J.A. dèr Mouw

In eigen zielegronden
heb ik de gang gevonden
die naar het hart van God mij veilig bracht,
en ‘k droeg in vrome handen,
om voor het laatst te branden,
mijn liefdelicht door de onaardse nacht

J.A. dèr Mouw


Aan wereldoppervlak kleeft iemands blik,
in beuzlige nieuwsgierigheid verloren;
de wind van de eeuwigheid waait in zijn oren:
hij hoort alleen ’t dichtbije golfgeklik.

Het levensvestinkje van ieder Ik,
elk met zijn vlag van hoop op zand’ge toren,
stuk knabb’len ziet hij ’t door het steeds herboren,
onsterfelijk aanrimplend ogenblik.

’t Is alles zo natuurlijk, dingen, mensen,
geluk, verdriet, wel- en niet-vervulde wensen,
en zo word je oud; dan komt het angstig slot.

Voor alles weet hij de eenvoud’ge verklaring.
Dan plotseling bliksemt in hem de openbaring.
’t heilig Ik ben. En hij ziet niets dan God.

Adwaita – Johan Dèr Mouw


NU SLAAPT ZE IN BRAHMAN, VEILIG VOOR ALTIJD;
En ‘kweet dat, blij, haar mijn terugkomst vindt,
Als eens de dood, Bronwaarts stormende wind,
Mijn ziel, een droppel God, voor goed bevrijdt

Van zweven tussen aarde en eeuwigheid,
Als ’t Wezen schijn van splitsing overwint,
En ‘k voor altoos ·ben bij mijn sprookjeskind,
Tot zalig één aan ’t hart van God gevlijd.

Nu zwerft de weemoed van mijn mens’lijk zelf,
Zilv’ren herinn’ring, door ’t verleden rond,

En zoekt, angst’ ge komeet in zwart gewelf,
De sterrewoorden van haar sprookjesmond,

En ‘k tracht te vinden in oudheilig boek,
Wat eens door haar ik had; en ‘k zoek – ik zoek –

Johan Dèr Mouw


NU ZÁL ER STILTE ZIJN, MIJN LEVEN LANG;
De tijd zal, voorzichtig, zijn vlucht vertragen,
Dat niet zijn ijlste suizen mocht verjagen,
Wat dwaas ik koos boven haar sprookjeszang:

Stilte, als toen moeder dood was weggedragen
Met vreemd geschuifel door eind’loze gang,
En door het huis mijn halfbewuste drang
Rondliep om haar te zoeken, hele dagen.

Als in een winkel zag ‘k de meubels staan,
En boven één stoel, pijnlijk zichtbaar, hing

Leegte, waarin mijn blik gestadig viel,
Nog niet gedragen door herinnering.

Zo k.ijkt, als uit een boek, mij~ denken me aan,
En ‘k voel me een vreemd’ling in mijn eigen ziel.


MAAR DAN – WANT NOOIT KAN STERVEN, WAT EENS DIEP,
Diep uit tijdeloze afgrond van mijn Wezen
Naar ’t golvend vlak van ’t schijn-Ik is gerezen,
Maar ’t zinkt naar de oorsprong, waar het heilig sliep;,

Tot verre herinnering het wakker riep
Naar schomm’lende balans van hoop en vrezen:
Dus vind ik ‘t, als ‘k van ’t leven ben genezen .
Dat wereldschijn uit smart en sterren schiep.

Zoals ‘k me vaak door ’t Zelfbesef verlaten
Om lege werklijkheid van drukke straten
Met stille Poolster troost, al zie ‘k hem niet,

Zo voel ‘k na dood van liefde en moeder beiden .
Van heel ver in mijn denken binnenglijden
De rust van Mahler’s Kindertotenlied.


‘K WEET DAT VLAK BIJ ME, IN ‘T HART VAN GOD GEDOKEN

De grote liefden van mijn leven wonen:
Daar staan ze, veilig, stil als anemonen,
Door geen orkaan van ’t oppervlak gebroken.

Ik weet dat liefdewoorden, ongesproken,
Het wonder van de Godheid rijker tonen,
Dan perken van· bliksemende Orionen,
Tot tijdelozen uit Zijn, kiem ontloken.

Voor mij, wiens twijfel wegdacht, wat ‘k bezat,
Was ’t diepste van de wereld veel te heilig;

Maar ‘k weet: daar, waar mijn hart is,· is mijn schat;
In Brahman is mijn hart: mijn schat is veilig.·

In dromen ben ‘k mijn rijkdom mij bewust;
‘K zie, stil, mijn anemonen. – Ik heb rust.


KORTLEVEND PLANKTON VAN DE BRAHMANZEE,
Zal ‘k eenmaal naar hun vredebloei verzinken;
Zolang ik niet de koele dood mag drinken,
Golf ik en eb met de oppervlakte mee; ,

Zijn geheimzinn’ ge stroom yolg ik gedwee,
En als ‘kuit wolkenschelp, die ‘k rood zie blinken,
Het ver geruis van de eeuwigheid hoor klinken,
Voel ik mij zelf de w~nd, zelf de avondvree.

Door golventop laat ik omhoog me tillen,
En ‘k zie de verte parelmoerig trillen,
En ‘k voel me toekomst, beó., wat eens zal Zijn;

En laat de glazige afgrond neer me glijden,
Dan zie ‘k schemeren lanigverzonken tijden,
En ’t diepst verleden voel ‘k bestendig mijn.


VER, VER – IN DROOM – IK HOOR MIJN JAGERSKREET
Gillen door ’t woud, als toen mijn arm de knods,
Moordend door steenklomp, met machtige bots
Op ’t hunk’rend roofdier, bloedig voedsel, smeet;

‘K voel mijn verleden, toen ‘k, druipend van zweet
Na donk’re worsteling in holle rots,
‘T bedwongen wijfje – vroegste mannentrots –
Hijgend van bronst, in nek en schouders beet.

Door lange grottengang van eeuw na eeuw
Hoor ik in droom van droom fladd’ren mijn schreeuw,
Als ‘k vecht met tand en klauw, wie ’t machtigst is;

‘K hoor, hoe door struiken sluipt mijn sluwe vrees,
Als ‘k nachtlijk jaag op bloed en levend vlees,
Bij ’t dreigend rits’len van de wildernis.


HET TEERSTE, DOOR SCHAAMACHT’GE SCHERTS VERZWEGEN,
Het diepste, dat in half ontveinsde daad
Zich buiten waagt, half bang dat ’t zich verraadt,
Half hopend, trots in enen en verlegen;

‘T heiligste, dat langs·laat begrepen wegen
Mijn ziel opvoerde tot haar hoogste staat,
Had ik aan sterke herinn’ring’s gouden draad
Tot diadeem voor één aaneengeregen.

En al het mooiste uit vroege jongensjaren,
Mijn sterren en muziek en verzen, waren
Op vreemde wijs vervlochten in mijn schat:

Mijn laatste liefde, vromer nog dan de eerste
Gaf ‘t. mooiste en ’t heiligste, het diepste en teerste-
Onwerklijk was, die ‘k ’t meest heb liefgehad.


EN NU IK MIJN MENSENLEED HEB WEGGESCHREID,
En weer, en weer, en weer – nu ‘leer ik rijzen
Uit slik van werelddwarrel met’gepeizen’,
En ‘k zie,· ’t was álles hoogsté Werklijkheid.

Zo wil ik dan, genezen voor altijd,
Mij zalig om mijn grootste droefheid prijzen,
Die aan ’t verganklijk Ik het Zelf kwam wijzen
In vergezicht op de een’ge Wezenheid.

Geen stilte is zo diep, als die volgt op tranen;
En, weggevlucht voor lach, komt dichterbij .
De schuwe wijsheid van vred’ge brahmanen:

Schijnbaar gescheiden lijdt, die sloeg, in mij.
En ’t is, als hoorde ik Iets zichzelf vermanen:
‘Mijn liefde was ikzelf’. – Zo werd ik vrij. ·


‘K ZIE NU AL HOE ’K, ALS JIJ GESTORVEN BENT;
Zal zitten, kijkend naar je stil gezicht;
Wel vol verleden, toch pijnlijk verlicht,
Dat jij ten minste geen verdriet meer kent.

