IN TIME OF WAR
l
So from the years the gifts were showered; each
Ran off with his at once into his life:
Bee took the polities that make a hive,
Fish swam as fish, peach settled into peach.
And were successful at the first endeavour;
The hour of birth their only time at college,
They were content with their precocious knowledge,
And knew their station and were good for ever.
Till finally there carne a childish creature
On whom the years could model any feature,
And fake with ease a leopard or a dove;
Who by the lightest wind was changed and shaken,
And looked for truth and was continually mistaken
And envied his few friends and chose his love. ‘
TEN TIJDE VAN OORLOG
I
De jaren regenden hun gaven neer
die ieder naar zijn eigen leven droeg.
De bij bouwde uit politiek zijn korf,
vis zwom als vis, peer voegde zich tot peer.
Ze slaagden van meet aan; het uur
van hun geboorte hun universiteit;
tevreden met hun kennis, hoe vroegrijp
ook, kenden zij hun plaats voor eeuwige duur.
Maar eindelijk verscheen daar een soort kind,
een schepsel dat de tijd, naarmate die gezind was,
kneedde in de vorm van luipaard of van duif,
die dan de minste bries weer van hem wiste.
Het zocht de waarheid maar bleef zich vergissen,
benijdde schaarse vrienden, koos zijn lief.

II
They wondered why the fruit had been forbidden;
It taught them nothing new. They hide their pride,
But did not listen much when they were chidden,
They knew exactly what to do outside.
They left: immediately the memory faded
Of all they’ d learnt; they could not understand
The dogs now who, before, had always aided;
The stream was dumb with whom they’ d always planned.
They wept and quarreled: freedom was so wild.
In front, maturity, as he ascended,
Retired like a horizon from the child;
The dangers and the Punishments grew greater;
And the way back by angels was defended
Against the poet and the legislator.
II
De vrucht was hun verboden, maar waarom?
Hij leerde hun niets nieuws. Ze hielden, ongehoord
al de vermaningen, hun eigen trots steeds dom;
ze wisten wat te doen buiten dit oord.
Ze gingen: hun herinnering eenmaal vervaagd
aan wat ze kenden, snapten ze de hond
niet langer, ooit hun trouwe toeverlaat;
de beek die hun ooit raad gaf bleef nu stom.
Ze huilden, maakten ruzie: vrijheid was zo wild.
Bij al zijn voortgang zag het kind toch hoe
de rijpheid als de einder hem steeds ontging;
de straffen en gevaren werden wreder;
twee engelen hielden de terugweg toe
voor dichter evenzeer als voor wetgever.
lll
Only a smell had feelings to make known,
Only an eye could point in a direction;
The fountain’s utterance was itself alone,
The bird meant nothing: that was his projection
Who named it as he hunted it for food.
He felt the interest in his throat, and found
That he could send his servant to the wood,
Or kiss his bride to rapture with a sound.
They bred like locusts till they hid the green
And edges of the world: and he was abject,
And to his own creation became subject;
And shook with hate for things he’ d never seen,
And knew of love without love’s proper object,
And was oppressed as he had never been.
III
Al deelde geur misschien gevoelens mee
en gaf het oog een zekere richting aan,
toch sproeide de fontein voor zich alleen,
de vogel zei niets: pas als hij haar naam
gaf kon hij zijn pijl richten op zijn buit;
hij voelde wilskracht wellen in zijn keel,
dat hij zijn knecht beval, hak mij wat hout,
zijn bruid met slechts geluid al beven deed.
De namen wolkten als een sprinkhaanplaag
tot al het groen verdwenen was: beroerd,
ontdaan, was hij zijn eigen schepping slaaf,
een haat doorvoer hem voor wat hij nog nooit
gezien had en een lief de zonder doel
en hij was onderworpener dan ooit.

IV
He stayed: and was imprisoned in possession.
The seasons stood like guards about his ways,
The mountains chose the mother of his children,
And like a conscience the sun ruled his days.
Beyond him his young cousins in the city
Pursued their rapid and unnatural course,
Believed in nothing but were easy-going,
And treated strangers like a favourite horse.
And he changed little,
But took his colour from the earth,
And grew in likeness to his sheep and cattle.
The townsman thought him miserly and simpte,
The poet wept and saw in him the truth
And the oppressor held him up as an example.
