Inleiding uit de profeten van Heschel

Abraham Joshua Heschel, De profeten, Vught 2013 (Skandalon)

 

INLEIDING (p. 18-26)

 

Dit boek gaat over enkele van de meest rust verstorende mensen die ooit geleefd hebben: mannen die door hun inspiratie de Bijbel hebben voortgebracht, die door hun verschijning voor ons een toevlucht zijn in nood, terwijl door hun stem en visie ons geloof overeind wordt gehouden. Israëls profeten ontlenen hun betekenis niet alleen aan wat zij hebben gezegd maar ook aan wat zij zijn geweest. Wat zij ons hebben willen zeggen, kunnen we alleen ten volle begrijpen als we enig besef hebben van wat hun is overkomen. De momenten waarin hun leven zich afspeelde staan ons niet ter beschikking en kunnen geen onderwerp van wetenschappelijke analyse zijn. Het enige dat we hebben is het bewustzijn van die momenten, zoals dat in woorden bewaard is gebleven.

Daarom is het mijn bedoeling tot een goed begrip van de profeet te komen door zijn bewustzijn te analyseren en te beschrijven, door weer te geven wat er in zijn leven gebeurde – in confrontatie met de mensen en geconfronteerd met God – zoals dat in zijn geest wordt gereflecteerd en beaamd. Met andere woorden, ik bedoel hier met bewustzijn niet alleen de waarneming van bepaalde ogenblikken van inspiratie, maar ook het geheel van indrukken, gedachten en gevoelens die de profeet maken tot wie hij is.

De dogmatische theologie had, door vast te houden aan het absoluut objectieve en bovennatuurlijke karakter van de profetie, geen oog voor het aandeel van de profeet in het profetisch gebeuren. Door eenzijdig de nadruk te leggen op de openbaring negeerde zij het antwoord; door het isoleren van de inspiratie verloor ze het zicht op de menselijke context. Psychologen hebben geprobeerd om, in tegenstelling tot wat men “pan-theologie” zou kunnen noemen, profetie uitsluitend af te leiden uit het innerlijk leven van de profeten. Door haar te reduceren tot een subjectief persoonlijk verschijnsel hadden zij geen aandacht voor het besef van de profeet dat hij geconfronteerd wordt met feiten die niet uit zijn eigen geest voortkomen.

Beide uitersten moeten worden afgewezen op grond van het inzicht dat door de woorden van de profeten een situatie wordt opgeroepen die zowel met pan-theologie als met pan-psychologie in tegenspraak is. Een zorgvuldige analyse brengt aan het licht dat deze situatie is samengesteld uit openbaring en antwoord, uit ontvankelijkheid en spontaniteit, uit feitelijk gebeuren en waarneming. Ik beweer daarom dat er sporen van een persoonlijk element kunnen worden aangetoond niet buiten, maar binnen het profetisch gebeuren.

De profeet is een persoon, geen microfoon. Hij is begiftigd met een missie, met de kracht van een hem gegeven woord – dat maakt zijn grootheid uit – maar ook met temperament, betrokkenheid, karakter en individualiteit. Zoals hij geen weerstand kan bieden aan de aandrang van de goddelijke inspiratie, zo kan hij op bepaalde momenten geen weerstand bieden aan de zuigkracht van zijn eigen temperament. Het woord van God resoneert in de stem van een mens.

Het is de taak van de profeet een goddelijke visie kenbaar te maken, toch vertegenwoordigt hij zelf als persoon een visie. Hij spreekt vanuit het perspectief van God, zoals hij het heeft waargenomen vanuit het perspectief van zijn eigen situatie. We moeten proberen niet alleen de visies te begrijpen die hij uiteenzet, maar ook de attitudes die hij belichaamt: zijn eigen positie, gevoel, reacties – niet alleen wat hij zegt maar ook hoe hij leeft; de persoonlijke, intieme dimensie van het woord, de subjectieve kant van de boodschap.