Mijn handen zullen, vroeger lang gewend,
Van zelf aaien je haar, waar levend ligt,
Als vroeger, nog het diep glanzende licht,
Dat uit de dood mij jouw vergeving zendt.

‘T is alles tevergeefs: nu weet ik al,
Dat ‘k dan, mijn hartje, niet begrijpen zal,
Hoe ‘k jou geen liefde gaf, mijzelf geen rust;

Zelfkwellend zal ‘k je, herrezen, zien staan,
Jong, als toen ik ’t geluk voorbij liet gaan,
Die ene nacht, toen ‘k je niet heb gekust.

Johan Dèr Mouw


JA, ÉÉN KEER NOG JE LEVEN OVERDOEN,
En dan op ’t _toekomst-richtend ogènblik
Nalaten dat gebaar, dat woord, die blik, .
Die reis, die brief, die daad, die vraag, die zoen,

Zó, dat een niet begrepen vizioen
Je zou weerhouden door plots’linge schrik,
Doordat in ’t Nu van ’t eigenmachtig Ik
Waarschuwend school ’t praeëxistente Toen:

Dan zou je dát doen, daarna dát, en dan
Zou je gelukkig zijn, als die en die:

En stil bioskopeert je fantazie
Een ouerwets blij-eind’gende roman

Ja, maar wie weet, als hij zo denkt, of niet
Herinn’ring was dat, wat hij weif’lend liet?.


‘K WEET NOG, HOE ‘K VAAK TEGEN MIJN LIEFDE ZEI:,
Toe kindje wees eens stilt Je bent zo druk:
jouw zonn’ge woorden vlind’ren ’t spinsel stuk,
Dat Yàinawalkya’s mijm’ren om me lei.

Jij bent mijn jeugd, mijn levend sprookje, jij
Mijn morgenster, mijn enig aards geluk;
Maar kromgeboeid lig ‘k onder lange druk
Van mensenleed: wie· Brahman kent, is vrij.

En als ‘kop sneeuwige kometen neer-
duizel, de helling af van parabool,

Of, fonk’lend, met Orion defileer
Langs macht’ ge onzichtbaarheid van stille pool,

Dan raken we uit de baan door al jouw praten,
Én tijd vergetend, én coördinaten.


DAN LACHTE ZIJ: O JOU GELEERDE! WAT
Weet meer dan ik van ’t Brahman zo’n brahmaan?
Het is mijn thuis; ik kom er net vandaan,
De Schone Slaapster van jouw Lotusstad.

Stil leg ik in de ziel je heel mijn schat
Van zelfgeschouwde God, geen mensenwaan:
Hoor, nu ik wakker ben, mijn fluist’ren aan,
Niet ’t plechtigst org’len van de Oepanishad.

Dat roek’loos rodeln op kometenslee
Langs steile parabolen brengt gevaar,

En deft’ ge mars van sterrendéfilé,
Hoe geeft het jou genot, niet-militair?

Neen, sluit je baan, en laat je veilig denken
Om mij, je zon, in vrome cirkel zwenken.


T IS NACHT. ‘K ZIT OP DE HEI. NERGENS GELUID,
Over me staat, als transparant kristal
Rondom een oude berggod in zijn hal
Een halve bol van stilte, die me omsluit

‘K hoor, hoe heel ver een lang gillende fluit
Een tunnel boort; mijn berg kraakt overal.
Een blaf, ginds, hakt een gat; en recht en smal
Knapt een spleet open, tot mijn oor hem stuit.

‘K hoor ’t levend bloed, dat in mijn slapen gonst –
Neen: ’t is het hart van de aarde: het trilt, het bonst,
Of ’t niet de god uit zijn verdoving wekt.

Om goed te luist’ren, doe ik de ogen dicht,
Maar ‘k word gehinderd nu door ’t sterrelicht
Dat tikkelend door fijne gaatjes lekt.


DOF VIOLET IS ’T WEST EN PAARSlG GRIJS.
Nog wandel ‘k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over ’t hol rinkelend ijs:

Ik heb ’t gevoel, of ‘k op ’t bevroren glas
Cirk’lend, zwevend, zwenkend op kunst’ge wijs,
Met ’t buigend bovenlichaam daal en rijs:
‘T is in mijn rug, of ‘k zelf op schaatsen was.

Zo hoop ‘k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm’lend op maat en rijm van hollands staal,

Dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien,
En ’t fijn slieren en ’t heerlijk brede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.


‘K MAAK IN GEDACHTEN VAAK EEN BEDEVAART:
Dan sta ‘k.weer op de plek, die zomerdag,
Waar ik door de eikenlaan je komen zag;
Als reliquie heb ik dat beeld bewaard:

Uit zonn’ ge bomen dropte op zonnige aard’
Overal neer de zonn’ge vinkenslag;
‘K zag op jouw goed gezicht die blije lach,
En ‘k dacht op eens: Ben ik die liefde waard?

En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,
Zal ’t zijn, als stond ik weer in de eikenlaan,
Toen jij zou_komen met jouw lief gezicht.

Dan wordt die zomerdag,. zolang ,voorbij,
Een vizioen van toekomst, waarin jij
Mij staat te wachten in onwerelds licht.


DOOR KELKEN VAN ONWEZENLIJK KRISTAL
Schijnt de ondergrond van tragisch-paars fluweel.
Onzichtbaar is de lamp; langs ied’re steel
Hangt, smal en stil, een zonn’ ge waterval.

Melkwegen wel ven; nevels, overal;
En sterrebeelden flikk’ren, puntig geel:
Boven ’t diep-werklijk paars tilt, irreëel,
Iedere kelk, een spieg’lend niets, ‘t heelal.

Zo zie ik, fijngeslepen, diafaan,
Boven ’t verdriet dat doorschijnt, zwevend staan
‘T kristalwerk van mijn verzen, rein en koel:

Tot wereldnevel van stemming vervloeid,
Tot flikk’rende gedachte ineen gegloeid,
Zie ‘k overal eenzelfde Godsgevoel.


BEWEEGLIJK BLOEMPERK OP STIL BLAUW KANAAL,
Flikkeren, fel, hupp’lende zonnestippen,
Soms plotselinge lis met gouden slippen,
Soms gouden pijlkruid, plots’ling vertikaal:

Magisch onzichtbaar zijn ze, als ze overwippen
Van top naar rimpeltop; een enk’le maal
Zie je, als een slangetje, een rankende straal,
Glinst’rend en glad, tussen twee golfjes glippen.

Vijand’ ge, grauwborst’lige huiv’ringvlek
Schiet toe, om met kwaadaard’ ge schaduw bek ‘
’T fanatisch fonkelende feest te storen;

Matzilv’ren klokjes dobb’ren overal,
Een gouden-regen drijft op ’t blauw kristal;
En ’t bloemperk danst, gedruisloos, als te voren.


ER ZIT EEN SCHIM, WANNEER WE ALS VROEGER PRATEN.
Hij ziet ons aan; wij doen, als zien we hem niet;
En de een kijkt steels naar de and’re, of hij hem ziet,
En de ander antwoordt met niet-merken-laten;

We horen ‘t, als hij zwijgt hoe w’e eenmaal zaten,
Net zo, maar anders; en verwond’ring schiet
IJl door ons heen, hoe mensen ooit ’t verdriet
Om dood van liefde eerst, dan van smart vergaten.

En daarom praten we, afwezig en druk:
We zien en horen hem slechts, laatst geluk
Vol zelfverwijt, en nooit hardop beleden;

En als we dood zijn, zal hij met ons gaan
Naar hemel of naar hel, en zien ons aan,
En zwijgen, heilig diep, van ’t oµd verleden.


