https://gedel.nl/vertalingen/popa/
BRANDENDE HANDEN
Twee brandende handen verdrinken
In de diepten van het hemelgewelf
Zij grijpen niet naar de ster
Die rondom hen suist
En schittert en zich kruist
Zij zeggen iets met hun vingers
Maar wie kent
De tong van vingers in vlam
Plechtig brengen zij hun palmen bijeen
Om een dak te schetsen
Verbeelden zij soms het oude huis
Dat zij afgebrand verlieten
Of misschien het nieuwe
Dat zij weldra weer gaan bouwen

NIETSHEID
Nietsheid jij lag in slaap
En droomde dat jij iets was
Iets vatte vlam
Het vuur kronkelde
In blinde gekweldheid
Jij ontwaakte nietsheid
En warmde je rug
Aan het droomvuur
Jij zag niet hoezeer het vuur leed
Hele werelden van lijden
Jouw rug is kortzichtig
Nietsheid jij viel weer in slaap
En droomde dat jij niets was
Het vuur doofde
Gekweldheid kreeg haar gezichtsvermogen
En ook zij doofde in zaligheid
EN JIJ WIL DAT
En jij wil dat wij elkaar beminnen?
Je kunt me vormen uit mijn as
Uit het puin van mijn gebulder
Uit mijn resterende eentonigheid
Dat kun je knapperd
Je kunt me grijpen bij het haar van vergeten
Omarmen mijn nacht in een leeg hemd
Kussen mijn echo
Tja je weet niet wat liefde is
Bovenstaande gedichten uit: Selected Poems. Harmondsworth 1969
KNOOK TOT KNOOK
Een reeks van 7 gedichten
uit: Vasko Popa: Homage to the lame wolf;
selected poems 1956-1975. Oberlin College 1975
IN HET BEGIN
Dit voelt heel wat beter
Het vlees zijn we kwijt
Nu kunnen we doen wat we willen
Zeg eens iets
Zou jij willen zijn
De ruggegraat van bliksem
Zeg eens iets meer
Wat kan ik zeggen
Heupbeen van een storm
Zeg eens iets anders
Dit is alles wat ik weet
Ribben van de hemel
We zijn niemands knoken
Zeg eens iets anders
NA HET BEGIN
Wat zullen we gaan doen
Een goeie vraag
We maken merg voor het avondeten
We hadden vanmiddag al merg
Nu knaagt een hol gevoel van binnen
Laten we dan muziek maken
We houden van muziek
Wat doen we als de honden komen
Ze houden van knoken
We blijven steken in hun keel
En lachen erom
IN DE ZON
Heerlijk om naakt te zonnebaden
Vlees zei me nooit veel
Die dracht kon mij ook nooit boeien
Ik ben stapel op jou zo naakt
Zorg dat de zon je niet streelt
Laten we enkel elkaar beminnen
Wel niet hier niet in de zon
Hier kun je alles zien knookjelief
ONDER DE GROND
Weefsel van donkerte weefsel van vlees
Het is alles eender
Wat nu dan
We roepen de tijdloze knoken
We bestijgen de zon
En dan
Dan worden we zuiver
Blijven we groeien naar believen
En daarna dan
Niets we zullen overal gaan
We zullen eeuwige knookwezens zijn
Wacht maar tot de aarde gaapt
IN DE MANESCHIJN
Wat gebeurt er nu
Het is alsof vlees sneeuwachtig vlees
Zich hecht aan miij
Ik weet niet wat het is
Het is alsof merg door mij vloeit
Een soort knookkoelend merg
Ik weet het ook niet
Het lijkt alsof alles weer begint
Te beginnen vreselijk
Weet je wat
Kun jij blaffen
VOOR HET EINDE
Waar gaan we nu heen
Waar kunnen twee knoken heen
Die twee anders dan nergens
Wat gaan we daar doen
Al heel lang zijn daar
Niemand en zijn vrouw niets
Op ons aan het wachten
Wat willen zij van ons
Ze zijn oud en hebben geen knoken
We zullen hun dierbare dochters zijn
AAN HET EIND
Ik ben een knook jij bent een knook
Waarom heb je me verslonden
Ik kan mezelf niet meer zien
Wat is er met jou aan de hand
Jij hebt mij juist verslonden
Ik kan mezelf ook niet zien
