Zij is een huls
Zij is een huls van vlees die stilligt op een steen,
een vlinder met een vlinder om zich heen,
en hij is iets dat wegdrijft en weer terugkeert,
liegt, breekt en steelt, liegt, wegdrijft en weer
terugkeert.
Cees Nooteboom
uit: ‘Open als een schelp, dicht als een steen’, 1978.
Zelf
En als we ons zelf
nu eens achterlieten?
Daar gaat het, zonder groeten,
mokkend en tobbend
op zoek naar iets beters.
Het kijkt niet eens om.
En wij?
Wij moeten eerst wennen
aan dit stralende landschap
van vroeger en later,
van lichtende tijd
zonder nu.
Aas
Poëzie kan nooit over mij gaan,
noch ik over poëzie
Ik ben alleen, het gedicht is alleen,
en de rest is van wormen.
lk stond aan de straten waar de woorden wonen,
boeken, brieven, berichten,
en wachtte.
lk heb altijd gewacht.
De woorden, in lichte of duistere vormen
veranderden mij in een duister of lichter iemand.
Gedichten passeerden mij
en herkenden zichzelf als een ding.
lk kon het zien en me zien.
Nooit komt er een einde aan deze verslaving.
Eskaders gedichten zijn op zoek naar bun dichters.
Ze dwalen zonder commando door het grote district van de
woorden
en verwachten het aas van hun volmaakte ,
gesloten, gedichte, gemaakte
en onaantastbare
vorm.

Sneeuw
Alsof het in jouw hoofd niet sneeuwt!
Alsof ook bij jou de herinnering
er niet als sneeuw uitziet, sneeuwend
omlaag valt op alles,
en alles vervormt.
Een gedachte aan ons d
aalt over het vroeger zo zonnige landschap.
Die tweemaal zachtglooiende heuvel, ginds,
in de bocht, bij die palmen,
dat zijn onze personen.
Zij liggen daar goed op het strand.
Boeken van ijs, sigaretten van sneeuw,
twee overgebleven toeristen
in de verleiding van ijsland,
geblakerd in licht van kristal.
Zo vergeten wij ons
en vallen, wit en geluidloos,
over alles van eerdere tijden,
wij dwarrelen, zwevend en dansend,
over het wit van iets niet.
Rollende stenen
Hij begon zijn leven in de zomer,
gedachten en herinneringen.
Al bij het tuinhek kwam hij een echtpaar tegen
met een hoed en een zeis.
Dromen, rollende stenen onder zijn voeten.
Op zijn verterende schommel
wacht hij op de nacht
dat het in de zomer zal sneeuwen
en dan sneeuwt het.
Voor de zwarte zon ontbinden de zachtblauwe wolken,
de vaders verlaten hun huizen
op jacht naar een zoon
de moeders vermoorden hun dochters
en likken de as uit het vuur
dat hoger en hoger moet branden.
Zo winters was het nog nooit
weten de wijzen.
De wezels en marters bevriezen in het veld,
de meidoorn bloeit,
de smeltende schepen weven hun zeilen
langs hoog gaande rozen.
Hoe kan hij het ooit vergeten,
de onweerstaanbare wellust van het koren
waarin de zeis kermt en tekeergaat
tussen de bevroren handen
van de man met de hoed
en de vrouw zonder ogen?
De liefde is de dood, de kou
is de zomer, alleen hij
is zichzelf.
NIETS
Het leven
je zou het je moeten kunnen
herinneren
als een buitenlandse reis
en er met vrienden of vriendinnen
over na moeten praten
en zeggen
het was toch wel aardig,
het leven,
en flarden zien van vrouwen,
geheimen
en landschappen
en dan tevreden achteroverleunen
maar doden kunnen niet
achteroverleunen.
En ook verder kunnen ze niets.
Cees Nooteboom
Getijde (IV)
Ik heb het allemaal zelf bedacht:
de dansen, het water,
de auto, het ijs.
Alleen jou, jou heb ik niet bedacht.
Jij was uit de doorzichtige tijd gekomen
misschien zoals ik, misschien anders.
Jij had een miljoen jaar wereld
als een eierschaal achtergelaten
en daar sta je
boven op het bestaande
een vlinder in de winter.
Tot het ogenblik kruimelt, breekt
en ons opvreet
en zichzelf verteert tot de wolk
die zo groot was als alles
en zo groot was als niets.
uit: Rollende stenen, getijde (1991)
Op de langste weg …
Op de langste weg liep ik, de weg
die nergens heen gaat. Spelonken, een leeg landschap
met kleuren van zand en stro. Anderen liepen
met mij mee, vrienden, broers, geliefden
en steeds namen zij afscheid, sloegen linksaf
of rechtsaf, verdwenen als schimmen,
elk voor zich eenzaam. Ze keken niet om, ze
kenden hun doel, ze trokken rechte lijnen
in de leegte. Ik zag ze gaan, de mensen
van mijn leven, ze liepen langzaam uit mijn
en hun eigen bestaan. Ik bedacht ze zo lang
ik ze nog zag, hoorde van ver hun stemmen,
geluiden van lucht.