IV
Hij bleef gekluisterd aan bezit. Willoos
gunde hij de seizoenen hun gezag;
een berg koos hem een moeder voor zijn kroost;
de zon, als een geweten, stuurde zijn dag.
Familie, die de verre stad verkoos,
joeg daar een snel, kunstmatig leven na,
zonder geloof maar altijd achteloos,
behandelde de vreemde als lievelingspaard.
Hijzelf gaf aan de tijd nauwelijks mee,
hij nam de kleuren van de aarde aan
en leek geleidelijk meer op zijn vee.
De burger vond hem vrekkig, niet goed wijs,
terwijl de dichter hem als waarheid prees;
de onderdrukker hield hem voor als ideaal.
V
His generous bearing was a new invention:
For life was slow; earth needed to be careless:
With horse and sword he drew: the girls’ attention;
He was the Rich, the Bountiful, the Fearless.
And to the young he came as a salvation;
They needed him to free them from their mothers,
And grew sharp-witted in the long migration,
And round his camp fires learnt all men are brothers.
But suddenly the earth was full: he was not wanted.
And he became the shabby and demented,
And took to drink to screw his nerves to murder;
Or sat in offices and stole,
And spoke approvingly of Law and Order,
And hated life with all his soul.
V
Het was een mooie vondst, zijn gulle zwier,
het leven miste vaart, onachtzaamheid:
met paard en zwaard maakte hij goede sier
bij meisjes gold hij als Kordaat en Rijk.
En jongens gingen hem als redder zien,
ze lieten moeder achter op zijn roep,
hun reizen maakten hun instincten kien
het kampvuur maakte hen tot broedergroep.
Plots was de wereld vol, hij ongewenst.
Verlopen, vadsig, week van tegenslag,
greep hij, op moord belust, maar naar de fles,
stal of hing rond op het kantoor; serviel,
eerbiedig sprak hij van Wet en Gezag
en haatte het leven met zijn hart en ziel.
VI
He watched the stars and noted birds in flight;
The rivers flooded or the Empire fell:
He made predictions and was sometimes right;
His lucky guesses were rewarded well.
And fell in love with Truth before he knew her,
And rode into imaginary lands,
With solitude and fasting hoped to woo her,
And mocked at those who served her with their hands.
But her he never wanted to despise,
But listened always for her voice; and when
She beckoned to him, he obeyed in meekness,
And followed her and looked into her eyes;
Saw there reflected every human weakness,
And saw himself as one of many men.
VI
Hij keek naar sterrenbaan en vogelvlucht;
daar viel een Rijk, het land werd overstroomd.
Hij deed voorspellingen, soms zelfs met vrucht.
Zijn goede gokken werden goed beloond.
Verliefd al op de Waarheid voor hij haar
ten slotte zag, reed hij door sprookjesland,
met vasten en onthouding hoopte hij haar
te winnen, hoonde wie haar was ter hand.
Maar minachting voor haar gaf hem geen pas.
Lang wachtte hij haar stem af tot, ten laatst,
zij hem bij zich ontbood; hij boog,
hij volgde haar en keek haar in het oog;
daar zag hij heel het menselijk tekort weerkaatst
en snapte dat hij een van velen was.
VII
He was their servant – some say he was blind —
And moved among their faces and their things;
Their feeling gathered in him like a wind
And sang: they cried — ‘lt is a God that sings’ —
And worshipped him and set him up apart,
And made him vain, till he mistook for song
The little tremors of his mind and heart
At each domestic wrong.
Songs came no more: he had to make them.
With what precision was each strophe planned.
He hugged his sorrow like a plot of land,
And walked like an assassin through the town,
And looked at men and did not like them
But trembled if one passed him with a frown.
VII
Hij was hun knecht — men zei wel, hij is blind —
die rondliep in hun levens en hun lot;
al hun gevoel balde zich als de wind
in hem en zong: men zei — ‘Daar zingt een god!’
Ze eerden hem aJs iemand die er niet
echt bij hoort, tot hij ijdel werd, zijn zang
verwarde met de ruis van hart en ziel
en alle huislijke gedrang.
Geen lied viel hem meer in, dus hij verzon
nu regels van een hoge regelmaat
terwijl hij in verdriet zijn akker vond.
Hij waarde als een moordenaar op straat,
beloerde zijn medemens met diepe haat
maar rilde in het zicht van elke frons.