Waar ben ik nu
Niemand weet nu nog
Wie wie is of waar
Alles een nare droom over stof
Kun je me horen
Ik kan jou en mezelf horen
Er is een ranonkel aan het spruiten uit ons
ECHO VERSTEEND
Er waren eens talrijke echo’s
Zij waren slaven van één stem
Bouwden bogen voor hem
De bogen vielen om
Zij hadden ze scheef gebouwd
De stof bedekte hen
Ze gaven dit riskante werk op
Veranderden hongerend in steen
In steen veranderd vlogen ze weg
Om korte metten te maken met de lippen
Waarvandaan de stem kwam
Ze vlogen wie weet hoe lang
Blinde dwazen ze merkten niet
Dat ze vlogen langs de rand van de lippen
Die zij zochten
Uit: Vasko Popa: Homage to the lame wolf;
selected poems 1956-1975. Oberlin College 1975, p. 62-63
SPELVORMEN
Een reeks van 13 gedichten, vertaald uit:
Vasko Popa: Complete poems 1953-1987. London 2011, 71-83
Vasko Popa: Homage to the lame wolf; selected poems 1956-1975. Oberlin College 1975, p. 37-51
Vasko Popa: Selected Poems. Harmondsworth 1969, p. 34-46
VÓÓR HET SPEL
Je sluit het ene oog
Tuurt in elk hoekje van jezelf
Onderzoekt of er geen spijkers zijn geen dieven
Geen koekoekseieren
Je sluit ook het andere oog
Hurkt neer en springt dan
Springt hoog hoog hoog
Helemaal boven op jezelf
Vandaar val je in je volle gewicht
Val je dagenlang diep diep diep
Naar de bodem van je afgrond
Wie niet in stukken uiteenspat
Wie ongeschonden blijft en heel weer opstaat
Die speelt

DE SPIJKER
Een is de spijker een ander de tang
De anderen zijn medewerkers
De tang grijpt de spijker bij de kop
Met zijn tanden en zijn armen grijpt hij hem
En blijft trekken trekken
Om hem uit de vloer te krijgen
Meestal wrikt hij enkel de kop eraf
Het is lastig een spijker uit de vloer te krijgen
Daarop zeggen de medewerkers
Deze tang is waardeloos
Zij vermorzelen zijn bek breken zijn armen
En smijten hem het raam uit
Daarna is iemand anders de tang
Een ander de spijker
De anderen zijn medewerkers
VERSTOPPERTJE
Iemand verstopt zich voor een ander
Verstopt zich onder diens tong
De ander zoekt hem onder de aarde
Hij verstopt zich op zijn voorhoofd
De ander zoekt hem in de lucht
Hij verstopt zich in zijn vergeten
De ander zoekt hem in het gras
Zoekt hem blijft zoeken
Geen plek waar hij niet zoekt
En zoekend naar hem verliest hij zichzelf
DE VERLEIDER
Je streelt de stoelpoot
Totdat de stoel beweegt
En jou een lief teken geeft met zijn poot
Iemand anders kust een sleutelgat
Kust het zoals hij maar kussen kan
Totdat het sleutelgat zijn kus beantwoordt
Een derde staat erbij
Vergaapt zich aan de andere twee
Schudt en schudt zijn hoofd
Totdat zijn hoofd afvalt
BRUILOFT
Elk legt zijn huid af
Elk toont zijn constellatie
Die nooit het nachtlicht heeft gezien
Elk vult zijn huid met stenen
Elk begint ermee te dansen
In het licht van zijn eigen sterren
Wie niet stopt tot aan de dageraad
Wie niet hapert wie niet valt
Die verdient zijn huid
(Dit spel wordt zelden gespeeld)
DE ROZENDIEVEN
Iemand is een rozenstruik
Anderen zijn de dochters van de wind
Anderen de rozendieven
De rozendieven sluipen naar de rozenstruik
Een van hen steelt een roos
Verbergt hem in zijn hart
De dochters van de wind verschijnen
Zien de gehavende schoonheid van de struik
En achtervolgen de dieven
Openen hun borsten een voor een
In sommige vinden zij een hart
In sommige laat het niet waar zijn niets
