Heschel: God zoekt de mens

Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Uitg. Abraxas (1955)

Deel I     GOD

Deel II    OPENBARING

Deel III    ANTWOORD

I       GOD

1-    Het zelfbewustzijn van het jodendom
1.10        Het terugvinden van de vragen 23
1.20        Wijsbegeerte en theologie 24
1.30        Situationeel denken 25
1.40        Grondig zelfbewustzijn 26
1.50        Diepte-theologie 27
1.60        De zelfkennis van de godsdienst 29
1.70        Kritische herwaardering 30
1.80        Intellectuele eerlijkheid 31
1.90        Wijsbegeerte als godsdienst 32
1.10        Wijsbegeerte als vergezicht 33
1.11        Elliptisch denken 34
1.12        De godsdienst van de wijsbegeerte 34
1.13        Een manier van denken 35
1.14        Metafysica en metageschiedenis 37
1.15        Een uitdaging voor de wijsbegeerte 38
1.16        De aanbidding van het verstand 40
1.17        Ideeën en gebeurtenissen 42
1.18        De filosofie van het jodendom 44
1.19        Noten bij Hoofdstuk I

2-    Wegen naar zijn aanwezigheid
2.1        De bijbel is afwezig 47
2.2        Herinnering en inzicht 48
2.3        De speurtocht van de mens naar God 50
2.4        ‘Zoekt mijn aangezicht’ 52
2.5        Drie wegen 54
2.6        Noten bij Hoofdstuk 2

3-    Het verhevene
3.1    De grote vooronderstelling 57
3.2    Macht, schoonheid, grootsheid 57
3.3    Het wantrouwen van het geloof 59
3.4    Over het verhevene in de bijbel 61
3.5    Het schone en het verhevene 62
3.6    Het verhevene is niet het uiteindelijke 64
3.7    Afschuw en verheerlijking 65
3.8    Noten bij Hoofdstuk 3

4-    Verwondering
4.1    Een erfdeel van verwondering
4.2    Een kleine schroef
4.3    Twee soorten verwondering
4.4    ‘Sta stil en denk na’
4.5    ‘Voor je voortdurende wonderen’
4.6    Hij alleen weet 74
4.7    Noten bij Hoofdstuk 4

5-    Het gevoel voor het mysterie
5.1    Onbereikbaar en onpeilbaar 79
5.2    In ontzag en verbazing 80
5.3    De wijsheid – waar wordt zij gevonden? 80
5.4    Twee soorten onwetendheid 81
5.5    Wij zien en kunnen niet doorzien 82
5.6    Verborgen zijn de dingen die we zien
5.7    Noten bij Hoofdstuk 5

6-     Het raadsel is niet opgelost
6.1    God vertoeft in donkere wolken
6.2    Een brood 87
6.3    De onuitsprekelijke naam 89
6.4    Het mysterie is niet God 90
6.5    Voorbij het mysterie ligt de genade 92
6.6    Drie houdingen 92
6.7    God is niet eeuwig stil 94
6.8    Noten bij Hoofdstuk 6

7-    Ontzag
7.1    Als de grote afgrond 99
7.2    Het begin van wijsheid is ontzag 100
7.3    De betekenis van ontzag 100
7.4    Ontzag en vrees 102
7.5    Ontzag gaat vooraf aan geloof 103
7.6    Terugkeer tot de eerbied 104
7.7    Noten bij Hoofdstuk 7
8-     De hemelse glorie
8.1    Het majesteitelijke is het onuitsprekelijke 106
8.2    De glorie is geen ding 107
8.3    De glorie is de aanwezigheid van god 107
8.4    De levende aanwezigheid 108
8.5    De kennis van de glorie 109
8.6    Blindheid voor het wonder 111
8.7    Hardheid van hart
8.8    Noten bij Hoofdstuk 8
9-    De wereld
9.1    De aanbidding van de natuur 114
9.2    De ontgoocheling 115
9.3    De ontheiliging van de natuur 116
9.4    Het gegevene is niet het uiteindelijke 117
9.5    De onzelfstandigheid van de natuur 118
9.6    Het bedrog van de afzondering 121
9.7    De natuur aanbidt God 122
9.8    Een ding door God 123
9.9    De vraag van de verbazing 124
9.10  Noten bij Hoofdstuk 9

10-    Een aan ons gerichte vraag
10.1    Bovennatuurlijke eenzaamheid 127
10.2    Geen wetenschappelijk probleem 127
10.3    Ondefinieerbaar 128
10.4    Het beginsel van de onverenigbaarheid 130
10.5    De dimensie van het onuitsprekelijke 131
10.6    Het besef van transcendente betekenis 132
10.7    Het gevoel van verwondering is ontoereikend 134
10.8    Het teleologische bewijs 135
10.9    Godsdienst begint met verwondering en mysterie 136
10.10   Een tot ons gerichte vraag 137
10.11   ‘Een paleis vol van licht’ 138
10.12   Wat te doen met verwondering 139
10.13    Noten bij Hoofdstuk 10

11-    Een ontologische vooronderstelling
11.1    Momenten van inzicht 141
11.2    De ontmoeting met het onbekende 141
11.3    Voorconceptueel denken
11.4    Religie is het antwoord op het mysterie 144
11.5    Boven onze wijsheid uitrijzen 144
11.6    Ultieme betrokkenheid is een vorm van aanbidding 146
11.7    Wij prijzen voordat wij bewijzen 147
11.8    Een ontologische vooronderstelling 147
11.9    De ongelijkheid van ervaring en uitdrukking 149
11.10  Noten bij Hoofdstuk 11

12-    Over de betekenis van God
12-1    Het minimum aan betekenis
12-2    Twee gevolgtrekkingen
12-3    Gods aandeel in menselijk inzicht
12-4    De rol van de tijd 157
12-5    De godsdienstige situatie 158
12-6    Momenten 159
12-7    Een vermomd antwoord 161
12-8    Noten bij Hoofdstuk 12

13-      God zoekt de mens
13.1    Waar bent je? 165
13.2    Geloof is een gebeurtenis 167
13.3    Een lichtflits in de duisternis 168
13.4    Terugkeer tot God is een antwoord aan hem 170
13.5    Een spirituele gebeurtenis 171
13.6    Noten bij Hoofdstuk 13

14-    Inzicht
14.1    Hoor, o Israël
14.2    Het initiatief van de mens 175
14.3    ‘Het oog van het hart’ 176
14.4    ‘Deuren voor de ziel’ 178
14.5    Noten bij Hoofdstuk 14

15-    Geloof
15-1    ‘Kunt u de geheimen van God doorgronden? 182
15-2    Geen geloof op het eerste gezicht 182
15-3    Geloof is verbondenheid 184
15-4    De verlegenheid van het geloof 184
15-5    Geloof behelst trouw 185
15-6    Noten bij Hoofdstuk 15

16-     Voorbij het inzicht
16.1    Binnen het bereik van het geweten 188
16.2    God is het onderwerp 189
16.3    Bijwoorden 190
16.4    Een-zijn is de maatstaf 191
16.5    Van inzicht tot actie 193
16.6    Alleen inzichten en niets anders?
16.7    Noten bij Hoofdstuk 16

II     OPENBARING

17-      De idee van de openbaring
17.1     De mens met de thora 199
17.2    Waarom dit vraagstuk bestuderen? 200
17.3    Wij vergaten de vraag 200
17.4    Het dogma van de zelfgenoegzaamheid van de mens 201
17.5    Het idee van de onwaardigheid van de mens 202
17.6    De afstand tussen God en mens 204
17.7    Het dogma van Gods totale zwijgen 205
17.8    De persoonlijke overeenkomst 206

18-      De profetische onderwaardering
18.1    Het idee, de aanspraak en het resultaat 208
18.2    Wat is profetische inspiratie? 209
18.3    Woorden hebben vele betekenissen 210
18.4    De profetische onderwaardering 212
18.5    De taal van grootsheid en mysterie 212
18.6    Beschrijvende en richtinggevende woorden 213
18.7    Een antwoord inhoudende uitleg 215
18.9    Noten bij Hoofdstuk 18

19-      Het mysterie van de openbaring
19.1    Openbaring en de ervaring van openbaring 216
19.2    Het mysterie van de openbaring 216
19.3    De negatieve theologie van de openbaring 218
19.4    Fantaseren is verkeerd aanwenden 219
19.5    Het elimineren van de mensvormige God 219
19.6    Zoals geen andere gebeurtenis 220
19.7    Noten bij Hoofdstuk 19

20-     De paradox van Sinaï
20.1    De paradox van de profetie 223
20.2    In diepe duisternis 224
20.3    Voorbij het mysterie 22
20.4    De twee aspecten 226
20.5    Was Sinaï een zinsbegoocheling? 227
20.6    Een manier van denken 21
20.7    Een extase van God 230
20.8    Noten bij Hoofdstuk 20

21     Een godsdienst van tijd
21.1    Het denken en de tijd 232
21.2    De God van Abraham 233
21.3    De categorie van het weergaloze 233
21.4    De uitverkoren dag 235
21.5    Het unieke van de geschiedenis 237
21.6    Ontsnapping naar het tijdloze 238
21.7    Zaden van de eeuwigheid 238
21.8    Niet vatbaar voor wanhoop 239
21.9    Evolutie en openbaring 239
21.10  Noten bij Hoofdstuk 21
22      Proces en gebeurtenis
22-1    Proces en gebeurtenis 242
22-2    Het verleden in de huidige tijd zien 244
22-3    Noten bij Hoofdstuk 22
23       Israëls verplichting
23.1    Verknochtheid aan gebeurtenissen 246
23.2    Het herinneren van een verplichting 246
23.3    Trouw aan een moment 247
23.4    Een woord van eer 247
23.5    Leven zonder verplichting 249
23.6    Openbaring is een begin 250
23.7    Noten bij hoofdstuk 23

24      Een onderzoek naar de profeten
24.1    Wat voor bewijs? 252
24.2    De onjuiste mening 253
24.3    Is openbaring verklaarbaar? 254
24.4    Zijn de profeten betrouwbaar? 256
24.5    Een gevolg van krankzinnigheid 257
24.6    Zelfbedrog 258
24.7    Een pedagogische uitvinding 261
24.8    Verwarring 262
24.9    De tijdgeest 261
24.10  Het onderbewuste 265
24.11  Er zijn geen bewijzen 267
24.12  Noten bij Hoofdstuk 24
25-     De bijbel en de wereld
25.1    Is de bijbel een illusie? 269
25.2    Is God overal aanwezig? 270
25.3    De plaats van de bijbel in de wereld 270
25.4    Wat de bijbel deed 272
25.5    Geen woorden die meer betekenen 273
25.6    Het bijzondere van de bijbel 274
25.7    Hoe hem te verklaren? 275
25.8    De almacht van de bijbel 275
25.9    Kostbaar voor God 277
25.10    Heiligheid in woorden 278
25.11    Israël als bewijs 279
25.12    Hoe de zekerheid van Israël te delen 280
25.13    Niet op grond van bewijzen 281
25.14    Noten bij Hoofdstuk  25

26-     Geloof met de profeten
26.1    Geloof met de profeten 283
26.2    Oorsprong en aanwezigheid 284
26.3    De grens van de geest 286
26.4    Niet zomaar een boek 288
26.5    ‘Verwerp mij niet’ 289

27    Het beginsel van de openbaring
27.1    Openbaring is geen chronologisch probleem 291
27.2    De tekst zoals deze is 293
27.3    Openbaring is niet een alleenspraak 293
27.4    De stem begrijpelijk voor iedereen 295
27.5    Wijsheid, profetie en God 295
27.6    De niet-geopenbaarde thora 296
27.7    De thora is in ballingschap 297
27.8    Denkbeeld en uitdrukking 299
27.9    Alledaagse passages 300
27.10    Weerzin opwekkende passages 302
27.11    De bijbel is geen utopie 305
27.12    Voortdurend begrijpen 308
27.13    De mondelinge thora is nooit opgeschreven 310
27.14    Noten bij Hoofdstuk 27

III     ANTWOORD

28     Een wetenschap van daden
28.1    De hoogste overgave 317
28.2    Plotselinge toename van daden 318
28.3    De daad is het waagstuk 319
28.4    Onze uiteindelijke verlegenheid 321
28.5    Een meta-ethische benadering 322
28.6    Het partnerschap van God en mens 324
28.7    Wegen, geen wetten 324
28.8    De goddelijkheid van daden 325
28.9    Te doen wat hij is 326
28.10    Gelijkenis in daden 327
28.11    ‘De goede neiging’ 328
28.12    Doelen hebben de mens nodig 328
28.13    Een wetenschap van daden 329
28.14    Noten bij Hoofdstuk 28

29     Meer dan innerlijkheid
29.1    Door geloof alleen 330
29.2    De vergissing van symbolische voorstellingen 331
29.3    Geen tweedeling 332
29.4    Spiritualiteit is niet de weg 334
29.5    Autonomie en heteronomie 335
29.6    De wet 336
29.7    Een geestelijke orde 338
29.8    Een theologische overdrijving 339
29.9    Noten bij Hoofdstuk 29

30     De kunst van het zijn
30.1    Alleen daden en niets anders? 343
30.2    Een kreet om creativiteit 343
30.3    God vraagt het hart 345
30.4    Waarom kavanah? 347
30.5    Doen om te zijn 348
30.6    De inwoning van God in daden 348
30.7    Aanwezig zijn 349
30.8    Noten bij Hoofdstuk 30

31-     Kavanah
31.1    Oplettendheid 352
31.2    Waardering 353
31.3    Integratie 354
31.4    Meer dan kavanah
31.5    Noten bij hoofdstuk 30

32-     Een godsdienstig gedragspatroon
32.1    Een godsdienstig gedragspatroon 358
32.2    Spinoza en Mendelssohn 359
32.3    Jodendom en werkheiligheid 361
32.4    Het fundamentele belang van agada 362
32.5    Thora is meer dan wet 363
32.6    Meer dan halacha 365
32.7    Pan-halachisme 366
32.8    Een godsdienst zonder geloof 367
32.9    Dogma’s zijn niet voldoende 368
32.10   De vier ellen 370
32.11   Noten bij Hoofdstuk 32

33     Het probleem van de polariteit
33.1    Halacha en agada 375
33.2    Hoeveelheid en hoedanigheid 376
33.3    Halacha zonder agada 377
33.4    Agada zonder halacha 379
33.5    De polariteit van het jodendom 380
33.6    De spanning tussen halacha en agada 381
33.7    Regelmatigheid en spontaneïteit 382
33.8    De waarde van gewoonte 384
33.9    Daden onderrichten 385
33.10   Noten bij Hoofdstuk 33

34-     De betekenis van wetsbetrachting
34.1    Oorsprong en aanwezigheid 388
34.2    De betekenis van religieuze voorschriften 388
34.3    Eeuwigheid, niet nuttigheid 390
34.4    Geestelijke betekenis 391
34.5    Een antwoord aan het mysterie 393
34.6    Avonturen van de ziel 394
34.7    ‘Een lied elke dag’ 395
34.8    Geheugensteun 396
34.9    Handelen als hereniging
34.10    Verbondenheid met het heilige
34.11    De vervoering van daden
34.12    Noten bij Hoofdstuk 34

35     Mitswa en zonde
35.1    De betekenis van mitswa 402
35.2    ‘Want wij hebben gezondigd’ 404
35.3    ‘De boze neiging’
35.4    ‘Er is maar één stap’ 406
35.5    Noten bij Hoofdstuk 35

36-     Het probleem van het kwade
36.1    Een paleis in vlammen
36.2    ‘In de macht van de goddeloze’ 408
36.3    De verwarring van goed en kwaad 410
36.4    Verzoening voor het heilige 412
36.5    Godsdienst is geen luxe 413
36.6    Het grootste verschil 413
36.7    Hoe een bondgenoot te vinden 415
36.8    De thora is een tegengif 416
36.9    Is het goede een parasiet? 417
36.10    Het kwade is niet het uiteindelijke probleem 418
36.11    God en de mens hebben een gemeenschappelijke taak 418
36.12    Het vermogen om te volbrengen
36.13    Behoefte aan verlossing 421
36.14    Noten bij Hoofdstuk 36

37-     Het probleem van het neutrale
37.1    Het isoleren van de moraliteit 424
37.2    Hoe met het neutrale om te gaan 425
37.3    Alle vreugden komen van God 127
37.4    Noten bij Hoofdstuk 37

38-     Het probleem van de ongeschonden toestand
38.1    Gevestigde belangen 430
38.2    Vreemde gedachten 431
38.3    Vlucht in wantrouwen 432
38.4    De beproeving van Job 433
38.5    ‘Een kroon om mee op te scheppen’ 434
38.6    Vermomd polytheïsme 435
38.7    Het falen van het hart 436
38.8    Noten bij Hoofdstuk 38

39-    Het zelf en het niet-zelf
38.1    Is verlangen de maat?
39.2    De omzetting van behoeften
39.3    Bescheidenheid
39.4    Zelfrespect
39.5    Noten bij Hoofdstuk 39

40-    De daad verlost
40.1    Besef van innerlijke ONDERWERPING 446
40.2    Momenten van zuiverheid 447
40.3    Berouw
40.4    God is vol mededogen 418
40.5    Doeleinden zuiveren de motieven 418
40.6    De daad verlost 449
40.7    ‘Dien hem met vreugde’ 451
40.8    ‘Wij verknoeien en hij herstelt’ 452
40.9    Noten bij Hoofdstuk 40

41-    Vrijheid
41.1    Het probleem van de vrijheid 455
41.2    Vrijheid is een gebeurtenis 456
41.3    Vrijheid en schepping 458
41.4    Goddelijke betrokkenheid 458
41.5    Noten bij Hoofdstuk 41

42-    De geest van het jodendom
42.1    De betekenis van geest 461
42.2    De geest van het jodendom 463
42.3    De kunst om de beschaving te overtreffen 465
42.4    Noten bij Hoofdstuk 42

43 Het volk Israël
43.1    De betekenis van het joodse bestaan 467 43.2
43.2    Denken verenigbaar met onze bestemming 468
43.3    Israël – een geestelijke orde 470
43.4    De waardigheid van Israël 472
43.5    Noten bij Hoofdstuk 43

Hebreeuwse woordenlijst
Lijst van personen

Bibliografie

HOOFDSTUK 1-10 STAAN HIER AFGEDRUKT

1-     Het zelfbewustzijn van het jodendom 

1-1    HET TERUGVINDEN VAN DE VRAGEN

Het is gebruikelijk om de wereldse wetenschap en de antigodsdienstige wijsbegeerte de schuld te geven van de ontluistering van de godsdienst in de huidige samenleving. Het zou eerlijker zijn om de godsdienst zelf de schuld te geven van zijn nederlagen. De godsdienst raakte niet in verval omdat hij weerlegd werd, maar omdat hij niet ter zake, saai, benauwend en zouteloos werd. Wanneer geloof geheel vervangen wordt door leer, aanbidding door regels, liefde door gewoonte; wanneer de crisis van vandaag niet onder ogen wordt gezien door de luister van het verleden; wanneer geloof meer een erfgoed is dan een levende fontein; wanneer geloof alleen maar spreekt namens het gezag en niet met de stem van het mededogen – dan wordt zijn boodschap zinloos.

Godsdienst is een antwoord op de uiterste vragen van de mens. Zodra wij de uiterste vragen vergeten, verliest de godsdienst zijn belang en begint de crisis. De eerste taak van de godsdienstfilosofie is om de vragen terug te vinden waar de godsdienst een antwoord op is. Het onderzoek moet gedaan worden door zowel in het bewustzijn van de mens als in de lessen en de opvattingen van de religieuze traditie te speuren.

Er zijn dode gedachtes en er zijn levende gedachtes. Een dode gedachte is ooit vergeleken met een steen die je in de grond kan planten. Er zal niets uit groeien. Een levende gedachte is als een zaad. In het denkproces is een antwoord zonder een vraag levenloos. Het kan in de geest opkomen; het zal niet tot de ziel doordringen. Het kan een deel worden van iemands kennis; het zal zich niet ontwikkelen tot een scheppende kracht.

1-2    WIJSBEGEERTE EN THEOLOGIE

Bij onze zoektocht naar vergeten vragen zijn de methode en de geest van wijsgerig onderzoek van meer gewicht dan de theologie, die hoofdzakelijk beschrijvend, normatief en historisch is. Wijsbegeerte kan je omschrijven als de kunst om de juiste vragen te stellen. Een van de kenmerken van wijsgerig denken is dat het geen zelfgenoegzaam uitstorten van inzicht is, maar de duidelijke formulering van een probleem en de poging daarop een antwoord te geven. Theologie begint met dogma’s, wijsbegeerte begint met problemen. Wijsbegeerte ziet eerst het probleem, theologie heeft bij voorbaat het antwoord. Een belangrijk verschil is ook, dat de problemen van de wijsbegeerte anders zijn dan die van de godsdienst, net zoals hun status. Wijsbegeerte is, in zekere zin, een wijze van denken, die een begin heeft maar geen einde. In haar overleeft het besef van het probleem alle oplossingen. Haar antwoorden zijn vermomde vragen; elk nieuw antwoord roept nieuwe vragen op.1

Daartegenover zweeft in de godsdienst het mysterie van het antwoord boven alle vragen. De wijsbegeerte behandelt problemen als universele vraagstukken; voor de godsdienst zijn de universele vraagstukken persoonlijke problemen. De wijsbegeerte legt dus de nadruk op het probleem, de godsdienst legt de nadruk op de persoon.

Fundamentalisten beweren dat alle uiterste vragen beantwoord zijn; de logisch-positivisten houden vol dat alle uiterste vragen zinloos zijn. Zij die niet de verwaandheid van de eersten, of de onverschilligheid van de laatsten delen en zowel de schijnbaar oprechte antwoorden als de valse ontwijkingen afwijzen, weten dat in ons bestaan een uiterste inzet op het spel staat, waarvan het belang alle uiteindelijke formuleringen te boven gaat. Deze verlegenheid nu is het uitgangspunt voor ons denken.

1-3    SITUATIONEEL DENKEN

Er zijn twee soorten van denken; het ene behandelt concepten en het andere gaat over situaties. In onze dagen wordt het negentiende-eeuwse conflict tussen wetenschap en godsdienst vervangen door een tegenstelling tussen het denktype dat zich bezighoudt met bijzondere concepten van de geest en het denktype dat zich bezighoudt met de situatie van de mens. Conceptueel denken is een manier van redeneren, situationeel denken sluit een innerlijke ervaring in; door een oordeel te vellen over een kwestie valt de persoon zelf onder het oordeel. Conceptueel denken is op zijn plaats wanneer we moeite doen onze kennis van de wereld te vergroten. Situationeel denken is nodig wanneer we proberen kwesties te begrijpen waarvoor we ons bestaan zelf op het spel zetten.

Je bespreekt de toekomst van de mensheid in het atoomtijdperk niet op dezelfde manier zoals je over het weer praat. Het zou verkeerd zijn om uit een dergelijke gedachtewisseling het ontzag, de vrees, de bescheidenheid en de verantwoordelijkheid weg te laten die net zo goed tot de kwestie behoren of zouden moeten behoren als het atoom zelf. We staan niet tegenover een probleem dat los van ons staat, maar bevinden ons in een situatie waar wij zelf onderdeel van zijn en volledig bij betrokken zijn. Om het probleem te begrijpen moeten we de situatie onderzoeken.

De houding van de conceptuele denker is onbevooroordeeld: hij staat tegenover een onafhankelijk voorwerp van onderzoek. De houding van de situationele denker is er een van betrokkenheid: hij beseft dat hij verwikkeld is in een situatie die doorzien moet worden.

Het begin van situationeel denken is niet twijfel of onbevooroordeeldheid, maar verwondering, ontzag, betrokkenheid. Daardoor is de filosoof een getuige en niet een boekhouder van andermans zaken. Als we niet betrokken zijn, is het probleem niet aanwezig. Als we niet liefhebben of ons levendig herinneren wat ons overkwam toen we liefhadden, weten we niets van liefde. Scheppend denken wordt niet bevorderd door willekeurige kwesties maar door persoonlijke problemen. En zo is bijvoorbeeld het probleem van de godsdienstfilosofie niet hoe de mens komt tot een begrijpen van God, maar eerder hoe wij kunnen komen tot een begrijpen van God.
In diepere zin is een filosoof nooit alleen maar toeschouwer. Zijn wijsheid is niet een handelsartikel dat op verzoek vervaardigd kan worden. Zijn boeken zijn geen responsa, als antwoorden van joodse geleerden op voorgelegde vragen over de leer. Boeken zijn geen spiegels die jouw problemen weerkaatsen, maar eerder ramen die ons een blik gunnen in de ziel van de schrijver. Filosofen besteden hun kracht en hartstocht aan wat hun zelf raakt. De ziel onderhoudt zich alleen met zichzelf wanneer het hart geroerd is. Netelige vraagstukken die het hart van de filosoof beroeren, vormen de motieven die hem aanzetten tot een gezwoeg om de waarheid. Alle filosofie is een apologia pro vita sua, rechtvaardiging van zijn leven.

1-4    GRONDIG ZELFBEWUSTZIJN

Er bestaan twee soorten wijsbegeerte. Wijsbegeerte kan beoefend worden als een denkproces, van analyseren van de inhoud van het denken, zoals beginselen, veronderstellingen, leerstukken. Of ze kan worden beoefend als denken over denken, als grondige zelfkennis,2 als een proces van analyse van de verrichtingen van het denken, een proces van naar-binnen-kijken, van waarneming van het doen en laten van het intellectuele zelf.

Het werk waarmee het intellectuele zelf bezig is, voltrekt zich op twee niveaus: op het niveau van het inzicht en op het niveau waarop inzichten worden omgezet in concepten en symbolen. Grondige zelfkennis moet niet alleen de vruchten van het denken, de concepten en symbolen, omvatten, maar ook de wortel van het denken, de diepte van het inzicht, de ogenblikken van directheid in de gemeenschap van het zelf met de werkelijkheid.

Het bestuderen van de godsdienst bestaat daarom uit twee hoofdtaken. De ene is het doorgronden van wat het betekent om te geloven, om het geloven zelf te analyseren, om te vragen wat het is dat ons dwingt om in God te geloven. De tweede is om de inhoud van het geloven uit te leggen en te onderzoeken, om te analyseren waarin wij geloven. De eerste heeft betrekking op het probleem van het geloof, op concrete situaties; de tweede op het probleem van de leer, op conceptuele relaties. De middeleeuwse joodse wijsbegeerte hield zich voornamelijk bezig met het probleem van de leer. Ze hield zich uitvoeriger bezig met de vraag: wat is de inhoud (en het doel) van ons geloof in God? of hoogstens de aard van het geloof, dan met het probleem van de oorsprong van ons geloof in God. Waarom eigenlijk geloven? Ze schonk meer aandacht aan de vraag wat wij weten over God dan aan de vraag hoe wij weten over Hem. Het is niet onze eerste zorg om concepten te analyseren maar om situaties te onderzoeken. De godsdienstige situatie gaat aan de godsdienstige voorstelling vooraf en het zou een verkeerde abstractie zijn om bijvoorbeeld de voorstelling van God te behandelen los van de situatie waarin zo’n voorstelling opkomt. Het is daarom niet ons eerste doel om een filosofie van beginselen en dogma-uitleg te ontwikkelen. Het gaat ons om een filosofie van werkelijke gebeurtenissen, handelingen, inzichten, die horen bij de gelovige mens. Want godsdienst is meer dan een leer of een ideologie en kan niet los van daden en gebeurtenissen begrepen worden. Hij licht op in momenten waarin de ziel van de mens door en door in beslag wordt genomen door de vraag naar de betekenis van alle betekenis, naar zijn uiterste verplichting, die een wezenlijk deel van zijn bestaan zelf is, in ogenblikken waarin alle vanzelfsprekendheden en alle verstikkende alledaagsheden wegvallen.

Het gaat ons op de eerste plaats dus niet om het geloof, de rituele of godsdienstige ervaring, maar om de oorsprong van al deze verschijnselen: de algehele situatie van de mens; niet hoe hij het bovennatuurlijke ervaart, maar waarom hij het ervaart en aanvaardt.3

1.5    DIEPTE-THEOLOGIE

Het thema van de theologie is de geloofsinhoud. Het thema van dit boek is het geloven zelf. Het doel is de diepte van het geloof en de voedingsbodem waaruit het ontstaat na te gaan. De methode kan diepte-theologie genoemd worden.

Om een inzicht te krijgen in de diepte van religieus vertrouwen willen we niet zozeer proberen vast te stellen wat de mens kan uitdrukken, maar juist wat hij niet kan uitdrukken, de inzichten die geen taal kan verwoorden. We moeten in gedachten houden dat ‘het voornaamste gevaar van de filosofie, naast traagheid en wolligheid, de scholastiek is, waarvan de kern is het vage te behandelen alsof het vastomlijnd is en dat in een bepaalde logische categorie proberen in te passen’.4 Een van de noodlottige vergissingen van de conceptuele theologie is inderdaad geweest om de daden van het godsdienstige bestaan los te koppelen van de uiteenzettingen daarover. Denkbeelden over geloof kunnen niet gescheiden worden van geloofsmomenten. Wanneer een plant uit de grond wordt getrokken en buiten haar natuurlijke omgeving in een kas wordt gepoot, zullen waarnemingen van die plant dan haar oorspronkelijke aard onthullen? Het groeiende innerlijk wezen van de mens die reikt naar en zich wendt tot het licht van God, kan nauwelijks worden overgeplant in de oppervlakkigheid van de loutere bespiegeling. Ontrukt aan haar voedingsbodem in het menselijke leven is ze als rozenblaadjes die te drogen worden gelegd. Godsdienst is inderdaad weinig méér dan een verdorde rest van een eens levende werkelijkheid wanneer hij gedegradeerd wordt tot termen en definities, tot reglementen en catechismussen. De godsdienst kan slechts worden bestudeerd in zijn natuurlijke omgeving van geloof en vertrouwen, binnen een ziel waarin het goddelijke voor alle gedachtes bereikbaar is. Alleen zij zullen een inzicht verwerven in de godsdienst, die zijn diepte kunnen peilen, die intuïtie en liefde kunnen koppelen aan de stiptheid van methode, die in staat zijn om categorieën te vinden die zich laten vermengen met het onvermengde en om het onweegbare tot unieke uitdrukking te smeden. Het is niet genoeg om de gegeven inhoud van het godsdienstige bewustzijn te beschrijven. We moeten het godsdienstige bewustzijn bestoken met vragen, de mens dwingen om de betekenis te begrijpen en te ontrafelen van wat er gebeurt in zijn leven zoals dat aan de goddelijke horizon staat. Door in het bewustzijn van de gelovige mens door te dringen kunnen we misschien de werkelijkheid erachter ontwaren.

1.6    DE ZELFKENNIS VAN DE GODSDIENST

Filosofie is bespiegelend denken en de godsdienstfilosofie kan worden omschreven als een bespiegeling van de godsdienst over zijn grondinzichten en -houdingen, als grondige zelfkennis van de godsdienst naar zijn eigen geest. Het is een poging tot zelfverduidelijking en zelfonderzoek.

Met zelfverduidelijking bedoelen we de krachtsinspanning om ons te herinneren waar we voor stáán, om de ervaringen, de inzichten, de houdingen en de beginselen van de godsdienst te analyseren, zijn belangrijkste eigenschappen te ontdekken, zijn uiterste aanspraken, om de betekenis van zijn voornaamste lessen te bepalen en om het verschil te zien tussen beginselen en opvattingen.

Met zelfonderzoek bedoelen we de krachtsinspanning om de echtheid van onze positie nauwkeurig te onderzoeken. Is onze godsdienstige houding er een van overtuiging of van louter aanmatiging? Is het bestaan van God een waarschijnlijkheid voor ons of een zekerheid? Is God voor ons alleen maar een woord, een naam, een mogelijkheid, een veronderstelling, of is hij een levende aanwezigheid? Zijn de aanspraken van de profeten beeldspraak voor ons of een onontkoombaar geloof?

Godsdienstig denken, geloven, voelen behoren tot de meest bedrieglijke bezigheden van de menselijke geest. Vaak doen we maar alsof het God is in wie we geloven, maar in werkelijkheid kan het een symbool van persoonlijke belangen zijn waar we bij blijven stilstaan. We doen alsof we ons tot God voelen aangetrokken, maar in werkelijkheid kan het een macht in de wereld zijn die het voorwerp van onze verering is. We doen alsof we God liefhebben, maar het kan ons eigen ego zijn waarover we ons druk maken. Het onderzoeken van ons godsdienstige bestaan is dus een constante bezigheid.

Het is de taak van de filosofie om te begrijpen wat we bedoelen. Wij denken in woorden, maar het gebruiken van woorden is niet hetzelfde als het begrijpen van hun betekenis. Bovendien is de relatie tussen woorden en hun betekenis rekbaar. Woorden blijven terwijl hun betekenis kan veranderen. De uitdrukking ‘onze vader in de hemelen’ kan bij sommigen een voorstelling oproepen van een lichamelijke gestalte die op een troon zit en kan voor anderen het hoogste van alle majesteit betekenen als beeldspraak om Hem aan te duiden die zich aan elke omschrijving onttrekt.

Een dergelijke zelfkennis is om vele redenen noodzakelijk. De oorspronkelijke godsdienstlessen zijn niet overgeleverd in verstandelijke, dogmatische termen, maar in aanduidende uitdrukkingen. Daarom is het nodig om hun betekenissen te verklaren. Omdat ze verwoord zijn in een zeer oude taal, moet bovendien de wezenlijke bedoeling van de bijbelse schrijvers zorgvuldig worden doorgrond.

KRITISCHE HERWAARDERING

Hoewel de in dit boek gebruikte methode voornamelijk die van de zelfkennis is, bestaat er een andere benadering die we in gedachten moeten houden. De godsdienstfilosofie hoort op twee manieren te worden beoefend: als een grondig verstaan van de godsdienst in de termen naar zijn eigen geest en als een kritische herwaardering van de godsdienst uit wijsgerig oogpunt. Dit betekent een poging van de godsdienst om zijn aanspraken te rechtvaardigen; om zijn geldigheid uiteen te zetten, niet alleen zijn bruikbaarheid. Er zijn valse profeten zoals er ware zijn; er zijn valse godsdienstige uitgangspunten zoals er ware zijn. Wanneer een godsdienst beweert waar te zijn, is hij verplicht een maatstaf voor zijn geldigheid te bieden, hetzij in termen van concepten, hetzij in termen van gebeurtenissen.

