Avila, Teresia van, Innerlijke burcht. Gewetensbrieven. Kleinere geschriften. Gedichten – gebeden – antwoord op een uitdaging – raadgevingen – losse fragmenten, Gent 1982 (Carmelitana)

POESIAS
1
ASPIRACIONES DE VIDA ETERNA
Vivo sin vivir en mí,
y de tal manera espero,
Que muero porque no muero.
Vivo ya fuera de mí,
Después que muero de amor ;
Porque vivo en el Señor,
Que me quiso para sí :
Cuando el corazón le di
Puso en él este letrero,
Que muero porque no muero.
Esta divina prisión,
Del amor con que yo vivo,
Ha hecho a Dios mi cautivo,
y libre mi corazón ;
y causa en mí tal pasión
Ver a Dios mi prisionero,
Que muero porque no muero.
Ay, qué larga es esta vida!
Qué duros estos destierros!
Esta cárcel y estos hierros
En que el alma está metida!
Sólo esperar la salida
Me causa un dolor tan fiero,
Que muero porque no muero.
Ay, qué vida tan amarga
Do no se goza el Señor!
Porque si es dulce el amor,
No lo es la esperanza larga:
Quíteme Dios esta carga,
Más pesada que el acero,
Que muero porque no muero.
Sólo con la confianza
Vivo de que he de morir,
Porque muriendo el vivir
Me asegura mi esperanza;
Muerte do el vivir se alcanza,
No te tardes, que te espero,
Que muero porque no muero.
Mira que el amor es fuerte;
Vida, no me seas molesta,
Mira que sólo me resta,
Para ganarte perderte.
Venga ya la dulce muerte,
El mor ir venga ligero
Que muero porque no muero.
Aquella vida de arriba,
Que es la vida verdadera,
Hasta que esta vida muera,
No se goza estando viva:
Muerte, no me seas esquiva;
Viva muriendo primero,
Que muero porque no muero.
Vida, qué puedo yo darte
A mi Dios, que vive en mí,
Si no es el perderte a ti,
Para merecer ganarte?
Quiero muriendo alcanzarte,
Pues tanto a mi Amado quiero,
Que muero porque no muero.
1
VERZUCHTING NAAR HET EEUWIG LEVEN
Ik leef, maar niet in mij,
en mijn hopen is zo hunkerend
dat ik sterf van niet te sterven.
Ik leef reeds buiten mij
sinds ik van liefde sterf.
Want leven doe ik in de Heer,
die mij heeft gewild voor Zich.
Toen ik Hem gaf mijn hart,
plaatste Hij dit schild erin:
dat ik sterf van niet te sterven.
Dit goddelijk gevang van
de liefde waarmee ik leef
heeft God mijn gevangene gemaakt
en vrij mijn hart.
En het doet mij zoveel leed
God te zien nu mijn gevangene:
dat ik sterf van niet te sterven.
Ach, wat duurt dit leven lang!
En hoe hard die ballingschap!
Deze kerker, deze boeien,
waarin de ziel is opgesloten!
Alleen al ‘t wachten los te komen
geeft mij pijn zo vreselijk :
dat ik sterf van niet te sterven.
Ach, hoe bitter is het leven
daar waar men de Heer niet smaakt !
Want zo de liefde zoet is,
het durend hunkeren is dit niet.
Mocht God mij deze last ontnemen,
drukkender dan staal :
dat ik sterf van niet te sterven.
Enkel met het diep vertrouwen
eens te sterven, leef ik.
Want sterven dat is leven,
verzekert mij mijn hoop.
Dood, die ‘t leven doet bereiken,
talm niet langer, jou verwacht ik:
dat ik sterf van niet te sterven.
Bedenk hoe sterk de liefde is;
leven, val mij niet meer lastig,
bedenk hoe enkel overblijft
om jou te winnen, je te verliezen.
Laat de zoete dood maar komen,
laat de dood snel komen:
dat ik sterf van niet te sterven.
Dit leven van Hierboven
dat het ware leven is,
tot aan ‘t sterven van dit leven
smaakt men, al levend, niet.
Dood, wil mij dan niet ontvluchten;
laat, eerst stervend, mij toch leven:
dat ik sterf van niet te sterven.
Leven, hoe kan ik jou geven
aan mijn God die leeft in mij,
tenzij door je te verliezen
zó verdienend je te winnen?
Stervend wil ik jou verkrijgen
daar ik zozeer min mijn Liefste :
dat ik sterf van niet te sterven.

2
EN LAS MANOS DE DIOS
Vuestra soy, para Vos nací,
Qué mandáis hacer de mi?
Soberana Majestad,
Eterna sabiduría,
Bondad buena al alma mía;
La gran vileza mirad
Dios, alteza, un ser, bondad,
Que boy os canta amor así.
¿Qué mandáis hacer de mi?
Vuestra soy, pues me criastes,
Vuestra, pues me redimistes,
Vuestra, pues que me sufristes,
Vuestra, pues que me llamastes,
Vuestra porque me esperastes,
Vuestra, pues no me perdí.
¿Qué mandáis hacer de mi?
Qué mandáis, pues, buen Señor,
Que baga tan vil criado?
Cuál oficio Ie babéis dado
A este esclavo pecador?
Veisme aquí, mi dulce Amor,
Amor dulce, veisme aquí,
¿Qué mandáis hacer de mi?
Veis aquí mi corazón,
Yo le pongo en vuestra palma,
Mi cuerpo, mi vida y alma,
Mis entrañas y afición ;
Dulce Esposo y redención
Pues por vuestra me ofrecí
¿Qué mandáis hacer de mi?
Dadme muerte, dadme vida:
Dad salud o enfermedad,
Honra o deshonra me dad,
Dadme guerra o paz crecida,
Flaqueza a fuerza cumplida,
Que a todo digo que si.
¿Qué mandáis hacer de mi?
Dadme riqueza o pobreza,
Dad consuelo o desconsuelo,
Dadme alegría o tristeza,
Dadme infierno o dadme cielo,
Vida dulce, sol sin velo,
Pues del todo me rendí.
¿Qué mandáis hacer de mi?
Si queréis, dadme oración,
Si no, dadme sequedad,
Si abundancia y devoción,
Y si no esterilidad
Soberana Majestad,
Sólo hallo paz aquí,
¿Qué mandáis hacer de mi?
Dadme, pues, sabiduría,
O por amor, ignorancia,
Dadme años de abundancia,
O de hambre y carestía ;
Dad tiniebla o claro día,
Revolvedme aquí o allí.
¿Qué mandáis hacer de mi?
Si queréis que esté holgando,
Quiero por amor holgar .
Si me mandáis trabajar,
Morir quiero trabajando.
Decid, dónde, cómo y cuándo?
Decid, dulce Amor, decid.
¿Qué mandáis hacer de mi?
Dadme Calvario o Tabor,
Desierto o tierra abundosa,
Sea Job en el dolor,
O Juan que al pecho reposa;
Sea viña fructuosa
O estéril, si cumple así.
¿Qué mandáis hacer de mi?
Sea José puesto en cadenas,
O de Egipto Adelantado,
O David sufriendo penas,
O ya David encumbrado,
Sea Jonás anegado,
O libertado de allí,
¿Qué mandáis hacer de mi?
Esté callando o hablando,
Haga fruto o no le haga,
Muéstrame la ley mi llaga,
Goce de Evangelio blando;
Esté penando o gozando,
Sólo Vos en mi vivid,
¿Qué mandáis hacer de mi?
Vuestra soy, para Vos nací,
¿Qué mandáis hacer de mi?
2
IN GODS HANDEN
Ik ben van U, voor U werd ik geboren
.Wat wilt Gij met mij doen?
Soevereine Majesteit,
eeuwige wijsheid,
goedheid voor mijn ziel zó goed;
God, hoogheid, eenheid, goedheid,
zie neer op mijn geringheid
nu ik uw liefde zó bezing:
wat wilt Gij met mij doen?
Ik ben van U, daar Gij mij hebt geschapen,
van U, daar Gij mij hebt verlost,
van U, daar Gij mij hebt verdragen
van U, daar Gij mij riep,
van U, want Gij hebt zó op mij gewacht,
van U, daar ik toch niet verloren ging:
wat wilt Gij met mij doen?
Dus, wat beveelt Gij, goede Heer,
dat een zo nietig schepsel doen zal?
Welke taak hebt Gij gegeven
aan deze slaaf, zo zondig toch?
Zie mij hier, mijn zoete Liefde;
zoete Liefde, zie mij hier:
wat wilt Gij met mij doen?
Hier ziet Gij nu mijn hart,
ik leg het in uw handpalm;
mijn lichaam, ziel en leven,
mijn diepste diep, genegenheden.
Zoete Bruidegom, Bevrijder,
‘k gaf mij zo geheel aan U:
wat wilt Gij met mij doen?