Cees Nooteboom (1933-2026
uit: Afscheid (2020)
Nerval
Wij stonden op het plein van de rede en de zuivere twijfel
en zagen hoe zijn schip met zijde geladen
de lichtloze koers voer naar de oceaan
om daar te vergaan.
Aan boord de portretten van vaders op vazen,
van al onze spinsels en dubbels,
een steigerend graf van sonnetten, het spookschrift van
zijn gedachten,
alles wat wij wisten en droomden
in de doornen kooi van het noodweer.
Helderziend door de bliksem verlicht,
zo verdween hij uit ons gezicht.
Wij bleven achter als een standbeeld van vragen,
versteend tussen lachen en denken, de kinderen van het
slijk,
een slinkend teken waar de tijd nog in rondwaart,
de huls van een monument
waarvan niemand de oorsprong meer kent.
(uit de cyclus ‘Reducties’ in: Aas, 1982)
Zo kon het zijn
Zo kon het zijn:
iets smerigs verlangt iets vuils voor de ochtend,
de geschilderde roos
wil in het meesterwerk.
Het kleine wil nog
iets kleiners voor onderweg,
het grote koopt in
bij de reusachtige dingen.
Je kunt je moeilijk verweren.
Je ziet de vlinder, alweer een hand groter,
je ziet hoe de bloemen de grond omwoelen,
de worm als een slang.
Dit is het gewicht
dat barst uit de schaal.
Daarin bestaan te hebben
met de tijd als haardos,
als god van een kortstondig heelal,
dat, lieve vriend, is het leven.
En het was wat het is.
uit: Zo kon het zijn
Baarn: Atalanta Pers 1998
Zoals regen…
zoals regen zoekt een natuurlijk versmelten
en planten hun aarde ten zeerste bevroeden
zo drijvend op een lange zijden zeewind
blies jij in mijn gebied je oevers, mistiger,
heb jij verdriet voortdurend op mij ingesproken
zoals ook regen steeds zoekt een natuurlijk versmelten.
en groeit nu dit bitter stromen rustiger, zijns ondanks, en
opgesierd met vreemde dingen van het maanspel –
het blijft mijn grondwater van dagelijks versterven
en jij en ik is dood en verder machteloos.
Romantische herfst
schimmig vanavond jaagt die mist de velden
de maan sluipt terug in dodelijke bomen
nu is de grote rafelaar gekomen
een herfst een doodgaan een gekwelde smeekstem
hoor… ademend beweegt de aarde van heimwee
om mensen te bezetten met een adem van verdriet
om koeien zwaar en zwijgend in zich vast te zetten
als schepen, vastgegroeid aan het lichaam van de zee
of de dood, levend aan het gezicht van de mensen,
mééademend, méésprekend.
uit: Doden zoeken een huis,
Querido, Amsterdam 1956

De soldaat van twintig jaar
Gelegenheidsgedicht, ter herinnering aan een
vergeten en overbodige periode.
Geen van de ongeborenen zal de Vrijheid ooit beseffen
schreef Bloem. De soldaat waar ik het over heb was toen
vier jaar.
Toen hij vertrok was hij twintig, en twintig was hij
toen hij stierf in de oorlog die geen oorlog was.
Maar hij is dood.
In Nederland was het een zonnig weekend,
Ajax en Blauw Wit wonnen ieder hun wedstrijd,
alleen de twintigjarige soldaat verloor de zijne
in de oorlog die geen oorlog was.
Maar hij is dood
Hij zal het niet meemaken, de eerste mens op de maan.
Hij zal het niet meemaken, de grote revoluties.
Het vaderland heeft zijn tijd van hem afgenomen, hij
heeft geen tijd meer.
Hij ligt in een graf in Nieuw-Guinea, en hij is er niet.
Ik weet het wel: dit soort gedichten is uit de tijd,
samen met te kleine vaderlanden en de liefde daarvoor.
Alleen, de oude machines werken nog steeds en maken
een oorlog, een oorlog.
Daar moet in gesneuveld worden.
De achterblijvers sturen radio’s naar het oerwoud.
Maar het leven kan niemand sturen, dat is duur.
Daarom komt hij niet meer terug, de soldaat van twintig jaar
naar het land waar hij niet mocht stemmen
over waarvoor hij stierf.
In de prehistorie van Nederlands Nieuw-Guinea
waar de zon op de dag jaagt, en op mensen
rust een man wat wij voor het gemak vrede noemen.
Maar hij stierf in een oorlog die geen oorlog was.
En hij is dood.
uit: Declamatorium de Nederlandse poëzie,
Teresa van der Meulen – van Marcke,
Standaard Uitgeverij 1967
Gesloten gedichten
I
Bladeren, water, ogen, tanden,
de vergelijkingen.
Niet meer de gaten voor schulden en deugden
de graven en de genaamde stenen daarop.
Alleen nog een gesloten taal in nesten
die niets verraadt dan de stem die haar zegt,
gesloten gezegdes.
In een onzichtbare toekomst
geen behoefte aan duidelijkheid.
Iemand anders rekent.
