dan zouden zij zonder meer zalig worden.

Waarlijk, ook al zijn we nog zo onrechtschapen, maar als we van God aanvaarden wat Hij over ons beschikt, door ons recht te doen en te laten lijden omwille van de gerechtigheid, dan zijn we zalig. klaag daarom nergens over, beklaag alleen dat je nog klaagt en dat je niet tevreden bent. Dat je teveel bezit, daarover mag je enkel klagen. Want de juiste houding zou zijn, dat je je evengoed met ontbering begunstigd zou voelen als met bezit.

Nu zeg je: “Zie toch eens, God doet zo grote dingen met veel mensen, en hun wezen is zo doordrongen van het goddelijke zijn, en God heeft de leiding in hen en niet zijzelf.” Dank daarvoor God in hen, en als Hij het jou geeft, in Godsnaam, neem het aan. Geeft Hij het je niet, dan moet je het bereidwillig ontberen. Maar richt je gedachten enkel op Hem, en wees niet bezorgd of het God is die in jou de leiding heeft of jijzelf. Want  wanneer je alleen Hem in gedachten hebt, moet God wel de leiding hebben, of Hij wil of niet.

Bekommer je er ook niet om, wat voor wezen of bestaanswijze God iemand geeft. Zou ik zo goed en heilig zijn, dat men mij onder de heiligen zou moeten scharen, dan werd erover gepraat en werd onderzocht of dat een kwestie van genade of van natuur was, en men zou het nooit met elkaar eens zijn. Dat is niet juist. Laat God in jou de leiding hebben, laat Hem de handelende  zijn en bekommer je er niet om of Hij handelt op natuurlijke of bovennatuurlijke wijze. Beide behoren ze Hem toe, de natuur zowel als de genade. Wat gaat het jou aan waarmee het Hem past om te handelen of wat Hij in jou of in een ander bewerkstelligt? Hij moet handelen zoals Hem dat past, hoe of waar of op welke manier ook.

Er was iemand die graag bronwater naar zijn tuin wilde leiden en hij zei: ‘Als ik hier maar water krijg, dan kan het me niets schelen uit welk materiaal de goot bestaat waar het door komt, ijzer of hout of been of vlechtwerk, als ik maar water krijg.” Zo doe je er verkeerd aan, als je je druk maakt om het middel waarmee God in jou handelt, namelijk of dat natuur of genade is. Laat Hem ermee werken, en heb daar vrede mee.

Want je bent net zo veel in God als je in vrede leeft, en net zo veel buiten God als je in onvrede leeft. Is iets in God, dan heeft dat vrede. Evenveel in God als in vrede. Hoeveel je in God bent en of dat het anders is, kun je merken aan de vrede of onvrede die je hebt. Wat onvrede veroorzaakt, doet dat noodzakelijkerwijs, want onvrede komt van het geschapene en niet van God. Ook is er in God niets dat je moet vrezen; alles wat in God is kun je alleen maar liefhebben. Zo is er ook niets in Hem, waarover je zou moeten treuren. Wie volkomen meester is van zijn willen en wensen, leeft in vreugde; dat is enkel hij wiens wil volmaakt een is met Gods wil. Die eenwording geve ons God. Amen.