Dichters en dichten

ELFDE REEKS. IV.22

Wij moeten de bronnen uitgraven.

Wij moeten de bronnen uitgraven
en die eronder zien te vinden.
Wij moeten elke stap uitgraven
en daarna de afdruk van elke stap.
Wij moeten elk woord uitgraven
en de afwezigheid die elk woord met zich meesleept.
Wij moeten elke droom uitgraven
alsof het een scheef continent was.
Wij moeten de wereld uitgraven
tot ze een enkele opgraving is.

Wij moeten de bronnen ontdekken
die lang geleden begraven zijn,
misschien sinds het begin.

Wij moeten een nieuwe archeologie aanvangen:
de archeologie van de bronnen,
totale archeologie.

Roberto Juarroz

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


ACHTSTE REEKS. 2

Ook de woorden vallen op de grond,
als vogels die plotseling dol worden
van hun eigen bewegingen,
als voorwerpen die opeens hun evenwicht verliezen,
als mensen die struikelen terwijl er geen obstakels zijn,
als poppen vervreemd door hun stijfheid.

En in dat geval bouwen
de woorden zelf een trap vanaf de grond
om weer naar het betoog van de mens te klimmen,
naar zijn gestamel
of zijn laatste woorden.

Maar er blijven er een paar liggen.
En soms vind je ze
bijna verborgen achter hun schutkleur,
alsof ze wisten dat iemand ze zou oppakken
om een nieuwe taal met ze te maken,
een taal die alleen uit gevallen woorden bestaat.

Roberto Juarroz

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


15

Het ene zoeken
is altijd het andere vinden.
Dus om iets te vinden,
moet je iets zoeken dat het niet is.

De vogel zoeken om de roos te vinden,
de liefde zoeken om ballingschap te vinden,
het niets zoeken om een mens te ontdekken,
naar achteren gaan om vooruit te komen.

De clou van de weg ligt
niet zozeer in zijn splitsingen,
zijn verdachte begin
of zijn twijfelachtige einde,
maar in de bijtende humor
van zijn tweerichtingsverkeer.

Men komt altijd aan,
maar altijd elders.

Alles gaat voorbij.
Maar de andere kant op.

Roberto Juarroz

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


Achtste reeks. 72

Wat eerst uitgewist:
de schaduw of het lichaam,
het gisteren geschreven woord,
of het vandaag geschreven woord,
de donkere dag,
of de heldere dag?

Er moet een orde worden gevonden.
Het leren uitwissen van de wereld
zal ons later helpen onszelf uit te wissen.

Roberto Juarroz

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


Hay huellas que no coinciden con su pie.
Hay huellas que se anticipan a su pie.
Hay huellas que fabrican su pie.
Hay huellas que son más pie que el pie.
 
Qué puede hacer un pie
cuando le ocurren estas cosas?
Solamente
darse vuelta hacia el aire.

Roberto Juarroz


Er zijn sporen die niet met hun voet samenvallen.
 
Er zijn sporen die op hun voet vooruitlopen.
Er zijn sporen die hun voet maken.
Er zijn sporen die meer voet zijn dan de voet.
 
Wat kan een voet doen
wanneer hem zulke dingen overkomen?
Enkel
zich naar de lucht keren.

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


 
Los rostros que has ido abandonando
se han quedado debajo de tu rostro
y a veces te sobresalen
como si tu piel no alcanzara para todos.
 
Las manos que has ido abandonando
te abultan a veces en la mano
y te absorben las cosas o las sueltan
como esponjas crecientes.
 
Las vidas que has ido abandonando
te sobreviven en tu propia sombra
y algún día te saltarán como una vida,
tal vez para morir una vez sola.

Roberto Juarroz


[De gezichten de jij achter je hebt gelaten]
 
De gezichten die jij achter je hebt gelaten
zijn onder je eigen gezicht blijven zitten
en komen soms te voorschijn
alsof je huid ze niet allemaal kan bergen.
 
De handen die jij achter je hebt gelaten
bollen soms op in je hand
en zuigen de dingen op, of laten ze los
als groeiende sponzen.
 
De levens die jij achter je hebt gelaten
overleven jou in je eigen schaduw
en op een dag bespringen ze je als één leven,
misschien om eenmaal alleen te sterven.