Wentelend als een druide tussen de hoge stenen
en genietend van die rol
neemt hij, tot een oertijd behorend,
stenen en ingewanden op, kijkt, raadt,
en voorspelt. Naam, maan,
rampen en spreuken van hem in de bereikbare lucht.
II
Liever het been dan het vel, liever
het oog dan de tranen, liever ik
dan de anderen, liever geheimen,
het geslotene, liever de dichter.
Laten de anderen de heldere stelsels openen
en er in sterven.
Ik sluit de geheimen, en als enige,
sterf zelf.
III
De kapitein heeft zich op zijn basis teruggetrokken
en celebreert het geziene.
Daarna wordt hij van al het andere gescheiden,
de ontdekking, het weten.
Soldaten betasten de as en de lak
van zijn woorden.
Tussen de grassen
vervagen de schaduwen met de nagels.
Zij vragen wat het betekent,
hij zegt de formules.
Bij zijn vertrek laat hij een koker achter
naar zijn beeld en gelijkenis.
Zij blijven achter in een lange winter
van godsdienst. Beelden en beelden,
as en as.
De vechtenden
1
Verbaasd is hij zelf over deze ontmoetingen.
Op witte paden, het regent niet, ziet hij mij,
hun schimmen bijten naar hem.
Losjes, zijn bespikkelde handen aan de tralies
gewikkeld in de jassen van mijn latere ziekte
staart hij naar hem, staart.
Hij kent hem, al die kronen en hoofden die hij op en af zet
en achter mijn losse ogen de ontmantelde straten
waarin hij denkt, aan hem.
2
Het blijft een langzaam gevecht voor twee mannen,
dezelfden.
Het vuur aarzelt. Draderige stilte
kleeft aan hun slagen.
Steeds nadert hij hem, met zijn tanden,
om mij te verstoten.
Dan herkent hij hem, schrikt,
en wijkt.
Hij verscheurt mijn foto
en begint te bloeden.
3
Hij doodt zich
en verwisselt de namen.
Gedood en gerafeld
ziet hij zijn sporen.
Ik meet ze, hij schrijft nog,
nu met zijn poten
en klaagt mij aan, hij klaagt hem aan.
Wij zullen elkaar weer ontmoeten
en elkaar nogmaals in de spiegels drijven.
Hij staat daar, lachend
en wachtend. Hij staat daar, bloedend,
en wacht.
Ik sta daar, wachtend
en lachend. Ik bloed
en ik wacht.

Portret 1
Over haar bange gezicht hangt de gouden kap,
zij blijft in die schaduwen. Haar wangen zijn geschild,
zij heeft er veel voor over gehad.
Tegenover haar, zijn voeten in een kussen van macht,
zit ik. Ik denk dat zij bestaat en laat haar maken.
Vergezeld van Angst, Pijn en Schrik, de garanties,
ontmoet zij mij. Samen, verblind van onlust,
kijken wij naar het begin. Laden vol tegengestelde gebaren.
Vluchtend uit onze beelden bereiken wij mindere angsten.
Daar komen wij om.
Portret 2
Nooit zal hij zichzelf met zijn zichtbare verwarren,
zich vereenzelvigen met de materie die hij is.
Tussen muren van stof zie ik hem, een neef van de schrijver,
Hij berekent de naam en de sentimenten
van de natuur, de goddelijke.
Bokken of demonen, hoe hij het ook noemt.
Hij dwaalt in de lagen van zijn lichaam,
maar het bestaat. Land winnen en het bebouwen,
een onherkenbare bezigheid.
Tegenover die schepping een oppositie, hijzelf.
Hij onderhandelt. Aan baaien, onder palmen, in
de perfide kleuren van reisgidsen bespreekt hij
de mogelijkheden van zijn ziel.
Op de beurs dalen en stijgen zijn aandelen:
onnavolgbaar effectbejag.
HARBA LORI FA
Zoveel soorten bestaan! Zoveel bevolking
om te lijden en lachen in deze heuvels vol stenen!
De vijgeboom staat gebogen in de richting van het zuiden,
boven ons het zachte snurken van een vliegtuig.
Mijn vriend wacht bij een struik met scherpe doornen.
Hij kent het verhaal van zijn ondergang,
we zien de glans van de zee
tussen galappels en distels, een zeil in de verte.
Alles slaapt. Geef mij een ander leven en ik wil het niet.
Schelpen en krekels, mijn kelk is vol eeuwige middag.
De stroom waaruit ik gisteren dronk had koel, helder water.
Ik zag de laurierboom weerspiegeld, ik zag hoe de schaduw
van de bladeren wegdreef over de bodem.
Dit was alles wat ik wilde. Harba lori fa.
Mijn leeftijd hangt aan een draad. Zo ben ik de spin
boven het pad. Die weeft zijn veelhoekige tijd
tussen braambos en braambos,
tot de wandelaar voorbijkomt op weg naar de haven,
de wandelaar die slaat met zijn stok.
Cees Nooteboom
uit ‘Zo kan het zijn’ van Cees Nooteboom (1933)
De eentonige klok
Een blanke man met blauwe voeten
ligt in de heldere kamer eenzaam op zijn bed
zoals de maan, door geen wolken gehinderd,
haar weg slijt zonder vertedering.