VIII
He turned his field into a meeting-place,
And grew the tolerant ironie eye,
And formed the mobile money-changer’s face,
And found the notion of equality.
And strangers were as brothers to his clocks,
And with his spires he made a human sky;
Museums stored his learning like a box,
And paper watched his money like a spy.
lt grew so fast his life was overgrown,
And he forgot what once it had been made for,
And gathered into crowds and was alone,
And lived expensively and did without,
And could not find the earth which he had paid for,
Nor feel the love that he knew all about.
VIII
Zijn akker maakte hij tot ontmoetingsplaats;
en trok een mild, afstandelijk gezicht
en maakte zich tot meegaand wisselaar,
en liet zich drijven door gelijkheid, evenwicht.
En vreemde werd onder zijn klokken broer
en met zijn spitsen nam hij de hemel in;
kennis werd naar musea afgevoerd,
en bankpapier bewaakte zijn gewin.
Dat alles waste aan, raakte overgroeid,
tot hij vergat waarvoor het was bedoeld:
en ging in menigten maar was eenzelvig,
en leefde rijkelijk en toch, onthield zich,
zijn hand vergat de ooit gekochte grond,
en liefde, ooit zo vertrouwd, ontweek zijn mond.
IX
They died and entered the closed life like nuns:
Even the very poor lost something; oppression
Was no more a fact; and the self-centred ones
Took up an even more extreme position.
And the kingly and the saintly also were
Distributed among the woods and oceans,
And touch our open sorrow everywhere,
Airs, waters, places, round our sex and reasons;
Are what we feed on as we make our choice.
We bring them back with promises to free them,
But as ourselves continually betray them:
They hear their deaths lamented in our voice
But in our knowledge know we could restore them
They could return to freedom; they would rejoice.
IX
Ze stierven, gingen het gekluisterd leven in.
De armsten raakten zelfs verdrukking kwijt,
en zij die het vooral om zichzelf ging
verkozen een nog grotere eenzelvigheid.
En koningen en heiligen, verstrooid
over de bossen en de oceaan,
raken, in lucht en water, ieder oord,
geslacht, verstand, alom ons hartzeer aan;
zijn wat ons sterkt, wat onze keus bepaalt.
En wij vergeten hen, zoals beloofd,
nooit meer, ondanks ons vast verraad;
wij blijven eeuwig rouwen om hun dood;
in onze kennis kunnen zij, in vrijheid,
op onze wil voortleven, met een juichkreet.
X
As a young child the wisest could adore him;
He felt familiar to them like their wives:
The very poor saved up their pennies for him,
And martyrs brought him presents of their lives.
But w’ho could sit and play with him all day?
Their other needs were pressing, work, and bed:
The beautiful stone courts were built where they,
Could leave him to be worshipped and well fed.
But he escaped. They were too blind to tell
That it was he who came with them to labour,
And talked and grew up with them like a neighbour:
To fear and greed those courts became a centre;
The poot saw there the tyrant’s citadel,
And martyrs the lost face of the tormentor.
X
Hij werd als kind door wijzen zelfs vereerd;
hij was hun als un vrouwen haast genegen;
armen legden voor hem hun centen neer,
en martelaren boden hem hun leven.
Maar hoe de hele dag op hem gepast,
met al hun eigen werk, hun eigen rust?
Met een fraai hof, waarin hij werd vergast
op eer en eten, hebben zij hun ziel gesust
Ach, waren ze soms blind, dat ze zijn vlucht
niet opmerkten? Hij werkte in hun schuur
en groeide op, vertrouwder dan een buur.
Zijn hof raakte door hebzucht, angst ontaard;
voor armen werd het een tirannenburcht,
voor martelaars de facie van hun folteraar.

XI
He looked in all His wisdom from the throne
Down on the humble boy who kept the sheep,
And sent a dove; the dove returned alone:
Youth liked the music, hut soon fell asleep.
But He had planned such future for the youth:
Surely His duty now was to compel;
For later he would come to love the truth,
And own his gratitude. The eagle feil.
lt did not work: His conversation bored
The boy who yawned and whistled and made faces,
And wriggled free from fatherly embraces;
But with the eagle he was always willing
To go where it suggested, and adored
And learned from it the many ways of killing.
XI
Vanaf Zijn troon keek Hij in wijsheid neer
over de kudde en de kleine herdersknaap
en stuurde een duif. Die keerde alleen weer.
