Twee preken over God van Meister Eckhardt

Twee preken over God van de hand van Meister Eckhardt:

25. MISIT DOMINUS MANUM SUAM ET TEilGIT OS MEUM ET DIXIT MIHI, ECCE DEDI VERBA MEA IN ORE TUO, ECCE CONSTITUI TE SUPER GENTES ET REGNA JEREMIA 1, 9

‘De Heer heeft Zijn hand uitgestrekt en mijn mond aangeraakt en heeft tot mij gesproken.’
Wanneer ik preek, spreek ik gewoonlijk over afgescheidenheid en dat de mens van zichzelf en alle dingen ontledigd moet worden. Vervolgens dat men weer ingevormd moet worden in het enkelvoudig goede dat God is. Ten derde dat men de bijzondere edelheid indachtig moet zijn, die God in de ziel heeft gelegd opdat de mens door een wonder tot God komt. Ten vierde over de zuiverheid van de goddelijke natuur -hoe rein de goddelijke natuur is, dat is onuitsprekelijk. God is een woord, een en gesproken woord. Augustinus zegt: ‘Al het geschrevene is vruchteloos.
Zegt men dat God een woord is, dan spreekt dat woord Hem uit; zegt men dat God iets ongesprokens is, dan is Hij onuitsprekelijk.’ Maar wat Hij is: wie kan dat woord uitspreken? Dat doet alleen Hij die dit woord is. God is een woord dat zichzelf uitspreekt. Waar God is, daar spreekt Hij dit woord; waar Hij niet is, daar spreekt Hij niets. God is gesproken en is ongesproken. De Vader is een sprekende werking, en de Zoon is een werkende uitspraak. Wat in mij is, komt uit mij naar buiten; een gedachte die ik heb wordt door mijn woord openhaar gemaakt, en toch blijft zij ook in mij. Zo spreekt de Vader de Zoon ongesproken uit en toch blijft deze in Hem. Ik heb het ook al vaker gezegd: Gods uitgang is Zijn ingang. Hoe dichter ik bij God ben, des te meer spreekt God zich in mij uit. Alle schepselen die de rede beoefenen komen, hoe meer zij daarmee naar buiten treden, meer tot zich zelf. Dat is bij de geschapen lichamelijkheden niet het geval: hoe actiever die zijn, des te sterker gaat hun uitwerking van henzelf vandaan. Alle schepselen willen God in hun werken uitspreken; maar ook al spreken ze allemaal zo benaderend mogelijk, Hem uitspreken kunnen zij toch niet. Of ze het nu bewust doen of onbewust, of ze het nu met liefde doen of met pijn: ze willen God allemaal uitspreken, en toch blijft Hij ongesproken.
David zegt: ‘De Heer is Zijn naam.’ ‘Heer’ betekent erkenning van een heerschappij aan de top, ‘knecht’ van een plaats onderaan. Enkele namen zijn eigen aan God en staan los van alle andere dingen, bijvoorbeeld ‘God’. ‘God’ is de allereigenlijkste naam van God, zoals ‘mens’ de naam van de mens is. Een mens is altijd een mens, of hij nu dwaas is of wijs. Seneca zegt: ‘Wie zich niet boven het menselijke verheft, is een armzalig mens.’ Er zijn ook namen die God aankleven, zoals ‘vaderschap’. Waar ‘vader’ gezegd wordt, is ook sprake van een zoon. Een vader kan er niet zijn, tenzij hij een zoon heeft, noch een zoon, tenzij hij een vader heeft; samen bezitten zij echter boven de tijd uit één eeuwig zijn. In de derde plaats zijn er enkele namen die zowel omhoog voeren naar God, alsook van daaruit zinvol zijn in de tijd. Ook in de bijbel wordt God met veel namen genoemd. Ik zeg: wie iets in God onderkent en een bepaalde naam met Hem verbindt, dan is dat God niet. God is boven alle namen en boven een bepaalde natuur. We lezen over een goede man die tot God bad en Hem in zijn gebed namen wilde geven.