De man let niet op de maan.
Hij heeft de symbolen van zon en maan,
goud, zilver, as verbrand in zijn lichaam.
angstig teruggekeerd uit een wildernis
spint hij een nieuw metaal uit de helderheid van zijn denken.
Is hij compleet zonder angst?
Is hij levend zonder de wraak van de tegenspraak,
zonder sterven?
De eentonige klok van de zee.
De eentonige klok van de zee.
Zijn gedachten worden hard,
en duidelijk.
De man met de blauwe voeten ligt in de ruimte van zijn kamer.
En lijkt voor het eerst op zichzelf.
Cees Nooteboom
uit: ‘Gesloten gedichten’, 1964.
Scheikunde
De zee
onafzienbaar
waarin iemand
verdwenen.
Op de glanzende
vlakte
de eenzame
roeier.
Komt hij
of gaat hij?
Mengt zijn tijd
met zijn woorden,
ment
dat voortdurende tweetal.
niet in die
van de meesten,
juist
in de zijne,
in die gedichten
van zelf en van wereld
is het al
tijd.
Cees Nooteboom,
Latijn
In een duister woud, zeker,
en het midden al jaren voorbij,
hoefde ik geen volkstaal
meer uit te vinden.
Niets wat ik had te zeggen
kon daarin nog klinken,
mijn woorden waren weer
latijn geworden, onleesbaar, gesloten.
Dichter, klerk, geheime diaken
van de kleinste gemeente,
de afkerige sekte van verhulde beduiding,
gewend naar zichzelf,
een gnosis van gemaskerde zinnen
in een steeds onherkenbaarder schrift.
Cees Nooteboom
Middernacht
De jonge man aan zijn tafel
is een oude man, gewikkeld in een krant.
Het is middernacht, de diepvriesmaan
vermoedt de weg waarheen
maar wil nog niet. Een geest
beheert het boek waarin het lot
gelegerd is, de schrijver
is afwezig, ‘komt zo terug’,
pas op de winkel! Uit het verleden
sluipt een zin, gecamoufleerd,
de laarzen op de straat
zoeken hun weg in broze jaren.
Geweld is zachtzinnig, de jonge man
kijkt naar de oude man
tot die zijn krant tot vleugels vouwt
en wegvliegt zonder groeten.
ook ergens anders zingt het zachtjes
Alsof een duif
het opgeeft.
Cees Nooteboom
uit: ‘Licht overal, 2012.

En vannacht in de stenen stilte
En vannacht, in de stenen stilte
van mijn kamer, het huis op het eiland,
onder het web van sterren, de palmen roerloos,
kwamen die andere stemmen, Auden en Frost
en Elisabeth Bishop, Pound en Cummings
en Sylvia Plath, woorden op mijn schouders,
in mijn haren, tegen de ramen,
dichters, gedichten,
droombeeld, verhaal, getijden
van toen, ooit, nu,
naast me, achter me, op de maat
van de mot tegen het licht, zinnen,
ooit hardop gesproken in een andere ruimte,
nu bij mij binnengelopen
als de omarming van vrienden, de monden
van al deze doden in het middelste
nachtuur,
de adem waarvan ik leef,
en jij.
Cees Nooteboom
uit: ‘Over en weer. Gedichten als brieven’, 2004.
(samen met Remco Campert)
Leeftocht
En op die middag lieten zij de wereld achter.
Langs de weg spinifex, dieren met namen die op bloemen
leken. De zon was iemand die hen tegemoet reed,
pas bij schemer werd hun willen minder,
de weg sloop uit de spiegel, een voorgoed voorbij gevoel.
Nu zouden zij een slaapplaats vinden,
hun naakte lichaam in een ruimte
oprichten zonder houvast.
Alles zelfbedacht, eenzaam
als het begin van iets, gesprek
in een nog niet bestaande taal.
Een kamer vullen met aanwezigheid,
gebaren stemmen, vragen.
Alsof je voor het eerst een engel ziet
en weet dat die niet bestaat,
zijn vleugels gerafeld vol stof en vol schimmel,
met veren te oud voor een vlucht.
Zo ongeveer was het toen de avond viel,
de engel kamde zijn haren,
schikte zijn vleugels die hij niet uit
kon doen, en sliep
in het enige bed.
Cees Nooteboom
uit: ‘Licht overal’, 2012.
Black dog
Ik die geen leerlingen heb
en geen bediendes,
ik die mijn kaas alleen eet
en de verkeerde mensen
in de verkeerde steden zie
ik ruik bloemen op het ijs,
en zie de dood op een schommel.
Ik die ook wel weet
dat een woord maar een vertaling is,
een armzalige code
van iemand voor niemand,
ik die zelf woorden
gekocht en geërfd heb
uit het groot bordeel
waar de wereld op uitmondt.
Ik die geleerd heb
dat de toekomst een motor is
die nog nooit heeft gelopen
dat alle talen hetzelfde
verzwijgen
en dat veel unieke dromen
op film te zien zijn.
Ik
en ook dat niet lang meer.
Cees Nooteboom
Trinidad
Dit ben ik vaak geweest:
een man op een landweg,
een man in een vliegtuig,
een man met een vrouw.