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


 
Periódicamente

es necesario pasar lista a las cosas,
comprobar otra vez su presencia.
Hay que saber
si todavía están allí los árboles,
si los pájaros y las flores
continúan su tomeo inverosímil,
si las claridades escondidas
siguen suministrando la raíz de la luz,
si los vecinos del hombre
se acuerdan aún del hombre,
si dios ha cedido
su espacio a un reemplazante,
si tu nombre es tu nombre
o es ya el mío,
si el hombre completó su aprendizaje
de verse desde afuera.
 
Y al pasar lista
es preciso evitar un engaño::
ninguna cosa puede nombrar a otra.
Nada debe reemplazar a lo ausente.

Roberto Juarroz


[Tijd tot tijd]
 
Van tijd tot tijd
is het nodig de dingen de revue te laten passeren,
opnieuw hun aanwezigheid vast te stellen.
Wij moeten weten
of de bomen daar nog staan,
of de vogels en de bloemen
hun onwaarschijnlijke toernooi voortzetten,
of de verborgen helderheid
de wortel van het licht nog voedt,
of de buren van de mens 
nog aan de mens denken,
of god zijn plaats
heeft afgestaan aan een vervanger,
of jouw naam jouw naam nog is
of al de mijne,
of de mens zijn leerschool heeft afgemaakt
zich van buitenaf te bekijken.
 
En als wij alles de revue laten passeren
moeten wij ons niet laten misleiden:
geen ding kan een ander ding benoemen.
Niets mag het afwezige vervangen.

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


 
Tal vez la muerte sea imposible
y el truco consista en vaciar la mirada
para salvar el ojo.
 
Tal vez tu mano forme parte de la mía
y el truco consista en ponérmela al
margen
para que yo haga el mundo.
 
Tal vez el hombre sea el hombre
y el truco consista en publicar un dios
para que el hombre sea todo.

Roberto Juarroz


fort Douamont

[Misschien is de dood onmogelijk]
 
Misschien is de dood onmogelijk
en is het de kunst de blik leeg te maken
om het oog te redden.
 
Misschien vormt jouw hand een deel van de mijne
en is het de kunst hem ter zijde te schuiven
zodat ik een wereld kan maken.
 
Misschien is de mens de mens
en is het de kunst een god openbaar te maken
zodat de mens alles kan zijn.

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


 
Mi mano acaricia tu sueño.
Y para mejor acariciarlo
se convierte ella también en sueño.
 
Pero entonces tu sueño
se convierte en una mano,
para poder corresponder a esa caricia.
El amor será siempre
el cruce de una mano que va
y otra mano que vuelve?
 
O será solamente
el paso de dos sueños que se cruzan?

Roberto Juarroz


[Mijn hand liefkoost jouw droom]
 
Mijn hand liefkoost jouw droom.
En om hem nog beter te kunnen liefkozen
verandert zij ook in een droom.
 
Maar nu verandert jouw droom
in een hand,
om die liefkozing te kunnen beantwoorden.
 
Zou de liefde altijd
de kruising zijn tussen een hand die gaat
en een hand die komt?
Of zou het gewoon
het passeren van twee elkaar kruisende dromen zijn?

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


Soms lijkt het mij
dat we ons in het midden
van het feest bevinden
nochtans
in het midden van het feest
is er niemand
In het midden van het feest
bevindt zich de leegte
Maar in het midden van de leegte
is er een ander feest.

Roberto Juarroz


IV, 44
 
Rara vez vuelvo a leerme.
 
Si lo hago,
me parece que quien escribió aquello
fue alguien que se quedó en el camino,
tal vez para esperar mi retorno
o para poder observarnos desde lejos
o tomar él después por caminos secundarios
para encontrarnos otra vez más adelante.
  
Releerse es sospechar de algún modo
que la vida que pasó
nos aguarda en otra parte,
como si un hijo pródigo al revés
esperara en su puerta
el improbable regreso de su padre.
 
Detrás de cada palabra escrita antes
asoman como un pueblo furtivo
todas las palabras que no supimos escribir
Por eso releerse es hallar,
más que las visiones que fuimos,
las visiones que nos reclamaron en vano,
pero quedaron como algas curiosamente insistentes
adheridas a aquello
que sin entenderlo del todo recogimos.
 