Zij blijven borsten openen
Totdat zij een hart ontdekken
Met in dat hart de gestolen roos
IN DE PAUZE
Niemand rust
Deze hier beweegt voortdurend zijn ogen
Legt ze op zijn schouders
En graag of niet begint achterwaarts te lopen
Zet ze op zijn voetzolen
En graag of niet komt ondersteboven teruglopen
Deze hier is helemaal veranderd in een oor
En hoorde wat zich niet laat horen
Maar hij heeft er genoeg van
En hunkert ernaar weer terug te keren in zichzelf
Maar zonder ogen kan hij niet zien hoe
Deze hier heeft al zijn gezichten ontsluierd
En jaagt hen een voor een achterna over de daken
Werpt het laatste gezicht op de grond
En bedekt zijn hoofd met zijn handen
Deze hier heeft zijn oogopslag opgerekt
Opgerekt van duim tot duim
En wandelt erlangs wandelt
Eerst traag dan sneller
En sneller steeds sneller
Deze hier is aan het spelen met zijn hoofd
Werpt het omhoog in de lucht
En vangt het weer op met zijn wijsvinger
Of vangt het helemaal niet
Niemand rust
AFKOMST
Sommigen bijten van de anderen
Een arm af of een been of wat dan ook
Klemmen het tussen hun tanden
Rennen weg zo snel ze kunnen
Begraven het onder de grond
De anderen haasten zich in alle richtingen
Snuif zoek snuif zoek
Woelen heel de aarde om
Als ze het geluk hebben een arm te vinden
Of been of wat dan ook
Is het hun beurt om te bijten
Dit spel verloopt in een stevig tempo
Zolang er armen zijn
Zolang er benen zijn
Zolang er ook maar iets is
ZAAD
Iemand zaait iemand
Zaait hem in zijn hoofd
Stampt de aarde stevig aan
Wacht op ontkieming van het zaad
Het zaad verteert zijn hoofd van binnen
Verandert het in een muizenhol
De muizen eten het zaad
Ze vallen ter plekke dood
De wind komt wonen in het lege hoofd
En begint vierkante briesjes te baren
ELLENDIGE KNOL
De een is een steen op het hart van de ander
Een steen als een huis zo zwaar
Onder de steen kan niemand bewegen
Beiden worstelen ze
Om tenminste een vinger te tillen
Tenminste met de tong te klakken de oren te bewegen
Te knipperen met de ogen
Onder de steen kan niemand bewegen
Beiden worstelen ze almaar
En raken uitgeput en vallen van uitputting in slaap
En in hun slaap pas staan hun de haren overeind
(Dit spel duurt een eeuwigheid)
DE JAGER
Iemand gaat naar binnen zonder te kloppen
Gaat iemands oor binnen
En komt via het andere weer naar buiten
Gaat naar binnen met een lucifertred
Met de tred van een brandende lucifer
Danst rond binnen het hoofd
Hij heeft het gered
Iemand gaat naar binnen zonder te kloppen
Gaat iemands oor binnen
En komt niet via het andere oor naar buiten
Hij is de sigaar
AS
Sommigen zijn nachten anderen sterren
Elke nacht ontsteekt zijn eigen ster
En danst een zwarte dans eromheen
Totdat de ster dooft
Daarop splitsen zich de nachten
Sommige worden sterren
Andere blijven nachten
Weer ontsteekt elke nacht zijn eigen ster
En danst een zwarte dans eromheen
Totdat de ster dooft
De laatste nacht wordt ster en nacht ineen
Hij ontsteekt zichzelf
Danst de zwarte dans rondom zichzelf
NA AFLOOP
Uiteindelijk klemmen de handen de buik vast
Om te voorkomen dat de buik uitbarst in lachen
Maar er is geen buik
Een hand slaagt er net nog in zich te verheffen
Om het klamme zweet van het voorhoofd te wissen
Er is ook geen voorhoofd
De andere hand tast naar het hart
Om te voorkomen dat het hart uit de borst springt
Er is ook geen hart