En dit ben ik vaak geweest:
een man die zich onder een steen
wou verbergen
om geen licht meer te zien.
Deze twee mannen,
ze dragen mijn koffers,
ze lezen mijn kranten,
ze verdienen mijn brood.
Samen trekken we
door het geluid en de lucht van de wereld
op zoek naar het onzichtbare standbeeld
waar ze alledrie opstaan
in de gedaante van één.
uit: ‘Bitterzoet’, 2000.
Small Bang
Het gedicht hoorde hoe het werd geschreven,
het zag de reusachtige hand
waaruit het leek te ontstaan, woord voor woord,
het hield zichzelf nauwelijks bij.
Bij, zag het geschreven, en als echo
zei het zichzelf, bij, bij, maar toen
was de hand alweer verder, gejaagd
door de zweep van het krassen,
het heimwee naar vorm.
Het doet pijn om niet af te zijn
voor wie nergens vandaan komt.
Zonder lucht liggen de woorden op tafel,
de hand is verdwenen komt terug, is verdwenen
het gedicht herinnert zich niets,
en het hoofd, zo ver daarboven
nog steeds als niets anders herkenbaar
dan als masker van baaierd en oorsprong,
wendt zich af van de regels,
het zegt in zijn adem
de cadens van het denken
en sluit het gedicht
met een zucht.
uit: ‘Zo kon het zijn’, 1999.
Duizend nachten en dagen
Als een koning op een nors eiland
gaat de wind heen en weer door de avond.
Ik jaag op mijn onzichtbare leven.
De vleugels van mijn ogen branden.
Zwarter worden de vogels.
Een koperen avond schalt in de bergen.
Onder de houten bomen graast de rust,
maar niemand gelooft het.
Alle struiken verbergen soldaten.
Het gruis van de regen likt aan het water.
Het koper verschaalt en gaat onder.
Alleen ik vlieg nog rond met mijn vernederde onrust.
Nooit zal ik een keer mijn lichaam ontmoeten.
Een schuldig gordijn houdt me voor eeuwig van me gescheiden.
uit: ‘Gesloten gedichten’, 1964.

Nooteboom, Cees, Zo worden jaren tijd. Gedichten [2022-1955], Amsterdam 2023, (De Bezige Bij)
https://www.dbnl.org/tekst/zuid004krit01_01/kll00421.php
https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=noot003
Dromen
De maan is het vaandel van de vernietiging
vannacht. Ik word door geesten bezeten.
De ene dode die ik niet gekend heb
kust mijn hand. Zijn mond is van schillen.
Hij boort zijn vreselijke vingers
in mijn ogen.
Vuur, water, tekens, het dorre gras in brand,
water geworpen over de nog levende vissen, tekens
gevraagd aan de hemel. Goden met uw gouden nagels,
krab mijn ogen uit!
Ik word door geesten bezeten.
Lichtzinnig, bespat met dorens en het grove haar
van wild dans ik door de brandende weide,
en spreek mijn genezing tegen.
Ik kan mijn schuld niet meer zien.
De doden zingen metten in hun graven.
De doden die ik gekend heb strelen mijn haar.
Ik word door geesten bezeten.
Golden Fiction
Kijk! De vuren gaan open!
De heidenen vechten om een handvol as.
Morgen vertrek ik weer met mijn schip.
Zij zijn begraven, de helden.
Onder de bomen bloeit hun lichaam verder.
Hun ziel is veel bladeren,
en waait.
Ik hang mijn gezicht in de wind,
en verwonder mij. Waarom ben ik zo treurig
als ik niets méér verwacht dan het kijken naar vuren
en het vertrek van een schip?
De bedrieger zit in zijn kamer en schrijft het op.
Uit welke levens schrijft hij? Uit welke tijd?
Zal ooit het werkelijke leven bij hem komen,
hem meenemen?
Nee, het werkelijke leven zal hem nooit meenemen.
De bedrieger zit in zijn kamer en schrijft
wat de stemmen hem zeggen.
Angst maakt de toeschouwer
Begerig, in het verlichte geluid van zijn droom
buigt hij zich over een zee, verdrinkt,
en ziet de jagende paarden vol vlekken van liefde,
dat wat hij niet nam.
In de gebarsten zon rust het gouden ei.
Zijn houten, geschilderde hand reikt er naar,
maar het wijkt.
Het kind er in rolt zich duisterder op.
Duinen of heuvels, bergen om in te liggen.
In de krotten van zijn verbeelding, zijn schelpachtige werkelijkheid
wankelt en hapert zijn ziel, onmachtig,
en ziet zich branden.
Liefde is het die brandt.
Angst maakt de toeschouwer. In een later bedrijf
zijn de zilveren randen opgekruld, zijn zijn ogen gesmolten.
Liefde verbrandt hem.
Wat overblijft is de tijd, de verandering,
de steeds meer geopende, pijnigende tijd,
leeg en vernederd, vals gemaakt door woorden.
Het ontbrekende is overal schuldig aanwezig.
O Heer, die daar des hemels tenten spreidt.
Het papier op de lelie
Het papier ligt op de lelie,
en op de bladeren van de lelie.