Het is mogelijk dat we bij de profeten van Israël overeenkomsten en parallellen opmerken met persoonlijkheden die we elders tegenkomen, want de religie van de Hebreeën had veel gemeen met andere semitische religies. Daarom is het van belang hen te vergelijken met andere mensentypes uit de Oudheid die vergelijkbare aanspraken hebben. Moeilijker is echter de vraag: door welke eigenschappen onderscheiden de profeten van Israël zich van anderen? Wat maakt hen uniek?

De profeet is niet alleen profeet. Hij is ook dichter, prediker, staatsman, maatschappijcriticus, moralist. Er is een tendens geweest om het wezen en de voornaamste betekenis van de profetie te zien in de weergave van een van deze aspecten. Maar dit doet geen recht aan de eigen aard van de profetie.

Ons onderzoek moet niet allereerst gericht zijn op de profeet als vertegenwoordiger van een soort. Veelmeer moet het gaan om het vaststellen van de kenmerken waardoor hij zich van anderen onderscheidt en van de kenmerken die hij met anderen gemeen heeft. Om hem echt als profeet te ontmoeten moet de geest bepaalde onderzoeksgewoonten van zich afschudden; de valkuil en het lokaas van gemakkelijke patronen moeten worden vermeden. De zekerste manier om het doel te missen is een benadering die bij voorbaat uitgaat van de zekerheid hem te kunnen verklaren. Het is het paard achter de wagen spannen om de profeet te verklaren in termen van een mooi systeem van vooropgezette begrippen. Verklaren wordt een substituut van begrijpen, wanneer het beschouwd wordt als het enige doel van onderzoek. Het niet hebben van een verklaring is eerder het begin van inzicht dan het eind.

De vooringenomenheid die veel geleerden met elkaar delen en die als een principe kan worden gedefinieerd – namelijk dat niets als een gegeven mag worden erkend als het niet a priori als verklaarbaar kan worden  gekwalificeerd – is niet alleen pretentieus en betwijfelbaar, maar ook een belemmering voor het zicht op een groot deel van de werkelijkheid en een ernstige aantasting van ons vermogen om een origineel inzicht te verwerven in wat zich aan ons voordoet.

Door mijn aandacht te beperken tot wat gegeven is in de literaire bronnen, dat wil zeggen de profetische boeken, heb ik geprobeerd enig inzicht te verwerven in de geest van de profeten en vanuit dat perspectief de beslissende momenten van hun bestaan te begrijpen.(1) Ik heb met deze studie niet de bedoeling een oordeel uit te spreken over de geloofwaardigheid van hun aanspraak openbaring te hebben ontvangen, ook niet om het mysterie van de profetie te ontraadselen door middel van psychologische of sociologische verklaringen, evenmin om voorwaarden te ontdekken waaronder zij zich kan voordoen of om middelen tot verificatie voor te stellen. Mijn bedoeling is de aanspraak van de profeten te verhelderen; niet om hun bewustzijn te verklaren maar om het te begrijpen. Door de kenmerkende trekken van hun besef te onthullen kan de essentiële structuur van hun ervaring, zoals die wordt gereflecteerd in dit bewustzijn, aan het licht komen.

Ik heb mij ten doel gesteld te leren begrijpen wat het betekent om als een profeet te denken, te voelen, te reageren en te handelen. Tot deze opgave behoort niet achter het bewustzijn van de profeet terug te gaan om het onderbewuste te verkennen of op zoek te gaan naar de voorafgaande voorwaarden en ervaringen in het innerlijk leven van het individu. Gissen naar wat er achter en onder de drempel van het bewustzijn van de profeet ligt, kan nooit het begrijpen vervangen van wat er in het bewustzijn zelf aan de dag komt. Evenmin is het mogelijk zijn beweringen te bevestigen. Wat we kunnen bereiken is enige kennis van wat de profeet als profeet bewogen heeft -van de ideeën waardoor hij op bepaalde momenten gedreven werd; maar we zijn niet in staat aan te tonen welke werkelijkheden en gebeurtenissen aan deze momenten voorafgingen.