Beide handen zakken
Zakken moedeloos in de schoot
Er is ook geen schoot
Op de ene hand valt er regen nu
Uit de andere is gras aan het groeien
Wat valt er nog te zeggen

IN ONZE DIEPTE (volledige reeks)
Aanvulling op: Vasko Popa – diverse vertalingen
Bron: Vasko Popa: Complete poems. London 2011
1
Wij heffen onze armen
De straat klimt hemelwaarts
Wij slaan de ogen neer
De daken verdwijnen in de aarde
Uit elke pijn
Die wij niet noemen
Groeit een kastanjeboom
Die ons geheimzinnig volgt
Uit elke hoop
Die wij koesteren
Ontspringt een ster
Die onbereikbaar ons vooruit gaat
Hoor je hoe een kogel
Rond onze hoofden cirkelt
Hoor je hoe een kogel erop uit is
Onze kus in een hinderlaag te lokken
2
Kijk hier is dat ongenode
Vreemde wezen kijk hier is het
Siddering over de theespiegel in het kopje
Roest die zich nestelt
Aan de randen van onze lach
Een slang gekruld in de diepste spiegel
Zal ik jou kunnen verbergen
Voor jouw gezicht in het mijne
Kijk het is de derde schaduw
Op onze verbeelde wandeling
Onvermoede afgrond
Tussen onze woorden
Kletterende hoeven
Onder de gewelven van onze gehemeltes
Zal ik in staat zijn
In dit onrustveld
Jou een tent te bouwen van mijn handen
3
Onrustig wandel jij
Langs de randen van mijn ogen
Op de onzichtbare tralies
Voor jouw lippen
Huiveren naakt mijn woorden
Ogenblik na ogenblik ontstelen wij
aan de achteloze ijzeren zagen
Jouw handen bedroefd
Vloeien in de mijne
Onbegaanbaar is de lucht
4
Groene handschoenen ritselen
In het gebladerte langs het plaveisel
De avond draagt ons onder zijn arm
Op een pad dat geen sporen laat
De regen zakt op zijn knieën
Voor de fragiele vensters
De gazonnen treden uit hun poorten
En stellen ons behoedzaam gerust
5
De nachten raken hun duisternis kwijt
Stalen takken grijpen
De armen van voorbijgangers
Enkel anonieme schoorstenen
Kunnen ongestoord de straten bewandelen
Die onze slapeloosheid doorkruisen
In de goten schimmelen onze sterren
6
Uit de rimpel tussen mijn wenkbrauwen
Kijk jij tot de dag aanbreekt
Op mijn gezicht
Het hars van de nacht
Verzengt stilaan
De vingers van de dageraad
Zwarte klinkers al
Hebben dichtgemetseld
Het totale hemelgewelf
7
Getande ogen scheren
Over stille wateren
Rondom ons paarse lippen
Fluisterend uit de takken
Kreten doen het blauw barsten
En dalen neer op kussens
Onze haarden gaan schuil
Achter smalle ruggen
Handen klemmen zich aan
Broze wolken
Onze aderen spoelen
Groezelig bed en tafelblad
Uit verwaaide beenderen
Viel ons de namiddag in de armen
En werd gaandeweg naargeestig
Een open graf in de huid van de aarde
In jouw huid in mijn huid
8
Op het kruispunt
Ontmoeten we de schaduwen
Blauw onder de ogen van de dag
Als ik mijn hoofd wend
Zal de zon vallen uit de takken
In mijn handpalmen
Heb je glimlachen geborgen
Hoe kan ik ze tot leven brengen
Mijn schaduw wordt steeds zwaarder
Zijn vleugels worden geknoopt door iemand
Grote goedheid
Je opent je ogen je verbergt me domweg
Een plotse nacht maakt jacht op mij
Aan het einde van de statige weg
Ontsteekt een kleurloze boom zijn sigaret
9
Gifgroen
Gaan momenten op mars
Dwars over ons voorhoofd
We reizen ons lichaam uit
De stilte in geëtst
Door onze verdwaasde blikken
Tussen mijn oogleden
Omhels ik je naakte blik
Om de pijn daar te pletten
10
Hoe kunnen wij zien
Met zulke bronzen knopen
Het duister drijft de spot met ons