De kamer is van spiegels.
En hij, hij zit aanstellerig op de rand van zijn graf
en luistert naar het slikken van de tijd
in het gedicht tegenover hem,
het ongrijpbare.
Het papier ligt op de lelie,
en op de bladeren van de lelie.
De kamer is van spiegels.
Ik ben in alle spiegels.

De slapende goden
Zwijgzaam als de stenen mond van schelpen,
tussen biddende honden en het oneerbiedig fluiten van licht,
wild en onbruikbaar geworden door hun eenzaamheid
bederven de glanzende goden in hun goudgelakte bedden.
Buiten staan hun verouderde paarden te wachten.
De edelstenen zijn uit hun wagens gestolen.
Leeg blijven de zadels, leeg zijn de wagens,
door een schimmel van ruimte bedekt en bedorven.
Alleen onder de zwarte tranen van de nacht
kruipen de gelovigen tot onder de schaduw van het huis
en warmen zich aan de onsterfelijkheid van hun meesters.
Maar het witte gebit van de ochtend
vindt alles, offers en paarden:
leeg is het plein van de wereld, leeg is de ruimte,
duizend jaar slapen de goden en duizend
en dromen van het barmhartige zout van de dood.
Het gedicht hoorde hoe het werd geschreven,
het zag de reusachtige hand
waaruit het leek te ontstaan, woord voor woord,
het hield zichzelf nauwelijks bij.
Bij, zag het geschreven, en als echo
zei het zichzelf, bij, bij, maar toen
was de hand alweer verder, gejaagd
door de zweep van het krassen,
het heimwee naar vorm.
Het doet pijn om niet af te zijn
voor wie nergens vandaan komt.
Zonder lucht liggen de woorden op tafel,
de hand is verdwenen, komt terug, is verdwenen,
het gedicht herinnert zich niets,
en het hoofd, zo ver daarboven,
nog steeds als niets anders herkenbaar
dan als masker van baaierd en oorsprong,
wendt zich af van de regels,
het zegt in zijn adem
de cadens van het denken
en sluit het gedicht
met een zucht.
7
Iedereen kom ik hier tegen, duivels uit andere
levens, dieren uit een vergeten blazoen,
vrouwen in leeuwengedaante, eenhoorns,
gemaskerde varkens, ik val uit mijn schilderij
en kijk om naar de schilder, hij heeft mijn
hand nog niet af, er loopt een mier door de verf,
de pianist in de bunker speelt een lied
uit de oorlog. Zo krijg ik alles weer terug,
de dode piloot in de boom, de stem van mijn
vader die lopend kon eten, ik hoor zijn
geluid maar geen woorden, ik weet het,
hij wil naar zijn graf maar ik kan hem niet helpen.
Hij heeft er geen.
18
Wandelaar, wandelaar, hoor je ons nog?
Blauw zijn de bergen, een kamerscherm,
hier lopen twee mannen met daartussen vier
eeuwen, ze hebben het over de ziel, hoe
moeilijk die het vindt het lichaam alleen te laten
als het sterft, dat zo zorgvuldige huis met een maag
en met hersens een bouwval, een geval voor
de sloper, en de ziel, waar naartoe?
Je hoort die twee stemmen, frans, italiaans,
in de wind op de landweg, je hoort de maat
van je stappen, het gedicht van de twijfel
of het bewustzijn bestaat, en wanneer het dan
sterft zonder meer.
Maar hoe helder zijn je ideeën dan,
vroeg de postman. Op dat ogenblik
verduisterde de hemel,
maar dat had er niets mee te maken,
dat gaat hier altijd zo,
van het ene ogenblik op het andere.
Dat wordt regen, zei hij, en zo was het.
Dikke druppels. Achter hem zag ik de baai,
een vliegtuig loodzwaar in wolken,
langzaam. Het landde.
Waar blijven zulke secondes?
Hoeveel geruis kan worden gemist?
Welke gesprekken kunnen niet worden
verpulverd tegen de tijdmuur, in een gebrek
aan geheugen, ergens onderaan
in een droom?
Fictie, een huis op een heuvel,
de psalm van de regen, pagina zes,
postbode, afdaling, heuvelpad,
de vergetelheid in,
de zijne, de mijne,
het spek van de tijd,
zoals iemand een bladzij omslaat
zonder te hebben gelezen,
alles geschreven voor niets.
Bashõ
1
Oude man tussen het riet achterdocht van de dichter.
Hij gaat op weg naar het Noorden hij maakt een boek met zijn ogen.
Hij schrijft zichzelf op het water hij is zijn meester verloren.
Liefde alleen in de dingen uit wolken en winden gesneden.
Dit is zijn roeping zijn vrienden bezoeken tot afscheid.
Schedels en lippen vergaren onder wuivende luchten.
Altijd de kus van het oog vertaald in de dwang van de woorden.
Zeventien het heilig getal waarin de verschijning bestemd wordt.
Het voorbije verteren bevriest zo versteend als een vlinder.
In een marmer getij de geslepen fossielen.
Hier kwam de dichter voorbij op zijn reis naar het Noorden.
Hier kwam de dichter voor altijd voorgoed voorbij.