Geef mij de dood, geef mij het leven,
geef mij ziekte of gezondheid;
eer of oneer, geef het mij,
geef mij strijd of grotere vrede,
zwakheid of volkomen kracht;
daar ik “ja” op alles zeg:
wat wilt Gij met mij doen?
Geef mij rijkdom ofwel armoe;
geef mij troost of troosteloosheid;
geef mij blijdschap ofwel droefheid,
geef de hel of geef de hemel.
Leven zoet, Zon zonder sluier,
‘k gaf mij heel en al uit handen:
wat wilt Gij met mij doen?
Zo Gij wilt, geef mij het bidden,
en zo niet, geef dorheid dan;
ofwel overvloed en godsvrucht,
indien niet, onvruchtbaarheid.
Soevereine Majesteit,
enkel hierin vind ik vrede!
wat wilt Gij met mij doen?
Welaan, geef mij grote wijsheid,
of, uit liefde, onwetendheid;
geef mij jaren vol van weelde,
of van honger of gebrek;
duisternis of heldere dag,
slinger mij maar her en der:
wat wilt Gij met mij doen?
Als Gij wilt dat ik zou rusten,
wil ik rusten ook uit liefde;
als Gij mij beveelt te werken,
wil ik, werkend, sterven dan.
Zeg mij waar, hoe en wanneer,
zeg maar, zoete Liefde, zeg het:
wat wilt Gij met mij doen?
Geef mij Golgota of Tabor ,
woestenij of welig land;
laat mij Job zijn in het lijden,
of Johannes, bij U rustend;
laat m’een wijngaard zijn vol vruchten
of onvruchtbaar zo dit schikt:
wat wilt Gij met mij doen?
Laat mij Jozef zijn in boeien
of Egyptes onderkoning;
David in zijn boetepijnen
ofwel David aan de top;
laat mij Jona zijn, verdronken
of terug in veiligheid:
wat wilt Gij met mij doen?
Of ik zwijgen moet of spreken,
vruchtbaar zijn of vruchteloos;
moet de wet mijn wonde tonen
of ’t evangelie mij vredig smaken;
moet ik lijden of genieten,
als Gij alleen maar leeft in mij:
wat wilt Gij met mij doen?
Ik ben van U, voor U werd ik geboren.
Wat wilt Gij met mij doen?
3
SOBRE AQUELLAS PALABRAS “DlLECTUS MEUS MIHI”
Yo toda me entregué y di,
y de tal suerte he trocado,
Que mi Amado para mi,
y yo soy para mi Amado.
Cuando el dulce Cazador
Me tiró y dejó rendida,
En los brazos del amor
Mi alma quedó calda,
Y cobrando nueva vida
De tal manera he trocado,
Que mi Amado para mí,
y yo soy para mi Amado.
Tiróme con una flecha
Enerbolada de amor,
Y mi alma quedó hecha
Una con su Criador ;
Ya yo no quiero otro amor,
Pues a mi Dios me he entregado,
y mi Amado para mí
y yo soy para mi Amado.
3
MIJN BEMINDE IS VAN MIJ
Over de woorden “DILECTUS MEUS MIHI”
Gegeven, overgeleverd heel en al,
deed ik zulk een ruil
dat mijn Beminde is van mij
en ik van mijn Beminde.
Toen mij trof de zoete Jager
en mij overwon,
viel mijn ziel in d’armen
van de Liefde ;
en herkrijgend een nieuw leven
deed ik zulk een ruil :
dat mijn Beminde is van mij
en ik van mijn Beminde.
Hij schoot op mij een pijl af,
purperrood gekleurd door liefde,
en, omgevormd, werd mijn ziel
met haar Schepper één ;
geen andere liefde wil ik meer,
want ‘k gaf mij aan mijn God gewonnen :
en mijn Beminde is van mij
en ik van mijn Beminde.
4
COLOQUIO AMOROSO
Si el amor que me tenéis,
Dios mío, es como el que os tengo.
Decidme ¿en qué me detengo ?
O Vos ¿en qué os detenéis ?
Alma ¿qué quieres de mi?
-Dios mío, no más que verte.
-y ¿qué temes más de ti?
-Lo que más temo es perderte.
Un alma en Dios escondida
¿Qué tiene que desear,
Sino amar y más amar,
Yen amor toda escondida
Tomarte de nuevo a amar?
Un amor que ocupe os pido,
Dios mío, mi alma os tenga,
Para hacer un dulce nido
Adonde más la convenga.

4
LIEFDEVOLLE SAMENSPRAAK
Indien de liefde die Gij hebt voor mij,
mijn God, zó is als die ik heb voor U,
zeg mij waarom ik talmen zou?
Of Gij, waarom talmt Gij?
Wat verlang je, ziel, van Mij?
-Niets anders, God, dan U te zien.
-En wat vrees je ’t meest voor jou ?
-U te verliezen is mijn grootste vrees.
Een ziel in God verborgen,
wat kan zij nog verlangen
dan te minnen en nog meer te minnen ?
En geheel in liefde ontvlamd
opnieuw beginnen te beminnen ?
‘k Vraag U een liefde, overweldigend,
mijn God, en dat mijn ziel U mag bezitten
om een zachte thuis te maken
dáár, waar het haar het best bevalt.
5
FELIZ EL QUE AMA A DIOS
Dichoso el corazón enamorado
Que en solo Dios ha puesto el pensamiento;
Por él renuncia todo lo criado,
Yen él halla su gloria y su contento.
Aun de si mismo vive descuidado,
Porque en Dios está todo su intento,
Y así alegre pasa y muy gozoso
Las hondas de este mar tempestuoso.
5
GELUKKIG HIJ DIE GOD BEMINT
Gelukkig het verliefde hart
dat op God alleen zijn gedachte heeft gevestigd;
dat voor Hem verzaakt aan al ’t geschapene,
en in Hem zijn roem en zijn voldoening vindt.
Het leeft zelfs onbezorgd over zichzelf,
want zijn bedoeling ligt geheel in God.
Zo overstijgt het licht en zeer verheugd
de golven van deze stormachtige zee.
6
ANTE LA HERMOSURA DE DIOS
¡Oh Hermosura que excedéis
A todas las hermosuras!
Sin herir dolor hacéis,
y sin dolor deshacéis,
El amor de las criaturas.
Oh, ñudo que así juntáis
Dos cosas tan designales,
No sé por qué os desatáis,
Pues atado fuerza dais
A tener por bien los males.
Juntáis quien no tiene ser
Con el Ser que no se acaba:
Sin acabar acabáis,
Sin tener que amar amáis,
Engrandecéis nuestra nada.
6
VOOR GODS SCHOONHEID
O Schoonheid
alle schoonheid overstijgend!
Zonder te kwetsen doet gij pijn
en zonder pijn brengt gij tot niet
de liefde van de schepselen.
O knoop, aldus verbindend
twee dingen zó verschillend,
‘k weet niet waarom gij u ontwart
daar, gebonden, gij de kracht geeft
de kwalen voor een goed te houden.
Wie niet het zijn bezit, verbindt gij
met het eindeloze Zijn.
Afmakend zonder af te maken,
beminnend zonder iets om te beminnen,
maakt Gij groot ons niets.
7
AYES DEL DESTIERRO
¡Cuán triste es, Dios mío,
La vida sin ti!
Ansiosa de verte,
deseo morir.
Carrera muy larga
Es la de este suelo,
Morada penosa,
Muy duro destierro
¡Oh dueño adorado!
Sácame de aquí.
Ansiosa de verte,
deseo morir.
Lúgubre es la vida,
Amarga en extremo;
Que no vive el alma
Que está de ti lejos.
¡Oh dulce bien mío,
Que soy infeliz!
Ansiosa de verte,
deseo morir.
¡Oh muerte benigna,
socorre mis penas!
Tus golpes son dulces,
Que el alma libertan.
¡Qué dicha, oh mi amado,
Estar junto a Ti!
Ansiosa de verte,
deseo morir.
El amor mundano
Apega a esta vida;
El amor divino
Por la otra suspira.
Sin ti, Dios eterno,
¿Quién puede vivir?
Ansiosa de verte,
deseo morir.
La vida terrena
Es continuo duelo:
Vida verdadera
La hay sólo en el cielo.
Permite, Dios mío,
Que viva yo allí,
Ansiosa de verte,
deseo morir.
¿Quién es el que teme
La muerte del cuerpo,
Si con ella logra
Un placer immenso?
¡Oh! sí, el de amarte,
Dios mío, sin fin.
Ansiosa de verte,
deseo morir.
Mi al ma afligida
Gime y desfallece.
¡Ah! ¿Quién de su amado
Puede estar ausente?
Acabe ya, acabe
Aqueste sufrif.
Ansiosa de verte,
deseo morir.
El barbo cogido
En doloso anzuelo,
Encuentra en la muerte
El fin del tormento.
¡Ay! también yo sufro,
Bien mío, sin ti,
Ansiosa de verte,
deseo morir.