Een kritische herwaardering van de godsdienst is noodzakelijk geworden door onze huidige wijze van denken. We kunnen niet ons kritisch vermogen blijven gebruiken in alles wat we ondernemen en tegelijkertijd afzien van het opwerpen van vragen over de godsdienst. ‘Ons tijdperk is het tijdperk van kritiek, waar alles aan onderworpen moet worden. De heiligheid van de godsdienst en het gezag van de wetgeving worden door velen beschouwd als gronden tot vrijwaring van de beoordeling door dit gerecht. Maar als ze gevrijwaard worden, worden ze het voorwerp van een gerechtvaardigde achterdocht en kunnen zij geen aanspraak maken op ongeveinsde eerbied, die de rede alleen toekent aan wat de proef heeft doorstaan van een ongehinderd en openbaar onderzoek’, schrijft Kant.5

Kritiek op de godsdienst moet zich niet alleen uitstrekken over zijn grondaanspraken, maar over al zijn uitingen. De godsdienst staat bloot aan vertekening van buiten en aan bederf van binnen. Omdat hij veelvuldig wezensvreemde ideeën overneemt, is het nodig om verschil aan te brengen tussen de echte en de valse. Bovendien kunnen bijgeloof, trots, eigendunk, vooroordeel en platvloersheid de beste tradities bezoedelen. Geloofsijver kan ontaarden in dweperij. Daarom kunnen de kritiek van de rede, de uitdaging en de twijfel van de ongelovige meer bijdragen aan de ongeschonden toestand van het geloof dan het kinderlijk vertrouwen op het eigen geloof.

INTELLECTUELE EERLIJKHEID

Intellectuele eerlijkheid is een van de hoogste doelen van de godsdienstfilosofie, zoals zelfbedrog de voornaamste oorzaak is van verderfelijk godsdienstig denken, dodelijker dan dwaling. Schijnheiligheid is – meer dan dwaalleer – de oorzaak van geestelijk verval. U leert mij inzicht, diep in mijn hart (Psalm 51:8).

Rabbi Bunam van Pzysza placht de volgende omschrijving van een chassid (joodse mysticus uit de Poolse traditie) te geven. Volgens middeleeuwse bronnen is een chassid iemand die meer doet dan de wet eist. Nu is dit de wet: Benadeel je naaste niet (Leviticus 25: 17). Een chassid overtreft de wet; hij wil zelfs zichzelf niet bedriegen.

Elke koning heeft een zegel dat, gehecht aan een document, de echtheid ervan waarborgt. Het zegel bevat een symbool van de macht en de majesteit van de koning. Welk symbool is gegraveerd in het stempel van de Koning der koningen? ‘Het zegel van God is waarheid,’ 6 en waarheid is onze enige maatstaf. Want huichelaars verschijnen niet voor hem (Job 13:16).

1.9    FILOSOFIE ALS GODSDIENST

De godsdienstfilosofie als kritiek op de godsdienst zal haar taak niet vervullen als zij zich gedraagt als tegenstander, als nabootser of als mededinger. De kritiek ziet vaak over het hoofd dat bijvoorbeeld de grote richtingen in de kunst door haar worden beoordeeld, maar niet teweeggebracht. Dit geldt ook voor de godsdienst. Het is evenwel verwarrend dat de filosofie de eeuwige rivaal van de godsdienst blijft. Zij is een macht die godsdienst zou scheppen, als haar dat mogelijk zou zijn. Telkens weer heeft ze geprobeerd antwoorden te geven op de uiterste vragen, maar ze heeft daarin gefaald.

De filosofie brengt niet altijd haar eigen onderwerpen voort. Haar onderwerpen worden ontleend aan de levenswijsheid, aan de wereld van kunst, godsdienst, wetenschap en maatschappelijk leven. Thema’s als het goede, het mooie, sympathie, liefde, God, de maatschappelijke orde en de staat zijn niet de uitvinding van de bespiegelende geest. De filosofie is vruchtbaarder in symbiose met het leven dan in haar doordenken van thema’s, geboren uit haar eigen overpeinzingen. Dardoor blijft de godsdienstfilosofie meer een methode van verduidelijking, onderzoek en bevestiging dan een bron van uiterste inzichten. Verder dient zij het wezenlijke verschil tussen filosofie en godsdienst te verhelderen. Het is niet alleen haar taak om de aanspraak van de godsdienst tegenover de filosofie te onderzoeken, maar ook om de aanspraak van de filosofie te weerleggen wanneer die zich aanmatigt om een vervangster van de godsdienst te worden, en om de ongeschiktheid van de filosofie daartoe aan te tonen.

1.10    FILOSOFIE ALS VERGEZICHT

Wanneer de filosofie het onderzoek van de godsdienstige begrippen op zich neemt, zal ze er goed aan doen rekening te houden met haar eigen beperkte positie; te weten het feit dat ze het beperkte, zij het wezenlijke gezichtspunt van één school of één periode vertegenwoordigt, en dat haar ervaring beperkt is tot een deel van de werkelijkheid. Inderdaad is de term filosofie zonder nadere omschrijving een weinig gelukkige naam. Er bestaat niet één filosofie, er bestaan vele filosofieën en de verschillen tussen Aristoteles en Augustinus, de stoïcijnen en de Indiase denkers zijn even werkelijk als het verschil tussen Mozes en Boeddha. Zij die geloven in het bestaan van een onvergankelijke filosofie, geloven wellicht in de mogelijkheid van een kritische herwaardering van de godsdienst met behulp van het uitzicht van een vastgesteld wijsgerig systeem waarvan de geldigheid buiten kijf staat. Voor hen die de geldigheid van een onvergankelijke filosofie betwijfelen, is de filosofie voortdurend in beweging en dient ze voortdurend te worden onderzocht. De godsdienstfilosofie zou dan omschreven kunnen worden als een kritische herwaardering van de godsdienst met behulp van het uitzicht van een bepaalde wijsgerige situatie.

Ondanks al haar beperkingen is de filosofie de menselijke poging om een beknopt overzicht van het bestaande te verkrijgen, om de wereld in haar geheel én in haar onderdelen te overzien. Omdat de godsdienst de neiging heeft om opgeblazen te worden en de aspecten van de werkelijkheid die niet van direct belang zijn voor het dogma en het ritueel, te veronachtzamen, heeft de godsdienstfilosofie de taak om de godsdienstige visie te betrekken op het geheel van de menselijke kennis. De menselijke kennis groeit voortdurend en de eeuwige vragen van de godsdienst worden opnieuw belangrijk als ze komen te staan tegenover de krachten van het eindeloze proces van menselijk onderzoek.

ELLIPTISCH DENKEN

De godsdienstfilosofie heeft twee ouders: de filosofie en de godsdienst. Ze is niet geboren uit de bezinning van de godsdienst op zichzelf, maar uit de ontmoeting van beide. Alle godsdienstfilosofie ontstaat wanneer zowel godsdienst als filosofie beweren ideeën te bieden aangaande de uiteindelijke problemen. Omdat de Griekse godsdienst niet beweerde een bron van dergelijke ideeën te zijn, ontstond de godsdienstfilosofie niet in Athene maar in de ontmoeting tussen het jodendom en de Griekse filosofie.7

Godsdienstfilosofie is een vorm van polariteit; als een ellips draait ze om twee brandpunten: filosofie en godsdienst. Met uitzondering van twee punten op de kromme baan die even ver van de beide brandpunten verwijderd zijn, verwijdert haar denken zich verder van het ene naarmate het dichter bij het andere komt. Het onvermogen om de geweldige spanning tussen filosofische en godsdienstige categorieën aan te voelen heeft veel verwarring veroorzaakt.

Deze unieke toestand van blootgesteld zijn aan twee verschillende krachten, aan twee wedijverende bronnen van verstaan, moet niet worden prijsgegeven. Want juist die spanning, dat elliptische denken, is een verrijking zowel voor de filosofie als voor de godsdienst.

1.12    DE GODSDIENST VAN DE FILOSOFIE

Als gevolg van de wens om de geestes- en de natuurwetenschappen met de godsdienst met elkaar te verzoenen zijn regelmatig pogingen gedaan om niet alleen te bewijzen dat de geopenbaarde leer niet strijdt met de door onze eigen rede verworven ideeën, maar ook dat ze wezenlijk gelijk zijn. Toch brengt een dergelijke verzoening niet een verbinding maar een ontbinding, waardoor de godsdienst moet wegkwijnen. Als wetenschap en godsdienst wezenlijk gelijk zijn, moet een van de twee overbodig zijn. Bij een dergelijke verzoening is de godsdienst niet veel meer dan een slechte wetenschap en een naïeve moraliteit. Als zijn diepte is verdwenen en zijn majesteit vergeten is, wordt zijn waarde twijfelachtig. Zijn enige rechtvaardiging is van opvoedkundige aard, als de kortste weg naar de filosofie, als een filosofie voor de massa.

Filosofen hebben het gebrek aan overeenkomst met de godsdienst dikwijls ten onrechte aangezien voor filosofische onrijpheid en ze hebben hem benaderd als een rudimentaire vorm van filosofie in plaats van te proberen godsdienst te begrijpen als godsdienst. Bij een dergelijke benadering werd het voorwerp van onderzoek aangepast aan de voorstelling van de onderzoeker, en godsdienstige categorieën, die al voor de start van het onderzoek ‘aangepast’ waren, werden als wijsgerige abstracties behandeld. Het resultaat van een dergelijk onderzoek is in de regel een hoogst zonderlinge godsdienst. Wat begint als een godsdienstfilosofie, eindigt als een godsdienst van de filosofie.

1.13    EEN MANIER VAN DENKEN
De filosofie begint niet in het niets. Zij kan hoogstens worden omschreven als een wetenschap met een minimum aan vooronderstellingen. Maar ze kan nooit alle vooronderstellingen laten varen. Bovendien brengt ze een bepaalde wijze van denken mee, zekere manieren en categorieën van benadering en waardebepaling. De belangrijkste veronderstellingen van de westerse filosofie zijn afgeleid van de Griekse manier van denken.

Er zijn meer denkwijzen. Israël en Griekenland ontwikkelden niet alleen uiteenlopende leerstukken; ze werkten in verschillende categorieën. De bijbel bevat bij voorbeeld evenals de filosofie van Aristoteles – meer dan een opsomming van leerstellingen; hij vertegenwoordigt een wijze van denken, een bepaalde context waarin algemene concepten een bijzondere betekenis hebben, een maatstaf voor waardebepaling, een mogelijkheid tot oriëntatie; niet alleen een geestelijk weefsel maar ook een zekere neiging tot of manier van samenweven en onderling verbinden van intuïties en gewaarwordingen, een ongeëvenaard weefgetouw van gedachtes.

De menselijke geest is eenzijdig. Nooit kan hij de gehele werkelijkheid tegelijk begrijpen. Wanneer we naar de dingen kijken, zien we óf de trekken die ze gemeen hebben, óf de trekken die ze van elkaar onderscheiden. Er zijn periodes in de geschiedenis van het denken waarin het gevoel voor het gewone en het algemene het meest ontwikkeld is en er zijn periodes waarin het gevoel voor het verschillende en het afzonderlijke bijzonder scherp is. Philo’s geest bewoog zich bijvoorbeeld op een weg die het bijzondere en het verschillende, zowel in het jodendom als in het hellenisme, links liet liggen. Voor zijn besef hadden ze dezelfde boodschap; hij nam aan dat de extase die hij kende uit de hellenistische erediensten gelijk was aan de staat waarin de Hebreeuwse profeten de openbaring ontvingen.8 In zijn voetspoor waren veel denkers er voornamelijk op uit om te wijzen op de gemeenschappelijke elementen in de rede en in de openbaring en wensten ze gelijk te maken wat in hen ongelijk was. Zij zagen niet de unieke rijkdom van geestelijk inzicht, besloten in de gedachten der profeten over de goddelijke bewogenheid. Het Hebreeuwse denken voltrekt zich in categorieën die anders zijn dan die van Plato of Aristoteles, en de verschillen tussen hun onderricht zijn niet alleen maar een kwestie van verschillende manieren van uitdrukking, maar van verschillende manieren van denken. Door uit te weiden over de gemeenschappelijke elementen van de rede en de openbaring werd een synthese bereikt van de twee geestelijke machten ten koste van de opoffering van enkele van hun unieke inzichten.

Ofschoon het voor het jodendom een levensbelang is om zich in niet-joodse culturen te begeven om elementen in zich op te nemen die het kan gebruiken voor de verrijking van zijn leven en denken, mag dit niet gebeuren ten koste van het prijsgeven van zijn intellectuele integriteit. Wij moeten niet vergeten dat de poging om een synthese te vinden tussen profetisch denken en Griekse metafysica, hoe wenselijk die kan zijn in een bijzondere historische situatie, niet noodzakelijkerwijze geldig is sub specie aeternitatis, in het licht der eeuwigheid. Aardrijkskundig en historisch gezien liggen Jeruzalem en Athene, het tijdperk van de profeten en het tijdperk van Pericles, niet al te ver uit elkaar. Geestelijk gesproken gaapt er een onmetelijke kloof tussen hen. Hier staat tegenover dat wanneer Jeruzalem aan de voet van de Himalaja had gelegen, de monotheïstische filosofie beïnvloed zou zijn door de traditie van oosterse denkers. Onze intellectuele positie tussen Athene en Jeruzalem is daarom niet definitief. De voorzienigheid zou op een goede dag een situatie kunnen scheppen die ons zou plaatsen tussen de Jordaan en de Ganges en de moeilijkheden van een dergelijke ontmoeting zullen anders zijn dan die welke het joodse denken onderging toen het de Griekse filosofie ontmoette.

1.14    METAFYSICA EN METAHISTORIE
Er bestaat bij voorbeeld een fundamenteel verschil in betekenis, bedoeling en onderwerp tussen een wetenschappelijke theorie over het ontstaan van het heelal en wat de eerste hoofdstukken van het boek Genesis proberen over te brengen. Genesis heeft niet de bedoeling iets uit te leggen; het mysterie van het ontstaan van de wereld wordt in geen enkel opzicht begrijpelijker gemaakt door een vaststelling als In het begin schiep God de hemel en de aarde. De bijbel en de wetenschap hebben niet hetzelfde probleem. De wetenschappelijke theorie vraagt: wat is de oorsprong van het heelal? Zij denkt in de categorie van oorzakelijkheid en oorzakelijkheid maakt zich een voorstelling van de relatie tussen een oorzaak en een gevolg als onderdelen van een doorgaand proces, als veranderlijke onderdelen van een onveranderlijk geheel. De bijbel maakt zich juist een voorstelling van de relatie tussen de Schepper en het heelal als een relatie tussen twee wezenlijk verschillende en onvergelijkbare grootheden en beschouwt de Schepping zelf meer als een gebeurtenis dan als een proces (zie hoofdstuk 22). Aldus is de Schepping een idee die de oorzakelijkheid overstijgt; zij vertelt ons hoe het komt dat oorzakelijkheid bestaat. Liever dan de wereld te verklaren in aan de natuur ontleende categorieën, zinspeelt ze op wat de natuur mogelijk maakte, te weten een vrije daad van God.

De bijbel wijst op een manier van verstaan van de wereld vanuit het gezichtspunt van God. Hij behandelt niet het zijn als zijn, maar het zijn als schepping. Zijn belangstelling gaat niet uit naar de ontologie of de metafysica, maar naar de geschiedenis en de geschiedenis achter de geschiedenis; zijn belangstelling betreft meer de tijd dan de ruimte.

De wetenschap werkt met vergelijkingen; de bijbel verwijst naar het unieke en het weergaloze. Het doel van de natuurwetenschap is om de feiten en de processen in de natuur te onderzoeken; het doel van de godsdienst is om de natuur te begrijpen met betrekking tot de wil van God. Het oogmerk van wetenschappelijk denken is de beantwoording van de vragen van de mens en voldoen aan zijn zucht naar kennis. Het wezenlijke oogmerk van godsdienstig denken is de beantwoording van een vraag die niet door de mens gesteld wordt en om te voldoen aan Gods behoefte aan de mens.

De filosofie is een poging om het wezen van de dingen te ontdekken, de beginselen van het zijnde; de bijbelse godsdienst is een poging om de mens te onderwijzen over de Schepper van alle dingen en over het kennen van Zijn wil. De bijbel leert niet de beginselen van de schepping of van de verlossing. Hij kwam om ons te leren dat God leeft, dat Hij de Schepper en de Verlosser is, de Leraar en de Wetgever. Het doel van de filosofie is om te analyseren of te verklaren, het doel van de godsdienst is om te reinigen en te heiligen. De godsdienst wortelt in een bijzondere traditie of in een persoonlijk inzicht; de klassieke filosofie claimt te wortelen in universele vooronderstellingen.

De beschouwing begint met concepten; de bijbelse godsdienst begint met gebeurtenissen. Het godsdienstige leven bestaat niet uit het in de geest bewaren van ideeën maar uit gebeurtenissen en inzichten, uit iets wat gebeurt in de tijd.

1.15    EEN UITDAGING VOOR DE FILOSOFIE

De godsdienst is, we herhalen het, een unieke bron van inzicht. Dit houdt in dat de inzichten en de vragen van de godsdienst niet volledig gesynchroniseerd kunnen worden met de conclusies van enige wijsgerig stelsel en dat ze evenmin adequaat in wetenschappelijke termen kunnen worden uitgedrukt. Wat in de godsdienst betekenisvol is, is niet noodzakelijkerwijze betekenisvol in de filosofie en omgekeerd. De rol van de godsdienst is om een uitdaging te zijn voor de filosofie, niet louter een voorwerp van onderzoek.

De filosofie zou veel van de bijbel kunnen leren. Voor de filosoof is de idee van het goede de meest verheven idee. Maar voor de bijbel is de idee van het goede de meest verheven idee op één na: zij kan niet bestaan zonder het heilige. Het heilige is het wezen, het goede is zijn uitdrukking. De in zes dagen geschapen dingen vond Hij goed, de zevende dag maakte Hij heilig.9

Plato’s Euthyphro stelt een probleem aan de orde waarover in uiteenlopende formuleringen in de christelijke en de islamitische scholastiek veel werd gestreden, namelijk: hebben de goden het goede lief omdat het goed is of is het goed omdat de goden het liefhebben? Een dergelijk probleem kon alleen opkomen wanneer de goden en het goede als twee verschillende grootheden werden beschouwd en waar het vanzelf sprak dat de goden niet altijd handelen in overeenstemming met de hoogste maatstaven van goedheid en gerechtigheid. De vraag: is een bepaalde handeling heilig (opgedragen door of welgevallig aan God) omdat ze goed is, of is ze goed omdat ze heilig is (opgedragen door of welgevallig aan God), zou even zinloos zijn als de vraag: wordt een bepaald punt binnen een cirkel het middelpunt genoemd omdat het van alle punten van de omtrek even ver verwijderd is, of is het van alle punten van de omtrek even ver verwijderd omdat het het middelpunt is? De tweedeling van het heilige en het goede is vreemd aan de geest van de grote profeten. In hun opvatting is de gerechtigheid van God onafscheidelijk van Zijn wezen.

Wijze kritiek begint altijd met zelfkritiek. Ook de filosofie kan niet zonder voortdurend onderzoek en voortdurende zuivering. Als de rede de godsdienst op de proef stelt, stelt zij zichzelf op de proef; ze onderzoekt haar eigen vooronderstellingen, reikwijdte en macht; ze gaat na of ze voldoende gevorderd is om de inzichten van de profeten te bevatten. Er zijn inderdaad inzichten van de geest die ons verstand laat aanvaardt, dikwijls te laat, na ze verworpen te hebben. Teneinde te slagen moet de godsdienstfilosofie in gedachten houden dat zowel de filosofie als de godsdienst uniek én begrensd zijn.

De godsdienst gaat, zoals we zullen zien, de filosofie te boven en het is de taak van de godsdienstfilosofie om de geest naar het hoogste peil van denken te voeren, om in ons begrip te wekken waarom de problemen van de godsdienst niet met aan de wetenschap ontleende termen kunnen worden aangepakt, om ons te laten beseffen dat de godsdienst zijn eigen gebied, vooruitzicht en doel heeft, en om ons bloot te stellen aan de majesteit en het mysterie, in wier tegenwoordigheid de geest niet doof is voor wat de geest overstijgt. Een van de doelstellingen van de godsdienstfilosofie is om een kritische herwaardering van de filosofie vanuit het perspectief van de godsdienst te bevorderen.

1.16    DE AANBIDDING VAN HET VERSTAND

Het is niet juist om de godsdienstfilosofie te omschrijven als een poging om de godsdienst een redelijke basis te verschaffen, omdat een dergelijke omschrijving de filosofie stilzwijgend vereenzelvigt met de redelijkheid. Als de redelijkheid het ken merk van een filosoof zou zijn, zouden Plato, Schelling, William James en Bergson moeten worden uitgesloten als filosofen. Volgens Dewey ‘sluit de redelijkheid godsdienstig geloof, met welke kenmerken dan ook, uit. Ze laat slechts ruimte voor een geloof dat een onbetwistbare, redelijke gevolgtrekking is uit wat we met volstrekte zekerheid kennen. ’10

De uiterste redelijkheid kan worden omschreven als de mislukking van de rede om zichzelf, haar alogische wezen en haar metalogische bedoelingen te begrijpen. We zullen het verschil moeten kennen tussen onwetendheid en gevoeligheid voor het mysterie, tussen het alledaagse redelijke en het buitenredelijke. Het op weg gaan naar de waarheid is een daad van de rede; de liefde tot de waarheid is een daad van de geest. Elke daad van de rede staat in een haar over stijgende relatie tot de geest. Wij denken met de rede omdat we streven naar de geest. Wij denken met de rede omdat we ze ker zijn van een bedoeling. De rede verdort zonder de geest, zon der de waarheid over het gehele leven.

Rede is vaak vereenzelvigd met wetenschap, maar wetenschap is niet in staat om ons de totale waarheid over het complete leven te ge ven. Wij hebben de geest nodig om te weten wat we met de wetenschap moeten doen. De wetenschap houdt zich bezig met de relaties tussen zaken in het heelal, maar de mens is begiftigd met de betrokkenheid van de geest, en de geest houdt zich bezig met de relatie tussen het heelal en God. De weten schap zoekt de waarheid over het heelal; de geest zoekt de waarheid die groter is dan het heelal. Het doel van de rede is het onderzoek en de vaststelling van objectieve verbindingen; het doel van de godsdienst is het onderzoek en de vaststelling van de uiteindelijke persoonlijke verbindingen.

Een uitdaging is niet hetzelfde als een botsing en uit elkaar gaan betekent niet een conflict. Het hoort bij de menselijke staat om in polariteiten te leven. In ons geloof in één God ligt de zekerheid besloten dat rede en openbaring uiteindelijk uit dezelfde bron komen. Maar wat in de schepping één is, is niet altijd één in onze historische situatie. Het is een daad van verlossing wanneer het ons vergund wordt om de hogere eenheid van rede en open baring te ontdekken.

De veelvuldig verkondigde gelijkstelling van jodendom en rationalisme is een intellectuele vlucht uit de ernstige moeilijkheden en paradoxen van joods vertrouwen, geloof en wetsgetrouwheid. De menselijke opvatting over wat redelijk is, is aan verandering onderhevig. Het leek de Romeinse wijsgeren niet redelijk om één dag in de week niet te werken. Evenmin leek het zekere plantage-eigenaren onredelijk om slaven uit Afrika in de Nieuwe Wereld in te voeren. Met welk stadium van de ontwikkeling van de rede zou de bijbel verenigbaar zijn?

Ondanks alle waardering en dankbaarheid voor de rede heeft de joodse traditie de menselijke rede nooit als zelfgenoegzaam beschouwd. Vertrouw op de HEER met heel je hart, steun niet op eigen inzicht. (Spreuken 3:5). Zelfverzekerd in je slechtheid dacht je: Er is niemand die me ziet. Je wijsheid en je kennis hebben je misleid, je dacht: Ik, en ik alleen! (Jesaja 47:10).

Enkele fundamentele vooronderstellingen van het jodendom kunnen niet volledig aannemelijk worden gemaakt in termen van de menselijke redelijkheid. Zijn concept van de aard van de mens als geschapen naar de gelijkenis van God, zijn concept van God en de geschiedenis, de uitverkiezing van Israël, van het gebed en zelfs van de moraliteit, onttrekken zich aan sommige van de conclusies waar we in alle eerlijkheid aan het einde van onze analyse en ons onderzoek toe gekomen waren. Wat geloof van de mens vraagt, is een mysterie dat hem tot eerbied en zwijgen brengt.11 Eerbied, liefde, gebed, vertrouwen gaan op pervlakkige redeneringen te boven.
Daarom moeten we de godsdienst niet uitsluitend beoordelen vanuit het gezichtspunt van de rede. De godsdienst ligt niet bin nen maar buiten de grenzen van de rede zonder meer. Het is niet zijn taak om te wedijveren met de rede, maar om ons te helpen wanneer de rede maar gedeeltelijke hulp biedt. Zijn betekenis dient te worden opgevat in termen verenigbaar met het gevoel voor het onuitsprekelijke.

Het gevoel voor het onuitsprekelijke is een intellectueel streven uit de diepte van de rede; het is een bron van kennis en in zicht. Er is dus geen wedijver tussen godsdienst en rede zolang we ons bewust zijn van hun verschillende taken en gebieden.

Het gebruik van de rede is onmisbaar voor het begrijpen en die nen van God, en zonder haar verdort de godsdienst. De inzichten van het geloof zijn algemeen en vaag en moeten onder woorden worden gebracht om ze over te brengen aan de geest, te integreren en tot een bruikbaar geheel te maken. Zonder de rede wordt het geloof blind. Zonder de rede zouden we niet weten hoe we de inzichten van het geloof op de concrete problemen van het leven kunnen toepassen. Verering van de rede is aanmatigend en verraadt een tekort aan begrip. Verwerping van de rede is lafheid en verraadt een tekort aan geloof.

1.17    IDEEËN EN GEBEURTENISSEN

Het onderwerp van een filosofie van het jodendom is jodendom. Maar wat is jodendom eigenlijk? Is het een stel ideeën of beginselen, een leerstuk? Een poging om de bijbel, die overloopt van leven, drama en spanning, te herleiden tot een reeks beginselen zou lijken op een poging om een levende mens te herleiden tot een grafische voorstelling. De uittocht uit Egypte of de openbaring op de Sinaï of Miriams laster tegenover Mozes is een gebeurtenis, niet een idee; een voorval, niet een beginsel. Aan de andere kant zal degene die de bijbel zou proberen te herleiden tot een catalogus van gebeurtenissen, tot een heilige geschiedenis, eveneens falen. De Heer is Eén of Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen, is eerder een idee of een norm dan een gebeurtenis. Een filosofie van het jodendom is dus een filosofie van zowel ideeën als gebeurtenissen.

Mozes Maimonides (1135-1204) vat het wezen van het jodendom samen in dertien geloofsartikelen: 

1. Het bestaan van God; 2. Zijn eenheid; 3. Zijn onlichamelijkheid; 4. Zijn eeuwigheid; 5. God alleen is het voorwerp van aanbidding; 6. Openbaring door Zijn profeten; 7. De voorrang van Mozes onder de profeten; 8. De hele Pentateuch is op goddelijke wijze aan Mozes gegeven; 9. De onveranderlijkheid van de Wet van de thora; 10. Gods kennis van de daden en gedachten van de mens; 11. Beloning en straf; 12. De komst van de Messias; 13. Wederopstanding. 

Met uitzondering van 6, 8, 12 en 13 verwijzen deze artikelen naar beginselen of het rijk der ideeën en niet naar gebeurtenissen of het rijk der geschiedenis. Het is opmerkelijk dat de formulering waarin deze artikelen populair werden en zelfs in vele gebedenboeken werden opgenomen, begint met de woorden: ‘Ik geloof vast en zeker dat…’

De geloofsbelijdenis van Maimonides steunt op de veronderstelling dat de uiteindelijke werkelijkheid haar uitdrukking vindt in ideeën. Voor de bijbelse mens vindt de uiteindelijke werkelijkheid haar uitdrukking echter in gebeurtenissen, niet alleen in ideeën. De inhouden van het jodendom is zowel in de geschiedenis als in het denken gegeven. We aanvaarden gedachten en gedenken gebeurtenissen. De jood zegt: ‘Ik geloof,’ en hem wordt opgedragen: ‘Gedenk!’ Zijn geloofsbelijdenis omvat een samenvatting van grondgedachten en een samenvatting van uitzonderlijke gebeurtenissen. 12
Voor de joodse geest leert men God niet begrijpen door op een Griekse manier te verwijzen naar de tijdloze eigenschappen van een Opperwezen, naar ideeën over goedheid of volmaaktheid, maar meer door de levende daden van Zijn zorg, Zijn dynamische aandacht voor de mens aan te voelen. We spreken niet over Zijn goedheid in het algemeen, maar over Zijn mededogen met de individuele mens in een bepaalde situatie. Gods goedheid is niet een kosmische kracht, maar een bijzondere daad van mededogen. Wij kennen dit verschijnsel niet zoals het is, maar zoals het gebeurt. Om een voorbeeld te noemen: ‘Rabbi Meir zei: Wat zegt de Shechinah als een menselijk wezen lijdt? Mijn hoofd is te zwaar voor Mij; Mijn arm is te zwaar voor Mij. En wanneer God zo bedroefd is over het bloed van de boze dat wordt gestort, hoeveel te meer zal Hij bedroefd zijn over het bloed van de rechtvaardige.’I3 Deze verklaring, die in de misjna geciteerd wordt direct na de beschrijving van de doodstraf, bedoelt over te brengen hoe pijnlijk voor God het lijden van Zijn kinderen is, zelfs al is het een misdadiger die voor zijn misdaad gestraft wordt.

De problemen komen anders te liggen wanneer we een dergelijke benadering aanvaarden. Het probleem is dan niet langer hoe de bijbel te verzoenen met Aristoteles’ opvatting van het heelal en van de mens, maar eerder: wat is de bijbelse opvatting van het heelal en van de plaats van de mens daarin? Hoe behoren we ons in termen van bijbels denken te begrijpen? Het probleem is: wat zijn de uiteindelijke vragen van het bestaan die de godsdienst beantwoordt? Wat zijn de ideeën waar een godsdienstig mens voor staat?

1.18    DE FILOSOFIE VAN HET JODENDOM

De term jodendom in de uitdrukking ‘filosofie van het jodendom’ kan hetzij als voorwerp, hetzij als onderwerp worden gebruikt. In de eerste betekenis is de filosofie van het jodendom een beoordeling van het jodendom: het jodendom als een thema of het voorwerp van ons onderzoek. In de tweede betekenis is de filosofie van het jodendom vergelijkbaar met een uitdrukking als de filosofie van Kant of de filosofie van Plato: het jodendom als een bron van ideeën die we proberen te begrijpen.

Nu is het jodendom een werkelijkheid, een drama in de geschiedenis, een feit, niet alleen maar een gevoel of een ervaring.

Het stelt dat bepaalde uitzonderlijke gebeurtenissen plaatsvonden waar het aan ontsprong. Het staat voor bepaalde, fundamentele lessen. Het beweert dat het de toewijding van een volk aan God is. Het is de taak van een filosofie van het jodendom om de betekenis van deze gebeurtenissen, lessen en vormen van toewijding te begrijpen.

Zoals reeds eerder verklaard, is onze werkwijze in dit boek in de eerste plaats, zij het niet uitsluitend, gericht op het begrijpen van onszelf en de term jodendom in de ondertitel van het boek wordt voornamelijk gebruikt als onderwerp.

1.19    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 1

1. Een kenmerk dat de filosofie en de wetenschap beide hebben, is de omstandigheid dat elk antwoord nieuwe vragen oproept. Het verschil lijkt te zijn dat de filosofische problemen duurzaam zijn en dat geen van de antwoorden op die problemen onaangevochten blijft, omdat elk antwoord een totaal antwoord dient te zijn.

2 Zelfkennis of zelfbegrip is in verschillende vormen het centrale onderwerp van de filosofie geweest (de eerste van de drie spreuken, gebeiteld in de voorgevel van de tempel van Apollo in Delphi was: Ken u zelf). Socrates en Plato hebben op haar belang de nadruk gelegd; zie Charmides, 167B-172C; Alcibiades, 133B; Xenophanes, Memorabilia, IV, 2,24. Aristoteles, Metaphysica, 1072B 20. Vergelijk Plotinus, Enneaden, IV, 4.2; Theologie des Aristoteles, vertaald door Dieterici (Leipzig 1893) p. 18. Elke filosofie is ‘geestelijke zelfwaarneming’ (J. F. Fries, System der Metaphysik (1824) p. 110), ‘de wetenschap van de innerlijke ervaring’ (Th. Lips, Grundtatsachen des Seelenlebens, p. 3), ‘de zelfkennis van de menselijke geest’ (Kuno Fisher, Geschichte der Philosophie, dl 1, ed. 5, p. 11); vergelijk Max Scheler, Die transzendentale und die psychologische Methode (Leipzig 1922) p. 179. In de joodse literatuur wordt de omschrijving van de filosofie als zelfverstaan vermeld door Bahya Ibn Paquda, The Duties of the Heart, shaar habehinah, hfdst. 5, ed. Haymson, dl II, p. 14. Vergelijk Joseph Ibn Saddik, Haolam Haqaton, ed. S. Horovitz (Breslau 1903) begin. Zie Maimonides, The Guide of the Perplexed, 1,53. Volgens Hermann Cohen, Religion der Vernunft (Frankfurt a/M 1929) p. 23, is de zelfkennis van de mens de diepste bron van de godsdienst. Uitspraken over de zelfkennis in de Hebreeuwse literatuur zijn verzameld door I. L. Zlotnik, Maamarim (Jeruzalem 1939) pp. 17-26. 

3 A. J. Heschel, Man is Not Alone (New York 1951) p. 55. 

4 F. P. Ramsey, The Foundations of Mathematics and Other Logical Essays (New York 1950) p. 269.

3 Kant, Critique of Pure Reason, voorwoord voor de eerste druk, vertaald door J.M.D. Meikeljohn (New York 1899) p. XL, noot.