2
Wij kennen de poëtische poëzie de gemene gevaren
Van maanziek en zangstem. Gebalsemde lucht is het,
Tenzij je er stenen van maakt die glanzen en pijn doen.
Jij, oude meester, sleep de stenen
Waar je een lijster mee dood gooit.
Jij sneed uit de wereld een beeld dat je naam draagt.
Zeventien stenen als pijlen een school doodse zangers.
Zie bij het water het spoor van de dichter
Op weg naar het binnenste sneeuwland. Zie hoe het water het uitwist
Hoe de man met de hoed het weer opschrijft
En water en voetstap bewaart, de vergane beweging steeds stilzet,
Zodat wat verdween er nog is als iets dat verdween.
3
Nergens in dit heelal heb ik een vaste woonplaats
Schreef hij op zijn hoed van cypressen. De dood nam zijn hoed af,
Dat hoort zo. De zin is gebleven.
Alleen in zijn gedichten kon hij wonen.
Nog even en je ziet de kersebloesems in Yoshino.
Zet je sandalen maar onder de boom, leg je penselen te rusten.
Berg je stok in je hoed, vervaardig het water in regels.
Het licht is van jou, de nacht ook.
Nog even, cypressehoed, en ook jij zult ze zien,
De sneeuw van Yoshino, de ijsmuts van Sado,
Het eiland dat scheepgaat naar Sorën over grafstenen golven.
4
De dichter is een gemaal door hem wordt het landschap van woorden.
Toch denkt hij net als jij en zien zijn ogen hetzelfde.
De zon die verongelukt in de bek van het paard.
De buitenste tempel van Ise het strand van Narumi.
Hij vaart in het zeil van de rouw hij koerst naar zijn opdracht.
Zijn kaken malen de bloemen tot de voeten van verzen.
De boekhouding van het heelal zoals het zich dagelijks voordoet.
In het Noorden kent hij zichzelf een hoop oude kleren.
Als hij is waar hij nooit meer zal zijn lees jij zijn gedichten:
Hij schilde komkommers en appels hij schildert zijn leven
Ook ik ben verleid door de wind die de wolken laat drijven.
Bogota
Drie uur ’s nachts.
Ik zeul dit ontdane leven met me mee
als een visser zijn net over de oever,
zwaar van het water en van dode vissen
voor het spoor van hun eigen bloed.
Drie uur ’s nachts.
Zo word ik wakker in de vreemde steden,
hoor hoe de haan voor de derde maal wordt geslagen
omdat hij in het duister een licht zag.
Het verdriet schuwt mij niet.
Ik bezweer het met te grote woorden.
Drie uur ’s nachts.
Vierkante kisten met stilte staan rond mijn bed,
volgepakt en gesloten.
Maar die stilte heeft stekels
en doet een pijn die niet meer overgaat.
De stilte effent het pad waarover de boodschapper rondgaat
die zegt dat het ’s ochtends weer nacht wordt.
En dan,
ik kam mijn gebeente, bundel het bij elkaar,
treed aan voor nog een passage, stap in het water,
en leef.
Uit: Vuurtijd, Ijstijd, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1984, p. 26.

Verjaardag
1
Naakt op de rots is zij voor hem een raadsel
zoals de schil op het bord de vrucht is en toch niet,
zoals hij blijft kijken en haar toch niet ziet,
twee onbekenden die elkaar goed kenden,
verrieden, roofden, troostten en verrieden.
Want wast de zee de rotsen?
Of wassen de rotsen de zee?
2
Zij is een huls van vlees die stilligt op een steen,
een vlinder met een vlinder om zich heen,
en hij is iets dat wegdrijft en weer terugkeert,
liegt, breekt en streelt, liegt, wegdrijft en weer terugkeert.
Open als een schelp,
dicht als een steen.
3
Zij herkennen elkaar op de foto’s
twee toeristen met rugzak en zonnebrillen
rondtrekkend in elkanders leven:
Dracula de beminde met zijn maagdelijke non.
Maar niemand stierf aan de tanden.
En niemand stierf aan het licht.
4
Zo vergaat weer een zomer in het huis van de stilte.
Hitte, stenen en sterren boetseren hun gedachten.
Ze berekenen het seizoen, de vrienden, de kansen,
en praten over gedichten en geld.
In de verte slaapt de zee aan zijn ketting
en past op het huis.
5
Nu, meer dan ooit, tellen de uren:
de mot vliegt verblind uit de schaduw,
de hagedis wacht tegen de muur,
de slak eet de plant, de spin eet de vlieg,
de mieren de kever,
de uil zit versteend in zijn sneeuwwitte masker
en iedereen wacht,
iedereen eet en wacht, iedereen wacht
tot de avond voorbijgaat als een leven
en de nacht als een dood
tot het leven voorbijgaat als een avond
en de dood er op volgt als een nacht.
Uit: Vuurtijd, Ijstijd, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1984
Rotswand
Ik ben hier nog geen uur,
en toch noem je me eeuwig.
Jouw eeuw is mijn seconde.
Terwijl jij denkt dat ik hard ben
voel ik mijzelf vloeien.