En vano mi alma
Te busca, oh mi dueño;
Tu siempre invisible
No alivias su anhelo.
¡Ay! esto la inflama
Hasta prorrumpir :
Ansiosa de verte,
deseo morir.
¡Ay! cuando te dignas
Entrar en mi pecho,
Dios mío, al instante
El perderte temo.
Tal pena me aflige,
y me hace decir:
Ansiosa de verte,
deseo morir.
Haz, Señor, que acabe
Tau larga agonía;
Socorre a tu sierva
Que porti suspira.
Rompe aquestos hierros
y sea feliz.
Que ansiosa de verte,
deseo morir.
Mas no, dueño amado,
Que es justo padezca ;
Que expíe mis yerros,
Mis culpas immensas.
¡Ay! logren mis lágrimas
Te dignes oír
Ansiosa de verte,
deseo morir.

7
KLACHT UIT DE BALLINGSCHAP
Hoe droevig is, mijn God,
het leven zonder U!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Een zeer lange baan
is die van deze aarde;
een kommervolle woonplaats,
zeer harde ballingschap.
Aanbiddelijke Meester,
o neem mij weg hieruit!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Somber is het leven
en bitter tot het uiterste;
want leven doet de ziel
die ver van U is, niet.
O zoete Welbeminde,
wat ben ik onfortuinlijk!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
O liefelijke dood,
verlicht mijn pijnen !
Jouw slagen zijn zoet
daar zij de ziel bevrijden.
Wat een geluk, Geliefde,
met U vereend te zijn!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Wereldse liefde hecht
ons aan dit leven vast;
de goddelijke liefde
hunkert naar het andere.
Wie kan, eeuwige God,
leven zonder U?
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Het aardse leven is
onafgebroken rouw;
het ware leven vindt men
alleen maar in de hemel.
O laat me toe, mijn God,
daarginder te gaan leven.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Wie is er die de dood
van ’t lichaam dan nog vreest,
zo hij daardoor verkrijgt
een mateloos genieten?
O ja! U eindeloos
te mogen minnen, God!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Mijn diepbedroefde ziel
klaagt en begeeft geheel.
Ach, wie kan ver
van zijn Beminde leven?
Mocht het een einde nemen,
dit lijden, mocht het eindigen.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
De vis die door een haak
pijnlijk gevangen is,
vindt in het sterven vlug
het einde van de kwelling.
Ach! zonder U, mijn God,
is ook mijn lijden zó.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Mijn ziel zoekt tevergeefs
naar U, mijn Meester.
Gij, altijd onzichtbaar,
verlicht haar smachten niet.
Ach! dat ontvlamt haar zó
tot ze onstuimig roept:
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Wanneer Gij U gewaardigt
te treden in mijn diepste diep,
vrees ik terstond, mijn God,
U weder te verliezen.
Die pijn bedroeft mij zeer
en doet mij zeggen:
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Maak Heer, dat voleind wordt
een doodstrijd, o zo lang;
en kom je dienares te hulp
die zó verzucht naar U.
Breek deze boeien,
Iaat haar gelukkig zijn.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
Maar neen, geliefde Meester,
het past wel dat ik lijd;
dat ik mijn fouten boet,
mijn schuld onmetelijk.
Laat mij geween bekomen
dat Gij mij wilt aanhoren:
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.
8
BUSCANDO A DIOS
Alma, buscarte has en Mí,
Y a Mí buscarme has en ti.
De tal suerte pudo amor,
Alma, en mí te retratar,
Que ningún sabio pintor
Supiera con tal primor
Tal imagen estampar .
Fuiste por amor criada
Hermosa, bella, y así
En mis entrañas pintada,
Si te perdieres, mi amada,
Alma, buscarte has en Mí.
Que yo sé que te hallaras
En mi pecho retratada,
y tan al vivo sacada,
Que si te ves te holgaras
Viéndote tan bien pintada.
y si acaso no supieres
Donde me hallarás a Mí,
No andes de aquí para allí.
Sino, si hallarme quisieres
A Mí buscarme hos en ti.
Porque tu eres mi aposento,
Bres mi casa y morada,
Y así llamo en cualquier tiempo,
Si hallo en tu pensamiento
Estar la puerta cerrada.
Fuera de ti no hay buscarme,
Porque para hallarme a Mí,
Bastará Sólo llamarme,
Que a ti iré sin tardarme,
Y a Mí buscarme hos en ti.
8
OP ZOEK NAAR GOD
Ziel, jij moet je in Mij zoeken
en Mij, Mij moet je in jou zoeken.
De liefde wist op zulke wijze
jou te tekenen, ziel, in Mij
dat niet één talentvol schilder
met zodanige begaafdheid
zulk een beeld graveren kon.
Schoon, bekoorlijk, eens geschapen
door de liefde, en zo sta je
in mijn diepste diep geschilderd ;
zo jij jezelf verloor, mijn liefste,
ziel, je moet je in Mij zoeken.
Want ‘k weet dat jij je vinden zult
in mijn binnenste getekend,
zó getekend naar het leven,
dat bij ’t zien, je zult verheugd zijn
je zó goed te zien geschilderd.
Mocht bij toeval jij niet weten
waar je Mij kunt vinden, Mij,
ga dan toch niet her en der;
maar als jij Mij wenst te vinden,,
Mij, Mij moet je in je zoeken.
Want mijn kamer dat ben jij,
jij mijn huis en mijn verblijf;
om ’t even welk uur roep Ik dus
zo Ik van jouw gedachten
de deur gesloten Vind.
Buiten jou hoef je Mij niet te zoeken
want om Mij te vinden, Mij,
volstaat het Mij te roepen :
aanstonds kom Ik dan tot jou,
en Mij, Mij moet je in je zoeken.
9
EFICACIA DB LA PACIENCIA
Nada te turbe,
Nada te espante,
Todo se pasa,
Dios no se muda,
La paciencia
Todo lo alcanza;
Quien a Dios tiene
Nada le falta:
Sólo Dios basta.
9
GOD ALLEEN VOLDOET
Krachtdadig geduld
Laat niets je verstoren.
Laat niets je beangstigen.
Alles gaat voorbij.
God verandert niet.
Geduld verkrijgt alles.
Wie aan God houdt zal niets ontbreken.
Alleen God voldoet.

10
Hacia la Patria
Caminemos para el cielo,
monjas del Carmelo.
Vamos muy mortificadas,
humildes y despreciadas,
dejando el consuelo,
monjas del Carmelo.
Al voto de la obediencia
vamos, no haya resistencia,
que es nuestro blanco y consuelo,
monjas del Carmelo.
La pobreza es el camino,
el mismo por donde vino
nuestro Emperador del cielo,
monjas del Carmelo.
No deja de nos amar
nuestro Dios y nos llamar,
sigámosle sin recelo,
monjas del Carmelo.
En amor se está abrasando
aquel que nació temblando,
envuelto en humano velo,
monjas del Carmelo.
Vámonos a enriquecer,
a donde nunca ha de haber
pobreza ni desconsuelo,
monjas del Carmelo.
Al Padre Elías siguiendo
nos vamos contradiciendo
con su fortaleza y celo,
monjas del Carmelo.
Nuestro querer renunciado,
procuremos el doblado
espíritu de Eliseo,
monjas del Carmelo
10
NAAR HET VADERLAND
Trek op naar de hemel,
monialen van de karmel.
Ga zeer verstorven,
nederig en veracht,
verzakend aan vertroosting,
monialen van de karmel.
Naar de gelofte van gehoorzaamheid
ga, geen weerstand biedend:
het is ons doel en onze troost,
monialen van de karmel.
De armoe is de weg daarheen,
dezelfde waarlangs is gekomen
onze hemelse Regeerder,
monialen van de karmel.
Hij houdt niet op ons te beminnen,
onze God, en ons te roepen;
volg Hem onbevreesd,
monialen van de karmel.
In liefde is ontvlamd
Hij, die al bevend werd geboren,
omhuld met menselijke sluier,
monialen van de karmel.
Ga je verrijken dáár
waar nooit meer hoeft te zijn
armoede noch verlatenheid,
monialen van de karmel.
Strijdend in het spoor
van Vader Elia, ga dan
met zijn sterkte en zijn IJver,
monialen van de karmel.
Na het verzaken aan
je eigen wil, behaal
het dubbel deel: Elisa’s geest,
monialen van de karmel.

11
Pastores que veláis
¡Ah, pastores que veláis,
por guardar vuestro rebaño,
mirad que os nace un Cordero,
Hijo de Dios Soberano!
Viene pobre y despreciado,
comenzadle ya a guardar,
que el lobo os le ha de llevar,
sin que le hayamos gozado.
–Gil, dame acá aquel cayado
que no me saldrá de mano,
no nos lleven al Cordero:
¿no ves que es Dios Soberano?
–¡Sonzas!, que estoy aturdido
de gozo y de penas junto.
–¿Si es Dios el que hoy ha nacido,
cómo puede ser difunto?