Het onderzoek is dus niet gericht geweest op het zoeken naar psychologische motieven in de vóór-profetische achtergrond van het leven van de profeet, maar naar motieven die bewust gegeven zijn, zelfs als ze niet expliciet genoemd worden, en die de beslissende categorieën of structurele vormen van het profetische denken bepalen of op z’n minst weerspiegelen.

De procedure die gevolgd is bij het onderzoek naar het verwerven van dit inzicht is de methode van zuivere reflectie. Observeren, inspecteren, tasten en testen, eenvoudig kijken naar wat op ons afkomt, dat alles helpt ons een toegang te vinden tot de authenticiteit van het verschijnsel en ons vermogen te scherpen om vragen te formuleren die kunnen leiden tot de ontdekking van wat er het unieke van is. Het vereist inderdaad veel inspanning om te leren welke vragen beter niet gesteld en welke aanspraken beter niet gehandhaafd kunnen worden. Onze blik wordt evenzeer vertroebeld door bepaalde kijkgewoonten als door psychische nevenverschijnselen bij het kijken. Onze blik wordt vertroebeld door kennis in plaats van dat wij met pijn in het hart merken dat het ons aan kennis van wat we zien ontbreekt. Het principe dat we in gedachten moeten houden is: weten wat we zien in plaats van zien wat we weten.

Liever dan het de dingen kwalijk te nemen dat zij onduidelijk zijn, zouden wij onszelf kwalijk moeten nemen dat we vooringenomen zijn en gevangen zitten in een onszelf opgelegde neiging tot herhalen. Men moet veel clichés vergeten om een enkel beeld waar te nemen. Inzicht is eerder het begin van toekomstige waarnemingen dan het resultaat van voorbije waarnemingen. De conventionele manier van kijken, die werkt met schema’s en samenhangen, is een manier om het heden te zien in de verleden tijd. Inzicht is een poging in de tegenwoordige tijd te denken.

Inzicht betekent een doorbraak. Deze vereist veel intellectuele ontmanteling en ontregeling. Inzicht begint met een verstandelijk moratorium, met het cultiveren van een gevoel voor het ongebruikelijke, het onvergelijkbare, het ongelooflijke. In een proces van betrokken zijn op, van intiem engagement met, van als het ware vrijen met een verschijnsel, komen we na veel verwarring en verlegenheid tot inzicht – tot een van binnenuit schouwen van het verschijnsel. Inzicht gaat gepaard met een gevoel van verrassing. Wat gesloten was wordt plotseling ontsloten. Het houdt zuivere waarneming in, een opnieuw zien. Hoe paradoxaal ook, inzicht is kennis op het eerste gezicht.

Zo’n onderzoek moet ieder persoonlijk geloof, ja zelfs iedere intentie opschorten om te onderzoeken of bijvoorbeeld de gebeurtenis werkelijk zo heeft plaatsgehad als het op hun geest is overgekomen. Mijn stelling is dat het mogelijk is de vorm en inhoud van een ervaring te analyseren, ongeacht of die ervaring verifieerbaar is of niet. Het proces en het resultaat van dat onderzoek vormen het hoofdbestanddeel van dit boek, zoals het jaren geleden is gecomponeerd.(2) Terwijl ik nog steeds overtuigd ben van de correctheid van de hierboven beschreven methode, die belangrijke aspecten van de methode van de fenomenologie vertegenwoordigt, heb ik sindsdien allang mijn vragen bij een veronderstelde onpartijdigheid, die op zich een manier van partijdig-zijn is. Het bestaan van profeten is irrelevant of relevant. Als het irrelevant is kan ik me er niet echt bij betrokken voelen; als het relevant is kan mijn onpartijdigheid alleen maar schijn zijn. Al reflecterend kan men erin slagen een object te isoleren; het reflecteren zelfkan niet geïsoleerd worden. Reflectie maakt deel uit van een situatie. Dit is de situatie van iemand die de woorden van de profeet over zich heen laat komen: zijn onverschilligheid wordt onophoudelijk aan scherven geslagen, en hij moet wel een olifantenhuid hebben om ongevoelig te blijven voor zulke slagen.