Geselt ons met zijn haar
Hoe kunnen wij spreken
Met zulke papieren tongen
Onze woorden doen hen ontbranden
Dor onder de daken van onze monden
Hoe kunnen wij overleven
Met zulke lijven van drijfzand
Tomeloze lepels
Voeren ons weg korrel na korrel
Hoe kunnen wij omhelzen
Met zulke bladloze houten armen
De anjers verwelken ons in de lippen
Verwelken in het hete zand
11
Binnenstebuiten hebben de huizen gekeerd
De bittere zakken van hun kamers
Zodat de windhoos hen kan doorzoeken
Naast onze ribben
Ontdoen de straatlampen zich
Van hun bloedbevlekte jekker
Wij zijn twee vellen krantenpapier
Ruw geplakt
Over de wond van de avond
Vlammende vogels
Van mijn wenkbrauwen
Zijn op jouw sleutelbeenderen gedaald
12
Duistere bewegingen glijden
Vanaf de wimpers langs onze gezichten
Met een wrede roodgloeiende draad
Stookt boosheid onze gedachten
Scharen met opstaande nekharen
Omsingelen onze ongewapende woorden
De giftige regen van eeuwigheid
Begint ons gretig te bijten
13
De pilaren die de hemel steunen gruizelen
De bank waarop wij zitten valt
Langzaam de leegte in
Moeten wij voor eeuwig kwijnen
In stenen stilte
Door onze ogen heen door onze schedels heen
Zullen onze woorden kiemen
De dagen zijn uiteengevallen
Moeten wij voor eeuwig wachten hoe de zon
Zich geel kleurt door onze ribben heen
We horen hoe ons hart slaat
In de kelen van de dode pilaren
Wij zijn uit onze inborst gevlucht
14
Als er niet jouw ogen waren
Zou er geen lucht zijn
In ons blinde verblijf
Als er niet jouw lach was
Zouden de muren nooit
Verdwijnen uit onze blik
Als er niet je nachtegalen waren
Zouden de tere wilgen nooit
Over de drempel stappen
Als er niet je armen waren
Zou de zon nooit
De nacht doorbrengen in onze slaap
15
De straten van jouw blikken
Eindigen nergens
De zwaluwen uit jouw ogen
Trekken niet zuidwaarts
Van de espen in je borsten
Vallen geen bladeren
In het luchtruim van jouw woorden
Is er geen zonsondergang
16
Mijn bruine studeerkamer
Voorzie jij van een passende lichtval
Je spreidt me een weide
Op je borsten
Je brengt witte duiven bijeen In mijn blijdschap
Je dooft de sigaret van mijn zorgen
In jouw hart
In een tros muskaatdruiven
Wacht je op mijn lippen
17
Ik zou willen slapen in de zee
Ik plons in de pupillen van je ogen
Ik zou willen bloeien op het voetpad
Ik volg de bloembedden in je tred
Ik zou willen ontwaken in de hemel
Ik spreid mijn bed in jouw lach
Ik zou onzichtbaar willen lijken
Ik laat me vergrendelen in jouw hart
Ik zou je willen roven uit de stilte
Ik kleed je in gezang
18
Ik draag jou
Als een volle dag in mijn armen
Ik plant
Een rij sparren langs mijn staren
Ik doorkruis
De steden van je stiltes
Ik verzamel
de dauw van je wimpers
Ik breek
een tengere nacht dwars over je taille
Ik roep
schuchtere ochtenden van de daken omlaag
19
Onze jeugd staat in het blad
Groen in alle straten
De wangen van de huizen gloeien
Als wij langskomen
De stoep legt een kaartje
Met onze voeten
Wij zijn een plotse ster
Op de gezichten van voorbijgangers
Hele zwermen verrassingen
knabbelen uit onze hand
20
Vogels drinken levend water
Dat uit jouw palmen gutst
Blauwe en bruine vogels
Die uit jouw ogen stijgen
Als er geen jagers in de verte zijn
Je palmen geven licht
Aan twee denkbeeldige aardklonten
Terwijl de zon daalt
21
Je handen gloeien op de haard
Midden in mijn gezicht
