Vestdijk

  Bezongen, hoeveel malen, in ’t gedicht, Rhetorisch wisselspel van zee en land, Verkregen zij als tot een godsgericht Dier kleine wereldzee de overhand. Gesplitst was weldra ieder zeegezicht In klip en kolk, en de matroos in ’t want Was op die dubb’le peiling afgericht Als op zijn rechter- en zijn linkerhand. Die vloed van … Doorgaan met het lezen van Vestdijk