Si el tiempo no estuviese agotado,
quizás valdría la pena releerse
nada más que por esas adherencias.
 
 
 Roberto Juarroz


IV, 44
 
Een enkele keer herlees ik mezelf.
 
Als ik dat doe,
lijkt mij wie dat schreef
achterop te zijn geraakt,
wie weet om te wachten tot ik terugkeer
of om van ver naar ons te kijken,
of daarna een dwarsweg te zijn ingeslagen
om verder weer bij ons te komen.
 
Jezelf herlezen is vaag vermoeden
dat het leven dat voorbij ging
elders op ons wacht,
tegendraads als een verloren zoon
die op de drempel staat te wachten
op de onwaarschijnlijke terugkomst van zijn vader.
 
Achter elk voorheen geschreven woord
doemen, als een stiekem volkje, alle woorden op
die wij niet opschrijven konden.
Daarom vindt wie zichzelf herleest,
veeleer dan de visioenen die wij waren,
de visioenen die vruchteloos aanspraak op ons maakten
maar met zonderlinge aandrang aanwezig bleven
als algen die zich hebben vastgezet
op wat wij halvelings begrijpend hebben vergaard.
 
Was de tijd niet opgebruikt,
dan loonde het misschien de moeite jezelf te herlezen
alleen al om die aankleefsels
 

Vertaling: Guy Posson


Leven zonder antwoorden

Een vraag rolt als een steen
langs de flank van de mens
en in plaats van in de leegte te vallen
vindt hij een vallei die hem ondersteunt.

Het gaat niet meer om mensen of goden.
Wij staan niet meer op de plaats van de antwoorden.
De eigen echo is veranderd in de vallei.

Misschien bestaat de verlossing van de mens eruit
te rollen langs de eigen helling,
met in zijn armen de steen
van zijn allergrootste vraag.

Roberto Juarroz, Verticale Poëzie V (1974), [8].

uit het Spaans door Mariolein Sabarte Belacortu


Un zumbido de fondo
acusa la presencia de las cosas.
Necesitamos la palabra y el viento
para poder soportarlo.

Un zumbido de fondo
denuncia la ausencia de las cosas.
Necesitamos inventar otra memoria
para no enloquecer.

Un zumbido de fondo
anuncia que no hay nada
que no pueda existir.
Necesitamos un silencio doblado de silencio
para aceptar que todo existe.

Un zumbido de fondo
subraya el frío de la muerte.
Necesitamos la suma de todos los cantos
y el resumen de todos los amores
para poder aplacar ese zumbido.

O una tarde cualquiera,
sin más condición que su abertura,
vendrá un pájaro a posarse en el aire
como si el aire fuera otra rama.
Y entonces cesarán todos los zumbidos.

Roberto Juarroz, Elfde verticale poëzie


Gezoem op de achtergrond
geeft aan dat dingen er zijn.
Woord en wind hebben wij nodig
om het te kunnen verdragen.

Gezoem op de achtergrond
klaagt aan dat dingen er niet zijn.
Een andere herinnering hebben wij nodig
om niet krankzinnig te worden.

Gezoem op de achtergrond verkondigt
dat er niets is
dat niet kan bestaan.
Met stilte gevoerde stilte hebben wij nodig
om te aanvaarden dat alles bestaat.

Gezoem op de achtergrond
onderstreept hoe kil de dood is.
De som van alle liederen
en het overzicht van alle liefdes
hebben wij nodig om dat gezoem te dempen.

Tenzij op een doordeweekse middag,
maar dan wel één die open is,
een vogel op de lucht neerstrijkt
als was ook lucht een tak.
En dan zal alle gezoem stokken.

vertaald door Guy Posson


Je vraagt me, hoe bidden tot iemand die niet is.
Ik weet alleen dat het gebed een brug bouwt van fluweel,
Waarop we verend lopen, als op een trampoline,
Boven landschappen – de kleur van rijp goud,
Herschapen door een magische stilstand van de zon.
Die brug voert naar de oever van Ommekeer,
Waar alles andersom is en het woord ‘is’
Een zin onthult die nauwelijks werd vermoed.
Je merkt het: ik zeg ‘wij’. Want daar voelt iedereen
Mee met de anderen die in het vlees verstrikt zijn
En weet dat, al was er geen overkant,
Wij, net zo, die brug zouden gaan, boven de aarde.