Je handen laten mij de dag aangaan
Je handen bloeien
In de uitheemse woestijn binnenin mij
Die niemand ooit betreden heeft
Je handen dromen in de mijne
De droom van elke hemelse hand op aarde
22
Onze dag is een groene appel
In tweeën gesneden
Ik kijk naar jou
Jij ziet me niet
Tussen ons staat de blinde zon
Op de trap
Onze versleten omhelzing
Je roept me
Ik hoor je niet
Tussen ons hangt de dove lucht
In winkelruiten
Zoeken mijn lippen
Jouw glimlach
Op het kruispunt
Onze vermorzelde kus
Ik heb je mijn hand gegeven
Jij voelt het niet
Leegte heeft jou omhelsd
Op de pleinen
Zoekt jouw traan
Mijn ogen
‘s Avonds ontmoet mijn dode dag
Jouw dagelijkse doodsheid
Enkel in slaap
Gaan we dezelfde paden
23
Zonder jouw blikken ben ik een rivier
Die door zijn oevers verlaten is
De wind voert me bij de hand
Schemer heeft jou je handen gehakt
Witte straten vluchten weg voor mij
En vingers schuwen mijn voorhoofd
Waar de wereld vlam heeft gevat
Mijn woorden zijn door gras overwoekerd
Stilte heeft jouw stem verwaaid
De dingen keren mij hun grijze rug toe
In het duister van mijn vlees
Waart een boosaardig licht
24
Ik ga
Van de ene hand naar de andere
Waar ben je
Ik zou je willen omarmen
Ik omarm je afwezigheid
Ik zou je stem willen kussen
Ik hoor vertes lachen
Mijn lippen hebben mijn gezicht vervormd
Uit mijn verdorde handen
Schijnt een gloed in mij
Ik wil je ontmoeten
En ik sluit mijn ogen
Ik ga
Van de ene kant van mijn hoofd naar de andere
Waar ben je
25
Ik ben de gele vloer
Van de lege kamer waar jij zit
Enkel om je schaduw mij te laten troosten
En ik ben de houten stoelen
Die jij op straat zet uit je kamer
Enkel om te kunnen spelen met jouw schaduw
Ik ben de dorre bladeren
In de straten waar jij loopt
Om jouw schaduw te kunnen horen
En ik ben de barre steen langs de weg
Waar jij voorbijkomt
Om jouw schaduw mij te laten kleden
26
Wie is dat licht daar op de hoek
In deze ochtendloze nacht
Het wikkelt me in jouw blik
Volgt me naar ons geblindeerd verblijf
Belicht de lege steigers in mijn aderen
En wie is die vogel
In de gebarsten hemel van mijn hart
De enige vogel
Hij roept me met jouw stem
Want het witte kan niet
Aardwaarts dalen
27
Met mijn handpalmen
Heb ik het pad verwarmd
Waarlangs jij terugkeerde
Je stem heeft haar witheid verloren
Ergens achter de hoge daken
De uren die mijn eenzaamheid vergezelden
Verheffen zich voor jou
Uit hun sneeuwbedekte zetel
28
Onder je oogleden
Slapen jouw viooltjes
Ik maak mezelf tot een zon
Boven jouw nachtmerrie
Jij smijt elk venster open
In je voorhoofd
Uit mijn bloed pluk ik
Witte waterlelies voor jou
Jij bezorgt mijn boom van as
Groen gebladerte
29
Dit zijn jouw lippen
Die ik teruggeef
Aan jouw hals
Dit is mijn maanlicht
Dat ik afneem
Van jouw schouders
We zijn elkaar kwijtgeraakt
In de onomlijnde wouden
Van onze ontmoeting
Jouw adamsappels
Schemeren en ontwaken
In mijn handen
Mijn onbezonnen sterren
Laaien en doven
In jouw keel
We hebben elkaar gevonden
Op het gouden plateau
In onze diepte
30
Ik schraap het zwart van mijn lijf
De dag heeft mij een gezicht gebracht
De wind heeft mijn haar gewekt
Mijn lamme blik krijgt groene scheuten
Schaduwen verschijnen uit de zon
De wereld wacht aan de ingang van het hart
Van de blauwe hellingen daal ik weer omlaag
En betreed jouw klare stem
Bereid onze magische lamp te ontsteken