‘T IS LAAT AL IN DE NACHT. DOOD STIL IS ‘T HUIS.
Niets hoor ‘k dan klokgetik en gasgesuis.

Met dwaze drukte zie ‘k de slinger gaan,
Opglanzend, doffer glimlicht, af en aan.

‘T is, of me in ’t kleine domme ding verscheen
De wijze tijd, en ernstig knikte: Neen.

De taf el ligt vol opgeslagen boeken:
Mijn leven heb· ‘k vermorst met wijsheid-zoeken.

De bladengolving lijkt, een sneeuwbergketen,
De kille,toppen van het mens’lij’k weten.

In ’t laagland hoop:te ik ’t uitzicht-boven wijd:
Steeds’ wijder welfde’ zich de oneindigheid.

In blauwe slierten hangt sigarendamp
Als vage mijmeringen om de lamp;

Koud valt het licht uit grijs omwolkte kap
Op sneeuwgebergt’ van starre wetenschap.

Zo zat ik iedere avond, jaar na jaar;
Aan kennis heette ik rijk, ik bedelaar.

En ’t wàs, ·zoals men-vaak in dromen ziet:
Je móét iets vinden, en je kunt het niet.

‘K ga naar ’t balkon: lichtkevers op de landen,
Zie ‘k hier, daar, ginds, angstige lichtjes branden.

Glimwormpje Blijdschap, waagt het op te zweven,
Spartelt zich dood in ’t smartenweb van ’t leven.

Ontzaglijk straalt Orion’s majesteit.
Ik haat, haat, haat zijn zielloze eeuwigheid.

Glorie van wereelden, wat gaat ze me aan?
Die ’t meest me liefhad, heb ‘k verdriet gedaan.

’T geluk van ’t leven heb ik niet geteld:
Die ’t meest ik liefhad, heb ik ’t meest gekweld.

‘K had eens een troost: die ik heb liefgehad,
Bewaart de herinn’ring als een heil’ge schat.

En borende sekonden knaagden stuk
Beider herinn’ring, en mijn grootst geluk.

Tot berusting is ook die smart vergleden.
Dof hoor ‘k de zee; ver, als het dood verleden.

En ‘k ga weer zitten; luister naar het gas .
En ’t is zo vreemd: net of ‘k een ander was.

Onwerklijk staan de dingen om me heen.
Het gaslicht suist. De slinger knikt van Neen.


BLOND KINDJE SPEELT PIANO. PLECHTIG STAAN,
Als was ’t een kerk, twee kaarsen. ‘T is, als ragt ‘
T verleden blauw nevèlend op, en tracht
Naar lichte kring van ’t Nu terug te gaan.

Als kwam ’t van ver, hoor ‘k de oude stukjes aan,
Waar zalig Mozart’s kindervroomheid lacht,
En uit berijpte grasjes, rits’lend zacht,
Zilv’ren getinkel glipt langs straal van maan.

Vroom kijkt mijn kindje naar het notenblad –
‘T is plots’ling, of ik ’t vaak gezochte vind,

Alsof mijn moeder daar te spelen zat,
En ‘k zelf weer was gelovig luist’rend kind;

En ‘k zie door tover van die oude wijs
Mijn moeder jong, en mijn kindje oud en grijs.


DE ONTZETTING SOMS, VER, UIT DE DIEPSTE SCHACHT
Van de erfenis, als de avondschemering
Naar dageraad van tijd de herinnering
Terug doet flikk’ren van mijn voorgeslacht:

Ik ruik de bloed’ge wet van ‘t: Sterf of slacht,
Wanneer mijn ogen, wijd, de tinteling
Van ’t laatste licht opzuigend, ieder ding
Zien als een dreiging van vijand!ge nacht.

Het fonkelt; en het schuifelt. – ‘T ligt nu stil;
En loert, geduldig. Tussen bladgetril
In koude wind glimt blauw een fosferstraal:

Herlevend, wat.’t verleden van mijn stam
Joeg naar de grot, vol licht van veil’ge vlam,
Vlucht, vlucht naar huis mijn angst primordiaal.


SOMS ZOMERAVONDS, ALS IK T OUDE HUIS
Vol schem’ring, zonder mensen, binnenkom –
Ik luister en ik weet niet recht, waarom –
‘K ga naar mijn kamer. – ‘K hoor nog net een muis.

Uit groenig zwarte bomen waait geruis
Door ’t open raam. – ‘K beweeg mijn ogen: glom
Daar iets?– Een plaat. – Wonderlijk stil rondom
De meubels. – ‘K hoor in de oren ’t bloedgesuis.

‘T lijkt ver en vreemd. – Ik denk niet: ‘Is hier iets?’
Ik weet wel beter: haast me opzettelijk niets,
Maak licht, ga zitten, neem een boek, en lees.

En even kijk ik, even, weg van ’t boek
Was dat de muis niet? – naar een donk’re hoek. –
Dat was de voortijd en zijn spokenvrees.


VIZIOEN, HOE HANDEN WOELEN IN DE WRONG
Van vuurrood haar, en, twee hong’rige honden,
Zoeken op vrouwelichaam, waar ze vonden
Het heerlijkst vlees – hier – daar – met gulz’ ge sprong,

En door de hersens ’t bloed dreunt als een gong,
En tanden, wreed, het druipend tandvlees wonden,
En de uren smelt tot dropp’lende sekonden
Half bewust’loze wellust, tong aan tong –

Laat weerlicht is ’t van voorwereldse orkaan,
Dat van uit nevelkim op de oceaan
Van eeuwen ’t dromend Nu in vlammen zet;

Ja: oerverleden, troglodytenbronst,
Die laait voor de ogen en in de oren bonst,
Ejaculeert zich in dit geil sonnet.


‘K VOEL MIJ DE MENS NIET MEER DAN ‘T DIER VERWANT:
Mijn voortijd eer’k in kunstige infuzoren;
‘K vervloei, hen ziende, in schem’ring vreemd verloren,
waaruit tot mijn ziel Brahma~ is ontbrand;

De vonkjes eer ‘k, uit wier heilig .verband
Ik ben, een vlam, meer dan hun som, geboren,
zoals een Boeddhabeeld, dat als een toren
Over de wereld ziet, uit korrels zand.

En de eiken aai ‘k: zij voor mij aaiend reiken
Naar Brahman’s zon, die hen, mijn waaiende eiken,
Vroeg ’s morgens, ’s avonds ’t laatst bediadeemt:

Niets dierlijks, mens’lijks, ja – want Brahman ken ik·
Als ’t wereld denkend Ene, en Brahman ben ik …
Mij is, Zijn Zelfbesef, niets godlijks vreemd.


EN ‘T IS ALSOF, GEKAZUIFELD MET STATIE
Van sterrenevels en laaiend met kronen
En goud van geheimzinnige Orionen,
Mijn Zelf’ s gedachten staan in kontemplatie;

En ’t is of ‘k, ongeboren, sinds aeonen
Vergodlijkt tot drieëen’ge konstellatie
Van zaligheid en trots en adoratie,
In ’t wereldcentrum ’t eeuwig Zelf zag tronen;

En ’t is alsof, in vroom trillende handen
De Melkwegvaan, bestikt met sterguirlandep,
Om ’t Heilig Hart ik mijn processie leid,

Totdat mijn ogen, schemerende ekstazen
In één gevoel het heelal zien verwazen –
O, O, de glorie van mijn Brahmanheid!


EN GOLVEND IN MIJN BRAHMAN, DIEP EN KOEL,
zal ‘k naar Zijn wet ons beider glorie eren,
En, noctiluca, vroom fosforesceren .
Met vonken kunst en eeuwig eeuwigheidsgevoel;

En slaat smartelijk mij Zijn golfgewoel,
Ik weet: de schok zal zich tot vlam verkeren;.
Tot trots in Brahman zal dat vuur verteren,
Wat bleef van angst om Noodzaak zonder Doel.