6. Shabbat, 51 a. 

7. Zie Julius Guttmann, ‘Religion und Wissenschaft im Mittelalterlichen und im Modernen Denken’, in: Festschrift zum 50 Jährigen Bestehen der Hochschulefür die Wissenschaft des Judentums (Berlijn 1922) p. 147 e.v. 

8. Zie A.J. Heschel, Die Prophetie (Krakau 1936) p. 15. De categorieën waarin de bijbelse mens zich voorstellingen maakt van God, de mens en de wereld, verschillen zodanig van de bovenzintuiglijke vooronderstellingen waar het overgrote deel van de westerse filosofie op rust dat zekere inzichten die in de geest van de bijbelse mens zinvol zijn, aan de Griekse geest als zinloos voorkomen. Het zou een prestatie van de eerste orde zijn om de bijzondere aard van het bijbelse denken te reconstrueren en zorgvuldig uiteen te zetten hoezeer het van alle andere typen van denken afwijkt. Het zou nieuwe vergezichten openen voor het begrijpen van zedelijke, maatschappelijke en godsdienstige problemen en ons gehele denken verrijken. Het bijbelse denken zou een rol kunnen spelen bij het vormen van onze wijsgerige beschouwingen over de wereld. 

9. A. J. Heschel, The Sabbath (New York 1951) p. 75. 

10. Dewey, A Common Faith (New Haven 1934). 

11. Zie A. J. Heschel, Man’s Quest for God (New York 1954) p. 104. 12 Zie Man is Not Alone, p. 163 

13. Mishnah Sanhedrin, VI, 5.

2-  Wegen naar Zijn aanwezigheid  

2.1    DE BIJBEL IS AFWEZIG

Als we de westerse filosofie lezen, ontmoeten we steeds opnieuw Plato of Aristoteles, de stoïcijnen of de neoplatonisten. De geest van hun denken zweeft boven elke bladzijde van de wijsgerige geschriften. Tevergeefs zouden we echter naar de bijbel uitzien in de uithoeken van de westerse metafysica. De profeten zijn afwezig als de filosofen over God spreken.

Met de afwezigheid van de bijbel in de geschiedenis van de filosofie doelen we niet op verwijzingen of citaten; nu en dan zijn bijbelse passages opgenomen. We bedoelen de geest, de denkwijze , de manier van kijken naar de wereld, naar het leven; de fundamentele veronderstellingen voor beschouwingen over het zijn, over waarden, over zin. Sla een willekeurig boek over de geschiedenis van de filosofie op. Thales of Parmenides zijn er, maar zijn Jesaja of Elia, Job of de Prediker ooit vertegenwoordigd? Het gevolg van dit weglaten is dat de fundamentele veronderstellingen van de westerse filosofie eerder van het Griekse dan van het Hebreeuwse denken zijn afgeleid.

In het wijsgerig denken hebben twee benaderingen van de bijbel de overhand. De eerste benadering beweert dat de bijbel een onnozel boek is en bestaat uit poëzie of mythologie. Hoe mooi hij ook is, hij moet niet ernstig worden genomen want zijn denken is primitief en onrijp. Hoe zou men de bijbel kunnen vergelijken met Hegel of Hobbes, John Locke of Schopenhauer? De vader van de geringschatting van de intellectuele betekenis van de bijbel is Spinoza, die verantwoordelijk is voor vele verkeerde voorstellingen van de bijbel in filosofie en exegese.

De tweede benadering beweert dat Mozes dezelfde ideeën onderwees als Plato of Aristoteles en dat er geen serieus verschil is tussen het onderricht van de filosofen en het onderricht van de profeten. Het verschil is, zo beweert men, louter een kwestie van uitdrukking en stijl. Aristoteles bij voorbeeld gebruikte ondubbelzinnige termen, terwijl de profeten zich van beeldspraak bedienden. De vader van deze benadering is Philo. De theologie werd overheerst door de theorie van Philo, terwijl de filosofie in het algemeen de houding van Spinoza aannam (Zie voor de houding van Spinoza p. 359 e.v.).

Er bestaat een verhaal over een aankomende journalist die een bruiloft moest verslaan. Toen hij terugkwam, zei hij teneergeslagen dat hij geen verhaal kon maken omdat de bruidegom niet was komen opdagen…Het is waar dat men vergeefs naar een filosofische woordenschat in de bijbel zoekt, maar de toegewijde onderzoeker moet niet uitkijken naar wat hij al heeft. De categorieën waarbinnen de wijsgerige beschouwing van de godsdienst zich volstrekt, zijn eerder ontleend aan Athene dan aan Jeruzalem. Het jodendom is een confrontatie met de bijbel, en een filosofie van het jodendom moet een confrontatie zijn met de gedachtewereld van de bijbel.

2.2    HERINNERING EN INZICHT

De bijbel is niet het enige boek met een betrokkenheid op de laatste godsdienstige vraagstukken. In veel landen en in veel tijden heeft de mens naar God gezocht. Toch is de bijbel se periode de toonaangevende episode in de geschiedenis van de worsteling van de mens met God (en van Gods worsteling met de mens). En zoals we in een onderzoek naar morele waarden de grote tradi tie van de morele filosofie niet kunnen negeren, zo moeten we in onze worsteling met godsdienstige onderwerpen de in de bijbel opgetaste inzichten niet negeren. Om die reden nemen wij als richtsnoer het tijdperk van de bijbel, duizend jaren van verlichting.

Wat hebben wij en het volk van de bijbel gemeen? De zorgen en de vreugden van het leven, de verwondering en de weerstand daartegen, het besef van de God die zich verbergt, en momenten van verlangen om een weg naar Hem te vinden.

De centrale gedachte van het jodendom is de levende God. Dit is het perspectief waaruit alle andere problemen worden bekeken. En het voornaamste probleem in elke filosofie van het jodendom is: wat zijn de gronden voor het geloof van de mens in de werkelijkheid van de levende God? Is de mens wel in staat om zulke gronden te ontdekken? Alvorens te proberen dit onderwerp te behandelen is het nodig om te vragen: is het verenigbaar met de geest van het jodendom om vol te houden dat de mens moet onderzoeken hoe hij tot God kan komen, dat het ons wellicht niet zal lukken om Hem te vinden tenzij we Hem zoeken? Bestaat er een manier om een gevoeligheid voor God te ontwikkelen en een verknochtheid aan Zijn aanwezigheid?

Wat was de bron van het geloof van het volk in bijbelse dagen? Is het juist om hun geloof te omschrijven als een daad van ver trouwen in een overgeërfde leer? Is het juist om te zeggen dat de joden gedurende meer dan drieduizend jaren slechts uit één geloofsbron konden putten: de getuigenissen van de openbaring? Is het waar dat het jodendom zijn godsdienstige vitaliteit uitsluitend ontleende aan zijn trouw aan de gebeurtenis sen die plaatsvonden in de dagen van Mozes en aan zijn gehoorzaamheid aan de Schrift waarin deze gebeurtenissen vermeld zijn? Zo’n veronderstelling lijkt de aard van de mens en zijn geloof over het hoofd te zien. Een grote gebeurtenis die – hoe wonderbaarlijk zij ook mag zijn – slechts één maal plaatsvindt, kan nauwelijks de geest van de mens voor altijd beheersen. De loutere herinnering aan een dergelijke gebeurtenis is nauwelijks krachtig genoeg om de ziel van de mens met haar voortdurende rusteloosheid en vitaliteit in haar ban te houden. Uit de worste ling om inzicht putte het joodse geloof zijn kracht.

De bijbel bevat niet alleen woorden van de profeten, maar ook woorden die kwamen over niet-profetische lippen. Terwijl hij beweert woorden van inspiratie door te geven, bevat hij ook woor den van menselijk zoeken en zorgen. Er is in de bijbel een spreken van God tot de mens, maar er is ook een spreken van de mens tot God en over Hem; niet alleen Gods onthulling, maar ook het inzicht van de mens. De profetische ervaring ligt ver bui ten het bereik van de moderne mens. Maar de profeten waren ook menselijk: profetische ervaringen waren enkele ogenblikken in hun leven; buiten die momenten ontmoetten ze goed en kwaad, licht en donker, leven en dood, liefde en haat – levenservaringen die vandaag nog even werkelijk zijn als drieduizend jaar geleden. Deze voorstellingen weerspiegelen menselijk, niet al leen profetisch denken. De spontaneïteit van de bijbelse mens vond haar uitdrukking voornamelijk in de zogenaamde wijsheidsliteratuur, zoals de boeken Job, Spreuken, Prediker, maar ook in het boek der Psalmen.

Het zoeken naar God ging door van eeuw tot eeuw, en om het jodendom te leren kennen moeten we een onderzoek instellen naar de weg en de geest van dat zoeken, ook in de na-bijbelse, joodse geschiedenis.

Twee bronnen van godsdienstig denken zijn ons gegeven: herinnering (traditie) en persoonlijk inzicht. We moeten vertrouwen op onze herinnering en we moeten streven naar nieuwe inzichten. We horen van de traditie, ook begrijpen wij door ons eigen zoeken. De profeten doen een beroep op de geestelijke kracht in de mens: Wees u er daarom van bewust en laat goed tot u doordringen dat de HEER de enige God is, boven in de hemel en hier beneden op de aarde; een ander is er niet (Deuteronomium 4:39). De psalmist roept ons toe: ‘Proef, en geniet de goedheid van de HEER(34:9).1 Hoe weet men? Hoe proeft men?

In het lied van Mozes aan de Schelfzee werd een toespeling ge zien op de voor elk mens geldende noodzaak om zelf naar God te zoeken:


Hij is mijn God, hem wil ik eren, 

de God van mijn vader, hem loof en prijs ik.                                                                                       Ex. 15:2 

Door zijn eigen inzicht moet een mens er eerst toe komen om te begrijpen: Hij is mijn God, hem wil ik eren, en daarna zal het besef doorbreken dat Hij de God van mijn vader is, hem loof en prijs ik.2

2.3    DE SPEURTOCHT VAN DE MENS NAAR GOD

Brandoffers en andere offers vormen een belangrijk deel van de bijbelse vroomheid. En toch: Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd (=kennis) zijn is meer waard dan enig offer. (Hos. 6:6). Er is een weg die tot begrip leidt. Maar ten slotte zult u de HEER, uw God, weer zoeken, en hem ook vinden, als u hem tenminste met hart en ziel zoekt (Deut. 4:29). Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken (Jer. 29:13).

Als een mens tegen je zegt, ik heb mij ingespannen en niet gevonden, geloof hem niet. Als hij zegt, ik heb me niet ingespannen, maar toch gevonden, geloof hem niet. Als hij zegt, ik heb mij ingespannen en gevonden, dan mag je hem geloven.3 

Het is waar dat Hij ons bijstaat als wij Hem zoeken. Maar het initiatief en de intensiteit van ons zoeken liggen in onze macht. ‘als je erom vraagt de dingen te begrijpen, roept om scherpzinnigheid,  ernaar zoekt als was het zilver, ernaar speurt als naar een verborgen schat – dan zul je ontdekken wat ontzag voor de HEER is, dan zul je kennis van God verwerven.4 Alles is in de macht van de hemel behalve het ontzag en de vreze voor de hemel.5

De bijbel heeft verschillende woorden voor de daad van het zoeken van God (darash, bakkesh, shahar). In sommige passages worden deze woorden gebruikt om te vragen naar Zijn wil en bevelen:

Laat mij voortgaan op een ruime weg, want steeds zoek ik uw regels.   (Psalm 119:45)

Ik ben van u, red mij, want steeds zoek ik uw regels.                           (94)

Redding blijft ver van de zondaars, want uw wetten zoeken ze niet.      (155)

In andere passages betekenen deze woorden echter méér dan het stellen van een vraag met het doel om informatie te verkrijgen. Dan richt een mens zich rechtstreeks tot God om dicht bij Hem te komen; er is dan eerder sprake van een verlangen naar ervaring dan van een zoeken van informatie.6 Hem te zoeken omvat het houden van Zijn geboden, maar het is meer. ‘Zie uit naar de HEER en zijn macht, zoek voortdurend zijn nabijheid (Ps. 105:4). Bidden betekent inderdaad niet alleen hulp zoeken, het betekent ook Hem zoeken.

De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: ‘Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?’ Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: ‘Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?’ Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen (Deut. 30:11-14). Deze zelfde woorden kunnen niet gezegd worden met het oog op God. Ben ik alleen een God van dichtbij, ben ik niet ook een God van ver? – spreekt de HEER (Jer. 23:23). Er zijn inderdaad ogenblikken dat Hij ver weg is en Zich verbergt voor de mens. Zoek de HEER nu hij zich laat vinden, roep hem terwijl hij nabij is. (Jes. 55:6) (zie p. 157 e.v.). Niet alle mensen uit de bijbel zijn tevreden met het besef van Gods macht en aanwezigheid. Er zijn er ‘die u zoeken, die zich tot u wenden – het volk van Jakob (Ps. 24:6). ‘Ik vraag aan de HEER één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de HEER alle dagen van mijn leven, om de liefde van de HEER te aanschouwen. (Ps. 27:4). Bij God te zijn is mijn enig verlangen, mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER (Ps. 73:28).

Volgens de legende was Israël bij de Sinaï niet bereid de goddelijke woorden door een bemiddelaar in ontvangst te nemen. Ze zeiden tegen Mozes: ‘Wij willen de woorden van onze Koning van Hemzelf horen… wij willen onze Koning zien.’7

2.4    ‘ZOEKT MIJN AANGEZICHT’

Het verlangen naar God is nooit gestild in de joodse ziel. Ondanks de waarschuwing mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven (Ex. 33:20), waren er velen die volhardden in smachten waaraan Jehuda Halevi op onvergetelijke wijze uitdrukking heeft gegeven. Het is mijn enige verlangen om het gelaat van mijn Koning te zien. Ik vrees niemand dan Hem; ik vereer Hem alleen. Ik wenste dat ik Hem mocht zien in een droom! Ik zou doorslapen in alle eeuwigheid. Ik wenste dat ik Zijn gelaat mocht aanschouwen in mijn hart! Nimmer zouden mijn ogen vragen iets anders te aanschouwen.8 

Zoals een hinde smacht 

naar stromend water, 

zo smacht mijn ziel 

naar u, o God. 

Mijn ziel dorst naar God, 

naar de levende God, 

wanneer mag ik nader komen 

en Gods gelaat aanschouwen?                           Ps. 42:2-3 

Zoals Mozes vroeg: Laat mij toch uw majesteit zien (Ex. 33: 18), bidt de psalmist:

God, u bent mijn God, u zoek ik, 

naar u smacht mijn ziel, 

naar u hunkert mijn lichaam 

in een dor en dorstig land, zonder water. 

 In het heiligdom heb ik u gezien, 

uw macht en majesteit aanschouwd.                 Ps, 63:2-3 

Reikhalzend kijk ik naar u uit, zelfs ’s nachts verlang ik naar u.                        Jes. 26:9

In die dagen, in die tijd, keert het volk van Israël terug, samen met het volk van Juda – spreekt de HEER. 

In tranen zullen ze op weg gaan om de HEER, hun God, te zoeken.                   Jer, 50:4 

God wacht erop dat de mens Hem zoekt. De HEER kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt (Ps. 14:2). Mijn hart zegt u na: ‘Zoek mijn nabijheid!’ (Ps. 27:8). En gedurende de tien ontzagwekkende dagen, ook wel de dagen van inkeer genoemd, waarmee elk joods jaar begint, herinneren wij ons in deemoed: Tot de dag van zijn dood wacht Jij op de terugkeer van de mens.

Aan de andere kant moet men altijd de mogelijkheid van mislukking onder ogen zien, met het gevaar ingesloten te raken in ruimtes zonder licht, zonder beweging. Er zijn er van wie hun daden verhinderen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor de HEER een vreemde voor hen geworden is…. Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden (Hos. 5:4-6).

We moeten volharden in onze pogingen om ons te bekeren, om Hem lief te hebben, om Hem te zoeken. Het is een uitzonderlijke daad van goddelijke genade dat degenen die Hem niet liefhebben, plotseling zouden ontdekken dat ze Hem nabij zijn. Al vragen zij niet naar mij, toch laat ik me raadplegen, en al zoeken ze mij niet, toch laat ik me vinden. Al roept dit volk mijn naam niet aan, toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik’ (Jes. 65: 1). In zijn laatste woorden waarschuwde David zijn zoon Salomo: Als je hem zoekt, zul je hem vinden; als je hem verlaat, zal hij je voor eeuwig verstoten (1 Kronieken 28:9).

2.5    DRIE WEGEN

Hoe zoekt men Hem? Hoe vindt men in deze wereld, in zijn eigen menselijke bestaan en verhouding tot deze wereld, wegen die leiden tot de zekerheid van Zijn aanwezigheid?

De joodse literatuur bevat vele aanwijzingen van een besef van onze problemen, maar dat besef wordt zelden met zoveel woorden genoemd. In het verleden deinsde de jood gewoonlijk terug voor het uiten van zijn persoonlijke godsdienstige belangstelling en ervaring en daardoor is zijn terughoudendheid vaak ten onrechte aangezien voor geestelijke ongevoeligheid. De waarheid is dat de ziel nimmer zweeg. Tot in de negentiende eeuw waren er maar enkele vooraanstaande talmoedisten die niet bewogen werden door bijvoorbeeld de hunkeringen en overpeinzingen van de Zohar. Onder het kalme oppervlak van geloof en wet waren de zielen in beweging. Het is daarom onze taak om door te dringen tot achter de rust van geloof en traditie om de echo’s van de worsteling op te vangen en de levende inzichten te heroveren.

Er zijn drie uitgangspunten om over God na te denken, drie sporen die tot Hem leiden. Het eerste is de weg van het bespeuren van de aanwezigheid van God in de wereld, in dingen;9 het tweede is de weg van het bespeuren van Zijn aanwezigheid in de bijbel; het derde is de weg van het bespeuren van Zijn aanwezigheid in heilige daden. Deze drie wegen worden aangeduid in drie bijbelpassages:

Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?                                 Jes. 40:26

Ik ben de HEER, uw God.                                                           Ex. 20:2

Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we ter harte nemen.        Ex. 24: 7

Deze drie wegen beantwoorden aan de drie voornaamste aspecten in onze traditie van het godsdienstige bestaan: eredienst, leren en handelen. Deze drie zijn één en we moeten alle drie wegen gaan om de éne bestemming te bereiken. Want die is de ontdekking van Israël: de God van de natuur is de God van de geschiedenis en de weg die naar Hem leidt, is het doen van Zijn wil.

Het heroveren van de inzichten die op deze drie wegen verkregen worden, is het gaan naar de wortels van de bijbelse ervaring van leven en werkelijkheid; het betekent het vorsen in het godsdienstige drama van Israël, te begrijpen waarom Job kon zeggen:

Ik weet: mijn redder leeft, 

en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen. 

Hoezeer mijn huid ook is geschonden, 

toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen. 

Ik zal hem aanschouwen, 

ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander, 

heel mijn binnenste smacht van verlangen.                                   Job 19:25-27 

Hoe bereikt de mens het niveau van denken waarop hij in staat is om te zeggen: ‘Uit mijn vlees zal ik God aanschouwen’?

Elk van de drie delen van dit boek is dientengevolge gewijd aan een van die wegen. 

2.6    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 2

1. Het werkwoord ta’am betekent altijd ‘bespeuren’, ‘smaken’. Het zelfstandige naamwoord wordt ook in dezelfde betekenis gebruikt als ‘oordeel’. In onze passage geeft de Targoem (Aramese vertaling) het woord ta’amu weer met ‘besef’ en de Septuagint (Griekse vertaling) met ‘smaak’. Vergelijk Seforno’s Commentaar ter plaatse: ‘smaak, dat is voel met je zintuig en zie met het oog van de rede, dat God goed is.’  

2 Zie rabbijn Isaiah Horowitz, Shne Lubot Haberith, p. 40a. Vergelijk ook Man is Not Alone, p. 164, noot 2. 

3 Zie Megillah, 6b. 

4. Spreuken 2:3-5.

5 Berachot, 33b.

6 Om slechts enkele voorbeelden te noemen: Hij was de HEER met heel zijn hart toegedaan (2 Kron. 22:9). Op de dag van mijn nood zoek ik de Heer (Ps. 77:3). Ik zocht de HEER en hij gaf antwoord, hij heeft mij van alle angst bevrijd (Ps. 34:5). De Heer zoeken is hetzelfde als Hem een verzoek doen of Zijn wet gehoorzamen. Gelukkig wie zijn richtlijnen volgen, hem zoeken met heel hun hart.

Met heel mijn hart heb ik u gezocht, laat mij niet afdwalen van uw geboden (Ps. 119:2,10).

7. Mechilta op Exodus 19: 9.

8. Zie Selected Poems of Jehudah Halevi, vertaald door Ninah Salaman (Philadelphia 1928) pp. 115-166.

9. Aan de mens is gezegd: ‘Kijk eens naar de hemel en aanschouw de wolken boven je (Job 35:5). Overpeins de werken van de Heer, want zo zul je Hem leren kennen door Wiens woord de wereld in aanzijn komt. Geciteerd op de naam van rabbi Meir door Maimonides, Responsa, ed. A. Freimann (Jeruzalem 1934) 347, p. 312. Zie ook de Wijsheid van Salomo 13:1 e.v.; Baruch 54:17 e.v. Volgens oude legenden ontdekte Abraham het ware geloof door over de natuur te mediteren, zie Louis Ginzberg, The Legends- of the Jews, dl I. hfdst. V, p. 210-213. Vergelijk ook p. 138 e.v. van dit boek. Volgens Bahya, The Duties of the Heart, ed. Moses Haymson, dl I, p. 3, is het onze plicht om te ‘mediteren over de wonderen die in Zijn schepping tot uiting komen, zodat ze ons als bewijs kunnen dienen van Zijn bestaan’.

3- Het verhevene

3.1    DE GROTE  HYPOTHESE

Hoe vindt je de weg naar een besef van God door de wereld hier en nu gade te slaan? Om het bijbelse antwoord te begrijpen moeten we proberen vast te stellen wat de wereld betekent, en te doorgronden wat de categorieën zijn zoals de bijbel de wereld ziet: het verhevene, de verwondering, het mysterie, het ontzag en de luister.
Sla uw ogen op en zie. Hoe slaat iemand zijn ogen op om wat hoger te kunnen kijken dan zichzelf? Het grootse uitgangspunt van religie is dat de mens zichzelf kan overtreffen; dat hij deel uitmaakt van deze wereld en in relatie kan treden tot Hem, die groter is dan de wereld. Dat de mens zijn geest kan verheffen en verbinding kan krijgen met het absolute; dat de mens die bepaald is door een veelheid van omstandigheden, in staat is om te leven met aanspraken die onbepaald zijn. Hoe rijst men boven de horizon van de geest uit? Hoe bevrijdt men zich uit de perspectieven van het ik, de groep, de aarde, het tijdperk? Hoe vindt men in deze wereld een weg die zou leiden naar een besef van Hem, die boven deze wereld is?
 

3.2    MACHT, SCHOONHEID, GROOTSHEID

Klein is de wereld waar de meesten hun aandacht op richten en beperkt is onze betrokkenheid. Wat zien we als we de wereld zien? Drie aspecten van de natuur eisen onze aandacht op: haar macht, haar schoonheid en haar grandeur. Daarom zijn er drie manieren waarop we ons met de wereld kunnen inlaten: we kunnen haar uitbuiten, we kunnen van haar genieten, we kunnen haar in ontzag aanvaarden. In de geschiedenis van de beschaving hebben verschillende aspecten van de natuur de talenten van de mens in beweging gebracht. Soms hebben haar macht, soms haar schoonheid en nu en dan haar grootsheid zijn geest aangetrokken. Ons tijdperk beschouwt het nut van de natuur als haar voornaamste verdienste. Het meent dat het voornaamste doel van de mens in Gods schepping het verwerven van macht is en het gebruiken van de natuurlijke hulpbronnen. De mens is inderdaad in de eerste plaats een gereedschapmakend dier geworden en de wereld is nu een reusachtige gereedschapskist voor de bevrediging van zijn behoeftes.

De Grieken leerden om te begrijpen. De Hebreeën leerden om te vereren. De hedendaagse mens leert om te gebruiken. Aan Bacon danken we de uitspraak Kennis is macht. Zo worden de mensen aangezet om te leren: kennis betekent succes. We weten niet meer hoe we een waarde anders moeten rechtvaardigen dan in termen van doelmatigheid. De mens is bereid zichzelf te omschrijven als een zoeker naar een maximum aan comfort tegen een minimum aan inspanning. Hij stelt waarde gelijk aan wat voordeel brengt. Hij voelt, handelt en denkt alsof de enige opzet van het heelal zou zijn om zijn behoeftes te bevredigen. Voor de moderne mens lijkt alles berekenbaar; alles tot een bedrag herleidbaar. Hij heeft het grootste vertrouwen in statistieken en verafschuwt de gedachte van een mysterie. Hardnekkig negeert hij het feit dat wij allen omringd zijn door dingen die we waarnemen maar niet kunnen begrijpen; dat zelfs het verstand een mysterie op zichzelf is. Hij is zeker van zijn vermogen om elk mysterie weg te verklaren. Pas één generatie geleden was hij overtuigd dat de wetenschap bezig was om alle raadsels van de wereld op te lossen. In de woorden van een dichter:

Alles wat er te weten valt

Zullen we eens weten.

Godsdienstige kennis wordt beschouwd als de laagste vorm van kennis. Volgens de Franse filosoof en socioloog Auguste Comte († 1857) doorloopt de menselijke geest drie stadia van denken: de theologische, de metafysische en de positieve. Uit de primitieve godsdienstige kennis ontwikkelde zich langzamerhand de metafysica, die op haar beurt werd opgevolgd door de positieve, wetenschappelijke wijze van denken. De moderne mens, die het laatste stadium heeft bereikt, schuwt elk beroep op onwaarneembare grootheden. Men vraagt niet meer naar het waarom, maar uitsluitend naar het hoe. De mensheid het middelpunt van de eredienst. Wat echter vanuit het standpunt van de moderne mens als een verworvenheid wordt beschouwd, kan door de postmoderne mens als een verarming worden beschouwd. De volgende generaties zullen moeilijk kunnen begrijpen hoe vroeger de idee van God niet werd beschouwd als het hoogste concept dat de mens zich kan indenken, maar die integendeel zich daarvoor schaamden en die de ontwikkeling van het atheïsme als een teken van vooruitgang in de emancipatie van het menselijk denken beschouwden. 1
Verblind door de schitterende successen van het verstand in natuurwetenschap en techniek hebben we niet alleen de overtuiging gekregen dat wij het voornaamste van de wereld zijn, we zijn er van overtuigd geraakt dat onze behoeftes en belangen de beslissende maatstaf zijn voor wat goed en kwaad is.
Comfort, luxe en succes prikkelen voortdurend onze begeertes en belemmeren onze blik op wat nodig is, maar dat niet altijd gewenst wordt. Zij maken het ons makkelijk om blind te worden voor waardes. En voor een blinde is zijn geleidehond van belang als gids en verkenner.
 

3.3    HET WANTROUWEN VAN HET GELOOF

Langzamerhand herstelt de moderne mens zich van de schok, veroorzaakt door het besef dat hij – verstandelijk gezien – niet meer het recht heeft om te dromen; niet meer het recht heeft om te treuren om het verlies van zijn verlangen naar wat hij nodig zou kunnen hebben, maar waarvoor hij onverschillig geworden is. Hij is inderdaad allang opgehouden zijn vertrouwen te stellen in zijn wil om te geloven of zelfs in zijn verdriet over het verlies van een verlangen om te geloven.

Een huiver waart door onze nachten. In onze steden is er niet één huis zonder ten minste één ziel die weeklaagt te midden van vreugde, beangstigd door succes, ontzet door de verslaving aan behoeftes, door het onvermogen om te vertrouwen wat hij koestert.

Wat opgaat voor morele oordelen, geldt ook voor godsdienstige inzichten. Het is allang bekend dat behoefte en verlangen een rol spelen bij het vormen van godsdienstige inzichten. Maar is het waar, zoals de psychologie vaak beweert, dat onze godsdienstige inzichten niets anders zijn dan pogingen om onze onderbewuste wensen te bevredigen? Dat het concept van God alleen maar een projectie is van egocentrische gevoelens, het objectiveren van subjectieve behoeftes, het zelf in vermomming? De neiging om aan de oprechtheid van het menselijke verlangen naar God te twijfelen is een niet minder ernstige uitdaging dan de neiging om aan het bestaan van God te twijfelen. Een bewijs van de betrouwbaarheid van het geloof hebben wij dringender nodig dan een bewijs van het bestaan van God.

We hebben niet alleen ons geloof verspeeld; we hebben ons geloof in de betekenis van het geloof verloren. Alles wat wij hebben, is een gevoel van dodelijke angst. We zijn bang voor de mens. We zijn doodsbang voor onze eigen macht. Onze trotse westerse beschaving heeft geen weerstand geboden aan de stroom van wreedheid en misdaad die is losgebarsten uit de onderstroom van het kwade in de menselijke ziel. We verdrinken bijna in een stroom van schuld en ellende, die geen geweten zuiver laat. Wat hebben we gedaan met onze macht? Wat hebben we de wereld aangedaan? De stortvloed van armzaligheid sleurt onze monsterlijke verwaandheid mee. Wie is de Heer? Wij hebben de hoop opgegeven om ooit opnieuw  nog een besef van Hem te krijgen, om ooit ons geloof in de betekenis van het geloof te herwinnen. Vanuit een denksysteem waarin kennis macht is, waarin waarde een ander woord is voor behoefte, waarin de piramide van het zijn op haar kop is gezet – is het inderdaad moeilijk om een weg te vinden naar een besef van God. Als de wereld alleen maar macht voor ons is en wij allen opgaan in een jacht naar goud, dan is de enige god die we kunnen tegenkomen, het gouden kalf. De natuur als gereedschapskist is een wereld die niet verwijst naar iets verders dan zichzelf. Wanneer de natuur wordt ervaren als een groots mysterie, roept ze ons op verder te kijken dan onze neus lang is.

Het besef van de grootsheid en van het verhevene is vrijwel verdwenen uit de moderne geest. Onze leersystemen vinden het van groot belang om de leerling te leren het machtsaspect van de werkelijkheid uit te buiten. Tot op zekere hoogte proberen ze het vermogen om schoonheid te waarderen te ontwikkelen. Maar er is geen opleiding tot het verhevene. We leren kinderen hoe te meten, hoe te wegen. We leren hun niet hoe te vereren, hoe verwondering en ontzag te voelen. Het gevoel voor het verhevene, het teken van de innerlijke grandeur van de menselijke ziel, in beginsel geschonken aan alle mensen, is nu een zeldzame gave. Toch wordt, zonder dat gevoel, de wereld plat en de ziel een vacuüm. Hier kan de bijbelse kijk op de werkelijkheid als gids dienen. Het is veelbetekenend dat het onderwerp van de bijbelse poëzie niet de bekoorlijkheid of de schoonheid van de natuur is; het is de grootsheid, het is het verheven aspect van de natuur dat de bijbelse poëzie probeert te roemen.

3.4    OVER HET VERHEVENE IN DE BIJBEL

Er is vaak beweerd dat verhevenheid een bijzondere eigenschap van de Hebreeuwse bijbel is, onbekend bij de Griekse klassieke schrijvers. Samuel Coleridge zei eens: ‘Hebt u in de klassieke Griekse literatuur ooit iets verhevens in onze betekenis van het woord kunnen ontdekken? Verhevenheid is Hebreeuws van geboorte.’ Zijn bewering spreekt aan maar is te absoluut. Je kan betogen dat voorbeelden van de hoogst mogelijke verhevenheid te vinden zijn bij Hebreeuwse schrijvers als Jesaja. Verder kan worden aangevoerd dat latere schrijvers zoals John Milton veel van hun verhevenheid direct of indirect aan Hebreeuwse bronnen te danken hebben. Maar aan de andere kant kunnen we die eigenschap – hoe krachtig onze omschrijving van haar ook moge zijn – moeilijk ontzeggen aan vroege Griekse schrijvers zoals Homerus of de Aeschylus († 456 v.c.) en aan de vroege fases van de modernere literatuur. 2 Het is evenwel duidelijk dat het besef van het verhevene als een bijzondere en geheimzinnige soort van schoonheid ontbreekt in de klassieke periode van de Griekse wijsbegeerte. Het Griekse woord voor ‘verheven’ als stijlbegrip is niet aanwijsbaar vóór de eerste eeuw van onze tijdrekening.3

De oudste verhandeling over het onderwerp, Longinus’ Over het Verhevene, is waarschijnlijk na de dood van Augustinus geschreven. Hoewel het in de eerste plaats gaat over het verhevene als een eigenschap van de stijl, verwijst de schrijver ook naar de verhevenheid in de natuur buiten hem, en uit het menselijke vermogen om daarop te reageren leidt hij de innerlijke grootheid van de menselijke ziel af.

De natuur heeft in de menselijke ziel een onoverwinnelijke liefde voor de grootsheid geplant én een verlangen om alles wat het goddelijke dichter schijnt te naderen dan hijzelf voorbij te streven. ‘Daarom is het ganse heelal niet voldoende voor het uitgestrekte arbeidsveld en de doordringende beschouwingen van het menselijke verstand. Het overschrijdt de grenzen van de stoffelijke wereld en verheft zich naar believen de eindeloze ruimte in.’ De natuur spoort ons aan om niet een kleine rivier ‘die aan onze behoeften tegemoetkomt’ te bewonderen, maar de Nijl, de Donau en de Rijn; evenzo ‘verrassen’ ons de zon en de sterren en ‘een vuurspuwende Etna dwingt onze bewondering af. 4

Om zijn theorie toe te lichten verwijst Longinus naar het boek Genesis. “De joodse wetgever, geen gewoon mens, omdat hij het vermogen had om de goddelijke macht op waardige wijze te ontvangen en door te geven, schrijft aan het begin van zijn wetgeving: ‘En God zeide…’ Wat was het dat God zei? ‘Er zij licht; en er was licht’, ‘Er zij land; en er was land’.” 5

3.5    HET SCHONE EN HET VERHEVENE

Wat bedoelen we met het verhevene? En waarom was Longinus van mening dat het menselijke vermogen om te reageren op het verhevene een teken van de innerlijke grootheid van de menselijke ziel is? Sinds de tijd van Edmund A. Burke (1729-1797) vormt het verhevene een contrast met het mooie. 6 Hij identificeerde het verhevene met het onmetelijke, het ontzettende en duistere, die het gevoel van pijn en angst opwekken, en het schone met het zachte, het kleine en het tere, die een gevoel van liefde en tederheid opwekken. ‘Verheven objecten zijn onmetelijk in hun omvang; mooie objecten zijn betrekkelijk klein; schoonheid behoort zacht en gepolijst te zijn… licht en teer; grote objecten behoren duurzaam te zijn en zelfs massief.’