Ik kan niet onverschillig blijven voor de vraag of een beslissing die ik neem fataal zou kunnen zijn voor mijn bestaan – zoals of ik weer moet ademhalen om te overleven. Misschien is dat de kwestie die de profeten verontrust. Een volk kan op sterven na dood zijn zonder zich daarvan bewust te zijn; een volk heeft de mogelijkheid om te overleven, maar weigert van die mogelijkheid gebruik te maken.

Om te begrijpen wat een verschijnsel is, is het belangrijk dat wij afzien van een oordeel en bij het nadenken afstand in acht nemen; om te begrijpen wat een verschijnsel betekent is het noodzakelijk dat we afzien van onverschilligheid en ons engageren. Om te onderzoeken wat de essentie ervan is, is een proces van reflectie vereist. Door die reflectie ontstaat er echter een kloof tussen het verschijnsel en ons. Wanneer we het reduceren tot een object voor het verstand, verliest het het vermogen om ons te raken, ons aan te spreken, onze attitudes en opvattingen te overstijgen.

Door een houding van pure reflectie, waarbij de vraag naar waarheid en geldigheid wordt opgeschort, kunnen de structuur en de inhoud van het profetisch bewustzijn zonder meer toegankelijk gemaakt worden. Tegelijk wordt de kracht van deze zelf-onthouding langzaam maar zeker aangetast door het pure geweld van wat bij die reflectie wordt onthuld. De magie van het proces is blijkbaar sterker dan welk ascetisme van het verstand ook. Daardoor kan men zich bij het beluisteren van de woorden van de profeten niet lang koesteren in de veiligheid van een voorzichtige, onpartijdige waarnemer.  De profeten bieden geen reflecties over ideeën in het algemeen. Hun woorden zijn hevige aanvallen, die illusies van bedrieglijke veiligheid doorprikken, uitvluchten aan de kaak stellen, geloof ter verantwoording roepen, voorzichtigheid en onpartijdigheid bekritiseren. Men kan – door ongelovigheid of gebrek aan geestkracht – bang zijn om zich aan hun vreemde zekerheden te onderwerpen en tegelijk bang zijn om zich tegen hun ontzagwekkende claims te verzetten. Reflectie over de profeten maakt plaats voor verbondenheid met de profeten.

Pure reflectie kan voldoende zijn om op te helderen wat het bewustzijn van de profeet poneert – maar niet wat zijn existentie betreft. Om deze te begrijpen is het niet genoeg om de profeten in gedachten te hebben; we moeten denken alsof wij in hun gedachten gekropen zijn. Als wij hen levend voor ons willen hebben moeten we niet over, maar vanuit de profeten denken, met hun betrokkenheid en hun hart. Hun bestaan wil ons meenemen. Zolang hun betrokkenheid ons niet raakt, pijn doet, in vervoering brengt, voelen we haar niet echt aan. Hun betrokkenheid vraagt om instemming, ontvankelijkheid, volkOmen overgave aan hun aandrang. Als  intellectuele beloning kunnen we ogenblikken beleven waarin onze geest als het ware zijn niet-weten afwerpt. Denken is als aanraken, begrijpen door begrepen te worden.

Wanneer we een diepgaand onderzoek naar hun bewustzijn instellen, zijn we niet alleen geïnteresseerd in het innerlijk leven, in gevoel en reflectie als zodanig. We zijn erin geïnteresseerd de wereld van de profeten te reconstrueren: angstaanjagend in zijn absurditeit en opstandigheid jegens zijn Maker, wankelend op de rand van de afgrond, terwijl de stem van God de mensen smeekt naar Hem terug te keren. De profeet wordt niet in verwarring gebracht door een wereld die verstoken is van zin, maar door een wereld die doof is voor zin. En toch is die verwarring nog maar een voorspel. De profeet begint steeds met een boodschap van onheil en besluit met een boodschap van hoop en verlossing. Houdt dit in dat geen menselijke verdorvenheid ooit kan zegevieren over Gods almachtige liefde? Houdt dit in dat Gods rust sterker is dan het tumult van de menselijke misdaden, dat zijn verlangen naar vrede sterker is dan de menselijke hartstocht voor geweld?

