Ik heb U vaak vermoed

Ik heb U vaak vermoed

 

Ik heb U vaak vermoed

wanneer ik aan mijn venster

in late avond nog te dromen zat,

‘t was altijd of er ginder bij de mensen,

een verre lieve ziel

stil met me mede bad.

 

Ik heb U vaak verwacht,

als in mijn ziele-tuinen,

de loze woekerplant van doornentwijfel rees.

‘t was altijd of de hand van een die diep geloofde

mij sprakeloos, ginder hoog

de sterrenhemel wees.

 

Ik heb U vaak gezocht

in radeloze nachten,

toen iemand op mijn hoofd

zijn trouwe handen lei.

Toch kwam bij schemering

een stem als uit de hemel,

die me voor ‘t slapengaan

“Goenacht m’n kindje” zei.

 

Ik heb u vaak gemist

wanneer de bloemen stierven

en zo de broosheid van mijn eigen leven ried.

Toch is ‘t of één van ver

met mij heeft meegezongen

de bangste strofe

van mijn stervenslied.

 

Waart gij die lieve stem,

waart gij die trouwe handen,

waart gij die verre hoop

die glom daar onbewust;

en voor mijn ziel in storm,

die boot die niet kon landen –

was goedheid van uw hart

mijn lichtje langs de kust?

 

Ik heb U vaak gezocht

en nu ‘k U heb gevonden

is ‘t avond in mijn ziel

en ‘k ben zo moe, zo moe –

En is mijn moeë ziel aan harde strijd gebonden,

toch kom ik als een kind

naar ‘t kleine lichtje toe.

 

Ik heb geen kracht genoeg

voor blije, lieve klanken,

maar aan de Lieve Heer,

die alle armoe sust,

vraag ik een simpel hart,

om u te mogen danken,

gij die me brengen wilt

ter lang gedroomde rust.

 

Alice Nahon