Want toen ik-kind was, hoopte ik eens te komen
Met die ik liefhad, waar God al Zijn vromen
Wijs richtend bracht, en ’t Zondag was, altijd:

‘T verand’ringloze in Brahman’s Zelfbeschouwing,
Stille getuige van Zijn eeuw’ge ontvouwing,
Wordt hier beleefd in onuitspreekbaarheid.


JE ZIET ZIJN LEVEN, EIND’LOZE WOESTIJN,
En denkt aan prenten uit zijn kindertijd:
Helgeel is ’t zand, en alles leeg en wijd,
Driehoekjes staan op de achtergrond, heel klein;

Hij weet met trots, dat ’t pyramiden zijn –
In schaduwkoelte van vergetelheid
Had hij zo graag zijn moeheid neergevlijd,
Niet meer gesard door verre illuzie-schijn.

Hij denkt: Dat was ik zelf; en nu ben ‘k grijs.
En ‘k had mijn tuintje toch in vader’s tuin,

Voor bitterkers in ’t voorjaar en radijs,
En dan violen, donkerpa,ars en bruin;

Die vond ik ’t mooist. En gele. – En de ene hand,
Wrijft weg van de and’re een droog gevoel van zand.


DOORSCHIJNENDE HALVE BOL VAN NEVEL, LIGT
Over het kerkplein, ied’re’ lamp een maan,
‘T elektrisch violet; schaduwloos gaan
De mensen, zwart het lijf, vreemd wit ’t gezicht;

De toren als een vinger opgericht
Uit lage schemering van mensenwaan,
Teruggetrokken en afwijzend, staan
De middeleeuwen naast ’t elektrisch licht.

Zoekende lopen de gedachten rond
Op ’t eng bewustzijnsplein, en keren om,
Elk de eigen weg, of zij de waarheid vond;

En ontzaggelijk rijst op de achtergrond
Van ied’re ziel afkeurend, wachtend stom,
Het angstig donk’re blok van ’t Christendom.


IK BEN DE WEG, DE WAARHEID EN HET LEVEN
Ik zelf ben de Profeten, ben de Wet;
Ik heb geen Christus nodig, die mij redt;
Mij hoeft geen God mijn zonden te vergeven:

Vergeven wil ik Hem, die heeft geweven
Van goed en kwaad.’t verraderlijke net,
En, Kruisspin, Zijn vergift’ge scharen zet
In de angst’ge ziel, ondanks haar spart’lend beven.

Eerst joeg Hij ze op met groot misbaar van donder,
Zwav’lige bliksem en geplas van regen;

En achter ’t net Zijn goddelijke zegen,
Aantreklijk door lokaas van bloedig wonder.

Ik ben de Scarabee, de Gouden Kever,
Aas niet op bloed, scheur ’t web, veracht de Wever.


GOD ZOU DE ZIEL VERGODLIJKEN DOOR SMART?
Die dat zei, was een spotter of een gek:
Wie wast ’t onreine blank met klev’rig pek,
En bleekt met nacht ’t diep ingezogen zwart?

Neen, smart veredelt niemand: smart verhardt.
Stinkende mestvlieg werd ik, die op drek
Aas van het gore en vunzige, en bevlek
Met vuile spot ’t mooiste van ’t mensenhart.

Mijn ogen hunk’ren naar de ellende heen,
En gaan gulzig te gast op elk gezicht,

Waar lach van leed wreed-ingevreten ligt,
En ‘k denk gretig: ‘Hij ook, niet ik alleen!’

En door mij heen vlijmt brandend deze pijn:.
Een drekvlieg nu – ik kon een vlinder zijn.


MIJN VAD’REN STAKEN BLAKERENDE BRAND
Rondom het gillen van jouw vad’ren aan.
In wroeging schuldloos zie ‘k hen krimpend staan,
Gevlucht aan valse ketting naar de rand

Van ’t vretend vuur; en ‘k hoor de marteltand
Door sissend vlees e~ knappend mergbot gaan,
En de ijz’ge hitte voel ik waaiend slaan
Om blind gezicht en klauwgebaar van hand.

En nooit heb ik je donker haar geaaid,
Of ‘k zag een rosse glans, weerschijn van ’t lot,
Dat om jouw vrome lijders heeft gelaaid.

En ‘k bloei van haat, door Onwill’ ge gezaaid.
O – kwam op aard’ nog eens de Zoon van God,
Ik werd om jou Judas de Iskariot.


ZOALS DE RUITER OVER ‘T BODENMEER –
Voortvloog sneeuwstuivend ’t paard. ‘T werd schemering.
Zijn schaduw, blauwe reus, tot grauw verging.
Ook ’t laatste violet. De nacht zonk neer.

Eindigt dan nooit de vlakte? Nauwlijks meer
Ziet hij de grens van sneeuw en kimmenring.
Goddank! Uit verre lamp een tinteling:
Hij moét naar de overkant – Hij staat aan ’t veer.

Verbijsterd spreekt de veerman. En hij hoort.
Maar hoort iets ander~: hoort, hoe zijn galop
Beukt, bonkt op ’t ijs met razend hoefgeklop, .

Iedere sprong een klokslag aan de poort
Van ongeduld’ge dood: hij sart hem op.
Hij komt – Daar splijt de deur – Een worgend koord –


EN AAN DIE MAN, DIE DOOD OP DE OEVER GLEED,
Dood, dood náást ’t ijs – terwijl de veerman sprak –
In stervend oor klepelend hoefgeklak,
In dichte keel vergeefs gewilde kreet,

Denkt vaak, wie langzaam oud werd in veel leed:
Zijn leven ziend, begrijpt hij niet, dat ’t strak,
gespannen, door de smart ge bonsde vlak
Van ’t breekbaar denken ·niet tot waanzin spleet.

Hij luistert, weerloos: oude herinnering
Mummelt van· Toen, en Toen. En ’t is, als viel

Over zijn Ik late angst en duizeling
Om wat er loerde in de afgrond van zijn ziel.

Hij luistert; en zijn hand, weifelend, strijkt
Over zijn voorhoofd. En hij zit; en kijkt.


EN BIJ HET RIJZEN. VAN DE SCHEM’RING LAG
Bij in het gras naar de avondlucht te turen;
Een afgrond leek de tuin, berghoog de muren,
zwart van klimop met ‘stoffig spinnerag;

Het leek een put, waarin de· lichte dag
Op ’t donker dreef, vol schimmige figuren;
Enk’le geluiden van de naaste buren
Plonsden als steentjes d’rin: een naam, – een lach.

Hij zag de zwaluwen als zwarte stippen
Vlak onder ’t geel van· de avondwolken glippen;
Daarna, in ’t blauw, vond ·je hen moeilijk weer.

En ’t fijn getjisper van hun zwenkend piepen,
Dat scheen de hoge stilte te verdiepen,
Droppelde al_s regen in zijn afgrond neer.


MAANOPGANG

‘T is of een hefboom draait om de aarde als as:
Hij draagt in ’t west en ’t oost doorzicht’ge schalen,
In de een blauwgroen. gebergte van opalen,
In de and’re een enk’le bol van chrysopras:

‘T lijkt of ’t een wedstrijd van juwelen was,
Wie ’t zwaarst en kostbaarst de and’re omhoog zal halen;
Of moet veeleer onwillig de ene dalen,
Nu de ander rijst, lichtbel in vlies van glas?

Als eens’ voor mij, weifelend, staat te zweven
De ontzaglijke balans van dood en leven,
Een schaal met ’t Ik, een schaal vol wereldschijn,

Dan zal, naar ‘k hoop, zinkt weg in nacht en zwijgen
Mijn klinkend” licht heelal, almachtig stijgen
Het gouden weten van mijn Brahmanzijn.


ZO LEEK JE DAN JOUW AARDSE ZWAARTE LICHTER
In ’t ijle, koele denken; de verwijding
Vàn knellende horizon werd een bevrijding;
Op ’t donker ginds schee hier het lichte lichter.