Toen zei een broeder: ‘Zwijg! Je onteert God.’ We zijn niet bij machte een naam te vinden die we God kunnen geven. Wel zijn ons die namen geoorloofd waarmee de heiligen Hem hebben benoemd en die God in hun harten heeft gewijd en overgoten met een goddelijk licht. Daaruit moeten we vooral leren hoe we tot God moeten bidden. We moeten zeggen: ‘Heer, in dezelfde namen die U in de harten van Uw heiligen hebt gewijd en overgoten met Uw licht, zo bidden wij U en prijzen U.’ Verder moeten we leren dat we God geen enkele naam geven waarvan we menen dat we Hem daarmee voldoende geëerd en geprezen zouden hebben; want God is boven alle namen en onuitsprekelijk De Vader spreekt in Zijn alvermogen de Zoon uit en in Hem alle dingen. Alle schepselen zijn een spreken van God. Hetzelfde dat mijn mond als ‘God’ uitspreekt, spreekt ook het zijn van de steen uit, en datzelfde verstaat men meer uit het werk van de schepping dan uit de woorden. Het werk dat de hoogste natuur vanuit haar opperste vermogen verricht, kan de natuur die onder haar staat niet begrijpen. Zou deze hetzelfde verrichten, dan zou zij niet onder haar staan, integendeel, zij zou aan haar gelijk zijn. Alle schepselen zouden in hun werken God na willen spreken. Toch is het maar gering wat zij kunnen openbaren. Zelfs de mate waarin de hoogste engelen opklimmen en raken aan God is onvergelijkbaar met hetgeen in God is, zoals wit niet lijkt op zwart. Onvergelijkbaarder nog is hetgeen de schepselen alle ontvangen hebben, hoewel zij allemaal graag willen uitspreken wat naar hun vermogen er het dichtst bij komt. De profeet zegt: ‘Heer, U spreekt het ene en ik versta twee.’ Wanneer God in de ziel spreekt, zijn zij en Hij één; zodra die eenheid wegvalt is er verdeeldheid.
Hoe hoger wij komen met ons begripsvermogen, des te meer zijn we in Hem één. Daarom spreekt de Vader de Zoon aldoor uit in de eenheid en giet in Hem alle schepselen uit. Die roepen alle om een terugkeer in datgene waaruit zij zijn uitgestroomd. Hun hele leven en zijn is een roepen en haasten om terug te keren in wie hun herkomst is.
De profeet zegt: ‘De Heer heeft Zijn hand uitgestrekt’, en hij bedoelt de Heilige Geest. Nu zegt hij: ‘Hij heeft mijn mond aangeraakt’, en aansluitend: ‘Hij heeft tot mij gesproken.’ De mond van de ziel is het hoogste deel van de ziel; daarop doelt de profeet en zegt: ‘Hij heeft Zijn woord in mijn mond gelegd’ -dat is de kus van de ziel: daar is mond bij mond gekomen, daar baart de Vader Zijn Zoon in de ziel en daar wordt tot haar gesproken. Nu zegt Hij: ‘Let op, Ik heb je heden uitverkoren en heb je geplaatst boven volkeren en koninkrijken.’ In een heden belooft God ons onze uitverkiezing,
waar niets is, waar desondanks in de eeuwigheid een heden is. ‘En Ik heb je geplaatst boven volkeren’, dat is boven de hele wereld; daarvan moet je ontledigd zijn; ‘en boven koninkrijken’, dat betekent: wat meer is dan één, daarvan is er te veel, want je moet aan alle dingen ontsterven en weer ingevormd worden in de hoogte, waar wij wonen in de Heilige Geest. Daartoe helpe ons God, de Heilige Geest.
Amen.

26. IN HOC APPARUIT CARITAS DEI IN NOBIS QUONIAM FILIUM SUUM UNIGENITUM MISIT DEUS IN MUNDUM UT VIVAMUS PER EUM 1 JOHANNES 4, 9

‘Hierin is Gods liefde voor ons aan ons getoond en verschenen, dat God Zijn eengeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij leven met de Zoon en in de Zoon en door de Zoon.’ Want met allen die niet door de Zoon leven is het werkelijk verkeerd gesteld. Als er nu ergens een machtige koning was die een mooie dochter bezat, en hij gaf die dochter aan de zoon van een arme man, dan zouden allen die tot diens geslacht behoren daardoor een hoge rang en waardigheid krijgen. Nu zegt een leermeester: ‘God is mens geworden en daardoor kreeg het hele mensdom een hoge rang en waardigheid.’ We mogen ons er zeer over verheugen dat Christus, onze broeder, op eigen kracht is uitgestegen boven alle engelenkoren en aan de rechter hand van de Vader zit. Die leermeester heeft zeker gelijk, maar heus, ik geef er niet veel om. Wat hielp het me als ik een rijke broer had en zelf was ik daarbij arm? Wat hielp het me als ik een broer had die een wijs man was en ikzelf was daarbij een dwaas? Ik zeg iets anders, iets wat nauwkeuriger is: God is niet alleen mens geworden, doch heeft ook de menselijke natuur aangenomen.