Een lied wiegde het jongetje in slaap.
Maar Hij had voor de knaap een toekomst klaar
en heeft zich daarom tot de dwang gekeerd.
Tijd zou de jongen leren minnen al wat waar
was en dankbaar te zijn. De adelaar daalde neer.
Het werkte niet: al wat Hij hem ook zei
verveelde de jongen. Hij geeuwde, trok een bek
en wurmde zich uit vaderlijke armen vrij.
De adelaar was bij hem meer in trek.
Waar die hem leidde ging de jongen voort
en leerde op diverse wijze moord.
XII
And the age ended, and the last deliverer died
In bed, grown idle and unhappy; they were safe:
The sudden shadow of a giant’s enormous calf
Would fall no more at dusk across the lawn outside.
They slept in peace: in marshes here and there no doubt
A sterile dragon lingered to a natural death,
But in a year the spoor had vanished from the heath;
The kobold’s knocking in the mountain petered out.
Only the sculptors and the poets were half sad,
And the pen retinue from the magician’s house
Grumbled and went elsewhere. The vanquished powers were glad
To be invisible and free: without remorse
Struck down the sons who stayed into their course,
And ravished the daughters, and drove the fathers mad.
XII
Een eeuw liep af. De laatste redder ging
aan ledigheid teloor in eigen huis.
De plotse schaduw van de reus zijn kuit
viel niet meer op het gras bij schemering.
Hun slaap was vredig. Soms, in een moeras,
kwijnde een impotente draak stil weg
en liet geen afdruk achter. In de berg
verstierf de klop van de kobold alras.
Slechts beeldhouwers en dichters treurden wat
de tovenaarshuisstaf trok bij hem weg
onder geklaag. In hun onzichtbaarheid
gingen verslagen machten, zonder spijt,
hun gang; ze doodden zonen op hun pad
verkrachtten dochters, maakten vaders gek.
XIII
Certainly praise: let the song mount again and again
For life as it blossoms out in a jar or a face,
For the vegetable patience, the animal grace;
Some people have been happy; there have been great men.
But hear the morning’s injured weeping, and know why:
Cities and men have fallen; the will of the Unjust
Has never lost its power: still, all princes must
Employ the Fairly-Noble unifying Lie.
History opposes its grief to our buoyant song:
The Good Place has not been; our star has warmed to birth
A race of promise that has never proved its worth;
The quick new West is false; and prodigious, hut wrong
The passive flower-like people who for so long
In the Eighteen Provinces have constructed the earth.
XIII
Welzeker lof! Het lied schalt naar omhoog
om leven dat opbloeit in vaas, gezicht,
om wat een plant verdraagt, een dier verricht;
om mensen, soms gelukkig, soms zelfs groots!
Maar hoor de beurse morgen, wat hij torst;
de stad, de mens viel, wil behield zijn macht,
hoe onrechtvaardig ook; slechts eenheid bracht
de Vrijwel Nobele leugen van de vorst.
Geschiedenis plaatst leed tegen ons lied.
Er is geen Goede Plaats. Hoe ook verwarmd
door onze ster vervult dit ras zich niet.
Vals is het Westen. Wonderlijk maar fout
dat laffe bloemachtige volk dat al zo lang
in Achttien Landstreken de wereld heeft gebouwd.

XIV
Yes, we are going to suffer, now; the sky
Throbs like a feverish forehead; pain is real;
The groping searchlights suddenly reveal
The little natures that will make us cry,
Who never qui te believed they could exist,
Not where we were. They take us by surprise
Like ugly long-forgotten memories,
And like a conscience all the guns resist
Behind each sociable home-loving eye
The private massacres are taking place;
All Women, Jews, the Rich, the Human Race,
The mountains cannot judge us when we lie:
We dwell upon the earth; the earth obeys
The intelligent and evil till they die.
XIV
Hun lijden is aanstaand; kijk naar de lucht
die als een koortsig voorhoofd naar ons buigt;
zoeklichten zien hen elk in eigen tuig
die ons pijn komen brengen in hun vlucht,
en wij zijn niet op hun bestaan bedacht
waar wij hier zijn. Ze hebben ons verrast
als kwaad dat lang vergeten was,
kanonnen schieten als geweten terug.
Achter elk mild en huiselijk gezicht
wordt heimelijk een bloedbad aangericht
van Vrouwen, Joden, Rijken, het Mensenras.