Jij bent van vlees,
ik ben van steen.
Wij zijn beiden in woorden verborgen,
maar we benoemen hetzelfde.
Omdat jij zo kort duurt duur ik lang,
maar er is geen verschil.
En toch,
eens was ik er niet
lang voor jij er niet was
en eens verdwijn ik, vergruisd en verpulverd,
net als jij, gerafeld, verwijderd,
en zonder een spoor.
In mijn trage versteende gedachten
ken ik dezelfde hoogmoed
en dezelfde val.
Uit: Vuurtijd, IJstijd, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1984
Zij is vogels
zo is opnieuw
geboorte van liefde
steeds allener
en zonder rozen geworden.
koud is de wind in het gras
alweer lager vandaag
zij weet het niet
lager heeft pijn en moet groeien
lager alleen maar,
zij is vogels.
lager groeit oud en moet sterven
vogels vliegen hoog over.
lager is zwaar, kan niet vliegen.
zij is vogels.
bitter wat lager is
armoedig van altijd sterven
zij weet het niet.
Uit: Vuurtijd, IJstijd, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1984, p. 253.
8
Probeer het, alleen nog maar woorden, geen gevoel,
de macht waarmee ze zichzelf zijn, jij niet meer bestaat
en alleen nog maar luistert, taal weerspiegeld in taal.
Voel hoe je langzaam verdwijnt, buitengesloten,
je hoort hier niet en je hoort ze niet,
je dacht dat je ze had, ze bezat, bediendes
of slaven, maar ze zochten iets anders,
letters en klanken waar jij niet van wist,
je was er niet, verjaagd vanwege je misbruik,
je had de woorden geschonden, nu zouden ze
worden, onaantastbaar, gemuurd in hun eigen
geweten, hun heilig gelijk, met zichzelf als wet,
en buiten bereik.
Vijf koude gedichten
telkens en toch weer proberen
een bloeien te slaan in de woorden
totdat ze zullen verraden
een geheim van de andere kant
vanwaar al de warmte gevlucht is openlijk
en gebleven alleen nog maar woordeloos gras
dat vermindert
waar de bomen zich wonden bijten
om een laatste drinkplaats te vinden
maar vreselijk zijn ze bevroren,
gestorven zichzelf niet meer
zodat hij die dit alles draagt
een drager moet zijn van woestijnen
een gebieder alleen maar van droogte
een tropische weelde van koude
maar de kou is zo onbewogen
zal mijn stem ook niet verder dragen
want zelfs als het praten nog doorloopt
zal de adem al lang zijn gestorven
en hier en aards en onwetend
verblijven op krimpend gebied
in het luisteren vol verdorring
nee, niets en niets neem ik mee,
niets blijf ik over
niets wat gedaan of gesproken
vindt ergens een eindige haven.
want elke troost
en prater van troost
wendt zich af
bij gebrek aan een regen
en als het er dan om gaat
in hitte te verschroeien
of in kou te verstenen
wie is dan een waker
zo pijnlijk alleen blijvend
en ontbreken
van binnen de kou ingroeien als een gewas,
een fijnzinnig gewas op een landschap
voor niemand
die het zal plukken.
en gegeten niet worden
alleen blijven als een
steen
gegroeid in een regenloos tijdperk
daar maar staan
zo koud, zo koud,
niet eens meer om aan te raken
daar is toch wel een lied voor
zoals voor elke verschrikking
zo sterven draagt toch wel namen
zoeter dan allerlei bloemen?
beweging wordt nu een schennis
praten een roekeloos gebaar, dat
de dood zou vermurwen
maar nu al zijn er geen praters meer,
hoe jeugdig is de woestijn
en vol overmoed van zwijgen –
zelfs het geraas van het mos,
het bulderen van de druppels
het is hier genadig onhoorbaar.
daarom, ik geloof
het is beter te zeggen
dag hart dag ogen van
waanzin nu al vervuld
omdat nergens een koelte
en nergens troost
zelfs de avondnevel
verbergt zijn rozen
en de keel van de zee
is droog, zonder tranen
nee, beter is het
de dood te verdrinken
midden in het lichaam
en voorgoed en voorgoed
het ellendige leven
besmetten.
Hoor de muziek maar de woorden niet,
dansbeweging, maar met niemand erbij.
Gedicht, maar zonder een lezer.
Tijd, maar zonder de cijfers.
Hoeveel raadsels kun je verdragen?
De vriend die stierf maar niet meer kon praten,
de andere vriend die in zijn laatste bed
een cirkel tekende met zijn handen,
en daarmee reizen bedoelde. Dat was
een afscheid, en ik begreep het, ik moest
nog reizen en verder, cirkels over de wereld
tot ik weer bij hem zou zijn,
of hij bij mij, een vergeefse belofte.
Cees Nooteboom

Bedankt voor zoveel overvloed.
Nu nog
eenzelfde trage tijd vinden.
Om te lezen.
En voldoende ascese. Het wit van soberheid.
Want zeldzaamheid
creëert de rijkdom van woord en beeld.
De Troost van Schoonheid.
Aan te veel lijdt deze wereld.
.
.
LikeGeliked door 1 persoon