–¡Oh, que es hombre también junto!
La vida estará en su mano;
mirad, que es este el Cordero,
Hijo de Dios Soberano.
–No sé para qué le piden,
pues le dan después tal guerra.
–Mía fe, Gil, mejor será
que se nos torne a su tierra.
–Si el pecado nos destierra,
y está el bien todo en su mano,
ya que ha venido, padezca
este Dios tan Soberano.
–Poco te duele su pena;
¡oh, cómo es cierto del hombre,
cuando nos viene provecho,
el mal ajeno se esconde!
–¿No ves que gana renombre
de pastor de gran rebaño?
–Con todo, es cosa muy fuerte
que muera Dios Soberano.
–No sé para qué le piden,
pues le dan después tal guerra.
–Mía fe, Gil, mejor será
que se nos torne a su tierra.
–Si el pecado nos destierra,
y está el bien todo en su mano,
ya que ha venido, padezca
este Dios tan Soberano.
–Poco te duele su pena;
¡oh, cómo es cierto del hombre,
cuando nos viene provecho,
el mal ajeno se esconde!
–¿No ves que gana renombre
de pastor de gran rebaño?
–Con todo, es cosa muy fuerte
que muera Dios Soberano.
11
HET LAM, ZOON VAN DE SOEVEREINE GOD
bij Jezus’ geboorte
O herders die waakt
om je kudde te hoeden,
zie een Lam is je geboren:
Zoon van de soevereine God!
Hij komt arm en veracht,
wil Hem nu reeds behoeden
of de wolf ontrooft Hem
nog vóór we Hem genieten.
-Gil, geef me die herdersstaf,
mijn hand ontglipt hij niet,
dan rooft men niet het Lam:
-Zie je niet dat Het is de soevereine God?
Kijk hoe verdwaasd ik ben
van pijn en vreugd tezamen.
-Zo Hij die nu geboren werd, God is
hoe kan Hij dan gestorven zijn?
O, daar Hij tevens mens is
ligt toch het leven in zijn hand;
Beschouw hoe het Lam hier is:
Zoon van de soevereine God.
‘k Weet niet waarom zij op Hem roepen,
daar zij Hem zó gaan bestrijden.
-Waarachtig, Gil, ’t zou beter zijn
dat Hij terugkeert naar zijn land,
waaruit de zonde ons verbant.
Al het goed ligt in zijn hand.
Láát Hem lijden, nu Hij kwam,
deze zó soevereine God.
Even maar raakt je zijn pijn ;
o hoe waar is het: als iemand
voordeel brengt, merk je
niet eens andermans leed.
Zie je niet dat Hij, als Herder
van een grote kudde, naam werft?
Niettemin is het te kras
dat de soevereine God zou sterven.
12
Al Nacimiento de Jesús
Hoy nos viene a redimir
un Zagal, nuestro pariente,
Gil, que es Dios omnipotente.
–Por eso nos ha sacado
de prisión a Satanás;
mas es pariente de Bras,
y de Menga, y de Llorente.
¡Oh, que es Dios omnipotente!
–Pues si es Dios, ¿cómo es vendido
y muere crucificado?
–¿No ves que mató el pecado,
padeciendo el inocente?
Gil, que es Dios omnipotente.
–Mi fe, yo lo vi nacido
de una muy linda Zagala.
–Pues si es Dios ¿cómo ha querido
estar con tan pobre gente?
–¿No ves, que es omnipotente?
–Déjate de esas preguntas,
muramos por le servir,
y pues Él viene a morir
muramos con Él, Llorente,
pues es Dios omnipotente.
12
HIJ IS DE ALMACHTIGE GOD
bij Jezus’ geboorte
Heden komt ons bevrijden
een Herder : een van ons geslacht;
Gil, Hij is de almachtige God!
Daarom heeft Hij ons bevrijd
uit de kerker van de satan;
maar Hij is verwant aan Bias,
aan Lorenzo en aan Menga.
O, Hij is de almachtige God!
Maar als God, hoe wordt Hij dan
zo verkocht en sterft gekruisigd?
-Zie je niet hoe Hij, al lijdend,
Hij, onschuldig, doodt de zonde?
Gil, Hij is de almachtige God!
Op mijn woord, bij zijn geboorte
zag ik Hem, met een lieve Herderin.
-Maar als God, hoe wilde Hij
met zulke arme lieden leven?
-Zie je niet dat Hij almachtig is?
Hou maar op met al dat vragen,
laat ons trachten Hem te dienen;
en daar Hij om te sterven komt,
Lorenzo, laat ons met Hem sterven.
Want Hij is de almachtige God!

13
Para Navidad
Pues el amor
nos ha dado Dios,
ya no hay que temer,
muramos los dos.
Danos el Padre
a su único Hijo:
hoy viene al mundo
en pobre cortijo.
¡Oh gran regocijo,
que ya el hombre es Dios!,
no hay que temer,
muramos los dos.
–Mira, Llorente,
qué fuerte amorío,
viene el inocente
a padecer frío;
deja un señorío
en fin, como Dios,
ya no hay que temer,
muramos los dos.
–Pues ¿cómo, Pascual,
hizo esa franqueza,
que toma un sayal
dejando riqueza?
Mas quiere pobreza,
sigámosle nos;
pues ya viene hombre,
muramos los dos.
–Pues ¿qué le darán
por esta grandeza?
–Grandes azotes
con mucha crudeza.
–Oh, qué gran tristeza
será para nos:
si esto es verdad
muramos los dos.
–Pues ¿cómo se atreven
siendo Omnipotente?
¿Ha de ser muerto
de una mala gente?
–Pues si eso es, Llorente,
hurtémosle nos.
–¿No ves que Él lo quiere?,
muramos los dos.
13
LAAT ONS BEIDEN STERVEN
voor Kerstmis
Daar de liefde
ons God heeft gegeven,
valt er niets meer te vrezen:
laat ons beiden sterven.
De Vader geeft ons
zijn enige Zoon:
heden komt Hij ter wereld
in een arme stal.
O grote vreugde,
want reeds is de mens God!
Niets valt er te vrezen:
laat ons beiden sterven.
Zie toch, Lorenzo,
wat een intense liefde.
Hij, de onschuldige,
komt lijden in de kou;
een Heerlijkheid verlaat Hij.
Maar kom, als God
valt er niets meer te vrezen:
laat ons beiden sterven.
Waar haalde Hij, Pascual,
die edelmoedigheid om zich
in grove stof te kleden,
de rijkdom achterlatend?
Wel, Hij wil de armoede;
laten wij Hem volgen, wij,
daar Hij nu komt als mens:
en laat ons beiden sterven.
Maar wat zullen wij Hem geven
voor zijn waardigheid ?
Grote geselingen
o zo wreed.
Wat zal dit droevig
voor ons zijn!
Als het waarlijk zo is:
laat ons beiden sterven.
Maar hoe durven zij,
daar Hij almachtig is?
Boze lieden
gaan Hem doden.
Lorenzo, als het zo is
laat ons Hem hieraan onttrekken.
-Zie jij niet dat Hij het zelf verlangt?
Laat ons beiden sterven.
14
Ya viene el alba
–Mi gallejo, mira quién llama.
–Ángeles son, que ya viene el alba.
Hame dado un gran zumbido
que parece cantillana.
Mira Bras, que ya es de día,
vamos a ver la zagala.
Mi gallejo, mira quién llama.
–Ángeles son, que ya viene el alba.
¿Es parienta del alcalde,
o quién es esta doncella?
–Ella es hija de Dios Padre,
relumbra, como una estrella.
Mi gallejo, mira quién llama.
–Ángeles son, que ya viene el alba
14
KIJK WIE ER ROEPT
bij de geboorte van het Goddelijk Kind
-Mijn haantje, kijk wie er roept!
-Het zijn engelen, want reeds nadert de dageraad.
Ik heb een groot gezoem gehoord
alsof het een liedeke was.
Kijk, Blas, de dag breekt aan:
laat ons gaan zien naar de Herderin.
-Mijn haantje, kijk wie er roept!
-Het zijn engelen, want reeds nadert de dageraad.
-Is zij verwant aan de schout?
Of wie is die jongedame?
Het is de dochter van God de Vader.
Zij schittert als een ster.
-Mijn haantje, kijk wie er roept!
-Het zijn engelen, want reeds nadert de dageraad.

15
A la circuncisión
Vertiendo está sangre, ¡Dominguillo, eh! Yo no sé por qué.
¿Por qué, te pregunto, hacen dél justicia, pues es inocente y no tiene malicia? Tuvo gran codicia, yo no sé por qué, de mucho amarme, ¡Dominguillo, eh!
¿Pues luego en naciendo,
le han de atormentar?
–Sí, que está muriendo
por quitar el mal.
¡Oh, qué gran Zagal
será, por mi fe!
¡Dominguillo, eh!
¿Tú no lo has mirado,
que es niño inocente?
–Ya me lo han contado
Brasillo y Llorente.