Profetie is niet het eenvoudig toepassen van tijdloze normen op bepaalde menselijke situaties, maar eerder een interpretatie van een bepaald moment in de geschiedenis, een goddelijk verstaan van een menselijke situatie. Profetie kan daarom worden gekarakteriseerd als exegese van het bestaan vanuit goddelijk perspectief Het begrijpen van de profetie is eerder een begrijpen van een begrijpen dan een begrijpen van een kennen, het is exegese van exegese. Het betekent ook overnemen van het perspectief, van waaruit het oorspronkelijke begrijpen tot stand is gekomen. Profetie interpreteren vanuit welk ander perspectief ook – zoals een sociologisch of psychologisch perspectief – is zoiets als het interpreteren van poëzie vanuit het perspectief van het economisch belang van de dichter.

Een exegese in deze geest maakt het voor ons onderzoek ongepast om uit te wijken naar de persoonlijke vraag (hoe relevant ook): wat betekenen de profeten voor ons? Het stellen van de persoonlijke vraag is alleen zinvol als hij gestuurd wordt door een andere, meer gewaagde vraag: wat betekenen de profeten voor God? Als deze ene vraag geen zin heeft, zijn alle andere vragen ongerijmd. Want profetie is een schijnvertoning, tenzij zij ervaren wordt als een woord van God dat zich op een mens stort om hem te veranderen in een profeet.

Correcte exegese is een poging de filosoof te begrijpen in termen en categorieën ontleend aan de filosofie, de dichter in termen en categorieën ontleend aan de poëzie, en de profeet in termen en categorieën ontleend aan de profetie. Profetie is evenzeer een manier van denken als een manier van leven. Het succes van ons onderzoek hangt af van een juist begrip van de termen en categorieën van het profetisch denken.

Om enkele van deze termen en categorieën opnieuw te ontdekken is een zorgvuldige verkenning vereist van het soort vragen die een profeet stelt, en van het soort vooronderstellingen over God, wereld en mens die hij vanzelfsprekend acht. Voor mij is in feite de belangrijkste uitkomst van dit onderzoek de ontdekking van de intellectuele relevantie van de profeten. Wat heeft mij ertoe gebracht de profeten te bestuderen?

In de academische omgeving waarin ik mijn studentenjaren doorbracht was filosofie een geïsoleerde, op zichzelf staande en zichzelf rechtvaardigende grootheid geworden, een Ding an sich, die wantrouwen aanmoedigde in plaats van liefde voor wijsheid. De geboden antwoorden stonden niet in relatie tot de problemen, hadden geen boodschap aan de moeite van iemand die zich bewust begon te worden van het gebrek aan sensitiviteit bij de mensen tegenover een enorme uitdaging, gingen niet in op een situatie waarin goed en kwaad irrelevant begonnen te worden, een situatie waarin men in toenemende mate ongevoelig werd voor naderend onheil en bereid om het beginsel van de waarheid op te schorten. Langzaam werd ik geleid tot het besef dat sommige voorwaarden, motivaties en belangen waardoor ons denken beheerst wordt destructief kunnen blijken te zijn voor de wortels van de menselijke verantwoordelijkheid en een verraad aan het diepste fundament van de menselijke solidariteit. De uitdaging waarvoor wij allen staan en de vreselijke schaamte die ons vermogen tot innerlijke vrede vernietigt, tarten onze manieren van denken en denkpatronen. Men wordt gedwongen te erkennen dat sommige vooronderstellingen en motieven van ons denken ons bestaan op een dwaalspoor hebben geleid, want de bloei van het speculatieve denken heeft geen antwoord op het geestelijk bankroet. Het besef dat in het gangbare betalingssysteem de juiste munten niet beschikbaar waren heeft mij ertoe gebracht me te verdiepen in het denken van de profeten.