Volgens Kant behaagt het mooie los van elk belang en het verhevene behaagt zelfs als het met ons gevoelsmatige belang in strijd is.7 Hij omschrijft het verhevene als ‘datgene in vergelijking waarmee al het andere klein is’ (p. 102). Het is ‘de natuur in diegene van haar verschijningsvormen, waarvan de beschouwing de idee van oneindigheid medebrengt’ (p. 109). Het is ‘wat groter is dan wij kunnen bevatten’.

Hoewel hij niet de mening van Burke deelt dat verheven objecten in ons een gevoel van vrees en dreigend gevaar opwekken, stelt Kant met nadruk dat ze vreesaanjagend moeten zijn. Het verhevene is alleen te vinden in de natuur, niet in het karakter, het verstand of de kunst, omdat in deze gevallen het ‘menselijke streven zowel de vorm als de omvang bepaalt’ (p. 113).

Objecten van verheven gevoel zijn volgens Kant ‘forse, overhangende en, als het ware, dreigende rotsen; in de lucht opgestapelde wolken, in beweging door bliksemflitsen en donderslagen; vulkanen in al hun vernietigend geweld; orkanen met hun spoor van verwoesting; de onmetelijke oceaan in beroering; de trotse waterval van een machtige rivier’ (p. 125).

De betekenis van het verhevene en zijn waarneming is, naar wij menen, in deze theorieën niet juist beschreven.

Het verhevene staat niet tegenover het mooie en dient ook niet als een esthetische categorie te worden beschouwd. Het verhevene kan zowel in mooie dingen als in daden van goedheid en in het zoeken naar waarheid bespeurd worden. De gewaarwording van schoonheid kan het begin zijn van de ervaring van het verhevene. Het verhevene is wat we zien maar niet kunnen overbrengen. Het is de zwijgende toespeling van dingen op een bedoeling, groter dan henzelf. Het is datgene waar uiteindelijk alle dingen voor staan; ‘het ingewortelde zwijgen van de wereld, die ongevoelig blijft voor nieuwsgierigheid als gebladerte ver in de schemering’. Het is wat onze woorden, onze vormen, onze categorieën nooit kunnen bereiken. Dit is de reden waarom het gevoel voor het verhevene beschouwd moet worden als de wortel van de scheppende activiteiten van de mens in de kunst, het denken en het grootmoedige leven. Zoals geen flora de verborgen levenskracht van de aarde volledig ten toon kan spreiden, zo heeft geen kunstwerk, geen filosofisch stelsel, geen wetenschapstheorie ooit de diepe betekenis, de verheven werkelijkheid van het gezichtsveld waarin zielen van heiligen, kunstenaars en filosofen leven, onder woorden gebracht. 8

Bovendien is het verhevene niet noodzakelijk verbonden met het onmetelijke en het overstelpende in omvang. Het is te bespeuren in elke zandkorrel, in elke waterdruppel. Elke bloem in de zomer, elke sneeuwvlok in de winter kan in ons het gevoel van verwondering oproepen dat onze reactie op het verhevene is.

To me the meanest flower that blows can give 

thoughts that do often lie too deep for tears.

De kleinste bloem die bloeit kan mij gedachten geven, die vaak te diep zijn voor tranen.

William Wordsworth, Song at the Feast of Brougham Castle.

               A sense sublime

Of something far more deeply interfused,

Whose dwelling is the light of setting suns,

And the round ocean and the living air,

And the blue sky, and in the mind of man;

A motion and a spirit, that impels

All thinking things, all objects of all thought,

And rolls through all things.

            Een verheven gevoel

Van iets veel dieper versmolten,

Welks woning is het licht van ondergaande zonnen,

En de ronde oceaan en de levende lucht,

En de blauwe hemel en in de geest van de mens;

Een beweging en een geest, die aandrijft

Alle denkende dingen, alle objecten van alle denken,

En wentelt door alle dingen.

William Wordsworth, The Old Cumberland Beggar

3.6    HET VERHEVENE IS NIET HET UITEINDELIJKE

HET VERHEVENE IS NIET HET BASISPRINCIPE

Het is niet het verhevene als zodanig waar de bijbelse mens zich van bewust is. Voor hem is het verhevene slechts een manier waarop de dingen reageren op de aanwezigheid van God. Het is nooit een ultiem aspect van de werkelijkheid, een eigenschap die op zichzelf betekenis heeft. Het staat voor iets groters; het staat in relatie tot iets boven zichzelf wat het oog nooit kan zien.

Het verhevene is er niet zomaar. Het is niet een ding, een eigenschap, maar eerder een gebeurtenis, een daad van God, een wonder. Zo wordt zelfs een berg niet beschouwd als een ding. Wat steen lijkt te zijn, is een drama; wat natuurlijk lijkt te zijn, is wonderbaarlijk. Er zijn geen verheven feiten; er zijn alleen goddelijke daden.

Bovendien is het verhevene in bijbelse zin niet alleen te vinden in het onmetelijke en machtige, in de ‘forse, overhangende en, als het ware, dreigende rotsen’, maar ook in de kiezelstenen op de weg. Zelfs de stenen klagen je aan vanuit de muur (Hab. 2:11). De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden. (Psalm 118:22). Een simpele steen die Jakob voor de nacht onder zijn hoofd had gelegd, wierp zich op tot een steen om een huis van God te zijn (Genesis 28:17,22). Het verhevene wordt niet alleen onthuld in de ‘wolken opgestapeld in de lucht, in beweging door bliksemflitsen en donderslagen’, maar ook in de regen die God laat vallen om wildernis en woestenij te doordrenken zodat er overal jong gras opschiet (Job 38:27); niet alleen in de ‘vulkanen in al hun vernietigend geweld’ maar ook daarin dat God de listen van de sluwen doorkruist, en wat zij ondernemen laat  mislukken (Job 5:11-12); niet alleen in ‘de orkanen met hun spoor van verwoesting’ maar ook in het suizen van een zachte stilte (1 Kon. 19:12); niet alleen in ‘de onmetelijke oceaan in beroering’ maar daarin dat Hij de zee een grens stelde en zei: ‘Tot hiertoe en niet verder, dit is de grens die ik je trotse golven stel’ (Job 38:11).

3.7    AFSCHUW EN VERRUKKING

Het verhevene veroorzaakt een gevoel van verbazing, die Burke omschrijft als ‘die gemoedstoestand waarin al zijn reacties met een zekere mate van afschuw tot staan komen’, waarin ‘de geest zo volledig vervuld is van zijn object dat hij aan niets anders kan denken en dus ook niet over dat onderwerp dat de geest bezig houdt’. Daartegenover wordt de bijbelse mens die het verhevene bespeurt, meegesleurd door zijn hevige verlangen om de schepper van de wereld te loven en te prijzen.

Heel de aarde, juich voor God, 

bezing de eer van zijn naam, 

breng hem eer en lof. 

Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn uw daden, 

uw vijanden kruipen voor u, zo groot is uw macht.                    Ps. 66:1-3 

Tegenover bedreigende gebeurtenissen kon de bijbelse mens zeggen: Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij (Ps. 23:4).

In nog een opzicht wijkt de ervaring van de bijbelse mens af van de esthetische ervaring van het verhevene. De meest verheven dingen zoals de hemel of de sterren en hijzelf hebben een mysterie gemeen: ze zijn allemaal voortdurend afhankelijk van de levende God. Daarom is de reactie op verheven objecten niet zomaar ‘schrikwekkende verbazing’ of ‘de verdoving van de geest en het gevoel’, zoals Burke schreef, maar verwondering en verbazing.

NOTEN BIJ HOOFDSTUK 3

1. Walter Schubart, Russia and Western Man (New York 1950) p. 62 e.v. 

2 W. Rhys Roberts, Longinus on Style (Cambridge 1899) p. 31. 

3. Roberts, op.cit., p. 209. Het is een belangwekkende samenloop dat de eerste verhandeling over het verhevene die ons bij name bekend is, geschreven werd door Caecilius, een Siciliaans redenaar die onderwees in Rome in de dagen van Augustus en die ‘in het geloof een jood’ was; zie W.R. Roberts, American Journal of Philology, XVIII, pp. 303 e.v. en op.cit., pp. 220-222. Mommsen oppert de mogelijkheid dat Longinus een jood was die Mozes en Homerus in dezelfde mate vereerde. Römische Geschichte, dl VI, p. 494. Volgens Pauly-Wissowa, dl V, p. 1174 e. v. was Caecilius een aanhanger van het joodse geloof. Vergelijk echter de formule’ Er zij land’.

4. Longinus, On the Sublime, hfdst. XXXV; vergelijk Samuel H. Monk, The Sublime, A Study of CriticaI Theories in XVIII-Century England (New York 1935) p. 17.

5. Longinus, op.cit., IX, 10.

6. In A Philosophical Inquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and the Beautiful, dl II, § I, p. 8; III, 27.

7. ‘Het mooie bereidt ons voor om iets belangeloos te beminnen, zelfs de natuur; het verhevene bereidt ons voor om iets hoog te achten, zelfs als dat strijdt met ons (praktische) eigenbelang.’ Critique of Aesthetic Judgment, p. 134.

8. Man is Not Alone, p. 4.

4- Verwondering

4.1    EEN ERFDEEL VAN VERWONDERING

Onder de vele dingen die de godsdienstige traditie voor ons in petto houdt, is een erfdeel van verwondering. De zekerste manier om ons vermogen te onderdrukken om de bedoeling van God en het belang van de eredienst te begrijpen, is de dingen als vanzelfsprekend te zien. Onverschilligheid voor het verheven wonder van het leven is de wortel van de zonde.

De moderne mens liep in de val door te geloven dat alles kan worden verklaard, en dat de werkelijkheid een eenvoudige zaak is die alleen maar georganiseerd behoeft te worden om te worden beheerst. Alle raadsels zijn oplosbaar en alle verwondering is slechts ‘de uitwerking van iets nieuws op onwetendheid’. Hij was ervan overtuigd dat de wereld zijn eigen verklaring is en dat het niet nodig is om buiten de wereld een verklaring te zoeken voor zijn bestaan. Dit gebrek aan verwondering, deze overdrijving van de pretentie van wetenschappelijk onderzoek, is vaak  meer typerend voor schrijvers van populair-wetenschappelijke boeken dan voor echte wetenschappers. Filosoof/publicist Herbert Spencer († 1903) en anderen ‘lijken bezeten te zijn door de gedachte dat de wetenschap het heelal vrijwel ontraadseld heeft, terwijl mensen als Michael Faraday († 1867), de grondlegger van het toepassen van elektriciteit, en Isaac Newton († 1727), de grondlegger van de klassieke natuurkunde, zichzelf beschouwen als kinderen die een paar mooie kiezelsteentjes op het strand van de oceaan hebben opgeraapt. Maar voor de meesten van ons is het moeilijk om de grootheid en het wonderbaarlijke te herkennen van dingen die ons vertrouwd zijn. Zoals de profeet niet in eigen land geëerd wordt, zo is het ook met verschijnselen.1 ‘Wij wagen het te zeggen dat de feiten van de zaak zo wonderbaarlijk zijn dat – van het begin tot het einde – geen algemene indruk van de natuur, verkregen op wetenschappelijke dan wel op andere wijze, die ook maar in de buurt van de waarheid komt, niet een toon doet klinken van blijde waardering en van eerbiedige verwondering.2

‘De geschiedenis van het Europese denken is, tot op de dag van vandaag, bezoedeld door een noodlottig misverstand. Het kan het dogmatisch bedrog worden genoemd. De dwaling bestaat uit de overtuiging dat we in staat zijn om begrippen voort te brengen, waarvan de omschrijving recht doet aan de ingewikkelde verwantschap die nodig is voor hun verklaring in de werkelijke wereld. Kunt u door te onderzoeken het heelal beschrijven? Wellicht met uitzondering van eenvoudiger noties van de rekenkunde zijn onze meest vertrouwde ideeën, schijnbaar voor de hand liggend, aangestoken door deze ongeneeslijke vaagheid. Ons juiste begrip van de methodes van de intellectuele vooruitgang wordt bepaald doordat we dit kenmerk van ons denken voor ogen houden… Gedurende de middeleeuwse periode in Europa waren de theologen de grootste zondaars met betrekking tot het dogma als laatste woord. Gedurende de laatste drie eeuwen is hun kampioenschap in deze slechte gewoonte overgegaan op de beoefenaren van de natuurwetenschap, [hoewel er de laatste tijd steeds meer wetenschappers opstaan met de boodschap ‘hoe meer we ontdekken, des te mysterieuzer wordt alles’].

4.2   EEN KLEINE SCHROEF

Toen de elektrische tram voor het eerst in de stad Warschau verscheen, konden sommige goede, oude joden hun ogen niet geloven. Een wagen die beweegt zonder paard! Sommigen van hen waren verbijsterd en verschrikt en geen van hen had een idee hoe deze verbazingwekkende uitvinding verklaard kon worden. Op een dag, terwijl men over deze zaak van gedachten wisselde in de synagoge, kwam een man binnen van wie bekend was dat hij niet alleen in de talmoed studeerde, maar ook boeken kende over niet-godsdienstige onderwerpen, geabonneerd was op een dagblad en goed thuis was in wereldse zaken.

– Jij moet weten hoe dit ding werkt, zeiden ze allen tegen hem. – Natuurlijk weet ik dat, zei hij. En allen hingen aan zijn lippen in een volkomen concentratie.

– Stel je vier grote wielen voor, verticaal staande in de vier hoeken van een vierkant, met draden aan elkaar verbonden. Kunnen jullie mij volgen?

– Ja, we kunnen je volgen,

– De draden zijn in het middelpunt van een vierkant aan elkaar geknoopt en in een groot wiel gedaan, dat horizontaal is opgesteld. Kunnen jullie mij volgen?

– Ja, we kunnen je volgen.

– Boven het grote wiel zijn er verschillende wielen, het ene kleiner dan het andere. Kunnen jullie mij volgen?

– Ja, we kunnen je volgen.

Boven op het kleinste wiel is een kleine schroef, die door een draad verbonden is met het middelpunt van de wagen, die boven op de wielen ligt. Kunnen jullie mij volgen?

– Ja, we kunnen je volgen.

– De bestuurder van de wagen drukt op de knop die de schroef in beweging brengt, die de horizontale wielen in beweging brengt en zo rijdt de wagen door de straat.

– Aha, nu begrijpen wij het! 

4.3    TWEE SOORTEN VERWONDERING

Verwondering of ernstige verbazing is het voornaamste kenmerk van de houding van de godsdienstige mens tegenover de geschiedenis en de natuur. Eén houding is vreemd aan zijn geest: dingen vanzelfsprekend vinden en gebeurtenissen als een alledaagse gang van zaken beschouwen. Het bij benadering vinden van een oorzaak van een verschijnsel is geen antwoord op zijn hartgrondige verwondering. Hij weet van het bestaan van wetten die de loop van natuurlijke processen regelen. Zo’n weten kan echter zijn gevoel van voortdurende verbazing over het feit dat er feiten bestaan niet verminderen. Kijkend naar de wereld zou hij zeggen: Dit is het werk van de HEER, een wonder in onze ogen (Psalm 118:23).
Dat ‘verwondering het gevoel van een filosoof is en dat de filosofie begint met verwondering’ is verklaard door Plato4 en bevestigd door Aristoteles: ‘Want het is het gevolg van hun verwondering dat mensen nu beginnen en aanvankelijk begonnen te filosoferen’. Tot op heden wordt de verstandelijke verwondering gewaardeerd als semen scientiae, als het zaad van de kennis, als iets wat leidt tot kennis, maar er niet toe behoort.6
Verwondering is het voorspel tot kennis: ze houdt op zodra de oorzaak van een verschijnsel duidelijk is.7
Maar ligt de waarde van verwondering alleen daarin dat zij aanzet tot het verwerven van kennis? Is verwondering hetzelfde als nieuwsgierigheid? Bij de profeten is verwondering een manier van denken. Zij is niet het begin van kennis, maar een houding die de kennis te boven gaat; ze eindigt niet wanneer de kennis verworven is; ze is een houding die nooit ophoudt. Er is in de wereld geen antwoord op de ernstige verbazing van de mens.

4.6    ‘VOOR JE VOORTDURENDE WONDEREN

Het diepe en onafgebroken besef van te zijn is een deel geworden van het godsdienstige bewustzijn van de jood. Drie maal per dag bidden wij:

Wij danken Jou...

Voor Je wonderen, die dagelijks bij ons zijn, 

Voor Je voortdurende wonderdaden…

In de avonddienst reciteren we de woorden van Job (9:10):

Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen

ontelbaar zijn de wonderen die hij verricht.

Elke avond reciteren we: ‘Hij schept het licht en maakt de duisternis.’ Twee maal per dag zeggen we: ‘Hij is Eén.’ Wat is de betekenis van een dergelijke herhaling? Een wetenschappelijke theorie hoeft, wanneer ze eenmaal gepubliceerd en aanvaard is, niet twee maal per dag te worden herhaald. De inzichten van de verwondering moeten voortdurend levend gehouden worden. Omdat er dagelijks behoefte is aan verwondering, is er behoefte aan een dagelijkse eredienst.

Het gevoel voor de ‘wonderen die dagelijks bij ons zijn’, het gevoel voor de ‘voortdurende verwondering’, is de bron van het gebed. Er is geen eredienst, geen muziek en geen liefde wanneer we de zegeningen of de nederlagen van het leven als vanzelfsprekend beschouwen. Geen routine op sociaal, fysiek of fysiologisch gebied moet ons gevoel van verrassing afstompen dat er een sociaal, een fysiek of een fysiologisch gebied bestaat. We zijn geoefend om ons gevoel van verwondering levend te houden door vóór het nuttigen van voedsel een gebed uit te spreken. Telkens wanneer we op het punt staan om een glas water te drinken, herinneren we ons aan het eeuwige mysterie van de schepping: ‘Gezegend Jij… door Wiens woord alle dingen ontstaan zijn.’ Een alledaagse handeling én een verwijzing naar het allergrootste wonder. Als wij brood of fruit willen eten, genieten van een aangename geur of van een goed glas wijn, als we de eerste verse seizoensvrucht eten, als we een regenboog of de oceaan zien, als we bomen opmerken die in bloei staan, als we een wijze les uit de thora, of ergens anders vandaan tegenkomen, bij het horen van goed of slecht nieuws – is ons geleerd om Zijn grote naam aan te roepen en ons bewust te zijn van Hem. Zelfs bij een lichamelijke handeling, zeggen wij: ‘Gezegend Jij… die elk lichaam geneest en wonderen doet.’

Dit is een van de doeleinden van de joodse levenswijze: het ervaren van alledaagse handelingen als geestelijke avonturen, het voelen van de verborgen liefde en wijsheid in alle dingen.

In het lied van de Rietzee lezen we:

Wie onder de goden is uw gelijke, HEER? 

Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig, 

wie dwingt zoveel eerbied af met roemrijke daden, 

wie anders verricht zulke wonderen?                             Exodus 15:11

De rabbijnen merkten op: Er staat hier niet geschreven: Die wonderen deed, maar: Die wonderen doet… Hij deed en doet nog wonderen voor ons in elke generatie, zoals er gezegd is:

Wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. 

Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.                  Psalm 139:1413 

Rabbi Eleazer zegt: ‘Verlossing en het verdienen van zijn brood zijn met elkaar vergelijkbaar. Het brood verdienen is iets wonderlijks en het verlossen van de wereld is iets wonderlijks. En zoals het brood verdienen dagelijks plaatsvindt, zo vindt ook verlossing dagelijks plaats.’14

Koning David zei: ‘Ik zal getuigenis afleggen van de liefde van de Heilige, Hij zij geprezen en van de weldaden, die Hij aan Israël bewijst, uur na uur en dag na dag. Dag na dag wordt de mens verkocht (als slaaf) en elke dag wordt hij verlost; elke dag wordt de mens zijn ziel ontnomen en overgegeven aan de Hoeder; de volgende dag wordt zij aan hem teruggegeven; zoals er geschreven staat: In uw hand leg ik mijn leven, HEER, trouwe God, u verlost mij (Ps. 31:6). Elke dag maakt de mens wonderen mee, zoals die geschiedden tijdens de Uittocht, elke dag ervaart hij verlossing, zoals zij die uit Egypte trokken, elke dag wordt hij gezoogd aan de borsten van zijn moeder, elke dag wordt hij gestraft voor zijn daden, zoals een kind door zijn onderwijzer.’15

4.6    HIJ ALLEEN WEET

Besef van het wonder is niet hetzelfde als het kennen van de wonderen die ons overkomen. Wonderen gebeuren zonder dat wij ze kunnen opmerken. De psalmist (136:3) verklaart:

Loof de oppermachtige Heer 

die wonderen doet, hij alleen. 


En de rabbijnen merkten op: ‘Is er iets wat Hij doet met hulp van een ander? Wat betekent het woord alleen? Hij alleen weet welke wonderen Hij doet… Zoals er geschreven is:

Veel wonderen hebt u verricht, 

veel goeds voor ons besloten, 

HEER, mijn God. 

Niemand is te vergelijken met u! 

Wil ik erover spreken, ervan verhalen, 

het is te veel om op te sommen.           Ps. 40:6 

Ik ben niet gerechtigd Uw lof te vermelden; ik ben onwaardig Uw wonderen te verhalen.’16

Het geloof in ‘de verborgen wonderdaden is de grondslag van de hele thora. Een mens heeft geen deel aan de thora, tenzij hij gelooft dat alle dingen en alle gebeurtenissen zowel in het leven van de enkeling als in het leven van de gemeenschap wonderdaden zijn. Er bestaat niet zoiets als de natuurlijke loop der dingen…’17

Het gevoel voor het wonder en het bovenzintuiglijke moet niet ‘een kussen voor het luie intellect’ worden. Het moet niet in de plaats komen van analyse als die mogelijk is; het moet de twijfel niet tot zwijgen brengen waar die gewettigd is. Het moet echter een voortdurend besef blijven wanneer de mens trouw wil blijven aan de waardigheid van Gods schepping, omdat een dergelijk besef de bron is van al het scheppende denken.

Een dergelijk besef was de bron van Kants fundamentele inzicht. ‘Twee dingen vervullen de geest met altijd nieuwe bewondering en eerbied, hoe vaker en hoe bestendiger we ze overpeinzen: de met sterren bezaaide hemel boven ons en de zedelijke wet in ons… Het eerste schouwspel van een ontelbare menigte van werelden vernietigt als het ware mijn betekenis als een lichamelijk schepsel, dat, na korte tijd voorzien te zijn geweest van levenskracht – hoe weten we niet -, de stof waar het uit gemaakt was terug moet geven aan de planeet die het bewoont (slechts een stip in het heelal). Daarentegen verhoogt het tweede oneindig mijn waarde als denkend wezen door mijn persoonlijkheid, waarin de zedelijke wet mij een leven openbaart dat onafhankelijk is van de lichamelijkheid en zelfs van de hele waarneembare wereld – tenminste voor zover kan worden opgemaakt uit de aan mijn bestaan door deze wet toegeschreven bestemming, een bestemming niet beperkt tot de omstandigheden en beperkingen van dit leven maar reikende tot in het oneindige.’18

4.7    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 4

1          Charles S. Peirce, Collected Papers (Cambridge, Mass. 1935) dl V, p. 65.

2          J. Arthur Thomson, The system oj Inanimate Nature, p. 650.

3          A. N. Whitehead, Adventures of Ideas (New York 1933) p. 185.

4          Theaetetus, 15 5d .

5          Metaphysica, 12, 982b, 12.

6          ‘De bijzondere wijsgerige gezindheid bestaat voornamelijk hierin dat een mens in staat is om zich te verwonderen in een mate die de gewone en dagelijkse verwondering overtreft… hoe lager een mens in verstandelijk opzicht staat, hoe minder het bestaan zelf een probleem voor hem is; elk ding, hoe het is en dat het is, lijkt hem nogal vanzelfsprekend.’ Schopenhauer, Supplements to the World as Will and Idea, hfdst. XVII.

‘Het gevoel van verwondering is de bron en de onuitputtelijke oorsprong van het verlangen naar kennis (van het kind). Het drijft het kind onweerstaanbaar aan om het geheimenis op te lossen en als het bij zijn pogingen een oorzakelijk verband tegenkomt, zal het niet moe worden om hetzelfde experiment tien keer, honderd keer te herhalen om de sensatie van de ontdekking telkens opnieuw te ondergaan… De reden dat de volwassene zich niet langer verwondert, is niet dat hij het raadsel van het leven heeft opgelost maar dat hij gewend is geraakt aan de wetten die zijn wereldbeeld bepalen. Maar ‘waarom deze bijzondere wetten en geen andere gelden, blijft voor hem even verbazingwekkend en onverklaarbaar als voor het kind. Hij die deze stand van zaken niet begrijpt, miskent zijn diepe betekenis en hij die het stadium bereikt heeft dat hij zich over niets meer verbaast, toont alleen dat hij de kunst van bespiegelend redeneren verloren heeft.’ Max Planck, Scientific Autobiography (New York 1949) pp.91-93.

7          Mechanica, 847a, 11.

B          Zie Man is Not Alone, pp. 11, 13 e.v.

9          God is Hij ‘Die de regen zendt  die op aarde valt, hij laat het water over de akkers vloeien. 

Onaanzienlijken brengt hij tot aanzien, treurenden geeft hij weer vertrouwen. 

Hij doorkruist de listen van de sluwen, wat zij ondernemen zal mislukken. 

De wijzen overtroeft hij in hun wijsheid, verraderlijke plannen lopen op niets uit. 

Overdag stuiten ze op duisternis, ze tasten in de middag rond alsof het nacht is. 

Maar de armen redt hij van de gesel van hun tong, hij redt hen uit de greep van de sterken. 

Er is hoop voor de weerlozen – het kwaad wordt de mond gesnoerd.’                 (Job 5:10-16). 

HEER, u bent mijn God. 

Ik zal u hulde bewijzen, uw naam loven. 

Want wonderbaarlijk zijn uw daden, u hebt uw beleid sinds mensenheugenis trouw en betrouwbaar uitgevoerd. 

Hun stad hebt u tot een bouwval gemaakt, hun versterkte vesting tot een ruïne; het bolwerk van barbaren is geen stad meer. 

Nooit zullen ze herbouwd worden. 

Daarom zal het gewelddadige volk u eren, de stad van wrede volken ontzag voor u tonen. 

U was een toevlucht voor de zwakken, een toevlucht voor de armen in hun nood (Jes. 25:1-4). 

Zie Ps. 107:8, 15,21,31, 24;Jes. 40:26.

10        Ex. 3:20; 34:10;Joz. 3:5; Jer. 21:2; Micha 7:15; Ps. 72:18; 86:10; 98: 1; 106:22; 136:4; Job 9:10.

11        Hij laat het rollen langs de hele hemel, zijn schichten lichten tot het einde van de aarde. 

Dan horen we zijn donder bulderen, zo is het geluid van zijn majesteitelijke stem, en doet hij eenmaal van zich spreken, dan laat hij steeds meer bliksems volgen. 

God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen, hij doet grote dingen die wij niet bevatten. 

Hij beveelt de sneeuw: “Val op de aarde,” hij zegt de regenvloed: “Stort neer met al je kracht.” 

Hij doet de hand van de mens verstarren, opdat ieder weet wat God vermag. 

De wilde dieren gaan naar hun holen, ze blijven in hun leger. 

Uit zijn kamers komt de storm te voorschijn, de noordelijke winden voeren koude aan. 

Uit Gods adem vormt zich ijs en de uitgestrektheid van de zee bevriest. 

Donkere wolken maakt hij zwaar van vocht, lichtend strekt het wolkendek zich uit. 

Flitsen schieten heen en weer zoals hij het wil, om zijn bevelen uit te voeren, waar de mens ook leeft. 

Of het nu is om de aarde te straffen of ten teken van liefde – hij laat het gebeuren.                  (Job 37:3-13).

12        ‘Hebt u mij niet als melk uitgegoten en als kaas doen stremmen? 

Met vlees en huid ben ik door u bekleed, met botten en pezen hebt u mij samengeweven. 

U schonk mij het leven en de liefde, uw zorg heeft mij bewaard. 

Maar dit houdt u in uw hart verborgen, ik weet wat u met mij voorhebt’                        (Job 10:10-13).

13        Mechilta op Ex. 15:11.

14        Rabbi Samuel bar Nahmani zegt: ‘Het verdienen van zijn brood is zelfs een groter wonder dan de verlossing, want de verlossing geschiedt door een engel en het brood verdienen wordt mogelijk gemaakt door de Heilige, Hij zij geprezen. Met betrekking tot het eerste lezen wij: “De engel, die mij bevrijd heeft van alle onheil” (Gen. 48:16), terwijl we met betrekking tot het tweede lezen: “Gul is uw hand geopend, u vervult het verlangen van alles wat leeft”. (Ps. 145: 16).’ Rabbi Joshua ben Levi zegt: ‘Het verdienen van brood is een groter wonder dan de splijting van de Rode Zee.’ Genesis Rabba, hfdst. 20, 22. Zie Pesahim 118a.

15        Seder Eliyahu Rabba, hfdst. 2, ed. Friedmann, p. 8 (in Nahum N. Glatzer, In Time and Eternity, p. 22 e. v.): ‘Zoals de Heilige, Hij zij geprezen vele wonderdaden heeft verricht om Israël uit Egypte te bevrijden, zo doet Hij met een stuk brood dat een mens in zijn mond steekt.’ Pesikta Rabbati, ed. M. Friedmann, hfdst. 33, p. 152a. ‘Groter is het wonder dat zich voltrekt wanneer een zieke mens ontkomt aan een gevaarlijke ziekte dan wat gebeurde toen Hananja, Misaël en Azarja ontsnapten uit de vurige oven. Want Hananja, Misaël en Azarja ontkwamen aan een door mensenhand ontstoken vuur, dat iedereen kan blussen, terwijl een zieke mens ontkomt aan een hemels vuur en wie kan dat blussen?’ Nedarim, 41a.

16        Midrash Tehillim, 136,4. ‘Wonderen gebeuren aldoor. Maar omdat ze tot ons komen niet omdat we verdienen gered te worden, maar dank zij Zijn grote barmhartigheid en genade, blijven ze onopgemerkt. Alleen een geslacht dat Hem van ganser harte dient, is waardig om de wonderen die het overkomen, te kennen.’ Rabbi Eliezer van Tarnegrod, Amaroth Tehorot (Warschau 1838), op Ps. 136:4.

17        Nahmanides, Commentaar op Ex. 13: 16.

18        Kant, Critique of Practical Reason, vertaald door Abbott (Londen 1889) p.260.

5- Het gevoel voor het mysterie 

1    VER WEG EN DIEP

In het boek Prediker lezen wij het verhaal van een man die wijsheid zocht, die op zoek was naar inzicht in de wereld en zijn betekenis. Ik zei tegen mezelf: Laat ik wijsheid zoeken (7:23) en: Ik zocht met heel mijn hart naar wijsheid. Alles wat de mens op aarde onderneemt, wilde ik doorgronden. (8: 16). Slaagde hij daarin? Hij zegt: Ik heb meer en groter wijsheid verworven dan iedereen die voor mij in Jeruzalem heeft geregeerd. (1:16). Maar uiteindelijk besefte hij dat bij alles wat God doet onder de zon, hij doet wat hij doet. De mens is niet in staat de zin ervan te vinden. Hij tobt zich af en zoekt ernaar, maar hij vindt hem niet, en al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin ervan te vinden (8:17).

Ik zei tegen mezelf: Laat ik wijsheid zoeken, maar ze bleef ver weg. Ver is alles wat er is geweest, dieper nog dan diep. Wie zal ooit inzicht vinden? (7:23-24). Prediker zegt niet alleen dat de wijzen der wereld niet wijs genoeg zijn, hij stelt het drastischer. Wat bestaat is meer dan wat men ziet; het is ver weg en onpeilbaar. Het zijn is mysterieus.

Dit is een van de voornaamste inzichten van Prediker: Ik heb gezien dat het een kwelling is, die hem door God wordt opgelegd. God heeft alles wat er is de goede plaats in de tijd gegeven, en ook heeft hij de mens inzicht in de tijd gegeven. Toch kan de mens het werk van God niet van begin tot eind doorgronden. (3:10-11).1

Wijsheid ligt buiten ons bereik. We zijn niet in staat inzicht te krijgen in de uiteindelijke betekenis en bedoeling van de dingen. De mens kent de gedachten van zijn eigen geest niet en hij is evenmin in staat om de betekenis van zijn eigen dromen te begrijpen. (Daniël antwoordde de koning: ‘Wijzen, bezweerders, magiërs noch toekomstvoorspellers kunnen het mysterie dat de koning wil begrijpen aan hem onthullen’.)

2    IN ONTZAG EN VERBAZING

In ontzag en verbazing staan de profeten voor het mysterie van het heelal:
 

Wie heeft de wateren met holle hand omvat, 

de hemel gemeten met een ellenmaat? 

Wie heeft het stof van de aarde met een maatlepel afgepast? 

Wie heeft de bergen gewogen op een weegschaal, 

de heuvels met balans en gewichten?                            Jes. 40: 12 

Een nog dieper gevoel van nederigheid komt tot uitdrukking in de woorden van Agur:

Ik ben dommer dan ieder ander, 

elk menselijk inzicht ontbreekt mij. 

Ik heb geen wijsheid opgedaan, 

van de Heilige weet ik niets. 

Wie is naar de hemel geklommen en weer afgedaald? 

Wie heeft de wind met zijn handen gevangen? 