Czesław Miłosz

OVER HET GEBED

Je vraagt me hoe je kunt bidden tot iemand die niet bestaat.
Ik weet alleen dat het gebed een brug van fluweel bouwt
waarover we lopen en als van een trampoline opstijgen
boven landschappen met de kleur van rijp goud,
omgetoverd door de magische stilstand van de zon.
Die brug leidt naar de oever van de Ommekeer
waar alles andersom is en het woord ‘is’
een betekenis onthult die wij nauwelijks voorvoelen.
Let wel, ik zeg ‘wij’. Daar voelt ieder afzonderlijk
medelijden met anderen, verstrikt in een lichaam,
en weet dat wij ook als er geen overkant zou zijn,.
evengoed die brug boven de aarde zouden opgaan.

Czesław Miłosz
Vertaling Gerard Rasch


The Wild Iris

At the end of my suffering
there was a door.

Hear me out: that which you call death
I remember.

Overhead, noises, branches of the pine shifting.
Then nothing. The weak sun
flickered over the dry surface.

It is terrible to survive
as consciousness
buried in the dark earth.

Then it was over: that which you fear, being
a soul and unable
to speak, ending abruptly, the stiff earth
bending a little.  And what I took to be
birds darting in low shrubs.

You who do not remember
passage from the other world
I tell you I could speak again: whatever
returns from oblivion returns
to find a voice:

from the center of my life came
a great fountain, deep blue
shadows on azure sea water.

Louise Glück


De wilde iris

Aan het eind van mijn lijden
was een poort.

Hoort: wat jullie dood noemen herinner ik mij.

Geluiden, boven me, schurende dennentakken.
Daarna niets. De zwakke zon
fladderde over de droge grond.

Het is vreselijk te overleven
als bewustzijn
begraven in de donkere aarde.

Toen was het voorbij: dat wat jullie vrezen, bezield
te zijn en niet in staat
tot spreken, eindigde abrupt, de stugge aarde
gaf een beetje mee. En wat ik hield
voor vogels schoot lage heesters in.

Jullie die je de overgang
uit de andere wereld niet herinneren
ik zeg jullie ik kon weer spreken: wat er ook
terugkeert uit vergetelheid keert terug
om stem te vinden:

uit het hart van mijn leven spoot
een grote fontein, diepblauwe
schaduwen op een azuren zee.

(Vertaling Erik Menkveld)
 


V La Brière

It turns out, what we thought of as the soul
is mostly sound;
not song, but like a memory of birds
or running water,
the churn of a paddle, the flicker and dip
of an oar,
narrow boats butting the land
on their quiet tethers,

so death will be a slower, surer fade
than any we imagine;
no mere extinction, like the evening’s hush
before the ducks come, dipping to the marsh
in threes and fours, to find the darker ground,
no moment’s pause, but absolute decay
where absence is a form
of generation.

Out in the dark, tonight,
our voices drift and sway
like hunting bees,
nothing to those who are going, but the place
they started from:
a given name, a word, a subtle variance
from what endures, the bright unspeakable,
not sky, not earth or flesh,
but finer still,
a call across the lake you half-believe

is nothing, though it happens all the time,
end and beginning,
footfall, leaf-fall, silence.

From: Four Quartets
John Burnside


V La Brière

Wie sich gezeigt hat, ist das, was wir als Seele betrachten,
größtenteils Klang;
nicht Gesang, sondern wie eine Erinnerung an Vogel
oder an fließendes Wasser,
die Rührschläge eines Paddels, das flimmernde
Eintauchen eines Ruders,
schmale Boote an Fangleinen, die leise
gegen den Steg stoßen,

so wird der Tod ein ausgedehnteres, entschiedeneres Verklingen sein
als wir uns vorstellen können;
kein bloßes Abschwellen, wie jene Stille des Abends,
ehe die Enten in Dreier- oder Vierergruppen
auf die Marsch einfallen und die dunkelsten Stellen aufsuchen,
kein flüchtiges Aussetzen, sondern vollständige Verwesung,
wo Fehlen eine Form
von Werden ist.