De leermeesters beweren over het algemeen dat alle mensen in hun natuur even edel zijn. Maar ik zeg naar waarheid: al het goede, dat alle heiligen hebben bezeten, evenals Maria, Gods moeder, en Christus in Zijn menszijn, dat is mij in deze natuur eigen. Nu zouden jullie me kunnen vragen: ‘Daar ik in deze natuur alles bezit waartoe Christus overeenkomstig Zijn menszijn in staat is, hoe komt het dan dat wij Christus zo’n hoge rang en waardigheid verlenen als onze Heer en onze God?’ Dat komt omdat Hij een bode van God is geweest naar ons toe en ons onze zaligheid heeft gebracht.
De zaligheid die Hij ons aanbracht was van ons. Daar waar God Zijn Zoon baart, namelijk in de innerlijkste grond, daar binnen zweeft die natuur. Deze natuur is één en enkelvoudig. Hier kan daaruit wel iets naar buiten kijken of kan zich iets daaraan vasthechten, maar dat is toch dat Ene niet.
Ik zeg nog iets anders, wat moeilijker is: wie in de onmiddellijke naaktheid van die natuur wil staan, die moet zich van al het persoonsgebondene hebben ontdaan, en wel zodanig dat hij aan iemand die aan de overkant van de zee woont en die hij met eigen ogen nooit heeft gezien evenveel goeds gunt als aan degene die bij hem is en zijn vertrouwde vriend is. Zolang je jouw naasten meer goeds gunt dan iemand die je nooit hebt gezien, is het met jou niet in orde en heb je niet ook maar een ogenblik in die enkelvoudige oergrond binnengekeken. Al heb je dan wel iets wat op de waarheid leek als op een afdruksel gezien: het was het beste niet.
In de tweede plaats moet je rein van hart zijn, want alleen dat hart is rein dat alle geschapenheid teniet heeft gedaan. Ten derde moet je vrij zijn van het niet. ‘Wat brandt er in de hel’, wordt er gevraagd. Over het algemeen zeggen de leermeesters: ‘Dat doet de eigenwilligheid.’ Maar ik zeg naar waarheid dat het ‘niet’ in de hel brandt. Laten we een vergelijking maken!
Men neme een kooltje vuur en legt die op mijn hand. Zou ik zeggen dat dat vuurkooltje mijn hand brandt, dan deed ik het werkelijk onrecht. Om precies te zijn moet ik zeggen: het is het ‘niet’ dat mijn hand brandt, want het kooltje heeft iets in zich wat mijn hand niet heeft. Kijk, precies dat ‘niet’ brandt me. Zou mijn hand alles in zich hebben wat het kooltje is en kan, dan bezat ze ook geheel de natuur van het vuur. Zou dan iemand al het vuur dat ooit heeft gebrand nemen en het leggen op mijn hand, dan kon mij dat geen pijn doen. Hetzelfde geldt voor wat ik nu zeg: omdat God en al degenen die voor Gods aangezicht zijn iets in zich hebben, overeenkomstig echte zaligheid, wat zij die van God gescheiden zijn niet in zich hebben, is het juist dat ‘niet’ dat de zielen die in de hel zijn meer pijnigt dan hun eigenwilligheid of een of ander vuur. Ik zeg naar waarheid: in de mate waarin je met dat ‘niet’ bent behept en je onvolkomen. Daarom, willen jullie volkomen zijn, dan moeten jullie vrij zijn van het niet.
Daarover gaan de woorden die ik heb aangehaald: ‘God heeft Zijn eengeboren Zoon in de wereld gezonden.’ Dat moeten jullie niet begrijpen als ging het om de uiterlijke wereld, toen Hij met ons at en dronk; jullie moeten daaronder de innerlijke wereld verstaan. Zo waarlijk als de Vader in Zijn enkelvoudige natuur de Zoon natuurlijkerwijs voortbrengt, even waarlijk baart Hij Hem in het innigste van de geest, en dat is die innerlijke wereld. Hier is Gods oergrond mijn grond en mijn grond Gods oergrond. Hier leef ik vanuit mijn eigenste zijn, zoals God vanuit Zijn eigenste zijn leeft.