Wie heeft het water in zijn mantel gebonden? 

Wie heeft de grenzen van de aarde bepaald? 

Noem mij zijn naam, en de naam van zijn zoon, 

als je die kent.                         Spr. 30:2-4 

3    WIJSHEID – WAAR MOET JE HAAR ZOEKEN?

Wijsbegeerte is de liefde tot en het speuren naar de wijsheid. Het verwerven van wijsheid is een van de hoogste verlangens.
 

Maar de wijsheid – waar moet je haar zoeken, 

en het inzicht – waar is het te vinden? 

Geen sterveling kent de weg erheen, 

de wijsheid is niet in het land der levenden. 

De oervloed zegt: ‘Ze is niet bij mij,’ 

de diepste zee: ‘Bij mij evenmin.’ 

Maar van waar stamt de wijsheid dan, 

en het inzicht – waar is het te vinden? 

De wijsheid is verborgen voor de blik der levenden, 

ook aan de vogels in de lucht laat ze zich niet zien. 

De afgrond en de dood, ze zeggen beide: 

‘Onze oren kennen haar slechts bij geruchte.’                           ( Job 28:12-14, 20-22)

Wat hebben Job, Agur en Prediker ontdekt op hun speurtocht? Ze hebben ontdekt dat het bestaan van de wereld een mysterieus feit is. Ze verwijzen niet naar wonderen of alarmerende verschijnselen, maar naar de natuurlijke orde der dingen. Ze verklaren met nadruk dat de wereld van het bekende een onbekende wereld is, verborgenheid, mysterie. Wat hun zielen in beweging bracht, was niet het verborgene of het kennelijke, maar het verborgene in het kennelijke; niet de orde, maar het mysterie van de orde die heerst in het heelal.

We leven op de grens van de werkelijkheid en weten nauwelijks hoe de kern te bereiken. Wat is onze wijsheid? Van de dingen waar wij rekening mee houden, kunnen we geen rekenschap afleggen. Wij onderzoeken manieren van zijn, maar we weten niet wat, waarom of waartoe zijn is. Noch de wereld, noch ons denken over, of onze bezorgdheid voor, de wereld zijn verklaarbaar. Ervaringen, gedachten worden ons opgedrongen, zonder dat wij weten waar ze vandaan komen. Elke ervaring is verankerd in mysterie; elke nieuwe gedachte is een teken dat we niet helemaal kunnen identificeren. We zullen wel veel raadsels kunnen oplossen, maar de geest zelf blijft een sfinx. Het geheim is in de kern van het klaarblijkelijke; het bekende is slechts het voor de hand liggende aspect van het onbekende. Geen feit in de wereld staat los van de universele samenhang. Niets is hier definitief. Het mysterie is niet alleen boven ons en ver van ons vandaan. We zijn erin betrokken. Het is onze bestemming en ‘het lot van de wereld hangt af van het mysterie’.2

4    TWEE SOORTEN ONWETENDHEID

Er zijn twee soorten onwetendheid. De ene is ‘bot, ongevoelig en onvruchtbaar’, het gevolg van traagheid; de andere is levendig, doordringend, schitterend; de ene leidt tot verwaandheid en zelfvoldaanheid, de andere leidt tot bescheidenheid. Aan de ene proberen we te ontsnappen; in de andere vindt de geest rust.

Hoe dieper we bij ons onderzoek graven, hoe duidelijker wij gaan inzien dat wij niet kennen. Wat weten we werkelijk over leven en dood, over de ziel of de gemeenschap, over de geschiedenis of de natuur?
‘In toenemende mate zijn we ons pijnlijk bewust geworden van onze grondeloze onwetendheid. Vijftig jaar geleden kon geen wetenschapper hebben beseft dat hij zo onwetend was als alle huidige toonaangevende wetenschappers zich nu beschouwen.’3 ‘Kunnen we niet inzien dat nauwkeurige wetten, net als alle andere uitersten en totalen, even ongeloofwaardig zijn als de pot met goud aan de voet van de regenboog?’4 Maar zeg niet: Wij hebben de wijsheid in hem gevonden (Job 32:13).5 ‘Zij die erop uitgaan om wijsheid na te jagen, wandelen slechts in een cirkel en keren na al hun inspanning terug tot hun vroegere onwetendheid.’6 ‘Geen verlichting,’ zegt Joseph Conrad in The Arrow of Gold, ‘kan alle mysterie uit de wereld wegvagen. Als de duisternis vertrokken is, blijven de schaduwen achter.’

5    WIJ VOORVOELEN MAAR KUNNEN NIET BEVATTEN

Het mysterie is een ontologische categorie. Waar het voor staat wordt aan de meeste mensen het beste duidelijk door de ervaring van uitzonderlijke gebeurtenissen. Het is evenwel een dimensie van alle bestaan, die men overal en op elk ogenblik kan tegenkomen [als een numineuze ervaring]. Als we de term mysterie gebruiken, bedoelen we niet een of ander esoterisch kenmerk dat voor de ingewijden onthuld zou kunnen worden, maar het wezenlijke mysterie van zijn als zijn, de aard van zijn als Gods schepping uit het niets en daarom iets wat het menselijke begripsvermogen te boven gaat. We komen het niet alleen tegen op het hoogtepunt van het denken of bij het beschouwen van vreemde, buitengewone feiten, maar in het opzienbarende feit dat er feiten zijn: het zijn, het heelal, het ontvouwen van de tijd. We kunnen het keer op keer tegenkomen, in een zandkorrel, in een atoom, even goed als in de ruimte van de sterren. Alles bevat het grote geheim. Want het is de onontkoombare toestand van al het zijnde dat het een relatie heeft met het oneindige mysterie. We kunnen doorgaan met het veronachtzamen van het mysterie, maar we kunnen het niet ontkennen of ontlopen. De wereld is iets wat wij zien maar niet kunnen doorzien.

Het is tekenend dat het Hebreeuwse woord ‘olam, dat in de na-bijbelse tijd ‘wereld’ ging betekenen, volgens sommige geleerden is afgeleid van de wortel ‘alam wat verbergen, geheimhouden betekent.7 De wereld zelf is verborgenheid; zijn wezen is een mysterie.

Een dergelijk besef bleef een onderdeel van het religieuze bewustzijn van de jood. Het kwam op vele manieren tot uitdrukking. De volgende passage is een treffende formulering.

6    ‘VERBORGEN ZIJN DE DINGEN DIE WE ZIEN’

“(Een psalm) van de Korachieten; op ‘Alamot. Een lied (Ps. 46:1). Dit is bedoeld met het vers: Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen, ontelbaar zijn de wonderen die hij verricht (Job 9: 10). Het gaat de kracht van de mens te boven om de wonderen van de Heilige, Hij zij geprezen, te verhalen. Er is gezegd: Hij, die grote wonderen doet, Hij alleen (Ps. 136:4). Wat is de betekenis van het woord ‘alleen’? Hij alleen weet wat Hij voor je doet. Het is in deze zin dat de Korachieten een lied aanhieven op ‘Alamot: verborgen zijn de dingen, die we zien; wij weten niet wat wij zien (‘alam betekent, zoals boven gezegd, verbergen, geheimhouden).8

Ontoegankelijk zijn voor ons de inzichten in de aard van de uiteindelijke werkelijkheid. Zelfs wat geopenbaard is, is onvolledig en gesluierd. Van Mozes, de grootste der profeten, wordt ons verteld dat God hem gesteld heeft over alle ‘vijftig poorten van de wijsheid op één na’.9 Hij was niet volmaakt of alwetend. Er waren dingen die hij moeilijk kon begrijpen;10 en er waren problemen met de goddelijke wet die hij niet kon oplossen.11 En hoewel hij ten hemel opsteeg en de thora ontving zonder tussenpersoon, bleef het mysterie van God ondoorgrondelijk voor hem.12

Volgens de legende had God aan Mozes de schatten onthuld van de thora, van wijsheid en kennis en de toekomst van de hele wereld.13 En toch waren er aanduidingen in de thora die niet aan Mozes verklaard waren. Deze aanduidingen zijn besloten in ‘de kronen’ of de drie haaltjes, geschreven boven zeven letters van het Hebreeuwse alfabet, telkens wanneer ze in de thora voorkomen.14 Over deze toespelingen, die niet door letters of door woorden worden uitgedrukt, is er gezegd: ‘dingen niet geopenbaard aan Mozes, waren bekend aan rabbi Akiba’ (die omstreeks het jaar 132 de marteldood stierf).15

De thora, zo wordt ons gezegd, is zowel verborgen als geopenbaard,16 en dit geldt voor alle werkelijkheid. Alle dingen zijn zowel bekend als onbekend, duidelijk en raadselachtig, doorzichtig en ondoordringbaar. Verborgen zijn de dingen die we zien; wij weten niet wat we zien. De wereld is zowel open als verborgen, een feit en een mysterie. Wij weten en wij weten niet – dit is onze toestand.

Zonderling zijn de woorden die het slot van de Pentateuch vormen. Na ons omstandig te hebben verteld waar Mozes begraven werd:

En de heer begroef hem in een valei in  Moab, tegenover Beth-Peor,
besluit de thora:

Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is.

De thora, zeiden de rabbijnen, leert ons de weg van het geloof. Hoewel wij de plaats van Mozes’ graf kennen en alle gegevens over haar aardrijkskundige ligging, moeten we beseffen dat we niets weten over de eigenlijke plaats.17 

7    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 5

1    Het moeilijke woord hier is ha‘olam, dat door de Septuagint vertaald wordt met ‘eeuwigheid’, door de Vulgaat met ‘wereld’ en door anderen met ‘kennis’ (op grond van het verwante Arabische woord).

In overeenstemming met rabbijnse bronnen (Kohelet Rabba 3, 15; Tanhuma, Kedoshim, 8; Midrash Tehillim, 9, 1) verklaart Rashi het als ‘verborgenheid’ of mysterie.

2     Zohar, dl iii, p. 128a.

3     Abraham Flexner, Universities (New York 1930) p. 17.

4     Gilbert N. Lewis, The Anatomy of Science (New Haven 1926) p. 154.

5    ‘God alleen is wijs’ volgens Socrates, en de mens die beweerde werkelijk wijsheid te bezitten, maakte zich schuldig aan verwaandheid, zoal niet aan godslastering. Hij noemde zich een minnaar van de wijsheid. Apologie, 20 e.v.

6.     Oliver Goldsmith, The Citizen of the World, 37.

7      De etymologie wordt door hedendaagse geleerden meestal in twijfel getrokken. Vergelijk de verwijzing in Brown-Driver-Briggs, A Hebrew and English Lexicon of the Old Testament (Oxford 1906) p. 761.

8 Midrash Tehillim. 46, 1; Yalkut Shimoni, II, 751. Het is tekenend dat Midrash Tehillim, 45, 4 de idee van het stille gebed – In mijn hart wellen de juiste woorden op (Ps. 45:2; zie Or Zarua, p. 112) – van de zonen van Korach die, toen de aarde haar mond opende om Korach en zijn bende op te slokken, in stilte berouw kregen en niet omkwamen (Num. 26:11). Later ontvingen ze de gave der profetie en dichtten psalmen. Volgens één legende betraden ze in levenden lijve het paradijs. Zie Louis Ginsberg, Legends of the Jews, dl VI, p. 104. Vergelijk ook Genesis Rabba, 12, 1.

9     Rosh Hashanah, 21 b.

10.     Mechilta op Ex. 12:2; Yalkut Shimoni, I, 764.

11     Sifre Num., p. 68.

12     Midrash Tehillim op 106:2.

13     Yalkut Shimoni, I, 173.

14     Yalkut Reubeni op Exodus 19:2.

15     Num. Rabba, 19,5.

16     Zohar, dl iii, p. 159a. Vergelijk de opmerking op Let there be light in dl i, 140a.

17     Zie Pred. Rabba op 12:9.

inspiratie

6- Het mysterie is niet opgelost 

6.1    GOD VERTOEFT IN ‘DONKERE WOLKEN’

Het geheim van God blijft altijd voor de mens verzegeld. Mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven. Zelfs de serafs bedekken in de aanwezigheid van God hun gezichten met hun vleugels (Jesaja 6:2). Salomo, die de grote tempel in Jeruzalem bouwde, wist dat de Heer, die de zon in de hemel plaatste, besloten had ‘in een donkere wolk te willen wonen’ (‘arafel) (1 Koningen 8:12).1

Hij maakte van het donker zijn schuilplaats (Psalm 18:12). ‘Zie hoe groot God is, buiten elk begrip’ (Job 36:26). ‘God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen, hij doet grote dingen die wij niet bevatten.’ (Job 37:5). Niet alleen zijn wezen; zijn wegen zijn diep, geheimzinnig, ondoorgrondelijk. Zijn gerechtigheid, ‘als de machtige bergen’, gaat ons begrip te boven en zijn rechtvaardigheid is een wijde oceaan (Ps. 36:7). Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de HEER. Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn plannen jullie plannen (Jesaja 55:8-9).

De geheimen van de natuur en de geschiedenis daagden de bijbelse mens uit en doen hem vaak opschrikken. Maar hij wist dat hij niet in staat was om ze te doorgronden. Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe (Deuteronomium 29:28). God is in de hemel en jij bent op aarde, dus moet je spaarzaam met je woorden zijn (Prediker 5:1).

We hebben niet meer dan een besef van de aanwezigheid van het mysterie, maar het is een aanwezigheid die de geest nooit kan doorgronden. Deze houding staat in tegenstelling tot Hegels beschrijving van de overgang van de Egyptische naar de Griekse godsdienst. ‘Het raadsel is opgelost; de Egyptische sfinx is volgens een zeer diepzinnige en bewonderenswaardige mythe door een Griek verslagen en zo werd het raadsel opgelost.’2

Voor de joodse geest blijven de ultieme raadsels ondoorgrondelijk. Eer aan God, omdat hij dingen verbergt (Spreuken 25:2). Het is een koninklijk voorrecht van de mens om de wereld van tijd en ruimte te onderzoeken, maar het is een onmogelijke opdracht om te onderzoeken wat zich buiten de wereld van tijd en ruimte bevindt. ‘Voor hem die zijn geest richt op vier dingen, ware het beter geweest als hij niet op de wereld gekomen zou zijn: wat is boven? wat is beneden? wat was vroeger? en wat zal hierna zijn?’3 ‘Zoek niet wat te wonderlijk voor je is en speur niet naar wat voor jou verborgen is. Peins over wat je is toegestaan. Laat je niet in met geheimen.’4 Occultisme is aanmatiging. Magie, waarzeggerij en dodenbezwering zijn door de goddelijke wet verboden. Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe en alleen van hem moet de kennis en het antwoord komen.

Er zijn mensen geweest die, zoals de schrijver van de middeleeuwse Lofprijzing, beleden: ‘Mijn ziel verlangde in Uw schuilplaats al Uw mysterie te kennen.’ Toch zegt de psalmist: ‘Ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht. Als een kind op de arm van zijn moeder. HEER, niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik, ik zoek niet wat te groot is voor mij en te hoog gegrepen (Ps. 131:1-2).

Met vrees en beven moeten de priesters en de Levieten ‘de allerheiligste dingen naderen’. Aäron en zijn zonen komen bij hen en wijzen ieder van hen toe wat hij moet dragen. Zelf mogen ze het heilige niet binnengaan, want als ze er ook maar een glimp van zouden opvangen, zouden ze sterven. (Numeri 4:19-20).5

6.2    EEN BROOD

Wij hebben hierboven gezegd dat de wortel van de verering ligt in het gevoel voor de ‘wonderen die dagelijks bij ons zijn’. Er is geen verering of ritueel zonder een gevoel voor het mysterieuze. Want aanbidding en ritueel sluiten het vermogen in om ons tot God te richten – een gegeven dat niet in enig systeem van zuiver naturalisme kan worden geïntegreerd – en zijn slechts zinvol als een mysterie waarvan wij overtuigd zijn, zonder dat wij het kunnen analyseren of onderzoeken. Wat meer is: alle verering en ritueel zijn in wezen pogingen om onze ongevoeligheid voor het mysterie van ons eigen bestaan en van onze eigen bezigheden weg te nemen.

Neem nou een brood. Het komt voort uit het klimaat, de grond, en het werk van de boer, de koopman en de bakker. Als het onze bedoeling zou zijn om de krachten te prijzen die hebben samengewerkt bij de broodproductie, dan zouden we de loftrompet moeten steken over de zon en de regen, de grond en het menselijke verstand. Toch prijzen we deze niet alvorens het brood te breken. Wij zeggen: Gezegend Jij, o Heer onze God, koning van het heelal, die het brood voortbrengt uit de aarde. Zou het op grond van de gang van zaken niet juister zijn om de boer, de koopman en de bakker de eer te geven? In onze ogen zijn zij het die het brood voortbrengen.

Zoals we aan het mysterie van de plantengroei voorbijgaan, slaan we het wonder van de landbouw over. We zegenen Hem die zowel de natuur als de beschaving mogelijk maakt. Het is niet van belang om telkens stil te staan bij wat brood feitelijk is, te weten ‘een voedingsmiddel vervaardigd van meel en graan gemengd met water waar meestal gist aan wordt toegevoegd om het te laten rijzen, waarna het mengsel wordt gekneed en gebakken tot broden’. Het is van belang om telkens stil te staan bij wat brood uiteindelijk is.

Sterk en duurzaam zijn de wetten van de natuur. En toch wordt ons gezegd dat een boer die zaad zaait om het te laten groeien, dit moet doen in godsvertrouwen, niet in geloof in de natuur.6 Want dit is het wezen van het geloof: zelfs wat de gewoonste zaak van de wereld lijkt te zijn, is een daad van God.7

Joodse wetgetrouwheid is een duurzame herinnering, een krachtig beroep om te letten op Hem die de natuur te boven gaat, zelfs als we met de natuur bezig zijn. Het besef van het mysterie, dat niet vaak onder woorden wordt gebracht, is altijd aanwezig. Een klassiek voorbeeld van dat besef is de houding tegenover de Onuitsprekelijke naam.

6.3    DE ONUITSPREKELIJKE NAAM

De ware naam van God is een mysterie. In de talmoed wordt gezegd: “En God zei tot Mozes… Dit is Mijn naam voor eeuwig (Ex. 3:15). Het Hebreeuwse woord ‘voor eeuwig’ (leolam) is hier zó geschreven dat het gelezen kan worden lealem, wat betekend ‘verbergen’. De naam van God moet verborgen blijven.”8

Door de eeuwen heen zijn de joden teruggedeinsd voor het uitspreken en – tot op zekere hoogte – het voluit schrijven van de vierletterige heilige naam van God (het Tetragrammaton).9 Behalve in de bijbel wordt de naam gewoonlijk niet voluit geschreven. Zelfs wanneer het stuk uit de Pentateuch in de eredienst wordt gelezen, wordt de naam nooit uitgesproken zoals hij geschreven is. De echte naam is de onuitsprekelijke naam. Hij wordt door de joden weergegeven als Adonai (letterlijk ‘Mijn Heer’),10 door de Samaritanen als Hashem en door de vertalers van de bijbel in het Grieks met het woord ‘Heer’ (kyrios). Volgens Abba Saul behoort hij die de Onuitsprekelijke naam uitspreekt, tot hen die geen deelhebben in de komende wereld.11 ‘Niemand mag het mysterie van Jouw naam uitspreken.’12

Slechts één maal per jaar, op de Grote Verzoendag, werd de Onuitsprekelijke naam uitgesproken door de hogepriester in de tempel in Jeruzalem. En wanneer de naam uit zijn mond kwam, ‘in heiligheid en zuiverheid’, “bogen zij die bij hem stonden, zich in het stof en zij die veraf stonden zeiden: ‘Gezegend zij de naam… voor eeuwig en altijd’.” Tijdens de viering werd de naam tien maal uitgesproken en toch waren alle mensen de uitspraak vergeten, al voordat ze de tempel verlaten hadden.13 Volgens een middeleeuwse bron ontsnapte de naam zelfs aan de hogepriester, zodra hij de tempel verliet.14

Tot op de dag van vandaag sluiten de priesters hun ogen wanneer ze de zegen uitspreken, omdat zij toen de Tempel bestond de Onuitsprekelijke naam plachten uit te spreken… en de Shechinah op hun ogen placht te rusten. Ter herinnering daaraan sluiten zij hun ogen.15

De Tien Woorden bevatten geen enkel gebod om God te aanbidden. Zij zeggen ons ‘Toon eerbied voor uw vader en uw moeder’, ze zeggen ons niet ‘eer uw God, aanbid Hem, breng Hem offers’. De enige verwijzing naar aanbidding is indirect en negatief: Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet.

Het gevoel voor het onuitsprekelijke, het besef van de grootsheid en het mysterie van het leven, hebben alle mensen gemeen, en in de diepte van een dergelijk besef zijn godsdienstige daden en gedachten vol betekenis. De voorstellingen van de godsdienst zijn een antwoord waar het mysterie een probleem is. Als je het bekijkt vanuit een oogpunt van nut, als hun betekenis letterlijk wordt opgevat als oplossingen voor wetenschappelijke problemen, dan zijn ze gedoemd tot zinloosheid. Daarom hebben de fundamentele voorstellingen in het jodendom meer dan één dimensie; ze verwijzen naar een mysterie en ze raken verwrongen wanneer ze als feitelijke beschrijvingen worden opgevat. De voorstelling van de mens als een wezen, geschapen als gelijkenis van God, de voorstelling van de schepping, van het goddelijke kennen, de verkiezing van Israël, het probleem van het kwaad, messianisme, het geloof in de wederopstanding of geloof in openbaring worden karikaturen wanneer ze in de hokjes van  het alledaags denken worden ondergebracht.16

Toen Mozes op het punt stond om deze wereld te verlaten, zei hij: ‘Heer van het Heelal, ik vraag van Jou één gunst voor ik sterf, dat alle poorten van zowel de hemel als van de afgrond geopend worden en de mensen zullen zien dat er buiten Jou niemand is.’17 Mozes’ verzoek werd niet ingewilligd en de poorten bleven gesloten.

6.4    HET MYSTERIE IS NIET GOD

Is dit de betekenis van de menselijke situatie: vastgebonden te zijn op de brandstapel en te volharden? Job is niet opgedragen om de roede te kussen, om zich te onderwerpen aan het noodzakelijke. Hem is niet gezegd dat er geen gerechtigheid of wijsheid is, maar alleen de duisternis van het mysterie. Bij zijn speuren naar betekenis wordt hem gezegd:

God kent haar wegen 

en hij weet waar ze verblijft. 

Want hij ziet tot aan de randen van de aarde, 

onder heel de hemel ontsnapt niets aan zijn blik. 

Toen hij de kracht schiep van de winden 

en de wateren omgrensde, 

toen hij zijn wet oplegde aan de regen 

en de wegen van de donderwolken baande, 

zag hij de wijsheid en hij toetste haar, 

hij peilde en doorgrondde haar. 

En hij sprak tot de mens: 

‘Ontzag voor de Heer – dat is wijsheid; 

het kwaad mijden – dat is inzicht.’                               Job 28:23-28 

Gods macht is niet willekeurig. ‘De Almachtige – die wij niet kunnen navorsen is groot in macht, maar op recht en overvloedige rechtvaardigheid maakt Hij geen inbreuk.’ Wat voor ons mysterieus is, is van God uit gezien eeuwig betekenisvol. De natuur is onderworpen aan zijn doelbewuste wil en de mens aan wie een deel van zijn wijsheid werd geschonken, is geroepen tot verantwoordelijk leven en om deelgenoot van God te zijn in de verlossing van de wereld.

Van de uiterste verborgenheid van God zijn we ons voortdurend bewust. Toch is zijn mededogen, zijn leiding, zijn wil, zijn gebod geopenbaard aan de mens en door de mens te ervaren .

God is een mysterie, maar het mysterie is niet God.18 Hij onthult mysteries (Daniël 2:47). Hij onthult diepe, verborgen dingen, hij weet wat in duister is gehuld, en het licht woont bij hem. (Dan. 2:22). In de woorden van de liturgie van de Ontzagwekkende Dagen: ‘Jij kent eeuwige geheimenissen en de diepste geheimen van al wat leeft.’ De zekerheid dat er aan gene zijde van het mysterie een bedoeling is, is de reden voor uiteindelijke blijdschap.

De HEER is koning – laat de aarde juichen, 

laat vreugde heersen van kust tot kust. 

In wolk en duisternis is hij gehuld, 

zijn troon stoelt op recht en gerechtigheid.                               Ps. 97:1-2 

We vergoddelijken het mysterie niet; we vereren hem die in zijn wijsheid alle wonderen te boven gaat. Zoals reeds gezegd is het niet onze taak om de afsluitingen te verbreken, om de geheimen te doorgronden. Elke poging om de geheimen te peilen door middel van occulte kunsten, dodenbezwering of door zijn toevlucht te nemen tot orakels is bij de wet verboden.19

6.5    AAN GENE ZIJDE VAN HET MYSTERIE IS GENADE

Welke geheimen werden onthuld toen het grote ogenblik aanbrak en de stem van God hoorbaar werd bij de Sinaï? In apocalyptische visioenen worden ‘de schatten van de sterren’ getoond, bergen van goud, zeeën van glas, steden van jaspis. Leerde Israël bij de Sinaï iets over het mysterieuze van het heelal? Over de omstandigheden van overleden zielen? Over demonen, engelen, de hemel? De stem die zij hoorden zei: Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag… Toon eerbied voor uw vader en uw moeder…

Toen de Heer op Mozes’ verzoek verscheen om hem te zeggen wat hij was, zei hij toen: ik ben de al-wijze, de volmaakte en van oneindige schoonheid? Hij zei: Ik ben vol van genade en ontferming. Waar in de godsdienstgeschiedenis werd – voor de dagen van Mozes – het Opperwezen verheerlijkt omdat hij meeleefde met het lijden van de mens? Zijn niet de filosofen, zoals Nietzsche opmerkte, eenstemmig in hun geringschatting van het mededogen?

6.6    DRIE HOUDINGEN

Er zijn drie houdingen tegenover het mysterie: de fatalistische, de positieve en de bijbelse.

Voor de fatalist is het mysterie de hoogste macht, die de gehele werkelijkheid beheerst. Hij gelooft dat de wereld wordt beheerst door een redeloze, geheel onnaspeurlijke en blinde macht, die gespeend is van zowel gerechtigheid als van bestemming. De Maat van de Egyptenaar, Pta en Asha van de Indiërs en de Perzen en de Moira van de Grieken betekenen een macht die boven de goden is gesteld. De strenge besluiten van Moira worden zelfs door Zeus gevreesd. Vanuit het noodlot gezien is de geschiedenis een ondoordringbaar mysterie en verkeert de mens in duistere onzekerheid over de toekomst. Een tragische doem hangt over de wereld, waar goden en mensen gelijkelijk aan onderworpen zijn en de enige houding die men kan aannemen er een van berusting is. Het is een visie die in verschillende vormen en maten in bijna alle heidense godsdiensten wordt gevonden, in vele moderne geschiedenisfilosofieën (de geschiedenis als een kringloop van opkomst en verval) als ook in populair denken.

De positivist heeft een zakelijke oriëntering. Voor hem bestaat het mysterie niet; wat zo beschouwd wordt, is eenvoudig hetgeen we nog niet weten maar te zijner tijd zullen kunnen verklaren. De logisch-positivist houdt staande dat alle beweringen over de aard van de werkelijkheid of over een rijk van waarden dat de vertrouwde wereld overstijgt, zonder betekenis zijn en dat daartegenover alle betekenisvolle vragen in beginsel beantwoordbaar zijn.

Het besef van het mysterie was voor alle mensen in de oudheid gewoon. Een nieuw tijdperk begon toen aan de mens gezegd werd dat het mysterie niet het laatste is; dat niet een demonische, blinde macht de wereld regeert, maar een God van gerechtigheid. In de Griekse tragedie is de mens onveranderlijk het slachtoffer van de een of andere onzichtbare macht, die hem verdoemt tot een ramp. ‘Verschrikkelijk is de geheimzinnige macht van het lot.’ ‘Bid in het geheel niet, want er is voor stervelingen geen ontkomen aan een voorbestemde ramp.’20 In tegenstelling hiermee staat Abraham voor God, pleitend voor de redding van Sodom: ‘Zoiets kunt u toch niet doen, hen samen met de schuldigen laten omkomen! Dan zouden schuldigen en onschuldigen over één kam worden geschoren. Dat kunt u toch niet doen! Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’21

De theologie van het noodlot kent slechts een eenzijdige afhankelijkheid van de hoogste macht. Die macht heeft noch belangstelling voor de mens, noch behoefte aan hem. De geschiedenis gaat haar weg als een alleenspraak. Voor de joodse godsdienst echter wordt de geschiedenis bepaald door het verbond: God heeft de mens nodig.22 Het hoogste is niet een wet maar een rechter, niet een macht maar een vader.

6.7    GOD IS NIET EEUWIG STIL

De joodse houding tegenover het mysterie kan worden vergeleken met de volgende verklaring van Plotinus: ‘Als een mens aan de Natuur zou vragen: “Waarom breng je schepselen voort?” en ze zou bereid zijn om te luisteren en te antwoorden, dan zou zij zeggen: “Vraag me niet, maar begrijp stilzwijgend, zoals ik zwijg.”23

De jood zal dat antwoord niet aanvaarden. Hij zal doorgaan met bidden: Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig en kiest u partij voor wie kwaad doen? (Ps. 83:2). Waarom verbergt u uw gelaat, waarom vergeet u onze ellende, onze nood? (Ps. 44:25). God zwijgt niet aldoor en Israël wacht op Zijn woord. ‘Hij is onze God; Hij is onze Vader; Hij is onze Koning; Hij is onze Verlosser. Hij zal wederom in Zijn genade in de tegenwoordigheid van al wat leeft aan ons aankondigen… jullie God te zijn – ik ben de Heer jullie God.’24

Bovendien is het pijnlijkste onderwerp in het joodse denken niet: ‘Waarom breng Jij schepselen voort?’, maar meer: ‘Waar is Jouw genade?’ ‘Waar is Je ijver en Je macht? Het verlangen van Je hart en Je mededogen worden mij onthouden.’ ‘Schouw uit den hemel en zie uit uw heilige en luisterrijke woning.’25

Een talmoedische legende geeft twee problemen weer die de rabbijnen verbijsterden: de verkiezing van Israël en het lijden van Israël. Beide problemen werden door Mozes aan de orde gesteld en deden zich voor in het leven van rabbi Akiba. Het eerste probleem: waarom werd Mozes van alle mensen gekozen om het woord van God aan de wereld te brengen, hoewel een man als rabbi Akiba niet zijn mindere was in geestkracht?26 Het tweede probleem: waarom moest rabbi Akiba de marteldood sterven?

Toen Mozes opsteeg naar de hemel, vond hij de Heilige, Hij zij geprezen, bezig met het aanbrengen van kronen boven de letters van de thora (zie boven, p. 83 e.v.). Mozes zei: Heer der wereld, wie weerhoudt Je om in woorden te openbaren hetgeen slechts in de kronen mag worden aangeduid? Hij antwoordde: Aan het einde van vele generaties zal een man opstaan, genaamd Akiba ben Joseph, die naar aanleiding van elk tekentje zeer vele wetten zal uitleggen. Heer der wereld, zei Mozes, sta mij toe hem te zien. Keer je om en zie, antwoordde de Heer. Mozes ging en zat achter de achtste rij en daar kon hij de gedachtewisselingen tussen rabbi Akiba en zijn leerlingen volgen. Maar Mozes kon de discussies niet begrijpen en hij was zeer teleurgesteld. Maar toen hoorde hij de leerlingen in verband met een bepaald onderwerp aan hun meester vragen: Hoe weet je dat? En hij antwoordde: Dit is een wet die aan Mozes gegeven is op de Sinaï, en Mozes was getroost. Daarop keerde Mozes terug naar de Heilige, Hij zij geprezen en zei, Heer der wereld: Je beschikt over zo’n man en Je geeft de thora aan Israël door mij! Maar God antwoordde: Zwijg, want dit is Mijn besluit. Toen zei Mozes: Heer der wereld, Jij hebt me toegestaan zijn lessen bij te wonen, laat mij de beloning zien die voor hem is weggelegd. Keer je om en zie, zei de Heer en Mozes keerde zich om en zag hoe de Romeinen het vlees van de martelaar Akiba verkochten op de markt. Heer der wereld, riep Mozes, is dit de beloning voor dergelijk onderricht? En de Heer antwoordde: Zwijg, want dit is Mijn besluit.27

6.8    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 6

1          In de Septuagint wordt de paradox verduidelijkt door enkele toegevoegde woorden. Het vers luidt: ‘De zon plaatste Hij aan de hemel. De HERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen.’

2          HegeI, The Philosophy of Religion, dl ii, p. 122. Hegels omschrijving is nauwelijks deugdelijk. 

3          Mishnah Hagiga, 2, 2. 

4          Sirach 3:21 e.v. Zie Jerushalmi Hagigah 77c; Genesis Rabba 8, 2. ‘De grote mysteriën van de wereld zijn aan God alleen bekend.’ Maimonides in zijn brief aan rabbi Hisdai, in Kobets, ed. Lichtenberg, dl ii, p. 24d. De eerste woorden van de Heer die Mozes in zijn leven hoorde, waren: Mozes, Mozes, kom niet dichterbij. Mozes was dichterbij gekomen om het ‘wondere verschijnsel’ te zien van de brandende braamstruik, maar toen de stem zijn ziel bereikte, bedekte hij zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.(Ex. 3:3,5 e.v.). En de rabbijnen zeiden: als beloning voor ‘Toen verborg Mozes zijn gezicht’ en de HEER sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. (Exodus 33:11) en omdat hij beducht was om te kijken, lezen we: hij aanschouwt de gestalte van de Heer (Numeri 12:8). Maar ontvingen Nadab en Abihu, die hun hoofden ontblootten en zich verlustigden in de aanblik van de glans van de Shechinah, niet (de doodstraf) voor wat ze gedaan hadden? (Exodus Rabba, Ex. 3.1.)