Gran inconveniente
será no amarle,
¡Dominguillo, eh!
15
ZEG, KLEINE DOMINGO
voor de besnijdenis
Hij vergiet zijn bloed; zeg, kleine Domingo,
waarom weet ik niet.
Waarom, vraag ik je,
veroordeelt men Hem,
daar Hij onschuldig is
en geen kwaad heeft gedaan?
Hij verlangde zo sterk
-waarom weet ik niet
me veel te beminnen,
zeg, kleine Domingo!
Pasgeboren dus
gaan zij Hem kwellen?
-Ja, want Hij zal sterven
om het kwaad te verdelgen.
O, op mijn woord, wat een
groot Herder zal Hij zijn,
zeg, kleine Domingo!
Zag jij dan niet
dat dit Kind onschuldig is.
-Ze zeiden het me reeds,
kleine Blas en Lorenzo.
Hoe nadelig zou het zijn
Het niet te beminnen,
zeg, kleine Domingo!
16
OTRA A LA CIRCUNCISION
Este Niño viene llorando:
Mirale, Gil, que te está llamando.
Vino del cielo a la tierra ,
Para quitar nuestra guerra;
Ya comienza la pelea,
Su sangre está derramando,
Mirale, Gil, que te está llamando.
Fue tan grande, el amorío,
Que no es mucho estar llorando,
Que comienza Ia tener brio,
Habiendo de estar mandando.
Mirale, Gil, que te está llamando.
Caro nos ha de costar,
Pues comienza tan temprano,
A su sangre derramar,
Habremos de estar llorando
Mirale, Gil, que te está llamando.
No viniera El a morir
Pues podia estarse en su nido,
¿No ves, Gil, que si ha venido
Es como león bramando?
Mirale, Gil, que te está llamando.
Dime Pascual, ¿qué me quieres,
Que tantos gritos me das?
-Que Ie ames, pues te quiere,
Y por ti está tiritando;
Mirale, Gil, que te está llamando
16
JE BENT GEROEPEN
voor de besnijdenis
Dit Kindeke komt al wenend.
Bekijk het, Gil, want je bent geroepen.
Hij kwam uit de hemel op aarde
om onze oorlog te stillen;
de strijd vangt al aan,
Zijn bloed wordt vergoten.
Bekijk Hem, Gil, want je bent geroepen.
Zo groot was deze liefde.
Geen wonder dat Hij weent.
Hij begint al kracht te hebben
om later te gebieden.
Bekijk Hem, Gil, want je bent geroepen.
Wat zal het ons duur kosten,
daar Hij zo vroeg begint
met het vergieten van zijn bloed.
Wat zullen wij nog wenen!
Bekijk Hem, Gil, want je bent geroepen.
Hij hoefde niet te komen om te sterven
daar Hij in zijn woonst kon blijven;
zie je niet, Gil, dat nu Hij toch kwam
het is als een brullende leeuw?
Bekijk Hem, Gil, want je bent geroepen.
Zeg, Pascual, wat wil je van me
om zó me achterna te schreeuwen?
-Dat jij Hem bemint, want Hij heeft je lief
en ligt daar voor jou te rillen.
Bekijk Hem, Gil, want je bent geroepen.
17
En la festividad de los Santos Reyes
Pues la estrella
es ya llegada,
vaya con los Reyes
la mi manada.
Vamos todas juntas
a ver el Mesías,
pues vemos cumplidas
ya las profecías.
Pues en nuestros días,
es ya llegada,
vaya con los Reyes
la mi manada.
Llevémosle dones
de grande valor,
pues vienen los Reyes,
con tan gran hervor.
Alégrese hoy
nuestra gran Zagala,
vaya con los Reyes
la mi manada.
No cures, Llorente,
de buscar razón,
para ver que es Dios
aqueste garzón.
Dale el corazón,
y yo esté empeñada:
vaya con los Reyes
la mi manada.
17
VOOR HET DRIEKONINGENFEEST
Daar de ster
reeds is verschenen,
volg de koningen,
mijn kudde.
Laat ons allen saam
de Messias gaan zien,
nu de profetieën
in vervulling gaan.
Want op onze dagen
is de ster verschenen.
Volg de koningen,
mijn kudde.
Laat ons gaven aanbrengen
van grote waarde,
want de koningen komen
met zoveel vurigheid.
Mocht zij zich vandaag verheugen,
onze grote Herderin.
Volg de koningen,
mijn kudde.
Maak je geen zorgen
en zoek niet te begrijpen
dat Hij God is
deze Knaap, Lorenzo.
Geef Hem je hart
en laat mij borg staan.
Volg de koningen,
mijn kudde.

18
Cruz, descanso sabroso…
Cruz, descanso sabroso de mi vida
vos seáis la bienvenida.
Oh bandera, en cuyo amparo
el más flaco será fuerte,
oh vida de nuestra muerte,
qué bien la has resucitado;
al león has amansado,
Pues por ti perdió la vida:
vos seáis la bienvenida.
Quien no os ama está cautivo
y ajeno de libertad;
quien a vos quiere allegar
no tendrá en nada desvío.
Oh dichoso poderío,
donde el mal no halla cabida,
vos seáis la bienvenida.
Vos fuisteis la libertad
de nuestro gran cautiverio;
por vos se reparó mi mal
con tan costoso remedio;
para con Dios fuiste medio
de alegría conseguida:
vos seáis la bienvenida.
18
TOT HET KRUIS
Kruis, heerlijke rust van mijn leven,
wees welkom.
O banier, onder jouw wijkplaats
zal ook de zwakste sterk zijn;
o leven, wat heb jij ons sterven
prachtig doen verrijzen.
De leeuw heb jij getemd,
want door jou verloor hij ’t leven.
Wees welkom.
Gevangen is wie jou niet min,
Hij heeft geen weet van vrijheid;
en wie tot jouw naderen
zal niets doen afwijken.
O macht zo zalig,
waar het kwaad geen ruimte vindt.
Wees welkom.
In onze grote gevangenschap
was jij de vrijheid;
door jou werd mijn kwaal geheeld
met zo’n kostbaar redmiddel.
Tussen God en ons was jij
bemiddeling van de verkregen vreugde.
Wees welkom.
19
EL CAMINO DE LA CRUZ
En la cruz está la vida
Y el consuelo,
Y ella sola es el camino
Para el cielo.
En Ia cruz está el Señor
De cielo y tierra.
Y el gozar de mucha paz,
Aunque haya guerra.
Todos Ios males destierra
En este suelo,
Y ella sola es el camino
Para el cielo.
De la cruz dice Ia Esposa
A sa Querido
Que es una palma preciosa
Donde ha subido,
y su fruto Ie ha sabido
A Dios del cielo,
y ella so/a es el camino
Para el cielo.
Es una oliva preciosa
La santa cruz,
Que con su aceite nos unta
Y nos da luz.
Alma mía, toma la cruz
Con gran consuelo,
Que ella sola es el camino
Para el cielo.
Es la cruz el árbol verde
Y deseado
De Ia Esposa, que a su sombra
Se ha sentado.
Para gozar de su Amado,
El Rey del cielo,
Y ella sola es el camino
Para el cielo.
EI alma que a Dios está
Toda rendida,
Y muy. de veras del mundo
Desasida,
La cruz Ie es árbol dè vida
Y de consuelo,
Y un camino deleitoso
Para el cielo.
Después que se puso en cruz
El Salvador,
En la cruz está la gloria
Y el honor,
Y el padecer dolor
Vida y consuelo,
Y el camino más seguro
Para el cielo.
19
DE KRUISWEG
In het kruis ligt het leven
en de vertroosting,
en het kruis alleen is de weg
naar de hemel.
Aan het kruis hangt de Heer
van hemel en aarde;
en de genieting van een diepe vrede
-zelfs al is er strijd-
verbant alle kwalen
uit dit aardrijk.
En het kruis alleen is de weg
naar de hemel.
Van het kruis zegt de Bruid
tot haar Geliefde,
dat het een kostbare palmboom is
die Hij beklommen heeft;
en zijn vrucht doet haar smaken
de God van de hemel.
En het kruis alleen is de weg
naar de hemel.
Een kostbare olijfboom
is het heilige kruis,
met zijn olie zalft
en verlicht hij ons;
o mijn ziel, neem het kruis
met grote vertroosting.
Daar het kruis alleen de weg is
naar de hemel.
Het kruis is de groene boom
door de Bruid verlangd.
Zij heeft zich neergezet
onder zijn schaduw
om van haar Beminde,
de Koning van de hemel, te genieten.
En het kruis alleen is de weg
naar de hemel.
Voor een ziel geheel
aan God prijsgegeven,
en zeer oprecht
aan de wereld onthecht,
voor haar is het kruis
boom van leven en troost.
En een heerlijke weg
naar de hemel.
Sinds de Verlosser
aan het kruis werd geslagen,
ligt in het kruis
de glorie en de eer,
en in het dragen van lijden
leven en troost.