Unsere Stimmen ziehen draußen
im Dunkeln umher, wiegen sich in der Brise
wie hungrige Bienen,
für die, die fortgehen, nur noch
der Ort, an dem ihre Reise begann:
ein Rufname, ein Wort, eine subtile Abweichung
von dem, was bleibt, das Leuchtend-Unsagbare,
nicht Himmel, nicht Erde oder Fleisch,
sondern viel feiner,
vom anderen Seeufer ein Ruf, an den du
nicht ganz glaubst, obschon es nicht selten vorkommt,
Ende und Anfang,
Schritte, Blätterfall, Schweigen.

Burnside, John, Anweisungen für eine Himmelbestattung, Ausgewählte Gedichte Englisch – Deutsch, Aus dem Englischen übersetzt und mit einem Nachwort von Iain Galbraith München 2016 (Carl Hanser)


Stad aan de wadden

Drie eilanden staan aan de horizon
Als ’t niet zeer nevelt. Jongens komen kijken,
Wanneer de postboot keert, die langs de dijk een
Rookpluim doet strijken, licht-bruin voor de zon.

De winter duurt hier lang; het spaarzaam groen
Bevat een stillen winter in zijn takken.
En in de binnentuintjes, kalme vlakken,
Zou zelfs geen moordenaar een moord gaan doen.

Het drievuldig plaveisel, gele klinkers,
Gekleurde keien, blauwe, bolle stenen:
Zij dragen jaren reeds dezelfde benen,

Want ’s avonds, in hun pas van stille drinkers,
Slenteren mannen rokend naar het dok –
De haven langs – en weer terug naar ’t dok.

Simon Vestdijk (1898-1971)

uit: Kind van stad en land (1936)
 


Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, in ’t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

M. Vasalis


DE DOOD

De Dood wees mij op kleine, interessante dingen:
dit is een spijker-zei de Dood-en dit een touw.
Ik zie hem aan, een kind. Hij is mijn meester
omdat ik hem bewonder en vertrouw,
de Dood.

Hij wees mij alles: dranken, pillen,
pistolen, gaskraan, steile daken,
een bad, een scheermes, een wit laken
‘zomaar’ -voor als ik eens zou willen
de dood.

En vóór hij ging, gaf hij me nog een klein portretje …
‘Ik weet niet, of je ’t al vergeten was,
het komt misschien nog wel te pas
voor als je eens niet meer zou willen
sterven,
maar wie let je?’
zei de Dood. –

M. Vasalis


IN DE HERFST

Hol en leeg van verlangen
en de gele amberen bomen
de groene en barnstenen stammen.

Het licht hangt stil in de blaren.

Mijn hart is te veel geopend,
te veel in het licht gevangen
in der wolken lichte varen …
En pijndoend, schrijnend dromen
weg van mijzelf te komen.
En eigenlijk zo wanhopend.

M. Vasalis


Noordeinde

Ik loop in doodvacantie door den Haag.
Het uitgestalde wordt mijn eigendom.
De dorst naar u slaat op de wereld om
zonder dat ik de dingen overvraag.

Zij liggen daar geprijsd van hoog tot laag.
Niemand behoeft hun absolute som
meer te begroten. Ieder ding alom
vertegenwoordigt u tot op vandaag.

De winkelieren knikken bij mijn komst.
Wij overleggen in geheime hoeken,
rijk en gelijk aan wederzijds geluk.

De meisjes hebben het bijzonder druk
om alles in de dozen op te zoeken.
Hun ogen glanzen en de winkel gonst.

Gerrit Achterberg


SNEEUW

… het oude is voorbij gegaan,
ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Cor. 5:17b

Toen sneeuw openbrak de ogen,
dien versen morgen,
voelden mijn kleren vreemd en koel
bij het aankleden, een geluksgevoel
maakte elke handeling ingetogen:
bedachtzaam en overwogen
heb ik me langzaam gewassen,
of iets heiligs me zou verrassen.

Ik vond je beneden al aan ’t zorgen.
Je stond voor de open kachel gebogen,
waarin houtjes waren geborgen,
klaar om te worden aangestoken.
Je had dezelfde gedachte.

De kamer stond op een wonder te wachten;
het plafond lag betogen
van blauw ontwaken;
het bleef eeuwig bij achten.