5          De reden voor dit voorschrift is, omdat het Heilige der Heiligen de woonplaats is van ‘de heerlijkheid, die troont op de cherubs, de Levieten voorschriften krijgen opdat ze niet doordringen tot de Heer om te kijken. Ze moeten wachten tot de priesters de sluier brengen. Dan zal de heerlijkheid geopenbaard worden in de verhulling van zijn macht en naar zijn woonplaats terugkeren’. Nahmanides, Commentaar op Num. 4:20; zie rabbi Eliëzer van Mainz, Yereyim, 352. 

6          Shabbat, 31a, zie het commentaar in Tosafot, verwijzend naar Jes. 36:6.

7          Rabbi Isaac Meir Alter van Ger, geciteerd in Sefat Emet, dl iii, p. 81a. 

8          Kiddushin, 71 a. 

9          K. KohIer, in Jewish Encyclopaedia, dl I, pp. 202-203, s.v.. ‘Adonai’; W. Bacher, ibid., dl XI, pp. 262-264, s.v. ‘Shem Hameforash’; L. Blau, ibid. dl XII, p. 119-120, s.v. ‘Tetragrammaton’. De betekenis van het Hebreeuwse gelijkwaardige woord voor de Onuitsprekelijke naam, ‘Shem Hameforash’ (ook ‘Shem Hameyuhad’), is duister. Over ‘The Substitutes for the Tetragrammaton’, zie Jacob Z. Lauterbach, Proceedings of the American Academy for Jewish Research (1931) dl ii, pp. 39-67.

10        Een Babylonische Amora parafraseerde Ex. 3:14 als volgt: Ik word niet gelezen, zoals Ik geschreven word; Ik word geschreven als het Tetragrammaton en uitgesproken als’ Adonai’.

11        Mishnah Sanhedrin, X, 1.

12        In de Musaf-liturgie voor de Ontzagwekkende Dagen.

13        Jerushalmi Yoma iii, 7, 40d; Bab. Yoma 39b; Pred. Rabba 3, 15.

14        Otzar Hegeonim, Kiddushin, 71 a.

15        Sefer Hasidim, ed. Wistinetzki (Frankfurt a/M 1924) pp. 388, 1588. 

16        In Psalm 9:1 leest de grote Masorah al mut als één woord in de betekenis van ‘verborgenheid’; zie Rashi’s Commentaar. Midrash Tehillim schijnt het ook zo gelezen te hebben (zie S. Bubers opmerking ter plaatse) en somt dientengevolge ettelijke ‘verborgen’ thema’s op zoals de paradox dat de as van de rode koe de onreine reinigt en de reine verontreinigt; de beloning voor goede daden; het einde der dagen. Aldus had het eerste hoofdstuk van het boek Genesis niet de bedoeling ons in te lichten omtrent de wijze waarop het heelal tot stand kwam. De menselijke taal heeft geen woorden om dergelijke inlichtingen te verstrekken. ‘Aangezien het onmogelijk is om het mysterie van de schepping uit te drukken, verborg de Schrift het in de woorden In het begin schiep God den hemel en de aarde.’ Batei Midrashot, ed. Wertheimer (Jeruzalem 1950) dl I, p. 251; Maimonides, The Guide of the Perplexed, Inleiding; Nahmanides, Commentaar op Gen. 1:1. Over het mysterie van de goddelijke kennis zegt Maimonides: ‘Geen mond kan hierover iets zeggen, geen oor kan hiervan iets horen en geen mensenhart kan haar betekenis vatten.’ Mishneh Torah, Yesode Hatorah, 2, 10. Evenmin is ‘het einde der dagen’ iets wat een mens kan doorgronden. Zou een mens je vertellen wanneer de dag van de verlossing zal komen, antwoord hem dan: de Heer zegt: ‘het is in Mijn hart.’ ‘Als het hart het geheim niet geopenbaard heeft aan de mond, aan wie zou mijn mond het hebben kunnen openbaren?’ Pred. Rabba op 12:9; vergelijk Sanhedrin, 99a, en het commentaar van Maharsha. Zelfs voor de profeten bleef ‘de komende wereld’ een mysterie. ‘Niemand heeft het gehoord of vernomen, geen oog heeft het gezien.’ Het is ‘wijn bewaard in de druiven sedert de dagen der schepping’ (Berachot, 34b en Jes. 64:4).

17        Deut. Rabba, 11,8. Gewoonlijk is elke nieuwe perikoop in de Pentateuch van de vorige gescheiden door de ruimte van negen letters. De perikoop in het boek Genesis, waar de laatste dagen van Jakob in beschreven zijn, is echter ‘gesloten’; ze is van de voorgaande gescheiden door de ruimte van maar één letter. Als reden hiervoor wordt gegeven dat ‘Jakob het einde (wanneer de Messias zou komen) wenste te openbaren, maar het was voor hem verborgen (gesloten)’ (Gen. Rabba, 96, 1). Terwijl de zoons stonden rondom het gouden bed waarin Jakob lag, bezocht de Shechinah hem voor een ogenblik en vertrok even snel en met haar verdween elk spoor van de kennis van het grote mysterie uit de geest van Jakob. Deze wenste het einde aan zijn zoons te openbaren en zei tot hen: Kom allemaal hier, dan zal ik jullie vertellen hoe het je in de toekomst zal vergaan. (Gen. 49:1). God zei tot hem: Eer aan God, omdat hij dingen verbergt (Spreuken 25:2). Deze daden liggen niet op jouw weg. Bij een roddelaar is een geheim niet veilig, wie betrouwbaar is, hult zich in zwijgen.(Spr. 11:13). Genesis Rabba, hfdst. 96 (nieuwe bewerking).

De taal van de bijbel is bijzonder rijk aan woorden die het concept ‘verbergen’ of ‘verborgen zijn’ uitdrukken. Deze overvloed is vooral indrukwekkend in vergelijking tot de Griekse taal. De Griekse vertalers van de bijbel konden maar één woord vinden: krypto (behalve kalypto) om de talrijke Hebreeuwse synoniemen weer te geven. Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, dl iii, p. 967.

18        Want de HEER is een alwetende God (1 Samuël 2:3).

19        Zwijgen moeten de leugenaars, die hoogmoedig en vol verachting rechtvaardige mensen beschuldigen. (Ps. 31:19). Deze woorden werden door de rabbijnen als volgt uitgelegd: ‘Laat hen gebonden worden!  Laat hen stom gemaakt worden! Laat hen tot zwijgen gebracht worden! de leugenaars, die hoogmoedig  spreken tegen (de wil van) de Rechtvaardige, die het leven is van alle werelden, over aangelegenheden die Hij aan Zijn schepselen onthouden heeft, met trots, om snoevend te kunnen zeggen: Ik spreek over (het mysterie van) de schepping en hoon om te denken dat hij Mijn heerlijkheid minacht.’ Genesis Rabba 1, 5.

20        Sophocles, Antigone, 951 en 133 e.v.

21        Genesis 18:25.

22        Man is Not Alone, p. 241 e.v.

23        Plotinus, Enneaden, iii, 8.4.

24        De Musaf-liturgie voor sabbat.

25        Zie neer vanuit de hemel, kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning. Waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden? U bent niet meer met mij begaan, uw ontferming gaat aan mij voorbij. Jesaja 63:15; Waar is uw liefde van vroeger, Heer, hebt u David geen trouw gezworen? Psalm 89:50 en Yoma, 69b.

26        Vergelijk Maimonides, The Guide of the Perplexed, dl ii hfdst. 25. 

27        Menahot, 29b.

peel 35×50 cm collage 2015

 7- Ontzag

7.1    ALS DE GROTE AFGROND

Het ontzag en de bescheidenheid, gevoeld tegenover het mysterie en de grootsheid van de natuur en de geschiedenis, beïnvloedden het bijbelse begrijpen van de aard, het bereik en de waarde van menselijke kennis en wijsheid. Omdat alle werkelijkheid besloten ligt in de wil en gedachte van God, zal je, als je de wereld wilt begrijpen, moeten te proberen God te begrijpen. Maar wat is de manier om Hem te begrijpen?


Kun jij Gods wijsheid ten diepste doorvorsen, het wezen van de Ontzagwekkende geheel omvatten? 

Van de hemelse hoogten – vermag jij daar iets? – tot het diepst van het dodenrijk – reikt jouw kennis zo ver? Langer dan de aarde is zijn maat, hij is breder dan de zee.                         (Job 11:7-9)

Veel is er gezegd tot lof van de wijsheid en de wijze: De lessen van de wijze zijn een bron van leven (Spreuken 13:14). Wat de wijze zegt, brengt genezing (Spr. 12:18). Het voordeel van de wijsheid is dat ze de mens meer schaduw in het leven biedt (Prediker 7:12). Menselijke wijsheid is echter niet onze hoogste veiligheid.

De menselijke wijsheid is betrekkelijk, niet absoluut. Zij is door God geschonken en kan door hem worden weggenomen. Want het is de HEER die wijsheid schenkt (Spr. 2:6), maar ook die wijzen naar de achtergrond dringt en hun kennis bespottelijk maakt (Jesaja 44:25).

De levenswijsheid die de mens kan verwerven en die zo gewaardeerd en geprezen werd, wordt onwetendheid wanneer we tegenover het mysterie van de natuur en de geschiedenis worden geplaatst.

De boodschap die de bijbel brengt, is er niet een van wanhoop of agnosticisme. Job zegt niet eenvoudig ‘We weten het niet’, maar juist dat God het weet, dat ‘God de weg er heen kent’. Hij weet waar de wijsheid is. Dit nu is de bijzondere betekenis van mysterie in onze zin. Het is niet een synoniem voor het onbekende, maar eerder een naam voor een bedoeling die in relatie staat tot God.

7.2    HET BEGIN VAN WIJSHEID IS ONTZAG

De hoogste betekenis en de hoogste wijsheid worden niet gevonden in de wereld maar in God en de enige weg naar de wijsheid is, zoals hierboven gezegd, door onze relatie tot God. Die verhouding is ontzag. Ontzag in deze zin is meer dan een emotie; het is een manier van begrijpen. Ontzag is een vorm van inzicht in een betekenis die groter is dan onszelf.

Daarom wordt de vraag waar zal de wijsheid gevonden worden door de psalmist beantwoord: Het begin van wijsheid is ontzag voor de HEER.1 De bijbel predikt ontzag niet als een vorm van verstandelijke berusting en zegt niet: ontzag is het einde van de wijsheid. Het lijkt de bedoeling te zijn dat ontzag een weg is naar wijsheid. In Job komen we precies hetzelfde tegen: Ontzag voor de Heer – dat is wijsheid.2
Het begin van ontzag is verwondering, en het begin van wijsheid is ontzag.

7.3    DE BETEKENIS VAN ONTZAG
Ontzag is een wijze van verstandhouding met het geheim van alle werkelijkheid. Het ontzag dat wij voelen of zouden behoren te voelen in de aanwezigheid van een menselijk wezen, is een ogenblik van intuïtie voor de gelijkenis van God die in zijn wezen verborgen ligt. Niet alleen de mens, ook zielloze dingen hebben een relatie met de schepper. Het geheim van elk wezen is de goddelijke zorg en betrokkenheid die erin gelegd zijn. Bij elke gebeurtenis staat er iets heiligs op het spel.3

Ontzag is een intuïtie voor de waardigheid van al het geschapene en voor hun dierbaarheid voor God. Een besef dat dingen niet alleen zijn wat ze zijn, maar ook – hoe ver verwijderd ook – staan voor iets absoluuts. Ontzag is een gevoel voor het transcendente, het bovennatuurlijke voor de overal voorkomende verwijzing naar hem die alle dingen te boven gaat. Het is een inzicht dat beter in gedrag dan in woorden kan worden overgedragen. Hoe vuriger wij het willen uitdrukken, hoe minder er van overblijft.

De bedoeling van ontzag is om te beseffen dat het leven zich voltrekt onder wijde horizonten, blikvelden die verder reiken dan een individueel leven of zelfs dan het leven van een volk, een geslacht of tijdperk. Ontzag stelt ons in staat om in de wereld aanduidingen van het goddelijke waar te nemen, om in kleine dingen het begin van een oneindige betekenis te voelen, om het hoogste te voelen in het alledaagse en het eenvoudige. Om in het gedruis van alles wat voorbij gaat de stilte van het eeuwige te bespeuren.

Wanneer we een object analyseren of waarderen, denken en oordelen we vanuit een bepaald gezichtspunt. Al naar gelang onze achtergrond en opleiding schenken we aandacht aan verschillende aspecten van hetzelfde object. De beperking van de geest is zo dat hij nooit drie zijden van een gebouw tegelijk kan zien. Het gevaar begint wanneer wij vanuit één gezichtspunt, een gedeelte als het geheel proberen te beschouwen. In de schemering van een dergelijk perspectivisch kijken wordt zelfs de aanblik van het deel vertekend. Wat we niet door analyse kunnen begrijpen, worden we ons bewust in ontzag. Wanneer we ‘stilstaan en overwegen’, aanschouwen we en zijn we getuige van wat niet vatbaar is voor analyse.

Kennis wordt door nieuwsgierigheid bevorderd en wijsheid wordt door ontzag bevorderd. Sommigen beschouwen wijsheid misschien als ‘een ongewone mate van gewoon verstand’. Voor ons is wijsheid het vermogen om alle dingen te beschouwen vanuit Gods gezichtspunt, meegevoel met het goddelijke pathos, de vereenzelviging van de wil met de wil van God. Dit zegt de HEER: De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid, de sterke niet op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom. Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich erop beroemen dat hij mij kent, inziet dat ik, de HEER, dit land liefde schenk, rechtvaardigheid en recht, want daar schep ik behagen in – spreekt de HEER.                                        (Jeremia 9:23-24).

Natuurlijk zijn er momenten van een hogere of een lagere intensiteit van ontzag. Wanneer een mens het feit ontdekt dat God ‘de grote heerser is, de rots en het fundament van alle werelden, voor wie alle bestaande dingen als niets geacht worden, zoals er gezegd is, de mensen op aarde zijn slechts nietige wezens’ (Daniël 4:35),4 dan zal hij overweldigd worden door een gevoel van de heiligheid van God. Een dergelijk ontzag weerklinkt in de aansporing van de profeten: Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond, vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit.                                      (Jesaja 2: 10).

Bij Maimonides vinden we een klassieke verklaring van de betekenis van ontzag en van de wijze waarop het zich uitdrukt:

“Wanneer een mens bij een machtige koning is, zal hij niet zitten, bewegen en zich gedragen op dezelfde manier zoals hij bij zich thuis zou doen. Ook zal hij niet in de gehoorzaal van de koning op dezelfde ongedwongen wijze spreken zoals hij zou doen in zijn eigen gezin of bij zijn vrienden. Daarom moet elk mens die naar menselijke volmaaktheid verlangt en een echte ‘mens van God’ wil worden, het feit ontdekken dat de grote Koning die hem voortdurend beschermt en nabij is, machtiger is dan elk individu, zelfs als het David of Salomo zou zijn. Die Koning en voortdurende bewaarder is de geest die op ons is neergedaald en die de band vormt tussen ons en God. Zoals wij Hem waarnemen in het licht dat Hij op ons doet schijnen – zoals er gezegd is: Door úw licht zien wij licht (Psalm 36:10) – zo ziet God op ons neer in datzelfde licht. Door dat licht is God altijd bij ons, uit de hoge op ons neerziend: Als iemand zich verbergt, zou ik hem dan niet zien? – spreekt de HEER.”(Jeremia 23:24)5

7.4    DE BETEKENIS VAN ONTZAG

Volgens de bijbel is de voornaamste religieuze deugd yirah. Wat is de aard van yirah? Het woord heeft twee betekenissen: vrees en ontzag. Er is iemand die de heer vreest opdat hij niet lichamelijk, in zijn gezin of in zijn bezittingen gestraft zal worden. Een ander vreest de heer omdat hij bang is voor straf in de komende wereld. Beide types worden in de joodse traditie als minderwaardig beschouwd.6 Job, die zei: Hoewel Hij mij slaat, toch zal ik mijn vertrouwen op Hem stellen, werd tot zijn vroomheid niet zozeer aangezet door vrees als wel door ontzag, door het besef van de grandeur van zijn eeuwige liefde.

Vrees is het vooruitlopen op en de verwachting van kwaad of pijn, in tegenstelling tot hoop wat het verwachten van het goede inhoudt. Ontzag is evenwel het gevoel van verwondering en bescheidenheid, ingegeven door het verhevene of gevoeld in de aanwezigheid van het mysterie. Vrees is niets anders dan het opgeven van de hulp die het redelijk denken biedt.7 Ontzag is het verwerven van inzichten die de wereld voor ons in petto houdt. Anders dan vrees doet ontzag ons niet terugdeinzen voor het object dat ons ontzag inboezemt. Integendeel: het fascineert ons. Daarom is ontzag zowel met liefde8 als met vreugde9 verenigbaar.
In zekere zin is ontzag het tegengestelde van vrees. Te voelen De HEER is mijn licht, mijn behoud is het gevoel van wie zou ik vrezen? (Ps. 27:1).10 God is voor ons een veilige schuilplaats, een betrouwbare hulp in de nood.  Daarom vrezen wij niet, al wankelt de aarde en storten de bergen in het diepst van de zee. (Ps. 46:2-3).

7.5    ONTZAG GAAT VOORAF AAN GELOOF
Ontzag gaat vooraf aan geloof. Het is de wortel van het geloof. We moeten groeien in ontzag om geloof te bereiken. We moeten geleid worden door ontzag om het geloof waardig te worden. Meer dan geloof is ontzag de belangrijkste houding van de godsdienstige jood. Het is ‘het begin en de toegangspoort van het geloof, het eerste voorschrift van alle en de gehele wereld is er op gegrond’. In het jodendom is yirat hashem, het ontzag voor God, of yirat shamayim, het ontzag voor de hemel, bijna gelijkwaardig aan het woord ‘godsdienst’. In de bijbelse taal wordt de religieuze mens niet een ‘gelovige’ genoemd, zoals dat bij voorbeeld in de islam gebeurt (mu ’min), maar yare hashem.

7.6    TERUGKEER TOT DE EERBIED
Op deze wijze is er maar één weg tot de wijsheid: ontzag. Verbeur je gevoel van ontzag, laat je verwaandheid jouw vermogen tot aanbidding verminderen en het heelal wordt een marktplein voor je. Het verlies van ontzag is de grote hinderpaal voor inzicht. Een terugkeer tot diepe eerbied is het eerste vereiste voor de opbloei van wijsheid, voor de ontdekking van de wereld als een zinspeling naar God. Wijsheid komt niet zozeer voort uit scherpzinnigheid als wel uit ontzag. Zij wordt niet opgeroepen in momenten van berekening, maar in ogenblikken waarin je in aanraking komt met het mysterie van de werkelijkheid. De grootste inzichten komen tot ons in momenten van ontzag.
Een moment van ontzag is een moment van zelfheiliging. Zij die het wonder voelen, delen in het wonder. Zij die wat heilig is heilig houden, zullen zelf heilig worden.12

7.7    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 7

1          Het begin van wijsheid is ontzag voor de HEER, wie leeft naar zijn wet, getuigt van goed inzicht. Zijn roem houdt stand, voor altijd (Ps. 111:10). Wijsheid begint met ontzag voor de HEER, 

inzicht is vertrouwdheid met de Heilige (Spr. 9:10); zie Spr. 1:7: Het begin van alle kennis is ontzag voor de HEER; een dwaas veracht de wijsheid en weigert elk onderricht. 15:33: Wie ontzag heeft voor de HEER wint aan wijsheid, bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.

Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens (Pred. 12:13). Ontzag voor de Heer gaat boven alles; wie daarnaar leeft is met niemand te vergelijken. Liefde voor de Heer begint met ontzag voor hem, verbondenheid met de Heer begint met trouw aan hem. (Sirach 25:12-13) en Spreuken der Vaderen iii, 21:

Waar geen wijsheid is, is geen ontzag;

Waar geen ontzag is, is geen wijsheid.

2          En hij sprak tot de mens: ‘Ontzag voor de Heer – dat is wijsheid; het kwaad mijden – dat is inzicht.’ (Job 28:28)

3          Zie Man is Not Alone, p. 286.

4          Zohar, dl I, 11 b. In de eerste paragraaf van de Shulchan Aruch, de Verzameling van Wetten, wordt het woord van de psalmist, Steeds houd ik de HEER voor ogen, met hem aan mijn zijde wankel ik niet (16: 8) beschreven als het grondbeginsel van de thora (volgens rabbi Moshe Isserles). Het was in de joodse vroomheid een vereiste om zich voortdurend bewust te zijn van Zijn tegenwoordigheid. Als hulp voor dat gedenken werd aanbevolen om het innerlijke oog voortdurend gericht te houden op de vier letters van de onuitsprekelijke naam. Als parafrase op Ps. 32:2 werd gezegd dat gelukkig de mens is voor wie het een zonde is om één ogenblik niet aan God te denken.


5          Maimonides, The Guide of the Perplexed, dl lIl, hfdst. 52: vertaald door Ch. Rabin (Londen 1952).

6          Met het oog op God wordt yirah in de bijbel voornamelijk gebruikt in de zin van ontzag. Zie Gesenius-Driver-Briggs, Hebrew and English Lexicon of the Old Testament (Oxford 1906) p. 431. Vergelijk ook Toon ontzag voor je moeder en je vader(Leviticus 19:3), aansluitend op de woorden in de Tien Geboden, Toon eerbied voor uw vader en uw moeder.(Exodus 20:12); zie Hosea 3:5: Dan zullen ze weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; en uiteindelijk keren ze vol ontzag terug naar de HEER en zijn zegen. Zie ook Robert H. Pfeiffer, ‘The Fear of God’, in: Eretz Israël, dl iii, p. 59 e.v. Op sommige plaatsen betekent yirah inderdaad vrees voor Gods straf voor een zonde. Zie Abraham Ibn Daud, Emunah Ramah (Frankfurt a/M 1852) p. 100 en Joseph Albo, Ikkarim, ed. Husik (Philadelphia 1930) dl iii, hfdst. 34.

Volgens Louis Finkelstein, Maho le-Massektot Abot ve-Abot d’Rabbi Nathan (New York 1950) p. 33 e.v., had de school van Shammai een tegenovergestelde opvatting over de verhouding tussen vrees en liefde.

7          Angst is niets anders dan het opgeven van de hulp die het redelijk denken biedt. (Wijsheid van Salomo 17:12)

8          Zie Albo, Ikkarim, ed. Husik (Philadelphia 1930) dl iii, hfdst. 32. 

9          Israël, bedenk dus dat de HEER, uw God, niets anders van u vraagt dan dat u ontzag voor hem toont, dat u de weg volgt die hij u wijst, dat u hem liefhebt, hem met hart en ziel dient. (Deuteronomium 10:12); zie Ps. 2:11: Onderwerp u, toon de HEER uw ontzag, breng hem bevend uw hulde. Vergelijk Seder Eliahu Rabba, hfdst. 3: ‘Ik vreesde in mijn blijdschap, ik verblijdde mij in mijn vrees en mijn liefde zegevierde over alles.’

10        Zie ook Ps. 23:1, 4: De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Al gaat mijn weg 

door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed. 102:26-29: Vóór alle tijden hebt u de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van uw handen.  Zij zullen vergaan, maar u houdt stand, zij zullen als kleren verslijten, u verwisselt ze als een gewaad en zij verdwijnen,  maar u blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde.  De kinderen van uw dienaren zullen veilig wonen, ook op hun nageslacht rust uw oog. 112:7: Voor een vals gerucht zal hij niet vrezen, hij is standvastig en vertrouwt op de HEER.

11        Zohar, dl I, p. 11b. Zie Shabbat, 31b. Vergelijk Man is Not Alone, p. 146.

12        Zie Wijsheid 6:10: Zij die alles wat heilig is zorgvuldig in ere houden, zullen zelf geheiligd worden, en zij die deze les ter harte nemen, zullen worden ontzien.

8- De hemelse glorie

8.1    HET MAJESTEITELIJKE IS HET ONUITSPREKELIJKE

In zijn grote visioen nam Jesaja de stem van de serafijnen waar zelfs vóórdat hij de stem van de Heer hoort. Wat is het dat de serafijnen aan Jesaja openbaren: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit (6:3). Het wordt uitgeroepen niet als een Messiaanse belofte, maar als een feit. De mens voelt het misschien niet, maar de serafijnen verkondigen het. Het is de eerste uitspraak die Jesaja als profeet ontving. Toen de hemelen geopend werden bij de rivier de Kebar, hoorde ook Ezechiël het geluid van een geweldig gedruis: ‘De luister van de HEER zij geloofd in zijn woning!’ (3:12). En daar, vanuit het oosten, zag ik de God van Israël in al zijn luister verschijnen, met een geluid als het gebulder van de zee, en de aarde straalde ervan (43:2). In de Pentateuch wordt het feit dat de glorie van God de wereld vervuld in de naam van God uitgesproken. De HEER antwoordde: … Maar zo waar ik leef en de hele aarde vervuld is van de majesteit van de HEER… (Numeri 14:21).

Is de aanwezigheid van de majesteit in de wereld een goddelijk geheim, iets wat alleen bekend is aan God en de serafijnen? Volgens de psalmist ‘verhaalt de hemel van Gods majesteit’ (19:2). Hoe vertellen zij die? Hoe openbaren zij die? De dag zegt het voort aan de dag die komt, de nacht vertelt het door aan de volgende nacht. Zeggen? Vertellen? Wat is de taal, wat zijn de woorden waarin de hemelen de glorie uitspreken? Er wordt niets gezegd, geen woord gehoord, het is een spraak zonder klank. En toch gaat over heel de aarde hun stem, tot aan het einde van de wereld hun taal. (Ps. 19:4-5). Het hemelse lied is niet uit te spreken.

Het majestueuze is verborgen, maar er zijn ogenblikken waarop zij geopenbaard wordt, in het bijzonder aan de profeten. Tijdens de tocht door de woestijn gebeurde het meer dan eens dat de majesteit van de HEER aan het verzamelde volk verscheen (Leviticus 9:23); …verscheen de majesteit van de HEER aan het hele volk (Numeri 16:19). Ze zagen hoe… de majesteit van de HEER verscheen (17:7). Toen verscheen de majesteit van de HEER (20:6), zodat het boek Deuteronomium kon erkennen dat de HEER, onze God, ons zijn luister en zijn grootheid heeft laten zien (Deut. 5:24).1

8.2    DE GLORIE IS GEEN DING

Wat is de aard en de betekenis van de glorie of, zoals ze later veelvuldig genoemd werd, de Shechinah? Omdat de glorie vaak geopenbaard werd in een wolk en haar verschijning vergeleken werd met een laaiend vuur (Exodus 24:17), werd ze soms gekenschetst als een zuiver extern verschijnsel, zonder enige inhoud; een vertoon van macht, nimmer van de geest.2 Zo’n voorstelling is echter verkeerd. Is het mogelijk vuur of wolk in de profetie van Haggai (2:8) in de plaats te stellen van het majesteitelijke: ‘mijn huis zal ik vullen met pracht en rijkdom? Of in de woorden van de psalmist (85:10): Voor wie hem eren is zijn hulp nabij: zijn glorie komt wonen in ons land? Is het voorts denkbaar dat dit is wat de serafijnen verkondigen: de hele aarde is vol vuur of rook?

Het is waar dat de glorie, het majesteitelijke, als profetisch verschijnsel niet onverhuld optreedt.
Terwijl Mozes de berg op ging, werd deze overdekt door een wolk: de majesteit van de HEER rustte op de Sinaï. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de HEER Mozes vanuit de wolk. En terwijl de Israëlieten de majesteit van de HEER zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog (Ex. 24:15 e.v). Toen werd de ontmoetingstent overdekt door een wolk en werd de tabernakel gevuld door de majesteit van de HEER. Mozes kon de ontmoetingstent niet meer binnengaan, want de wolk rustte daarop en de majesteit van de HEER vulde de tabernakel. Zolang hun tocht duurde, trokken de Israëlieten pas verder wanneer de wolk zich van de tabernakel verhief. Wanneer de wolk niet opsteeg, trokken ze niet verder; ze wachtten tot de wolk weer opsteeg. Zolang hun tocht duurde, rustte overdag de wolk van de HEER op de tabernakel, ’s nachts verscheen er een vuur in, dat voor alle Israëlieten zichtbaar was (40:34 e.v.). Zodra de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen, vulde een wolk de tempel van de HEER. De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van de HEER vulde de hele tempel (1 Koningen 8:11).

Een verheven verschijnsel als een storm, een vuur, een wolk of weerlicht, het verschaft een ‘achtergrond voor de luister; het is niet de glorie zelf’.3

Evenmin is de glorie hetzelfde als het wezen of het bestaan van God. Het gebed van de psalmist De luister van de HEER moge eeuwig duren (104:31) kan niet betekenen: ‘Het bestaan van de HEER zet zich voort tot in eeuwigheid’; dit zou godslasterlijk zijn.

8.3    HET EEUWIG HEIL IS DE NABIJHEID VAN GOD

Wat is dan de aard van de glorie? Misschien was het wat Mozes verlangde te kennen toen hij bad: ‘Laat mij toch uw majesteit zien.’ Zijn gebed werd verhoord en de Heer antwoordde: ‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan’ (Ex. 33:18,19). De luister is dus geen tastbare verschijning. Ze wordt gelijkgesteld aan de goedheid van God.

En zo werd de glorie geopenbaard. Mozes stond alleen op de top van de berg, het majesteitelijke ging voorbij, ‘de HEER daalde af in een wolk’, en het grote antwoord werd geopenbaard:
 

De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden generaties zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde (Ex. 34:6-7 ).
 

De glorie is de nabijheid, niet het wezen van God; meer een daad dan een kwaliteit, en een gebeuren en geen substantie. De hemelse heerlijkheid toont zich voornamelijk als een macht die de wereld overweldigt. Ze is een macht die eerbetoon verlangt en neerdaalt om leiding te geven, om te doen herinneren. De glorie weerspiegelt een overvloed van goedheid en waarheid, de macht die in de natuur en in de geschiedenis werkt.

Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit. Dit betekent niet dat de glorie de aarde vult zoals ether de ruimte of water de oceaan vult. Het betekent dat de hele aarde vol is van zijn nabijheid.4

8.4    DE LEVENDE AANWEZIGHEID

De Engelse uitdrukking dat een mens has presence is moeilijk te omschrijven. Er bestaan mensen waarvan hun aanwezigheid hier en nu gevoeld wordt, zelfs wanneer ze geen aandacht vragen. Zij maken ‘indruk’. Er zijn ook mensen die er de hele tijd kunnen zijn zonder dat het wordt opgemerkt. Van iemand wiens uiterlijk iets zegt van zijn innerlijke kracht of grootheid, wiens ziel straalt en zich uitdrukt zonder woorden, zeggen wij dat hij indrukwekkend is.

De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol. Het uiterlijk van de wereld deelt iets mee van de inwonende verhevenheid van God, die uitstraalt en zich zonder woorden mededeelt. ‘Toch wordt er niets gezegd, geen woord gehoord, het is een spraak zonder klank. Over heel de aarde gaat hun stem (meetlint), tot aan het einde van de wereld hun taal (Ps. 19:4-5).

De glorie is geen esthetische of stoffelijke categorie. In de grandeur is ze voelbaar, maar ze overtreft de grootsheid. Ze is, zoals we zeiden, een levende nabijheid of de glans van een levende aanwezigheid.

8.5    DE KENNIS VAN HET MAJESTUEUZE

Is de hemelse gelukzaligheid iets wat wordt gezien, gehoord of duidelijk beseft? In het visioen waarin de alomtegenwoordigheid van de glorie aan Jesaja wordt geopenbaard, wordt de verzuimde gevoeligheid van de mens aangeduid:

‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’            (Jes. 6:9-10)

De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol, maar we bespeuren haar niet; ze is binnen ons bereik, maar gaat ons begrip te boven.

Hij gaat mij voorbij en ik zie hem niet, 

hij glipt langs mij heen en ik merk het niet.                             Job 9:11

De aarde is vol van zijn glorie; zij is niet vol van de kennis van de glorie. In de komende wereld zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn, zoals de zee vol water is (Habakuk 2:14). Nu is het majestueuze verborgen; in de komende wereld ‘zal de luister van de HEER zich openbaren voor het oog van al wat leeft (Jes. 40:5). In Messiaanse zin bidt de psalmist: ‘Geprezen zij zijn luisterrijke naam, voor eeuwig. Moge zijn luister heel de aarde vervullen. Amen, amen! (72:19).5 En toch is de glorie ons niet geheel onbekend. Dat niet alleen de hemelen in staat zijn om ervan te vertellen, blijkt uit het feit dat wij allen worden opgeroepen: Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden (1 Kronieken 16:24). Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit, ook ik wil uw wonderen bekendmaken. (Ps. 145:5). We hebben geen woorden om de majesteit te beschrijven; we hebben geen juiste manier om haar te kennen. Maar het is niet van beslissende betekenis dat wij haar kennen, maar wel ons besef door haar gekend te worden.

U weet het als ik zit of sta, 

u doorziet van verre mijn gedachten, 

ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, 

met al mijn wegen bent u vertrouwd. 

Geen woord ligt op mijn tong, 

of u, HEER, kent het ten volle.

Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, 

hoe aan uw blikken ontkomen? 

Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan, 

lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar. 

Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, 

al ging ik wonen voorbij de verste zee, 

 ook daar zou uw hand mij leiden, 

zou uw rechterhand mij vasthouden. 

 Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken, 

het licht om mij heen veranderen in nacht,’ 

 ook dan zou het duister voor u niet donker zijn – 

de nacht zou oplichten als de dag, 

het duister helder zijn als het licht.      Ps. 139:2-4, 7-12. 

Oog in oog met de wereld, bespeuren we vaak een geest die ons begripsvermogen te boven gaat. De wereld is te veel voor ons. Zij is één en al wonder. De glorie is geen uitzondering maar een glans die ligt op al het zijnde, een geestelijke omlijsting van de werkelijkheid.