En het kruis is de meest veilige
weg naar de hemel.
ABRAZADAS A LA CRUZ
Caminemos para el cielo,
Monjas del Carmelo.
Abracemos bien la Cruz
Y sigamos a Jesús,
Que es nuestro camino y luz,
Lleno de todo consuelo,
Monjas del Carmelo.
Si guardáis más que los ojos
La profesión de tres votos,
Libraros de mil enojos,
De tristeza y desconsuelo,
Monjas del Carmelo.
El voto de la obediencia,
Aunque es de muy alta ciencia,
Jamás se le hace ofensa
Sino cuando hay resistencia.
De ésta os libre Dios del cielo,
Monjas del Carmelo.
El voto de castidad
Con gran cuidado guardad.
A solo Dios desead, ·
y en El mismo os encerrad,
Sin mirar cosa del suelo,
Monjas del Carmelo.
El que llaman de pobreza,
Si se guarda con pureza,
Está lleno de riqueza
Y abre las puertas del cielo,
Monjas del Carmelo.
Y si así lo hacemos,
Los contrarios venceremos
Y a la fin descansaremos
Con el que hizo tierra y cieio
Monjas del Carmelo.
20
OMHELZING VAN HET KRUIS
Naar de hemel, trek op,
monialen van de karmel
Omhels gaarne het kruis
en volg Jezus,
onze weg en ons licht
overvloeiend van troost,
monialen van de karmel.
Meer nog dan je ogen, wil behoeden
de professie van de drie geloften,
bevrijd zo jezelf van duizend zorgen,
van droefheid en troosteloosheid,
monialen van de karmel.
De gelofte van gehoorzaamheid,
hoe diepzinnig ook,
overtreed je nooit tenzij
je weerstand biedt:
daarvoor beware je de God van de hemel,
monialen van de karmel.
Onderhou met grote zorg
de gelofte van zuiverheid;
verlang naar God alleen
en verberg je in Hemzelf,
zonder één blik op het aardse,
monialen van de karmel.
En wat je noemt
de gelofte van armoede
is, zuiver onderhouden, vol rijkdom
en opent de hemelpoort,
monialen van de karmel.
Indien je zo handelt
zul je de vijanden verslaan
en uiteindelijk rusten gaan
met Hem, die hemel en aarde maakte
monialen van de karmel.

21
A San Andrés
Si el padecer con amor
puede dar tan gran deleite,
¡qué gozo nos dará el verte!
¿Qué será cuando veamos
a la inmensa y suma luz,
pues de ver Andrés la cruz
se pudo tanto alegrar?
¡Oh, que no puede faltar
en el padecer deleite!
¡Qué gozo nos dará el verte!
El amor cuando es crecido
no puede estar sin obrar,
ni el fuerte sin pelear,
por amor de su querido.
Con esto le habrá vencido,
y querrá que en todo acierte.
¡Qué gozo nos dará el verte!
Pues todos temen la muerte,
¿cómo te es dulce el morir?
¡Oh, que voy para vivir
en más encumbrada suerte!
¡Oh mi Dios, que con tu muerte
al más flaco hiciste fuerte!
¡Qué gozo nos dará el verte!
¡Oh cruz, madero precioso,
lleno de gran majestad!
Pues siendo de despreciar,
tomaste a Dios por esposo,
a ti vengo muy gozoso,
sin merecer el quererte.
Esme muy gran gozo el verte.
21
AAN SINT-ANDREAS
Als met lief de lijden
zo’n groot genot kan schenken,
wat een genieting zal het zijn U te zien!
Wat zal het zijn als wij
de eeuwige Majesteit zien?
Daar Andreas zulk een blijdschap ondervond
bij het zien van het kruis.
O het kan niet uitblijven
genot te vinden in het lijden!
Wat een genieting zal het zijn U te zien!
Liefde als zij toeneemt,
kan niet ledig bijven;
noch, indien zij sterk is, zonder strijd
voor de lief de van haar Beminde.
Na Hem aldus gewonnen te hebben
zoekt de liefde in alles te slagen.
Wat een genieting zal het zijn U te zien
Daar iedereen de dood vreest
hoe is jou dan het sterven zoet ?
O, ik ga heen om te leven
op een meer verheven wijze.
O mijn God, hoe hebt Gij door uw dood
sterk gemaakt de meest zwakke!
Wat een genieting zal het zijn U te zien.
O kruis, kostbaar hout
vol grote majesteit,
daar jij die verachtelijk bent
God tot bruidegom nam.
Vol blijdschap kom ik tot jou
hoewel ik niet verdien je te beminnen.
U te zien is mijn grootste genieting.
22
A San Hilarión
Hoy ha vencido un guerrero
al mundo y sus valedores.
–Vuelta, vuelta, pecadores,
sigamos este sendero.
Sigamos la soledad,
y no queramos morir,
hasta ganar el vivir
en tan subida pobreza.
¡Oh, qué grande es la destreza
de aqueste nuestro guerrero!
–Vuelta, vuelta, pecadores,
sigamos este sendero.
Con armas de penitencia
ha vencido a Lucifer,
combate con la paciencia,
ya no tiene que temer.
Todos podemos valer
siguiendo a este caballero.
–Vuelta, vuelta, pecadores,
sigamos este sendero.
No ha tenido valedores,
abrazóse con la cruz:
siempre en ella hallamos luz,
pues la dio a los pecadores.
¡Oh, qué dichosos amores
tuvo este nuestro guerrero!
–Vuelta, vuelta, pecadores,
sigamos este sendero.
Ya ha ganado la corona,
y se acabó el padecer,
gozando ya el merecer,
con muy encumbrada gloria.
¡Oh venturosa victoria
de nuestro fuerte guerrero!
–Vuelta, vuelta, pecadores,
sigamos este sendero.
22
AAN SINT-HILARION
Heden heeft een krijgsman
de wereld en haar verdedigers overwonnen.
Rechtsomkeer, rechtsomkeer, zondaars,
laat ons dit spoor volgen.
Laat ons de eenzaamheid zoeken
en niet verlangen te sterven,
vooraleer te hebben verkregen
in zo’n verheven armoede te leven.
O hoe groot is de bekwaamheid
van onze krijgsman!
Rechtsomkeer, rechtsomkeer, zondaars,
laat ons dit spoor volgen.
Met boetewapens heeft
hij Lucifer verslagen.
Strijdend met geduld
hoeft hij niets meer te vrezen nu.
Als we deze ridder volgen
kunnen wij allen dapper zijn.
Rechtsomkeer, rechtsomkeer, zondaars,
laat ons dit spoor volgen.
Hij had geen verdedigers,
maar omhelsde het kruis:
dáár vinden wij steeds licht,
want hij gaf het aan de zondaars.
O wat een zalige minne
bezielde onze krijgsman!
Rechtsomkeer, rechtsomkeer, zondaars,
laat ons dit spoor volgen.
Reeds won hij de kroon,
voor hem is het lijden voorbij;
nu geniet hij de verdiensten
aan de glorietop.
O fortuinlijke zegepraal
van onze sterke krijgsman!
Rechtsomkeer, rechtsomkeer, zondaars,
laat ons dit spoor volgen.

23
A Santa Catalina Mártir
¡Oh gran amadora
del Eterno Dios;
estrella luciente,
amparadnos vos!
Desde tierna edad
tomastes Esposo;
fue tanto el amor,
que no os dio reposo.
Quien es temeroso,
no se llegue a vos,
si estima la vida
y el morir por vos.
Mirad los cobardes
aquesta doncella,
que no estima el oro
ni verse tan bella:
metida en la guerra
de persecución,
para padecer
con gran corazón.
Más pena le da
vivir sin su Esposo,
y así en los tormentos
hallaba reposo:
todo le es gozoso,
querría ya morir,
pues que con la vida
no puede vivir.
Las que pretendemos
gozar de su gozo,
nunca nos cansemos,
por hallar reposo.
¡Oh engaño engañoso,
y qué sin amor,
es querer sanar,
viviendo el dolor!
23
AAN DE HEILIGE CATARINA, MARTELARES
O grote minnares
van de eeuwige God,
schitterende ster,
bescherm ons.
Vanaf je prilste jeugd
nam jij de Bruidegom;
deze zo grote liefde
liet je geen enkele rust:
al wie vreesachtig is
moet jou niet volgen
als hij het leven hoogacht
en vreest voor God te sterven.
Beschouw dan, lafaards,
deze jongedame
die het goud niet hoogschat
noch haar eigen schoonheid.
In de volle strijd
van de vervolging
heeft ze geleden
met een groot hart.
Meer pijn geeft het haar
te leven zonder haar Bruidegom;
en daarom vindt zij
in de foltering haar rust:
alles is haar tot vreugde;
zij verlangt reeds te sterven
daar zij met het leven
niet leven kán.
Wij, die voorwenden
te genieten van haar vreugde,
laten wij ons nooit vermoeien
met het zoeken naar rust.