Bergen hebben geen oordeel over ons.
Wij leven in de wereld en de wereld is
gehoorzaam aan wie slim is en wie slecht.
XV
Engines bear them through the sky: they’re free
And isolated like the very rich;
Remote like savants, they can only see
The breathing city as a target which
Requires their skill; will never see how flying
Is the creation of ideas they hate,
Nor how their own machines are always trying
To push through into life. They chose a fate
The islands where they live did not compel.
Though earth n1ay teach our proper discipline,
At any time it will be possible
To turn away from freedom and become
Bound like the heiress in her mother’s womb,
And helpless as the poor have always been.
XV
In hun machines: als de rijken, vrij
en afgezonderd, als de wijzen op
zichzelf, dalen zij door de lucht en zij
kunnen de stad waar de adem nog in schokt
slechts zien als doelwit voor hun vaardigheid.
Dat die machines een door hen gehaat
idee al vliegend in de werkelijkheid
doordrukken, is wat hen te boven gaat.
Hun eilandrijk noopt hen nie tot die vlucht,
aarde kan hen niet dwingen vrij te zijn;
niets houdt hen tegen, en in elke zucht
staat het hun vrij te kiezen voor een lot
geketend, erfgenaam in de moederschoot,
en hulpeloos als alle armen zijn
XVI
Here war is harmless like a monument:
A telephone is speaking to a man;
Flags on a map assert that troops were sent;
A boy brings milk in bowls. There is a plan
For living men in terror of their lives,
Who thirst at nine who were to thirst at noon,
Who can be lost and are, and miss their wives,
And, unlike an idea, can die too soon.
But ideas can be true although men die,
And we can watch a thousand faces
Made active by one lie:
And maps can really point to places
Where li fe is evil now:
Nanking; Dachau.
XVI
De oorlog is hier simpel als een monument
een telefoon geeft orders aan een man;
een kaart bewijst, troepen zijn aangewend;
een knecht brengt kommen melk. Er is een plan
voor lijfelijke mensen, bang voor lijf
en goed, te vroeg door dorst gekweld,
die hun vrouw missen, en ook al beklijft
een dood idee, een mens sterft vaak te snel.
Ideeën kunnen kloppen, ook als een mens sterft.
Soms zien we hoe de mens, in duizendvoud
door leugens in gevecht wordt opgesteld:
soms geven kaarten plaatsen aan
waar mensen rampspoed ondergaan:
Nanking, Dachau.
XVII
They are and suffer; that is all they do:
The bandage hides the place where each is living,
His knowledge of the world restricted to
The treatment chat the instruments are giving.
And lie apart like epochs from each other
— Truth in their sense is how much they can bear;
lt is not talk like ours, hut groans they smother —
And are remote as plants; we stand elsewhere.
For who when healthy can become a foot?
Even a scratch we can’t recall when cured,
But are boisterous in a moment and believe
In the common world of the uninjured, and cannot
Imagine isolation. Only happiness is shared,
And anger, and the idea of love.
XVII
Ze zijn; ze lijden; meer stelt het niet voor:
wat leeft aan hen zit onder het verband,
ze krijgen van de wereld niet meer door
dan wat men aan hen doet met mes en hand.
Uiteen als eeuwen liggen ze daar maar,
— voor hen is waarheid wat je velen kan,
zonder een woord, de tanden op elkaar —
van ons gescheiden, zo ver als een plant.
Van niemand die gezond is wordt zijn lijf
gereduceerd tot voet, en je vergeet
de schram die is genezen; zo lang wij
niet ziek zijn lijkt er niets dat ons nog scheidt.
Alleen geluk is onder ons gedeeld,
en woede, en van liefde de idee.

XVIII
Far from the heart of culture he was used:
Abandoned by his genera! and his lice
Under a padded quilt he closed his eyes
And vanished. He will not be introduced
When this campaign is tidied into books:
No vital knowledge perished in his skull·
His jokes were stale; like wartime, he was dull;
His name is lost for ever like his looks
He neither knew nor chose the Good, but taught us,
and added meaning like a comma, when
He turned to dust in China that our daughters
Be fit to love the earth, and not again
disgraced before the dogs; that, where are waters,
Mountains ans houses, maybe also men.