Voor de gelovige lijkt het alsof de dingen met hun achterkant naar hem gekeerd staan, hun gezichten gekeerd naar God, alsof de glorie van de dingen daarin bestond dat ze het voorwerp zijn van goddelijke aandacht.6

8.6    BLINDHEID VOOR HET WONDER

Het waarnemen van het numineuze is een zeldzame gebeurtenis in onze levens. We verwonderen ons niet, we reageren niet op de aanwezigheid. Dit is de tragedie van elke mens: ‘alle verwondering door onverschilligheid te ontluisteren.’ Leven is sleur en sleur is weerstand tegen verwondering. ‘Vervuld is de wereld met een geestelijke straling, vervuld met verheven en wonderbare geheimen. Maar een kleine hand voor het oog gehouden verbergt alles,’ zegt de Baäl Shem. ‘Zoals een kleine munt die voor het gezicht wordt gehouden, het zicht op een berg kan beletten, zo kunnen de futiliteiten van het leven het zicht beletten op het oneindige licht.’7

De wonderen zijn dagelijks bij ons (zie p. 72 e.v.), en toch wordt ‘het wonder door hem die het ondervindt, niet onderkend’.8 Het wonder begrijpen is geen kwestie van zintuiglijke waarneming. ‘Welk nut heeft een geopend oog als het hart blind is?’9 Men kan veel dingen zien zonder ze waar te nemen: Het ziet veel, maar onthoudt niets, het heeft zijn oren open, maar hoort niets.10

De HEER richtte zich tot mij: ‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is.’11

‘Te beklagen zijn de mensen die zien, maar niet weten wat ze zien, die staan, maar niet weten waar ze op staan.’12

8.7    HARDHEID VAN HART

In de bijbel is ongevoeligheid de wortel van de zonde. Er zijn veel woorden om dit uit te drukken: ‘Mijn eigen koppige hart’, ‘hardheid van hart’ (Deut. 29: 18). U zult hun geest verblinden (Klaagliederen 3:65); halsstarrig en eigenzinnig  (Ezechiël 2:4); hardnekkig volk Jes. 46:12); onbesneden van hart (Jeremia. 9:25). Gevoelloos als vet is hun hart, roept de psalmist uit (119:70).

Voortdurend verwijten de profeten Israël een gebrek aan gevoeligheid:

Het ziet veel, maar onthoudt niets, 

het heeft zijn oren open, maar hoort niets.                   Jes. 42:20

 In een bittere stemming klaagt de profeet dat ongevoeligheid het voortdurende kenmerk van het volk geweest is: 

Niets heb je hiervan gehoord of geweten, 

deze dingen zijn je niet eerder ter ore gekomen. 

Ik weet hoe onbetrouwbaar je bent, 

een geboren zondaar word je genoemd.                        Jes. 48:8 

Toen onze voorouders in Egypte waren, 

sloegen zij geen acht op uw wonderen, 

dachten zij niet aan uw tekenen van trouw, 

en kwamen in opstand aan de oever van de Rietzee.      Ps. 106:7

8.8    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 8 

1          Zie ook Ex. 16:6,7: Hierop zeiden Mozes en Aäron tegen de Israëlieten: ‘Vanavond nog zult u inzien dat de HEER zelf u uit Egypte heeft geleid, en morgen, in de ochtend, zult u de majesteit van de HEER zien. Hij heeft gehoord hoe u zich beklaagt. Dat is tegen hem gericht, want wie zijn wij dat u zich bij ons zou beklagen?’. Zodra Aäron dit aan het volk had opgedragen en allen zich met het gezicht naar de woestijn hadden opgesteld, verscheen in een wolk de majesteit van de HEER (10). De majesteit van de HEER rustte op de Sinaï. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de HEER Mozes vanuit de wolk. En terwijl de Israëlieten de majesteit van de HEER zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog (24:16 e.v.). 

2          Zie 1. Abrahams, The Glory of God (Oxford 1925) p. 17, weerleggend A. van Gall, Die Herrlichkeit Gottes (Giessen 1900). 

3          I. Abrahams, op.cit., p. 24 e.v. 

4          Kavod, het Hebreeuwse woord voor heerlijkheid, waarvan de wortel ‘zwaarte’ betekent, dan rijkdom, sterkte, eer, roem, waardigheid en waarde. Maar het betekent ook de hogere ziel, zoals blijkt uit Ps. 30:13: Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen. Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel (16:9). Ontwaak, mijn ziel, ontwaak met harp en lier (57:9). Laat dan de vijand mij achtervolgen, mij inhalen, vertreden en vertrappen in het stof, mij beroven van mijn eer en mijn leven (7:6); en Ik wil niet deelnemen aan hun beraad, op hun bijeenkomsten wil ik niet zijn. In woede ontstoken doden zij mannen, moedwillig verlammen ze stieren (Genesis 49:6). Zo zegt de psalmist: Mijn hart is gerust, o God, ik wil zingen en spelen. Mijn ziel,  ontwaak met harp en lier, ik wil het morgenrood wekken (108:2). Vergelijk Qimhi, Sefer ha-Sherashim (Berlijn 1847) p. 311; verg. I. Abrahams, The Glory of God, p. 18 en Pedersen, lsrael, i-ii, index, onder kabhodh. In onze studie houden we ons alleen bezig met kavod toegepast op God. Het zou natuurlijk onzinnig zijn om te veronderstellen dat in het meest verheven profetische visioen de serafs zouden uitroepen: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’

5          Zie ook Jesaja: In het westen zal men de naam van de HEER vrezen en in het oosten zijn majesteit (59:19).  Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de HEER.  Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de HEER, zijn luister is boven jou zichtbaar. Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel (60:1-3). De tijd is gekomen om alle landen en volken bijeen te brengen. Ze zullen komen en mijn luister zien (66:18). De HEER is koning – laat de aarde juichen, laat vreugde heersen van kust tot kust (Ps. 97:1). Zijn bliksems verlichten de wereld, 

de aarde ziet het en beeft. De bergen smelten als was voor de HEER, voor de Heer van heel de aarde. De hemel vertelt van zijn gerechtigheid, alle volken aanschouwen zijn majesteit (4-6).

6          Man is Not Alone, p. 63 e.v.

7          Likkute Maharan, i, 133. ‘Rabbi Helbo zei: De wijn van Perugitha (een plaats in het noorden van Israël, beroemd om haar wijn) en het water van Diomsith sneden de tien stammen van Israël af (ze werden zo in beslag genomen door deze genoegens dat ze de studie verwaarloosden en hun geloof verloren, wat ten slotte leidde tot hun ballingschap en verdwijning).’ ‘Rabbi Eleazer ben Arak bezocht die plaats en voelde zich aangetrokken tot (haar inwoners en hun overdadige leven) en (daarom) verdween zijn geleerdheid. Toen hij terugkeerde naar (zijn woonplaats), stond hij op om in de Rol (van de thora) te lezen. Hij wilde Hahodesh hazeh lakem (Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn, Ex. 12:2) lezen, (in plaats waarvan hij las) hahares’h hayah libbam (wat betekent: hun hart was stil en ongevoelig). In elk woord van de tekst las hij een letter verkeerd,’ Shabbat,147a.

8          Zie Niddah, 31a.

9          Ibn Gabirol, A Choice of Pearls, ed. Ascher (Londen 1859) p. 82.

10        Jes. 42:20.

11        Ez. 12:1; zie Jer. 5:21: Luister toch, dwaas en onverstandig volk, dat ogen heeft, maar niet ziet, en oren heeft, maar niet hoort.

12        Hagigah, 12b. De bozen kunnen het geestelijke licht dat verborgen is voor de ogen van het lichaam, niet van duisternis onderscheiden. Dit is te wijten aan hun blindheid. Waren ze wijs, dan hadden ze inzicht en begrepen ze hoe het ze zou vergaan. (Deut. 32:29). Maar zij’ zijn onwetend, het ontbreekt hun aan elk begrip; ze lopen in duisternis rond. Ze weten zelfs niet dat ze in de duisternis wandelen. Ze lijken op hem die op de middag tastend rondloopt ‘zoals de blinde tastend rondloopt in de duisternis’. Het is een dubbele duisternis: ze zijn blind en ze beseffen hun blindheid niet. (Rabbi Phinehas Horowitz, Hamakneh, voorwoord.)

9-De wereld

9.1    DE AANBIDDING VAN DE NATUUR

Niemand is zonder een gevoel van ontzag, een behoefte om te vereren, een drang om te aanbidden. De vraag is alleen wat te vereren, of meer in het bijzonder: welk object is onze aanbidding waard. ‘De met sterren bezaaide hemelen… vervullen de geest met altijd nieuwe en groeiende bewondering en eerbied.’ Het is inderdaad moeilijk om te leven onder een hemel vol sterren en niet geraakt te worden door zijn mysterie. De zon is begiftigd met kracht en schoonheid, zichtbaar voor alle ogen. Wie zou zich kunnen onthouden van het prijzen van zijn grootheid? Wie zou verder kunnen komen dan het besef: de natuur is het uiteindelijke mysterie; en het mysterie is het laatste?

De Grieken beschouwden de elementaire krachten van de natuur als heilig. Uitdrukkingen als ‘de heilige regen’ of ‘het heilige licht’ zijn tekenend voor hun houding.1 ‘0 Natuur, hoezeer aanbidden we je zelfs tegen onze wil,’ bekent Seneca.2 In King Lear roept Edmund uit: ‘Jij, Natuur, bent mijn godin; jouw wet bepaald mijn diensten.’3 Belarius zegt: ‘Buigen, jongens: deze poort leert jullie hoe de hemelen te aanbidden en leert jullie te buigen tot een heilige morgendienst.’4

De natuurgodsdienst, de aanbidding van de grootsheid van het gegevene, heeft altijd zijn aanhangers gehad. Ondanks het gebod ‘als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd.’ (Deuteronomium 4:19), waren er, zelfs ten tijde van de Babylonische ballingschap, die hun gezichten naar het oosten keerden en de zon aanbaden.5

De pracht van de natuur kan inderdaad een bedreiging vormen voor ons godsdienstig begrip; er is een dodelijk gevaar om door haar kracht betoverd te worden.

Keek ik ooit naar de zon, haar stralende licht,
naar de maan in haar wassende pracht,
terwijl mijn hart zich heimelijk liet lokken
en ik in verering mijn mond op mijn hand drukte?
Ook dat zou een misdrijf zijn dat bestraft moet worden,
want dan zou ik God daar boven verloochend hebben.                        Job 31:26-28 

9.2    DE ONTGOOCHELING
Tijdens de romantische beweging ontstond een nieuw godsdienstig enthousiasme voor de natuur, dat tot vandaag voortleeft. De natuur kreeg de grootste betekenis en werd het hoogste object van verering, de enige bron van troost en heil, die in hoogste instantie de rangorde der waarden bepaalt. Haar lief te hebben, een relatie met haar te onderhouden, zich open te stellen voor haar genezende sympathie was de hoogste vorm van godsdienstige ervaring. God Pan was opgestaan. Maar al spoedig stierf hij weer toen de postromantische mens ontdekte dat de natuur hem niet kon redden; de natuur moet zelf worden gered. Meedogenloos is het zwijgen van het uitspansel. De natuur is doof voor onze kreten en onverschillig voor onze waarden. Haar wetten kennen geen genade, geen verdraagzaamheid. Ze zijn onverbiddelijk, onverzoenlijk, meedogenloos.

De Grieken richten zich tot de aarde en de lucht en de zon met hun klaagzangen. Maar van enig geloof in de macht van de natuur om het hart te troosten, de hartstochten te bedwingen en van vrede te spreken tot de zielen van de mensen vinden we in de Griekse poëzie geen spoor. Het Griekse gevoel bevestigt niet de woorden van Cowper: ‘Waar Flora regeert, wordt zwaarmoedigheid zelden gevonden.’ De Grieken namen de natuur niet als medicijn. Levenloze dingen zonder eigen moraliteit konden geen ethische impuls geven.6

‘Een relatie onderhouden met het hart van de natuur – dat is de erkende mode geweest sedert de dagen van Wordsworth. De natuur heeft, zo verzekert Coleridge ons, manieren om haar dwalende en verwarde kind te genezen…

Ik geloof niet dat de natuur een hart heeft en ik vermoed dat aan haar, zoals met veel andere schoonheid, een hart wordt toegeschreven vanwege haar gezicht… Maar wat moet ze ook met een hart of met hersens? Ze weet dat ze mooi is en ze is rustig tevreden met die kennis; ze is gemaakt om te worden aangestaard en ze beantwoordt aan het doel van haar schepping… Zij kan niet geven wat zij niet nodig heeft en als wij maar op dezelfde wijze georganiseerd zouden zijn, zouden we onafhankelijk van sympathie zijn. Een mens kan niet recht op zijn doel afgaan, omdat hij een hart heeft; hij kan niet eten, drinken, slapen, geld verdienen en voldaan zijn, omdat hij een hart heeft. Het is een schadelijk ding en daarom grijpen wijze mensen de eerste de beste kans om het weg te geven.

Maar ten slotte is de kwestie toch te serieus voor grappen. Wat is het hart van de natuur, als het al bestaat? Is het zoals de gebruikelijke – van Wordsworth en Shelley afgeleide – leer een liefdevol hart, in harmonie met het hart van de mens en tot hem komend langs wel duizend wegen van zwijgende sympathie? Nee, in deze zin herhaal ik in ernst wat ik terloops heb gezegd: de natuur heeft geen hart.’7

Het geleidelijke verval van het naturalisme in de tegenwoordige kunst en filosofie is in zekere zin een beweging van geestelijke beeldenstorm. Gelijktijdig dreigt de natuur, die eens het object was van de diepste verering, de bron van de diepste wanhoop te worden. Voor het jodendom is de verering van de natuur even ongerijmd als de vervreemding van de natuur onnodig is.

9.1    DE ONTHEILIGING VAN DE NATUUR

Het bijbelse denken slaagde erin om de algemene neiging van de mens in de oudheid om aan de natuur een mysterieus vermogen toe te schrijven als mana en orenda*, te overwinnen door de nadruk te leggen op de verwijzing in de gehele natuur naar de wijsheid en de goedheid van de Schepper.

Een van de grote daden van de profeten was de verwerping van de natuur als object van aanbidding. Zij trachtten ons te leren dat noch de schoonheid of de grootsheid van de natuur, noch kracht of de staat, noch geld of dingen in de ruimte onze hoogste verering, liefde, offer of toewijding waardig zijn. Desondanks was de ontheiliging van de natuur in het geheel geen reden tot vervreemding van de natuur. Ze bracht de mens samen met alle dingen in een gemeenschap van lofprijzing. De bijbelse mens kon zeggen dat hij ‘een verbond met de stenen van het veld’ (Job 5: 23) had.
*mana: bijzondere macht die volgens de opvatting van natuurvolkeren de oorzaak is voor alle voor hen niet-verklaarbare verschijnselen; bovenmenselijke kracht die afzonderlijke mensen bezitten. *orenda: macht die in materiële voorwerpen verborgen ligt, niet ver verwijderd van onze term ‘energie’.

9.4    HET GEGEVENE IS NIET HET UITEINDELIJKE

Wat is het uiteindelijke dan? Welk object is onze diepste verering waard? Deze vragen zijn verweven in alle problemen waarmee de mens tot op de dag van vandaag blijft worstelen. De westerse mens moet kiezen tussen de aanbidding van God en de aanbidding van de natuur. De bijbel verklaart dat de natuur ondanks haar kracht en waarde, schoonheid en grootsheid niet alles is. Zij roept ons op om te bedenken dat het gegevene niet het uiteindelijke is. Zij roept ons op om de wereld niet als een muur tussen ons en God te laten staan.

Voor de Griekse geest is het heelal de som en het wezen van alles wat bestaat; zelfs de goden zijn meer een deel dan de oorzaak van het heelal. ‘De wereld (kosmos), dezelfde voor allen, werd niet door enige god of mens gemaakt, maar was en is en zal altijd zijn.’8 Voor Plato is het heelal ‘een zichtbaar, levend wezen… een waarneembare god… de grootste, beste, zuiverste, meest volmaakte’.9 ‘O Natuur, uit u zijn alle dingen, in u zijn alle dingen, tot u keren alle dingen terug.’ 10

Hiertegenover beseft de bijbelse geest ten diepste dat het uiteindelijke, God, het gegevene te boven gaat. Wat gegeven is, is niet het uiteindelijke, maar geschapen door Hem, Die niet gegeven is. Nergens in de bijbel wordt de werkelijkheid van het heelal in twijfel getrokken, maar terzelfder tijd overheerst de zekerheid dat ondanks al zijn grootheid het heelal, vergeleken bij zijn maker, niets is. De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank (Jes. 40:17). De volken betekenen niets in zijn ogen, voor hem zijn ze minder dan niets (40:17).

Wellicht maakte een dergelijk besef de beroemde woorden mogelijk: Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte. Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven, al zijn moeizaam gezwoeg onder de zon? (Pred. 1:2-3).

Bij de Grieken, zoals bij veel andere volken, is de aarde algemeen bekend als moeder aarde. Zij is de moeder die vruchten voortbrengt, die de kinderen geeft, en bij hun dood keren de mensen tot haar terug. De Griekse poëzie en het Griekse drama verheerlijken de goddelijkheid van de aarde en volgens Plutarchus ‘is de naam van Gè dierbaar en kostbaar voor elke Helleen en is het onze traditie om haar als elke andere god te eren’. De aanbidding van de schoonheid en de overvloed van de aarde wordt in de Griekse literatuur gekleurd door een gevoel van dankbaarheid tegenover de aarde en voor haar geschenken aan de mens.

Een dergelijk concept is aan de bijbelse mens vreemd.11 Hij erkent maar één ouder: God als zijn vader. De aarde is eerder zijn zuster dan zijn moeder. De mens en de aarde zijn gelijke scheppingen van God. De profeten en de psalmist eren noch verheerlijken de aarde, hoewel ze uitweiden over haar grootsheid en overvloed. Zij prijzen Hem die haar schiep.

9.5    DE ONZEKERE FACTOR VAN DE NATUUR

Voor de bijbelse mens bevindt de macht van God zich achter alle verschijnselen12 en hij wil liever de wil van God kennen die de natuur bestuurde dan de ordening van de natuur zelf. Hoe belangrijk en indrukwekkend de natuur voor hem ook is, God is dat oneindig veel meer. Daarom is Psalm 104 (Prijs de HEER, mijn ziel. HEER, mijn God, hoe groot bent u. Met glans en glorie bent u bekleed, in een mantel van licht gehuld.) meer een lofzang op God dan een lied op de kosmos.

Het denkbeeld van de kosmos is een van de uitstekende bijdragen van de Griekse wijsbegeerte en we kunnen goed begrijpen waarom een dergelijke voorstelling in het Hebreeuwse denken niet opkwam. Want het denkbeeld van een kosmos, van een totaliteit van dingen, volledig in zichzelf, sluit het concept in van een immanente norm van de natuur, van een orde die zijn grondslag in de natuur heeft.

Maar wat zijn de grondslagen van de natuur? Voor de Grieken, die de wereld aanvaarden als een gegeven, is de natuur, de orde het antwoord. Voor de bijbelse geest in zijn opperste verbazing zijn natuur, orde geen antwoord maar een probleem: waarom is er orde, zijn, überhaupt?

Wat zijn de grondbeginselen van de aarde? Er zijn geen natuurlijke grondbeginselen. De grondbeginselen van de wereld zijn niet van deze wereld. De aarde blijft bestaan omwille van… 

Hij die troont boven de schijf van de aarde 

– haar bewoners zijn als sprinkhanen –, 

hij spreidt de hemel uit als een doek, 

spant hem uit als een tent om in te wonen. 

Hij maakt vorsten nietig, 

de leiders van de aarde onbeduidend: 

nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks gezaaid, 

nauwelijks hebben ze wortel geschoten, 

of hij blaast over hen, en ze verdorren 

en de stormwind neemt hen op als kaf.                                    Jes. 40:22-24 

Nu was de bijbelse mens zich natuurlijk bewust van een natuurlijke orde, waarop hij in het dagelijkse leven kon vertrouwen. Maar die orde is door de wil van God in de natuur aangebracht en blijft voortdurend van hem afhankelijk. Het is geen immanente wet maar een goddelijk besluit dat alles beheerst. God had het water met zijn woord zijn plaats gegeven; hij had de fundamenten van de aarde gelegd (Spreuken. 8:29); en hij bleef de wereld regeren van buitenaf. De natuur is het voorwerp van zijn onafgebroken zorg, maar deze afhankelijkheid van de natuur van de goddelijke zorg is een uitdrukking van haar afhankelijkheid. De bijbelse mens aanvaardt niets als een gegeven en voor hem moeten de natuurwetten net zo goed een herkomst hebben als de processen die door deze wetten bestuurd worden. Het voortbestaan van de wereld wordt gewaarborgd door Gods trouw aan dit verbond. Maar dit zegt de HEER: Ik heb een verbond met de dag en de nacht gesloten en de hemel en de aarde aan vaste wetten onderworpen (Jer. 33:25). De wereld is geen ontologische noodzaak. Inderdaad zullen wellicht de hemel en de aarde niet altijd voortbestaan:

Vóór alle tijden hebt u de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van uw handen.
Zij zullen vergaan, maar u houdt stand,
zij zullen als kleren verslijten,
u verwisselt ze als een gewaad en zij verdwijnen,
maar u blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde.                          Ps. 102:26-2813 

De wereld is niet het al voor de bijbel en daarom kon met het al nooit de wereld worden aangeduid. De bijbelse mens is door het gegevene niet betoverd. Hij beseft het alternatief, te weten de vernietiging van het gegevene. Hij is niet betoverd door de orde, want hij heeft een visioen van een nieuwe orde. Het hier en nu laat hem niet onverschillig, evenmin als het daar en dan. Hij ervaart het niet-gegevene met het gegevene, het verleden en de toekomst met het heden. Hem is geleerd dat Al zouden de bergen wijken en de heuvels wankelen, mijn liefde zal nooit meer van jou wijken en mijn vredesverbond is onwankelbaar… (Jes. 54:10). De Hebreeuwse gedachtegang is terecht door A.N. Whitehead gekarakteriseerd als de leer van de opgelegde wet in tegenstelling tot de leer van de immanente wet, zoals ontwikkeld door de Griekse wijsbegeerte. Volgens de leer van de opgelegde wet is aan alles wat en elk die bestaat de noodzaak opgelegd om in relatie te treden met andere samenstellende onderdelen van de natuur. Deze opgelegde gedragspatronen zijn de natuurwetten. Newton bij voorbeeld verklaart duidelijk dat de elkaar beïnvloedende gedragswijzen van de lichamen die het zonnestelsel vormen, God nodig hebben voor het opleggen van de beginselen waar alles van afhangt.

De leer van de opgelegde wet leidt tot het monotheïstische concept van God als wezenlijk transcendent en alleen terloops immanent. De leer van de immanente wet leidt tot de pantheïstische leer over God als wezenlijk immanent en op geen enkele manier transcendent. ‘Nadere beschouwing,’ zegt Whitehead, ‘aarzelt tussen deze twee uitersten en zoekt hun verzoening. In dit opzicht, evenals in de meeste andere, bestaat de geschiedenis van het westerse denken in de beproefde samensmelting van denkbeelden die in oorsprong overwegend hellenistisch zijn, met denkbeelden die overwegend Semitisch zijn.’14

Ten diepste wordt de vraag: wat is de werkelijkheid? wat is de wereld voor de bijbelse mens? het best beantwoord door een andere vraag: wat is de wereld voor God? Voor hem is het onderwerp van de vraag – de wereld – te wonderlijk om volledig begrepen te kunnen worden in zijn relatie tot de mens. In zijn uiteindelijke betekenis moet de wereld worden begrepen in relatie tot God, en het antwoord op de vraag is: 

alles is aan hem onderworpen.

HEER, voor eeuwig
staat uw woord in de hemel vast.
Uw trouw duurt van geslacht op geslacht,
u hebt de aarde gegrondvest en zij houdt stand.
Naar uw voorschriften blijven hemel en aarde bestaan,
alles is aan u onderworpen.                          Ps. 119:89-91 

9.6    HET BEDROG VAN DE AFZONDERING

De profeten bestreden wat men zou kunnen noemen het bedrog van de afzondering. Dingen en gebeurtenissen, de mens en de wereld, kunnen niet los van de wil van God worden behandeld maar alleen als onafscheidelijke delen van een gelegenheid waarbij het goddelijke betrokken is. Als parafrase op de dichtregel ‘je kunt een bloem niet aanraken zonder een ster te hinderen’ zou een profeet kunnen zeggen: ‘Je kunt een menselijk wezen niet kwetsen zonder de levende God te grieven.’ Ons is geleerd te geloven dat waar de mens de mens liefheeft, Gods naam geheiligd wordt; dat in de harmonie tussen geliefden de nabijheid van God verblijft.

Voor de bijbelse mens is het verhevene slechts een vorm waarin de aanwezigheid van God doorbreekt. Niet altijd zijn de dingen lijdelijk. De sterren juichen; de bergen huiveren in zijn aanwezigheid.15 Om aan God te denken moet de mens de wereld horen. De mens is niet alleen in het verheerlijken van God. Hem te prijzen is zich te voegen bij alle dingen in hun loflied tot God. Onze verwantschap met de natuur is een verwantschap van lofprijzing. Alle wezens prijzen God. We leven in een gemeenschap van lofprijzing.

9.7    DE NATUUR AANBIDT GOD

Er zijn in de bijbel maar weinig liederen die de schoonheid van de natuur verheerlijken, en deze liederen bewijzen overtuigend dat de bijbelse mens in hoge mate gevoelig was voor vorm, kleur, kracht en beweging. Daar evenwel het verband tussen de wereld en God in zijn geest niet verbroken was, was de schoonheid van het heelal niet het hoogste voorwerp van zijn aanbidding. Voor de bijbelse mens kwam de schoonheid van de wereld voort uit de grootsheid van God; boven het adembenemende mysterie van het heelal torende Zijn majesteit. Het mysterie verpletterde hem niet; het inspireerde hem Zijn majesteit te loven. En liever dan de wereld om zijn schoonheid te prijzen, riep hij de wereld op om zijn Schepper te prijzen.

Wat de psalmist voelde toen hij de wereld ontmoette, is bondig

uitgedrukt in de uitroep:

Zing voor de HEER een nieuw lied,
zing voor de HEER, heel de aarde.                          Ps. 96:1 

Loof hem, zon en maan,
loof hem, heldere sterren,
loof hem, hoogste hemelen,
water boven de hoge hemel.
Laten zij loven de naam van de HEER:
op zijn bevel zijn zij geschapen,
hij gaf hun een plaats voor eeuwig en altijd,
hij stelde een wet die nooit zal vergaan.
Loof de HEER, bewoners van de aarde,
zeemonsters en oceanen,
vuur en hagel, sneeuw en rook,
stormwind die doet wat hij zegt.
Alle bergen en heuveltoppen,
hout dat vrucht draagt, alle ceders,
dieren van het veld en dieren in de wei,
alles wat kruipt en op vleugels gaat.                      Ps. 148:3-10 

De Egyptische priester kon de sterren niet oproepen om de goden te prijzen. Hij geloofde dat de ziel van Isis in Sirius fonkelde, de ziel van Horus in Orion en de ziel van Typhon in de Grote Beer.16 Het lag buiten zijn gezichtsveld om zich voor te stellen dat alle wezens ontzag hebben voor God en hem aanbidden. Voor de bijbelse geest was de hele schepping door God tot leven gewekt om hem te verheerlijken, en elk schepsel heeft zijn eigen lofzang waarmee hij de schepper prijst. Laten al uw schepselen u loven, HEER, en uw getrouwen u prijzen. (Ps. 145:10). Het is een geloof dat in de joodse liturgie herhaaldelijk beleden wordt.

Er bestaat een klein Hebreeuws boek, geschreven in de Middeleeuwen, genaamd Het Hoofdstuk van het Lied, dat vierentachtig liederen bevat die de hemelse en aardse wezens zingen tot lof van God. Sterren en wolken, wind en regen, bronnen en rivieren, bomen en kruiden, beesten en vogels – elk schepsel heeft zijn eigen lied.17

9.8    EEN DING DOOR GOD

Volgens de bijbel is het ‘innerlijke’ leven van de natuur voor de mens een gesloten boek. De bijbel zegt niet dat de dingen tot de mens spreken; hij leert slechts dat de dingen tot God spreken. Levenloze voorwerpen zijn dood met betrekking tot de mens; zij zijn levend met betrekking tot God. Ze zingen voor God. De bergen smelten als was voor de HEER (Ps. 97:5). Toen het water u zag, o God, toen het water u zag, begon het te beven, een huivering trok door de oceanen (77:17). Voor het aanschijn van de Heer, – beef, aarde! – voor het aanschijn van de God van Jakob (Ps. 114:7).

Wiens oor heeft de bomen God horen bezingen? Heeft ons verstand ooit bedacht om de zon op te roepen om de heer te prijzen? En toch, wat het oor niet kan waarnemen, wat het verstand niet kan bevatten, dat maakt de bijbel ons duidelijk. Het is een hogere waarheid, door de geest te bevatten.

De moderne mens weidt uit over de orde en de kracht van de natuur; de profeten weiden uit over de grootsheid en de schepping van de natuur. De eerste richt zijn aandacht op het exploiteerbare en begrijpelijke aspect van het heelal; de laatste op het mysterie en het wonder van het heelal. Wat de profeten in de natuur voelen, is niet een afspiegeling van God, maar een verwijzing naar hem. De natuur is niet een deel van God, maar meer een vervulling van zijn wil.

Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Er is een hogere vorm van zien. We moeten leren om onze ogen op te heffen om te zien dat de wereld meer een vraag dan een antwoord is. De schoonheid en de kracht van de wereld zijn als niets bij hem vergeleken. De grootsheid van de natuur is alleen maar een begin. Voorbij de grootsheid is God.

De bijbelse mens ziet de natuur niet los van maar in relatie tot God. ‘In den beginne schiep God den hemel en de aarde’: deze weinige woorden vermelden de onzelfstandigheid en de volstrekte afhankelijkheid van alle werkelijkheid. Wat is dan de werkelijkheid? Voor de westerse mens is zij iets in zichzelf. Voor de bijbelse mens is ze een ding door God. Kijkend naar een ding zien zijn ogen niet zozeer vorm, kleur, kracht en beweging als wel een daad van God. De wereld is een poort, geen muur.

9.9   DE VRAAG VAN DE VERBAZING

De Griekse wijsbegeerte ontstond in een wereld zonder God. Zij kon de goden of het voorbeeld van hun gedrag niet aanvaarden. Plato moest met de goden breken en vragen: wat is goed? Zo ontstond het probleem van de waarden. En het denkbeeld van de waarden nam de plaats van God in. Plato laat Socrates vragen: wat is goed? Maar de vraag van Mozes was: wat verlangt God van u?

In het bijbelse Hebreeuws bestaat er geen woord voor twijfel; er zijn veel uitdrukkingen voor verwondering. Zoals twijfel het uitgangspunt is bij het vellen van een vonnis, zo is verwondering het bijbelse uitgangspunt tegenover de werkelijkheid. Het gevoel van de bijbelse mens voor de bovenmenselijke grootsheid van de werkelijkheid belette de macht van de twijfel om zijn eigen, onafhankelijke dynastie te stichten. Twijfel is een houding waarin de geest zijn eigen denkbeelden onderzoekt; verwondering is een houding waarin de geest het heelal beschouwd. Radicale scepsis is de uitwas van subtiele eigendunk en zelfvertrouwen. Toch was er geen eigendunk in de profeten en geen zelfvertrouwen in de psalmist.

En daarom vraagt de bijbelse mens nooit: is er een God? Het stellen van een dergelijke vraag, waarin twijfel tot uiting komt welke van twee mogelijke houdingen de juiste is, betekent de aanvaarding van de kracht en de geldigheid van een derde houding, te weten de houding van de twijfel. De bijbel kent de twijfel als een absolute houding niet. Want er is geen twijfel waar het geloof geen rol in speelt. De vragen die de bijbel aan de orde stelt, zijn van een ander soort.

Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? 

Dit geeft geen denkproces weer dat keurig de volgorde in acht neemt van eerst de twijfel en daarna het geloof, eerst de vraag en dan het antwoord. Het geeft een toestand weer waarin de geest oog in oog staat met het mysterie en niet met zijn eigen ideeën. Een vraag is een vragende zin, waarop of een bevestigend, ofwel een ontkennend antwoord wordt verwacht. Maar de zin wie heeft dit alles geschapen? is een vraag die de onmogelijkheid inhoudt een ontkennend antwoord te geven. Het is een vermomd antwoord, een vraag uit verbazing, niet uit nieuwsgierigheid. Dit nu is de stelling van een profeet: er is een manier om de grote vraag zo te stellen dat ze slechts een bevestigend antwoord kan uitlokken. Wat is die manier?

Maar toen de zeven jaren verstreken waren, sloeg ik, Nebukadnessar, mijn ogen naar de hemel op en keerde mijn verstand in mij terug. Deze bekentenis van de koning van Babylon, vermeld in het boek Daniël (4:34), geeft ons een vermoeden van de manier waarop men zijn vermogen terug kan krijgen om de uiteindelijke vraag te stellen: zijn ogen opslaan naar den hemel. Het is dezelfde uitdrukking als die Jesaja gebruikte: ‘Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen?’

De volgende parabel werd verteld door rabbi Nahman van Bratzlaw. Er was een prins die op grote afstand van zijn vader leefde en die erg naar hem verlangde. Eens ontving hij een brief van zijn vader en hij was buiten zichzelf van vreugde en koesterde die brief. Maar de vreugde en het genot die de brief hem schonken, vergrootten zijn verlangen nog meer. Hij placht neer te zitten en te klagen: ‘O, als ik alleen maar zijn hand zou kunnen aanraken! Als hij zijn hand naar mij zou willen uitsteken, hoe zou ik die grijpen. Elke vinger zou ik kussen in mijn grote verlangen naar mijn vader, mijn leraar, mijn licht. Genadige vader, hoe graag zou ik ten minste je pink willen aanraken!’ En terwijl hij klaagde, voelde en verlangde naar een aanraking van zijn vader, flitste een gedachte door zijn geest: heb ik niet de brief van mijn vader, met zijn eigen hand geschreven! Is het handschrift van de koning niet vergelijkbaar met zijn hand? En een grote vreugde laaide in hem op.