O bedrieglijk bedrog,
en hoe liefdeloos,
te willen genezen
wanneer de pijn blijvend is.
24.
A la vestición de la Hermana Jerónima de la Encarnación
–¿Quién os trajo acá doncella,
del valle de la tristura?
–Dios y mi buena ventura.
24
BIJ DE INKLEDING VAN JERONIMA DE LA ENCARNACION
-Meisje, wie bracht jou hierheen
uit de vallei van de droefheid?
-God, en mijn fortuinlijk lot.
25
Al velo de la Hermana Isabel de los Ángeles
Hermana, porque veléis,
os han dado hoy este velo,
y no os va menos que el cielo;
por eso, no os descuidéis.
Aqueste velo gracioso
os dice que estéis en vela,
guardando la centinela,
hasta que venga el esposo,
que, como ladrón famoso,
vendrá cuando no penséis;
por eso, no os descuidéis.
No sabe nadie a cuál hora,
si en la vigilia primera,
o en la segunda o tercera,
todo cristiano lo ignora.
Pues velad, velad, hermana,
no os roben lo que tenéis;
por eso, no os descuidéis.
En vuestra mano encendida,
tened siempre una candela,
y estad con el velo en vela,
las renes muy bien ceñidas.
No estéis siempre amodorrida,
catad que peligraréis;
por eso, no os descuidéis.
Tened olio en la aceitera,
de obras y merecer,
para poder proveer,
la lámpara, que no se muera.
Porque quedaréis de fuera,
si entonces no lo tenéis;
por eso, no os descuidéis.
Nadie os le dará prestado;
y si lo vais a comprar,
podríaseos tardar,
y el Esposo haber entrado.
Y desque una vez cerrado,
no hay entrar aunque llaméis;
por eso, no os descuidéis.
Tened continuo cuidado
de cumplir con alma fuerte,
hasta el día de la muerte,
lo que habéis hoy profesado.
Porque habiendo así velado,
con el Esposo entraréis;
por eso, no os descuidéis.
25
BIJ DE SLUIERNEMING VAN ISABEL DE LOS ANGELES
Opdat je mocht waakzaam zijn, zuster,
gaf men jou deze sluier vandaag.
Het gaat jou om niets minder dan de hemel.
Daarom, wees op je hoede.
Deze bevallige sluier
zegt je te waken;
op wacht te gaan staan
tot de Bruidegom komt,
die zoals de befaamde dief
je onverhoeds zal verrassen:
daarom, wees op je hoede.
Niemand weet op welk uur:
zal het zijn in de eerste waak,
in de tweede of in de derde?
Geen christen kan het weten.
Waak dus, zuster, waak,
dat je bezit niet wordt ontroofd:
daarom, wees op je hoede.
Hou, brandend, altijd
een lamp in je hand.
En blijf, gesluierd, toch waakzaam,
de lendenen zeer goed omgord.
Laat de slaap je niet steeds bevangen,
bedenk hoe je gevaar zou lopen:
daarom, wees op je hoede.
Hou in de kruik de olie
van werken en verdiensten
om de lamp te voorzien,
dat ze niet dove.
Want zo je er dan ontbreekt
moet je buiten blijven:
daarom, wees op je hoede.
Niemand zal je er lenen;
en als jij er gaat kopen
kom je wellicht te laat
en is de Bruidegom reeds binnen.
Want heeft hij eenmaal gesloten, al roep je
toch kun je niet meer binnen;
daarom, wees op je hoede.
Draag voortdurend zorg
om met vaste wil te volbrengen,
tot aan de dag van de dood,
wat je vandaag hebt beloofd.
Want wie zó waakzaam was
zal met de Bruidegom binnengaan:
daarom, wees op je hoede.

26
A la profesión de Isabel de los Ángeles
Sea mi gozo en el llanto,
sobresalto mi reposo,
mi sosiego doloroso,
y mi bonanza el quebranto.
Entre borrascas mi amor,
y mi regalo en la herida,
esté en la muerte mi vida,
y en desprecios mi favor.
Mis tesoros en pobreza,
y mi triunfo en pelear,
mi descanso en trabajar,
y mi contento en tristeza.
En la oscuridad mi luz,
mi grandeza en puesto bajo.
De mi camino el atajo
y mi gloria sea la cruz.
Mi honra el abatimiento,
y mi palma padecer,
en las menguas mi crecer,
y en menoscabo mi aumento.
En el hambre mi hartura,
mi esperanza en el temor,
mis regalos en pavor,
mis gustos en amargura.
En olvido mi memoria,
mi alteza en humillación,
en bajeza mi opinión,
en afrenta mi vitoria.
Mi lauro esté en el desprecio,
en las penas mi afición,
mi dignidad sea el rincón,
y la soledad mi aprecio.
En Cristo mi confianza,
y de Él solo mi asimiento,
en sus cansancios mi aliento,
y en su imitación mi holganza.
Aquí estriba mi firmeza,
aquí mi seguridad,
la prueba de mi verdad,
la muestra de mi firmeza.
26
BIJ DE PROFESSIE VAN ISABEL DE LOS ANGELES
Mocht mijn vreugde zijn in ’t wenen,
in het opspringen mijn rust ;
in de smart mijn vrede liggen
en mijn voorspoed in verlies.
Mocht mijn liefde zijn in stormen,
de wonde mij een feestmaal zijn;
in de dood mijn leven liggen
en mijn gunst in de verachting.
In de armoede mijn schatten,
in het strijden mijn triomf;
mijn verkwikking in de arbeid,
mijn tevredenheid in droefheid.
In de duisternis mijn licht
en mijn grootheid in geringheid;
’t kortste pad zij mij tot weg
en mijn glorie zij het kruis.
Mocht mijn eer zijn in verguizing
en het lijden mij tot palm;
kleiner worden zij mijn groei
en het dalen mijn verheffing.
Mocht mijn hoop zijn in de vrees,
mijn verzadiging in honger;
in de angst mijn feestmalen,
mijn genot in bitterheid.
Mijn gedenken in ’t vergeten,
in vernedering mijn aanzien;
goede naam in minachting,
overwinning in de schande.
In verachting zij mijn lauwer,
in de pijn genegenheid;
in de schaduw heel mijn waarde,
en mijn gunst zij de eenzaamheid.
Mijn vertrouwen zij in Christus,
mijn gehechtheid voor Hem alleen;
in zijn afmatting mijn adem,
in zijn navolging, mijn blijdschap.
Dáár steunt mijn sterkte op,
dáár is mijn veiligheid,
het bewijs van mijn oprechtheid,
het teken van mijn kracht.
27
A una profesa
¡Oh!, dichosa tal zagala
que hoy se ha dado a un tal Zagal
que reina y ha de reinar.
Venturosa fue su suerte
pues mereció tal Esposo:
ya yo, Gil, estoy medroso,
no la osaré más mirar,
pues ha tomado marido
que reina y ha de reinar.
–Pregúntale qué le ha dado
para que lleve a su aldea.
–El corazón le ha entregado
muy de buena voluntad.
–Mi fe, poco le ha pagado
que es muy hermoso el Zagal,
que reina y ha de reinar.
–Si más tuviera más diera.
–¿Por qué le avisas, carillo?
Tomemos el cobanillo,
sírvanos, deja sacar,
pues ha tomado marido,
que reina y ha de reinar.
–Pues vemos lo que dio ella,
¿qué le ha de dar el Zagal?
–Con su sangre la ha comprado.
¡Oh qué precioso caudal,
y dichosa tal zagala,
que contentó a este Zagal!
–Mucho le debía de amar,
pues le dio tan gran tesoro.
–¿No ves que se lo da todo,
hasta el vestir y calzar?
Mira que es ya su marido,
que reina y ha de reinar.
–Bien será que la tomemos,
para este nuestro rebaño,
y que la regocijemos
para ganar su amistad,
pues ha tomado marido,
que reina y ha de reinar.
27
HIJ REGEERT
bij een professie
gelukkig zo’n herderin
die zich heden gaf aan zulk een Herder,
die regeert en zal regeren.
Gelukkig was haar lot
daar zij zulk een Bruidegom verkreeg.
Gil, voortaan zal ik, bevreesd,
haar niet meer durven aanzien;
daar zij een man genomen heeft
die regeert en zal regeren.
Vraag hem wat zij gaf aan hem
om mee te nemen naar zijn dorp.
Haar hart, zij heeft het hem
geschonken, heel goedschiks;
op mijn woord, ’t is niets te veel,
want wondermooi is Hij, de Herder,
die regeert en zal regeren.
Bezat zij meer, meer had zij ook gegeven.
Waarom bekijk je hem zo, lieve kleine?
Laat ons de “cobanillo” nemen.
Wellicht laat zij die ontnemen;
daar zij een man genomen heeft,
die regeert en zal regeren.
Nu zien wij wat zij heeft gegeven.
Wat gaat haar de Herder schenken?