XVIIl
Ver weg van de beschaving ingezet
sloot hij, door luizen en zijn generaal
achtergelaten, voor de laatste maal
zijn ogen. Hij wordt niet vermeld
als deze oorlog komt te boek te staan:
geen wetenschap croonde boven zijn kraag
zijn grappen waren als de oorlog traag
en met zijn lichaam ontbindt ook zijn naam.
Hij koos het Goede niet; hij heeft getoond
wat moest, maar droeg er niets aan bij;
hij werd tot stof in China, opdat weer
de dochters het land minnen, niet onteerd
worden voor honden, dat waar water stroomt
bergen en huizen staan, ook mensen zijn.
XIX
But in the evening the oppression lifted;
The peaks carne into focus; it had rained:
Across the lawns and cultured flowers drifted
The conversation of the highly trained.
The gardeners watched them pass and priced their shoes;
A chauffeur waited, reading in the drive,
For them to finish their exchange of views;
lt seemed a picture of the private life.
Far off, no matter what good they intended,
The armies waited fora verbal error
With all the instruments for causing pain:
And on the issue of their charm depended
A land laid waste, with all its young men slain,
The women weeping, and the towns in terror.
XIX
Maar ’s avonds minderde de hitte wat,
na regen kwamen bergen weer in zicht;
flarden gesprek van het geleerd gezelschap
hingen over gazons en perken als een mist.
Voor op de oprit las een chauffeur totdat
zij al hun inzichten hadden gedeeld;
de tuinman keek wat men voor schoenen had;
zo leek hun leven schitterend verbeeld.
Welk heil ze ook hadden bedoeld,
ginds wachtten legers bang op hun verspreking
met heel hun pijnverwekkende techniek.
Uiteindelijk leidde dan hun bekoring
tot: jonge mannen dood, land omgewoeld,
vrouwen in tranen, steden in paniek.
XX
They carry terror with them like a purse,
And flinch from the horizon like a gun;
And all the rivers and the railways run
Away from Neighbourhood as from a curse.
They cling and huddle in the new disaster
Like children sent to school, and cry in turn;
For Space has rules they cannot hope to learn,
Time speaks a language they will never master.
We live here. We lie in the Present’s unopened
Sorrow; its limits are what we are.
The prisoner ought never to pardon his cell.
Can future ages ever escape so far,
Yet feel derived from everything that happened,
Even from us, that even this was well?
XX
Met angst steeds in hun ransel zijn ze op zoek,
schichtig als een geweer van de einder af;
elke rivier en spoorweg wendt zich laf
weg van hun eigen Woonst als van een vloek.
In nieuwe ramp klampen zij elkaar aan
als kinderen op school; elk huilt zijn beurt;
Tijd spreekt een taal die geen van hen ooit leert,
Ruimte heeft regels die hun glad ontgaan.
Wij wonen elders, in het Leed van Heden knel
dat zich nog steeds ontspint. Het heeft ons beet.
En geen gevangene vergeeft zijn cel.
Kan toekomst ooit ontsnappen aan de greep
van wat voorafging en van ons, zich zelfs gevoed
weten, dat men ooit zegt, zo was het goed?

XXI
The life of man is never quite completed;
The daring and the chatter will go on:
But, as an artist feels his power gone,
These walk the earth and know themselves defeated.
Some could not bear nor break the young and mourn for
The wounded myths that once made nations good,
Some lost a world they never understood,
Some saw too clearly all that man was bom for.
Loss is their shadow-wife, Anxiety
Receives them like a grand hotel; but where
They may regret they must; their life, to hear
The call of the forbidden cities, see
The stranger watch them with a happy stare
And Freedom hostile in each home and tree:
XXI
Een mensenleven is nooit echt volbracht;
de branie en e praatjes stoppen niet:
maar deze mensen kennen hun failliet
bij leven, als een kunstenaar zonder kracht.
Wat moesten zij met jeugd aan, of met rouw
om manke mythes waarop landen staan,
een onbegrepen wereld ging eraan,
ze zagen waar de mens toe dient ontvouwd.
Verlies loopt met ben als een spookvrouw, Angst
ontvangt hen als een grand hotel, maar spijt
vormt overal hun leven; steeds geleid
door van verboden steden, de lokroep,
de groet van vreemden die niets snappen, want
de Vrijheid loert op hen uit elke hoek.