Elke geest werkt met vooronderstellingen of premissen en binnen een bepaalde manier van denken. Door het tragische falen van de moderne geest, die onmachtig bleek zijn eigen vernietiging te voorkomen, is me duidelijk geworden dat het belangrijkste filosofische probleem van de twintigste eeuw is: het vinden van een nieuw complex van vooronderstellingen of premissen, een andere manier van denken.

Ik heb geprobeerd enkele vooronderstellingen die aan de basis van de profetische theologie liggen, fundamentele houdingen van de religie van de profeten, te verhelderen en ik heb onder de aandacht willen brengen hoe deze zich onderscheiden van bepaalde vooronderstellingen die in andere stelsels van theologie en religie opgeld doen. Terwijl ik de nadruk leg op de centrale betekenis van pathos, een begrip dat in de voortgang van het betoog steeds belangrijker wordt, heb ik tegelijk geprobeerd de betekenis van ethos en logos in het profetisch onderricht niet uit het oog te verliezen. Door afgeleide en ondergeschikte omstandigheden buiten beschouwing te laten en mijn aandacht te concentreren op de fundamentele motieven die samenhang en wezenlijke eenheid geven aan de profetische persoonlijkheid, ben ik ertoe gekomen in het bewustzijn van de profeet te onderscheiden tussen wat er met hem en wat er in hem gebeurt – tussen het transcendente en het spontane en eveneens tussen inhoud en vorm. De structuur

van het profetisch bewustzijn zoals deze in de analyse is vastgesteld blijkt op transcendent niveau te bestaan uit pathos (inhoud van de inspiratie) en feitelijk gebeuren (vorm) en op persoonlijk niveau uit sympathie (inhoud van de innerlijke ervaring) en het gevoel overweldigd te zijn (vorm van de innerlijke ervaring).

De profeet is iemand die nee zegt tegen zijn samenleving, door haar gewoonten en meningen, haar zelfgenoegzaamheid, eigenzinnigheid en syncretisme te veroordelen. Vaak is hij gedwongen precies het tegenovergestelde te proclameren van wat zijn hart verlangt. Zijn fundamentele doel is mens en God met elkaar te verzoenen. Waarom moeten deze twee verzoend worden? Misschien vanwege het bedrieglijke soevereiniteitsgevoel bij de mens, vanwege zijn misbruik van de vrijheid, vanwege zijn agressieve, zwellende trots die zich stoort aan Gods betrold<enheid bij de geschiedenis.

Er is een eind gekomen aan de profetie; de profeten blijven en wij kunnen hen niet negeren zonder tot wanhoop te vervallen. Aan ons de beslissing of vrijheid zelfbevestiging is óf antwoord op een vraag; of de ultieme situatie er een van conflict óf van betrokkenheid is.

 

Abraham J. Hesehel

Jewish Theological Seminary

New York City

augustus 1962

 

NOTEN

1 De verwoesting van Jeruzalem in 587 markeert het einde van de klassieke periode in de geschiedenis van de profetie. De bestudering van de profetische figuren die opkwamen tijdens de ballingschap roept problemen op van bijzondere aard. Dit boek gaat over de klassieke of schriftprofeten van de achtste en zevende eeuw v.d.g.j. Van andere profeten wordt alleen incidenteel melding gemaakt, met uitzondering van Deutero-Jesaja, wiens boodschap licht werpt op de raadsels in de woorden en intenties van zijn voorgangers.

2 Die Prophetie, uitgegeven door de Poolse Academie van Wetenschappen, Krakow, 1936 en door Erich Reiss, Berlijn, 1936. Voor verdere details over de toegepaste methode, zie het voorwoord van dat boek, p. 1-6, evenals de discussie in het  voorliggende werk (passim).

 

 

el fulgor xv