Jij dacht je boven ’t mensenleven dichter
Bij de eeuwigheid; toch was ’t een voorbereiding:
Zo moest vervulling van mijn eerste wijding –
’T kind-in-Jou groeien tot mijn Brahmandichter.

Getraind in ’t lege door je schommeltochten,
Kon veilig je in de afgrondelijke krochten
Van Wanhoop zien en ’t middenrijk van de aarde:

Er was geen boven, was er geen beneden,
En zalig wordt slechts hij, die heeft geleden;
De hoogten kent slechts, wie in de afgrond staarde.


IK BEN GEEN WERELDMACHT, DIE LOONT EN STRAFT;
Mijn eigen Doper, maak ‘k mijn paden recht;
Ik leer: Wie zijn geluk in liefde legt,
Vergaat; weg spoelt de tijd hem, vlucht’ge haft.

Wat Lenau’s Faust tegen Mephisto zegt:
‘Zu schwarz und bang, als dass ich wesenhaft,
Bin ich ein Traum, entflatternd deiner Haft’,
Dat Godsbesef heb ‘k voor jou weggelegd.

Liefde is als lotos, die de zwerveling
Door ’t zoet wegglijden van de herinnering
Verder, steeds dieper van zijn huis verbant,

Tot eens uit vorm en naam en veelheid ‘t.leed
Dat laat· beleven, wat het denken weet, .
De·onwillige eenling stormt naar ’t Vaderland.


IK HOORDE EN ZAG. ZELF KON IK NIETS DAN ZWlJGEN.
Iets stuurde mijn schomnelend evenwicht.
Kwam ik uit ’t donker? Kwam ik uit het licht?
Was ’t zakken van mijn denken? Was het stijgen?

Lang weet ik, dat· mijn wereld is mijn eigen
Prachtig paleis, door ’t eeuwig Zelf gesticht:·
Kort weet ‘k, dat er een schat begraven ligt,
Zoals in sprookjes Zondagskind’ren krijgen.

En dalen zal ik naar mijn hoogste Zelf,
Tot waar het Brahman weeft in stil gewelf
Zijn vizionaire werelddraperieën;

En mijn getakte Melkweg – ‘k zie, hij zweert .
Twee vingers naar de oneindigheid gekeerd, .
Dat k Hem zal eren met Zijn fantazieën.


DE LAAN IN, UIT WESTLIJKE WOLKENSLUIS,
Stuwt-op ’t oranje licht; ’t gewelf van toppen
Lijkt, vastgeklonken met fel kop’ren knoppen,
Geelgroene naad van z’acht hellende buis.

Ik freewheel over licht; langwerp’ ge droppen
Trillen op ’t stuur; en ‘k luister naar ’t geruis
Achter me in ’t dorre blad, en naar ’t gedruis
Bij sprong of droog geknap van beukedoppen.

Tot streep smelt saam ’t versneld metaalgetikkel.
Hard gonst de nobel-koele wind. Op ’t nikkel
Schittert een dubbelster, oranjerood”

Aan ’t einde van de laan, om me op te vangen,
Staat, groot, de zon. Voort vlieg ‘k, in vreemd verlangen
Naar iets – onzegbaar, tijdloos: liefde-en-dood


I

Wit hing en stil de dauw over de weiden. –
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in ’t west wit licht boven’de kim. –
Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.

En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad: ·
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden .
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.


Il

Je haar was vochtig: toen je door de weiden,
Verlangend, mijn verlangen stillen kwam,
Had ’t nevelvolk – nachtvlinders om een vlam –
Van ’t roodstralende blond niet kunnen scheiden:

En kleine dropjes lagen, wit en koel,
Over je haar, net dunne zilv’ren koordjes:
‘T rood lichtte erdoor, zoals door kleine woordjes
Heen licht ’t vergeefs verborgen groot gevoel.

En ‘kaaide ’t met mijn handen en mijn lippen
Tot gouden spiegel, en mijn dromend oog
Zag een wit lichtplekje, als ik ’t hoofd bewoog,
Net als een duif langs zonnig koornveld glippen.

En ’t scheen, alsof in ’t schimmig westen hing .
Een geest, die stil keek over vroegere aarde;
En ’t scheen, ik was al oud, heel oud, en staarde
Terug naar dit – heiligste herinnering.


III

En ’t scheen,· ik was aan ’t einde van mijn leven,
En jij was dood;· mijn liefde, lang lang dood.
En ‘k dacht: Dat zachte haar,- hoe is ’t zo rood
In schemering.van dag en tijd gebleven?

En ’t wit werd grijs; en ’t grijs zonk naar de kim. –
De werk’lijkheid hield op, toen voor ons beiden:
Je ging – Wegnev’len zag ‘k je over de weiden,
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim.


[1]

Ik zat aan ’t roer; jouw half blote armen roeiden;
Door verre rietkrans zwierf karkietgeroep. –
De plantjes zag ‘k door ’t meer – reus·acht’ge loup –
Die ginds in licht als van Davirici groeiden.

‘K zag, hoe diep onder mij, boven een groep
Van avondwolken, die roodvlokkig gloeiden,
Blauw op oranje, twee libellen stoeiden,
Aëroplanen, scheen ‘t, looping the loop.

En ‘k schrok, toen ’t plots’ling door mijn denken schoot:
Mijn luchtschip hangt boven het avondrood,
Dan staat Hij nog boven: mijn horizon.

En langs de wolken keek ik weg van ’t stuur.
Jouw fosf’rend haar leek een roodstralend vuur:
En even zag ik de ondergaande zon.


[2] .

Langs ’t meer schitterde ’t vuurwerk, knal na knal: ·
De plots’ling blauwverlichte bergen schrokken,
Toen om hun scherpe toppen donderblokken
Versplinterden tot klankbonken naar ’t dal;

En gouden-regens klommen naar ’t heelal,
Naar de aarde’wierp clematis paarse klokken;
‘T leek of apotheozen samentrokken
Om ons,.brandpunt van dubbel hol kristal: .

Want weer droeg ons het luchtschip; en we speelden,
Twee zaligen, vangbal met sterrebeelden,
Dat Cassiopeia op je scheiding viel; .

En toen ekstatisch vuur en donder rolde .
Keek ik naar jou, mijn Brünhild, mijn lsolde,
En ‘k dacht: Neen, ’t is geen vuurwerk; ’t is haar ziel.


[3]

Vol noorderlicht van plechtige flambouwen,
Vol sterrebeelden hing het ijspaleis:
‘T leek uit bevroren vuur, uit vlammend ijs,
Uit poolnacht en uit tropenzon gehouwen;

Door bloemen was ‘t, kristallen paradijs,
Nog stil, maar ’t scheen, kosmische machten zouen
Een symphonie als vari Beethoven bouwen
Uit al wat edel is en groot en wijs.

‘K zag irreëel ’t solstitium-vierend bal:
Was jij geen ster, die zalig door ’t heelal .
Een zal’ ge droeg, mij donk’re, jij glorieuze?

Neen, neen, geen ster – Je was een opening
In muur van wereld – Was ’t herinnering? –
Maar ’t Zelf de zie ‘k nu nog door Betelgeuze.


KLEIN KINDJE HEEFT VERDRIET, MAAR MOEDER·LAAT
Voor hem een mooi geel balletje in een kring
Ronddraaien – en het schijnt een· gouden ring-
Aan een onzichtbare, elastieken draad;

Dan met een hamertje op’een gam’lang slaat
Ze wijsjes, uit heel verre herinnering; ,
En ’t draaiend balletje en ’t metaàlgeting
Leidt-af het kindje, en ’t zingt en tikt de maat.

Zo zwaait voor mij ·Brahman door mijn heelal
De statig cirkelende zonnebal,
En speelt op dondergam’lang de oude wijs

En ik vrgeeet; ‘k maak verzen en ik ben
Gelukkig, zo dat ‘k niet mijzelf meer ken,
Een kind – ja maar als Lao-tse: kind en grijs.