XXII
Simple like all dream wishes, they employ
The elementary language of the heart,
And speak to muscles of the need for joy:
The dying and the lovers soon to part
Hear them and have to whistle. Always new,
They mirror every change in our position;
They are our evidence of what we do;
They speak directly to our lost condition.
Think in this year what pleased the dancers best:
When Austria died and China was forsaken,
Shanghai in flames and Teruel re-taken,
France put her case before the world: ‘Partout
Il y a de la joie.’ America addressed
The earth: ‘Do you love me as I love you?’
XXII
Eenvoudig als een droomwens spreken zij
de oertaal van het hart en zeggen tot
de spieren dat ze vrolijk moeten zijn:
de stervenden, de minnaars, om hun lot
wanhopig, fluiten ze gewillig na.
Ze volgen fris de slag van ons gevoel;
ze kennen elk aspect van onze staat;
ze voelen ons begin zowel als doel.
Wat is dit jaar de meest dansbare deun:
Teruel weer gevallen, Wenen verdaan,
Shanghai in brand en China zonder steun,
Frankrijk legt het de wereld voor: ‘Partout
il y a de la joie.’ Amerika vraagt aan
de landen: ‘Do you love me as I love you?’
XXIII
When all the apparatus of report
Confirms the triumph of our enemies;
Our bastion pierced, our army in retreat,
Violence successful like a new disease,
And Wrong a charmer everywhere invited;
When we regret that we were ever bom:
Let us remember all who seemed deserted.
To-night in China let me think of one,
Who through ten years of silence worked and waited,
Until in Muzot all his powers spoke,
And everything was given once for all:
And with the gratitude of the Completed
Be went out in the Winter night to stroke
That little tower like a great animal.
XXIII
Nu de berichtgeving van overal
de zegen van de vijand onderstreept;
de burcht kapot, het leger in de val;
geweld als pest alles aan stukken reept,
en Kwaad de eregast mag zijn;
nu het ons spijt dat we geboren zijn,
laat ons gedenken wie verlaten schijnt.
Ikzelf denk, hier in China, aan een man,
die tien jaar stil gewerkt heeft en gewacht
tot in Muzot zijn poëzie daar klaar
in volheid sprak. Dit was zijn piek geweest:
en met de dankbaarheid van Taak Volbracht
liep hij de winternacht in, streelde daar
dat klein kasteel, als een geweldig beest.

XXIV
No, not their names. It was the others who built
Each great coercive avenue and square,
Where men can only recollect and stare,
The really lonely with the sense of guilt
Who wanted to persist like that for ever;
The unloved had to leave material traces:
But these need nothing hut our better faces,
And dwell in them, and know that we shall never
Remember who we are nor why we’re needed.
Earth grew them as a bay grows fishermen
Or hills a shepherd; they grew ripe and seeded;
And the seeds clung to us; even our blood
Was able to revive them; and they grew again;
Happy their wish and mild to flower and flood.
XXIV
Nee, hun naam niet. Ze bouwden niet
de dwingende laan, het imposante plein
waar mensen samenkomen om perplex te zijn;
dat deden eenzamen die hun verdriet,
hun schuld vereeuwigden, er een grootsteeds
steenmonument voor hebben opgericht:
nee, dezen leven voort in ons gezicht,
plooien het mild; we weten dat wij steeds
vergeten wie we zijn, wat onze noodzaak was.
Zoals het water vissers en het gras
herders kweekt, bracht de aarde hen voort.
Ze schoten op; wij zijn hun kiem; ons bloed
verbreidt hun erfenis; ze leven door;
zalig hun wens, tot bloei en overvloed.
XXV
Nothing is given: we must find our law.
Great buildings jostle in the sun for domination;
Behind them stretch like sorry vegetation
The low recessive houses of the poor.
We have no destiny assigned us:
Nothing is certain but the body; we plan
To better ourselves; the hospitals alone remind us
Of the equality of man.
Children are really loved here, even by police:
They speak of years before the big were lonely,
And will be lost.
And only
The brass bands throbbing in the parks foretell
Some future reign of happiness and peace.
We learn to pity and rebel.
XXV
Er staat niets vast: wij weken onze wet.
Gebouwen dringen elkaar uit het licht;
daarachter heeft, als plantenwildgroei, zich
de achterbuurt van armen afgezet.
Geen lot is voor ons uitgelijnd:
niets is zeker dan ons lijf; we zijn van plan
ons te beteren; het ziekenhuis slechts getuigt van
de menselijke gelijkheid.