We hebben bezit genomen
van elkanders huivering,
achtgevende op de hunkering
daarachter …

Gerrit Achterberg


SNEEUW

De straten zwierven met het sneeuwen mede,
de huizen dansten een doodstille maat.
De steenen kwamen een voor een mijn schreden
droomend bewegen, maar het was te laat

om naar een doel te gaan, de eeuwigheden
lagen geopend en een oud verraad
doorbrak de smaad der aarde tot het hart,
dat zich dien stond herkende en sneeuwwit weende.

Gerrit Achterberg


SNEEUW

Een schuine muur van sneeuwen
komt leunen aan mijn schouder,
geduwd door broeder winter
en zuster stilte, – zou er
nog tijding wezen, ginter
achter het witte scherm, dan vlokken,
sneeuwvlokken, klokken, koele kilte
over de wereld en een hart,
elkaar gelijk in den winternacht.

Gerrit Achterberg


Dit is het blinkend loopen
tusschen het weten en het hopen
van nergens en naar niets.
Dit is de tijd gesteenigd
met iedere voetstap en alleenig
het loopen, blinkend en om niet
onder de wolken van den hemel,
op de wegen, met een eeuwig
gevoel, dat zich herkennen liet.

Gerrit Achterberg


SNEEUW

In deze sneeuw ben ik een tekening.
Een plaat, waarop ik langzaam levend ben.
Er is geen onderscheid tussen de boom en mij
dan dat ik hier en daar bewegend ben.

Verzonken in het eindeloze wit,
dat om mij ligt geopend, ben ik dit.
Bevangen door dezelfde zuiverheid,
waar in de verte ook een kraai op zit.

Gerrit Achterberg


SNEEUWGANG

Er zijn nieuwe verten in mij ontstaan
sinds het zo doodstil sneeuwde.
Ik zou nu naar ieder mens willen gaan
en zeggen: ik was niet zoals gij meende.

Ze zijn misschien niet om mij begaan;
ze hebben hun eigen bezigheden.
De donkerheden minderen, witter gaan
de bomen worden rondom mij henen.

Er blijft er een in eenzaamheid gaan
en wens en wenen vergaan, zijn schreden
vergaan in de sneeuw, aan het eind van de nacht
wacht de witte morgen, zonoverschenen.

Gerrit Achterberg


SNEEUW
De straten zwierven met het sneeuwen mede,
de huizen dansten een doodstille maat.
De stenen kwamen een voor een mijn schreden
dromend bewegen, maar het was te laat,

om naar een doel te gaan, de eeuwigheden
lagen geopend en een oud verraad
doorbrak de smaad der aarde tot het hart,
dat zich dien stond herkende en sneeuwwit weende.

Gerrit Achterberg


Volle maan

In de verte zacht, melodisch suizen …..
Blanke lijn van ’t drooggelopen strand ….
Paarlemoeren plasjes langs den kant,
En er in de pinken en de buizen*.

Tegen ’t duin de lichten van de huizen…
En heel achter aan den versten rand,
Gloeiend als een pas begonnen brand,
Maneschijn op donkre kerkhofkruisen.

In een stoet van grijze wolkenvlokken
Trekt de maan naar ’t Zuiden, naar de zee:
Al wat jong is, voelt zich aangetrokken:

Visschermeisjes waden langzaam mee:
Voeten scheemren onder donkere rokken
En weerspieglen in de blanke ree!*

Jacob Winkler Prins (1849-1904
uit: Sonnetten (1885)


God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven, en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en ’t eindeloze gebied is eindeloos ’t zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren ’t licht naar de zee.
En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie ’t water stroomen, voortdurend stroomen naar ’t onbekende.
En ’t onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik ’t zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.
Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.
 
Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.

Nescio (Uit: Nescio – Titaantjes, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam)


Ik heb U vaak vermoed

Ik heb U vaak vermoed
wanneer ik aan mijn venster
in late avond nog te dromen zat,
‘t was altijd of er ginder bij de mensen,
een verre lieve ziel
stil met me mede bad.

Ik heb U vaak verwacht,
als in mijn ziele-tuinen,
de loze woekerplant van doornentwijfel rees.
‘t was altijd of de hand van een die diep geloofde
mij sprakeloos, ginder hoog
de sterrenhemel wees.