SOMS KAN· OP ‘T BERGLANDSCHAP DE ZON NIET SCHIJNEN
Dat kleine ding, zoek onder wolk-ruinen;
Dan ’s morge’ns’ staat; bij donder van lawinen,
‘T kosmisch sonnet van kleuren en van lijnen:

Grens tussen blauwe, onwereldse kwatrijnen,
Hangt smal een wolken.streep, geel als lupinen;
Omhoog, omlaag wijzen, aardse terzinen,
Sneeuwtoppen rood, en glooiend groen van pijnen.

Soms denk ik dat, wat in mij verzen maakt,
Een klein en machtloos ding is, zoek geraakt
In puin van eerst hoog drijvende gedachten:

Onzichtbaar centrum,· rijst het en doorlich
‘T hoogwelvend Godsbesef. Wolkenloos ligt
‘T nu vredig leven. Roze toppen wachten.


SOMS, ALS JE ‘S WINTERS OP ‘T BESNEEWDE PAD
Wandelt langs beuken, vind je een plekje diep
In ’t bos – ’t is, of een stukje zomer sliep,
Dat met de zwaluwen mee te gaan vergat:

Geen sneeuw. Een herfstdraad. Mos. Een mug. Gepiep
Van ’t meesje tussen zonnig roodbruin blad.
‘T is, of je haast de toverwoorden had,
Waarmee je zon en zomer wakker riep.

Zo vind je soms, als je oud wordt, plotseling
Diep in je ziel een kleine herinnering
Van toen je een kind was alles warmte en zon;

En ’t schijnt, alsof zo dad’lijk ’t vizioen
Werklijkheid wordt – ’t lijkt bijna net als toen –
Heel even is ’t, of je haast tov’ren kon.


KENT IEMAND DAT GEVOEL: ‘T IS GEEN VERDRIET,
‘T is geen geluk,· geen menging van die beiden;
‘t hangt over je, om je, als wolken over heiden,
Stil, hoog, licht, ernstig; ze bewegen niet.

Je voelt je kind en oud; je denken ziet
Door alles, wat scheen je van God te scheiden.
‘t is, of een punt tot cirkel gaat verwijden; ,
’t is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Je denkt: Nooit·was ,het anders; tot mijn Wezen .
Ben ‘k al zo lang van sterflijkheid genezen.
Je weet: Niets kan mij deren; ik ben Hij.

Tot zekerheid ‘je twijfel opgeheven,
Zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:
Je bent de wolken en je bent de hei.


DOORNIG VAN WROK STAAT SOMBER, DOR EN GRAUW
De distel van mijn ziel, stug-hard als hout,
En in mijm’rende zelfmarteling houdt
Hij vast de verre herinn’ring, wreed en trouw,

Hoe ·eens zijn jeugd herhaalde ’t hemelblauw
En ’t zeeverschiet, van ’t hoge duin geschouwd;
En nu, verschroeid en stukgestormd en oud,
Kronkelt zijn wanhoop in stek’lige rouw.

Lief, klein, eenvoudig vlindertje, Zo licht,
Zo zwevend licht, als was je levend licht,
Wat ritsel je om de grijze distel rond?

Pas op, dat niet schijnbaar onschuld’ge wind
Jou, zachtjes meegezogen, spart’len vindt
Met stukgescheurde vleugels op de grond.


ZOALS EEN ZAADPLUIS DOOR EEN SPINRAGDRAAD,
De glinst’rende door ’t glinst’rende gevangen,
Een korte poos stil trillende blijft hangen,
En dan langs lucht’ge helling.opwaarts gaat,

Zo kleeft. de mensenziel zich vol verlangen
Aan ijle broosheid an geluk, en haat
De vlaag van ’t lot, die stuk het spinsel slaat
En voort haar jaagt tot nooit vermoede gangen.

De hemel schreit haar, angstig weggestormd,
Diep met zich mee naar ’t smartlijk aardse donker;

En straalloos ligt en nietig en misvormd,
Wat zalig glansde in zilv’ren stergeflonker.

De wijze tijd houdt wacht; en ’t godlijk zaad
Ontkiemt tot kunst, tot wetenschap, tot daad.


IK WEET, HOE LATER, ALS IK DOOD ZAL ZIJN,
Jij onze meubelties goed onderhoudt.
… weert de worm uit ’t hout,
De mot uit vloerkleed en gordijn.
Dan is ‘t, als ga je in je verleden rond.
Je denkt: toen kreeg ‘k die stoel – en toen die kast,
En aan elk ding zit een herinnering vast,
Of heel je leven in-de kamer stond.
En niet heel vlug gaat dan ’t vertrouwde werk,
Want iedre kamer spreekt zijn eigen taal,
En iedre kamer doet ie zijn verhaal,
En iedre kamer is een andre kerk.
Een lang verleden is niet gauw doordacht.

Johan Dèr Mouw


ZOMER

1

‘T aardoppervlak zie ‘k als een schedelhuid:
Zweetstralen, sijp’len stinkende rivieren,
Waarlangs vuil-groenig roos en schimmel tieren;
Gebergten schurft steken er boven uit;

Mens-luizen, in hun nesten meest op buit
Rondkrauw’lend, zie ‘k land’lijke blijdschap vieren,
Verpletterd soms, als ’t trekken van wat spieren
De rotsen storten doet, schurftkluit na kluit.

De hemel lijkt een broeierige pet,
Aan gele knoop, die doorschijnt, in vervoering
Om ’t mooie weer jolig scheef opgezet;

En smullend van de zweetdamp, loom en vet
En week en wit hangen in stille ontroering
De wolkenteken aan de blauwe voering.


2

Straks vieren we Zaterdagavond: Wind
Bezemt en ragebolt met macht van water
De luizen weg, en met rat’lend geklater
Hagelen de eier, droogramm’lend als grind.

Met drie, vier tanden, roestig-groen, begint
De geelkoperen kam haar werk, en slaat er,
Op los in roos en schurftgebergte, en staat er
Een luis of teek, knappende dood hij vindt.

De luizen vluchten naar hun stedennesten:
Ze hebben men’ ge Zaterdag doorstaan,
En laten zich door ’t nat lawaai niet pestèn.

De wind amechtig dweilt langzaampjes aan
Tot wriemelende hoop de tekenresten;
De luizen laat hij: dát is niets gedaan.


3

Hij wil gaan liggen, uitblazen een poos,
En hangt smaakvol in evenwijd’ge bogen
Zijn dweilen uit, om onderwijl te drogen,
Rood, geel, groen, blauw van verf en bloed en roos;

Op ’t tekenvuil in ’t oosten gooit hij boos
De kop’ren kam, nu helemaal verbogen.
Pet-blauw, knoop-geel, stuiptrekkend vastgezogen
Veel buit aan kam: hij voelt zich virtuoos.

Daar krauw’len uit de schurft luizen en maaien:
Ze zien verbleken de onschaadlijke dweil,
En machtloos-verre tanden groenig laaien:

Lovend hun luizengod in luizenstijl,
Gaan dankbaar ze naar bed, en vroom en geil
Kruipen ze zwetend op elkaar en n …


OM ÉÉN JAAR JONG TE ZIJN, GAF ‘K ZIEL EN GOD,
Ik, die geluksdorst met ekstazen les:
Ja, ja stompzinnig ergens in de Nes
Met dronken pralen slaan de boel kapot,

Dan met een meid naar bed, en van genot
Schreeuwen en schreeuwen doen, een keer of zes:
‘K zou Brahman, vond ik Mephistopheles,
Zelfs ruilen voor Jehova Zebaoth.

En deze wens, die christ’lijkheid verbant
En ik aanvaard, is ·Brahman’s and’re kant:
Hem kreeg ik steeds terug, bij ied’re ruil.

Zo handhaaft zich het eeuwig evenwicht:
Een helft van de aarde is donker, de and’re licht;
Lag er geen drek om heil’ge Simeon’s zuil?