Hij heeft haar met zijn bloed gekocht.
O het kostbare fortuin!
En gelukkig zo’n herderin
die deze Herder kon behagen! ?
Hij moest haar wel sterk beminnen
om haar zo’n grote schat te schenken.
Zie je niet hoe Hij haar alles gaf,
tot de kleding en het schoeisel toe?
Bedenk dat Hij voortaan haar man is,
dat Hij regeert en zal regeren.
’t Zou wel goed zijn haar
bij onze kudde te aanvaarden,
en haar te verblijden
om haar vriendschap te winnen;
daar zij een man genomen heeft
die voor altijd zal regeren.

28
En una profesión
¡Oh qué bien tan sin segundo!,
¡oh casamiento sagrado!
Que el Rey de la Majestad,
haya sido el desposado.
¡Oh qué venturosa suerte,
os estaba aparejada,
que os quiere Dios por amada,
y haos ganado con su muerte!
En servirle estad muy fuerte,
pues que lo habéis profesado,
que el Rey de la Majestad,
es ya vuestro desposado.
Ricas joyas os dará
este Esposo Rey del cielo.
Daros ha mucho consuelo,
que nadie os lo quitará.
Y sobre todo os dará
un espíritu humillado.
Es Rey y bien lo podrá,
pues quiere hoy ser desposado.
Mas os dará este Señor
un amor tan santo y puro,
que podréis, yo os lo aseguro,
perder al mundo el temor,
y al demonio muy mejor,
porque hoy queda maniatado;
que el Rey de la Majestad,
ha sido hoy el desposado.
28
DE KONING VOL MAJESTEIT
bij een professie
O weergaloos goed!
O heilig huwelijk!
De Koning vol majesteit
is de Bruidegom geworden.
O welk fortuinlijk lot is
voor jou weggelegd,
want God verkoos je tot beminde
en won je door zijn dood!
Wees dapper in zijn dienst,
daar jij ertoe gelofte deed:
want de Koning vol majesteit
is reeds jouw Bruidegom.
Rijke juwelen zal Hij je schenken,
deze Bruidegom, de hemelse Koning.
Grote vertroosting zal Hij je geven,
die niemand jou kan ontnemen.
En bovenal zal Hij je schenken
een vernederde geest.
Hij is Koning en Hij vermag het wel:
daar Hij heden jouw Bruidegom wil zijn.
Daarbij zal Hij je geven, deze Heer,
een lief de zo heilig en zuiver
dat je de wereld, ‘k verzeker het je,
niet meer hoeft te vrezen;
en nog veel minder de duivel
daar deze voortaan machteloos staat:
want de Koning vol majesteit
werd heden je Bruidegom.
29
Para una profesión
Todos los que militáis
debajo desta bandera,
ya no durmáis, no durmáis,
pues que no hay paz en la tierra.
Si como capitán fuerte
quiso nuestro Dios morir,
comencémosle a seguir
pues que le dimos la muerte.
Oh qué venturosa suerte
se le siguió desta guerra;
ya no durmáis, no durmáis,
pues Dios falta de la tierra.
Con grande contentamiento
se ofrece a morir en cruz,
por darnos a todos luz
con su grande sufrimiento.
¡Oh, glorioso vencimiento!
¡Oh, dichosa aquesta guerra!
Ya no durmáis, no durmáis,
pues Dios falta de la tierra.
No haya ningún cobarde,
aventuremos la vida,
pues no hay quien mejor la guarde
que el que la da por perdida.
Pues Jesús es nuestra guía,
y el premio de aquesta guerra
ya no durmáis, no durmáis,
porque no hay paz en la tierra.
Ofrezcámonos de veras
a morir por Cristo todas,
y en las celestiales bodas,
estaremos placenteras.
Sigamos estas banderas:
pues Cristo va en delantera,
no hay que temer, no durmáis,
pues que no hay paz en la tierra.
29
SLAAP NIET MEER
voor een professie
Jij allen die strijdt
onder dit vaandel:
slaap niet meer, sluimer niet langer,
daar er geen vree is op aard.
Daar Hij als dappere hoofdman
sterven wou Hij, onze God,
laat ons nu allen Hem volgen:
schuldig zijn wij aan zijn dood.
Wat een fortuinlijk lot viel Hem
na deze strijd toen ten deel!
Slaap niet meer, sluimer niet langer,
daar God ontbreekt hier op aard.
Hij biedt zich aan, heel tevreden;
sterven wil Hij aan het kruis
om licht te geven ons allen,
dank zij zijn lijden zo groot.
O glorierijke overwinning!
O strijd, zo vol diep geluk!
Slaap niet meer, sluimer niet langer,
daar God ontbreekt hier op aard.
Mocht er nu toch niet één laf zijn;
zet liever ’t leven op ’t spel,
niemand zal ’t beter behouden
dan wie ’t verliezen ook wil.
Daar Jezus toch onze gids is
en van die strijd ook het loon:
Slaap niet meer, sluimer niet langer,
want hier op aard is geen vree.
Laten wij ons oprecht geven
en allen sterven voor Hem;
zie, aan de hemelse bruiloft
zullen wij vreugdevol zijn.
Dit vaandel, laat het ons volgen,
want Christus gaat hier voorop.
Wees niet bevreesd, slaap niet langer,
daar er geen vree is op aard.
30
A la gala gala de la Religión
Pues que nuestro Esposo
nos quiere en prisión,
a la gala gala
de la Religión.
¡Oh qué ricas bodas
ordenó Jesús!
Quiérenos a todas,
y danos la luz;
sigamos la Cruz,
con gran perfección:
a la gala gala
de la Religión.
Este es el estado
de Dios escogido,
con que del pecado
nos ha defendido.
Hanos prometido
la consolación,
si nos alegramos
en esta prisión.
Darnos ha grandezas
en la eterna gloria,
si por sus riquezas
dejamos la escoria
que hay en este mundo,
y su perdición,
a la gala gala
de la Religión.
¡Oh qué cautiverio
de gran libertad!
Venturosa vida
para eternidad.
No quiero librar
ya mi corazón.
A la gala gala
de la Religión.

30
NAAR HET FEEST
bij een professie
Daar onze Bruidegom
ons in het gevang wil:
naar het feest, het feest
van onze Orde.
O wat een bruiloft
heeft Jezus bereid!
Hij mint ons allen
en geeft ons het licht.
Laat ons het kruis volgen
met grote volmaaktheid.
Naar het feest, het feest
van onze Orde.
Dit is de levensstaat
door God uitverkoren,
waarin Hij ons
voor zonde behoedt.
Hij die beloofde
ons altijd te troosten,
zo wij ons verblijden
in dit gevang.
Groot zal Hij ons maken
in de eeuwige glorie,
als wij voor zijn rijkdom
het schuim verwerpen
van deze wereld,
en haar verderf.
Naar het feest, het feest
van onze Orde.
O wat een gevangenschap
in grote vrijheid!
Fortuinlijk leven
voor de eeuwigheid.
Voortaan wil ik mijn hart
niet meer bevrijden.
Naar het feest, het feest
van onze Orde.
31
Pues nos dais vestido nuevo…
Pues nos dais vestido nuevo
Rey celestial,
librad de la mala gente
este sayal.
La Santa:
Hijas, pues tomáis la cruz,
tened valor,
y a Jesús, que es vuestra luz,
pedid favor.
Él os será defensor
en trance tal.
Todas:
Librad de la mala gente
este sayal.
La Santa:
Inquieta este mal ganado
en oración,
el ánimo mal fundado,
en devoción.
Mas en Dios el corazón
tened igual.
Todas:
Librad de la mala gente
este sayal.
La Santa:
Pues vinisteis a morir
no desmayéis,
y de gente tan cevil
no temeréis.
Remedio en Dios hallaréis
en tanto mal.
Todas:
Pues nos dais vestido nuevo
Rey celestial,
librad de la mala gente
este sayal.
31
TEGEN EEN VRIJPOSTIG VOLKJE
Daar Gij, hemelse Koning,
een nieuw kleed ons geeft,
bevrijd dit habijt
van het noodlottig volkje.
De Heilige:
Dochters, daar je ’t kruis opneemt,
wees dapper;
en aan Jezus die je licht is,
vraag zijn gunst.
Hij zal je verdedigen
in dit gevaar.
Allen:
Bevrijd dit habijt
van het noodlottig volkje.
De Heilige:
Deze kwade bende stoort
in het gebed
al wie slecht gegrondvest is
in godsvrucht.
Maar laat je hart in God
rustig blijven.
Allen:
Bevrijd dit habijt
van het noodlottig volkje.
De Heilige:
Om te sterven kwam je hier,
hou dus vol.
En voor dit gemene volkje
wil niet vrezen.
God zal je bevrijden
van zo’n grote kwaal.
Allen:
Daar Gij, hemelse Koning,
een nieuw kleed ons geeft,
bevrijd dit habijt
van het noodlottig volkje.