Ik heb U vaak gezocht
in radeloze nachten,
toen iemand op mijn hoofd
zijn trouwe handen lei.
Toch kwam bij schemering
een stem als uit de hemel,
die me voor ‘t slapengaan
“Goenacht m’n kindje” zei.

Ik heb u vaak gemist
wanneer de bloemen stierven
en zo de broosheid van mijn eigen leven ried.
Toch is ‘t of één van ver
met mij heeft meegezongen
de bangste strofe
van mijn stervenslied.

Waart gij die lieve stem,
waart gij die trouwe handen,
waart gij die verre hoop
die glom daar onbewust;
en voor mijn ziel in storm,
die boot die niet kon landen –
was goedheid van uw hart
mijn lichtje langs de kust?

Ik heb U vaak gezocht
en nu ‘k U heb gevonden
is ‘t avond in mijn ziel
en ‘k ben zo moe, zo moe –
En is mijn moeë ziel aan harde strijd gebonden,
toch kom ik als een kind
naar ‘t kleine lichtje toe.

Ik heb geen kracht genoeg
voor blije, lieve klanken,
maar aan de Lieve Heer,
die alle armoe sust,
vraag ik een simpel hart,
om u te mogen danken,
gij die me brengen wilt
ter lang gedroomde rust.

Alice Nahon


HET HEBBEN VAN PLAATS

1.

Op een dag klopt het beeld dat je hebt van
jezelf niet meer met die je ziet in de spiegel.

Daarin staat iemand die je herkent
als die je bent, maar er lijkt een gitten

slaap overheen gegaan en een winter waarin
het wit werd en stil en daarna

kwam regen, hing er een onweer
te drogen onder de hemel. Dat

krimpt in je spiegelgezicht. In je hoofd woont
het beeld van je zomer ervoor, maar nu ga je

een ander seizoen tegemoet, moet je opnieuw
je ogen tekenen, iets met je lippen doen, je herzien.

Hester Knibbe
uit: Oogsteen, Een keuze uit de gedichten 1982-2016

TEMPELS & TAXI’S

2.

Je bent op een plek
waar je het geluk niet kunt lezen. Het lot
dat je pakt uit de tombola blijft zo duister als morgen
ook al trek je het na als wil je bij wijze van spreken

een lichaam opnieuw vormgeven.
Maar het blijft een soort raam op poten, deur
voorlopig gesloten, kruis met een wimpel
een simpele kromme en iets waarin je denkt

je letter te lezen, maar doorgestreept. Iemand
spreekt je aan in een onverstaanbare taal, wijst
op een schaal in een smalle vitrine. Je ziet hem
onder handbereik, knikt, je kunt er niet bij.

Hester Knibbe
uit: Oogsteen, Een keuze uit de gedichten 1982-2016


Dicht

De stallen zijn leeg het huis oogt verlaten
onaardse kleuren bederven het graan. Er is

een opgaan in dromen van verten terwijl de blik
blijft ingeklemd: de lijst om de wereld sluit eng.

Oud landschap, het paard voor de wagen trekt
man en dag dwars door de grauwe

lucht op het pad, waar droomt het van wat
is zijn verlangen? Kortom, hoe denkt een paard voor een kar

met een man in gepeins? Geen deur of raam
van schuren en huis bewijst er is

leven daarbinnen. Alleen de man en het paard
lijken adem te halen, maar hun koppen zijn eveneens

dicht. Blijven: een ongebreidelde
lucht, het idee van een boom, van bewoning.



Hester Knibbe
uit: Barcode van stilte (2025)


Terwijl

Het was die storm, hij hakte
in op slaap. Wie houdt de wacht vroeg ik
mij af wie redt mij als ik nietsvermoedend
liggen blijf terwijl het huis inzakt?

Dat was het ogenblik waarop ik wakker
schrok de straat in keek, de bomen stonden nog
het water kletste wel de oevers nat maar
geen lekkage waar ik lag, geen

zorgen voor een ramp die groter dan
een kinderhand mij treffen kon, het licht
van de lantaarn glansde in een plas de straat
had geen benul van overlast: het was

een storm die overwaaien zou.

Hester Knibbe
uit: Barcode van stilte (2025)