[1]

‘T is lang geleden; ‘k was nog maar een kind.
Toen dacht ik: Als ik maak, dat ik nooit meer
Ondeugend ben, en dat ‘k op school goed leer,
Dan word ik vast ‘een kind, van God bemind’.

En – dacht ik – als ik dood ga, nou, dan vind
Ik in de lucht bij onze Lieve Heer
De mensen, waar ‘k van hou, ·allemaal weer,
Mijn vader en mijn moeder en mijn vrind.

In ons salon, boven ’t antiek buffet,
Hing aan de muur een prachtig-mooi portret,
Van hoe een moeder slaapt; ze is zeker moe;

En naast haar ligt een kindje dood in ’t bed;
Een engel hangt erbij; ‘k begreep niet hoe;
En draagt het kindje naar de hemel toe.


[2]

Zo zou ik eenmaal naar-de hemel gaan,
En vleugels krijgen, wit als een kapel,
En vliegen ·door de lucht, zo hoog, zo snel,
Sneller dan vogels, hoger dan dè maan;

En ‘k zou misschien op Zondag mogen staan
Vlak bij de troon van God, naast Gabriël;
Jesus vond ’t zeker goed: die wist het wel,
Dat ik op school mijn best zo had gedaan .

En dan zongen ze vast een kerkgezang;
Alleen: als ’t licht maar niet te helder was:
Zo dicht bij God – een hele Zondag lang –

Als ‘k daaraan dacht, werd ‘k om mijn ogen bang.
Maar groen is goed voor de ogen: een stuk glas
Hield men zich voor ’t gezicht, daar, groen als gras.


[3]

Maar – één ding was er, dat ‘k niet prettig vond:
Ik kende een plaat, waarop een neger vloog
Met de armen om een blanke, in ’t donker. Hoog
Zag je veel licht; beneden was de grond.

Werd hij nu ook een engel? Met zo’n mond?
En met dat griez’lig witte van zijn oog?
Ik hoopte, dat grootmoeder zich bedroog,
En hij niet was bij God, als ik er stond.

Grootmoeder zei – ‘k hoor nog haar lieve stem-:
De kleur was niets; God zag alleen de harten;

En was dát goed, dan kwam je vast bij Hem;
Hij hield niet meer van blanken dan van zwarten.

En ik begreep ‘t: gelijk zijn al de doden
De mensen en de negers en de Joden.


[4]

Die Joden – Ja; die waren vreeslijk raar.
En lelijk ook; heel zelden zag je mooien.
En zo opzichtig! Jurken schots-bont-rooien
Trokken de.meisjes aan, niet Zondags, maar

Op Zaterdag: En ’t was ook stellig waar,
Want iemand had· ’t gezien, dat ze de dooien
Zonder gevoel zo van de trappen gooien,
Wanneer ze op Sabbat sterven. Dat was naar.

Een Joodje op school-Koos heette hij – had gezegd, .
Dat hij me een goud horloge gegeven zou.

Ze lachten thuis, dat ik ’t geloofde. Nou:
Hij zéi het wel, maar dee ’t niet. Dat was slecht.

Dat ze in de hemel kwamen, kón ‘k niet wensen.
Hoewel-je weet niet – Joden zijn ook-mensen.


[5]

Vaak wou ‘k een Jood zijn, om de Zaterdag: ·
Dan hadden we een dicté, en dan mocht Koos
Niet schrijven, en keek rond; en na een poos ·
Zei meester: ‘Koos mag weggaan!’ En ik zag,

Afgunstig, hoe hij met pedante lach
Heel langzaam wegging. Eens zei iemand, boos,
Omdat ’t mooi weer was: ‘Jood!’ Dat vond ik voos:
‘Jood!’ – ‘Paap!’ te schelden, is iets, dat niet mag.

Het goud horloge, ja, dat was-voor mij:
Hij had het zelf beloofd. Dat was gemeen.

Maar toen hij ’t hoorde, keek hij niet meer blij,
En kreeg een kleur, en sloop stilletjes heen.

En ‘k schaamde me, dat ‘k geen Jood was als hij:
Dan hoefde hij niet zo weg te gaan; alleen.


[6]

God’s :Wijze liefde had ’t heelal geschapen:
Vol lente, net als de appelbomen bloeien;
Weldadig-groen liet voor het vee Hij groeien ·
Het gras, voor ons doperwtjes en knolrapen,

‘T varken om spek en ham, om wol de schapen,
Om boter, kaas, melk, leer,-vlees, been de koeien;
Waar steden zijn, liet Hij rivieren vloeien;
Het zonlicht spaarde Hij uit, als wij toch slapen.

De sterren schiep Hij, om de weg te wijzen
Aan brave kooplui op stoutmoed’ ge reizen;
Hij schiep kaneel, kruidnagels, appelsientjes,

Het ijzer voor de ploeg, het hout voor huizen,
Hij schiep het zink voor waterleidingbuizen,
En ’t goud voor ringen, horloges en tientjes ..


[7]

Dan denk ik aan ’t konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo’n prachtig beestje, grijs en wit; het lag

Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als ‘k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat ’t weg zou zijn. En, ach!
Eens wás het weg; en toen begreep ik pas,

Dat ik toch heim’lijk steeds was blijven hopen,
Dat ik ’t zou krijgen. Thuis heb ‘k niet gepraat
Over ’t konijntje, maar ‘k wou niet meer lopen,

Omdat ‘k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou ‘k me zo’n konijntje kunnen kopen,
Maar ‘k word zelf grijs. Want alles komt te laat.


[8]

En voor den eten, ’s middags, werd de zegen
Gevraagd van ‘Vader, die al ’t leven voedt’,
En die zo trouw ‘ons spijzigt met het goed’,
Dat wij wél ‘van Zijn milde hand verkregen’·

Hij gaf de zon, en, als ’t moest zijn, de regen;
En deden we onze plicht met vroom gemoed,
En leerden braaf, en waren altijd zoet,
Zou Hij ons leiden op àl onze wegen.

En vlak na ’t bidden praatte je niet hard:
‘T was of een heel fijn, een heel prachtig ding

Rondom het eten over tafel hing;
En dankbaar was ik dan met heel mijn hart,

Dat we zo prettig bij elkander zaten
Behalve ’s Maandag’s, als we zuurkool aten.


[9]

De Zondag kwam altijd net als een feest;
Of eig’lijk: Zaterdag begon het al.
Om elf ging Koos; dan werden we half mal,
En meester zei: zo’n drokke, oproer’ge geest

Was in geen school ter waereld nog geweest;
-Want meester sprak geleerd. – En niemendal
Beviel hem dat zoethout; ’t leek wel een stal;
Dat kauwen op zoethout deed zelfs geen beest.

Maar dan deed meester toch een mooi verhaal
Van jacht op leeuw en wolf en ’t wilde zwijn;

-En langs de muur schoof stil een zonnestraal; –
Van verre landen, waar nog rovers zijn.

Op straat geklets van emmers Langs ’t kozijn
Dropen de straaltjes.~ Heerlijk schoollokaal!


[10]

Dan las ik we er van ’t lel’ke, jonge eendje:
Eerst zwom hij blij door ’t groene licht op ’t water,
Toen joegen ze hem weg met kwaad gesnater,
En gooide een jongen naar hem met een steentje;

Toen plaste hij rond met één bevroren beentje
‘S nachts in een kolk• en toen ontmoette hij, later,
Bij de oue vrouw, die deft’ge, wijze kater .
En dan die kip, met ’t ·afgebrande teentje!

En stilletjes werd ’t kleine eendje groot;
En vloog eens in een meer. Daar kwamen aan

Drie zwanen; en hij zei: ‘Pik me maar dood!’
En keek in ’t water; en hij zag een zwaan.

En ‘k had altijd; wanneer ik ’t sprookje las,
Een vreemd gevoel, dat ‘k zelf zo’n zwaantje was.