Wie ooit ook maar een ogenblik in die oergrond heeft gekeken zijn duizend mark gemunt rood goud niet meer waard dan een valse daalder. Vanuit die innigste grond moet je alles wat je doet zonder waarom doen.
Naar waarheid zeg ik: zolang je iets doet omwille van het hemelrijk of omwille van God of van je eeuwige zaligheid, en dus om iets van buitenaf, dan is het niet echt goed met je gesteld. Men mag je dan misschien graag lijden, toch is dat niet het beste. Want heus, als je meent van God meer te ontvangen in vrome overdenking, in de zoetheid van een genadeblijk, dan bij het houtvuur of in de stal, gedraag je je niet anders dan wanneer je God zou grijpen, een mantel om Zijn hoofd zou wikkelen en Hem onder een bank zou stoppen.
Want wie God op een bepaalde manier zoekt vat wel die methode aan, maar loopt God mis die daarin is verborgen. Maar wie God zonder speciale methode zoekt, die vat Hem aan zoals Hij in zichzelf is; en zo iemand leeft met de Zoon en is zelf het leven. Wie duizend jaar lang aan het leven zou vragen: waarom leef je? die zou, als het kon antwoorden, niets anders te horen krijgen dan: ik leef omdat ik leef. Dat komt omdat het leven vanuit zijn eigen bestaansgrond leeft en opwelt uit zichzelf; daarom leeft het zonder waarom in het zichzelf levende leven. Wanneer een oprecht mens, die handelt vanuit zijn eigen bestaansgrond, de vraag kreeg: waarom doe je de dingen die je doet? zou hij, als hij het juiste antwoord gaf, enkel zeggen: ik doe die dingen om ze te doen.
Waar het geschapene eindigt, daar begint God te zijn. Nu verlangt God niet meer van je dan dat je uit wie je bent, dat wil zeggen uit je geschapen zijnswijze, uittreedt en God God in je laat zijn. De kleinste voorstelling van het geschapene die zich wanneer ook maar in je vormt, is zo groot als God groot is. Waarom? Omdat die je weerhoudt van een gehele God. Precies daar waar zo’n voorstellingsbeeld jou binnengaat, moet God en Zijn gehele godheid wijken. Maar daar waar dat voorstellingsbeeld uit jou verdwijnt, daar komt God naar binnen. God verlangt zo sterk dat je uit je geschapen zijnswijze, dat wil zeggen: uit wie je bent, uittreedt, dat Zijn hele zaligheid daarvan lijkt af te hangen. Wel, lieve toehoorder, wat voor nadeel heb je ervan, als je het God vergunt om God in je te zijn? Treedt uit jezelf uit omwille van God, dan treedt God omwille van jou uit zichzelf uit. Wat dan blijft, als beiden uit zichzelf uittreden, is een enkelvoudig Een. In dat Een brengt de Vader Zijn Zoon voort in de innerlijkste bron. Daar ontbloeit de Heilige Geest, en daar ontspringt in God een wil die aan de ziel toebehoort. Zolang deze wil niet door enig schepsel of enige geschapenheid wordt beroerd, is hij vrij. Christus zegt: ‘Niemand komt naar de hemel, dan die uit de hemel gekomen is.’ Alle dingen zijn uit niets geschapen; daarom is hun werkelijke oorsprong het niets, en voor die edele wil zich richt op de schepselen, vervloeit hij met de schepselen in hun niets.
De vraag is nu of die edele wil zo wegvloeit, dat hij nooit meer terug kan komen. De leermeesters zeggen over het algemeen dat hij, voor hij met de tijd is weggevloeid, nooit weerkomt. Maar ik zeg: wanneer deze wil zich één ogenblik van zichzelf en al het geschapene afwendt en terugkeert in zijn eerste oorsprong, dan is hij weer in het bezit van zijn juiste, vrije aard en is hij vrij, en in dat ogenblik wordt alle verloren tijd teruggebracht.
Zoals hij zegt:
Dat wij zo waarlijk in onszelf mogen blijven, dat wij alle waarheid zonder tussenkomst en zonder onderscheid in echte zaligheid mogen bezitten, daartoe helpe ons God. Amen .