Ieder, zelfs de politie, ziet de kinderen graag
die tonen wat er is vóór de eenzaamheid
hun bloei verslindt.
Uit het park vlaagt
de jubel op, daar prijst de harmonie
een ver toekomstig vrederijk.
Wij leren medelijden en rebellie.
XXVI
Always far from the centre of our names,
The little workshop of love: yes, but how wrong
We were about the old manors and the long
Abandoned Folly and the children’s games.
Only the acquisitive expects a quaint
Unsaleable product, something to please
An artistic girl; it’s the selfish who sees
In every impractical beggar a saint.
We can’t believe that we ourselves designed it,
A minor item of our daring plan
That caused no trouble; we took no notice of it.
Disaster comes, and we’re amazed to find it
The single project that since work began
Through all the cycle showed a steady profit.
XXVI
Nee, ze was nimmer erg in tel,
de werkplaats van de liefde: al ons werk
zat in de oude landhuizen, het ontwerp
van een waanzinnig bouwsel , in kinderspel.
Echter, het onverkoopbaar kleinood is
slechts voor de hebbegek, geschenk
voor een kunstzinnig meisje, en wie denkt
dat bedelaars heilig zijn is egoïst.
We weten niet meer hoe het is gemaakt,
een onderdeeltje slechts, lang niet de top
van heel ons aanbod; het viel ons niet op.
En als het onheil komt zijn we verbaasd
dat slechts die snuisterij, van alle pracht
door ons gemaakt, steeds winst heeft opgebracht.

XXVII
Wandering lost upon the mountains of our choice,
Again and again we sigh for an ancient South,
For the wann nude ages of instinctive poise,
For the taste of joy in the innocent mouth.
Asleep in our huts, how we dream of a part
In the glorious halls of the future; each intricate maze
Has a plan, and the disciplined movements of the heart
Can follow for ever and ever its harmless ways.
We enjoy streams and houses that are sure:
But we are articled to error; we
Were never nude and calm like a great door,
And never will be perfect like the fountains;
We live in freedom by necessity,
A mountain people dwelling among mountains.
XXVII
Dwalend door ons verkozen berggebied
zingt steeds de zucht naar Zuidland in ons rond
toen naaktheid nog geen schaamte verried
en onschuld frisse smaak was op de tong.
Slapend in onze hut dromen wij van
het heerlijk galafeest dat ooit ons wacht
het doolhof heeft wel degelijk een plan,
en strak vervolgt het hart zijn milde weg.
Nee, wij zijn niet als huizen, stromen meer,
wij gingen bij vergissing in de leer;
wij hebben niet de deur haar rust en naaktheid,
noch de volmaaktheid die een springbron toont;
want wij, een bergvolk dat in bergen woont,
kunnen niet anders dan bestaan in vrijheid.
In Time of War (1938): in 1938 trokken Auden en Christopher Isherwood naar China om verslag te doen van de Chinees-Japanse oorlog. Japan was China binnengevallen in het kader van zijn veroveringsoorlogen in Oost-Azië. Deze gedichten verschenen in Journey to a War, een gezamenlijke publicatie van Auden en Isherwood. Sonnet I t/m XII vormen een korte samenvatting van de menselijke geschiedenis, waarna met sonnet XIII de sonnetten over de Chinees-Japanse oorlog beginnen met een vertaald citaat van Rilke, uit Die Sonette an Orpheus. Rilke is ook de dichter die in sonnet XXIII een groots werk voltooid: de Duineser Elegien. De sonnetten van ‘In Time of War’ zijn later herdrukt als ‘Sonnets from China’ met aanzienlijke veranderingen en weglatingen. Van de eerste twaalf sonnetten sneuvelden er twee, van de laatste vijftien bleven er slechts acht over. De sonnetten werden in Journey to a War afgesloten met een lang Commentary in terza rima, de_ versvo~ van Dantes Divina Commedia. Het grootste deel hiervan liet Auden bij volgende uitgaven weg, maar het laatste hier afgedrukte deel gebruikte hij nog een tijd, tot ook dat in ongenade viel. Het vormt een passende afsluiting van de sonnetten. (pag. 602)
Auden, W.H., Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten. Vertaald door Han van der Vegt, Amsterdam 2024, (Uitgeverij Van Oorschot)