[11]

Ja, laat heb ik ’t ontdekt: Ik ben een zwaan:
Mij heeft uit poel van dof, smartelijk leven
Het stilgegroeide Godsgevoel geheven,
Aardse gehechtheid heb ik weggedaan;

Mijn vleugels zijn weer wit en waard te slaan
In Brahman’s licht; want wat van slijk bleef kleven,
Met blijde tranen heb ik ’t weggewreven:
Nu mag, nu durf, nu kan; nu moet ik gaan,

Ik die, uit angst van aarde, hijgend wou vluchten
Naar bevrijding in storm, in sterreluchten,
In koele smartenloosheid van natuur,

Tot waar, van eeuwigheid in Brahman dronken,
De extaze ziet als wolk van as en vonken
Stuiven ’t Heelal uit ’t eigen Wereldvuur.


[12]

Nog scheurde wijdjagende valk met schaars .
Geroep uw stite, mijn Veluwse grond!
Uw zwijgen, vol van diep verleden, schond
Geen dom rumoer van steedse beuzelaars;

Nog flikkerde ’t hert door uw struiken rond;
Nog brandden geen lupinen, kaars naast kaars,
Hun gele blijdschap in uw tragisch paars,
Met stroeve bossen tot de horizont;

Nog lag flapp’rend geen lap van vett’ge krant
Op platgezeten mos van heuvelrand,
Met sinaasappelschillen geel befluimd:

Uw wegen, rustig zwervend, gaven stilt’
En speelplaats even veilig aan het wild,
Als ruige glooiing, slank met berk gepluimd


[13]

Ruik ik daar niet de lucht, die wrang en sterk
En warm en prikk’lend van uw heide waait,
Als wolkenloze Augustusmiddag laait
Op glinst’rend zand en wit-zwevende berk?

Ik zie, hoe, vonk na vonk, ’t bedrijvig werk
Van bijen om pas bloeiend heikruid draait;
Ik hoor ’t point d’orgue, dat de wind die me aait,
Meedraagt uit ’t spar-bos, bruingezuilde kerk.

De verte trilt. Ik doe mijn ogen dicht,
En voel mijn lichaam staan, onwerk’lijk licht,
Zalig verloren in de oneindigheid;

En harsreuk, zon, en bos, en hei, het groeit
Nu samen tot een sprookjesland, waar bloeit
De vrome herrijz’nis van mijn jongenstijd.


[14]

Want met Poseidaon’s hoogzwalpende haat
Worstelde lang Odusseus’ heldendom,
Tot hij door spleet in muur van branding zwom,
Waar gunst van stroomgod hem tot effen straat

Zijn glazen wildheid gladstreek, en gewaad
Door dragend water hij op de oever klom,
En bukte in krakend riet, en kuste stom
De heilige aard’, geefster van ’t voedend zaad:

In storm van omgewoelde herinn’ring smijt
Mij de ene smart naar de and’re golftop toe;

Dan is ‘t, als ruik ik hars, en veilig glijd
Ik naar mijn verst verleden, oud en moe;

En ’t is me, of ik u kus, mijn heideland,
En zacht u aai met vroom-dankbare hand.


[15]

Spreek, Vlugge Wolf, broeder met ’t blonde haar,
Ontdekte uw speurend oog de bleke mannen,
Die, sluipend door de golvende savannen,
Ons trachten te verstrikken in gevaar?

Uw rode vriend, de Machtige Adelaar,
Kan uit zijn ziel de angstige vrees niet bannen;
‘T is om úw skalp, dat ze allen samenspannen;
Mijn geest is somber en mijn hart is zwaar.

U zoekt hun haat, hun list, hun mes, hun lood;
Nooit zal hun wrok ’t uw edle moed vergeven,

Dat gij mij eens gered hebt van de dood,
Toen ‘k met de panter worstelde om mijn leven.

Sluw zullen naar uw ondergang zij streven:
Klein is hun durven, maar hun valsheid groot.


[16]

‘K hoor ruisen ons moeras – zo noemden wij ’t,
Mijn vriend en ik – vol angstigrits’lend riet,
Met, soms, een zichtbaar wieg’lende karkiet;
Er om eerst bos, dan heiden, vlak en wijd.

Wij stookten vuurtjes, veilig: niemand ziet
De blauwe rook. Over ons, dreigend, glijdt
Kraaiengeroep, vreemd, wild, door de eenzaamheid.-
Leeft hij nog? – ‘Kruik de hars – Ik hoop van niet.

Ik heb hem vaak beledigd en gegriefd;
Want ‘k hield van hem. Neen, ‘k was op hem verliefd.
Neen, meer – mijn ideaal van goed en waar.

Nu ben ik oud. In Brahman is vergaan
Mijn wereld, en ikzelf, grijze brahmaan –
Hij had blauwe ogen en mooi donker haar.


[17]

Ik werd al aardig knap, want ‘k leerde frans.
Blij was ‘k! Als je dat kende, ja, dan was je
Een eind op streek, begreep ik, want dan las je
Verne in ’t oorspronk’lijke en Aimard’s romans.

Maar moeilijk! h al dad’lijk was daar hache;
En dans was zonder s, met s le sens;
Du fils – des zoons; maar de l’homme – des mans;
En die vervoeging! Je sais maar je sache.

Vreemd: een frans jochie, dat ik had ontmoet,
Sprak niet als meester; en die wist ’t toch goed:
‘La loi – de wet’ klonk met zo’n mooi ronde oea –

Ik durfde niet beslissen; maar ’t was naar,
Dat ‘k niet zo vlug als hij achter elkaar
Kon zeggen: que je ne m’en aille pas.


[18]

J’aime le son du cor – De Pyrenaeën,
Door sneeuw witpuntig en breedzwart door pijnen,
Zag ‘k·flikkeren door zilv’ren Paladijnen
Onder de wolken boven moorse armeeën.

En rotsen, door scheurende bossen, gleeën –
En ’t leek de maat van zware alexandrijnen –
Neer op ’t verraad in bloedige ravijnen
Door worp van velen, wein’gen, van hen tweeën.

‘T werd avond. ‘T zwart was blauw en ’t wit oranje.
Zijn laatste riddergroet naar Charlemagne
Vloog naar het noorden, hoge, gouden zwaan.

En ‘k dacht bij de angst van triomfante Moren
Voor de echo’s, spokend ·om ivoren horen:
‘Had ‘k toen geleefd, en was·’k zo doodgegaan!’


[19]

En ‘k las van Titurel en Parcival. –
Nog dreven om de toppen nevelvlokken;
Voor heil’ge tocht hoorde ikde kloosterklokken
Hun vroomheid sprenk’len door nog duister dal;

Ik zag, hoe flikkerende pantsers trokken
De helling af, zilveren waterval,
En, lange rivier van choraalgeschal,
Golvende pijen achter pelgrimsstokken;

Banieren zag”k bergop, schokkende, klimmen,
De kop vooruit, en goud en zilver glimmen
In verre tweespraak met nog lage zon:

Schuivend langs achtergrond van blauwe pijnen,
Naar ‘toosten zag ‘k, in ‘toosten hen verdwijnen
In morgennevel op de horizon.


[20]

Ik wenst toen een oudgraaflijk kasteel,
In ’t midden van hoog beukenbos met uilen
En grafruïne, zwartbegroeid de zuilen,
Scheef elke schacht, gebarsten ’t kapiteel;

Twee leeuwen door oud mos vaalgroen en geel,
Spalkten naast de ophaalbrug hun drakenmuilen,
En uit het maanlicht kwam de herfststorm huilen
Door puin van gang, vol rits’lend ·ratgespeel.

En plechtig, in vervallen ridderzalen,
Stonden te zwijgen, held naast held, de stalen
Harnassen van mijn ad’lijk voorgeslacht;

En ‘k hoorde, schuif ‘lend langs de kronkeltrappen,
Tot boete voor vergeten schuld de stappen
Van verre vad’ren spoken door de nacht.