Zie ik de hemel, het werk van uw vingers.                                Ps. 8:4

9.10    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 9

1          Sophocles, Oedipus Tyrannus, 1424-1429; Electra, 86-95.

2          Hippolitus, Akte IV, 1116.

3          King Lear, Akte I, scène 2,1-2.

4          Cymbeline, Akte iii, scène 3,2-7.

5          Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze         stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon (Ez. 8:16). Ze veronachtzaamden alle geboden van de HEER, hun God. Ze goten twee beelden in de vorm van een stierkalf en maakten een Asjerapaal. Ze aanbaden de hemellichamen en dienden Baäl (2 Kon. 17:16). Hij herstelde de offerplaatsen die zijn vader Hizkia verwijderd had, richtte nieuwe altaren op voor Baäl en maakte een nieuwe Asjerapaal, naar het voorbeeld van koning Achab van Israël. Hij aanbad de hemellichamen en diende die (2 Kon. 21:3).

6          G. Soutar, Nature in Greek Poetry (Londen 1939) pp. 178-191.

7          The Works of Francis Thompson, dl iii, pp. 80-81. Zie Will Herberg, Judaism and Modern Man (New York 1951) p. 34.

8          Diels, Die Fragmente der Vorsokratiker, Heracleitus, fragment 30.

9          Timaeus, slot.

10        Marcus Aurelius, Meditaties, IV, 23.

11        De zin in Sirach 40:1, die de aarde ‘de moeder van allen’ noemt, (Ieder mens zijn veel zorgen beschoren, de nakomelingen van Adam dragen een zwaar juk, vanaf de dag dat zij de moederschoot hebben verlaten tot op de dag dat zij naar hun aller moeder terugkeren.) is vaak verkeerd uitgelegd, namelijk als uitdrukking van voorstellingen van de aarde als moeder van de mens. Het komt ons voor dat de juiste betekenis een verwijzing is naar de uithoeken van de aarde als het gebied van het leven na de dood. Vergelijk Ez. 26:20: …dan zal ik je doen afdalen naar hen die je zijn voorgegaan, naar het volk van weleer. Daar zul je wonen, in het land van de diepten, bij hen die zijn afgedaald in de afgrond, in de eeuwige ruïnes. Je zult niet langer in het land van de levenden wonen, daar zul je geen plek meer hebben. 32:32: Het land van de levenden heb ik vervuld van angst voor de farao, maar nu komt hij met zijn volk te liggen te midden van de onbesnedenen en de gesneuvelden – zo spreekt God, de HEER. Job 1:21: En hij zei: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’ Ps. 116:9: Ik mag wandelen in het land van de levenden onder het oog van de HEER. Ps. 139:15 (Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim.) verwijst niet naar de aarde maar naar de diepten van het aardrijk. God is Hij die de mens wrocht; de diepten van het aardrijk waren de plaats van dat werk. Vergelijk 4 Ezra 5:28: En nu Here, waarom hebt u dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat uw is, onder velen verstrooid? 

12        Elke gebeurtenis in de natuur werd beschouwd als een daad van de goddelijke Voorzienigheid; vergelijk Jes. 40:26: Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen? Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken, hij roept ze bij hun naam, een voor een; door zijn kracht en onmetelijke grootheid ontbreekt er niet één. Job 38:4-6: Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me, als je zoveel weet. Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch? Wie strekte het meetlint over haar uit? Waar zijn haar sokkels verankerd, wie heeft haar hoeksteen gelegd.

13        Vergelijk Abravanel, Mifalot Elohim, VII, 3. In het voetspoor van Saadia staaft Abravanel zijn stelling dat het heelal vernietigbaar is met verwijzingen naar de rabbijnse literatuur. Maimonides, The Guide of the Perplexed, ii, hfdst. 27 en 29; Gersonides, Milhamot Hashem, IV, 1.16 en in deze tijd Hermann Cohen, Ethik des reinen Willens, p. 387 e.v. houden vast aan de stelling van de onvernietigbaarheid.

14        Adventures of Ideas, p. 154.

15        Job 38:7: …terwijl de morgensterren samen jubelden en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde. Ps. 114:4: de bergen schrokken op als rammen, als lammeren sprongen de heuvels op.

16        J. G. Frazer, The Dying God, p. 5.

17        Zie Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, dl I, p. 44 en dl V, p. 60 n. 194.

10- Een aan ons gestelde vraag

10.1    BOVENNATUURLIJKE EENZAAMHEID

Hebben de idealen die wij nastreven of de waarden die wij trachten te verwerkelijken enige betekenis op het gebied van de natuurlijke processen? De zon schijnt met haar stralen zowel op de rechtvaardigen als op de kwaadaardigen, net zoals op de bloemen en de slangen. Het hart klopt normaal in hen die martelen en doden. Is alle goedheid en alle streven naar waarachtigheid niet meer dan een verzinsel van de geest, dat in werkelijkheid aan niets beantwoordt? Waar gelden de waarden van de geest? In het innerlijke leven van de mens? Maar de geest is een vreemdeling in de ziel. Een gebod zoals heb je naaste lief als jezelf is in het zelf niet thuis.

We hebben allemaal dezelfde verschrikkelijke eenzaamheid. Dag na dag komt een wanhopige vraag in ons op: zijn we alleen in de woestijn van het zelf, alleen in dit zwijgende heelal, waarvan we deel uitmaken en waarin we ons tegelijkertijd vreemdelingen voelen?

Een dergelijke situatie maakt ons rijp om op zoek te gaan naar een stem van God in de wereld van de mens: de smaak van de uiterste eenzaamheid. De ontdekking dat – tenzij God een stem heeft – het leven van de geest een gril is; dat de wereld zonder God een onvoltooid werkstuk is; dat een ziel zonder geloof een stronk is.

10.2    GEEN WETENSCHAPPELIJK PROBLEEM

Wat is de basis voor onze zekerheid van de werkelijkheid van God? Het is duidelijk dat we religie niet aan de wetenschappelijke logica kunnen onderwerpen. Wetenschap is niet de enige weg naar de waarheid, en haar methoden vertegenwoordigen niet het complete menselijke denken. Ze zijn inderdaad misplaatst in die dimensie van het menselijke bestaan waarin God een brandende kwestie is.

God is geen wetenschappelijk probleem en wetenschappelijke methoden zijn ongeschikt om het op te lossen. Men denkt vaak dat wetenschappelijke methoden geschikt zijn om het op te lossen vanwege het succes van hun toepassing in de waarneembare wetenschappen. De dwaling in deze analogie is de behandeling van God alsof hij een verschijnsel binnen de alledaagse orde is. De waarheid is echter dat het probleem van God niet alleen verband houdt met natuurverschijnselen, maar met de natuur zelf. Het is een probleem dat verband houdt met wat de natuur te boven gaat, met wat achter alle dingen en alle concepten ligt.

Op het ogenblik dat we de naam van God uitspreken, verlaten wij het vlak van het wetenschappelijk denken en betreden we het domein van het onuitsprekelijke. Een dergelijke stap kunnen we niet op wetenschappelijke wijze nemen, omdat het de grenzen van alles wat gegeven is, overstijgt. Ondanks alle waarschuwingen is de mens nimmer opgehouden zich met de uiteindelijke vragen bezig te houden. De wetenschap kan hem niet tot zwijgen brengen, omdat wetenschappelijke termen zinloos zijn voor de geest die deze vragen oppert, zinloos voor het verlangen naar een waarheid groter dan de wereld die door de wetenschap wordt onderzocht.

God is niet het enige probleem dat voor de wetenschap ontoegankelijk is. Het probleem van de oorsprong van de werkelijkheid blijft voor haar onaantastbaar. Sommige aspecten van de gegeven werkelijkheid stemmen overeen met de categorieën van de wetenschappelijke logica, terwijl andere aspecten van de werkelijkheid voor deze logica ontoegankelijk zijn. Zelfs sommige aspecten en ideeën van ons eigen denken zijn ondoordringbaar voor analyse.

10.3 VOORBIJ DEFINITIES

Een van de vroegste dialogen van Plato, de Charmides, is gewijd aan het onderzoek van de vraag wat matigheid is. Verschillende definities worden geopperd, maar ze blijken allemaal onvoldoende te zijn. Dan geeft Socrates toe dat matigheid niet omschreven kan worden: ‘Ik ben geheel verslagen en heb niet kunnen ontdekken waaraan de toekenner van namen deze naam van matigheid gegeven heeft.’ Het is mogelijk dat een mens ‘weet heeft van iets wat hij helemaal niet kent’.

De diepzinnigste leerstukken ‘kunnen niet zoals andere wetenschappelijke onderwerpen onder woorden worden gebracht’. Ze kunnen alleen begrepen worden ‘door een voortgezette toepassing op het onderwerp zelf en de omgang daarmee’. Een dergelijk begrip wordt ‘plotseling in de ziel geboren, als een licht door een overspringende vonk ontstoken, en daarna voedt het zichzelf’.1

Het is onmogelijk om ‘goedheid’ of ‘feit’ te definiëren, niet omdat ze iets aanduiden wat strijdig met de rede of zinloos is, maar omdat ze denkbeelden aanduiden die de grenzen van elke definitie te buiten gaan; ze zijn meer buitenredelijk dan rationeel. We kunnen het heilige niet definiëren of in woorden uitspreken wat we bedoelen als we zeggen ‘gezegend zij Hij’. Waar heilig naar verwijst, wat we bedoelen met ‘gezegend zij Hij’ ligt buiten het bereik van woorden. ‘Het beste gedeelte van schoonheid is datgene wat een afbeelding niet kan uitdrukken.’2 Als onze basisconcepten zich niet lenen voor analyse, moeten we niet verbaasd zijn wanneer de uiteindelijke antwoorden onvindbaar zijn voor de rede alleen. Wanneer het onmogelijk is om ‘goedheid’, ‘waarde’ of ‘feit’ te definiëren, hoe zou het ons dan ooit lukken om te definiëren wat wij onder God verstaan? Elke religieuze daad en elk religieus oordeel houdt aanvaarding van het onuitsprekelijke in, de erkenning van het onbegrijpelijke. Wanneer de grondwaarden van de religie, zoals God, openbaring, gebed, heiligheid, geboden, worden opgelost in alledaagse categorieën en beroofd van hun verheven betekenis, dan zijn ze zo goed als zinloos.

De categorieën van religieus denken zijn, zoals hierboven gezegd, uniek en vertegenwoordigen een wijze van denken op een vlak dat dieper ligt dan het vlak van ideeën, uitspraken en symbolen. Het is onmiddellijk, onuitsprekelijk en staat boven symboliek. Godgeleerden hebben altijd geprobeerd hun inzichten op te tillen tot het vlak van uitspraken, dogma en belijdenis. Toch moeten zulke uitspraken worden beschouwd als aanwijzingen, als pogingen om over te dragen wat niet goed onder woorden gebracht kan worden, willen ze geen belemmering voor echt geloof vormen

10.3    HET PRINCIPE VAN DE ONVERENIGBAARHEID
Het doel van de wetenschap is het verklaren van de wetmatigheden in de natuur. Elke wetenschappelijke verklaring van een verschijnsel in de natuur berust op de veronderstelling dat de dingen zich gedragen op een manier die fundamenteel redelijk is en begrijpelijk voor het menselijke verstand.3 Door de vooruitgang van de wetenschap worden steeds meer verschijnselen begrijpelijk, waardoor de veronderstelling bevestigd wordt van de redelijkheid van de manier waarop de dingen zich gedragen en van hun verenigbaarheid met het menselijke verstand. Veel verschijnselen die nu nog onbegrepen zijn, zullen waarschijnlijk verklaard worden als het wetenschappelijke onderzoek vorderingen blijft maken.
Het wezen van de werkelijkheid blijft echter onverenigbaar met onze categorieën. De natuur zoals zij is en zelfs het denken zelf gaan ons begrip te boven. Het wezen van de dingen is onuitsprekelijk en dus onverenigbaar met het menselijke verstand, en het is juist deze onverenigbaarheid die de bron is van alle scheppend denken in de kunst, de religie en het morele leven. We kunnen dus stellen dat, zoals de ontdekking van de verenigbaarheid van de werkelijkheid met de menselijke geest de wortel van de wetenschap is, zo is ook de ontdekking van de onverenigbaarheid van de wereld met de menselijke geest de wortel van kunstzinnig en religieus inzicht. Het is het gebied van het onuitsprekelijke, waar het mysterie binnen het bereik van alle gedachten is, waarin de uiteindelijke problemen van de religie geboren worden.

10.4    DE DIMENSIE VAN HET ONUITSPREKELIJKE
Met het onuitsprekelijke bedoelen we niet het onbekende als zodanig; kwesties die nu onbekend zijn, kunnen over duizend jaar bekend zijn. Met het onuitsprekelijke bedoelen we dat aspect van de werkelijkheid dat naar zijn aard ons begrip te boven gaat en waarvan de geest erkent dat het buiten zijn bereik ligt. Het onuitsprekelijke heeft evenmin betrekking op een gebied dat gescheiden is van het waarneembare en het bekende. Het heeft betrekking op de onderlinge afhankelijkheid van het bekende en het onbekende, van het kenbare en het onkenbare, wat de geest bij al zijn denken en voelen tegenkomt.

Het gevoel van het onuitsprekelijke is een gevoel voor het bovenzinnelijke, een gevoel dat de werkelijkheid verwijst naar een betekenis die het verstand te boven gaat. Het ‘onuitsprekelijke’ is dus een synoniem voor ‘verborgen betekenis’ en niet voor het ‘ontbreken van betekenis’. Het staat voor een dimensie die in de bijbel (hemelse) glorie, (geluk) zaligheid, (hemelse) heerlijkheid of het (eeuwig) heil wordt genoemd, een dimensie zo werkelijk en zo verheven dat zij ons vermogen om haar te aanbidden bedwelmt en ons meer met ontzag dan met nieuwsgierigheid vervult.

Het heelal met zijn miljoenen hemellichamen, waarvan de verste zich op een onvoorstelbare afstand van de aarde bevindt, houdt geen enkel verband met de levensbehoeften zoals wij die kennen. Vanuit het gezichtspunt van de mens lijkt het heelal geen doel of oogmerk te hebben en het zou zonder zin lijken wanneer de mens de maatstaf zou zijn voor wat zinvol en zinloos is. Maar hier maken we ons schuldig aan een tegenstrijdigheid. Hoe zou de mens de maatstaf kunnen zijn voor wat wel en voor wat geen zin heeft als er uiteindelijk geen zin is? Tegenover de immense grootsheid van het heelal kunnen we slechts toegeven dat er een zin is die groter is dan de mens. Er lijken twee richtingen van menselijk denken te bestaan: de ene begint bij de mens, zijn levensbehoeften en zijn oogmerken, in de veronderstelling dat het heelal een zinloze voorstelling of een verspilling van energie is; de andere begint in verbazing, in ontzag en bescheidenheid en eindigt in de veronderstelling dat het heelal vervuld is van een heerlijkheid die de mens en zijn geest te boven gaat, maar eeuwig zinvol is voor Hem die het zijn mogelijk maakte.

Laten wij ons herinneren wat elders is gezegd4 in antwoord op de vraag: wat kunnen wij op goede gronden zeggen over de eindeloze stroom van mysterie waarin onze zielen gevangen zijn? Is het onbekend en strijdig met onze categorieën omdat het zinloos is? We hebben geopperd dat, behalve als onze inzichten over ontzag tekenen van krankzinnigheid zijn en verachting voor de grandeur en het mysterieuze van het heelal de enige redelijke houding van de ziel is, het een teken van afstomping zou zijn om ons intuïtieve gevoel voor het mysterie te negeren en te beweren dat de uiteindelijke raadsels de rand van chaos en niet de oever van eindeloze inhoud vormen.

In onze eigen studeerkamer kunnen we elk denkbeeld dat bij ons opkomt overwegen. In die situatie is het zelfs aanvaardbaar om te zeggen dat de wereld waardeloos is en alle zin een droom of een verzinsel. Maar niemand kan de sterren bespottelijk maken, zijn neus ophalen voor de dageraad, het uitbarsten van de lente belachelijk maken of de totaliteit van het zijn beschimpen. Weg van het onmetelijke, gekluisterd in onze eigen gedachtespinsels kunnen we alles minachten en zwart maken. Maar staand tussen hemel en aarde wordt ons het zwijgen opgelegd.

HET BESEF VAN TRANSCENDENTE BETEKENIS
We zijn geconditioneerd door de structuur van de natuur en door de structuur van onze geesten. En belangrijker dan het gevoel van ontzag is de geldigheid van en de behoefte aan ontzag die door de menselijke geest onbetwist blijven. Ontzag is het besef van een transcendente betekenis, van een geestelijke suggestie naar de werkelijkheid, een zinspeling op buitenzintuiglijke betekenis. De wereld in zijn grootsheid is vol van een geestelijke glans, waarvoor we een naam, noch een concept hebben.

We zijn getroffen door de onmetelijke kostbaarheid van het bestaan. Een kostbaarheid die niet een voorwerp van analyse is maar een reden tot verwondering. Ze is onverklaarbaar, naamloos en kan niet omschreven of in een categorie ondergebracht worden. Toch hebben wij een zekerheid zonder kennis: ze is werkelijk zonder verklaarbaar te zijn. Ze kan niet aan andere worden meegedeeld; ieder mens moet haar zelf vinden. In ogenblikken waarin wij het numineuze voelen, zijn we even zeker van de waarde van de wereld als van haar bestaan. Er moet een waarde zijn die het ontstaan van de aarde rechtvaardigde. We mogen betwijfelen of de wereld volmaakt is. Zelfs echter indien we haar onvolmaaktheid erkennen, is de kostbaarheid van haar grootsheid buiten twijfel.

Ontzag is dus meer dan een gevoel. Het is een antwoord van het hart en de geest op de nabijheid van het mysterie in alle dingen, een intuïtie voor een betekenis aan gene zijde van het mysterie, een besef van de transcendente waarde van het heelal.

Als we zeggen dat het heelal – onafhankelijk van ons bevattingsvermogen – een transcendente betekenis heeft, dan verlenen we aan een louter denkbeeld niet een werkelijk bestaan, evenmin als we dat doen door te beweren: ‘Dit is een oceaan’ wanneer zijn golven ons meevoeren. De geheimenis en de grootsheid die wij waarnemen, zijn overweldigend werkelijk. Waar zij voor staan, is zo verheven dat het ons vermogen om te aanbidden bedwelmt. Het dwingende van het ontzag is zijn bewijsstuk, een universeel bewijsstuk dat wij allen bevend en betoverd bezegelen, niet omdat wij dat wensen, maar omdat we bedwelmd zijn en er niet tegen opgewassen zijn. Er is zoveel meer betekenis in de werkelijkheid dan de ziel kan opnemen. Voor ons gevoel voor het mysterie en het wonder is de wereld té ongelofelijk, té vol betekenis voor ons en is haar bestaan het meest onwaarschijnlijke, meest ongelooflijke feit, indruisend tegen alle redelijke verwachting. Zelfs ons vermogen om ons te verwonderen vervult ons met verbazing.

Dit nu is een inzicht dat wij verwerven iedere keer als wij ons verwonderen: om betekenis niet te meten met onze eigen maatstaven, maar om een betekenis te voelen die oneindig veel groter is dan wij.

Voor de zekerheid van een uiteindelijke betekenis zetten we ons leven op het spel. Bij elk oordeel dat we vormen, bij elke handeling die we verrichten, gaan we ervan uit dat de wereld vol betekenis is. Het leven zou waardeloos worden wanneer wij handelden alsof er geen uiteindelijke betekenis zou zijn. Haar ontkenning zou inderdaad een tegenspraak in zichzelf zijn, omdat als er geen uiteindelijke betekenis zou zijn, de ontkenning ervan zinloos zou zijn; in een wereld die niet door betekenis geleid wordt, zou het verschil tussen bevestiging en ontkenning zinloos zijn.

10.6    HET GEVOEL VAN VERWONDERING IS ONTOEREIKEND
Onze stelling moet worden toegelicht. Niet elke bespiegeling leidt tot ontzag. De Duitse astronoom en astroloog Johannes Kepler († 1630) kon God ervaren in de wiskundige wetten van de natuur. Toen hij de orde en de harmonie in de natuur ontdekte, kon hij uitroepen: ‘Uw gedachten denk ik U na, o God!’ Maar wij zijn ver verwijderd van de benadering van de vroege natuurkundigen. Voordat we kunnen vaststellen of ons verlies van ontzag onherstelbaar is, moeten we proberen te begrijpen hoe het verlies kon gebeuren.

De hedendaagse natuurkundige gaat niet om met de natuur; hij gaat om met cijfers, formules en instrumenten. ‘Als hij de structuur van een atoomkern zou willen begrijpen, moet hij een half miljoen pond uitgeven voor een enorme machinerie en terwijl het experiment aan de gang is, moet hij zich erop voorbereiden dat hij door dikke lagen beton zal worden afgeschermd van wat er gebeurt.’ ‘Terugblikkend op – bij voorbeeld – de polemiek tussen Goethe en Newton over de aard van het licht, kunnen we nu zien dat wat Goethe miste in Newtons benadering, een houding van eerbied was. Niemand kan zich vandaag tussen natuurkundigen bewegen zonder vrijwel hetzelfde te bemerken: er is respect en opwinding, soms verbazing, maar er is heel weinig ontzag.’5

De hemelen vertellen Gods eer. De mens staat tegenover een wereld die verwijst naar iets wat haar te boven gaat, naar een waarheid die zich niet laat ervaren. Het zinspeelt op een betekenis die niet van deze wereld is, en het is die toespeling die ons het besef bijbrengt van een geestelijke dimensie van de werkelijkheid, de verbondenheid van het zijn met de transcendente betekenis.

Toegegeven, het mysterie van de betekenis zwijgt. Er is geen spraak en er zijn geen woorden, de stem wordt niet vernomen.

Maar los van ons redeneren en los van ons geloven is er een a-priorisch vermogen dat de glorie, de aanwezigheid van het goddelijke voelt. We nemen het niet waar. We hebben geen kennis; we hebben alleen maar een besef. We zijn er getuige van. En getuige-zijn is meer dan een verslag geven. We hebben geen concept en we kunnen ook geen theorie ontwikkelen. Alles wat we hebben, is een besef van iets wat niet in een concept of in een symbool kan worden weergegeven.

Het antwoord op de uiteindelijke vraag is niet te vinden in het denkbeeld dat de grondslagen van de wereld midden in een ondoordringbare mist liggen. Mist kan niet de plaats innemen van licht en de geheel onbekende God is niet een god maar een naam voor de kosmische duisternis. De God wiens nabijheid we in de wereld bespeuren, is naamloos, geheimzinnig. Wellicht kunnen we voelen dát Hij is, niet wát Hij is. Wat is zijn naam, zijn wil, zijn hoop voor mij? Hoe zou ik Hem moeten dienen, hoe Hem aanbidden? Het gevoel van verwondering, ontzag en mysterie is noodzakelijk, maar is niet toereikend om de weg te vinden van verwondering naar aanbidding, van bereidheid naar verwezenlijking, van ontzag naar daden.

HET BEWIJS VAN EEN BEDOELING
Van de verschillende manieren waarop het bestaan van een opperste intelligentie is aangetoond, moet het teleologische bewijs volgens Kant ‘altijd met eerbied genoemd te worden’. Het stelt dat de orde en de inrichting van het heelal niet afdoende verklaard kunnen worden zonder het handelen van een intelligente God te veronderstellen.6

De teleologische redenering leidt het bestaan van een goddelijke macht af uit de doelbewuste structuur van de natuur. Orde sluit intelligentie in. Die intelligentie is God. Een klassieke formulering is te vinden in een bekende passage in Natural Theology (1803) van de anglicaan William Paley († 1805), hoofdstuk 1. ‘Stel dat ik een [mechanisch] horloge had gevonden op de grond… Als het binnenwerk bekeken is… lijkt de slotsom onvermijdelijk dat het horloge een maker moet hebben; dat eens op de een of andere plaats een vakkundige moet hebben bestaan die het maakte voor het doel waaraan het naar onze ervaring beantwoordt; die de constructie begreep en zijn gebruik uitdacht.’ Het heelal verhoudt zich tot God zoals het horloge zich verhoudt tot de ambachtsman die het vervaardigde. De hemelen zijn het werk van zijn handen, zoals het horloge het werk is van de horlogemaker.

Deze vergelijking beschouwt het heelal en ook het horloge als een afzonderlijk, onafhankelijk en absoluut geheel. De natuur is een ding in zichzelf, compleet en onafhankelijk op het onderhavige moment. Het probleem op deze wijze benaderd betreft niet het bestaan maar het ontstaan van het heelal, niet zijn heden maar zijn verleden. Omdat de uiteindelijke structuur en de orde van de natuur als een technisch geheel werden beschouwd, werd haar oorsprong of schepping ook als een technisch proces voorgesteld, vergelijkbaar met het proces van het maken van een horloge.

De tekortkoming van deze visie is dat zij zowel het horloge als alle werkelijkheid als vanzelfsprekend aanvaardt. Het uiteindelijke probleem is niet alleen hoe het ontstond, maar ook hoe het mogelijk is dat het is. Verder gaat het probleem niet alleen over het onderwerp van de vraag, maar ook het stellen van de vraag. We kunnen het bestaan van het horloge niet als uitgangspunt nemen en zomaar vragen wie het maakte. Is het horloge zelf niet een mysterie? Is het niet volstrekt onbegrijpelijk dat ik het horloge waarneem en zijn bedoeling begrijp?

10.8    RELIGIE BEGINT MET VERWONDERING EN MYSTERIE
Het waardevolle van het teleologische bewijs is dat het een antwoord geeft op een speculatief probleem. De zwakte is dat het geen antwoord geeft op het religieuze probleem. Het eerste probleem komt voort uit het zoeken van hen die zeker zijn van wat ze weten (het feit van de bedoeling van het heelal). Het andere probleem ontspruit aan de verbazing van hen die weten dat ze niet weten. De speculatieve geest zoekt om het bekende te verklaren. De religieuze geest zoekt een manier om het onbekende te verklaren. Wanneer de wereld als vanzelfsprekend is aanvaard, dan hoeven we alleen nog maar de oorzaak te kennen. Als de wereld een mysterie is, dan is het meest urgente probleem, waar staat het voor? Wat is de zin ervan? Elke verwijzing naar denkbeelden die gelijk zijn aan wereldse waarden, wordt volstrekt onvoldoende.

Er is geen antwoord in de wereld voor de uiteindelijke verwondering van de mens over de wereld. Er is geen antwoord in het zelf voor de uiteindelijke verwondering van de mens over het zelf. De vraag ‘Wie heeft dit alles geschapen?’ kan niet worden beantwoord door te verwijzen naar een oorzaak of een kracht, omdat de vraag zou blijven: wie schiep de kracht of de oorzaak? Er is niets in de wereld dat de naam God verdient. De wereld is een mysterie, een vraag, niet een antwoord. Alleen een denkbeeld dat groter is dan de wereld, een denkbeeld dat niet ontleend is aan ervaring of speculatie, is toereikend en waard om met het religieuze probleem in verband te worden gebracht. Liever het mysterie van de schepping dan het concept van de bedoeling. Liever een God die boven het mysterie staat dan een ontwerper of een supergeest; een God in relatie tot Wie de wereld hier en nu betekenis zou kunnen krijgen – dat zijn antwoorden die bij het religieuze probleem passen. De erkenning dat wij de oorsprong van het heelal niet begrijpen is eerlijker dan het aanvaarden van een ontwerper.

10.9    EEN TOT ONS GERICHTE VRAAG
Er is een ander wezenlijk verschil tussen de godsvraag in de speculatie en de godsvraag in de religie. De eerste is een vraag over God; de tweede is een vraag van God. De eerste gaat over de oplossing van het probleem of er een God bestaat en, als er een God is, wat zijn aard is. De tweede betreft ons persoonlijk antwoord op het probleem dat ons in de feiten en gebeurtenissen van de wereld en van onze eigen ervaring wordt voorgelegd. Anders dan wetenschappelijke vragen, die we desgewenst aan anderen kunnen overlaten, laat de uiteindelijke vraag ons niet met rust. Ieder van ons wordt opgeroepen om te antwoorden.

Voor de speculatieve geest is de wereld een raadsel; voor de religieuze geest is de wereld een uitdaging. Het speculatieve probleem is onpersoonlijk; het religieuze probleem richt zich tot de persoon. Het eerste gaat over het vinden van een antwoord op de vraag: wat is de oorzaak van het zijn? Het tweede betreft het geven van een antwoord op de vraag: wat wordt van ons gevraagd?

Denken is geen geïsoleerd verschijnsel. Het beïnvloedt het hele leven en wordt op zijn beurt beïnvloed door alles wat je weet, voelt, waardeert, uitspreekt en doet. Ons denken over God wordt beïnvloed door ontzag en arrogantie, door bescheidenheid en eigenwaan, door gevoeligheid en harteloosheid.

We denken niet in een luchtledig. Denken betekent in de eerste plaats het overwegen van wat ons bezighoudt. Wat ons in religieus denken bezighoudt, is niet een hypothese maar is het verhevene, het wonder, de geheimenis, de uitdaging. Denken over God betekent niet gewoon theoretiseren of gissen over iets wat zinloos en onbekend is. We kunnen de betekenis van God niet oproepen uit het niets. We staan niet tegenover een vacuüm, maar tegenover het verhevene, het wonder, het mysterieuze, de uitdaging.

Er is geen aandacht voor God als er geen ontzag is, en alleen in ogenblikken van ontzag wordt God gevoeld als een vraag. Op momenten van onverschilligheid en aanmatiging, zou God een concept kunnen zijn, maar niet een betrokkenheid. Het is alleen een betrokkenheid die aanzet geeft tot religieus denken.

10.10    ‘EEN PALEIS VOL VAN LICHT’
Heft uw ogen omhoog. Religie is het resultaat van wat de mens doet met zijn uiteindelijke verwondering, met de momenten van ontzag, met het gevoel van het mysterie.

Hoe kwam Abraham tot de zekerheid dat er een God is die zich de wereld aantrekt? Volgens de rabbijnen kan Abraham “vergeleken worden met een man die van plaats naar plaats reisde toen hij een paleis vol van licht zag.7 ‘Is het mogelijk dat er niemand is die om het paleis geeft?’ vroeg hij zich verwonderd af. Totdat de eigenaar van het paleis naar hem keek en zei: ‘Ik ben de eigenaar van het paleis.’ Op dezelfde wijze vroeg Abraham, onze vader, zich verwonderd af: ‘Is het denkbaar dat de wereld geen leider heeft?’ De Heilige, Hij zij geprezen, keek op en zei: ‘Ik ben de Gids, de Oppermachtige van de wereld’.”8 Het was in verwondering dat Abrahams speurtocht naar God begon.

10.11    WAT TE DOEN MET VERWONDERING
Het is daarom niet een gevoel voor het mysterie dat het leven, of een gevoel van ontzag, verwondering of vrees, dat de wortel van het geloof is. Eerder de vraag wat te doen met het gevoel voor het mysterie van het leven, wat te doen met ontzag, verwondering of vrees. Het denken over God begint wanneer we niet meer weten hoe ons te verwonderen, hoe te vrezen, hoe ontzag te hebben. Want verwondering is niet een toestand van esthetisch genot. Eindeloze verwondering is eindeloze spanning, een toestand waarin we geschokt zijn door de ontoereikendheid van ons ontzag, door de zwakheid van onze schrik en ook doordat ons de uiteindelijke vraag wordt gesteld. De ziel is begiftigd met een gevoel van verplichting, en verwondering, ontzag en vrees roepen dat gevoel van verplichting op. Het is een wonder dat ons de vraag wordt gesteld.

Ondanks onze trots, ondanks onze hebzucht, worden we gedreven door een besef dat iets van ons gevraagd wordt; dat ons gevraagd wordt om ons te verwonderen, te vereren, te denken en te leven op een manier die verenigbaar is met de grootsheid en het mysterie van het leven.

Religie wordt niet geboren uit intellectuele nieuwsgierigheid, maar uit het feit en de ervaring van de aan ons gestelde vraag.

Alles wat ons rest is een keuze: antwoorden of weigeren te antwoorden. Maar hoe aandachtiger we luisteren, hoe meer wij onze arrogantie en harteloosheid verliezen die ons alleen al in staat zouden kunnen stellen om te weigeren. Wij dragen een last van verbazing, die we zouden willen ruilen voor de eenvoudige kennis waarvoor we leven. Een last die we nooit kunnen afleggen maar die we evenmin kunnen blijven dragen zonder te weten waar ze heenvoert.9

Als ontzag schaars is, als de verwondering dood is en het gevoel voor mysterie afgestorven, dan bestaat het probleem niet van wat we met ontzag, verwondering en mysterie moeten doen, en je wordt niet gewaar gevraagd te zijn. Het besef gevraagd te zijn kan gemakkelijk worden onderdrukt want het is een echo van de wenk, die klein is en stil. Het zal echter niet voorgoed getemperd blijven. De dag komt waarop de stille, kleine wenk de stormwind wordt die doet wat hij zegt (Ps. 148:8).

De dode leegte in het hart is voor de levende mens inderdaad ondraaglijk. We kunnen niet overleven behalve als we weten wat van ons gevraagd wordt. Maar aan wie is de mens in zijn onschatbare en tomeloze vrijheid iets verschuldigd? Waar komt het vragen vandaan? Tegenover wie is hij verantwoordelijk?

10.12    NOTEN BIJ HOOFDSTUK I0

1          Plato, Brieven, VII, 341.

2          Bacon, Apothegms, 64.

3          Zie p. 324 e.v.

4          Man is Not Alone, p. 28 e.v.

5          C.A. Coulson, ‘Science and Religion: A Changing Relationship’ (pamflet) Cambridge 1954.

6          Een indrukwekkende nieuwe uiteenzetting van het teleologische bewijs is te vinden in Frederick Robert Tennants Philosophical Theology (Cambridge 1929-’30) dl II, pp. 78 e.v . Vergelijk ook Frederick J. W. Woodbridge, Nature and Mind (New York 1937) pp. 29-36.

7         Het woord doleket is dubbelzinnig. Het kan betekenen ‘verlicht’, ‘vol van licht’, of ‘in vlammen’. In de eerste zin is het opgevat door het ‘Rashi’-commentaar op Genesis Rabba, in de tweede door Yede Moshe en de commentaren van rabbi David Luria en rabbi Zev Einhorn. De parabel is in beide betekenissen van belang. Zie p. 408.

8          Genesis Rabba, hfdst. 39.
9          Man is Not Alone, p. 69.